Componisten

vanaf 1530

 

Manfredo Barbarini (Barbarino) Lupus, (Corregio, Reggio Emilia, ItaliŽ, omstreeks 1530 – Zwitserland, nŠ 1563). De schaarse berichten over hem stammen uitsluitend uit de voorwoorden van zijn boeken. In 1557 is hij zangmeester, “cantor” in Locarno. In 1558 bevindt hij zich in Basel. Daarna zien we hem nog terug in Augsburg, waar hij de broers Johann Jakob Fugger en Georg Fugger ontmoet en van 1561 tot 1563 is hij aktief in Sankt Gallen. Daarna raken we elk spoor van zijn bestaan kwijt.

Manfredo Barbarino Lupus componeerde

     17 motetten (“Symphoniae”), 1558, voor vijf stemmen

     16 Cantiones Sacrae, 1560, voor twee tot  vier stemmen

     Een antiphonarium voor 4 stemmen, Sankt Gallen, 1561-63, 204 composities voor de liturgie van de diensten in het klooster van Sankt Gallen, 1561-63, voor vier stemmen, gedeeltelijk voor koor, gedeeltelijk voor orgel. De muziek bevindt zich in twee manuscripten in het klooster Mss 542 en 543. De eenstemmige melodieŽn die in het klooster in gebruik waren, moesten in de tenorpartij van de vierstemmige zettingen altijd ongeschonden hoorbaar blijven. In het antiphonarium bevinden zich in elk geval

- 3 missen,

- 14 introitussen

- 14 gradualen

- 15 sequences,

- 12 offertoires,

- 13 communio’s,

- 44 antifonen,

- 1 Te Deum,

- 3 Passionen,

- koraalarrangementen

 

Richard Farrant (Engeland, omstreeks 1530 – 30 November 1580) werd “gentleman” van de Koninklijke Kapel tijdens de regering van Edward VI. In 1564 gaf hij die post op om koorleider van de kinderen van de Saint George Kapel in Windsor te worden. In november 1569 werd Richard Farrant Koorleider van de Koninklijke Kapel, hij hield de betrekking in Windsor ook aan.

Richard Farrant componeerde

     1 service

     2 full anthems

- Call to remembrance

- Hide not thou thy face.

     1 verse anthem

- Lord, for thy tender mercies sake, wellicht niet van Richard Farrant, maar van John Hilton.

     2 consort songs

- O love from stately throne

- Ah, alas you Salt Sea Gods

     2 klavecimbelwerken

     1 werk voor gambaconsort

 

Mateo Flecha “el Joven”, (Mateu Fletxa “el Jove” (de jongere) in het Catalaans, Prades Tarragona, Spanje, omstreeks 1530 – Berguedŗ, 20 February 1604) was de neef van Mateo Flecha el Viejo. In 1543 kwam hij als koorzanger in dienst van Maria en Juana, dochters van Karel V. Na het huwelijk van Maria van Spanje met Maximiliaan van Oostenrijk bleef hij aanvankelijk in dienst van Juana, maar verliet in 1552 het hof om Karmelieter monnik te worden. Nadat hij een tijd in ItaliŽ had doorgebracht, werd Mateo Flecha kapelaan van keizerin Maria van Spanje, de echtgenote van Maximiliaan II, in Wenen, en later cantor van de keizerlijke kapel. Na Maximiliaans dood in 1579 benoemde keizer Rudolf II hem tot abt van Tihany. In 1599 werd Mateo Flecha door koning Philips III aangesteld als abt van het klooster Sant Pere de la Portella in Berguedŗ in CataloniŽ, waar hij zijn laatste jaren doorbracht.

Mateo Flecha el Joven componeerde

     20 madrigalen, 1568

     1 mis

     psalmen

     motetten

     2 ensaladas

 

Claude Lejeune, ook: Claude Le Jeune (Valenciennes, omstreeks 1530 – Parijs, september 1600) maakte deel uit van de hervormingsgezinde beweging van de Hugenoten. Hij schreef minstens zoveel religieuze muziek als Claude Goudimel, maar is veel minder bekend. Als Protestant moest hij nogal balanceren om in Parijs overeind te blijven. Hij bekleedde wel een functie als maÓtre des enfants aan het hof van de broer van koning Hendrik III, de Rooms-katholieke Frans van Anjou. Toen Parijs in 1590 door de Protestantse Hendrik van Navarra werd belegerd, besloot Claude le Jeune de stad te verlaten. Bij de stadspoort werd hij tegengehouden en de muziekmanuscripten die hij bij zich had zouden zijn vernietigd als zijn Rooms-katholieke collega Jacques Mauduit niet voor hem in de bres was gesprongen. Mauduit overtuigde de dienstdoende onderofficier ervan dat er niets ketters aan de muziek was. Claude le Jeunde kon de stad uittrekken en vestigde zich in La Rochelle. Toen in 1596 Hendrik van Navarra als Hendrik IV van Frankrijk weer Katholiek werd (”Parijs is wel een mis waard”), werd Claude Lejeune hofcomponist (maistre compositeur ordinaire de la musique de nostre chambre). Claude Lejeune schreef een groot aantal koorwerken over melodieŽn uit het Geneefse psalter.

Claude Lejeune schreef

     146 airs

     65 chansons

     43 Italiaanse canzonettas

     11 motetten

     1 mis

- Missa ad placitum

     42 religieuze chansons, waaronder

- Octonaires de l'inconstance et de la vanitť du monde (Achtregelige gedichten over de wisselvalligheid en de ijdelheid van de wereld), gebaseerd op gedichten van de Calvinistische predikant Antoine Chardieu voor 3 en 4 stemmen. De octonaires zijn ook in 1641 in het Nederlands uitgegeven in Amsterdam, maar die uitgave is volledig verloren gegaan.

     348 psalmzettingen, waaronder

- Dix Psaumes de David,  1564, meerstemmige delicatesse

- Dodťcacorde, een serie van 12 psalmzettingen (La Rochelle, 1598). Elke psalm is gezet in ťťn van de 12 verschillende modi, zoals omschreven door Zarlino. De Psalmen vragen om een brede bezetting: Psalm 52 is voor 16 stemmen.

- 150 Psaumes de David ŗ 3 voix, virtuoos contrapunt.

- Cent Cinquant Psaumes de David ŗ 4 et 5 voix, eenvoudige homofone zettingen, zeer populair in die tijd.

Van deze  psalmzettingen verschenen ook uitgaven (in 1629 en 1633 te Amsterdam en in 1665 te Schiedam) waarin de Franse teksten van het Geneefse psalter zijn vervangen door de Nederlandse vertaling ervan door Petrus Datheen.

- Psaumes en vers mesurťs, de 2 ŗ 8 voix, voor die tijd avantgardistische muziek. Claude le Jeune nam actief deel aan de Acadťmie de Poťsie et de Musique van Antoine de Baif, die zich in zijn gedichten aan klassieke versmaten hield. Wanneer deze vers mesurťes op muziek werden gezet, was  het de bedoeling dat een lange lettergreep en lange en een korte lettergreep en korte noot kreeg. Claude le Jeune paste dit ook toe op door Antoine de BaÔf en d'Aubignť in antieke versmaten berijmde psalmen, waarbij hij nieuwe melodieŽn in een vrij zwevend ritme componeerde.

     3 instrumentale fantasieŽn

     enkele werken voor luit.

 

Guillaume Costeley (Fontanges-en-Auvergne, Frankrijk, 1530, misschien 1531 – Evreux (?) 18 januari 28, 1606) kwam in of voor 1554 in Parijs aan. In 1560 was Guillaume Costeley benoemd aan het Koninklijke hof als organist en muziekleraar van de 10 jaar oude koning.

