Componisten

vanaf 1400

 

Trinity Carol Roll  (15de eeuw, van het Trinity College, Cambridge, Engeland) is de oudste bron voor Engelse polyfone Kerstmuziek. Het is een rol perkament van 18 centimeter bij twee meter.

De Trinity Carol Roll  bevat

     13 vocale werken voor twee of drie stemmen

- Deo gracias Anglia! ‘Agincourt’ carol, viert de overwinning van Henry V op de Fransen in de slag bij Agincourt in 1415. 

- ‘There is no rose’.

 

Gilles (Egidius) Binchois (Bergen (Mons) ??, Henegouwen, rond 1400 – Zinnik, 20 september 1460) was de zoon van Jean de Binche en Johanna Palouche, geziene burgers. Jean de Binche stond in dienst van Willem IV van Henegouwen en vanaf 1417 in dienst van diens dochter Jacqueline van Beieren. Gilles Binchois had tenminste twee broers. In 1419 werd Gilles Binchois in Bergen organist van de Sinte Waldrudiskerk; in 1423 verhuisde hij naar Rijsel in Vlaanderen, onderdeel van het hertogdom Bourgondië. Omstreeks 1425 trad hij in dienst van het hof van Filips de Goede, hertog van Bourgondië. Zijn motet Nove cantum melodie, gecomponeerd voor de doop van Anthonie van Bourgondië, zoon van Filips de Goede en Isabella van Portugal op 18 januari 1431, noemt alle 19 zangers aan het hof, waaronder hemzelf. Daarnaast vervulde Gilles Binchois kerkelijke functies in Brugge en Bergen.

Met zijn tijdgenoten (de Bourgondische School) ontwikkelde Gilles Binchois de Nederlandse polyfonie, die gezichtsbepalend werd voor de West-Europese muziek, en dat bleef tot de Tachtigjarige Oorlog (vanaf 1568) aan de stabiliteit en voorspoed in het gebied een einde maakte.

In 1452 werd Gilles Binchois benoemd tot proost van Zinnik (Soignies), omdat hij geen priester was, een goede pensioenvoorziening. Daarnaast kreeg hij nog een ruime toelage van het hof. In Zinnik overleed hij op 20 september 1460. Aan zijn dood wijdt Johannes Ockeghem de treurzang (déploration) Mort tu as navré de ton dart.

Gilles Binchois componeerde

     20 misdelen

     6 magnificats

     28 andere motetten en kerkelijke werken

     52 rondeaus

- Adieu jusques je vous revoye

- Adieu mes tres belle amours

     7 ballades

- Adieu, mon amoureuse joye

- Dueil angoisseus rage demeseurée, tekst Christine de Pizan, heerlijk droevig klaaglied 

     2 andere chansons

     1 tekstloze bergerette 

 

Johannes Brassart (Brasart) (Lauw(?), Limburg, België, omstreeks 1400 – Luik, vóór 22 oktober 1455) werkte van 1422 tot 1431 voor de Sint-Jan-de-Evangelistkerk in Luik als "succentor". In 1431 verhuisde Johannes Brassart. Hij was bij de pauselijke kapel in dienst genomen als zanger en componist. Hij maakte, evenals andere componisten deel uit van het koor.

In 1432 trok Brassart naar Basel waar hij zanger werd aan de kapel van de raad. Twee jaar later nam de Duitse keizer Sigismund hem in dienst als rector van de kapel, een betrekking die duurde tot 1443. In 1445 verhuisde hij naar Luik, waar hij een betrekking kreeg bij de collegiale kerk van Sint-Paulus (nu kathedraal). Een bericht van 22 oktober 1455, dat aangeeft dat er een verzoek was ingediend om zijn prebende over te nemen, wijst erop dat hij omstreeks die tijd moet zijn overleden.

Johannes Brassart componeerde

     11 motetten, typisch isoritmisch

- Te dignitas presularis

- O flos fragrans, zijn bekendste motet, gecomponeerd naar een werk van Guillaume Dufay.

     8 introïtussen,  de vroegst bekende polyfone zettingen van dit deel van het proprium van de mis.

 

Johannes Legrant (Zuidelijke Nederlanden,omstreeks 1400 ?? – ná 1450) was in 1423 en 1424 muzikant en misschien vicaris aan de Sint Vincent in Soignes (Henegouwen), een kapittelkerk met een muziekschool. In de Kathedraal van Antwerpen wordt in 1441 tot 1443 een 'Heer Jan le Grant' als zanger vermeld.

Johannes Legrant componeerde

     2 Gloria’s voor twee en drie stemmen

     1 Credo voor 3 stemmen

     1 motet voor 3 stemmen

     4 rondeaux

     1 ballade

 

Guillaume (Guillermus) Malbecque (Malbeke) (Zuidelijke Nederlanden, omstreeks 1400 – Soignies, 29 augustus 1465) kwam uit de streek Maalbeek, ten noorden van Brussel. In november 1431 tot 1438 was hij opgenomen als zanger in de kapel van Paus Eugenius IV. Van 1440 tot zijn dood was hij kanunnik aan de kapittelkerk Sint Vincent in Soignes (Henegouwen). Gilles Binchois, Johannes Regis en Jacobus de Clibano waren daar zijn collega’s In mei 1447 reisde hij naar Kamerijk om daar Guillaume Dufay te ontmoeten. Hij wordt in 1460 vermeld als executeur testamentair van Gilles Binchois.

Guillaume Malbecque componeerde

     4 rondeaux

     1 ballade

 

Mikołaj (Nicolai) Radomski (de Radom) (Radom, Polen, omstreeks 1400 – ná 1450) was verbonden aan het hof Władysław Jagiełło. Het enige wat van hem bekend is, is zijn handtekening onder een paar composities „N. de Radom”, „Nicolaus de Radom” en „Mycolay Radomsky”. De zoektocht naar zijn identiteit door musicologen (die moeten ook wat te doen hebben) bracht wel wat naamgenoten naar boven „Nicolaus clavicembalista dominae reginae Poloniae” uit 1422, „Nicolaus Geraldi de Radom”, die studeerde in Krakau en in de jaren 1389–91 positief werd genoemd in het Vaticaan, maar eenzelfde identiteit blijft allemaal onbewezen suggestie.

Mikołaj Radomski componeerde

     1 magnificat voor drie stemmen, zijn mooiste en meest geïnspireerde werk

     1 motet voor drie stemmen

- Hystorigraphi aciem mentis, een lofrede van vicekanselier Stanisław Ciołek over de geboorte van prins Kazimierz van koning Władysław en zijn vrouw Zofia. Die geboorte vond plaats in 1426

     7 driestemmige religieuze werken

     1 driestemmige tekstloze ballade

 

De Squarcialupi Codex (Florence, Italië, Biblioteca Medicea Laurenziana, onder nummer Med. Pal. 87, 1410 - 1415) is een prachtig  geïllustreerd manuscript, in Florence samengesteld aan het begin van de 15de eeuw. Het is de belangrijkste bron voor muziek uit het Italiaanse Trecento, de Ars Nova.

