Componisten

vanaf 1645

 

August Kühnel (Delmenhorst, Duitsland, 3 augustus 1645 – omstreeks 1700) was de zoon van de kamermuzikant Samuel Kühnel uit Mecklenburg. In 1661, op 16-jarige leeftijd, werd August Kühnel benoemd als gambist in het hoforkest van Moritz, hertog van Saksen-Zeitz. Na de dood van de hertog ging August Kühnel voor studie naar Engeland. In 1686 werd August Kühnel aangesteld als directeur instrumentale muziek aan het hof van gravin Elisabeth Dorothea von Saksen-Coburg in Darmstadt. Na banen in Weimar en Dresden, werkte hij de laatste jaren van zijn leven, vanaf 1695 aan het hof van Karel I, Landgraaf van Hessen-Kassel.

Zijn zoon Johann Michael Kühnel was een bekende violist en luitist.

August Kühnel componeerde

     werken voor viola da gamba

- 14 Sonate ò Partite ad una o due viole da gamba, 1698, het eerste gedrukte werk met Duitse triosonates in Duitsland.

 

Andreas Werckmeister (Benneckenstein, Duitsland, 30 november 1645 – Halberstadt, 26 oktober 1706) was de zoon van bierbrouwer en boer Joachim Werckmeister. Hij ging naar school in Nordhausen en in Quedlinburg. Hij kreeg muziekles van zijn ooms  Heinrich Christian Werckmeister  en Heinrich Victor Werckmeister. In 1674 werd Andreas Werckmeister organist  en stadssecretaris in  Elbingerode. Een jaar later werd hij organist aan de hof- en kloosterkerk Sankt Servatius in Quedlinburg. In 1696 werd hij organist aan de Martinikerk in Halberstadt was de eerste die een instrumentstemming beschreef, die niet gebaseerd was op een stapeling van reine kwinten. De stapeling van reine kwinten  heeft de vervelende bijkomstigheid, dat het 12e kwint behoorlijk ongelijk is aan het 7e octaaf berekend vanaf dezelfde toon. Dit verschil wordt de het komma van Pythagoras of pythagoreïsche komma genoemd.

Andreas Werckmeister beschreef (nog) niet de gelijkzwevende stemming maar deed voorstellen voor een “wohltemperierte” stemming, waarbij de gangbare verschillen en daarmee samenhangende dissonanties gematigd, getemperd werden. De invoering van de Werckmeister-stemming werd in religieuze kringen niet enthousiast ontvangen omdat het “kunstmatig knijpen” van de reine kwinten om ze passend te krijgen binnen de octavenreeks als ingrijpen in Gods orde werd beschouwd. Wie een beetje thuis is in “religieuze kringen” weet dat elke positieve vernieuwing daar in eerste instantie als “slecht” wordt beschouwd om na verloop van tijd toch te worden omarmd.

Maar ondertussen was Andreas Werckmeister ook nog eens een prima organist, orgelbouwer, muziektheoreticus en componist. Manuscripten van hem liggen in de Koninklijke Bibliotheek in Berlijn.

Andreas Werckmeister publiceerde

12 muziektheoretische verhandelingen 

Andreas Werckmeister componeerde

     cantates

- Musikalische Privatlust, 1689 voor viool en basso continuo

     orgelwerken

- Canzona in a kleine terts

 

Nicolas Derosiers (Derosier, Desrosiers, Martin de la Vigne, Chalon-sur-Saône, Frankrijk, omstreeks 1645 – ná 1702) bracht het grootste deel van leven in Nederland door. Hij begon zijn muzikale carrière in 1665. Hoewel hij officieel musketier was, nam hij vaak deel als muzikant aan festiviteiten aan het hof van koning Lodewijk XIV.

In 1667 werd hij lid van een collegium musicum in Amsterdam, geleid door Charles Rosier en Hendrik Anders. In dat jaar werd Nicolas Derosiers ook burger van Amsterdam onder de naam Nicolas Martin de la Vigne des Rosiers.

Derosiers bezat een théorbe met drie rozetten (rozetvormige klankgaten), gemaakt door luitbouwer Maurits Wiltschut uit de Pieter Jacobszstraat in Amsterdam.

Nicolas Derosiers trouwde met Anne Pointe, zus van luitenist, componist en uitgever Antoine Pointe te Amsterdam.

Nicolas Derosiers moet tot omstreeks 1700 in Amsterdam zijn gebleven.

Nicolas Derosiers componeerde

     12 ouvertures, 1688

     Psalm 150 voor zangstem en basso continuo, 1688

     La Fuitte du Roy d'Angleterre (De vlucht van de koning van Engeland; naar aanleiding van de vlucht van James II voor koning Willem III) voor 2 blokfluiten en basgamba, 1689

     4 methodeleergangen voor gitaar

     35 gitaarwerken

     kamermuziekwerken

 

 

Nicola Matteis (Matheis "de oudere" "Napolitano") (Napels? omstreeks 1645? – Colkirk, graafschap Norfolk, vóór 1703 of ná 1713) trok als jongeman door Europa. In 1672 kwam hij in Londen terecht. Hij maakte daar furore als virtuoos violist en componist en ging er niet meer weg.

In 1700 trouwde hij met een rijke weduwe en trok zich toen uit de muziekwereld terug.