Na 1570 betrok Guillaume Costeley een huis in Evreux in NormandiŽ en trouwde. Hij hoefde alleen de eerst drie maanden van het jaar maar aan het hof dienst te doen. In 1581 werd hij aangesteld als belastingontvanger in Evreux, in 1592 stierf zijn vrouw en trouwde hij voor een tweede keer. In 1597 wordt hij genoemd als adviseur van de koning.

Guillaume Costeley componeerde

     Musique de Guillaume Costeley, waarin bijna al zijn bewaard gebleven werken zijn opgenomen

     100 chansons

- "Seigneur Dieu ta pitiť", 1558, een “chromatisch chanson” voor vijf stemmen, een microtonale compositie: per oktaaf moeten 19 gelijkzwevende intervallen van 63 cents (2/3 halve toon) worden benut. Er ontstaat een werveling van steeds wisselende harmonieŽn, een gedurfd en interessant experiment.

- Noblesse gist au coeur du vertueux, voor vier stemmen

     3 motetten voor 4 of vijf stemmen

     1 orgelwerk

 

Nicolas de La Grotte (La Crotte) (Frankrijk, 1530 – omstreeks 1600). Het eerst bericht over hem is uit 1557, als hij in Pau, zuidwest Frankrijk, als spinetspeler en organist in dienst is van de koning van Navarre: Antoine de Bourbon. In oktober 1558 trouwde hij met Marie Ciprande St. Cloud en woonde hij, hoewel verbonden met het huis van Navarre, in Parijs. In 1562 keeg hij een betrekking bij de Hertog van Anjou, samen met Guillaume Costeley, en toen de Hertog van Anjou in 1574 koning Hendrik III van Frankrijk werd, kreeg Nicolas de La Grotte de positie van 'vallet de chambre et organiste ordinaire'.

Verschillende schrijvers bevestigden zijn reputatie als organist. In 1590 bevond hij zich in het gezelschap van koning Hendrik IV en daarna zijn er geen berichten meer over hem.

Nicolas de La Grotte componeerde

     99 chansons voor drie tot zes stemmen, waarvan later 15 uitgegeven voor zangstem en luit, als air de cour, onder de naam van Adrian Le Roy, de muziekuitgever in Frankrijk

     1 compositie voor orgel, een van de weinige specifiek voor klavier gecomponeerd uit de 16e eeuw in Frankrijk.

- fantasia over het madrigaal Ancor che col partire van Cipriano de Rore,  vierstemmig. 

 

Cesare Tudino (Todino), (Atri, Abruzzo, ItaliŽ, omstreeks 1530 – Atri?, nŠ 1591) woonde vermoedelijk zo’n beetje zijn hele leven in Atri. Drie van zijn uitgaven zijn opgedragen aan hertog Rodolfo Aquaviva in Atri, een vierde aan de bisschop van Atri. In de kathedraal van Atri is een vierstemmige canon van hem in steen gegrift, met de vermelding “canon, componist en organist, 1577”. In 1548 had hij een aanstelling als organist in de San Giovanni in Laterano, Rome. Misschien was hij ook even in dienst van Giovanni Jacopo Trivulzio, Markies van Vigevano (bij Milaan), aan wie zijn boek met madrigalen en napolitanes in 1554 is opgedragen. De markies was ook het onderwerp in twee ere-madrigalen en zijn zus Barbara in een andere. In 1558 was Tudino organist aan de kathedraal van Atri, en in 1588 was hij dat nog steeds.

Cesare Tudino componeerde

     missen

     motetten

     madrigalen

     10 “napolitanes” voor drie stemmen

 

Jacobus de Kerle (Ieper, Vlaanderen, 1531 of 1532 – Praag, TsjechiŽ, 7 januari 1591) was de zoon van lakenwever Robert de Kerle en Adrienne Mortiers. Hij kreeg muziekles aan het klooster van Sint Martinus in Ieper van zangmeester Gilles Braquet en was koorzanger in Kamerijk. Vanaf 1555 werkte hij in ItaliŽ in een kerk in Orvieto als koormeester, organist en beiaardier. Hij kreeg ook een opleiding tot priester. Vanaf 1562 was hij in dienst van de aartsbisschop van Augsburg in Rome tijdens het Concilie van Trente. Vanaf 1565 tot werkte hij als muziekmeester aan de kathedraal in zijn geboorteplaats Ieper, waar hij in 1567 werd geŽxcommuniceerd en van zijn functies ontheven wegens een conflict met een andere priester. Na de aflegging van een verplichte boetedoening in Rome werd hij weer in zijn kerkelijke functies hersteld. In 1568 werd hij koormeester en organist van de kathedraal van Augsburg en in 1575 nam hij zijn intrek in een benedictijnenabdij in Kempten. In 1579 vinden we hem als cantor van de kathedraal van Kamerijk en in 1582 als hofkapelaan van Keizer Rudolf II in Keulen in Duitsland. Later in dat jaar trok hij met de keizer naar het hof in Praag, waar Philippe de Monte hofkapelmeester was.

Jacobus de Kerle componeerde

     10 missen voor vier en vijf stemmen

     1 requiem

     16 magnificats voor vier tot 6 stemmen in alle acht modi

     50 motetten

     20 vesperpsalmen

     religieuze liederen

     2 boeken madrigalen, verloren gegaan, er is maar ťťn madrigaal van hem bewaard gebleven

     wereldlijke liederen voor zes stemmen

 

Orlando (Orlandus, Orlande, Roland) di Lasso ((de) Lassus, de L‚tre), (Bergen of Mons, BelgiŽ, 1532 – MŁnchen, 14 juni 1594) was koorknaap aan de Sint-Nicolaaskerk in zijn geboorteplaats Bergen (Mons); hij was als jongen een beroemdheid vanwege zijn mooie stem. Nadat hij vanwege zijn talenten twee keer was ontvoerd en gelukkig door zijn ouders weer teruggevonden, werd hij door de onderkoning van SiciliŽ, Ferrante Gonzaga, na toestemming van zijn ouders, als twaalfjarige mee naar ItaliŽ genoemn. Daar bleef hij onder de naam Orlando di Lasso tot 1550 in dienst van de hertog en leerde zo de hoven van Palermo, Mantua en Milaan kennen. In 1553 werd Orlando die Lasso maestro di cappella van de Basilica di San Giovanni in Laterano (Sint Jan van Lateranen) in Rome. Een jaar later kwam hij terrug in de Vlaamse Nederlanden en ging in Antwerpen werken, waar zijn eerste uitgaven werden gedrukt. In 1556 benoemde hertog Albrecht V van Beieren hem tot lid van de hofkapel te MŁnchen, waarvan hij in 1560 kapelmeester werd, en dat tot zijn dood bleef. Orlando di Lasso had een bijzondere band met hertog Albrecht. Tijdens zijn vele reizen schreef Orlando brieven aan zijn broodheer en zijn zoon, erfprins Wilhelm, die een hoog humoristish gehalte hadden.

In 1558 trouwde Orlando di Lasso in MŁnchen met Regina Wšckinger, de dochter van een hofdame. Ze kregen twee zoons, die allebei ook muzikant en componist werden. Orlando di Lasso had het erg naar zijn zin in MŁnchen. Hij kreeg elk jaar onder meer een paard, zakken graan en vaten wijn. Orlando di Lasso was een briljant renaissance-genie. In zijn jonge jaren doorkruiste hij heel Europa. Hij sprak vijf talen. Hij componeerde Italiaanse madrigalen, Duitse liederen en Franse chansons volgens de regels van de kunst. Soms heel humoristisch, soms diep melancholiek.

