1. Van 1400 - 1800

De blokfluit (kernspleet, uitslaanbaar blok, 7 vingergaten boven, duimgat onder) is een West-Europees instrument. Hoewel de wortels ervan ongetwijfeld in de oostelijke culturen liggen, is daar nooit een instrument gevonden dat aan bovenstaande definitie beantwoord. Het instrument ziet er eenvoudig uit: een houten pijpje met gaatjes, zonder kleppen met een open kant onder en  een inblaaskant boven. Je blaast tegen een opsnede, waartegen de luchtstroom zich splijt en gaat wervelen, zodat er een toon ontstaat.  Je maakt hem van hout of been, het instrument is eenvoudig te construeren en relatief eenvoudig te bespelen.

Zowel archeologisch als literair onderzoek wijst er op dat de blokfluit als zodanig in de tweede helft van de 14e eeuw   in Europa opduikt. In welk land voor het eerst blijft een open vraag. Het kan Engeland, Frankrijk, Duitsland, Nederland of Spanje geweest zijn. (Anthony Rowland-Jones, American Recorder Jg. 40 nr. 5, 1999). De eerste vermelding van een fluit (hoe dan ook) vinden we in het Nibelungenlied (omstreeks 1200):

"Vil krefteclîche lûte mánec pusün erdôz

von trumben unt von floîten wart der schal sô grôsz"

Een dichter uit Siena (Italië): Folgore da San Gigmignano schrijft ergens tussen 1309 en 1317 over nieuwe instrumenten  uit Duitsland bij een aprilfeest: "e sonar a raccolati i trombatori, e sufoli e flauti e ciramelle, e toccar a le shiere i feritori". De vraag blijft: waren de flauti ook blokflauti?

De Duitse muzikanten blijven wel in Siena, waar de daden en wandaden van hun nakomelingen (de pifferi van de stad) in de stadsarchieven nauwgezet bijgehouden worden. Een blokfluit bij bezoekende pifferi uit Florence wordt 1468 vermeld ("1 di fiuto"), een etui met blokfluiten in 1547 ( "una cassa die flauti all'italiana), een inventarislijst uit het paleis in 1573 heeft ook een etui met 6 bloklfuiten ( "una cassa co' sei flauti dritti") en in 1602 laat de beroemde blazer Simone Nodi ook twee etuis met blokfluiten na ("due casse di flauti dritti, una nera e l'altra gialliccia), dus een zwart en een geel. (Frank A. D'Ancone: The Civic Music,. University of Chicago Press, 1996). 

In 1378 verstuurt in Frankrijk de dichter Eustache Deschamps een brief in dichtvorm: "Je n'ay mie si mal en l'ongle / Que je n'aie aprins a jouer/ A l'eschequier et flaioler." Omdat l'ongle de duim voorstelt moet de flajol hier volgens Anthony Rowland-Jones (Early Music 34, nr 1, 2005) wel een blokfluit zijn.

Een nota uit Brescia vermeldt in 1405,  dat "Bartolomio uit Urbino, pifaro van Graaf Guido van Urbino, voor vier nieuwe flauti op verzoek van de Graaf naar Brescia gestuurd werd."  

Uit Spanje blijkt uit een lijst regels die in 1548 in de kathedraal van Léon golden, dat blokfluiten fabordón (in Italië: falsobordone: begeleiding met drieklanken in grondligging) zaterdag voor Pasen met het koor meespeelden (Kenneth Kreitner, Early music jrg. 31 nr. 1, 2003). In 1560 waren in de kathedraal van Valencia  "Pommers, trombones, blokfluiten, zinken, kromhoorns en trompetten" in gebruik. (David Lasocki, Tibia 3/2006)   

In de Nederlanden (de huidige Benelux) zijn vanaf de 13e eeuw veel afbeeldingen van de eenhandsfluit, die zijn bloeitijd beleefde tussen 1450 en 1650. De muzikant bespeelde de fluit met drie toongaten met één hand, terwijl hij net de andere hand een trommel sloeg. (Wim Bosman: Eenhandsfluit en trom in de lage landen, Peer, België, Alamire, 1991).

