De blokfluit ná de barok


In de symfonieorkesten die in de loop van de 18e eeuw ontstaan (de Mannheimers, Haydn, Mozart) is vrijwel geen plaats voor blokfluiten. Vrijwel, want bijvoorbeeld

Wolfgang Amadeus Mozart schrijft in een aantal van zijn Menuetten (KV 104; KV 568; KV 585), Opera's (Idomeneo; Entführung aus dem Serail, Zauberflöte), Deutsche Tänze (KV 509; KV 536; KV 567: KV 586; KV 600) een flautino of een flauto piccolo  voor, waarbij best een sopraan- of een sopraninobloklfuit kan zijn bedoeld. (Zie hierover het belangwekkende artikelen van Nik Tarasov; Windkanal 2007/1 en 2007/2). Blokfluitiste Martina Joos heeft in de opera Entführung aus dem Serail in Zürich in 2012 met succes de flauto piccolopartijen op sopraan- en sopraninoblokfluiten gespeeld (Windkanal 2012/4) .

Johann Michael Haydn schrijft in enkele werken (4 menuetten) een "pifero" voor; hoewel de naam "piffero" verschillende blaasinstrumenten kan aangeven leent een blokfluit zich het best voor deze partijen. (Nik Tarasov, Windkanal 2012/4)

Christoph Willibald Gluck schrijft in zijn laatste opera Echo et Narcisse (Parijs 1779) blokfluiten voor, duidelijk met "flûte à  bec" aangegeven.

De fluitsolo uit Orfeo ed Euridice (Wenen 1762) is misschien ook voor blokfluit gecomponeerd, daarover verschillen de deskundigen van mening (Fiona Elia Smith: Observations on the Flute Writing in Operas of Christoph Willibald  von Gluck (1714-1787), Early Music performer, Nr. 14, October 2004)     

 

Na 1780  verdwijnt  de blokfluit nogal uit beeld, zij het nooit helemaal. In de in 1820 uitgegeven Allgemeine deutsche real-Encyclopädie für die gebildeten Stände lezen we in deel 3 op bladzij 728: "Fluit, ... er zijn verschillende soorten: 1. Flûte à bec (Flûte douce, Ploch-, Plockflöte) isouderwets en verouderd, werd van een blokf voorzien, had zeven toongaten voor de vingers, één toongat voor de duim en werd net zolas eemn hobo vastgehouden. De toonomvang was van eengestreept f tot en met driegestreept g" . Het gaat hier duidelijk om een altblokfluit, die er eenmaal was...

Maar er wordt hier en daar nog op gespeeld en er zijn voorbeelden bewaard gebleven van blokfluiten uit de 18de eeuw van Johann Christoph Denner, Nikolaus Staub, en Johann Benedikt Gahn, die in de 19de eeuw aangepast werden met kleppen en versmalde duimringetjes om aan de 19de eeuwse eisen te kunnen voldoen. (Nik Tarasov, Windkanal 2010/1)

     

Veel meer werd er op blokfluitachtige instrumenten gespeeld. In Frankrijk en Engeland heet dat instrument flageolet, in Duitsland/Oostenrijk/Hongarije  Csakan.

 

Omdat spelers en musici na 1800 geen genoegen meer namen met de storende gevolgen van condens in de kernspleet van de blokfluit, probeerden de bouwers blokfluitenblokken op verschillende manieren zo aan te passen, dat het "verstop"-probleem ingedamd werd. Allerlei gleufjes, gaten, vloeipapier, blaaskapsels werden met meer of minder goed gevolg toegepast.  

De flageolet werd als in verschillende stemmingen gebouwd: d''  f''  g''  a'', er werd muziek in greepschrift voor geschreven, met als grondtoon steeds d' in vioolsleutel. (Peter Thalheimer, Tibia 1/2000)

De Franse flageolet met vier vingergaten boven en twee duimgaten onder werd in verschillende stemmingen gebouwd, bijvoorbeeld in d2. Om zijn krachtige klank heeft deze blokfluit in de Romantiek het langst overleefd. Op den duur werd het kleptechnisch zowat als een dwarsfluit uitgerust. 

De Engelse flageolet had een duimgat en 7 vingergaten, waarbij als overblaasgat het verkleinde bovenste vingergat diende. Ook deze instrumenten werden vaak van meerdere kleppen voorzien. 