Orlando di Lasso componeerde onder meer

     74 vier- tot achtstemmige missen en  requiems

- Missa “Je ne mange poinct de porcq” (ik eet geen varkensvlees meer),  voor 4 stemmen, 1570, cantus firmus een tamelijk onbenullig straatliedje. Misschien handig om moslims mee in de kerk te krijgen.

- Missa “Vinum bonum”,  dubbelkorige parodiemis voor 8 stemmen op een eigen motet, 1570

- Missa “Tous les regrets”, 1577, zesstemmig, is gebaseerd op het chanson “Tous les regretz” van Nicolas Gombert.

- Missa Susanne un jour, voor vijf stemmen, 1577, met als cantus firmus zijn eigen immens populaire lied

- Missa “Osculetur me”,  dubbelkorige parodiemis voor 8 stemmen op een eigen motet, nŠ 1582

- Missa "Io son ferito", 1589 gebaseerd op het beroemde madrigaal van Luigi di Palestrina

- Missa “Triste depart”, 1592, zesstemmig, is gebaseerd op het chanson “Triste depart” van Nicolas Gombert.dem, een hoogtepunt in het oeuvre van Lassus.

- Missa “Dixit Joseph”, voor  6 stemmen, parodiemis over het gelijknamige motet motet van Orlando di Lasso zelf, 1607 gepubliceerd

- Missa "Amor ecco colei", voor 6 stemmen, 1610 gepubliceerd, zeer de moeite waard

- Missa “Bell' Amfitrit' altera”,  dubbelkorige mis voor 8 stemmen, 1610 gepubliceerd.

     4 passionen

     779 motetten en gezangen voor twee tot 12 stemmen

- Hieremiae Prophetae Lamentationes, et aliae piae cantiones voor 5 stemmen verschenen bij uitgeverij Alban Berg in MŁnchen in 1585. De lamentaties zijn geschreven voor praktisch kloostergebruik. Ze omvatten de totale cyclus: dus drie lectiones voor elke lijdensdag: Groene Donderdag, Goede Vrijdag en Stille Zaterdag.

- Lamentationes Hieremiae Prophetae quatuor vocum, dus voor vier stemmen, omstreeks 1588, verder op precies dezelfde manier opgezet als de lamentationes voor vijf stemmen, heel mooi. Groots.

- Prophetiae Sibyllarum, proloog en 12 “profetieŽn” van Sibyllen. Deze wijze vrouwen komen uit verschillende plaatsen en hun voorspellingen hebben elk een ander karakter. Ook een hoogtepunt uit het werk van di Lasso.

- Dixit Joseph undecim fratribus suis, voor 6 stemmen, 1564; het verhaal van Jozef in Egypte, die zijn broers terugstuurt naar Kanašn om daar hun vader Jakob op te halen.

- Concupiscendo concupiscit, voor 6 stemmen, 1565, fascinerend, onheilspellend klankbeeld.

- In principio erat verbum (in den beginne was het woord, Johannesevangelie) voor 6 stemmen/ 2. Fuit homo missus ŗ 4/ 3. In propria venit ŗ 6, 1566

- In monte Oliveti, voor 6 stemmen, 1568.

- Timor et tremor voor 6 stemmen, bekend motet van Lassus, ťťn van de aangrijpendste motetten uit de 16de eeuw. Het  slotaccoord snijdt je door de ziel.

- Domine quid multiplicati sunt voor 6 stemmen, 1582

- Psalmi Poenitentiales Davidis, zeven boetepsalmen, 1584, (gepubliceerd, maar al eerder gecomponeerd, een staalkaart van compositietechnieken die Lassus voorhanden had. De cyclus (Psalmen 6, 31, 37, 50, 101, 130, 143) behoort tot de sleutelwerken van de Renaissance en wijst in emotioneel opzicht vooruit naar de Barok.

- Lagrime di San Pietro ("Tranen van Petrus")… con un mottetto nel fine, cyclus van 21 geestelijke madrigalen, tekst Luigi Tansillo, opgedragen aan Paus Clement VIII, 1594, zijn laatste werk, voor 7 stemmen, hoort bij het beste dat hij geschreven heeft; roerend; de tekst van Luigi Tansillo bevriest het moment dat Petrus Jezus' blikken kruist op het moment dat de haam drie keer gekraaid heeft. Tansillo analyseert genadeloos gedetailleerd Petrus' psyche. Filmmuziek.

     115 Magnificats

- Magnificat over Aurora lucis rutilat (octavi toni) (een eigen hymne) voor 10 stemmen , uitgegeven 1619; H XVII, 124

     185 madrigalen en villanella's, waarvan 64 op teksten Petrarca, vooral uit diens "I Trionfi" een populaire gedichtencyclus in die tijd.

- O Lucia miau miau, morescha voor dire stemmen, 1560

- Passan vostri trionfi, tekst Petrarca, madrigaal voor 10 stemmen, 1584

     150 Franse chansons

- Mon coeur se recommande ŗ vous, tekst Marot, voor 5 stemmen, 1567

- Susanne un jour, tekst G. Guťrault, naar aanleiding van het verhaal van Suzanna uit het boek DaniŽl, voor 5 stemmen, 1567, een Europese hit die in allerlei manuscripten opdook. Giovanni Bassano heeft er een uitversiering over geschreven. Orlando di Lasso maakte er zelf een mis over.

     90 Duitse koorliederen.

     In 1604, tien jaar na de dood van Lasso publiceerden zijn zonen een collectie van zijn oeuvre:

- Magnus Opus Musicum

+ Domine quid multiplicati sunt, voor 12 stemmen in drie koren, 1604

 

Andrea di Cannaregio Gabrieli (VenetiŽ (?), omstreeks 1533 – 30 augustus 1585) werkte in Cannaregio (1555 -1556)  en vanaf 1562 in MŁnchen,  waar hij Orlando di Lasso leerde kennen. Vanaf 1566 was hij organist in de Basiliek van San Marco in VenetiŽ. Onder zijn leerlingen waren zijn neef Giovanni Gabrieli, muziektheoreticus Lodovico Zacconi en Hans Leo Hassler.

Andrea Gabrieli componeerde

     motetten

     missen

- Primus liber missarum voor zes stemmen, 1572

     psalmen voor 6 stemmen, 1583

     madrigalen voor drie tot zes stemmen

     instrumentale ricercari en canzoni

     orgel- en klavecimbelwerken werken

 

Lodovico Agostini (Ferrara, ItaliŽ, 1534 – 20 september 1590) was de onwettige zoon van priester en zanger Agostino Agostini. Lodovico Agostini studeerde enige tijd in Rome en werd net als zijn vader priester en zanger. In 1572 zong hij in de kapel van de Kathedraal van Ferrara. In 1578 komt hij voor op een betaalstaat van Graaf Alfonso II d'Este. Voor de rest van zijn leven bleef Lodovico Agostini daar in dienst.

In the 1580-er jaren was Lodovico Agostini compositieleraar van de hertog van Mantua, Guglielmo Gonzaga; Lodovico Agostini droeg een madrigaalboek aan hem op. Tijdens zijn werk in Ferrara voor Graaf Alfonso II d'Este componeerde Lodovico Agostini ook voor de concerto di donne, een groep virtuose vrouwelijke zangers aan het hof van Ferrara.

