Blokfluitisten

 

Een van de pifferi eind 15de eeuw in Florence was Giovanni Cellini, naast fluitspeler ook een begaafde ingenieur, instrumentenbouwer en kunstenaar.

Zijn zoon Benvenuto Cellini (1500-1571), speelde als kind al met de pifferi mee en studeerde later in Bologna. Hij werd behalve goudsmid een beroemd blokfluitist en zinkspeler. Hij hoorde bij de acht muzikanten die bij de Medici-Paus Leo X perfect op hun instrumenten motetten speelden. Benvenuto Cellini schreef een autobiografie: La Vita  (Timothy J. McGee: The Ceremonial Musicians of Late Medieval Florence; Indiana University Press, 2009)

Alvise, John, Jasper, Anthony I en Baptista Bassano, vijf zonen van Jeronimo I Bassano uit  Venetië

werden door koning Hendrik VIII in  1539 naar Engeland gehaald als bloklfuitconsort in dienst van het koninklijke hof. Uit deze groep kwam het vermoedelijk enige vast blokfluitensemble vóór de twintigste eeuw voort.

n 1550 werd het blokfluitconsort van de Bassano's uitgebreid naar 6 leden. Het bleef tot 1630 in die vorm bestaan, 90 jaar lang! Latere leden waren Bassano's van de tweede en derde generatie, buitenlanders zoals William Daman, twee leden van de familie Lanier, en vanaf 1593 ook ebnkele inheemse blazers. Deze musici waren ook in staat traverso, zink, schalmei, trombone, luit en viool te spelen. (zie ook geschiedenis 1/blokfluiten en blokfluitbouwers over de Bassano's)

 

Op een lijst met Franse Hofmusici uit de jaren 1649-57 komt de blokfluittist van de Chambre du Roy Matthieu Lallement voor, die voor zijn werk behoorlijk betaald werd. (La vie des musiciens de Paris au temps de Mazarin; Paris: A & J. Picard, 1976).

 

Op de tekstboekjes bij de balletten en opera's van Jean-Baptiste Lully zijn meestal de instrumentalisten vermeld. Zo staan op het tekstboekje bij de opera: Les amants magnifiques (4 februari 1670) als b espelers van de acht blokfluiten (!) "Les Srs Descousteaux, Pièche le fils, Philidor, Boutet, Du Clos, Plumet, Fossart, Nicolas Hotteterre".

 

De Würtembergische Landsbibliotheek is in het bezit van handgeschreven solopartijen van een anonyme Duitse opera met de titel Adonis voor 8 solozangers, koor en een vijfstemmige instrumentaalensemble met continuo. Componist is vermoedelijkJohann Sigismund Cousser (1656 - 1727). Het stuk moet omstreeks 1700 zijn uitgevoerd aan het hof van Würtemberg Met een rode stift is in de hobopartijen aangegeven dat zij in een bepaalde aria (3de akte, scene 10) moeten wisselen met blokfluiten (Flûtes). De betreffende musici: Eberhard Hildebrand  en Reinhardt Schwartzkopf, die al als koorknaap voor hun spel op zowel hobo als blokfluit buitengewoon werden gewaardeerd. (Samantha Owens, The Musical Times 147, Nr. 1896, Herfst 2006) 

 

Zacharias Conrad von Uffenbach maakt in een reisverslag uit 1710 melding van een zekere heer Cerbourn, die hij inn een Londense herberg bewondert: "Onze Schotlander haalde allerl;ei kunsten uit op de blokfluit of bekfluit, waarop hij behoorlijk goed speelde. Hij kond de fluit precies zo laten klinken als een doedelzak, of als een dwarsfluit, en driestemmig, als hij op twee fluiten tegelijkspeelde. Je merkte dan nauwelijks dat hij er bij zong, als je er nit goed op lette".  (Herrn Zacharias Conrad von Uffenbach Merkwürdige reise durch Niedersachsen Holland und Egelland; Ulm & Memmingen, 1753/1754)

In Engeland was James Paisible (1656-1721)in de 18e eeuw verreweg de beroemdste blokfluitist. In 1673 had hij de oversteek van Frankrijk naar Engeland gemaakt. Wanneer hij een concert gaf werd er in de krant over bericht. In 1686 trouwde hij met Moll Davies, zangeres en voormalig minnares van Charles II. Omdat James Paisible Rooms-Katholiek was, werd hij na de machtovername van de protestantse Willem III uit Nederland uit het hoforkest verwijderd.

 

Jack Baston wordt in  een brief van John Grano (trompettist èn blokfluitspeler 1728) aangeduid als de beste blokfluitist van Engeland. (John Ginger: The diary of John Grano, Pendragon Press, 1998)

Ook John Banister Junior en John Banister Senior waren bekende virtuozen, waarvan vermeld werd dat ze op concerten twee flageolets of blokfluiten tegelijk bespeelden.

Een dergelijk bericht circuleert in 1714 ook over Jacques Loeillet (Nik Tarasov: Windkanal 2008/4)
 

In de tijd van Telemann en Bach leefde Johann Michaël Böhm, een beroemde hoboïst, die ook traverso, maar vooral bewonderenswaardig blokfluit speelde. Geboren in  1685, ontving hij in Dresden zijn opleiding. Hij werkte in Leipzig, vanaf 1711 in Darmstadt (concertmeester!), 1712 in Frankfurt op uitnodiging van Telemann, die zijn Kleine Kammermusik onder meer aan hem opdraagt. Vanaf 1715 werkt hij aan de Hamburger opera. 1720 trouwt hij met de zus van Telemanns tweede vrouw. Het is waarschijnlijk dat Telemann zijn lastige blokfluitpartijen voor hem geschreven heeft. Het is ook niet onmogelijk dat hij op een bepaald moment bij Bachcantates heeft meegewerkt. (Nik Tarasov: Windkanal 2005/3)

 

Hubert Collinet (* circa 1797, Parijs – 1867?) was een buitengewoon virtuoos flageoletspeler. Er zijn talloze vermeldingen van de in kranten uit de 19de eeuw, over zijn optredens in Engeland en Amerika. In 1822 woont hij in Parijs Rue de l’Arbre-Sec 35 en in 1835 St. Augustin 52. In 1822 vermeldt de Bibliographie Musicale dat hij flútes doubles and flageolets doubles van William Bainbridge importeert. De muziekkrant The Harmonicon bericht in november 1823 over een optreden Collinet, waarbij een aria uit  Handels Acis and Galathea uitvoert met zangeres Miss Stephens. Hector Berlioz schrijft maart 1835 in de Revue Musicale lovend over een optreden van Collinet in de Notre Dame, waarbij hij bij het orgel sonates van Handel speelt.  Vanaf 1841 geeft Hubert Collinet veel uitvoeringen samen met de flamoyante Parijse dirigent Louise Antonie Jullien (1812–1860), waarmee hij oonder meer een tournee maakt door Amerika in 1853. De laatste concertvermelding dateert van 1857. In het Museum van Blaasinstrumenten in La Couture-Boussey bevindt zich een flageolet met het merkteken “Collinet”.

(Informatie overgenomen van: www.flageolets.com)