Componisten

vanaf 1515

 

Thomas Preston (Engeland, ??? – Windsor, omstreeks 1563) was een Engelse organist en componist die werkte aan het Magdalen College in Oxford, aan het Trinity College in Cambridge en aan de St George's Chapel in het Windsor Castle.

Thomas Preston componeerde

     orgel- en klavecimbelwerken

- 12 Offertory 

- Uppon la mi re  in the collectie Add.29996 (London British Library)

- orgelmis voor Pasen

     2 werken voor nstrumentaal consort

- In nomine voor 4 stemmen

 

Josquin (Joannes, Jean, Jo) Baston (Vlaanderen, omstreeks 1515 - omstreeks 1576) diende vermoedelijk in 1552 - 1553 aan de hofkapel van de Poolse koning Sigismund II August in Krakau. Misschien dezelfde persoon als ene Johan Paston, die tussen 1559 en 1566 actief was aan de hoven van Kopenhagen en Stockholm. Verder is er niets van hem bekend. Misschien was hij een leerling van Johannes Lupi, omdat hij een elegie bij zijn overlijden heeft geschreven.

Josquin Baston componeerde

     15 Latijnse motetten

     29 chansons

     zesstemmige treurzang over de dood van Johannes Lupi, waarin de twee middelste stemmen zes keer in canon de Gregoriaanse Requiemzang herhalen.

     7 vierstemmige Nederlandse liederen in

- Het ierste musijck boexken mit vier partijen en

- Het tweetste musijck boexken mit vier partijen door Tielman Susato  verzameld en in 1551 in Antwerpen uitgegeven.

 

Cypriano (Cipriano, Cypriaan, Cyprien) de Rore, (Vlaanderen, Ronse (Renaix), 1515 of 1516 - Parma, tussen 11 en 20 september 1565) was de zoon van Celestinus Rore (stierf vóór 1564) en Barbara van Coppenolle. Er waren nog tenminste twee andere kinderen in het welgestelde gezin. Over zijn vroege leven en opleiding zijn verder alleen suggesties en veronderstellingen.

Van 1542 tot 1546 was Cypriano de Rore in Brescia, waar hij naam maakte als componist. In 1546 of 1547 kwam hij als zangmeester in dienst bij hertog Ercole II d'Este in Ferrara. Giaches de Wert en Luzzasco Luzzaschi waren daar zijn leerlingen. In 1558 of 1559 keerde Cypriano de Rore naar de Nederlanden terug om zijn schoonzus te helpen na het overlijden van zijn broer Celistinus en zijn hulpbehoevende ouders te bezoeken. Toen Ercole d'Este in 1559 stierf, wilde diens opvolger Alfonso geen gebruik meer maken van de diensten van Cypriano de Rore. Van 1560 tot 1563 werkte hij voor Margaretha van Parma, landvoogdes der Nederlanden, in Brussel en voor haar echtgenoot hertog Ottavio Farnese in Parma. Toen Adriaen Willaert in 1563 stierf, werd Cypriano de Rore diens opvolger als kapelmeester van de San Marco in Venetië, maar hij bood al in 1564 zijn ontslag aan en ging naar Parma terug, waar hij stierf. Zijn neef Lodovico Rore zorgde voor een grafsteen in de kathedraal van Parma.

Claudio Monteverdi noemde Cyoriano de Rore "de vader van de muziek", dat zegt wel wat.

Cypriano de Rore componeerde

     107 madrigalen in 7 boeken

- Anchor che col partire (tekst Alfonso. d’Avalos), voor vier stemmen, 1547, nr. 31 in Madrigali a 4 voci, van uitgever Antonio Gardano , Cypriano  de Rore's bekendste madrigaal.

     5 missen

- Missa ‘Doulce mémoire’, voor 5 stemmen, 1566, over het melancholieke chanson van Pierre Sandrin  

     1 Johannespassie

     2 magnificats

     5 psalmen

     53 religieuze motetten

     16 wereldlijke Latijnse motetten, een ongewone "cross-over"-vorm

- Calami sonum ferentes, voor 4 stemmen, 1555, superlage bassen die een huivering wekkend effect bereiken

     7 chansons

 

John Sheppard (Shepherd, Engeland, omstreeks 1515 – december 1558) studeerde aan de Universiteit van Oxford. Op Sint Michaëlsfeest, 29 september 1543 werd hij benoemd tot “ Informator Choristarum” aan het Magdalena College in Oxford, hij bleef daar tot 1548. Omstreeks 1552 was John Sheppard “Gentleman of the Chapel Royal” (zeg maar ”lid van de Koninklijke kapel").

John Sheppard maakte zijn testament op 1 december 1558 en is begraven op 21 december van dat jaar.

