Componisten

vanaf 1000

 

Hermann von Reichenau, (Hermannus Contractus of Herman der Lahme (de Kreupele), (Slot Altshausen, Oberschwaben, Duitsland, 8 juli 1013 – Reichenau, 24 september 1054) was een zoon van Graaf Wolfrat II van Altshausen en zijn vrouw Hiltrud. Als kind was hij kreupel geworden door een aangeboren spierziekte, zijn hele leven was hij aan een draagstoel verbonden, en moeilijk verstaanbaar. Op zijn zevende jaar kwam hij terecht in de abdij van Reichenau op het eiland Reichenau in het Bodenmeer. Hermannus leverde een bijdrage aan elk van de vier kunsten van het quadrivium. Hij was bekend als componist en schreef een verhandeling over de muziekwetenschap, verschillende werken over meetkunde, rekenkunde en astronomie (met instructies voor de bouw van een astrolabium, dat toen een nieuwe instrument was in christelijk Europa). De indeling van het uur in minuten is vermoedelijk van hem afkomstig. Als geschiedkundige schreef hij een gedetailleerde kroniek vanaf de geboorte van Jezus tot zijn eigen tijd. Het werk is nog steeds een belangrijke bron voor de geschiedenis van de 11de eeuw. Zijn leerling Berthold van Reichenau zette zijn werk voort. Vanwege zijn fysieke handicap werd hij vaak aangeduid als "Hermannus Contractus" of "Hermann der Lahme". Maar vanwege zijn wetenschappelijke werken werd hij ook wel "het wonder van de eeuw" genoemd, dat was wat sympatieker. In 1863 werd hij zalig verklaard door paus Pius IX. Zijn feestdag is op 25 september.

Hermann von Reichenau componeerde

     5 sequenzen

     2 antifonen

     1 officium (serie gezangen) voor de Heilige Afra

     1 theoretische muziekboek, De Musica, waarin hij een muzieknotatie op basis van intervallen ontwikkelde.

 

Adam de Saint-Victor (11de eeuw) werkte met vele andere componisten aan de Notre-Dame van Parijs en was daar tot zijn dood in 1140 magister cappellae. Het (eenstemmige) stuk In Natale is onder zijn naam in het Magnus Liber Organi opgenomen.

 

Winchester Troper bestaat uit 2 Engelse manuscripten uit ongeveer 1000; één in Oxford, in de Bodleian Bibliotheek (MS Bodley 775), één in Corpus Christi, Cambridge (MS473), In het tweede (Cambridge) manuscript staan 174 tweestemmige organa, misschien gecomponeerd door Wulfstan the Cantor (omstreeks 960 – vroeg 11de eeuw), monnik, dichter en componist waarvan wel literaire geschriften maar geen composities van bewaard zijn gebleven.

De Winchester Troper bevat het hele liturgische drama Quem quaeritis, met muziek, het oudste bekende middeleeuwse muziekdrama.

De organa werden tussen 1020 en 1030 gekopieerd, en daarna gebruikt en bewaard als Troparium in de kathedraal van Winchester. De Winchester Troper is de oudste grote collectie tweestemmige muziek

De titel “troper” (Nederlands: troop of trope) slaat op de Middeleeuwse praktijk om een Gregoriaans gezang een andere tekst te geven of uit te breiden met nieuwe muziekfragmenten en nieuwe tekst.

De Winchester Troper bevat

     een verzameling alleluia’s

     tropen voor het proprium van de mis

     tropen voor het ordinarium van de mis

     174 organa

 

Sint Goderic van Finchale (Walpole, Norfolk, Engeland, omstreeks 1065 – Finchale, Graafschap Durham, 21 mei 1170). Alles over of van hem is opgeschreven door de monnik Reginald van Durham. Er bestaan ook een aantal andere levensverhalen over hem. Volgens die verhalen was Goderic de zoon van Ailward en Edwenna. Goderic van Finchale ontwikkelde zich tot marskramer, zeeman en ondernemer. Hij was de kapitein van het schip dat Baldwin I, deelnemer aan de eerste kruistocht en uitgeroepen tot koning van Jeruzalem, vervoerde van Jeruzalem naar Jaffa in 1102. Na jaren op zee kwam Goderic van Finchale terug naar Engeland. Hij ging naar het eiland Lindisfarne en had daar een ontmoeting met de al lang overleden Sint Cuthbert. Deze ontmoeting veranderde volledig zijn leven, Goderic van Finchale wijdde zichzelf daarna aan het Christendom en aan de dienst van God. Hij maakte een groot aantal pelgrimsreizen rond het Middellandse Zeegebied, kwam terug naar Engeland en leefde daar twee jaar samen met de oudere heremiet Aelric. Na Aelrics’ dood maakte Goderic van Finchale nog één keer een pelgrimsreis naar Jeruzalem. Terug in Engeland overtuigde hij Ranulf Flambard, de Bisschop van Durham ervan hem een plaats te gunnen als herermiet in Finchdale bij de rivier Wear. Daar leefde hij nog zestig jaar en werd om zijn wijsheid en heiligheid regelmatig om advies geraadpleegd, onder meer door Thomas Becket en Paus Alexander III.