De 216 perkamenten bladen, in goede conditie, bevatten 353 composities, gecomponeerd tussen 1340 en 1415: 146 complete werken van Francesco Landini, 37 van Bartolino da Padova, 36 van Niccolò da Perugia, 29 van Andrea da Firenze, 28 van Jacopo da Bologna, 17 van Lorenzo da Firenze, 16 van Gherardello da Firenze, 15 van Donato da Cascia, 12 van Giovanni da Cascia, 6 van Vincenzo da Rimini, nog wat kleinere aantallen van andere componisten.

Het manuscript is vrijwel zeker tussen 1410 en 1415 samengesteld onder leiding van Don Paolo da Firenze in het klooster van Santa Maria degli Angeli in Florence. Het manuscript was in het midden van de 15de eeuw eigendom van organist Antonio Squarcialupi, als zodanig vermeld op het eerst blad van de codex. Het manuscript werd door zijn neef overgenomen en kwam daarna in het bezit van  Giuliano di Lorenzo de' Medici, die het in de vroege 16de eeuw overdroeg aan de Biblioteca Palatina, waarna het aan het eind van de 18de eeuw verhuisde naar Biblioteca Medicea Laurenziana.

 

Manuel Doukas Chrysaphes (Griekenland, omstreeks 1410??–1463) was koorleider aan het hof van Constantinopel en kreeg betalingen van de laatste twee Bijzantijnse keizers Joannes VIII,  Joannes VIII Palaiologos en Konstantinos XI Palaiologos. Twee van zijn eigen geschreven composities overleefden, één gedateerd juli 1458 in het klooster Iviron op het schiereiland Athos in Griekenland en één gedateerd op juli 1463 in de collectie van het Topkapipaleis in Istanbul. Hij schreef ook een theoretisch werk: Over de theorie van de Zangkunst en over Bepaalde Onjuiste Opvattingen die Sommigen er Daarover op Nahouden. Een onmisbaar studiewerk als je iets wilt weten over de ontwikkeling van de Byzantijnse zangkunst in de periode van de  Palaiologoi dynastie (1260 tot 1453).

Manuel  Chrysaphes  componeerde

     Kalophonische (“prachtige”) liederen

     gezang- en psalmcomposities voor koor en solisten

     versierde liederen

     kratēmata,

     mathēmata,

     anagrammatismoi en nog wat andere onbegrijpelijke zangvormen, eeuwenlang uitgevoerd in Griekse, Slavische en Roemeense kerken

 

John Plummer (omstreeks 1410 – omstreeks 1483) werkte tijdens de regering van Henry VI van Engeland. Hij was de belangrijkste Engelse componist tussen John Dunstaple en de componisten van het koorboek uit Eton.

Van John Plummer zijn bewaard gebleven

     4 motetten:

- Anna mater matris Christi, een prachtig motet.

- Tota Pulchra Es, ook een juweeltje.

 

Codex Faenza, samengesteld omstreeks 1410 - 1420, in het bezit van de Biblioteca Comunale Manfrediana van Faenza, bij Ravenna, onder nummer 117; 15de eeuws manuscript met de oudste verzamelling klaviermuziek ooit opgetekend. 52 tweestemmige intavolaties van Franse (1ste deel) en Italiaanse (2de deel) vocale werken uit het eind van de 14de eeuw; van Guillaume de Machaut, Jacopo da Bologna, Francesco Landini, en anonieme componisten.

De religieuze werken zijn bedoeld voor een 15de eeuws orgel.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Arnold(us) de Lantins (vermeld omstreeks1420 – overleden vóór 2 juli 1432) is door Guillaume Dufay vermeld in de tekst van een rondeau, tussen 1420 en 1424 geschreven. Arnold de Lantins was in 1428 in Venetië en in 1431 in Rome, als zanger bij de pauselijke kapel van paus Eugenius IV, samen met Guillaume Dufay en Malbeque. In Rome bleef hij zes maanden; daarna verdween hij uit de geschiedenis. Zijn dood in juni of juli 1432 is vastgelegd in een verzoek van Malbeque hem te mogen begraven in de parochiekerk van Fermes in het bisdom Luik. Zijn werk is verschenen in Italiaanse manuscripten tussen 1420 en 1430. Zijn verwantschap met Hugo de Lantins, vermoedelijk uit dezelfde streek in de huidige Belgische provincie Luik afkomstig, is niet uitgesloten. Allebei zijn ze opgenomen in een lijst leden van de kapel aan het hof van Malatesta di Malatestis van Pesaro op 8 juni 1423.

Arnold de Lantins componeerde

     1 mis

     7 misdelen

     3 motetten

- Tota pulchra es, Hoogliedtekst voor drie stemmen, ruim verspreid in verschillende handschriften, lyrisch.

     2 balladen met Franse tekst

     13 rondelen met Franse tekst

- “Las, pouray je mon martire celer”, voor drie stemmen

 

 

Hugo de Lantins (vermeld omstreeks 1420 –1430) was in Italië werkzaam, in het bijzonder in Venetië. Misschien was hij verwant aan Arnoldus de Lantins, die toentertijd in dezelfde streek werkzaam was. Allebei zijn ze opgenomen in een lijst leden van de kapel aan het hof van Malatesta di Malatestis van Pesaro op 8 juni 1423.

In de jaren 1420 schreef hij ceremoniële muziek voor de doge van Venetië, Francesco Foscari. Guillaume Dufay vermeldde hem in de tekst voor een van de composities die hij schreef tijdens zijn verblijf in Rimini bij de Malatesta-familie (1420 -1424).

Hugo de Lantins componeerde

     4 misdelen

     5 motetten

     15 rondelen op Franse tekst

- „Grant ennuy m'est tres douce simple et coye“ voor drie stemmen, snerpende elegie, kippevel.

- „Helas amour que ce que endure“ voor drie stemmen

- „Plaindre m'escuet de ma damme jolye“ voor drie stemmen, met als boosaardig Acrostichon PUTAJN DE MERDE

     2 ballate op Italiaanse tekst

 

Conrad Paumann (Neurenberg, Duitsland, tussen 1409 en 1415 - München, 1473) was de zoon van de bekwame handwerksman Kunz Paumann († 1444). Hij was vanaf zijn geboorte blind, maar heel muzikaal en kreeg vanaf zijn vroege jeugd een door de aristocratische mecenassen Ulrich Grundherr en zijn zoon Paul Grundherr ondersteunde muziekopleiding. In 1447 werd hij stadsorganist in Neurenberg. De raadheren hadden bij de benoeming bepaald, dat hij niet zonder hun toestemming de stad mocht verlaten. Hij trouwde er met Margarethe Weichser.

Stiekem en in alle stilte vertrok Conrad Paumann omstreeks 1450 naar München, waar hij onmiddellijk als hoforganist in dienst werd genomen door de Beierse hertogen Ernest, Willem III en Albrecht III. Van hertog Albrecht III kreeg hij een huis. München bleef zijn officiële woonplaats voor de rest van zijn leven. Daarnaast reisde hij intensief als virtuoos bespeler van luit, blokfluit, harp, vedel en portatieforgel. Tijdens zijn reizen werd hij In Mantua geridderd, in Landshut speelde hij voor de Bourgondische hertog Filips de Goede, in Regensburg voor keizer Frederik III. In de laatste levensjaren was hij organist aan de Frauenkirche in München. Zijn opvolger Paul Paumann in 1474 was waarschijnlijk zijn zoon.