De oudste afbeelding van een blokfluit is een beeldsnijderij uit de 14de eeuw in het Koor van de katedraal van Chicester. Vanaf het begin was een blokfluit een veelgebruikt instrument door amateurmusici. Beroepsblazers maaakten er ook veelvuldig gebruik van voor het creëren van alternatieve k lankkleuren.


De (vermoedelijk) oudste teruggevonden blokfluit is een pruimenhouten sopraan van 256 cm lang uit de 14e eeuw, in juni 1987 gevonden in Göttingen. Het fluitje is helaas nogal beschadigt, een deel van het labium en van het luchtkanaal ontbreekt,  maar er is een reconstructie van gemaakt door Hans Reiners. Er kunnen twee octaven op gespeeld worden. (Hans Reiners, The Galpin Society Journal 50, 1997). Het fluitje wordt bewaard in de Georg-August Universiteit van Göttingen (Inventarisnummer L-131). Het fluitje is 256 mm lang, heeft zeven vingergaten en een duimgat. Het onderste vingergat is dubbel, om zowel rechts- als linkshandig te kunnen spelen. Het ongebruikte gaatje werd dan met bijenwas dichtgemaakt. De boring van de gaten is aan de buitenkant wijder dan aan de binnenkant, in tegenstelling tot blokfluiten vanaf de 15e eeuw. Uiterlijk vertoont het fluitje overeenkomsten met fluiten waarop in Zuid-Europa vandaag nog gespeeld wordt, zoals de Kroatische Curlik  en de Turkse Düdük.

Een andere zeer oude  blokfluit is uitgegraven in het kasteel "Huis te Merwede" te Dordrecht, en staat daarom als "Dordrechtfluit" bekend. Horace Fitzpatrick nam aan dat de fluit uit het midden van de 13e eeuw stamde, maar Dietrich Hakelberg ("Some Recent Archaeo-Organological Finds in Germany", The Galpin Society Journal 48, Maart 1995) vindt  begin 15e eeuw waarschijnlijker. Het instrument is ongeveer 30 cm lang met precies evenveel gaatjes op dezelfde manier gerangschikt als het fluitje uit Göttingen. Het fluitjes wordt bewaard in het gemeentemuseum in Den Haag. Tegenwoordig worden er van blokfluiten vaak CT-scans gemaakt, ook om ze exact te kunnen nabouwen. Dat is met de Dordrechtfluit in mei 1915 in het Albert Schweizerziekenhuis gebeurd.

 

Beide oude fluitjes zijn heel verschillend van bouw en karakter. Vanaf het begin dat blokfluiten in Europa werden gebruikt zijn er duidelijk geen eenduidige "renaissance"- of  "Ganassi"-fluiten. 

Er schijnt ook nog een dergelijk fluitje gevonden te zijn in Esslingen.

Bij een opgraving in Hanzestad Tartu, Estland  is in augustus 2005 een door de archeoloog Andres Tvuari 14de eeuwse blokfluit uit een latrine opgedolven. De fluit is van esdoorn, het blok van berkehout. De lengte is 247 mm, ongeveer net zo groot als een moderne sopranino van 440 Hz. Het instrument zal aan de Univeristeit van Tartu diepgaand worden onderzocht. (Recorder home Page News, February 10, 2006 9:29 pm GMT + 08:00 (Perth))
 

Er is ook een midden 15de eeuws fluitje opgegraven in de hanzestad Elblag, ten zuidoosten van Danzig. Het is een gaaf esdoornhouten fluitje zijn van 299 mm lang, in goede staat. (Recorder home Page News, July 24, 2007 10:34 am GMT + 08:00 (Perth))
Het fluitje is in 1998 opgegrven. muziekwetenschapper Dorota Popławska heeft de blokfluit uit de 14de /15de eeuw  uitvoerig gedocumenteerd. Het wordt bewaard in het Archeologisch-historisch Museum Elblag (nr. 4891). (Windkanal 2/2008 blz. 14-17)

 

 

 

 

In 1994 werd aan de Mariaplaats in Utrecht een blokfluitje van 11,1 cm opgegraven, gedateerd tussen 1550 en 1650.