De roman Godric uit 1981 van Frederick Buechner is een fictieve verhaal over zijn leven en werk. De roman was genomineerd voor een Pulitzer Prize.

Goderic van Finchale  componeerde en schreef

     vier liederen. Ze zijn opgeschreven door Reginald van Durham. Het zijn de metrisch berijmde liederen in de Engelse taal, waarvan ook nog het originele muziekschrift bewaard is gebleven. 

- “Crist and sainte marie”, het eerste lied, volgends de overlevering in een visioen vanuit de hemel overgedragen door zijn overleden zuster Burhcwen, ze zong het danklied in het Latijn, en Goderic zette haar lied over in het Engels.

- "Saintë Marië Virginë". Het bekendste en meest gebruikte lied, volgens de overlevering door de maagd Maria in een visioen aan Goderic overgedragen al lied van troost om ellende en verzoeking te kunnen verdragen. 

 

Pierre Abélard, (Petrus Abaelardus) (Le Pallet bij Nantes, Frankrijk, 1079 – in het klooster St. Marcel bij Chalon-sur-Saône, 21 april 1142) had op jonge leeftijd al een grote reputatie te Parijs. Eerst was hij leraar dialectica, daarna docent theologie aan de kathedraalschool van de Notre-Dame.

Pierre Abélard is ook bekend geworden door zijn relatie met Heloïse. Een uitgebreide briefwisseling tussen hem en zijn Héloïse is overgeleverd. Toen Pierre Abélard lesgaf in Parijs, verwekte hij een kind bij Héloïse, het nichtje van domkanunnik Fulbert, bij wie hij in huis woonde. Zijn gastheer Fulbert liet hem castreren en de geliefden mochten elkaar niet meer zien. Heloïse werd non en al gauw priorin in het klooster van Saint Denis en Pierre Abélard werd monnik. Na een lange periode geen contact te hebben gehad begon Héloïse een briefwisseling met Abélard die later als een van de hoogtepunten van Middeleeuwse literatuur zou worden beschouwd. Petrus Abaelardus stichtte een eigen klooster met oratorium: de abdij van de Parakleet (een kerkelijk woord voor Heilige Geest). Toen Petrus Abaelardus in 1128 gekozen werd tot abt van het Klooster Saint-Gildas-en-Rhuys, verliet hij de Parakleet. Toen Abt Suger van Saint-Denis in 1129 de Benediktijner nonnen van Argenteuil met Priorin Heloïse uit hun klooster verdreef, stelde Pierre Abélard de abdij Parakleet beschikbaar. Heloïse bouwde als priorin en vanaf 1135 als abdis het vruchtbare klooster uit. Petrus Abaelardus zorgde voor gezangen, preken en orderegels. In de tijd van de Franse Revolutie werd het klooster Parakleet opgeheven

Petrus Abaelardus schreef een belangwekkend filosofisch/theologische werk:

‘Sic et non’, een scholastische denkmethode waarin hij stelt dat hij eerst wil begrijpen en pas daarna geloven (nihil credendum nisi prius intellectum). Zijn leer ging uit van de twijfel. Zijn tegenstanders vonden dat hij niet naar de bedoeling van een verkeerde daad moest vragen, maar een verkeerde daad onmiddellijk in strijd met Gods geboden moest verklaren. Abaelardus vond dat een zonde alleen een zonde is als die uit vrije wil wordt gepleegd en dus tegen het eigen geweten ingaat. Hij wijst hiermee als eerste op het belang van de intentie van een daad, een aspect dat een grote rol is gaan spelen in de latere middeleeuwse theologie over schuld en boete. De leer van Abaelardus was in strijd met de heersende kerkelijke ideeën. Hij werd in de ban gedaan en zijn leer werd in 1140 door de synode van Sens veroordeeld. Petrus Abaelardus vond steun en toevlucht bij Petrus de Eerbiedwaardige, prior van het klooster van Cluny.

Petrus Abaelardus ligt begraven op het kerkhof du Père-Lachaise in Parijs.

Petrus Abaelardus componeerde

     een gezangboek voor Heloïse, abdis van het klooster Parakleet, ná 1130.

- O quanta qualia, prachtig gezang voor zaterdag in de dorische modus.

     planctus, een soort lamentaties, ná 1130

- Planctus V: Abner fidelissime (Planctus David super Abner, filio Neronis, quem Ioab occidit)

- Planctus VI: Dolorum solatium (Planctus David super Saul et Jonathan).  