In zijn tijd was Conrad Paumann waarschijnlijk de meest beroemde en geachte muzikant van het Heilige Roomse Rijk. Hoewel hij zelf vanweg zijn blindheid niets kon schrijven vond hij wel het principe van de de luittabulatuur uit: een gemakkelijk greepschrift.

Een grafschrift uit roodmarmer is in de Frauenkirche in München in een pilaar onder de orgelgalerij ingemetseld, onmiddellijk naast het grote monument voor keizer Lodewijk IV.

Conrad Paumann componeerde

     8 (series) orgelwerken

- Fundamentum organisandi magistri Conradi Paumanns ceci de Nürenberga anno 1452, opgenomen zowel in het Lochahmer Liederbuch als in het Buxheimer Orgelbuch: 31 orgelintavolaties

     1 tenorlied voor drie stemmen

 

Johannes Ockeghem (vermoedelijk Saint-Ghislain, dichtbij Bergen (Mons), Henegouwen, Zuidelijke Nederlanden, omstreeks 1420  – Tours, 6 februari 1497) kwam uit een familie afkomstig uit het 30 kilometer ten westen van Brussel gelegen Okegem. Na een korte periode als zanger aan de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Antwerpen (1443-1444), kwam Johannes in dienst van Karel, hertog van Bourbon, in Moulins. In 1452 werd hij aangeworven door de Franse koning Karel VII. Tot aan zijn dood op 6 februari 1497 bleef hij verbonden aan het Franse koningshuis (onder Karel VII, Lodewijk XI en Karel VIII). In 1459 verkreeg hij de lucratieve en hooggewaardeerde functie van schatmeester van de abdij Saint-Martin in Tours, waar hij ook verbleef. In 1463 werd hij benoemd tot kanunnik aan de Notre-Dame in Parijs en in 1465 kreeg hij een aanstellingals "maistre de la chapelle de chant du roi". Johannes Ockeghem was de beroemdste componist in de tweede helft van de vijftiende eeuw. Ter herinnering componeerde Josquin des Prez het motet La déploration de la mort de Johannes Ockeghem, een zetting van het gedicht Nymphes des bois van Jean Molinet. Daarnaast werd deze zeer gewaardeerde componist in vier andere gedichten herdacht, waaronder één van Erasmus.

Johannes Ockeghem componeerde

     19 missen en misdelen, bewaard in de Chigi Codex, een Vlaams manuscript uit 1500 

- Missa Caput Draconis (de kop van de draak, slaat op de satan)

- Missa cuiusvis toni (in welke toon je maar wilt), kan in elke gewenste kerktoonsoort worden uitgevoerd. Klinkt dan wel steeds net iets anders, omdat de verhouding tussen de hele en halve tonen in elke modus verschilt.

- Missa ‘De plus en plus’  voor 4 stemmen, cantus firmus in de tenor op het gelijknamige driestemmige chanson van Gilles Binchois

- Missa Ecce ancilla Domini voor 4 stemmen

- Missa L’homme armé (de gewapende man) voor 4 stemmen, cantus firmus het veelgebruikte propagandalied tegen de Turkse invasie.

- Missa Prolationum voor 4 stemmen, geheel gebaseerd op de proportiecanontechniek, die Ockeghem onovertroffen beheerste. De afstand tussen de tonen waarop de stemmen inzetten wordt steeds groter, van de priem in het Kyrie tot het octaaf in het Osanna. Een voorbode van de negen canons in verschillende intervallen in de Goldbergvariaties van Johann Sebastian Bach

- Missa ‘Mi-mi’ (missa quarti toni) voor 4 stemmen, hoofdmotief een vallende kwint E - A

- Missa quinti toni voor 3 stemmen

     1 requiemmis

- Missa pro Defunctis, de oudst bewaard gebleven polyfone Requiemmis

     6 motetten

- Intemerata Dei Mater, 1487?, voor vijf stemmen, indrukwekkend door de lage ligging

- Deo gratias voor 36 stemmen, gecompliceerd werk voor 9 groepen van 4 stemmen, die vier verschillende cirkelcanons negenstemmig zingen; negen staat voor de hemelse hiërarchie van de negen engelenkoren, vier voor de vier windrichtingen van waaruit deze koren Gods lof zingen. Anonieme componist, maar aan Johannes Ockeghem toegeschreven, omdat verschillende tijdgenoten berichten over een door hem geschreven motet voor 36 stemmen

     22 franse chansons.

- Déploration Sur La Mort De Binchois - Mort Tu As Navre / Miserere, klacht over de dood van Gilles Binchois

- D’un autre amer voor 3 stemmen, rondeau kwatrijn, prachtige melodie, vaak gebruikt door ander componisten in hun composities

- Ma bouche rit (mijn mond lacht, maar in gedachten ween ik), virelai voor 3 stemmen eenvoudige vloeiende melodiek.

- Prenez sur moi, driestemmige canon, ‘fuga trium vocum in epidiatessaron’, Isabella d’Este liet het notenschrift in hout inleggen in de wand van haar studio in Mantua.

 

Johannes Tourout (Touront), (Torhout/Thourout, in de buurt van Brugge, West–Vlaanderen, omstreeks 1420??, – ná 1470) wordt in een document, gedateerd juli 1460, in het archief van het Vaticaan vermeld als geestelijke in het diocees Doornik en lid van de familie van Keizer Frederik III, aan wie een prebende van de Maria Kathedraal van Antwerpen was verleend. Uit de verspreiding van zijn composities leiden musicologen af, dat hij in de periode 1450 tot 1470 in Centraal Europa (Bohemen, Moravië, Beieren) werkzaam was.

Johannes Tourout componeerde

     3 missen voor 3 en 4 stemmen

     12 motetten

     4 tekstloze liedzettingen

 

Old Hall Manuscript, MS 57950 (British Library, Londen, Engeland, 1420) werd in de vroege 15de eeuws over een periode van 20 jaar samengesteld. 98 bladen van het manuscript overleefden de Engelse Refornatie: de overgang van de Rooms Katholieke naar de Anglicaanse Church of England, en werd bewaard in het  St. Edmund's College, een  Rooms Katholieke opleiding aan de Old Hall Green (vandaar de naam) in Hertfordshire. In 1973 werd het gekocht door de British Library. Het sluitstuk van het manuscript is een bruiloftsmotet van Thomas Byttering voor de bruiloft van koning Henry V en Catherine of Valois op 2 juni 1420. Een aparte historische ontwikkeling in het manuscript is het veel voorkomen van divisi, het tijdelijk uitsplitsen van één stem in meerdere, waaruit duidelijk wordt dat het hier om polyfonie gaat die door een koor van twee of meer stemmen per partij wordt gezongen. De componisten die bijgedragen hebben aan het Old Hall Manuscript waren de Engelse Leonel Power (26 werken), Pycard (9 werken), William Typp, Thomas Byttering (5 werken)  Oliver, Chirbury, Excetre, John Cooke, Roy Henry (vermoedelijk Koning  Henry V), Queldryk, John Tyes, Aleyn, Fonteyns, Gervays, Lambe, Nicholas Sturgeon, Thomas Damett, en anonimi. Er is ook werk bij van buitenlanders: Antonio Zachara da Teramo en  Matheus de Sancto Johanne.  