John Sheppard componeerde

     5 missen

- Missa Cantate voor 6 stemmen

- “Westron Wynde Mass” voor 4 stemmen, gebaseerd op de populaire melodie Westron Wynde

     2 magnificats

     65 misdelen en motetten

- Gaude, gaude, gaude Maria,  voor 6 stemmen, grandioze compositie, voor de tweede vespers

- Sacris solemniis iuncta sit gaudia, voor 8 stemmen, voor de eerste vespers

     4 services

     15 anthems

     41 psalmen

     2 liederen  

O happy dames, voor 4 stemmen

Vain, vain, all our life we spend in vain voor 4 stemmen

 

Antonio Scandello (Bergamo, 17 januari 1517 – Dresden, 18 januari 1580) was vanaf 1530 net als zijn vader Hieronimus Scandello en zijn broer Angelo werkzaam als zinkenist en trombonist bij de stadsmuzikanten van Bergamo. In 1547 kwam hij in dienst van de kapel van kardinaal Cristoforo Madruzzo in Trente. In 1549 werd hij concertmeester en in 1568 Kapellmeister aan het hof van de keurvorsten van Saksen. Antonio Scandello ging in 1562 over naar het Lutherse geloof, trouwde met de dochter van een collega-muzikant van de kapel en componeerde hoofdzakelijk protestantse kerkmuziek in het Duits.

Tot zijn dood componeerde en musiceerde hij volop. Antonio Scandello werd begraven op het vrouwenkerkhof van Dresden.

Antonio Scandello componeerde

     2 missen

- Missa super Epithaphum Mauritii, 1553, gedachtenismis voor de Saksische keurvorst Maurice, die dodelijk gewond werd in de slag bij Sievershausen.

     1 magnificat

     3 motetten

     2 oratoria

- Johannespassie, 1561, vijfstemmig, de eerst passie waarbij de recitatieven aan de evangelisten voorbehouden zijn, het begin van een traditie. De stem van Jezus is vierstemmig, die van Petrus driestemmig, Pilatus 2-stemmig en de turbaekoren vijfstemmig

- Österliche Freude der siegreichen und triumpfierenden Auferstehung 1562

     4 bundels en een aantal verspreid voorkomende liederen

- Newe schöne auserlesenen Geistliche Deudsche Lieder, 1575

- Newe und lustige weltliche deutsche Liedlein, 1570, 1578, 1579

 

Thoinot Arbeau, pseudoniem anagram van J(I)ehan Tabourot (Dijon, Frankrijk, 17 maart 1520 - Langres, 23 juli 1595) was het grootste deel van zijn leven als kanunnik verbonden aan de kathedraal van Langres; daarnaast was hij componist, dichter en beschrijver van de dansen en dansvormen.

Thoinot Arbeau schreef

     Orchésographie, traité en forme de dialogue, par lequel toutes personnes peuvent facilement apprendre et pratiquer l’honneste exercice des dances, 1588, het enige Franse danshandboek uit de tweede helft van de 16de eeuw, met muziekvoorbeelden. Beschreven worden Branle, Galliarde, Pavane, Basse dance, Allemande, Courante, Moriskendans en Canarie.

- Belle qui tiens ma vie, voorbeeldige pavane en vierstemmig chanson, begeleid door een Battement du tambour (slag op de trommel)

 

Vincenzo Galilei (Santa Maria a Monte, Toscane, Italië, omstreeks 1520 – Florence, 2 juli 1591) leerde al jong luit spelen. Voor 1562 trouwde hij met Giulia Ammannati, die uit een adellijke familie kwam en verhuisde daarom naar naar Pisa. In 1563 studeerde hij bij Gioseffo Zarlino, de belangrijkste muziektheoreticus van de 16e eeuw, in Venetië. In 1564 werd zijn zoon Galileo geboren, de eerste van zes of zeven kinderen, de later beroemde astronoom en fysicus die het aan de stok zou krijgen met het Vaticaan. Een andere zoon, Michelangelo (*1575) werd ook luitist. In 1574 verhuisde het gezin naar Florence. Vincenzo Galilei leverde een belangrijke bijdrage aan de ontwikkeling van de muziek en de muziektheorie. Hij droeg bij tot de ontwikkeling van de monodie en ontwikkelde nieuwe inzichten over de behandeling van dissonantie. Hij introduceerde ook het gebruik van recitatieven in de opera. Aan het eind deed hij ook belangrijke ontdekkingen in de akoestiek, in verband met trillende snaren en luchtkolommen.

Vincenzo Galilei componeerde

     2 boeken madrigalen

     werken voor luit

- Contrapunti a due voci, 1584, opgedragen aan zijn 9-jarige begaafde luitspelende zoon Michelagnolo.

- Libro d'intavolatura di liuto, nel quale si contengono i passemezzi, le romanesche, i saltarelli, et le gagliarde et altre cose ariose composte in diversi tempi, 1584, In dit boek doet Vincenzo Galilei de “wohltemperiert” gestemde luit uit de doeken. Elke volgende halve toon hoger krijgt vijf stukken: een passamezzo antico, romanesco antico, saltarello, pazzamezzo moderna en romanesco moderna, Daarnaast staan er ook nog 16 gagliarda’s in.

     werken voor zangstem en luit

Giacomo (Jacomo de) Gorzanis (streek Apulië, Italië, omstreeks 1520 – Triëst, tussen 1575 en 1579) was blind en waarschijnlijk van adel. Vermoedelijk hield hij zich de eerste jaren van zijn carrière aan het Spaanse hof in Bari. Omstreeks 1557 was hij op reis door de Oostenrijkse hertogdommen Karinthië en Kraïn, waarna hij zich ophield aan het hof van München. Daarna verhuisde hij naar Triëst, waar hij in 1567 het stadsburgerschap ontving.