Lodovico Agostini componeerde

     3 boeken madrigalen voor 4 tot 6 stemmen

     4 boeken Enigmi musicali voor 6 stemmen, vol met muzikale raadsels, puzzels, spelletjes, verrassingen en dubbele bodems.

     1 boek met Canzoni alla napolitana voor 5 stemmen, 1574

- All’arm, all’arme

     1 boek met lachrimae

 

Filippo Azzaiolo (Bologna, ItaliŽ, omstreeks 1535 – nŠ 1570) was in Bologna vanaf ongeveer 1557 als zanger bezig.

Filippo Azzaiolo componeerde

     35 villota’s, een soort villanella’s, verzameld in 3 banden Le Villote del Fiore, tussen 1557 en 1569, doorgaans vierstemmige zettingen van populaire teksten en melodieŽn

- Chi passa per 'sta strada, gebruikt door de Engelse componist William Byrd.

- E me levai d’una bella mattina,  8-stemmige interessante zetting uit het derde boek

 

Giaches de Wert (Weert, BelgiŽ, 1535 – 6 mei 1596) verhuisde naar ItaliŽ toen hij nog een kind was. Hij was koorknaap in de kapel van Maria di Cardona in Napels en werd daarna leerling van Cypriano de Rore aan het hof van de Ercole II d'Este in Ferrara (omstreeks 1550 - 1555). Daarna was hij verbonden aan de hoven van Novellara, Mantua en Parma.

Omstreeks 1550 woonde Giaches de Wert in Novellara, in de provincie Reggio Emilia. In die tijd was Novellara een betekenisvol muzikaal centrum onder zeggenschap van een tak van de Gonzaga-familie. Alfonso I bouwde er een theater en organiseerde dramatische uitvoeringen in zijn kasteel met Giaches de Wert als koormeester. Giaches de Wert trouwde in Novellara met Lucrezia Gonzaga. Ze kregen zes kinderen.

Omstreeks 1560 kreeg Giaches de Wert een betrekking als maestro di cappella in de Gonzaga Kapel van Milaan, in 1565 werd hij maestro di cappella aan de kapel van Santa Barbara in Mantua, in dienst van Guglielmo I Gonzaga.

In Mantua begon Lucrezia een verhouding met Agostino Bonvicino, een collega componist. Toen dat in 1570 uitkwam moest zij Mantua verlaten. Zij ging terug naar Novellare en kreeg een sexuele relatie met Claudio, een bastaardzoon van Hertog Francesco van Novellara. Lucrezia nam deel aan een door Claudio opgezet complot om zijn oom te vermoorden met het doel erfenis en titel van zijn overleden vader over te nemen. Het complot mislukte, Claudio ging vrijuit, maar Lucrezia en enkele andere medesamenzweerders werden gevangen gezet. Lucrezia stierf in de gevangenis in 1584.

Giaches de Wert, was ondertussen verliefd geworden op de weduwe Tarquinia Molza, de beroemdste  zangeres en dichteres van heel ItaliŽ, hofdame aan het hof van d’…ste in Ferrara. Giaches de Wert probeerde derhalve zo veel mogelijk tijd in Ferrara door te brengen. Omdat Tarquinia van adel was en Giaches maar een muzikaal knechtje, was de verhouding niet toegestaan en toen dat in 1589 (toestanden met spionnen en opengemaakte liefdesbrieven) uitkwam, werd Tarquinia verbannen naar Modena.

In 1592, nam Giovanni Giacomo Gastoldi de positie van Giaches de Wert  als maestro di cappella in Mantua over. Giaches de Wert overleed in 1596 in Mantua, in zijn huis naast het Palazzo Ducale. Zijn graftombe is naast die van zijn tijdgenoot Francesco Rovigo, in de crypte van Santa Barbara, onder de kerk waar hij jarenlang werkte.

Giaches de Wert componeerde

     16 verzamelingen madrigalen

     160 motetten,

- Motectorum liber primus, 1566; 19 motetten voor vijf stemmen

- Adesto dolori meo ŗ 6

- Clama ne cesses

- Cum intrasset Jesus

- Deus, tu scis insipientiam, het betere werk

- Domine si tu es

- Ego autem in Domino sperabo

- Intravit Jesus

- Nolite esse prudentes

- O mors, quam amara est

- O sacrum convivium

- Omnia in vero iudicio

- Omnis homo

- Paraclitus autem spiritus

- Qui vindicari vult

- Speremus meliora omnes

- Tu Deus clemens

- Modulationum liber primus, 1581, 12 motetten voor 6 stemmen

- Ascendente Iesu in naviculam, theatrale tekstuitdrukking, wankele openingsakkoorden bij het scheep gaan, syncopische passages bij het stuiteren op de golven, angstkreten met wrange parallelle kwinten. uiteindelijk lost alles op in onaardse sereniteit.

 - Vox in Rama audita est, 5 stemmen, 1581

     8 missen

     4-stemmige fantasieŽn

 

Robert Parsons (Exeter, Devon, Engeland, omstreeks 1535 – januari 1572) was tot 1561 assistent van Richard Bower, Meester van het Kinderkoor van de Chapel Royal, dus hij zal daar ook wel als koorknaap begonnen zijn. Op 17 oktober 1563 werd Robert Parsons benoemd tot “Gentleman” van de Chapel Royal, dat betekende een betaalde, gewaardeerde leidinggevende muzikantenpositie

Robert Parsons werkte samen met andere componisten uit zijn periode en had met name veel contact met William Byrd. De twee muzikanten leefden en werkten beiden in het gebied Lincolnshire.

Robert Parsons viel in januari 1572 in de overlopende Trent rivier bij Newark-on-Trent in Nottinghamshire en verdronk. Zijn zoon John Parsons (1563-1623), ook componist, werd organist van de Westminster Abbey van 1621 tot 1623. William Byrd volgde hem op als Gentleman van de Chapel Royal.

Robert Parsons componeerde

     2 services

     2 anthems

     4 consort songs

     10 Latijnse motetten

- Ave Maria, zijn meest uitgevoerde werk

     10 instrumentale concortwerken voor 4 of 5 instrumenten

 

Alessandro Striggio (Mantua, omstreeks 1536 – 29 februari 1592) was de enige (bastaard)zoon van een hooggeplaatst militair en erfde daarvan een vermogen. Toch koos hij voor een dienende carriŤre als beroepsmusicus. Alessandro Striggio kwam in 1559 in dienst van het hof van Cosimo I de Medici in Florence. Hij was de best betaalde musicus van het hof. In 1567 werd hij voor een diplomatieke missie naar Engeland gezonden.

Hij was een vriend van Vincenzo Galilei, de vader van de astronoom. Gedurende de 1580-er jaren ontwikkelde Alessandro Striggio een relatie met het hof van d’Este in Ferrara. In 1586 verhuisde hij naar Mantua, maar bleef wel werken leveren aan de Medici’s.

Zijn zoon, ook met de naam Alessandro Striggio, schreef het libretto van Claudio Monteverdi’s Orfeo.