Het Old Hall Manuscript bevat 148 composities, waarvan 77 in partituur genoteerd.

     zettingen van misdelen

- Credo, OH 75, componist Pycard, complex vijfstemmig, waarbinnen een driestemmige proportiecanon, genoteerd in zwart, rood en blauw.

     motetten

     coducti

 

Codex London, Manuscript Add. 29987, British Library, Londen, Engeland, een Middeleeuws Toscaans muziekmanuscript uit ongeveer 1425. Het manuscript is 26 × 19.5 cm, en bestaat uit 88 perkamentenbladen in 11 katernen. Het eerste blad draagt de wapens van de familie de’ Medici.

De Codex London Add. 29987 is een deel van een grote manuscript van tenminste 185 bladen, de behouden bladen zijn genummerd van 98 tot 185. De muziek is genoteerd op vijflijnige balken in mensurale notatie. De muziek is uit de periode van 1340–1400; De Codex London is een van de belangrijkste bronnen rond het Trecento en hoofdzakelijk gewijd aan wereldlijke polyfonie. De titels van twee instrumentale werken "Isabella" en "Principio di virtù" suggereren een verband met Perugia, dat tussen 1400 en 1402 werd bestuurd door Gian Galeazzo Visconti, getrouwd met Isabelle de Valois, graaf van Vertus, of, in het Italiaans “Conte di Virtù”. Het manuscript was in de 15de eeuw in het bezit van de familie de’ Medici, en vanaf 1670 in het bezit van Carlo di Tommaso Strozzi. Vanaf 1876 was het in het British Museum in Londen en op het moment is het in de British Library, ook in Londen.

Van de 116 werken zijn er 29 van Francesco Landini, 13 van Niccolò da Perugia, 7 van Jacopo da Bologna, 5 van Bartolino da Padova, 5 van Giovanni da Cascia, 5 van Lorenzo da Firenze, van Bonaiuto Corsini, Donato da Cascia en Gherardello da Firenze ieder 3 en van Vincenzo da Rimini. Andrea da Firenze, Jacopo Pianelaio da Firenze, Paolo da Firenze, Rosso da Collegrana en Thomas de Celano ieder één. Er is één ballata van Guglielmus en Egidius de Francia samen, en een madrigaal van Guglielmus alleen.

Codex London Add MS 29987 bevat 116 werken:

     7 misdelen of andere liturgische vormen

     1 motet

     45 ballata”s

     36 madrigalen

     8 cacce

     3 virelais

     1 "Chançonete tedesce" (Duits liedje)

     15 tekstloze éénstemmige instrumentale stukken, zo’n beetje de eerste zuiver instrumentale werken in de Westeuropese muziektraditie.

- 8 istanpitte (estampies)

Ghaetta

Chominciamento Gioia,

Isabella, 

Tre Fontane, 

Parlamento, 

Belicha, 

In Pro 

Principio di virtù,

- 4 saltarelli,

- 1 trotto

- 2 tweedelige andere instrumentale werken 

Lamento di Tristano - La Rotta, charmante dorische melodie

La Manfredina - Rotta della Manfredina.

 

Joannes Plousiadenos (Joseph van Methoni) (Kreta, omstreeks 1429 – Methoni, 9 augustus 1500) leefde vanaf 1472 in Italië, meest in Venetië en werd bisschop van Methoni (Messenië) in het Zuiden van Griekenland, waar hij de naam Joseph aannam. Hij stierf daar tijdens de Turkse massamoord op Christenen en werd een Christelijk martelaar. 

Joannes Plousiadenos componeerde

     een koinōnikon; een soort Byzantijnse gemeentezangopbouw: Ainete ton Kyrion (‘Loof de Heer’) in een eenvoudige tweestemmige polyfonie

     Byzantijnse gezangen, éénstemmig genoteerd in laat-Byzantijnse neumen

     Heilige Liturgieën

     Cherubijns Gezang en Magnificat

     Psalmen

     Halleluja’s in alle kertoonmodi

     theotokia, koinōnika en katanyktika (klaagliederen voor de doden)

     stichēra (liederen) voor diverse liturgische feesten.

 

Codex Mancini (Lucca Codex), omstreeks 1430, incomplete bron, in 1938 ontdekt door A. Mancini (vandaar de naam Codice Mancini) Van de oorspronkelijke 102 bladen zijn er 42 bewaard gebleven, waarvan 33 bewaard worden in het  Archivo di Stato, Lucca (I-La 184; vandaar de naam Lucca Codex) en de rest in de Biblioteca Comunale, Perugia (I-PEc 3065). In 1988 zijn er vier nieuwe bladen ontdekt door Nádas en Ziino, en recent zijn er ook nog vondsten gedaan.

De Codex Mancini bevat 85 wereldlijke werken, grotendeels ballata’s uit de periode 1365-1430, de tijd van de Ars Nova. Componisten: Bartolino da Padova (12), Zacara da Teramo (12), Ciconia (9), Landini (8), Antonello da Caserta (7), Antonius de Civitate (3) en anderen.

 

Antoine Busnois (Busnoys, de Busne), omstreeks 1430 - Brugge, 6 november 1492) was in 1461 kapelaan in Tours. Erg vredelievend was hij niet als kapelaan, blijkt uit het verzoekschrift tot kwijtschelding dat hij in Tours indient, gedateerd op 28 februari 1461, waarin hij erkent met anderen een priester in elkaar te hebben geslagen "tot op het punt waarop die begon te bloeden", en wel vijf keer. Ofschoon er een banvloek over hem was uitgesproken, was hij zo roekeloos een misdienst te leiden, wat ertoe leidde dat hij werd geëxcommuniceerd. Dat belette Paus Pius II niet hem vergeving te schenken. Op 13 april 1465 werd hij subdiaken in de kerk Sint-Maarten. 1 februari 1467 is Busnois als "chantre-valet de chambre" in dienst bij het hof van de hertogen van Bourgondië. Dit ambt blijft hij tot september 1468 vervullen. In de zomer van 1469 wordt Antoine Busnois "chantre". Tussen 1 oktober en 1 november 1470 moet hij zijn benoemd tot "Demi-Chappellain". Tussen juni 1471 en juli 1472 werd Busnois tot priester ("clerc") gewijd. Tussen 13 oktober en 24 november 1472 bereikt hij de rang van kapelaan.

Antoine Busnois woonde de begrafenis van hertog Karel de Schone bij, omgekomen bij de slag van Nancy. Karels kapel werd in 1477 door zijn dochter, Maria van Bourgondië, overgenomen. Na het huwelijk van Maria en Rooms-koning Maximiliaan I, kwam Antoine Busnois in contact met diens in opbouw zijnde hofkapel die naderhand zou uitgroeien tot de vermaarde Habsburgse hofkapel waar ook Heinrich Isaac, Alexander Agricola en Pierre de la Rue deel van zouden uitmaken. Op 6 maart 1482 in de ochtend, viel Maria van Bourgondië tijdens een jachtpartij van haar paard. Op 27 maart 1482 overleed zij aan de gevolgen van haar valpartij.