 

Hildegard von Bingen (Bermersheim, bij Alzey, Midden-Duitsland, 1098 – Rupertsberg, 17 september 1179) werd geboren als tiende kind van graaf Hildebert van Bermersheim, hoofd van een een adellijk gezin dat woonde op het slot van Bermersheim, niet ver van Alzey. Voor haar opvoeding werd ze, acht jaar oud, overgedragen aan de zorg van Jutta von Sponheim, abdis van het nonnenklooster te Disibodenberg, dat resorteerde onder een groter klooster van Benedictijner monniken. Ze werd onderwezen in de liturgie en de kloosterregels, maar ook in de "artes liberales" (wiskunde, literatuur en muziek). Op haar vijftiende jaar legde zij de gelofte af. Toen Jutta in 1136 stierf, nam Hildegard de leiding van de vrouwengemeenschap over en werd abdis. Vanaf 1140 begon Hildegard, met behulp van haar secretaris Volmar, de visioenen die zij vanaf haar 43e levensjaar kreeg, op te tekenen. De kerkelijke autoriteiten volgden haar visioenen met argwaan. Dit veranderde toen tijdens de synode van Trier in 1147 Bernardus van Clairvaux en de aartsbisschop van Mainz, die haar een goed hart toedroegen, haar onder de aandacht van Paus Eugenius III brachten. De paus bemoedigde haar en spoorde haar aan haar werk voort te zetten. Dat leidde tot haar eerste visioenenboek: Liber Scivias (Ken de zegen van de Heer; 1141-1151)

In 1147 stichtte Hildegard een zelfstandig vrouwenklooster op de Rupertsberg te Bingen. In 1150 betrokken de nonnen hun nieuwe onderkomen en in 1152 werd de bij het klooster behorende kerk door de aartsbisschop gewijd. De toeloop van vrouwen voor haar klooster was zo groot, dat Hildegard in 1165 een dochterklooster opende te Eibingen.

In het nieuwe klooster had Hildegard haar meest productieve jaren. Daar componeerde ze de voor intern kloostergebruik bedoelde "gelegenheidsmuziek", die haar tegenwoordig opnieuw beroemd heeft gemaakt. Deze muziek is volstrekt afwijkend van de gebruikelijke muziek in haar tijd en vormt een geheel eigen tak aan de boom van het Gregoriaans.

Naast de muziek schreef ze nog twee grote visioenenboeken: Liber vitae meritorum oftewel Boek van de verdiensten van het leven (1150-1163) en Liber Divinorum Operum oftewel Boek van Goddelijke werken (1163.) Ook van haar hand zijn de Physica en Causae et Curae (1150), twee werken die samen beter bekend staan als Liber Subtilitatum (Het boek van subtiliteiten). Deze handelen niet over theologie, maar over de natuur en de geneeskunst.

Aan het einde van haar leven kwam Hildegard nog in moeilijkheden doordat ze een geëxcommuniceerde kennis in gewijde grond begroef. Daarvoor werden zij en haar gemeenschap gestraft. De straf voor het klooster van Hildegard was een verbod op het gezongen koorgebed, het opdragen van de heilige mis en het verbod op het luiden van de klok. Een buitenproportionele straf die later door een hogere kerkelijke autoriteit, de aartsbisschop van Mainz, werd teruggedraaid ondanks dat Hildegard geen duimbreed toegaf.

Op 17september van het jaar 1179 stierf Hildegard von Bingen op de leeftijd van 81 jaar. De aanwezigen beweerden dat op dat moment vanuit de hemel een helder licht op haar sponde viel. Haar relieken werden in 1642 overgebracht naar de parochiekerk in Eibingen. Hildegard von Bingen is pas in 2012 door Paus Benedictus XVI heilig verklaard en officieel erkend als kerklerares. Ze stond al op de heiligenkalender.

Behalve muziekwerken schreef Hildegard ook medische, plantkundige en geologische verhandelingen. Ze vond een eigen, alternatief alfabet uit. Hildegards geschriften zijn ook uniek omdat zij op een algemeen positieve manier schrijft over seksuele relaties, en over het plezier vanuit een vrouwelijk standpunt. Van haar is ook een geschrift overgeleverd, dat zou kunnen gelden als de vroegst gekende beschrijving van het vrouwelijk orgasme. Hildegard von Bingen was de eerste componiste uit de geschiedenis van de klassieke muziek die bij naam bekend is.

Er zijn twee manuscripten die de bron vormen van Hildegard von Bingens muziek: Codex 9 uit de Sint Pieters en Paulusabdij in Dendermonde, het "Dendermondemanuscript') en de "Riesencodex", Hs 2 In de Landesbibliothek in Wiesbaden. Beide manuscripten bevatten samen alle 77 liederen van Hildegard von Bingen en haar mysteriespel.