Alessandro Striggio componeerde

     7 boeken madrigalen

     madrigal komedies,

- l cicalamento delle donne al bucato et la caccia,  zijn bekendste werk, 15 madrigalen die een verhaal vertellen in woord en muziek. 

     intermedi voor speciale gelegenheden zoals bruiloften

     motetten

- Ecce beatam lucem, 40 stemmig geschreven voor een bruiloft aan het Beierse hof in MŁnchen, 1568. Indrukwekkend

     missen

- Missa sopra Ecco sž beato giorno, 40 stemmig, met een zestigstemmig tweede Agnus Dei, 1566

CD Le Concert Spirituel oonder leiding van Hervť Niquet GCDSA 921623

 

Esteban (Estevan) Daza (DaÁa) (Valladolid, Spanje, omstreeks 1537 – tussen 1591 en 1596) kwam uit een middenstandsfamilie en was de oudste van 14 kinderen van TomŠs Daza († 1569) en zijn vrouw Juana († 1585). Esteban en drie broers studeerden aan de Universiteit van Valladolid, zes zusters traden een kloosterorde in. Er is negens een aantekening dat hij ooit ergens werkte, hij kon leven op een inkomen dat uit familie-investeringen afkomstig was. In de kloosterkerk San Benito el Real in Valladolid staat vandaag nog de familiekapel die zijn grootmoeder daar had laten plaatsen. Hij woonde in het huis van zijn ouders tot zijn moeder in 1585 overleed. Daarna woonde hij tot 1589 met een paar ongetrouwde zusters in een huis geŽrfd van oom Gaspar. De laatste documenten waarin iets over hem voorkomt, suggereren dat hij woonde buiten de muren van Valladolid in een huis van zijn broer Balthasar.

Esteban Daza componeerde

     werken voor vihuela solo en voor zangstem en vihuela (een Spaanse voorloper van de gitaar), in 3 boekdelen: 

Libro de mķsica de cifras para vihuela, intitulado El Parnaso, 1567.

- 21 fantasias 

-19 intavolaties van motetten van Simon  Boyleau (6), Pedro en Francisco Guerrero (7), G. Basurto, Jean Richafort, Jean Maillard en Thomas Crecquillon.

- 1 romance

- 2 franse chansons

- 11 villancicos, 

- 13 soneta’s en villanescas,  geÔntavoleerd van Rodrigo de Ceballos, Francisco Guerrero, Juan Navarro en  Pedro OrdůŮez.

 

Johannes Wanning (ook wel Wanningus, Wannigk, Wannicke of Wangnick) (Kampen, 1537 – Danzig, 23 oktober 1603) schreef zich in  1560 in als student aan de universiteit van Koningsbergen. Hier was hij tot 1567 als altus verbonden aan de muziekkapel van hertog Albrecht van Pruisen. In 1569 werd hij kapelmeester van de raadskapel, het 'stedelijk orkest' van Danzig, dat vooral tijdens kerkdiensten in de Marienkirche optrad. Deze functie bekleedde hij tot 1599 toen hij wegens ziekte niet meer kon werken. Hij werd opgevolgd door Nicolaus Zangius, die hem al sinds 1593 bijstond.

Johannes Wanning is opgenomen in de "eregalerij" van componisten op de zaalwand en het balkon van de Grote Zaal in het Concertgebouw te Amsterdam.

Johannes Wanning componeerde

     100 motetten voor vijf tot acht stemmen

- Sententiae,een complete reeks motetten voor alle zondagen van het jaar

2 bundels Sacrae Cantiones zijn voor de kerkelijke feestdagen.

 

Jehan Chardavoine (Beaufort, Anjou, Frankrijk, 2 februari 1538 – Parijs, omstreeks 1580) was een Franse rechtsgeleerde, uitgever en componist..

Jehan Chardavoine componeerde/stelde samen

     een verzameling van 190 eenstemmige liederen, waarvan 186 gezet op een eenstemmige melodie

- Recueil des plus belles et excellentes chansons en forme de voix de ville, tirťes de divers autheurs et PoŽtes FranÁois, tant anciens que modernes. Ausquelles a estť nouvellement adaptťe la Musique de leur chant commun, ŗ fin que chacun les puisse chanter en tout endroit qu'il se trouvera, tant de voix que sur les instruments ("verzameling van de mooiste en prachtigste liederen in de vorm van voix de ville, geschreven door verschillende Franse auteurs en dichters, oud en modern. Op de teksten is nieuw aangepaste muziek geschreven, zodat iedereen het op elke plaats kan zingen, zowel met stem als met instrument”), 1576. Het is de oudste verzameling Franse populaire liedjes ooit gedrukt.

Sommige melodieŽn zijn helemaal van Jehan Chardavoine zelf, andere zijn aangepast van polyfone werken zoals Jacques ArcadeltPierre Certon, en Pierre Clťreau. De aanpassingen zijn zodanig, dat je van nieuw werk kunt spreken.

De gedichten zijn van zowel anonieme Franse dichters, als van bekende poŽten uit die tijd.

+ Mignonne allons voir si la rose,  tekst Ronsard; 

+ Ma petite colombelle, tekst Ronsard; 

+ Si vous regardez madame, tekst Du Bellay;

+ Longtemps y a que je vis en espoir, tekst Marot.

+ Une jeune fillette, door Clťment Janequin weer polyfoon omgevormd in Il estoi une fillette.

 

Paschal de l'Estocart (Noyon, omstreeks 1538 – nŠ 1587) was de zoon van edelman Jehan de l'Estocart. Hij is in zijn jeugd (wanneer is onbekend) in ItaliŽ geweest. Paschal de l'Estocart was in Lyon tussen 1559 and 1565, in dienst van een zekere Claude de Nagu, ridder in de Orde van Saint-Jean van Jťrusalem. Hij trouwde in 1565 met Claudine Bernardine Guigue. Hij werd gesteund door de protestantse Heren de la Marck en in 1582 werkte hij voor Karel III, Graaf van Lorraine. In 1584 was hij in dienst van de Abt van Valmont.

Paschal de l'Estocart componeerde

     26 Sacrae Cantiones, religieuze gezangen voor 4 tot 7 stemmen, 1582, van een grote schoonheid

- Ode, en laquelle Jesus Christ, vray Dieu et vray homme, ramentoit ŗ tous Chrestiens les biens qu’ils obtiennent par luy. Distinguee en douze parties ou sections, 12-delige ode, waarin  Christus rechtstreeks tot de gelovig over het leven, het heelal en de rest spreekt

     7 motetten, 1582

     2 cycli van octonaires de la vanitť du monde (gedichten over de ijdelheid van de wereld) voor drie tot zes stemmen, 1582

     126 kwatrijnen van sieur de Pibrac  voor 2 tot 6 stemmen, 1582

     150 Psalmen voor 4 tot 8 stemmen, 1583, ťťn van de zettingen van het Geneefse psalmboek; Paschal de l’Estocart zat duidelijk in Hugenotenkringen. 

 

Robert White (Londen, omstreeks 1538 – 1574) was de schoonzoon van Christopher Tye, die hij in Ely opvolgde als dirigent van het kerkkoor. In 1570 werd hij organist en dirigent van het kerkkoor in Westminster Abbey. In 1574 stierf hij met zijn hele familie bij een hevige pestuitbraak.

Robert White schreef

     17 latijnse motetten

- Christe qui lux es et dies I, II, III & IV, vier verschillende zettingen over Christus als het licht der wereld. 

- "Peccatum peccavit Jerusalem"

- Portio mea, voor vijf stemmen, robuust

- "Regina Coeli"

     magnificat,

     2 zettingen van de Lamentations, ťťn voor 5 en ťťn voor 6 stemmen, tijdens zijn leven al beroemde werken. Onwaarschijnlijk wonderschoon

     8 Engelse anthems

     In Nomines voor strijkers

     hexachord fantasia voor klavecimbel

     zes fantasieŽn voor orgel

 

Jacopo Corfini (Padua, ItaliŽ, omstreeks 1540 – Lucca, 1591) was leerling van Antoine Brumel in Ferrara. Op 2 februari 1557 volgde hij Nicolao Malvezzi op als organist aan de San Martino in  Lucca, waar hij tot zijn dood zou blijven.