Sinds ongeveer 1485 was Antoine Busnois "cantor" van de Sint-Salvatorskerk, nu de kathedraal in Brugge, waar toen ook Jacob Obrecht aan verbonden was. In die jaren was zijn reputatie als componist gegroeid. Antoine Busnois verenigde aan de Sint-Salvator de functie van cantor, als leider van het koor, en die van succentor, die de koorknapen het zingen in discant bijbracht. Ook was hij lid van de "Confraternitas chori" aan de Sint-Salvator.

Antoine Busnois componeerde

     3 missen van het cantus firmus-type

     9 missen zijn aan hem toegeschreven

     14 motetten.

     62 chansons, twee Italiaans, één Nederlands, de rest Frans, voor drie en soms vier stemmen

 

Firminus (Fremin le) Caron  (Amiens??, Frankrijk, omstreeks 1430 – ná 1480) werd vernoemd naar Saint Fremin, de patroonheilige van Amiens. Firminus Caron was in 1459 werkzaam in de kathedraal van Amiens en moet banden hebben gehad met het hof van Karel de Stoute. Hij wordt in een document uit 1473 “maistre Fremin le Caron," genoemd, wat impliceert dat hij een universitaire studie had afgerond. Een document uit 1475 noemt hem "sire Fremin le Caron," wat zou inhouden dat hij tot priester was gewijd. Een aanstelling in Rome omstreeks 1460 lijkt waarschijnlijk.

Uit aantekeningen van Loyset Compère, stilistische overeenkomsten, en het bestaan van een manuscript uit Kamerijk uit 1472 met een mis van Firminus Caron zou je kunnen afleiden dat Firminus Caron en Guillaume Dufay contact met elkaar hebben gehad.

Firminus Caron componeerde

     6 missen voor vier stemmen

- Missa Jhesus autem transiens

     37 chansons

- Helas que pourra devenir, voor 3 stemmen, een buitengewoon populair lied in die tijd.

- Vive Charloys, voor 3 stemmen, ter ere van Karel de Stoute, was firminus Caron in dienst van de Bourgondiërs?

 

Juan de Urrede (Urreda, Johannes de Wreede) (Brugge, Zuidelijke Nederlanden, omstreeks 1430 - ná 1482) was de zoon van de organist van de Donaaskathedraal in Brugge, Rolandus de Wreede. In 1457 werdt Johannes de Wreede secretaris aan de Onze Lieve Vrouwekerk, nadat hem in 1451 een vergelijkbare positie aan de Donaas kathedraal was geweigerd, omdat vader en zoon niet in eenzelfde kerk mochten werken. Ná 1460 komt zijn naam in de archieven van Brugge nergens meer voor, toen was hij dus vermoedelijk al naar Spanje vertrokken. In 1476 was hij lid van de hofhouding van García Álvarez de Toledo, de eerste Hertog van Alva, neef van koning Ferdinand. Hij werkte daar als zanger en componist. Op 17 juni 1477 wordt hij benoemd als zanger en maestro de capilla van de Koninklijke Kapel van Aragon. Hij blijft dat in elk geval tot 1482, en is in die periode ook hoogleraar aan de Universiteit van Salamanca. Na 1482 zijn er nergens meer gegevens over hem.

Juan de Urrede componeerde

     1 mariamis

     2 zettingen van het Pange Lingua Gloriosi Corporis Mysterium, gebaseerd op de Mozarabische melodie  van  Thomas van Aquino, voor vier stemmen. Van de eerste versie zijn door collega’s die tijd orgelintavolaties gemaakt. De melodie werd ook gebruikt voor miscomposities

     1 magnificat

     1 nunc dimitis

     4 hofliederen

- Nuncqua fue pena mayor, liefdeslied voor 3 stemmen, werd door collega componisten (Pierre de la Rue, Peñalosa) gebruikt als cantus firmus voor miscomposities.

 

Codex Turijn J.II.9  (Cyprus Codex, of Cyprus Manuscript, omstreeks 1430), werd samengesteld tijdens  de regering van koning Jean de Lusignan (1398-1432). Zijn tweede huwelijk in 1411 met Charlotte de Bourbon (overleden in 1422) betekende een fundamentele verandering in het muzikale leven op Cyprus. Charlotte de Bourbon kwam met een 60 Franse dienstknechten en musici, waaronder Gillet Veliout, vermoedelijk de componist Gilet Velut, waarvan 8 werken bewaard gebleven zijn in Oxford en Bologne. Een tweede muzikant die kan worden geïdentificeerd is Jean Hanelle, die net als Gilet Velut werkzaam was geweest aan de kathedraal van Cambrai in 1410 en 1411. Voor een groot deel van zijn leven bleef Hanelle in Cyprus. Hij werd kapelmeester van de Koninklijke kapel. Het muzikale repertoire is bewaard in Codex Turijn J.II.9. Vermoedelijk zijn de werken in de Cyprus Codex voor een groot deel door Jean Hanelle gecomponeerd en/of samengesteld. 

De Cyprus Codex werd (waarschijnlijk) in 1434 meegenomen door de dochter van koning Jean, Anne de Lusignan, toen zij trouwde met de Hertog van Savoye, Lodewijk II.

De Codex Turijn J.II.9 bestaat uit159 perkamenten bladen in buitengewoon groot folio formaat; prachtig geïllustreerde codex met een monumentale muziekcollectie van 334 monofone en polyfone composities:

     2 gregoriaanse eenstemmige misdiensten voor St. Hylarion (daarmee opent het manuscript) en St.Anne,

     6 gregoriaanse eenstemmige miscycli,

     17 polyfone misdelen (3 Gloria’s en 7 Gloria – Credo paren),

     33 isoritmische Latijnse motetten, op drie na vierstemmig,

Magnificatantifonen voor de laatste week van advent, ars subtiliormuziek, wellicht geschreven door Jean Hanelle.

- O Sapientia incarnata / Nos demoramur

- O Adonay domus Israel / Pictor eterne syderum
- O Radix Yesse splendida / Cuncti fundent precamina
- O Clavis David aurea / Quis igitur aperiet
- Lucis eterne splendor / Veni splendor mirabilis

- O Rex virtutum gloria / Quis possit digne exprimere
- O Emanuel rex noster / Magne virtutum conditor

- O sacra Virgo virginum / Tu nati nata suscipe

     8 isoritmische vierstemmige Franse motetten,

     102 Franse ballades,

- "Ge veuil loyaument amer"

     43 virelais

- "La douceur de vostre biau vis"

- "Il n'est amant qui n'a le cuer espris", blad 152

     21 rondeaux;

     1 polyfone mis, compleet behalve het Agnus Dei, later ingevoegd.

De Codex wordt bewaard in de Universiteits Bibliotheek van Turijn. Er is een mooie facsimile van te krijgen voor $ 724.