Giacomo Gorzanis componeerde

     5 boeken met luitintavolaties

- 16 ricerares en fantasia’s

- 132 diverse dansvomen

- 24 pazzamezzo – saltarello paren in elk van de grote en kleine tertsladders, 1567

     2 boeken met Napolitaanse liederen

- 56 napolitane

 

Joachimus de Monte (omstreeks 1520 – ná 1555) was van 1 februari 1553 tot na 1554 als tenor werkzaam was in de nieuwe kerk te Delft. Mogelijk is hij ook enige tijd in de Leidse Pieterskerk actief geweest, want al zijn teruggevonden werken staan in de “Leidse Koorboeken”. Verder is er niets over hem bekend.

Joachimus de Monte componeerde

     motetten

 

Bernardino de Ribera (Játiva, Spanje, 1520 – Toledo, achterin 1571 of voorin 1572) kreeg zijn muzieklessen van zijn vader, maestro de capilla van de kapittelkerk in Játiva. Bernardino studeerde ook bij de opvolger van zijn vader, Jayme López. Op 12 juni 1559 werd Bernardino de Ribera benoemd als maestro de capilla van de kathedraal van Avila. Ze hadden daar net Gerónimo de Espinar ontslagen. Bernardino de Ribera gaf daar les aan de jomge Tomás Luis de Victoria, die leerling was van de koorschool van de kathedraal. In oktober 1562 volgde Bernardino de Ribera Bartolomé de Quevedo op als maestro de capilla aan de kathedraal van Toledo. In 1570 bood hij de kathedraal een prachtig geïllustreerd manuscript aan van zijn missen, motetten en magnificatzettingen. Veel van de illustraties zijn door onverlaten weggesneden, daarbij zijn ook de transcripties van veel werken beschadigd of verloren gegaan.

In 1570 werd Bernardino de Ribera ziek. Zijn laatste toelageuitkering is gedateerd op 8 januari, omstreeks die tijd moet hij overleden zijn. Hij werd opgevolgd als maestro de capilla door Andrés de Torrentes.

Bernardino de Ribera componeerde

     2 missen

     10  motetten

     8 Magnificatzettingen

 

Adrian Le Roy (Montreuil-sur-Mer, Noordfrankrijk, omstreeks 1520 – Parijs, 1598) werd geboren in een welgesteld koopmansgezin. Waarschijnlijk was hij koorknaap en studeerde hij luit, gitaar en citer bij verschillende docenten. Hij kwam in dienst van Claude de Clermont, en daarna van Baron Jacques II van Semblançay en Tours. In 1546 trouwde Adrian Le Roy met Denise de Brouilly, de dochter van uitgever Jean de Brouilly.

Adrian Le Roy en zijn neef Robert Ballard (omstreeks 1525 – 1588) richtten samen de drukkerij "Le Roy & Ballard" op en kregen in augustus 1551 een koninklijk privilege van Hendrik II om muziek te drukken. In februari 1553 nam het bedrijf de titel "imprimeur du Roi en musique" over van Pierre Attaignant. Door het verdwijnen van concurrerende uitgevers had Le Roy & Ballard vanaf 1570 z’n beetje het monopolie op muziekuitgeven in Frankrijk. De uitgeverij hield stand tot in de 19de eeuw.

Adrian Le Roy componeerde

     zes boeken met luittabulaturen

     5 boeken voor gitaar

     2 boeken voor voor cister, een instrument afgeleid van de luit, neigt naar gitaar

     1 methodeboek voor mandora, afgeleid van de luit, een voorloper van de mandoline

     1 boek airs de court  voor zangstem en luitbegeleiding

     1 boek vaudevilles voor 4 stemmen

 

Michiel Smeekers (Nieuwpoort? omstreeks 1520? - ???) maakte in de 1540-er jaren als zangmeester achtereenvolgens carrière in Den Bosch, misschien in Leiden, dan in Delft en daarna in Gouda, waarna hij naar Brussel uitweek.

Michiel Smeekers componeerde

     motetten

- Inviolata, integra et casta es, Maria; moest op een vastgesteld aantal dagen sinsd 1503 ter nagedachtenis aan Dirck Dirckzoon in de Leidse Pieterskerk gezongen worden; bevindt zich dan ook in de Leidse Koorboeken 

 

Philippus (Philippe) de Monte (Mechelen, 1521 - Praag, 4 juli 1603) was koorknaap in de Sint Rumbolds Kathedraal in Mechelen. Philippus de Monte leefde van 1542 tot 1554 in Napels. Hij verbleef rond begin 1555 in Engeland als zanger in het koor van Filips II van Spanje (getrouwd met Koningin Mary I), waar hij in contact kwam met de familie Byrd. Rond 1558 ging hij terug naar Italië. In 1568 werd hij Kapellmeister in Wenen bij keizer Maximiliaan II; na diens dood (1576) was hij in dienst bij opvolger Rudolph II, in Praag.