Jacopo Corfini componeerde

     motetten (ook meerkorig, tot vier koren) voor 5 tot 16 stemmen 

     madrigalen voor 5 tot 7 stemmen

 

Giovanni Andrea Dragoni (Draconi) (Meldola, niet ver van Forli, ItaliŽ, omstreeks 1540 – Rome, december 1598) studeerde bij Giovanni Pierluigi da Palestrina. In 1576 werd hij maestro di cappella aan de Basiliek van San Giovanni in Laterano in Rome, hij bleef dat tot het eind van zijn leven. In 1594 werd hij door kardinaal del Monte benoemd om te helpen bij de voortgang van de revisie van de Gregoriaanse gezangen, in de geest van de besluiten van het Concilie van Trente.

Het meeste werk van Giovanni Dragoni, opgeslagen in het archief van van de Basiliek van San Giovanni in Laterano, is verloren gegaan.

Giovanni Dragoni componeerde

     Missa Cantantibus organis Caecilia, een mis voor 12 stemmen, op het Ceciliamotet  “Cantantibus organis” van Giovanni Pierluigi da Palestrina. De mis is gecomponeerd door 7 componisten: Giovanni Andrea Dragoni, Ruggiero Giovannelli, Curzio Mancini, Giovanni Palestrina, Prospero Santini, Francesco Soriano en Annibale Stabile. Verondersteld word dat Giovanni Andrea Dragoni het project georganiseerd heeft.

     6 boeken motetten, waarvan vijf verloren zijn gegaan.

     7 boeken met madrigalen voor vier vijf en zes stemmen.

     2 religieuze canzonetten

     2 luitintavolaties 

 

Eucharius Hoffmann (Heldburg, Duitsland, 1540 (?) – Stralsund, 10 mei 1588) was cantor en muziekonderwijzer in Stralsund.

Eucharius Hoffmann componeerde

     1 mis

     motetten

- In Domina spera et fac bonum (psalm 37)

     24 cantiones voor 4 tot 6 stemmen

     Geistiche lieder

 

Florentino (Fiorenzo) Maschera (Mascara) (Brescia, ItaliŽ omstreeks 1540 – omstreeks 1584) was de zoon van Bartolomeo Maschera, docent Latijn en muzikant aan de Dom van Brescia. Florentio Maschera kreeg muziekles van zijn vader en van Claudio Merulo. Nadat hij als organist gewerkt had in het klooster „Santo Spirito in Isola“ bij VenetiŽ werd hij op 22 augustus 1557 organist aan de Kathedraal van Brescia als opvolger van Claudio Merulo. Op 6 april 1573 werd hij ook tot geestelijke gewijd. In juli 1584 werden zijn functies overgenomen door Costanzo Antegnati (1549-1624).

Florentio Maschera componeerde

     23 vierstemmige instrumentale canzones, zowel geschikt voor een klavier (orgel) als voor een instrumentenconsort

- Libro primo de canzoni, da sonare a quattro voci, 1582, 21 canzones, de eerste bundel met enkel ensemblecanzones, werd razend populair. Er waren vijf herdrukken en luit- en orgeltabulaturen van

 

Marc'Antonio Mazzone (Miglionico, bij Matera, ItaliŽ, omstreeks 1540 – nŠ 1593) werd in Acerenza tot priester gewijd en woonde daarna in Napels. Hij verkeerde in de culturele en aristorcratische kringen van Napels. In de loop van de 1560-er jaren verhuisde hij een keer naar VenetiŽ.

Marc'Antonio Mazzone schreef gedichten en enkele boeken over aspecten van de literatuur.

Marc'Antonio Mazzone componeerde

     ll primo libro de madrigali a quattro voci, 1569, opgedragen aan Antonio Grisone, een jonge Napolitaanse patriciŽr

     Il primo libro de madrigali a cinque voci, 1569, opgedragen aan Tommaso Salernitano, lid van het Napolitaanse stadsbestuur.

     19 napolitane (soort villanelle) voor drie en vier stemmen

     Il primo libro delle canzoni a quatro voci, 1591, opgedragen aan de hertog van Mantova, Vincenzo I Gonzaga. 21 Italiaanse liederen, 10 religieuze en 11 wereldlijke.

     Il primo libro delle Magnificat, 1593

     Nog meer Magnificats 

 

Antonio Valente (Napels??, ItaliŽ, omstreeks 1540?? – omstreeks 1580??) was vanaf kind blind en werkte als organist aan de Sant'Angelo a Nilo in Napels van 1565 tot 1580.

Antonio Valente componeerde

     2 uitgaven voor klavecimbel en orgel

- Intavolatura de cimbalo, 1575

1 fantasia,

6 ricercares,

Salve regina,

3 intavolaties

6 sets variaties

3 dances

- Versi spirituali, 1580

43 versetten

 

Jacob Regnart (Dowaai, toen Zuidelijke Nederlanden, nu Noord-Frankrijk, 1540 of 1545 – Praag, 16 oktober 1599) was ťťn van vijf broers die zich allemaal met muziek bezig hielden. Hij werd al op jonge leeftijd als leerling opgenomen in de keizerlijke hofkapel in Wenen. In 1557 werd hij tenor in de hofkapel onder leiding van Jacobus Vaet en vergezelde hij keizer Maximiliaan II naar de Rijksdag in Augsburg in 1566. Van 1568 tot 1570 studeerde compositie hij in ItaliŽ, meest in VenetiŽ. In 1573 is er een vermelding van meester van de koorknapen. In 1567 stierf Maximiliaan II. Hij werd opgevolgd door zijn zoon Rudolf II. Keizer, hofhouding en ook de hofkapel verhuisden naar Praag. Jacob Regnart werd daar in 1579 vice-kapelmeester. In 1582 verliet hij het keizerlijk hof en ging aan het werk bij aartshertog Ferdinand II van Oostenrijk in Innsbruck. 1 januari 1585 werd hij daar kapelmeester, een betrekking die hij tot 1595 behield. Hij verbeterde de hofkapel succesvol en trok daarvoor veel nieuwe Nederlandse en Duitse zangers aan. In 1596 werd hij om zijn verdiensten in de adelstand verheven. Toen Ferdinand II in 1596 overleed, werd de hofkapel opgeheven. Jacob Regnart keerde naar Praag terug, waar hij vice-kapelmeester werd onder kapelmeester Philippus de Monte. Een aantal jaren later overleed hij in die stad. Jacob Regnart was getrouwd en had zes kinderen. Na zijn overlijden keerde zijn weduwe naar MŁnchen terug. Zij legde zich daar toe op de uitgave van de werken van haar overleden man.

Jacob Regnart componeerde

     1 Duitse opera

     29 vijf- tot tienstemmige missen

- Missa Super Oenidiades nymphae,  voor zes stemmen, cantus firmus een onbekend lied

     Sacrae cantiones

     1 boek Mariale motetten

     62 andere motetten

- In obitum Jacobi Vaet, dat begint met de woorden „Defunctum charites Vaetem“, 1567, geschreven bij het overlijden van zijn kapelmeester Jacobus Vaet.

