Blokfluit in de muziekwereld van 1500 - 1800

Aan het eind van de vijftiende eeuw kwam het blokfluitconsort snel op, en heeft een korte bloeitijd gekend (Peter van Heyghen; tijdschrift voor Oude Muziek 3/03). Op de titelpagina van de motettenbundel Musica quator vocum uit 1529 van Gombert  staat vermeld dat de muziek gespeeld kan worden op lyrus maioribus en tibijs imparibus. Daarmee worden zeer waarschijnlijk gamba's en blokfluiten bedoeld (Peter van Heyghen; Akkoord 2005/4).

Onderzoek van David Lasocki wijst uit dat professionele muziekgroepen blokfluitensembles, of in elk geval een aantal blokfluiten  bezaten (in de 16e eeuw zijn er 68 voorbeelden). dat geld ook voor muziekgroepen. die bestonden uit amateurs (15 voorbeelden). Uit het onderzoek blijkt ook dat zowel de beroepsmusici als de amateurs soms ensembles maakten met instrumenten uit de zelfde familie, en soms gemengde ensembles. Of het een meer gebeurde dan het ander is tot nu toe niet af te leiden (David Lasocki: Tibia 2/2006). Na 1480 kochten duidelijk meer ensembles blokfluiten. In 1532 werden in Antwerpen voor een (vijfkoppig) ensemble meer dan 20 blokfluiten te koop aangeboden. Kiezen was toen al net zo lastig als tegenwoordig (Keith Polk: Basler Jaarbuch für historische Musikpraxis 29, 2005). Een blokfluitconsort bestond in de vroege 16de eeuw doorgaans uit een basblokfluit, twee tenorblokfluiten en een altblokfluit in g'. (f c' c' g', of een oktaaf lager).  In de late 16de eeuw verschuift dat naar     f c' g' d2 of een oktaaf lager.

Het meest gebruikte instrument van de blokfluitfamilie in de 16e eeuw was een "diskantfluit" in g' .

Er zijn 8 foedralen voor blokfluiten bewaard gebleven uit de 16de eeuw.

Het grootste foedraal is uit 1603 met het stadswapen van Augsburg voor 16 blokfluiten, 6 dwarsfluiten en 6 andere blaasinstrumenten. De blokfluiten die in de openingen passen zijn een bas, vier bassets, vier tenoren, drie alten, twee sopranen en twee sopranino's.

In het Kunsthistorisch Museum in Wenen is een foudraal (SAM 170) voor 2 bassetten, drie tenoren, twee alten en een sopraan.

 

In de 16e eeuw was Venetië hoofdstad van de blokfluit De beste bloklfuitbouwers (Ganassi) en blokfluitvirtuozen (De Bassani) hadden er hun standplaats, in en rond Venetié was het blokfluitconsort een geliefd en veelbespeeld instrumentarium. 

 

In de 16e eeuw werd de blokfluit ook een pedagogische rol toegeschreven, Zo werd bijvoorbeeld koperblazers aanbevolen op een blokfluit de kunst van het articuleren te leren. (Karel van Steenhoven; Die Blockflöte im 21. Jahrhundert Tibia11/98).

 

Koning Frans 1 van Frankrijk stelde in 1530  een nieuwe hofkapel samen. De instrumenten werden verdeeld in instruments hauts en instruments bas. De Musiciens de l'Ecurie bespeelden de hauts: schalmei, trombone,. pommer; de Musiciens de la Chambre debas: violen en luiten. Blokfluiten  en cornetto's konden in beide orkesten worden toegepast!  Deze indeling werd tot ver in de 17de eeuw gehandhaafd.

 

In de 17e en 18e eeuw is de blokfluit een populair instrument geweest. Schein en Schütz eisten bij enkele koorwerken niet slechts blokfluiten ( bijvoorbeeld groepen van 8 basblokfluiten in de symfonieën, maar ook ter ondersteuning van de zangers.

Het belang van de blokfluit blijkt ook uit de voorgeschreven blokfluitpartijen in composities van vrijwel alle grote componisten uit die periode: Monteverdi, Schütz, Purcell, Bach, Händel, Vivaldi, die in hun Cantates, Concerti Grossi of Opera's de hobo's of traverso's op dramatische plekken vaak door blokfluiten vervingen.
(Karel van Steenhoven; Die Blockflöte im 21. Jahrhundert Tibia11/98)

Als consort-instrument beleefde de blokfluit zijn bloeitijd in de 16e eeuw.
Het engelse broken consort bestond uit fluit of blokfluit, viool of diskant, luit, viola da Gamba, Padora en Cister. De musici van het broken consortI hoorden niet bij het hof, maar kwamen uit de aristocratische huishoudens.
(Peter Holman: Four and Twenty Fiddlers: The Violin at the Englisch Court, 1540 - 1690, Oxford: Clarendon Press, 1993, 131 - 140)
Het Gambaconsort werd bij bruiloften en begrafenissen door een blokfluitconsort vervangen. (Karel van Steenhoven; Die Blockflöte im 21. Jahrhundert Tibia11/98)