In Lübeck is een ivoren fluitje opgegraven, identiek aan de Rosenborg Blokfluiten uit het midden van de 17e eeuw, het kleinste behouden exemplaar van de Nürnberger "Wildruf und Horndrehern".

Uit de slotgracht  bij het huis Dever in Lisse is tijdens opgravingen een 17e-eeuwse sopraninoblokfluit van buxushout in redelijk goede staat tevoorschijn gekomen.

Tot de vroege 17e eeuw was een blokfluit uit één enkel stuk hout vervaardigd. Hij had een overwegend cilindrische boring.  Rond 1670 kam als uit het niets een geheel nieuw blokfluittype op. Ze bestond uit drie delen, met beschermende  uitstulpingen bij de tappen. De kop had een cilindrische boring, het middenstuk en het voetstuk verliepen conisch. De klank was ook volledig anders dan de fluiten die op de oude manier waren gebouwd. Deze ontwikkeling liep parallel met soortgelijke ontwikkelingen bij de hobo (Anthony Rowland -Jones; Tibia 4/2004).

Mogelijk vond deze ontwikkeling omstreeks 1660 voor het eerst in Frankrijk plaats waar componist Jean-Baptist Lully de familie Hotteterre, instrumentbouwers en musici, opdroeg de blokfluit diepgaand opnieuw uit te vinden en aan zijn ideeën over klank aan te passen ( zie hoofdstuk: blokfluiten en blokfluitbouwers)

 

Namen voor het instrument:

Duitsland: Schabelflöte

Nederland: Bekfluit

Engeland: beak flute, fipple flute, duct flute, English flute, common flute, recorder

Italië: flauto, flauto dolce, flauto da 8 fori

Portugal: frauta (1544); (Napels, 1575: frauti)

Frankrijk: flûte douce, flûte à bec, flute à neuf trous

Spanje: flauta da pico

 

 Walter van Hauwe: De Engelse benaming recorder voor blokfluit stamt uit de 18e eeuw. Engelse dames hadden toen blokfluitjes waarmee ze vogeltjes in kooitjes bepaalde geluiden voorspeelden. Die moesten dat dan nadoen. De fluit werkte dus als een "inprenter", een recorder (Walter van Hauwe, Volkskrant 1 juli 1998). Walter van Hauwe pleit om verwarring met de taperecorder te vermijden, voor de term blockflute , den naam van een register in Engelse orgels.

Anthony Rowland-Jones: in 1388 staat in de archieven van de Earl of Derby (Henry IV) al "i. fistula nomine Ricordo" genoemd. In verschillende oude documenten wordt blokfluit als "Ricordour" aangemerkt. Rowland-Jones houdt het er op dat de oorsprong van het woord afstamt van "to record", in herinnering brengen; volgens hem is met  "recorder" een muzikant bedoelt die iemand iets in herinnering brengt, en is die naam overgeslagen op het instrument (Tibia 2/200)

 

Blokfluit is een instrument, dat vanaf haast het begin als blokfluitfamilie werd gebouwd: in verschillende groottes, zodat je er mooi meerstemmig op kon samenspelen. De oudste bron waarin de blokfluitfamilie vermeld is, is uit 1511: Sebastian Virdung (Basel): Musica getutscht und ausgezogen, waarin een f, c' en g' familie wordt voorgesteld. 

 

Nergens in Europa werd de blokfluit zoveel bespeeld als in Engeland, zowel door amateurs als door professionals.Koning hendrik VII speelde zelf blokfluit en bezat er 74 in alle soorten en maten.