Een bekende bouwer van innovatieve en vaak gekopieerde flageoletten was William Bainbridge

(† 1831). Hij had een werkplaats in Londen.

William Bainbridge bouwde ook tripleflageolets, waar je driestemmig op kon spelen:

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

De Csakan (meervoud Csakans) is een blokfluit, die uit Hongarije stamt en oorspronkelijk in de vorm van een wandelstok gebouwd is. Echt een typerend instrument uit de biedermeiertijd (1815-1850) van Oostenrijk/Hongarije. In de 17de en de 18de eeuw is het woord "Csakan" de aanduiding voor een Hongaarse gevechtshamer, later zien we de naam ook gebruikt voor een soort tuinschoffel, op een gegeven moment duikt de Csakan op als wandelstokinstrument

De Csakan heeft een duimgat en 7 vingergaten. Het eerste csakanmodel van Anton Heberle had zeven gatebn en een duimgat, zonder kleppen, dus net een barokblokfluit, de stemming was as1. Om goed chromatische halve tonen en moeilijke trillers te kunnen spelen werden csakans op den duur voorzien van 9 tot soms 13 hulpkleppen en voor een beter geluid van een mooi uitlopende klankbeker. Zo'n instrument werd door Ernest Krähmer  een Gecompliceerde  Csakan genoemd.

Aanleiding tot de herontdekking van het repertoire voor de Weense Csakan was de heruitgave van de Sonate Brillante van Anton Heberle, 1969 bij Hänssler. 

De Csakan was in Wenen in de vroege 19e eeuw verbazingwekkend populair. Bekende bouwers: Franz Schöllnasst (1775-1844) en zijn zoon Johann Schöllnast (aktief tot 1882) uit Pressburg en Carl Doke (1778-1826) uit Linz. In Wenen werkte Stephan Koch (1772-1828) met zijn zonen. Stephan koch was een van de belangrijkste bouwers van houtblaasinstrumenten van zijn tijd. Daarna hadden Johann Ziegler en zijn zoon Johann Baptist Ziegler in Wenen een werkplaats die vanaf 1821 tot 1879 funktioneerde. Er moet daar ook nog een Martin Schemmel († 1864) gebouwd hebben. En in Brünn maakte ene Ferdinand Hell omstreeks 1835 eenkleppige wandelstokcsakans. Er is een reiskoffer teruggevonden uit omsteeks 1815, wordt bewaard in het Museum Angewandte Kunst in Frankfurt am Main met een volledig bewaarde uitgebreide inventaris, waaronder een csakan vn Stephan Koch. Waren in die tijd dus veelgebruikte instrumenten. 

De voor Csakan geschreven muziek (Anton Heberle, Ernest Krähmer, Wilhelm Klingenbrunner, Joseph Gebauer) is vaak heel goed op de blokfluit te spelen, bij voorkeur op een blokfluit in As. Een aantal vroege drukken van de komposities voor  Csakan, zoals de Sonate Brillante (Anton Heberle), geven trouwens als bezettingmogelijkheid "pour le Csákan ou flûte Douce" aan. De meeste muziek voor Csakan werd tussen 1807 en ca. 1850 geschreven. Geografisch was de csakanspel  geconcentreerd in de Donaumoarchie Oostenrijk/Hongarije

Een belangwekkend stuk zijn de Variations Brillantes opus 18 van Ernest Krähmer (Dresden, 1795-1837), op een thema van Giacomo Rossini, gedrukt in 1829 bij Mechetti in Wenen, opgedragen aan graaf István Széchenyi, een Hongaarse edelman, die zelf ook csakan speelde. Ernest Krähmer kwam in 1815 naar Wenen, waar hij in 1822 solohoboÍst aan de Hofkapel en het Hoftheater werd. Hij was een in binnen- en buitenland geroemde hoboïst en csakanspeler en veruit de belangrijkste componist van csakanmuziek. (Lajos en Siri Rovatkay; Tibia 3/2008)     

Beethoven heeft weet gehad van drie Csakanspeler ( Ernest Krähmer, Wilhelm Klingenbrunner, Joseph Sellner) en wellicht ook wat voor Czakancombinaties geschreven (Nikolaj Tarasov; Windkanal 3/2000).

Tussen 1807 en 1849 werden meer dan 400 stukken voor Csakan geschreven.
(Marianne Betz: Dissertatie: Der Csakan und seine Musik, uitgave Tutzing, 1992)

Doorgaans staat de Csakan in as1, maar werd ook in  g1, a1 en c1 vervaardigd. 