     1 Mattheuspassie voor acht stemmen

     2 bundels vijfstemmig canzone italiane

     2 bundels vijfstemmige Duitse liederen

     7 bundels “Kurtzweilige teutsche Lieder” drie- tot vijfstemmige liederen in melodieuze Italiaanse canzonettenstijl

- Jan mine man is een goet bloet, voor vier en vijf stemmen, het enige Nederlandse lied uit zijn  verzameling

     2 orgelwerken

     29 luitintavolaties

 

Gioseffo Guami (Lucca, 27 januari 1542 – 1611) (Gioseffo Giuseppe Guami or Gioseffo da Lucca) was de broer van Francesco Guami (geboren 1543). Vanaf 1961 studeerde hij in de San Marco in VenetiŽ bij  Adriaen Willaert en Annibale Padovano, en deed dienst als zanger. In 1568 werd hij in Beieren benoemd als organist aan het hof van Albrecht van Beieren. In 1570 keerde hij naar ItaliŽ terug, waar hij eerst als organist in Lucca werkte en vanaf 1585 als maestro di cappella in Genua.

In 1588 werd Gioseffo Guami aangesteld als organist in de San Marco onder leiding van  maestro di cappella Gioseffo Zarlino. Toen Zarlino overleed keerde Guami terug  in Lucca als organist aan de kathedraal, waar hij tot zijn dood dienst deed.

Gioseffo Guamicomponeerde

     motetten

     geestelijke liederen

     1 mis

     Lamentationes Hieremiae prophetae

     madrigalen

     instrumentale canzonas

     1 orgelwerk (de rest is verloren gegaan)

 

Andreas (Andries) Pevernage (Harelbeke, bij Kortrijk, Vlaanderen, 1542 of 1543 – ?, 30 juli 1591) 2erd op 21 januari 1563 zangmeester van de Sint-Salvatorskathedraal in Brugge en later dat jaar zangmeester aan de Onze-Lieve-Vrouw in Kortrijk. In 1564 werd hij daar kapelaan. In Kortrijk trad hij ook toe tot het Sint-Ceciliagilde, waarvoor sommige van zijn werken zijn geschreven.

In 1577 ontvluchtte Pevernage Kortrijk met zijn gezin toen de geuzen de stad overnamen. Zijn gezin trok naar Antwerpen. In 1579 werd hij in Brugge als zangmeester aangesteld. De calvinisten heroverden de stad echter en Pevernage had geen werk tot 1584, toen hij zijn vroegere betrekking in Kortrijk weer kon opnemen. Nadat de Spanjaarden, na het beleg van Antwerpen (1584-1585) in augustus 1585, de geuzen uit de stad hadden verdreven, werd Pevernage op 29 oktober aangesteld als zangmeester aan de Antwerpse Onze-Lieve-Vrouwekathedraal. Een van Pevernages taken was de muziekbibliotheek van de kathedraal opnieuw uitbouwen, nadat die door de geuzen was geplunderd en in brand gestoken was. Pevernage behield zijn betrekking tot aan zijn dood in 1591 en werd in de kathedraal begraven.

Andreas Pevernage componeerde 235 werken:

     6 missen voor 5 tot 7 stemmen

     14 Mariale antifonen

     4 boeken chansons

     77 motetten

- Gloria in excelsis Deo (beeldmotet)

     madrigalen

     2 bicinia, 1590

 

Alfonso Ferrabosco de oudere (Bologna, gedoopt 18 januari 1543 – 12 4ugustus, 1588) was de oudste zoon van componist Domenico Ferrabosco, en maakte deel uit van een aristocratische Bolognese familie die veel musici onder haar leden telde. Vanaf 1562 werkte hij in Engeland voor koningin Elizabeth I. Alfonso Ferrabosco de oudere trouwde met Ellen Lanier, onder hun kinderen waren de muzikanten Alphonse Ferrabosco de jongere, Henry Ferrabosco, en John Ferrabosco. Alfonso Ferrabosco reisde nogal heen en weer tussen Engeland en ItaliŽ. Wat hij daar allemaal uitspookte? In ItaliŽ werd hij verdacht van spionage voor de Engelse koningin Elisabeth en in Engeland speelde een toestand waarbij hij van roofmoord werd beschuldigd. In 1578 keerde Alfonso Ferrabosco de oudere weer in Bologna terug. Pogingen van Elisabeth om hem weer aan haar hof in Engeland terug te krijgen, slaagden niet. Hij bleef tot het eind van zijn leven in ItaliŽ.

Ferrabosco introduceerde het madrigaal in Engeland.

Richard Charteris stelde in 1984 “a Thematic Catalogue of his Music with a Biographical Calendar” samen, waarbij Ferabosco’s werken een C-nummer kregen

Alfonso Ferrabosco de oudere schreef

         2 boeken met vijfstemmige madrigalen; In de in 1588 door Nicloas Young uitgegeven madrigaalverzameling Musica Transalpina zijn veel van Ferrabosco's madrigalen in het Engels vertaald opgenomen. 

     motetten;

- Peccantem me quotidie, voor vijf stemmen, C 52

     lamentations;

     anthems;

     50 instrumentale fantasieŽn, pavanes, galliardes, in nomines, passamezzos voor een groot scala instrumenten

 

William Byrd (Bird, Byrde en Byred) (Lincoln (?), omstreeks 1543 – Stondon, Essex (?), 4 juli 1623) wordt ook soms als vermeld. Byrd kreeg als kind muziekles van de bekende Engelse 16e-eeuwse musicus Thomas Tallis in de Chapel Royal in Londen. Byrd wordt gerekend tot de zogenaamde virginalisten. In 1563 werd hij, ondanks zijn jeugdige leeftijd, benoemd tot organist van de kathedraal in Lincoln. In 1569 werd hij beŽdigd als Gentleman van de Koninklijke Kapel, maar het schijnt dat hij in Lincoln is gebleven tot 1572, toen hij, tezamen met Thomas Tallis, benoemd werd tot organist van de Chapel Royal.

In 1575 kreeg hij, ook weer met Thomas Tallis, vergunning van Koningin Elizabeth I voor het drukken en verkopen van muziek. Als dank daarvoor droegen de twee componisten in hetzelfde jaar Cantiones Sacrae aan haar op.

Byrd werd verschillende malen vervolgd. Als katholiek werd hij herhaaldelijk vervolgd voor het afwijzen van het Anglicanisme. Niettemin bleef hij in de gunst van de koningin, waarschijnlijk omdat hij zonder onderscheid componeerde voor de anglicaanse en de katholieke eredienst. William Byrd had de bijnaam "Father of the Britisch Music".

William Byrd schreef

     3 missen:

- ťťn voor drie, ťťn voor vier en ťťn voor vijf stemmen.

- Zijn vierstemmige mis heeft als uitgangspunt de Missa “Sine nomine” van John Taverner, zijn collega in de Tudor-tijd.

- mis voor vijf stemmen, 1595;

     160 motetten, verzameld in bundels:

- Cantiones, quae ab argumento sacrae vocantur (1575);

+ Emendemus in melius voor 5 stemmen

+ Quomodo cantabimus, 1584, 8-stemmige zetting op tekst uit psalm 137, antwoord op het 8-stemmige motet Super flumina Babylonis (ook psalm 137)  dat Philippe de Monte hem gestuurd had als muzikale steunbetuiging.