Hildegard von Bingen componeerde

     1 zang- en mysteriespel

- Ordo Virtutum, "Orde der deugden", gezongen drama voor vrouwenstemmen met 1 mannenstem (de duivel),

     Symphonia armonie celestium revelationum (harmonische samenklank van hemelse openbaringen): 75 antifonen, responsoria, sequenties en hymnen voor de liturgie op basis van haar visioenen

7 gezangen over de Vader en de Zoon:

- O magne Pater (antifoon, mixolydisch)

- O quam mirabilis (antifoon, doriscch)

4 gezangen over de heilige Geest:

- O ignis spiritus paracliti (antifoon)

- O ignee spiritus (antifoon)

- Caritas Habundat (antifoon)

20 gezangen over de hemelse hiërachie:

2 hymnen "de prophetis e patriarchis" (phrygisch)

- O spectabiles viri (antifoon)

- O vos felices radices (responsorium)

15 gezangen over de Heilige Maagd Maria:

- Ave generosa (gezang)

1 kyrië

1 halleluja

http:www.hildegard.org

 

De Codex Calixtinus (“Liber Sancti Jacobi”, “Livre de Saint Jacques”, omstreeks 1140) wordt bewaard in de Kathedraal van Santiago de Compostella. Het geïllustreeerde handschrift is vernoemd naar paus Calixtus II (al overleden in 1124) om het meer “gezag” te geven, maar vermoedelijk samengesteld door de Franse wetenschapper Aymeric Picaud. De codex bevat liturgische preken en historische teksten, heiligenbeschrijvingen en een pelgrimsgids voor de bedevaartgangers. Het interessantst is een set polyfone muzikale werken. Het handschrift werd geschreven ter ere van de apostel Jakobus de Meerdere, wiens reliekschrijn in de kathedraal van Santiago de Compostella bewaard wordt. De codex was allang vergeten totdat hij in 1886 door de Jezuïetische onderzoeker Pater Fidel Fita werd ontdekt. De Codex Calixtinus bestaat uit vijf boekdelen, totaal 225 dubbelbeschreven bladen.

Op zondag 3 juli 2011 werd de Codex Calixtinus gestolen. 4 juli 2012 werd bekend dat er een aantal verdachten zijn aangehouden. De codex is, met een aantal andere waardevolle gestolen voorwerpen, teruggevonden in de garage van een voormalige werknemer van de Kathedraal.

De Codex Calixtinus bevat

in Boek I

     eenstemmige gezangen,

     een pelgrimslied

     missen met en zonder muziek

in een supplement van boek V

     20 polyfone werken voor twee of drie stemmen

- conductus Congaudeant catholici (Laat alle katholieken zich samen verheugen); de vroegst bekende compositie voor drie stemmen,

 

Magnus liber organi de graduali et antiphonario pro servitio divino. (12de eeuw). Standaardwerk religieuze muziek samengesteld tijdens de 12de en de 13de eeuw. Het boek zelf is verloren gegaan, maar de muziek is overgeleverd in diverse samenvattingen uit de 13de eeuw.

In 1163 werd met de bouw van de nieuwe kathedraal in Parijs begonnen. Koning Philippe Auguste (1180-1123) breidde Parijs ver over de stadgrenzen uit. Robert de Sorbon grondvestte in 1227 de naar hem genoemde Universiteit: de Sorbonne. Alle ogen waren op Parijs gericht, ook die van de muzikanten. Drie namen van componisten zijn ons bekend:

Albertus (12de eeuw), van hem is alleen een driestemmig Conductus overgeleverd is.

Leoninus (kleine Leo, midden 12de eeuw). Behalve naam en werkplek is er weinig bekend over Leoninus. Hij werkte voor de Notre Dame als administrateur en wordt in een kerkelijk document uit 1192 aangemerkt als ‘magister Leoninus presbyter’, wat impliceert dat hij als priester actief was. De enige informatie over zijn muzikale activiteiten is gevonden in een opstel van een Engelse theoreticus, die ironisch genoeg zelf bekend werd als Anonymus IV, een niet nader bekende maar gerespecteerde muziektheoreticus uit de dertiende eeuw. Hij verhaalde over het omvangrijke organumboek van Leoninus en roemde de muziek van deze componist.

Perotinus (Pietertje, eind 12de eeuw) werd bij de overgang naar de 13de eeuw opvolger van Leoninus. Het is ook onzeker wat de precieze functie van Perotinus was, en de identificatie van enkele werken uit de periode rond 1200 als zijnde van de hand van Perotinus stamt ook van Anonymus IV. De partituren van werken die aan hem worden toegeschreven, hebben allemaal wel een zeer herkenbare stijl. Hun werken (van Leoninus meest tweestemmige, van Perotinus prachtige drie- en vierstemmige) zijn vastgelegd in het Magnus liber organi.

Een belangrijke vernieuwing van Perotinus was dat hij het tweestemmig organum uitbreidde met een derde of vierde stem. De tweede stem wordt ‘duplum’ genoemd en de derde en vierde daarom ‘triplum’ en ‘quadruplum’. Deze termen worden gebruikt om drie- en vierstemmige composities als geheel mee aan te duiden, zoals ‘organum triplum’. In de tijd van Perotinus was het driestemmig organum de meest voorkomende variant

Aan Perotinus werden toegeschreven:

     2 vierstemmige organi

     4 driestemmige organi

     1 tweestemmig organum

     1 monofone conductus: Beata Viscera,intens gonzend

 

Theobald (Thibaut) IV van Champagne (I van Navarra) (Troyes, 30 mei juni 1201 – Pamplona, 14 juli 1253), bijnamen: Posthumus, de Troubadour of de Grote, was een zoon van graaf Theobald III van Champagne en van Blanca van Navarra, jongste dochter van Sancho VI van Navarra.