Philippus de Monte componeerde

     38 missen,

- Missa Ultimi Miei Sospiri voor 6 stemmen

- Missa sine nomine, voor 8 stemmen, ècht achtstemmig, niet 2-korig;

     120 motetten,

- Super flumina Babylonis, 8-stemmige zetting van  psalm 137; een muzikale parel. Philippus de Monte stuurde het motet als een muzikale ondersteuning naar William Byrd, die daarop antwoordde met zijn Quomodo cantabimus (ook 8-stemmig, ook op tekst uit psalm 137) uit 1584.

- Sacrarum cantionum cum quinque vocibus… liber tertius, motetten voor 5 stemmen, 1574;

- Miserere mei, Deus,

- Sacrarum cantionum … liber quintus, motetten voor 5 stemmen, 1579;

- O Suavitas et dulcedo, voor 8 stemmen (??),

     1100 madrigalen in 34 boeken, Philippis de Monte was de Franse koning van het madrigaal;

     144 geestelijke liederen (madrigali spirituali)  

 

António Carreira (*Lissabon, Portugal, omstreeks 1525 – 1592) kreeg als kind en opleiding als zanger in de Koninklijke kapel bij Koning João III in Lissabon en bleef zijn hele verdere leven als zanger, organist en mestre da capela (vanaf 1573) aan de kapel werken. Zijn composities worden voornamelijk bewaard aan de Universiteit van Coïmbra.

António Carreira componeerde

     6 religieuze koorwerken voor vier tot zes stemmen 

     23 tekstloze werken voor orgel of instrumenten

- Tento por D lasolre  voor vier stemmen

     1 liedzetting

- Con qué la lavaré, begeleiding voor deze toen populaire villancico voor orgel of vier instrumenten, één van de vroegste Europese composities waarbij een instrumentale begeleiding voor een lied werd gecomponeerd   

 

Rodrigo de Ceballos (Çavallos, Cevallos, Zaballos) (Aracena, Huelva, Spanje, omstreeks 1525 – omstreeks 1571) was de zoon van zanger Juan. Hij werd in 1554 benoemd tot maestro di capella in Málaga. In 1554 werd hij tot priester gewijd in Sevilla in 1556 en in datzeflde jaar benoemd tot maestro de capilla in Córdoba. Tenslotte werd hij in 1561 maestro di capella aan de Koninklijke kapel van Granada.

Rodrigo de Ceballos componeerde

     3 missen

     8 Magnificats

     39 motetten

     14 Vesperpsalmen

     Lamentationes

     6 gezangen

     2 sets fauxbourdonszettingen

     7 wereldlijke werken

 

Girolamo (Hieronimo) Cavazzoni (Urbino??, Italië, omstreeks 1525 – ná 1577) was de zoon van componist Marc’Antonio Cavazzoni. Volgens de opdracht aan kardinaal Bembo in de uitgave van zijn verzameling orgelwerken, werd hij geboren terwijl zijn vader meewerkte aan een kerkdienst van de kardinaal, dat zou dan in Urbino geweest kunnen zijn. Girolamo Cavazzoni werkte in Venetië en Mantua. Hij werd organist aan het hof van hertog Gonzaga in Mantua. In 1565 en 1566 had hij het toezicht op de bouw van het orgel in de hofkerk Santa Barbara in het Palazzo Ducale.

Girolamo Cavazzoni componeerde

     2 verzamelingen orgelwerken

- Intavolatura cioe recercari, canzoni, himni, magnificati, libro primo, Venetië, 1543

Canzon sopra Faultre d'argent

 

Baldassare Donato (Donati) (in de buurt van Venetië, Italië, tussen 1525 en 1530 – Venetië, juni 1603) was leerling van Adriaen Willaert en koorknaap aan de San Marco in Venetië in 1550 en kreeg de leiding over de musicale training van de koorknapen daar in 1562. Toen Gioseffo Zarlino daar in 1565 maestro di cappella werd, moest Baldassare Donato zijn post opgeven en weer verder als zanger in het kerkkoor. Ze kregen een langdurige ruzie, die uitmondde in een hoogst onverkwikkelijk in het publiek plaatsvindend gevecht tijdens het feest van San Marco in 1569. Baldassare Donato ging daarop aan het werk in de Scuola Grande di San Rocco, een andere kerk in Venetië. In 1580 trok hij zich daar, vanwege onenigheid met zijn werkgevers, terug en werd hij maestro di cappella aan de Dom van Padua. In 1588 werd Baldassare Donato assistent in de San Marco, de ruzie was kennelijk weer bijgelegd. Van 1590 tot zijn dood nam hij de post van maestro di cappella over.