 

Johannes Tinctoris (Nijvel, omstreeks 1435 — omstreeks 1511) was een Zuid-Nederlands componist en muziektheoreticus. Tinctoris' composities vallen niet te dateren. Ze vallen op door originaliteit en bepaalde 'onregelmatigheden': hij zette de vormvereisten van het contrapunt naar zijn hand en ijverde voor een hervorming van de muzikale notatie. Hij maakte een lijst op van vooraanstaande componisten uit zijn tijd en componeerde uitgebreide voorbeeldstukjes in zijn theoretische verhandelingen. Zijn werk wordt heel zelden uitgevoerd.

Johannes Tinctoris schreef

     Theoretische traktaten

- 1475 Liber imperfectionum notarum musicalium

- 1477 Liber de arte contrapunti

- 1480 De inventione et usu musicae

- 1495 Terminorum musicae diffinitorum (terminologisch woordenboek)

     Missen

- Missa sine nomine 1 (Missa 3 vocum secundi toni irregularis cum contratenore extramanum in diapenthe sub ut sicalium)

- Missa sine nomine 2

- Missa sine nomine 3

- Missa l'homme armé

     1 misdeel

     Lamentationes

     6 motetten

     10 chansons voor 2 tot 4 stemmen

 

Johannes Martini (Leuze, hertogdom Brabant, omstreeks 1435; Ferrara, Italië, 27 oktober 1497 of begin 1498) raakte iets voor 1473 verbonden aan de hertogelijke kapel van Ferrara, waar Ercole I d'Este de muzikale cultuur bevorderde.

Martini was lid van de Milanese kapel van de Sforza-familie in juli 1474, samen met Loyset Compère en Gaspar van Weerbeke. In november 1474 keerde Martini terug naar Ferrara.

Martini werd door zijn werkgever goed beloond. Hij ontving een ongewoon hoog salaris als zanger bij de hofkapel en een eigen huis in Ferrara.

In 1486 reisde hij naar Hongarije als lid van de delegatie van Ferrara naar aanleiding van de ambtsaanvaarding van een lid van de familie d'Este als aartsbisschop van Esztergom. In 1487 en 1488 maakte hij twee verschillende reizen naar Rome om te onderhandelen over de prebendes die hertog Ercole hem had toegekend.

Johannes Martini componeerde

     11 missen

- Missa domenicalis, parodiemis voor vier stemmen

- Missa ferialis, parodiemis voor vier stemmen

     motetten

     psalmen

     2 passionen

     hymnen

     chansons.

 

Trente Codices (Muziekhandschriften uit Trente, 1439 - 1470), de omvangrijkste verzameling meerstemmige muziek uit de 15de eeuw: 2000 beschreven vrij kleine (20 bij 30 cm) bladen met 1585 composities uit heel Europa van 88 met name genoemde componisten naast veel anonieme muziek, vooral missen, misdelen en motetten, maar ook wereldlijke muziek.

De Trente Codices bestaat uit 7 boekdelen. Zes werden in de jaren 1880 door Franz Xaver Haberl in het archief van de Dom van Trente gevonden en worden nu als TrentC 87–92 in het Museo Provinciale d‘Arte in het Castello del Buonconsiglio in Trente bewaard. Een zevende deel (TrentM 93) werd in 1920 door Rudolf von Ficker en bevindt zich in het Archivio capitolare van Trente.

De Handschriften werden tussen 1439 und 1470 geschreven. De oudste delen: TrentC 87 en 92 ontstonden tussen 1439 tot 1442, grotendeels opgeschreven door Johannes Lupi. De schrijver van het grootste deel van de rest was Johannes Wiser, priester en schoolmeester aan de Kathedraalschool van Trente. De codices zijn geschreven met een destructieve inkt en zijn, ondanks een restauratie in 1975, in slechte staat.

     Deel 1, Ms 87.

- nr. 160 T’Andernaken ,al op den Rijn, driestemmige tekstloze bewerking van ene Tyling, het enige wat van en over deze (Nederlandse)  componist bekend is. 

www.trentinocultura.net

 

Erasmus Lapicida (Steinschneider) (Duitsland? omstreeks 1440 – Wenen, 19 november 1547) werkte van 1510 tot 1521 als zanger aan het hof te Heidelberg bij keurvorst Lodewijk V. Vermoedelijk was hij de leraar van Paul Hofhaimer. Daarna werkte hij aan het Schottenklooster in Wenen waar hij een tijdlang een collega was van Heinrich Finck. Hij is zeer oud geworden. Omdat historicus Johann Rasch in 1586, veertig jaar na zijn overlijden, over hem schrijft: Lapicida was „ein männlein bey hundert jahren“ stellen we zijn geboortejaar maar omstreeks 1440. Van de eerste zestig jaar van zijn leven is in het geheel niets bekend. In 1544 vroeg de componist aan Ferdinand I een toelage van 15 Kreuzer vanwege ouderdomszwakte. De toelage werd verleend en tot zijn dood regelmatig betaald.

Erasmus Lapicida componeerde

     11 Latijnse motetten  voor drie en vier stemmen

- „Sacerdos et pontifex“, 1514 voor het feest naar aanleiding van de benoeming van Bernhard von Cles tot bisschop van Trente

     7 Duitse liederen voor drie en vier stemmen

- "Tander naken" voor drie stemmen, 1504, de melodie in de onderstem.

     1 frottola voor vier stemmen

     1 tekstloos stuk voor vier stemmen

 

Loyset Compère (bisdom Atrecht of in Henegouwen, omstreeks 1440/1445 – Sint-Kwintens, 16 augustus 1518). Op 15 juli 1474 werd Loyset Compère als lid van de hoofdzangschool van de kapel hertog Galeazzo Maria Sforza in Milaan opgetekend. Dit is het eerste werkelijke bericht wat we over hem konden terugvinden. Zijn naam duikt ook op in de registers van 30 maart en 4 december 1475. Na de moord op de hertog op 26 december 1476 kwam een eind aan Compères Milanese tijd. De kapel moest worden afgeslankt en Loyset Compère kreeg 6 februari 1477 ontslag.

Loyset Compère trok naar Frankrijk. In 1486 was hij bezig in de door Johannes Ockeghem geleide kapel van het Franse hof. Op 2 maart 1493 werd Loyset Compère tot priester aan de Notre Dame kathedraal gewijd. In een decreet van april 1494 van Karel VIII van Frankrijk werd “nostre cher et bien amé chappelain ordinaire et chantre de nostre chapelle maistre Loys Compère, natif du pays de Haynault”, de Franse nationaliteit toegekend, en werd hem in zijn hoedanigheid van lid van de hofkapel een prebende in Frankrijk toegezegd.

In de herfst van 1494 vergezelde Loyset Compère koning Karel VIII op zijn krijgstocht naar Italië.

Tussen 30 april 1498 en 5 mei 1500 was Loyset Compère deken aan de kapittelkerk van Sint-Goriks in Kamerijk, waar hij de leiding had over 48 kanunniken. Van 1500 tot 1503 of 1504 bekleedde hij het ambt van proost van de kapittelkerk Sint-Pieter in Dowaai.