Theobalds vader stierf al vóór zijn geboorte. Hij volgde, onder voogdij van zijn moeder, zijn vader op als graaf van Champagne. Hij verwierf de helft van Bar-sur-Seine en nam deel aan de Albigenzenoorlog tegen Toulouse.

In 1234 volgde hij zijn oom Sancho VI van Navarra op als koning van Navarra als Theobald (Thibaut) I, de eerste Fransman die over Navarra regeerde, en bemoeide hij zich nauwelijks meer met Champagne.

In 1238 ging Theobald op kruistocht. Hij landde in 1239 in Akko en hield een verkenningstocht naar Gaza, waar hij echter door de Ajjoebiden verslagen werd. Daarna legde hij zich voornamelijk toe op diplomatie. Toen Richard van Cornwall aankwam in het Heilige Land werd hij het gekibbel over de leiding van de kruisvaart beu en ging hij naar huis.

Theobald was drie maal getrouwd (met Gertrudis van Egisheim (1190-1225); Agnes (-1231), en Margaretha van Bourbon-Dampiere

(-1256) en was de was vader van: Theobald V/II (1238-1270) en Hendrik III/I (-1274)

Theobald van Navarra stierf in Pampelune, de 14de juli 1253 op de leeftijd van 52 jaar.

Theobald “de troubadour” was één van de bekendste en meest geprezen troubadours van zijn tijd. Hij werd in de daaropvolgende eeuw door Dante uitbundig geprezen.

Theobald van Champagne componeerde

     37 liederen over de liefde, geïnspireerd door zijn liefde voor de koningin van Frankrijk: Blanche de Castille

     34 liederen over kruistochten, pastoralen en hymnes voor de Heilige Maagd. Zijn composities zijn aan het eind van de 13de eeuw opgenomen en bewaard gebleven in 6 manuscripten, waaronder het Manuscrit du Roi.

CD “Thibaut de Champagne; Alla Francesca olv. Brigitte Lesne, AEON AECD1221

 

Gautier d'Espinal (ook d'Épinal, d’Epinal of d'Espinau) (Frankrijk, vóór 1220 – 1272) was een Franse componist en troubadour, waarvan we alleen maar weten dat hij tussen 1232 en 1272 als componist en troubadour bezig was. Volgens de meeste onderzoekers was hij een van de rijke heren van de stad Epinal in Noordwest Frankrijk. Volgens anderen was hij alleen afkomstig uit Épinal en moeten zijn leven en werk eerder gedateerd worden. Zo bijft er nog was werk over voor musicologen en onderzoekers.

Zijn componsities komen voor in zes verschillende bronnen.  

Gautier d'Espinal  componeerde

     14 liederen, waarvan elf met muziek bewaard gebleven zijn.

 

Gillebert (Guillebert) de Berneville (Berneville?, Noord-Frankrijk, omstreeks 1220 – tussen 2 februari en 1 juni 1270) was een Franse troubadour. Hij werkte in de omgeving van Atrecht (Arras). Berneville, waar hij kennelijk vandaan kwam, ligt 7 kilometer zuidwest van Atrecht. Gillebert de Berneville was een populaire troubadour. Een aantal van zijn gezangen diende als voorbeeld voor latere gedichtcomposities. In Atrecht werd twee keer per jaar een mis opgedragen aan de overleden kunstenaars en burgers. Bij de mis van 1 juni werd Gillebert de Berneville genoemd, bij die van 2 februari nog niet, dus tussen die tijd moet hij een keer overleden zijn.

De liederen van Gillebert de Berneville hebben een R. nummer, geen idee waar dat vandaan komt.

Gillebert de Berneville componeerde

     35 liederen

Je n'ëusse ja chanté, R.417, bekroond door het Middeleeuwse kunstgezelschap Puy d'Arras

     4 jeux-partis, vraag -en antwoord-/ debatgedichten, samen met Hendrik III, Hertog van Brabant en Thomas Herier. Bij de opvoeringen van een jeux-parti waren een aantal hooggeplaatste leden van de Puy onder aanvoering van een “Prince” als “rechter” aanwezig om te beoordelen wie het debat gewonnen had.

 

Cantigas de Santa Maria ("Liederen van de Heilige Maria") verzameling van 427 eenstemmige liederen, gecomponeerd tijdens de regering van koning Alfons X van Castilië (1221-1284). De teksten zijn in het Galicisch-Portugees, in de middeleeuwen de lyrische taal van Castilië. Er is gedacht dat koning Alfonso el Sabio ze zelf geschreven had, maar het is waarschijnlijker dat hij er alleen de promotor van is geweest. Alfonso el Sabio (Alfons de Wijze, Alfons X van Castilië) (Burgos, 23 november 1221 – Sevilla, 4 april 1284), was koning van Castilië en León van 1252 tot aan zijn dood. Hij was een vooraanstaand wetenschapper en kunstenaar, aan de universiteit van Slamanca studeerde hij astronomie, geschiedenis en literatuur.