Halverwege de 19de eeuw was het uit met de bloei van de vroegromantische blokfluit Csakan. Hij was ondertussen wel ontdekt door de muziekpedagogiek. Methodisch-didaktisch opgebouwde leerboeken waren verschenen van Wilhelm Klingenbrunner (1815), Ernest Krähmer (1821 en 1837) en Ernesto Köhler (ca. 1886) In vereenvoudigde vorm werd hij voor beginnners en klassikaal musiceren aangeboden. De firma Julius Heinrich Zimmermann in Leipzig maakt dan bijvoorbeeld reclame voor 3 verschillende typen csakans in c2: zonder kleppen, zonder kleppen met klankbeker en met 6 kleppen. Omstreeks 1930 verdringt de schoolblokfluit hem van die plek en  verdwijnt hij vrijwel volledig in de vergetelheid.  

(Nik Tarasov: "Was ist ein Csakan?" Windkanal 1/2009; Peter Thalmeier: "Die Wiederentdekung des Wiener Csakans" Tibia1/2012)

In 1980 maakte Herbert Paetzold een zevenkleppige csakan naar een origineel van Stephan Koch. Niemand had er interesse voor, dus het bleef bij één exemplaar. Elmar Hofmann uit Neurenberg bouwde in de 90-er jaren van de vorige eeuw een aantal  éénkleppige wandelstokscsakans naar het voorbeeld van Ferdinand Hell.

Op het moment zijn er drie bouwers die caskans maken: Guido Hulsens bouwt in Frankrijk en Martin Wenner in Singen, in Duitsland, 7-kleppige csakans  naar een voorbeeld van Johann Ziegler,

In 2010 is er voor het eerst weer een Csakan-kopie op de markt gebracht door Bernhard Mollenhauer: een tweekleppig model naar originelen, ook  uit de werkplaats van Johann Ziegler. Bernard Mollenhauer levert ook  csakans met een wandelstokverlenging. www.csakan.de

 

In Beieren en Oostenrijk waren in de 19e eeuw ook "Berchtesgadener Fleitln" in gebruik, eigenlijk in principe barokke blokfluiten. Ze werden gebouwd door onder andere de familie Walch in Berchtesgaden in veel verschillende stemmingen:  bes, f1,g1,  bes1,  c2, d2, waarvan die in c2 de voorkeur genoot. De bouwersfamilie dateert al uit de 17de eeuw: Augustin Walch *28-02-1668; Andreas Walch * 20-11-1672; Vanuit de barokke bouwwijze (vanaf 1581 werkten er fluitenmakers in Berchrtesgaden) werd een eigen negentiende-eeuws model ontwikkeld. Bouwers waren onder meer Georg Walch de Jongere (*1690),Lorenz II Walch (1786-1862) en Paul Walch (1810 - 1873). Materiaal: meest bukshout of pruimenhout met zwarte hoornen ringen.

Daarnaast werkte er nog een familie Öggl. Een c2-fluitje van ene I. Öcl (*1716 of *1722) is bewaard gebleven. De familie Öggl werkt nog steeds in de instrumentenbouw: de leiding is op het moment (2008) in handen van Bernard Öggl (*1949).

In Neuburg aan de Donau, ook in Beieren had Joseph Schin senior een houtblaasinstrumentenbouwwerkplaats, waarvan voor het eerst in 1826 melding wordt gemaakt. In 1846 deed hij de werkplaats over aan zijn zoon, die daar tot 1870 doorwerkte  

Uit Oostenrijk duiken de namen A. Hochschwarzer  en Heinrich Schweffer (Graz, circa 1814-1887) op. (Peter Thalheimer, Tibia 3/2008)

Uit Frankrijk zijn aanwijzingen dat er in de 19de eeuw net  zulk soort blokfluiten als de Berchtesgadener Fleitln werden gebouwd, met name door de firma J.B. Thibouville-Cabart, zoals blijkt uit advertenties in prijskrantjes. (Peter Thalheimer, Tibia 3/2008). Met de blokfluiten werd geadverteerd onder de naam "Flûte douce" .

Een weet iemand iets van blokfluitbouwer Friedrich Billing, werkend in Warschau ??