Er zijn uit de 17e eeuw slechts 19 Italiaanse bronnen met stemmen voor flauto of flautino, en dan nog vooral tussen 1610 en 1630. In de belangrijke Italiaanse culturele centra (Florence, Mantua, Venetië) werd blokfluit duidelijk gebruik, daarbuiten wat minder. De gebruikelijke blokfluit was een altblokfluit in G. Monteverdi schrijft  een  flautino alla vegisema seconda voor: een sopraninoblokfluit in G (Peter van Heyghen, STIMU-uitgave1993/1995).

In 1654 werd in Padua, Italië de componist Agostino Steffani geboren. Hij was later werkzaam in Rome, Hannover en Düsseldorf. Hij stierf in  1728.   Hij schreef een aantal opera's, waarbij zowel strijkorkest als blokfluiten en hobo's werden ingezet. Voor zijn opera Alarico (München, 1687) wordt als basso continuo instrument een basblokfluit voorgeschreven! Het repertoire van deze tot nu toe volstrekt onbekende componist Agostino Steffani moet nodig eens grondig uitgezocht worden. (Patricio Portell, Revista de flauta de pico, nr. 19 2003/2004)

De bloeitijd van de altblokfluit lag in de periode1695-1720.

De barokke blokfluitsonate is een noordeuropees verschijnsel uit de jaren 1690 tot 1740. Deze sonate werd in het algemeen voor amateurs uitgegeven, is technisch eenvoudig, maar vol uitdagende problemen wat betreft de interpretatie.

In de 18e eeuw schreven de grote componisten Handel, Telemann onder meer sonates voor blokfluit en basso continuo. Hun sonates zijn muzikaal het meest dankbaar. Direkt daarna volgen Loeillet, Pseudo-Vivaldi (Chédevilles Il Pastor fido, Nr 6), Albinoni, Finger, Veracini, Benedetto Marcello, Barsanti en Sammartini en daaronder weer Daniel Purcell, Paisible, Bononcini, van Wassenaer en Roman.
(Anthony Rowland-Jones in The Cambridge Companion tot the Recorder, Cambridge University press 1995; pag 51-73)

Technisch soms behoorlijk lastig en muzikaal behoorlijk prikkelend zijn de blokfluitconcerten uit de 18e eeuw, bijvoorbeeld van Albinoni, Babell, Bach, Baston, Dieupart, Graupner, Heinichen, Alessandro Marcello, Naudot, Allessandro Scarlatti, Schickhardt, Telemann, Vivaldi en Woodcock.
(Anthony Rowland-Jones en David Lasocki in The Cambridge Companion tot the Recorder, Cambridge University press 1995; pag 107-118).

Blokfluitconsorts

Uit verkooplijsten van Jacob Denner uit 1710 (4 altblokfluiten. 1 tenor, 1 bas) en 1720 (3 altblokfluiten, 1 tenor, 2 bassen) en andere verkooplijsten van onbekende bouwers, waarvan één met 7 verschillende fluiten, blijkt dat er in de achttiende eeuw consortmuziek op blokfluiten werd gepeeld. Een blokfluitconsort bestond, net als tegenwoordig,  in principe uit fluiten in f c' f' c2 of een oktaaf lager. Marin Mersenne in Frankrijk stelt een vijfstemmig consort voor: Grootbas F, Bas c, Basset f tenor c' en alt f' 

(Andrew Robinson: "Families of Recorders in the late 17th en 18th Centuries: The Denner Orders and Other Evidence"; The Recorder Magazine 23, 2003).

Er zijn vijf vermeldingen van blokfluitconsorts:

De hofkapel van het vorstendom Anhalt-Zerbst werd in 1699 op bevel van Prins  Karl Wilhelm gevormd door kapelmeester Johann Christoph Grahmann. Hij wilde daarbij 4 instrumentenkoren, waaronder" Ein Chor Fleutes Douces". In 1743 en 1774 is op de inventarislijsten van de hofkapel nog steeds sprake van 6 blokfluiten. 

Een blokfluitconsort bij de Zweedse marine  (1685)

Een blokfluitconsort aan het Toscaanse hof in Florence (1700)

Een blokfluitconsort in Gronsfeld (1710)

Een blokfluitconsort in Göttweig (1720)

(overzicht David Lasocki, Tibia 3/2012 blz 167

In de eerste helft van de 18de eeuw werd met de aanduiding flauto piccolo normaal gesproken een kleine blokfuit, soms een kleine flageolet bedoeld.