In de Cantigas zijn 61 religieuze lofzangen ter ere van de Maagd Maria, de meer officiële Christelijke liederen. 356 gezangen vertellen over wonderen die dankzij de tussenkomst van Maria plaatsvonden, dat is meer volkscultuur. De teksten zijn geschreven in het Galicisch-Portugees, een poëzie-taal

De Cantigas de Santa Maria zijn bewaard in vier handschriften:

1. "Codex Toledo" (To), afkomstig uit de kathedraal van Toledo, 128 composities - Madrid, Biblioteca Nacional de España, ms. 10069

2. "Codex El Escorial 1" (T),” códice de los músicos”, 417 composities - Escorial, hs. B.I.2

3. "Codex El Escorial 2* (E), “códice rico” - El Escorial, hs.T.I.1

4. "Codex van Florence" (F), 104 cantigas zonder muzieknotatie - Florence, Biblioteca Nazionale Centrale, Banco Rari 20

Cantiga 311. O que diz que servir óme

www.cantigasdesantamaria.com

 

Adam de la Halle (Adam le Bossu) (Atrecht (Arras), Frankrijk, omstreeks 1237 – Napels, omstreeks 1288), was de zoon van Henri de la Halle, een burger van Arras. Adam studeerde grammatica, theologie en muziek aan de Cisterciënzer abdij in Vaucelles, vlakbij Kamerijk en zou aanvankelijk priester worden. Hij koos er voor om te trouwen en te studeren voor meester in de kunsten in Parijs. Zijn vrouw was een zekere Marie, die vaak in zijn chansons voorkomt. Zijn beschermheer was graaf Robert II van Artois. Zijn bijnaam was “le bossu d’Arras”, de gebochelde uit Arras, vermoedelijk een studentengrapje, want over zichzelf verklaarde hij dat hij in het geheel geen bochel had.

In 1282 kwam hij in dienst van Karel van Anjou, die hij op zijn reizen naar Egypte, Syrië, Palestina en Italië volgde. Toen Karel van Anjou koning van Napels werd, bleef Adam De la Halle daar ook. Hij was de eerste die poëzie en lyriek in polyfone muziek omzette. Adam de la Halle was de laatste troubadour en stond op de overgang naar de Ars Nova.

Adam de la Halle componeerde

     3 zangspelen

- Li gieus (Le jeu = het spel) de Robin et Marion, zijn beroemdste werk, de allereerste voorloper van de opera, het oudste wereldlijke Franse toneelstuk met muziek, rond 1285, geschreven in een Picardisch dialect, gebaseerd op een oud chanson Robin m'aime, Robin m'a

     18 jeux-partis, vraag -en antwoord-/ debatgedichten, allemaal eenstemmig

     5 motetten voor drie stemmen

     1 balette

     46 rondets de carole (rondeau bij een carole, een onduidelijke dans)

     38 chansons, allemaal eenstemmig

     15 rondeaus voor drie stemmen

 

Manuscrit du Roi (manuscript van de koning) of Chansonnier du Roi (Liedboek van de koning) (Frankrijk, tussen 1255 en 1260) is een belangrijk liedboek uit het midden van de dertiende eeuw. Een belangrijke weergave van Europese Middeleeuwse muziek. Het Manuscrit du Roi werd geschreven in opdracht van graaf Charles van Anjou, vermoedelijk als cadeautje voor William van Villehardouin, Prins van Achaea. In 1270 kreeg graaf Charles het weer terug. Op het moment wordt het manuscript bewaard in de Bibliothèque nationale de France  als manuscript 844. In de nummering van de 19de eeuwse Middeleeuwenonderzoeker Karl Bartsch is het manuscript W. Het manuscript is in slechte staat. 18 bladen zijn vermist en sommige decoratieve hoofdetters zijn er uit gesneden.

Het Manuscrit du Roi bevat

     600 liederen, geschreven door de troubadours Guiot de Dijon, Richard de Fournival, en anonieme anderen.

aanhangsel met liederen van Theobald IV van Champagne (koning Theobald I van Navarra), de troubadour.

 

Jaque (Jacques, Jaikes) de Cambrai (gegevens van omstreeks 1260 – 1280) was een troubadour uit Kamerijk. Zijn werken zijn hoofdzakelijk bewaard in een handschrift, opgeslagen in de Openbare Bibliotheek van Bern (CH-BEsu 389). De melodieën zijn verloren gegaan. Sommige kunnen op grond van aanwijzingen in het Bernse manuscript worden gereconstrueerd.