+ Tribue Domine; Te deprecor; Gloria Patri Š 6

- Liber primus sacrarum cantiorum (Cantiones Sacrae I), 1589; alles voor 5 stemmen

+ Vigilate,  een essay in woordschildering, ťťn van de meest levendige die er bestaat;

+ In resurrectione tua

+ Ne irascaris Domine – Civitas sancti tui

- Liber secundum sacrarum cantiorum (Cantiones Sacrae II), 1591, voor 5 en 6 stemmen

+ Laudibus in sanctis – Magnificum Domini – Hunc arguta, voor 5 stemmen

+ Infelix ego – Quid igitur faciam? – At te igitur, voor 6 stemmen, op tekst van Girolamo Savonarola, meditatie vlak voordat hij op de brandstapel stierf en waarin hij vergeving voor het door marteling bekennen van niet begane misdaden. Hoogtepunt van de 16de -eeuwse kerkmuziek

- Gradualia: ac cantiones sacrae, liber primus (Gradualia I) 1605

+ Justorum animae, voor vier stemmen

+ Ave verum corpus voor vier stemmen

+ Haec Dies (dit is de dag, psalm 118) voor vier stemmen

- Gradualia: seu cantionum sacrarum, liber secundus (Gradualia II), 1607

+ Haec Dies (dit is de dag, psalm 118) voor vijf stemmen

     4 Services voor de Anglicaanse eredienst

- Great Service, voor 5 tot tien stemmen, en orgelbegeleiding, moet zijn uitgevoerd  door het  Chapel Royal Choir bij grootschalige liturgische gelegenheden omstreeks 1600. Bevat een Venite, Te Deum,  Benedictus, Kyrie, Credo, Magnificat en Nunc Dimitis. Hoogtepunt in de Engelse muziek.

     100 liederen in het Engels:

- Psalmes, sonets, & songs of sadness and pietie, 1588, 35 5-stemmige werken, voor stemmen, gamba;s of blokfluiten,  in eerste instantie als instrumentale consortmuziek bedoeld, met eventueel een zanger "to pronounce the dittie" (het lied te zingen)

1. O God Give Eare, vrije parafrase over psalm 55, prachtig,  vrij swingend hymnisch werk;

- Songs of sundrie natures, 1589

- Psalmes, songs, and sonnets, 1611

Turn our captivity,  voor 6 stemmen

- Teares or Lamentacions of a Sorrowfull Soule, 1614

- In angel’s weed (= Is Sidney dead), consort song voor zangstem en 4 gamba’s, klaaglied voor koningin Mary

- My mistress had a little dog, humoristisch klaaglied over gestorven koninginnenhondje voor solostem en 4 gamba's

     33 Instrumentale consortmuziekwerken

- Browning,  voor 5 stemmen, een soort Greensleeves variaties

- 7 In Nomine's, hoogtepunten van de Engelse polyfone muziek.

- 10 fantasieŽn, prachtig werk

     112 (series) klavecimbelwerken, waarvan 69 verzameld in het Fitzwilliam Virginal Book

- My Ladye Nevells Booke, met 42 (series) werken van William Byrd, gekopieerd door John Baldwin, 1591, vermoedelijk bedoeld voor Elizabeth Bacon (omstreeks 1541 – 3 May 1621), de derde vrouw van  Sir  Henry Neville of Billingbear House, Berkshire, wiens wapens op de titelpagina zijn afgebeeld. Sir  Henry Neville gaf het op een zeker moment cadeau aan Koningin Elisabeth I. In 1168 kwam het weer in handen van de familie Neville, die het in 2006 in bewaring gaf aan de British Library. De  British Library heeft het in 2009 gedigitaliseerd.  Het is op de website van de bibliotheek te bekijken.

nr. 3. the marche before the battel

nr. 4. the battel, negendelig verslag van het oorlogsgeweld

nr. 5. the gaillarde for the victorie 

- Wolsey's Wylde.

- Pavana Lachrymae

- The Bells, MB 27/132

- 9 Fantasia’s

 

 

Alexander Utendal (Gent, BelgiŽ, omstreeks 1543 – Innsbruck, 7 mei 1581) was als kind van 1553 tot 1558 koorknaap in de koorkapel van koningin Maria van Hongarije, weduwe van Lodewijk II van Hongarije en landvoogdes van de Nederlanden, waarvan haar broer Karel V keizer was. Van 1564 tot 1567 was Alexander Utendal voorzanger aan het hof van aartshertog Ferdinand II van Tirol in Praag. In 1572 werd Alexander Utendal aan het hof van de aartshertog in Innsbruck vice-kapelmeester als opvolger van Jacob Regnart. Hij moest er ook ook de koorknapen opleiden. Utendal vervulde functies tot aan zijn dood in 1581 in Innsbruck. In 1580 weigerde hij de positie van kapelmeester aan het hof van Dresden.

Alexander Utendal componeerde

     3 missen voor 3 tot vijf stemmen

     84 motetten

     liederen

 

Ascanio Trombetti (Bologna, gedoopt 27 november 1544 – 20/21 september 1590) was de zoon van Astorre (Astorgio) Cavallari. In zijn familie werd de bijnaam Trombetti gebruikt vanwege de grote handigheid van de familieleden in het bespelen van blaasinstrumenten. Ascanio Trombetti was een begaafde cornettist. Vanaf 1560 was hij in dienst van de Signoria van Bologna. Van 1564 tot 1590 speelde hij in Bologna mee bij het Concerto Palatino, de plaatselijk groep blazers.

Ascanio Trombetti gaf muziekles aan de muzikale nonnen van het Bolognese klooster van San Lorenzo. Zijn dochter Isabella was zelf als non trombonist en organist aan het klooster van de heiligen Gervasio en Protasio. Vanaf 1583 was Ascanio Trombetti maestro di cappella van de kerk van San Giovanni in Monte. Zijn dood was gewelddadig: hij werd vermoord door een woedende boekhandelaar, omdat hij een amoureuze relatie met diens vrouw was begonnen. 

Ascanio Trombetti componeerde

     vier boeken met madrigalen, 1573-1587

     motetten om te zingen en te spelen

- Primo libro de motetti accomodati per cantare e far concerti a 5-8, 10, 12 (1589).

◊ Diligam te, Domine

     13 instrumentale werken voor 3 – 6 stemmen

 

Over Maddalena Casulana (waarschijnlijk Casole d'Elsa, bij Siena, ItaliŽ, omstreeks 1544 – omstreeks 1590) is niets bekend behalve wat kan worden afgeleid uit de opdrachten en teksten in haar madrigaalcollectie. Haar vermoedelijke geboorteplaats is van haar achternaam afgeleid.

In 1566 verschijnen er vier madrigalen van haar in een verzameling, Il Desiderio, met de aantekening dat ze die in Florence heeft gecomponeerd. In 1568 verschijnt haar eerste boek met madrigalen, Il primo libro di madrigali, in VenetiŽ. Het is de eerste gedrukte publicatie van een een vrouw in de westerse muziekgeschiedenis. Maddalena Casulana werkte als zangeres, luitiste en compositiedocent.

Een aantal werken van Maddalena Casulana zijn opgedragen aan Isabella de' Medici, ze verkeerde duidelijk in haar omgeving. Ergens tussen 1570 en 1580 trouwde ze met een zekere Mezari, waar we verder ook helemaal niets van weten.

In haar opdracht aan Isabella de' Medici in haar eerse madrigaalboek neemt Maddalena Casulana de zin op: Ik wil, voor zover mij dat mogelijk is in het vak muziek, mostrare al mondo il vanitoso errore degli uomini di possedere essi soli doti intellettuali, e di non credere possibile che possano esserne dotate anche le donne. (“de wereld de ijdele foutieve opvatting van mannen aantonen dat zijn alleen intellectuele en artistieke gaven hebben, en dat zulke gaven nooit zijn toebedeeld aan vrouwen”).

Maddalena Casulana componeerde

     66 madrigalen voor drie tot vijf stemmen