Dat leidde in de 17de eeuw in Engelands tot een veelvoud van blokfluittypen:

Common flute: altblokfluit in f1

Fifth Flute: sopraanblojkfluit in c2

Voice Flute: tenorblokfluit in d1

Sixth Flute: sopraanbloktfluit in d2

Fourth Flute: spraanblokfluit in Bes1

 

Blokfluiten komen voor op  talloze afbeeldingen en schilderijen.
De blokfluit is één van de vaakst voorkomende instrumenten in de Nederlandse kunst van de 17e en 18e  eeuw. Ze was bij beide geslachten in alle sociale lagen populair. Alle spelers zijn bijna "amateurs": bedelaars, dronkelappen, straatmuzikanten, kunstenaars, dames en heren. De meest afgebeelde instrumenten zijn sopraan- en altblokfluit. (Jos Koldeweij: Van een esels been de beste fluyten komen: de blokfluit in de Nederlandse kunst van de 17e eeuw. STIMU, 1991? Utrecht.)

Dé specialist op het gebied van het duiden van blokfluitplaatjes uit het verleden (iconografie) is Anthony Rowland-Jones. (zie "Recorder in Art" van de "Recorder homepage" van Nicoals S. Lander)

De eerste onomstreden afbeeldingen van blokfluiten  vinden we op schilderijen van het Catalaanse hof van Aragon in Barcelona aan het eind van de 14e eeuw. In Italië en noordelijker in Europa duiken blokfluiten pas midden 15e eeuw op schilderijen op. Tussen 1390 en 1430 zijn er wel zoveel blofluiten op catalaanse plaatjes en schilderijen terug te vinden, om daaruit een vaste plaats van het instrument bij het musiceren vast te stellen. (Anthony Rowland Jones, American Reorcer 38, nr. 5, 1997) 

Het instrument blokfluit werd geassocieerd met de begrippen liefde (erotiek), dood, pastoraal (=landelijk). Vooral de liefde dus, maar ook nog slaap, oorlog en water. 

De blokfluit hoort bij die instrumenten die de gehoorzin en de vergankelijkheid van het leven (Vanitas) symboliseren.

Dat de blokfluit daarnaast een duidelijk fallussymbool is, was de schilders in die tijd niet ontgaan. Blokfluiten kunnen ook onbezorgdheid en vrolijkheid symboliseren.

Een blokfluitenpaar op schilderijen wordt met het huwelijk geassocieerd. (Anthony Rowland-Jones,  The Recorder Magazine 19, Nr. 1). Blokfluiten worden ook nogal eens door herders als geschenk aan het kindeke Jezus aangeboden. (Anthony Rowland-Jones,  The Recorder Magazine 19, Nr. 4).  

In de Stimu uitgave The Recorder in de Seventeenth Century 1993/1995) analyseert  Ruth van Baak-Griffioen 100 Nederlandse schilderijen uit de 17e eeuw met 103 afgebeelde blokfluiten .

Blokfluit wordt  vaak met engelen of de maagd Maria wordt afgebeeld, maar zelden in samenhang met Jezus Christus zelf (Recorder Magazine 18, nr. 4 1998).

 

Herbert W. Meyers stelt in een historisch onderzoek het bestaan van een blokfluitensemble vast in 1385 bij de bruiloft van van een dochter van Philips de Stoute van Bourgondië. (A Performer's Guide to Medieval Music. Indiana University Press 2001 blz. 376-383).

Omstreek 1400 hebben we alleen vermeldingen van blokfluiten in gemengde ensembles van "zachte" instrumenten. Vanaf ca. 1435 duikt informatie op over twee blokfluitgrootten: discant in g  en tenor in c. De zachte blokfluit is een binneninstrument; Binchois en Dufay schrijven driestemmige stukjes voor één diskant en twee tenorstemmen. Vanaf 1450 komt daar een 4e, lagere stem bij, bijvoorbeeld bij Isaac. (Prof. Keith Polk, Stimusymposium 2003)

Bewaard gebleven (Nederlandse) blokfluiten.
Blokfluiten in musea en collecties.
Inventarislijsten 15de en 16de  eeuw
Boeken en boekjes
blokfluiten en blokfluitbouwers
Blokfluit in de muziekwereld van 1600 - 1800
Enkele componisten in alfabetische volgorde
Blokfluitisten
Versieringen
Uitgevers
De blokfluit ná de barok

moderne technieken

moderne ontwikkelingen

de blokfluit in de 21ste eeuw

moderne blokfluiten