Er zijn 466 historische blokfluiten bewaard gebleven: 16 sopranino's, 37 sopranen, 260 alten, 73 tenoren, 80 bassetblokfluiten (Philip T. Young, 4900 Historical Woodwind Instruments: An Inventory of 200 Makers in International Collections, Londen, Tony Bingham, 1993)

Ná de altblokfluiten (260) zijn er het meest bassetblokfluiten bewaard (60). De bassetblokfluit werd duidelijk veel gebruikt. Bassetfluiten  stonden doorgaans in f en hadden een kop met bovenin een gat voor een S-buis, zoals bij een fagot. Ze werden veel gebruikt in blokfluitconsorts. Blokfluitconsorts mèt bassetblokfluiten werden besteld bij blokfluitbouwers zoals Richard Haka (1685); Jacob Denner (1710). Het Toscaanse hof in Venetië had twee grote blokfluitconsorts van Richard Haka mèt bassetblokfluiten. Nederlandse bouwers zoals Thomas Boekhout waren gespecialiseerd in goede bassetblokfluiten. Bassetblokfluiten worden voorgeschreven door componisten zoals Jean Baptiste Lully, Marc Antoine Charpentier, Godfrey Finger en Allessandro Marcello. Bassetblokfluiten werden ook geregeld ingezet in de bas van basso continuowerken om de basso-continuo-nstrumten te verdubbelen. De bassetblokfluit werd tot laat in in de 18de eeuw gebruikt. Carl Philipp Emmanuel Bach schreef en triosonate in F groot voor altviool bassetblokfluit en bassocontinuo, H 588, 1755; kan ook met fagot, bassetblokfluit en basso continuo, H 589.

(David Lasocki, "De Bassetblokfluit, 1660-1740)" blokfluitst jrg 6 nr. 1, 2014

                                      Bassetspeler op de titelpagina van "Thesaurus Musicus"  van John Hudgebut

De barokke componisten zetten juist op dramatische plekken in hun cantates. concerti grossi en opera's de blokfluit in, wanneer extreme affecten zoals liefde en dood, zinnelijkheid en de Vinger Gods uitgedrukt moesten worden. (Karel van Steenhoven; Die Blockflöte im 21. Jahrhundert Tibia 1/98).

De meeste belangrijke componisten van de laatbarok: Lully, Charpentier, Blow, Purcell, Telemann, Bach, Vivaldi en Handel gebruiken de blokfluit hun orkest betrekkelijk weinig, maar àls ze hem gebruiken doeltreffend en indrukwekkend.
(Adrienne Simpson in The Cambridge Companion tot the Recorder, Cambridge University press 1995; pag 91-106).

Om de uitdrukkingskracht en de dynamiek van het instrument uit te breiden schrijven componisten uit de laat-barok nogal eens extreem hoge tonen voor, die dan ook kennelijk goed gespeeld konden worden. 

De schotse historicus William Tytler heeft in 1792 een  artikel geschreven, waarin hij het gehele programma opneemt van een concert, op St. Ceciliadag, 22 november 1695 in Edinburgh, Schotland, gehouden. Er werd een sonate voor twee blokfluiten, twee hobo's en  basso Continou van Gottfried Finger, een sonate voor twee bloklfuiten, twee violen en basso continuo van Johann Christoph Pepusch en een theaterouverture van Jeremiah Clarke, gespeeld door zeven eerste violen, vij tweede violen, zes blokfluiten, twee hobo's en zes "bassen". Ook in de andere werken werden véél blokfluiten gebruikt:   bij Finger drie blokfluiten per stem, bij Pepusch zes blokfluiten op de eerste en vier op de tweede stem. Wellicht een reden om "tutti"-aanwijzingen in sonates zoals die van Telemann serieus te nemen. De blokfluiten werden bespeeld door de beroepsmusicus Metthew Mc Gibbon (speelde ook hobo en viool); de andere zestien bloklfuitisten waren plaatselijke amateurs. (Alexander McGrattan; Proceedings of the International Historic brass Symposium,  Pendragon Press, Stuyvesant, NY, 1997)

Bewaard gebleven composities voor blokfluitensemble uit de 17e eeuw:
Antonio Bertali (1605 - 1669) Sonatella à 5 Flauti (2 S, A, T, B) en Organo.
Heinrich Schmelzer (1623 - 1680) Sonata à 7 Flauti (2 S, 2 A, 2 T, B) en Basso continuo.
Franz Biber (1644 - 1704) Sonata pro Tabula à 10 (2 S, A,. T. B, 2 V 3 Va) en Basso continuo.