Zijn laatste jaren bracht Compère aan de kapittelkerk van Sint-Kwintens door, waar hij sinds november 1491 kanunnik was. Hij genoot er tevens inkomsten verworven uit een prebende in het bisdom Coutances.

Naast zijn kerkfuncties bleef Loyset Compère ook altijd aan de Franse hofkapel verbonden. Compère stierf op 16 augustus 1518 in Sint-Kwintens. Hij werd daar met grote eer in de kapittelkerk begraven.

Loyset Compère schreef

     3 missen

- 'Alles regretz'

- 'De tous bien plaine'

- 'L’homme armé'

     3 misfragmenten

     3 Motetti missalis, dit zijn motetcycli, waarin elk motet een misdeel uit het ordinarium en proprium vervangt

- Missa Galeazescha (Missa de Beata Maria Virgine): 8 motetten; Ave virgo gloriosa, in loco Introitus; Ave, salus infirmorum, in loco Gloria; Ave, decus Virginale, in loco Credo; Ave, sponsa verbi summi, in loco Offertorii; O Maria, in loco Sanctus; Adoramus te, Christe, in loco Elevationem; Salve, mater salvatoris, in loco Agnus; Virginis Mariae laudes, in loco Deo Gratias. Fraai werk

     6 magnificats

     20 motetten

- Ave Maria, gratia plena, 1502, zijn veruit meest populaire compositie, in twaalf bronnen bewaard geble en

- Omnium bonorum plena

     46 chansons

- Dictes moy toutes vos pensees; voor drie stemmen, grondslag van missen van Jean Mouton en Antoine de Févin

     2 frottolen

 

Rudolf Agricola (Rodolphus Agricola Phrisius, eigenlijk Roelof Huesman, Huisman), (Baflo,17 februari 1444, of 23 augustus 1443) – Heidelberg, 27 oktober 1485), werd geboren nabij Baflo. Zijn vader Hendrik Vries was pastoor van Baflo, en werd kort na de geboorte van Roelof benoemd tot abt van het Klooster Selwerd. Zijn moeder Zycka Huisman trouwde later met een kleermaker. Rudolf Agricola studeerde te Erfurt, Keulen, Leuven, Pavia en Ferrara. Daarna verbleef hij in Ferrara als organist aan het hof van hertog Ercole d'Este. Zijn opleiding werd betaald door het klooster van Selwerd, en hertog Ercole beloonde hem ook rijkelijk.

In 1479 keerde Agricola terug naar de stad Groningen, waar hij meteen secretaris van de stad werd. Rudolf Agricola schreef in een soepel (neo)Latijn, beheerste het Grieks uitstekend, en hij leerde tegen het einde van zijn leven Hebreeuws om de Psalmen in hun oorspronkelijke taal te kunnen lezen. Hij tekende, componeerde muziek voor fluit en speelde orgel; hij was zeer geïnteresseerd in zang.

Van de liederen op Middelnederlandse tekst die hij heeft gecomponeerd en waarvan onder meer de briefwisseling met componist Jacobus Barbireau en opmerkingen van latere auteurs getuigenis afleggen, is niets bewaard gebleven.

Hij was ontwerper van orgels, waaronder het orgel van de Martinikerk te Groningen. Hij stond, ook in Italië, bekend als een uitstekend redenaar en was daarnaast een fervent bokser. Hij nam deel aan de zogenaamde Aduarder kring van humanistisch ingestelde geleerden, die onder bescherming van abt Hendrik van Rees samenkwamen in het Cisterziënzer St Bernardusklooster te Aduard, ca 5 km buiten Groningen.

In 1482 was hij de vertegenwoordiger van de stad Groningen aan het hof van keizer Maximiliaan I.

In 1484 haalde Johann von Dalberg, bisschop van Worms en kanselier van de Keurpalts, Agricola naar Heidelberg. Daar gaf hij ook les. Conrad Celtis behoorde tot zijn leerlingen. Tijdens een reis naar Rome in 1485 werd hij ziek. Terug in Heidelberg stierf hij in de armen van de bisschop.

Agricola werd in zijn tijd Frisii soli spes decusque (Latijn: hoop en sieraad van de Friese bodem) genoemd.

Zowel in Sittard als in Groningen is een straat naar hem genoemd, de Agricolastraat, waarvan de naam uitgesproken wordt als Agri Colastraat.

Van Rudolf Agricola's composities is niets bewaard gebleven.

 

Heinrich Finck (Bamberg(?), 1444 of 1445 - Wenen, 9 juni 1527) kreeg zijn muzikale vorming aan de hofkapel van de Poolse koning Casimir IV de Jagielloon in Krakau. Hij schreef zich in 1482 in aan de Universiteit van Leipzig. Tussen 1492 en 1506 was hij muzikant bij drie opeenvolgende Poolse koningen. Als kapelmeester was hij van 1510 tot 1519 verbonden aan de hofkapel van hertog Ulrich in Stuttgart. Van 1516 tot 1524 stond Heinrich Finck in dienst van Matthäus Lang, aartsbisschop van Salzburg. In Salzburg had hij veel leerlingen, onder wie Rupert Unterholtzer. In 1524 trok hij zich in het Schottenklooster in Wenen terug, waar hij een koor oprichtte. In 1527 werd hij toch nog tot hofkapelmeester van Ferdinand I in Wenen benoemd.

Heinrich Finck componeerde

     5 missen

- Missa o Venus Bant, 1514, geschreven voor het huwelijk van Ulrich von Württemberg en Sabina van Beieren

     46 misdelen

     2 magnificats

     38 hymnen

     9 Latijnse liederen

     33 Duitse liederen

- Greiner Zanner eifrer, wie gefällt dir das, indrukwekkend lied.

 

Hayne van Ghizeghem (vermoedelijk Gijzegem, 1445 – vermoedelijk Frankrijk, 1472/1497) werkt in de jaren 1460 voor het Bourgondische hof als chantre et valet de chambre (zanger en kamerheer). Op het einde van de jaren 1460 was Hayne van Ghizeghem een beroemde componist en dichter geworden, ofschoon zijn uit die tijd overgeleverde oeuvre waarschijnlijk enkel bestaat uit de chansons Amours, amours en De tous biens plaine. Op 6 juli 1472 werd opgetekend dat Hayne van Ghizeghem deel uitmaakte van de hofhouding van de hertog, die dan Beauvais belegert. Tegenwoordig wordt aangenomen dat hij het beleg heeft overleefd en emplooi heeft gevonden aan het Franse hof. Hoewel hij als zanger en componist voor Frankrijks gezworen vijand werkte, kon hem dit worden vergeven aangezien Bourgondische musici in die tijd hoog werden ingeschat. Hayne van Ghizeghem moet nog vóór 1497 zijn overleden; in de Déploration sur la mort d’Ockeghem wordt immers verhaald hoe Hayne de op 6 februari 1497 overleden Ockeghem ontvangt en hem zijn motet Ut heremita solus voorzingt, waarbij hij zichzelf op een luit begeleidt. Dit is mogelijk geen louter literair beeld, maar een afspiegeling van werkelijk bestaande samenwerkingsverbanden tussen beide componisten.