Baldassare Donato componeerde

     3 verzamelingen madrigalen

     2 psalmzettingen

     12 motetten

     7 liederen in het Italiaans, Frans en Duits

     villanella’s: Il primo libro de canzon villanesche alla napolitana, 1550

- Chi la gagliarda

 

Miguel de Fuenllana (Navalcarnero, Madrid, Spanje, omstreeks 1525 – Valladolid, tussen 1590 en 1606) zal in de gemeente Fuenllana in de provincie Ciudad Real hebben geleefd, gezien zijn naam. Sinds zijn geboorte was hij blind. Hij werkte aan het hof van koning Filips II en zijn derde vrouw Isabella van Valois. Miguel de Fuenllana was van 1574 tot 1578 in dienst als kamermuzikant bij koning Dom Sebastian van Portugal. De laatste berichten over hem zijn lastig te duiden. Aan de ene kant zijn er uit het jaar 1591 rekeningen aan zijn familieleden bewaard, waaruit je zou kunnen afleiden dat hij dan al overleden is. Aan de andere kan is er een bedelbrief van zijn dochter Catalina bewaard aan koning Filips IV, waarin zij als weduwe om een toelage vraagt omdat haar vader zowel Filips II als Filips III totaal 46 jaar gediend had. Dat zou dan tot 1606 moeten zijn geweest.

Miguel de Fuenllana componeerde

188 werken voor vihuela, Spaanse voorloper van de gitaar, verdeeld over zes boeken met de titel:

Libro de música para vihuela intitulado Orphenica Lyra, 1554, opgedragen aan kroonprins Filips, de latere Filips II. 160 werken zijn voor de zessnarige vihuela, 9 voor de vijfsnarige vihuela en 9 voor de viersnarige gitaar. De zes boeken bevatten, naast aanwijzingen om de vihuela goed te bespelen:

     119 intavolaties van vocale werken van Josquin des Préz, Nicolas Gombert, Cristóbal de Morales, Adriaen Willaert, Jakob Arcadelt, Philippe Verdelot, Francesco Corteccia, Francisco Guerrero en Juan Vásquez

- De los alamos vengo, madre van Juan Vásquez, intavolatie weer gebruikt door Felix Lope de Vega

- Con qué la lavaré, villancico van Juan Vasquez

- De Antequera sale el moro, romance, meerstemmige zetting Cristóbal de Morales

     51 fantasieën,

     8 tiento’s

     2 duo’s

     7 contrapunt werken over wereldlijke en kerkelijke melodieën

- Morenica, dame un beso,

- Paséabase el rey moro, romance

     1 motet

- Benedicamus patrem

 

Giovanni Pierluigi da Palestrina (Palestrina, omstreeks 1525 - Rome, 2 februari 1594). In 1537 was hij koorknaap aan de basiliek Santa Maria Maggiore te Rome. Hij kreeg daar onder meer  les van de Franse componist Mallapert. Van 1544 tot omstreeks 1551 was hij organist en kapelmeester in de kathedraal van zijn geboortestad Palestrina, zeer gewaardeerd door kardinaal-bisschop Giovanni del Monte. In 1547 trad hij in het huwelijk met Lucrezia di Francesco Gori, een dochter van een bemiddelde wijnbouwer. Zij kregen samen twee zoons: Rodolfo en Angelo. In 1551 werd Palestrina kapelmeester aan de cappella Giulia van de Sint-Pieter te Rome.

In 1555 werd hij door Paus Julius III benoemd tot zanger van de Sixtijnse Kapel. In 1554 publiceerde hij zijn eerste missenboek. In 1555 werd hij door de rechtlijnige, eigenzinnige Paus Paulus IV ontslagen, omdat hij geen priester èn getrouwd was.

Een maand later werd hij als opvolger van Orlando di Lasso aangesteld als kapelmeester van de Sint-Jan van Lateranen in Rome, een post die hij tot 1560 bekleedde.

In 1555 verscheen zijn eerste boek met vierstemmige madrigalen. Vanaf 1561 (waarschijnlijk tot 1566) was hij kapelmeester van de Santa Maria Maggiore, daarna muziekleraar aan het Seminario Romano. Hij was daar, na het concilie van Trente, door de Jezuïeten aangesteld met de opdracht om de kerkmuziek te herzien. Er moest meer uitgegeaan worden van de tekst, en die m oest verstaanbaar blijven. Van 1567 tot 1571 stond Palestrina in dienst van kardinaal Ippolito d'Este. In 1571 werd Palestrina eindelijk weer kapelmeester aan de Sint-Pieter. In 1580 stierf zijn vrouw. In 1581 hertrouwde Palestrina met de rijke weduwe van de pauselijke bontleverancier, waardoor hij tot zijn dood geen geldzorgen meer had. Hij is in de Sint Pieterkerk begraven. 

Zijn composities worden gekenmerkt door een heldere melodische structuur, en gebalanceerde harmonie in de zangpartijen.

Palestrina's stijl werd het schoolvoorbeeld van de prima prattica.

