Inventarislijsten  15e en 16e eeuw

 

Op de inventarislijst  naar aanleiding van de dood van Piero di Cosimo de' Medici in 1463 staan vermeld

"vier Vlaamse zufoli, drie van onze eigen zufoli, drie zilverversierde zufoli"

 

In de inventarislilst van Lorenzo de' Medici in 1492 staan vermeld":

Een set zufoli om te gebruiken door de pifferi met zwarte en witte ringen, bij elkaar vijf; drie zufoli met zilveren ringen in een zilveren etui. Een blokfluit werden in Florence zufolo genoemd.

(David Lasocki, Tibia 3/2012; blz 176/177)

 

De schilder Filippino Lippi liet bij zijn dood in 1504 een hele serie muziekinstrumenten achter, waaronder  "5 mooie zufoli in een buidel"

 

In 1566 Liet  Raymond Fugger de jongere, Baron van Kirchberg en Weißenhorn (1528 - 1569), koopman in Augsburg, een inverntarislijst van zijn muziekinstrumenten maken, om die voor zijn dood nog aan het Beierse Hof in München te verkopen. De inventarislijst vermeldt meer dan 140 luiten, 10 toetsinstrumenten, 227 blaasinstrumenten, waaronder 111 fluiten, 84 Zinken en 24 lage blaasinstrumenten, de meesten in consortgroepen. Het was de grootste instrumentenverzameling in Europa, ontstaan omdat Fugger daar ook in handelde.

Uit de inventarislijst:

- Erstlich ain groß Fueter (foudraal) darin 27 Fletten (blokfluiten!), groß vnd klain Im Engelandt gemacht worden, moeten fluiten van de familie Bassano uit Londen zijn)

- 1 Fueteral mit 7 gueten (goede) Fletten

- 1 Fueteral von 10 Fletten von Oliuen Paum (olijfhout) 

In totaal bevat de inventarislijst aan houtblaasinstrumenten 26 Consorts, waaronder 10 consortsets Zinken, zeven consortsets blokfluiten, een set kolomblokfluiten (Feltten columnen)

Ook treffen we gemengde consorts aan:

- 2 Zwerch Pfeiffen (dwarsfluiten), und 5 Fletten von helfenbein (ivoor) In seinen Fuetern.

Dan is er nog

- 1 Mula mit 9 Fletten Columnen (kolomblokfluiten) in einem schwartzen Trüchle mit Leder verzogen.

De instrumentenverzameling is nooit verkocht en raakte via de protestants geworden Ulrich Fugger (1526-1584) in Heidelberg, waar ze is verdwenen.

(Ulrich Scheinhammer-Schmid: Die Familie Fugger und die Musik - Flöten, Noten und dat große Geld, Tibia 1/2009)

 

In een nalatenschapsgetuigenis na de dood vam Marquis Ferdinando d'Alarçon, die woonde in en paleis bij Chiaia aan de Napelse kust, worden meer dan 230 muziekboeken vermeld. Onder de 159 vermelde muziekinstrumenten zijn maar liefst 76 blokfluiten (frauti):

een groot etui met zestien, klein en groot;

een groot etui met drie groot en klein;

enzovoort 10 etuis met verschillende aantallen frauti, een naam die overigens verder nooit gebruikt wordt, (Iberisch?) (Lasocki: Musicque de joye: Stimu 2005)  

 

Hof von Kassel (1573) ongeveer 32 blokfluiten.

Hof Baden (1582): naast Trombones, Kromhoorns en Cornetti ook 46 blokfluiten.
(Karel van Steenhoven; Die Blockflöte im 21. Jahrhundert Tibia11/98).

Hofkapel Stuttgart (1589): naast 39 Strijkinstrumenten 48 blokfluiten in alle grootten.

De Stadtpfeifer In Stuttgart bezaten in dat jaar (1589) 299 blokfluiten. (Tibia 3/2004)

Bij zijn dood in 1594 bezat Don Juan Luis de la Cerda, vijfde hertog van Medinaceli, een stel blokfluiten bestaande uit elf kleine en grote blokfluiten in een kapot etui, daarnaast twee trombones, vier kromhoorns, vier schalmeien, een dulciaan, twee cornetto's, een consort van vijf violen en twee gitaren.
(Beryl Kenyon de Pascual: Two Sixteenth-Century Spanisch inventories, Galpin Society Journal 49/1996)
 

In de nalatenschap van Michel Charles le Cene (U1743),een van de belangrijkste uitgevers uit de laatbarok., bevonden zich volgens inventarislijsten 3 violen, 3 gamba's,  een cello,  een bas en maar liefst 13 blokfluiten, voor het grootste deel van Bressan. (Jan Bouterse,  FoMRHI Quarterly 90, 1998)

 

In een inventarislijst van het hoforkest in Gotha, opgesteld toen Georg Benda daar in 1750 concertmeester werd: "Zweÿ Flutes à bec, fast unbrauchbar, zwei kleine dergl. eine von Helffenbein, die andere von  Holtz, Zwei alte Bass Fluten

(Christian Ahrens: The Inventory of the Gotha Court Orchestra in 1750,   Galpin Society Journal 60/2007)