Jaque de Cambrai componeerde

     4 hofchansons

     1 pastourelle

     6 religieuse chansons

- Loeir m'estuet la roïne Marie, contrefact van De bone amor et de loial amie (me vient) van Gace Brulé

     1 Maria rotrouenge

 

Petrus de Cruce (13de  eeuw). Wij weten van deze componist en muziektheoreticus alleen dat hij omstreeks 1290 aan het werk was in Noord-Frankrijk. In 1301 maakte hij deel uit van het bisschoppelijk hof in Amiens. Hij stierf vóór 1347, maar hoeveel ervoor is de vraag en over zijn geboortedatum weten we al helemaal niets. Het hoogtepunt van de Ars Antiqua wordt bereikt zijn motetten. Hij leverde een belangrijke bijdrage in het ontwikkelen van een flexibele muzieknotatie. Het Triplum werd onder zijn invloed de belangrijkste stem van het motet. Hoewel hij een belangrijk en gewaardeerde componist was, en andere componisten melodieën uit zijn motetten hebben overgenomen, is er van hemzelf geen enkel werk bewaard gebleven. 

 

Marchetto da Padova (Padua? Italië, omstreeks 1280? – ná 1319) was de zoon van een kleermaker. In 1305 en 1306 was hij muziekleraar van de koorknapen aan de kathedraal in Padua. In 1308 verliet hij Padua om in ander steden in de regio’s Veneto en Romagna te gaan werken. In 1317 ging hij met de patriarch van Aquileia, Gastone Della Torre, naar Avignon, toenmalige zetel van één van de pausen.

In 1318 staat zijn naam in een lijst geestelijken in het gevolg van Robert, koning van Napels.

Zij twee belangrijke verhandelingen zijn geschreven tussen 1317 en 1319, kort voordat Philippe de Vitry zijn Ars Nova schreef, wat de naam werd van de muziek van die periode. Verder is er niets over hem bekend.

Marchetto da Padova schreef twee verhandelingen over muziek:

     Lucidarium in arte musice plane (Opheldering over de kunst van eenvoudige muziek), 1317–1318, waarin voor het eerst voorgesteld word een hele toonsafstand te verdelen in meer dan twee delen. Marchetto da Padova verdeelt een hele toonsafstand in vijven. Dat betekende een mijlpaal in de ontwikkeling van stemming en gaf de mogelijkheid tot afwijkingen in omvang en opzet van melodieën

     Pomerium in arte musice mensurate (Oogsttuin van de kunst van mensurale muziek), 1318, hierin worden mensurale notaties beschreven. Werd het fundament van de mensurale notatietheorie van het Italiaanse Trecento. 

Marchetto da Padova componeerde

     3 motetten

 

Martín (Martim) Codax (Vigo, Galicia, nu Spanje, 13de eeuw) was een Gallische Middeleeuwse troubadour, waar we verder niets van weten.

Martín Codax componeerde

     7 cantigas d’amigo,  met een archaïsch strofische liedvorm aaB, twee rijmende regels met steeds een refrein; Van de 500 cantiga’s d’amigo uit die tijd, van 88 auteurs zijn deze de enige waar ook de melodie van is overgeleverd. De antiquarische boekverhoper Pedro Videl uit Madrid vond het handschrift toevallig in 1913, Het was gebruikt als kaft voor een kopie van Cicero’s “De Officiis".

 

Philippe de Vitry (Vitry-en-Artois, bij Arras, Frankrijk, 31 oktober 1291 – Meaux, 9 juni 1361) studeerde aan de Sorbonne en werd componist en muziektheoreticus, bisschop, dichter en diplomaat.

Hij was secretaris van Karel IV en Filips VI van Frankrijk en van 1351 tot 1361 bisschop van Meaux. Hij is bekend voor zijn vernieuwing in de muzieknotatie - vooral op ritmisch gebied - en is samen met Guillaume de Machault de belangrijkste vertegenwoordiger van de Ars Nova.

Philippe de Vitry schreef het muziektractaat Ars nova (omstreeks 1323), een verhandeling over de muziek die hij en Guillaume de Machault in zwang brachten.

Philippe de Vitry componeerde

     26 motetten, waarvan niet van alle zeker is of ze wel door hem zijn gecomponeerd

- Petre Clemens / Lugentium/tenor,  een groot meesterwerk. In de twee bovenstemmen bewijst Philippe de Vitry eer aan zijn beschermheer Paus Clemens VI. Grandioos stuk met verschillende hoketus-secties. Extreem slim en subtiel contrapunt.

 

Huelgas Codex of Codex Las Huelgas (13de eeuw), muziekziekhandschrift afkomstig van en bewaard gebleven in het klooster van de cisterciënzers in Santa María La Real de Las Huelgas in Burgos, in noordwest Spanje, toen Castilië. Het handschrift is ontdekt in 1904 door twee Benedictijnse monniken. Het manuscript is geschreven op perkament, en de notenbalken zijn met rode inkt in Franse muzieknotatie weergegeven.