Giovanni Pierluigi da Palestrina schreef

     105 missen, verzameld in 6 banden tijdens zijn leven en nog eens 6 ná zijn overlijden. 

- Missa Ecce sacerdos magnus voor vier stemmen, cantus firmus in de tenor met als onderliggende melodie een ode aan Paus Juluus III, aan wie de hele bundel Missarum liber primus uit 1554 is opgedragen. Mis 1 uit het boek.

- Missa Ad coenam Agni  providi, voor 5 en 6 stemmen, 1554, mis 5 uit het Missarum liber primus; thema een paasgezang

- Missa Benedicta es, 1562, parodiemis op een motet van Josquin du Prez uit 1520 voor 6 stemmen

- Missa Aspice Domine voor 5 stemmen, parodiemis over een Dorisch responsorium van Jacquet van Mantua uit 1532, mis 5 uit het Missarum liber secundus, 1567

- Missa Salvum me fac Domine voor vijf stemmen, parodiemis op het gelijknamige motet van Jacquet of Mantua uit 1538, mis 6 uit het Missarum liber secundus, 1567, dit misboek is opgedragen aan koning Philips II van Spanje

- Missa Papae Marcelli, 6 – 8 stemmen, 1562, Palestrina’s bekendste en vaakst uitgevoerde mis, mis 7 in het Missarum liber secundus, 1567, opgedragen aan de vooruitstreven paus Marcellus II, die maar drie weken paus was. Paus Marcellus was voor een betere verstaanbaarheid van de misteksten, en dat is hier te merken.

- Missa Brevis, voor 4 stemmen uit het Missarum liber tertius, 1570, mis 3

- Missa Ut, Re, Mi, Fa, Sol, La (de Hexachord Mis) voor 6 stemmen, jonische modus, de cantus firmus is het Guidonische hexachord, Missarum liber tertius, 1570, mis 8.

- Missa sine nomine voor 5 stemmen, in een dorische mode; canonische opzet. Uitgave 1590 als 8ste mis in Palestrina’s Missarum liber quintus. Johann Sebastian Bach heeft het Kyrië en Gloria van deze mis omstreeks 1742  aangepast met stemmen voor cornetten en trombones en een basso continuo

- Missa de beata Virgine  voor 4 stemmen uit boek 11, 1600, gebaseerd op een Gregoriaanse melodie;

- Missa Hodie Christus natus est, 1601 gepubliceerd in het Missarum liber duodecimus, voor 8 stemmen, dubbelkorig,  gebaseerd op het myxolydische kerstmotet van zijn hand.

- Missa O Rex gloriae, parodiemis op een eigen gelijknamig motet uit 1564, voor 4 stemmen, 1601

- Missa “Viri Galilei”, zesstemmig, gegrond op het motet “Viri Galilei”, werd in 1601, zeven jaar na de dood van de componist gepubliceerd in het Missarum liber duodecimus.

- Missa Assumpta est Maria voor 6 stemmen, over een eigen motet.

     375 motetten,

- Motecta festorum totius anni cum Communi Sanctorum … liber primus, 1564, 36 motetten voor vier stemmen voor de jaarlijkse kerkelijke feestdagen

O Rex gloriae, 1563, antifoon voor Hemelvaartsdag

- Motettorum Liber Primus, 1569, 33 motetten voor 5, 6 en 7 stemmen

O magnum mysterium. Quem vidistis pastores, voor 6 stemmen

- Motettorum  Liber Tertius, 1575, 33 motetten,  voor 5,6 en 8 stemmen

Hodie Christus natus est, voor 8 stemmen, basis voor zijn gelijknamige mis.

Cantatibus Organis, basis voor de gelijknamige Cecilamis, gecomponeerd door 7 componisten

- Motettorum  Liber Quartus voor vijf stemmen, 1584,

Cantica Salomonis,  het Hooglied in 34 motetten. Zinderend..

- Motettorum Liber Quintus, 1584, 21 motetten voor 5 stemmen, opgedragen aan de Hongaarse kardinaal András Bathory (1566-1599), een door muziek begeesterde, cembalo spelende jonge geestelijke.

nr. 1 Lætus Hyperboream (uit het Noorden; slaat op de kardinaal, neef van de Poolse Koning)

nr 18. Exultate Deo

- Ave Maria gratia plena  voor vier stemmen, 1590,

- Motectorum quatuor vocibus… Liber Secundus, 21 motetten voor vier stemmen, 1604

nr. 2. Heu mihi Domine (prima pars) / Anima mea turbata (secunda pars)

nr.14. Ave Maria gratia plena

     68 offertoria

     65 hymnen

     35 magnificats

     6 reeksen Lamentationes Jeremiae voor de Goede Week, voor drie tot acht stemmen

     60 religieuze madrigalen

     80 wereldlijke madrigalen

- Vestiva i colli, voor vijf stemmen, zo populair in de 17de eeuw, dat beiaardiers het overal in Europa op hun carillon speelden.