Blokfluit in Amerika

Net als in Engeland speelde in de de Amerikaanse Kolonieën de blokfluit een rol als amateur- en lesinstrument. Tussen 1713 en 1771 waren er in Boston, Philadelphia, Charleston, New York en Williamsburg 13 leraren met blokfluit bezig. Tussen 1716 en 1815 werden er door 53 Amerikaanse verkopers in 11 steden blokfluiten aan geboden, steeds geïmporteerd uit Engeland. Tussen 1761 en 1775 waren er drie reparateurs Gottlieb Wohlhaupter en Jacob Anthony, afkomstig uit Duitsland en Joshua Collins, afkomstig uit Engeland. Aan het eind van de achttiende eeuw nam het gebruik van de Engelse flageolet spectaculair toe.(David Lasocki, Tibia 3/2012 blz 180/181)

Blokfluitconcerten

Veel Engelse componisten schreven blokfluitconcerten voor kleine fluiten: ("the small flute concerto", slaat op de grootte van de fluit, niet op die van het concert). Voorbeelden: William Babell, John Baston, Francis Dieupart, Giuseppe Sammartini en Robert Woodcock. Ook het bekende concert van Giuseppe Sammartini is hoogstwaarschijnlijk in Engeland ontstaan, alleen in manuscript, dus nooit gedrukt, bewaard gebleven.

William Corbett gaf een verzameling van 12 concerten uit in 1728: Le bizarre universali - Concerto's in Four parts for Two Violins, Tenor and Throughbase for ye harpsichord... N.B. These concertos  may be Play'd in 3 Parts 2 Hautboys, Flutes or German Flutes (Owain Tudor Edwards: Englisch Eighteenth-Century Concertos: An Inventory and Thematic Catalogue, Hillsdale, NY, 2004, Pendragon Press 

Johann Christoph Pepusch schreef zijn concerten opus 8 voor twee blokfluiten, twee hobo's en basso continuo.

Ook Telemann schreef een aantal blokfluitconcerten, die zowel als concert , als als sonate worden aangeduid:

TWV 42:c2 voor blokfluit, hobo en continuo

Concerto di Camera TWV 43:g3 voor blokfluit, twee violen en continuo

Quartett TWV 43:g4 voor blokfluit, viool, altviool en continuo (1708-1712)

TWV 43:G6 èn TWV 43: a3 voor bloklfuit, hobo, viool en continuo

Ouverture Hamburger Ebb und Fluth voor blokfluiten, traverso's , hobo's, fagot, strijkers en continuo

(Steven Zohn: "The Sonate auf Concertenart" and Conceptions of Genre in the late Baroque, Eighteenth Century Music 1, Nr. 2, 2004)

 

De drie Concerti per Flautino van Antonio Vivaldi  (RV 443, 444, 445) zijn met grote waarschijnlijkheid voor sopraanblokfluit of voor flageolet in d’’ geschreven (Winfried Michel: Vivaldi’s konzerte "per Flautino" in ihrer wahren Gestalt. Ein letzter Leseverschuch; Tibia 2/98 pag 10

Frederico Maria Sardellis (La musica per flauto di Antonio Vivaldi, Studi die musica veneta, Quaderni Vivaldiani 11, Firenze 2001) komt ook op sopraanblokfluit uit.

Dat geldt ook voor het "nieuwe", door Jean Cassignol gereconstrueerde flautino-concert in G-groot RV 312r.

Het woord  flautino betekent in Italië in de 17de eeuw trouwens altblokfluit in G, maar bij de Vivaldi concerten kun je daar geen kant mee op.

 

Vivaldi schreef 17 Conderti da camera, waar een blokfluit bij betrokken is, waaronder

RV 107 concert in g kleine terts, voor blokfluit,  hobo, viool, fagot en continuo,

RV 108 concert in a kleine terts, voor blokfluit, twee violen en basso continuo.

 

In Napels is in 1725 (op instigatie van Mancini?) een verzameling aangelegd van 24 “Concerti di Flauto, Violini, Violetta e Basso Di Diversi Autori”. De “autori” zijn Barbella, Mancini (12 concerten!), Mele, Sarri, Scarlatti en Valentino. In  de bibliotheek van het  Conservatorio “San Pietro a Majella” zijn hiervan 6 stemboeken bewaard gebleven:

C 38.3.13, C 40.2.12: Flauto, Violino Primo, Violino Secondo, Violetta, Basso, Violoncello. Op alle titelbladzijden worden de werken aangeduid met “Concerti”. Boven elk werk in de stemboeken staat “Sonata”, een duidelijke indicatie dat deze begrippen in die tijd nog door elkaar werden gebruikt.

De Concerten zijn alleemaal netje bij uitgeverij Ut Orpheus in Bologna uitgegeven.

Uitgaven FEW: concerto VI in d kleine terts; concerto XIV in g kleine terts.

Allessandro Scarlatti schreef ook nog Sinfonia di concerto grosso No. 1 voor 2 blokfluiten, strijkers en continuo

 

Christoph Graupner schreef  een blokfluitconcert in F grote terts, GWV 323