De "Mundflöte" of "Maulflöte" die Richard Strauss in zijn jeugdwerk "Fantasie over eern Thema van Giovanni Paisiello" (TrV 116) voorschrijft, is vermoedelijk en Csakan of Brechtesgadener Fleitl in c2.

(Peter Thalheimer, Tibia 2/2004)

 

Náást de Csakan is er een ander blokfluitig instrument, met dezelfde naam aangeduid, maar meestal als Czakan geschreven. Haar principieel andere vorm: 6 gaten zonder duimgat met  of zonder kleppen zorgt steeds weer voor verwarring. Voorbeeld: de "Vogtländer Czakan", fluiten met zes gaten, zonder duimgat, gemaakt ca. 1920-1940 in de werkplaats van C. Kruspe/Hüller in Erfurt, uit de particuliere verzameling van René Grémaux

 

In de 19de en de eerste heflt van de 20ste eeuw was de Duitse muziekinstrumentenbouwindustrie,  afgezien van de piano- en  orgelbouw, geconcentreerd in het Vogtland, het grensgebied tussen Duitsland en Tsjechië, het ertsgebergte, zogezegd.  De blokfluiten die daar in de 19de eeuw gemaakt werden, vanaf ongeveer 1835, werden in eerste instantie  gebouwd naar het voorbeeld van de Berchtesgadener Fleitl. 

De Vogtlandse houtblaasinstrumentenmaker Carl Friedrich Wilhelm Reichel levert tussen 1835 en 1839aan de firma Merz 147 flageolets.

Er is een verzendbrief van de houtblaasinstrumentenfirma Oscar Adler & Co. uit 1902 waaruit blijkt dat "1507 Czakane, Flageoletts, Trommelflöten und Schalmeien" verkocht werden.  

(Enrico Weller: Der Blasinstrumentenbau im Vogtland von den Anfängen bis zum Beginn des 20.Jahrhunderts. Dissertatie, Chemnitz 2002)

Tegen het eind van de 19e eeuw werden een aantal speciaal op de flageoletten en czakans uit het Vogtland gerichte leerscholen op de markt gebracht.

Vanaf 1880 wordt in de catalogi van uitgeverij  Friedrich Hofmeister in Leipzig de Flageoletschool van Carl Richter Opus 7 vermeld.

Vanaf 1888 wordt bij Wilhelm Zimmermann in Leipzig in drie talen: Duits, Engels en Russisch,  een zelfstudieschool van de bekende fluitist  Ernesto Köhler voor Flageolet en Czakan uitgegeven.

Bij Adolf Koster in Berlijn verschijnt omstreeks  1890 een school voor Czakan en Flageolet van L. Barth.

En bouwcentrum was het plaatsje Zwota. Daar bouwde bijvoorbeeld de familie Schlosser: Johann Gabriel Schlosser senior circa 1840, zijn  beide zonen Johann Gabriël junior (1835 - 1894) en Gustaph Adolph (* 1845)

In de catalogi uit die tijd worden blokfluiten in het Vogtland aangemerkt als Flötuse, vermoedelijk een verbastering van Flûte douce.

Veel In het Vogtland gebouwde Flötussen  met Schlosser merktekens werden in de 19de eeuw als Sjøfløyte (zee(mans)fluit) of  Tussefløyte (landfluit=volksmuziekfluit) naar Noorwegen verkocht, vooral naar het Numedal in Zuid-Noorwegen. Zij dienden als voorbeeld voor eigen fluitenbouwers: Nils Stuvstad (1909 - 1980); Bodil Diesen, die nog steeds voor Noorse Folkmusici Schlosser-kopieën maakt.

De bouwers waren kleine familiebedrijfjes, die vaak in eigen huis een werkplaats hadden, waar de hele familie op de een of andere manier aan de instrumentenbouw meewerkte. De instrumentenmakers stempelden de instrumenten met de naam van de handelaar(s) waar ze aan leverden. Zo werden alle duizenden vanaf 1926 door Peter Harlan (Markneukirchen) gesigneerde en met zijn eigen naam gestempelde blokfluiten gebouwd door Martin Kehr  in Zwota. (Peter Thalheimer: Tibia 2/2005) 

 

Omstreeks 1900 is elke kennis van blokfluit zo'n beetje verdwenen. Daarna komt een krachtige heropleving van het instrument. Zie daarvoor:

Geschiedenis 2, de herontdekking van de blokfluit.