Hayne van Ghizeghem schreef

     11 chansons, meest driestemmig, één vierstemmig in rondovorm.

- Allez, regrets (Rondeau cinquain, tekst van Johannes II van Bourbon)

- De tous biens plaine (Rondeau quatrain)

De chansons waren zo geliefd in het laat-15de eeuwse Europa dat ze in wel 25 afzonderlijke bronnen opduiken, waarvan sommige dateren van vóór de uitvinding van de boekdrukkunst. De chansons werden in tal van latere werken door andere componisten als bronmateriaal gebruikt.

Aan Haynes chanson De tous biens plaine hebben tientallen composities de cantus firmus ontleend. Een van de vroegste ontleningen kan Loyset Compères motet Omnium bonorum plena zijn, dat ongetwijfeld vóór 1474 is ontstaan.

 

Johannes (de) Stokem (Stockem, Stokhem, Jean de Prato) (Stockem?, in de buurt van Luik, Vlaanderen, omstreeks 1445 – Hongarije?, 2 of 3 oktober 1487) was in 1455 koorknaap aan de kathedraal St Lambert in Luik. Tot 1481 was hij een gewaardeerd volwassen lid van het koor. In 1478 werd hij geïnstalleerd als kannunnik. In 1481 werd Johannes de Stokem aangesteld als koormeester van het koor van koning Matthias Corvinus van Hongarije. Door het huwelijk van Beatrice van Aragon, de dochter van koning Ferdinand I van Napels, met de Hongaarse koning Matthias Corvinus, kregen muzikanten uit het West-Europa meer te doen aan het Hongaarse hof. In 1486 tot september 1487 werkte Johannes de Stokem in de Pauselijke kapel.

Johannes de Stokem componeerde

     7 chansons 

- Hor oires une chanzon voor 5 stemmen, 1501 in Odhecaton A van  Ottaviano Petrucci

- Brunette, voor 5 stemmen, ook bekend als "little brown-eyed girl."

     2 motetten 

 

Alexander Agricola (Alexander Ackerman, in het Latijn is “Agricola”  boer, Gent, zomer 1446 – bij Valladolid, 15 (?) augustus1506) was de buitenechtelijke zoon van zakenman Heinric Ackerman en zijn latere, in 1499 overleden echtgenote Lijsbette Naps, een welgestelde en succesrijke zakenvrouw. Hij had minstens één jongere broer: Johan.

Van 1470 tot ongeveer 1474 werkte Alexander Agricola aan de kapel van de hertog van Milaan, Galeazzo Maria Sforza. In 1470 trouwde hij in Florence. Halverwege 1474 trokken Alexander Agricola en zijn gezin met een aanbevelingsbrief van de hertog op zak, terug naar de Nederlanden.

In 1476 komen we hem in Kamerijk als zanger tegen.

Uit de periode tussen 1476 en 1491 zijn weinig gegevens bekend. Alexander Agricola stond bekend als een voortreffelijk zanger en een virtuoos organist. Vanaf 1490 was Alexander Agricola lid van de hofkapel van Frankrijks koning Karel VIII. Agricola’s voornaamste collega daar was Johannes Ockeghem. In 1491 verliet Alexander Agricola de hofkapel weer, zonder de koning om toestemming te vragen, en ging naar Italië.

In september 1491 was Alexander Agricola samen met zanger Charles de Launoy, in Mantua en korte tijd later in Florence, waarbij Charles de Launoy een waardevol boek, gestolen van Isabella d’Este in zijn bagage meesleurde. Isabella d'Este ontdekte de verdwijning van het boek en kon dioor bemiddeling van de gezanten van Ferrara in Florence en van Piero de' Medici haar boek terugkrijgen.

In Florence was Alexander Agricola beschermeling van Piero' de Medici. Op 1 oktober 1491 kreeg hij een benoeming als zanger aan de Florentijnse Dom en werd hierdoor een collega van Heinrich Isaac. Alexander Agricola behield dit ambt tot 30 april 1492.

Bang geworden door een brief van de Franse koning aan Piero de Medici, waarin de koning erop stond dat Alexander Agricola zo snel mogelijk naar Frankrijk werd teruggestuurd, verlaat hij Florence begin mei 1492 en trok naar het Napelse hof van Ferdinand I (1458-1494). De Franse koning bleef ook in Napels aandringen op Agricola’s terugkeer. Ferdinand wilde de Franse koning niet ontstemmen en liet Alexander Agricola, met tegenzin, want hij had grote bewondering voor zijn zangkunst, in juni 1492 vertrekken. In Frankrijk trad Alexander Agricola weer in dienst bij koning Karel. Uit brieven blijkt dat hij en Johannes Ghiselin alias Verbonnet zich in februari en maart 1494 weer in Napels ophielden, aan het hof van Alfons II. Hij kreeg er nooit meer een vaste aanstelling.

In het jaar 1500 werd Alexander Agricola cantor aan de hofkapel van Filips I van Castilië, een bevoorrechte positie aan het in die tijd leidinggevende ensemble in Europa. De hofkapel begeleidde de hertog steeds bij zijn reizen, aangezien de ontmoetingen tussen heersers of hun feestelijke intocht in steden te dien tijde ook een muzikale belevenis waren.

De tweede reis naar Spanje van de hertog, waarvan vaststaat dat Alexander Agricola eraan heeft deelgenomen, begon op 10 januari 1506. Die reis ging over het water. Zangers en instrumentalisten hadden een eigen schip ter beschikking. Op 13 januari 1505 dreef een storm een deel van de vloot, ook de boot met de muzikanten, naar Falmouth. Op 27 april 1506 landde de vloot in La Coruña. Fîlips en zijn gevolg trokken voor de zomer naar Valladolid en later naar Burgos, waar Filips aan koorts bezweek. Ook Alexander Agricola stierf, precies op de leeftijd van 60 jaar, voor de poorten van Valladolid. Alexander Agricola markeerde de overgang tussen de Middeleeuwen en de Renaissance.

Alexander Agricola componeerde

     8 missen

- Missa In myne zin, zeer ingenieus gecomponeerd op zijn eigen lied "In myne zin"

     4 misfragmenten

     2 series lanmentationes

     5 magnificats 

     17 motetten,

     3 motet-chansons,

     1 ballade

     16 rondelen

     7 bergerettes

     18 chansons

     5 liederen

- In mijnen zin, één van zijn twee Nederlandse liederen, vormde ook het uitgangspunt voor een mis

-  Tandernaken, voor drie stemmen, 1504, melodie in de middenstem, lastig virtuoos werk

     25 instrumentale muziekwerken (vocale muziek zonder vocalen, maar wel op chansons en zo gebaseerd en vanuit tekst gedacht).

- O Venus bant I voor 3 stemmen

- O Venus bant II voor 3 stemmen

 

Johannes Sticheler (Stickels) (15de eeuw) is misschien dezelfde als Jonnes Estiche. Ik kan er verder geen enkel gegeven over vinden.

Johannes Sticheler componeerde

     1 mis

- Missa se j'avoye porpoin de veleur, voor 5 en 6 stemmen, door Petrus Alamire in een prachtband uitgegeven.

     2 motetten (onder de naam Jonnes Estiche}