De meeste stukken dateren uit de late 13e eeuw, sommige stukken uit de vroege 13e eeuw (de Ars Antiqua en de Notre Dame school), en enige latere toevoegingen uit de eerste decennia van de 14e eeuw.

Johannes Roderici (Johan Rodrigues) schreef zijn naam bij een aantal stukken. Het is mogelijk dat hij een aantal stukken zelf componeerde, of dat de scribent, samensteller en corrigeerder was.

De codex werd in het vrouwenklooster als 'bladmuziek' gebruikt. Het klooster had op een gegeven moment in de 13e eeuw een koor van 100 vrouwen, en er wordt verondersteld dat dit vrouwenkoor de polyfone werken zong. Het manuscript bevat ook tweestemmige solfège-oefeningen met notaties over hun gebruik in het klooster.

Het Vlaamse Huelgas Ensemble dankt zijn naam aan de Huelgas Codex.

De Huelgas Codex, waaraan minstens 12 mensen hebben bijgedragen bevat

     20 sequenzen (monodisch: éénstemmig),

     5 conductus (monodisch: éénstemmig)

     10 Benedicamus Tropen (monodisch: éénstemmig)

     141 polyfone (meerstemmige) composities, waarvan 1 zonder muziek.

 

Fribourg Antifonarium (13de eeuw)

In het Franciscaner Klooster in Fribourg, op de Zwitserse hoogvlakte niet ver van Bern is een antifonarium bewaard uit de late 13de , begin 14de eeuw (ná 1260) met Gregoriaanse liederen, tekst en muziek, voor de liturgische diensten van het hele jaar, inclusief het feest voor Anthony van Padua. Onder andere de Tenebrae, de lamentaties, antifonen en psalmen voor de goede week. Vloeiend stromend Gregoriaans; CD: Psallentes Plainchant Pro Series Volume 4

 

Laudario di Cortona (Cortona, Italië, Biblioteca del Comune e dell'Accademia Etrusca, Ms. 91) is een muzikale codex uit de tweede helft van de 13de eeuw, geschreven tussen 1270 en 1297. Het laudario bestaat uit 171 perkamentbladen van 22,6 bij 17,2 cm. Van de 66 bewaard gebleven Lauden (volksliedachtige religieuze lofzangen) zijn alleen de eerste 44 van kwadraatnotatie (vierkante noten op een vierlijnige notenbalk) voorzien.

Het manuscript behoorde toe aan de broederschap van Santa Maria delle Laude, van de San Francescokerk van Cortona. De broeders verkondigden naar het voorbeeld van Franciscus van Assisi met hun Lauda’s hun religieuze boodschappen. werd in 1876. De liedverzameling werd in 1876, 600 jaar na het ontstaan in de kerk San Francesco in Cortona in een bedroevende staat teruggevonden door Girolamo Mancini, bibliothecaris van de stad en van Accademia Etrusca di Cortona. Hij zorgde ervoor dat het manuscript in de bibliotheek van Cortona terecht kwam, waar het momenteel wordt geconserveerd.  Het Laudario di Cortona is naast het Laudario Magliabechiano 18 in Florence het enige teruggevonden Italiaanse manuscript uit de 13de eeuw, dat naast de liedteksten ook noten bevat. Andere manuscripten hebben alleen de liedteksten. De liederen zijn eenstemmig gezet.

 

 

Maestro Piero (Magister Piero, Piero) (Italië, vóór 1300 – kort na 1350) een van de eerste componisten uit het Trecento die bij naam bekend is, waarschijnlijk de oudste;

Het enige wat we met zekerheid over Maestro Pietro weten, is dat hij in Milaan en Verona In dienst was bij de families Visconti en della Scala.

In 1351 werd NoordItalië getroffen door een pestepidemie waarbij Maestro Pietro wellicht ook is omgekomen.

Maestro Piero componeerde

     6 madrigalen voor twee stemmen

     4 caccia’s, waarvan twee in de Rossi Codex, voor drie stemmen.

 

Jehan de Lescurel (Jehannot de l'Escurel) (laat 13de ,vroeg 14de eeuw) was de zoon van een Parijse koopman. Hij heeft misschien muzieklessen gehad aan de Notre Dame kathedraal. Op 23  mei 1304 is er een "Jehan de Lescurel" samen met drie andere jongemannen opgehangen wegens “zedeloosheid” en “misdaden tegen vrouwen”, maar Jehan de Lescurel was een tamelijk veel voorkomende naam was in het begin van de 14de eeuw, en er kan geen enkel aannemelijk verband met de troubadour Jehan de Lescurel worden gelegd. De liederen van Jehan de Lescurel zijn opgenomen in het manuscript waarin de Roman de Fauvel zich bevindt.

Jehan de Lescurel componeerde 34 liederen, waarvan 33 homofoon en één polyfoon rondeau voor drie stemmen:

     2 virelais, 

     15 ballades, 

     12 rondeaux 

- A vous douce debonnaire,  voor drie stemmen

     2 dits entés, langere gedichten, waarvan elk couplet eindigt met een speciaal refrein.