- Io son ferito (ik ben gewond), 1561, voor vier stemmen, basis voor zijn Missa Petra Sancta, 1560

     9 orgel ricercari

     11 essercizii voor orgel 

 

Claudin (Claudius) Patoulet (Potoletus) (Zuid Nederland, omstreeks 1525 – omstreeks 1570) werkte als zanger, koormeester en componist van 1545-1550 in de Sint Bavokerk in Haarlem, van 1546-1548 in de Pieterskerk in Leiden en in 1550 in Delft.
De naam van Patoulet komt voor in het rekenboek en het getijdenregister van de getijdenmeesters van Haarlem.

Claudin Patoulet componeerde

     6 motetten in de Leidse koorboeken (codex E)

- De sancto Cornelio", voor 6 stemmen

- "Magnificat",

- "Te Deum laudamus", voor 4 stemmen, werd in 1559 gezongen bij de inwijding van de eerste bisschop in Haarlem

- Inviolata, integra et casta es, Maria; moest op een vastgesteld aantal dagen sinsd 1503 ter nagedachtenis aan Dirck Dirckzoon in de Leidse Pieterskerk gezongen worden; bevindt zich dan ook in de Leidse Koorboeken

- "De profundis” (de tekst van psalm 129 + Requiem aeternam), voor vier stemmen

- "Vidi aquam".

 

Johann Knöfel (ook Knefelius, Knöfelius, Knefel, Knöbel, Knöpflin) (Lubań, Polen, tóen Lauban, Silezië, omstreeks 1525 -1530 – Praag ná 21 april 1617) was een leerling van de organist Kaspar Krumbhorn (geb. 1542). Toen hij ongeveer 30 jaar oud was, werkte hij als cantor aan de Valentin Trotzendorff Lateinschule, een Lutherse onderwijsinstelling in Goldberg in Silezië.

Op 21 juni 1569 trouwde hij, op dat moment was hij kapelmeester van Hertog Heinrich XI. von Liegnitz, Brieg und Goldberg.

In 1579 was Johann Knöfel kapelmeester van de keurvorst van Heidelberg Ludwig VI. In 1583 stierf Ludwig VI, de nieuwe keruvorst Johann Kasimir voerde het Calvinisme in de Palz in, de Lutheraan Knöfel werd uit zijn ambt ontslagen en keerde naar Silezië terug.

In 1592, ging Johann Knöfel naar Praag. Hij werd daar cantor-organist in de St. Heinrichschool. 21 april 1617 werden volgens een nota van de stad Klagenfurt 30 Florijn aan Johann Knöfel betaald. Dus toen leefde hij nog. Latere berichten over hem zijn er niet.

Johann Knöfel componeerde

     kerkgezangen („cantiones“)

Cantus choralis (1575), een complete zetting van alle proprium gezangen voor de kerkelijke feestdagen van het hele jaar.

     1 motet

     1 mis

     Duitse liederen

     Instrumentale werken („Novae melodiae” voor vijf tot acht stemmen

 

Fabrizio (Fabritio) Caroso (Sermoneta, Latium, Italië, 1526/1535 – 1605/1620) leefde in Rome als dansmeester en componist/beschrijver van dansmuziek. Van zijn leven is verder niets bekend, dan dat hij onder bescherming stond van de adellijke  familie Caetani, een belangrijke familie uit Sermoneta, die ook invloed uitoefende in Rome.

Fabritio Caroso schreef

     131 dansbeschrijvingen  in twee dansboeken:

Il Ballarino, 1581, opgedragen aan Bianca Capello, echtgenote van Francesco I de’ Medici, groothertog van Toscane; 81 choreografieën;

Nobiltà di Dame, 1600, opgedragen aan Don Ranuccio Farnese, hertog van Parma en Piacenza

De meeste dansen zijn bedoeld voor twee dansers, sommige voor vier of meer.

Elk van de wordt begeleid door muziekvoorbeelden met een luittabulatuur en speelaanwijzingen. De boeken zijn dan ook van veel belang voor danshistorici en musicologen.

Ottorino Respighi transcribeerde voor orkest voor zijn  Antiche arie e danze per liuto Seconda suite luitcomposities van Fabritio Caroso;

 

Francisco Guerrero (Sevilla, 4 oktober(?), 1528 – 8 november 1599), werd als koorknaap muzikaal gevormd door zijn oudere broer Pedro (geboren in 1529) en door de maestro de capilla van de Kathedraal van Sevilla Fernández de Castilleja. In 1542 kreeg hij een betaalde benoeming als alt in het kerkkoor. Hij kreeg in 1545 en 1546 ook les van Cristóbal de Morales, en leerde zichzelf vihuela, harp, cornetto en orgel spelen. In 1546, toen hij 17 jaar was, werd Francisco Guerrero benoemd als maestro de capilla bij de Kathedraal van Jaén. In 1551 werd hij assistent maestro de capilla van zijn leermeester Fernández de Castileja en koordirigent in de Kathedraal van Sevilla. Toen Fernández In 1574 overleed, nam Francisco Guerrero zijn kapelmeestersplaats over.

In dienst van Keizer Maximiliaan II reisde hij tussen 1580 en 1590 veel naar Spanje,Portugal en Italië en ging in 1589 naar het Heilige Land, waar hij Damascus, Bethlehem en Jeruzalem bezocht. Op de terugreis werd zijn schip tweemaal aangevallen door piraten, die zijn leven bedreigden, zijn geld stalen en hem voor losgeld vasthielden. Zijn losgeld moet betaald te zijn, want hij kon naar Spanje terugkeren.He betekende wel dat hij de laatste jaren van zijn leven steeds financiële problemen had. In 1599 stierf hij in Sevilla aan de pestuitbraak die de stad in dat jaar trof.

Francisco Guerrero componeerde

     4 passionen

     19 missen

- Missa ‘Congratulamini mihi’, 1566, voor vijf stemmen, gebaseerd op een motet van Crequillon

- Missa L'homme armé voor vier stemmen (twee nogal verschillende versies)

- Missa ‘Saeculorum Amen’, voor vier stemmen, Agnus Dei voor vijf stemmen, 1597, voorrtdurend geënt op het Gregoriaanse Saeculorum Amenmotief, de muziek gaat recht de hemel in.

     2 magnificats

     23 Latijnse hymnes

     80 motetten

- Maria Magdalena voor 6 stemmen, 1570

- Surge propera, hoogliedmotet voor 6 stemmen, 1570, Een cantus firmus wordt in het eerste deel vijf keer steeds een trap hoger ten gehore gebracht, en in het tweede deel steeds een trap lager. Nog contrapuntische kunstgrepen van de Nederlanders

- O altitudo divitiarum,voor acht stemmen, 1597, karakteristieke Spaanse 8-stemmigheid, verdeeld in een hoog en een laag koor

    16 wereldlijke liederen, voor drie tot vijf stemmen

- Prado verde y florido, villancico voor 4 stemmen

     instrumentale stukken, sommige voor vihuela

 

Jacobus Vaet (Kortrijk of Harelbeke, Zuidelijke Nederlanden, omstreeks 1529 – 8 januari 1567) was de zoon van Egidius Vaet. Op verzoek van zijn vader werd Jacobus in 1543 op dertienjarige leeftijd bij de Onze-Lieve-Vrouwekerk in Kortrijk als zanger aangenomen. Na zijn stembreuk in 1547 kreeg hij een stipendium van het kapittel in Kortrijk om te gaan studeren aan de Katholieke Universiteit Leuven. Na de afloop van het stipendium werd Jacobus Vaet in de zomer van 1549 tenorzanger in de hofkapel van keizer Karel V. Uit betaaloverzichten van het hof blijkt dat hij toen een getrouwde man was. Begin 1552 verliep hij de hofkapel en ging naar de kapel van de neef van Karel V: aartshertog Maximiliaan in Wenen. 1 januari 1554 werd hij daar kapelmeester en hield die betrekking tot zijn levenseinde. Omdat Maximiliaan, die in 1564 zijn vader Ferdinand I als keizer zou opvolgen, behoorlijk ingenomen was met zijn kapelmeester Jacobus Vaet werd hij bevorderd tot hoofdkapelmeester van de Rooms-keizerlijke hoogheid. In zijn dagboek betreurde Maximiliaan II Jacobus Vaets dood. Jacobus Vaet was bevriend met zowel Jacobus Clemens non Papa als Orlando di Lasso. Voor Jacobus Vaet werden door vooraanstaande componisten uit diens omgeving dan ook klaagzangen gecomponeerd, zoals Jacobus Vaet dat zelf dat had gedaan in 1558 voor Jacobus Clemens non Papa. Zijn leerling Jacob Regnart schreef een Defunctum charites Vaetem. Na zijn overlijden werd Jacobus Vaet aan de hofkapel opgevolgd door Philippus de Monte.

Jacobus Vaet componeerde

     9 missen,

- Missa quodlibetica vijfstemmige mis, samengesteld uit een reeks quodlibets, gelijktijdig optredende bekende melodieën uit zowel geestelijke als wereldlijke bronnen

     1 requiem

     8 zettingen van het Magnificat

     6 Salve Regina’s

     66 andere motetten

- Ascendetis post filium, hier schreef collega Antonius Galli een mis over

     10 hymnen

     3 chansons

 

Bartolomé (Bartolomeo, Bartolomeu) Cárceres (16de eeuw) was in 1546 lid van de hofkapel van Ferdinand van Aragon, hertog van Calabrië, gevestigd in Valencia. Bartolomé Cárceres was ‘pautador de los libros’ van de kapel, hij moest wellicht als kopiist de zangboeken en muziekboeken intekenen. Vanaf 1550 wordt hij niet langer als lid van de kapel vermeld.

Bartolomé (Bartolomeo, Bartolomeu) Cárceres componeerde

     1 mis

     2 misdelen

     4 motetten

     8 villancico’s  voor 3 tot vijf stemmen

     2 ensalada’s

- La trulla voor vier stemmen, met een instrumentale Pavane en Gaillarde