Volgens dagboekschrijver en muziekamateur Roger North (3 september 1651 – 1 maart 1734), de enige die wat aantekeningen over hem heeft nagelaten, eindigde hij zijn levensdagen ziek en arm.

Zijn zoon Nicola Matteis de Jongere (Engeland, ná 1670 - Wenen, 23 oktober 1737) was ook violist en componist.

Nicola Matteis componeerde

     4 boeken "Ayres for the violin" met Suites voor viool en basso continuo,  1676 en 1685;

     „False consonance della musica per toccar la chitarra sopra all partie in breve...“,  basso continuoleerboek voor gitaar, 1680

     1 liedverzameling:  A Collection of New Songs

 

't Uitnemend Kabinet, 1646 en 1649, een uitgebreide verzameling muziekstukjes, samengesteld door de Amsterdamse uitgever Paulus Matthijsz, “Vol Pavanen, Almanden, Sarbanden, Couranten, Balletten, Intraden, Airs &c. En de nieuwste Voizen, om met 2 en 3 Fioolen, of ander Speel-tuigh te gebruiken. Van d' Alder-konstighste Speel-meesters, (dezer tyd,) gestelt. Wy zullen om ons Kabinet te beter op te pronken, Iaerlyx al 't geen wy uyt de nieuwe vermaekelykheden konnen bekomen, aen de Kunst-lievers, meede deelen. Ook eenige stukken voor 2. Fioolen de Gamba. met een korte onderwyzinge op de Hand-fluit,”

     Uitnemend Kabinet I, 1646, 60 werken van diverse componisten

     ’t Uitnemend Kabinet II  1649, 106 werken van diverse componisten

 

Johann Theile (Naumburg, Duitsland, 29 juli 1646 – 24 juni 1724) kreeg zijn eerste muzieklessen van Johann Scheffer, cantor in Maagdenburg. Van 1666 tot 1672 ging hij voor een rechtenstudie naar Leipzig. Ondertussen studeerde hij in Weißenfels compositie bij Heinrich Schütz. Tussen 1673 en 1675 kreeg hij een betrekking als hofkapelmeester bij Hertog Christian Albrecht van Schleswig-Holstein-Gottorp. Enkele jaren later werd hij kapelmeester in Wolfenbüttel; hij ging daar in de leer bij  Johann Rosenmüller.

Hij werkte daarna in Naumburg, Lübeck en Stettin als organist. In 1694, keerde Johann Theile na een taak als muzikaal adviseur van de Hertog van Zeitz naar zijn huis in  Naumburg, waar hij stierf 1724. Hij was leraar van Dietrich Buxtehude en Johann Mattheson.

  Johann Theile componeerde

     3 opera’s

- Adam und Eva, Der erschaffene, gefallene und aufgerichtete Mensch, het eerste werk dat 2 januari 1678 werd uitgevoerd in de Ganzenmarkt Opera van Hamburg, het eerst publieke operagebouw in Duitsland.

     1 passie

- Matthäuspassion, 1673

     3 missen

     7 (Latijnse) psalmzettingen

     aria’s

     canzonetten

     Duitse motetten

     1 madrigaal

     2 sonates

 

Juan de Araujo (Villafranca de los Barros, Extremadura, Spanje, 1646 – Sucre (toen La Plata, Peru), nú Bolivia, 1712) kwam als kind met zijn vader, een ambtenaar, in het Spaanse onderkoninkrijk Peru en studeerde aan de universiteit van San Marcos in Lima Juan de Araujo werd in 1674 aangesteld als maestro di cappella aan de kathedraal van Lima in Peru. In de jaren daarop reisde hij naar Panama en vermoedelijk naar Guatemala. Op zijn terugreis naar Peru bleef hij hangen als maestro de capilla van de kathedraal van Cuzco en in 1680 van de kathedraal van Sucre (toen de kathedraal van La Plata) in Bovenperu (nu Bolivia). Hij bleef daar tot zijn dood en leidde er verschillende componisten op.

Juan de Araujo componeerde 158 werken

     12 motetten,

     142 villancico's

     2 wereldlijk series koorwerken

 

Johann Fischer (Augsburg, Zuid–Duitsland, 1646 – Schwedt/Oder, 1716) was de zoon van stadsblazer Jonas Fischer en Maria Mayr. Johann kreeg muzieklessen van zijn vader en van de Evangelisch–Lutherse cantor Tobias Kriegsdorfer (1608-1686). Van 1661 tot 1664 kreeg hij speel– en muziekinstructies in het orkest van het hof van Württemberg in Stuttgart van Kapellmeister Samuel Capricornus. Hij ontwikkelde zich tot een goede klavecimbel– en vioolspeler. Na Capricornus' overlijden in 1665, werkte Johann Fischer vijf jaar in Parijs als notenschrijver en kopiist voor Jean-Baptiste Lully, de kapelmeester van Lodewijk XIV.

In 1673 kwam hij terug in het hoforkest in Stuttgart, in 1674 werd hij kerkmuzikant aan de Barrevoeterskerk in Augsburg. Hij trouwde met Antonia Sybilla. Ze kregen vijf kinderen.

In 1677 ging Johann Fischer toch weer terug naar Augsburg, omdat hij de hofmuziek niet kon missen. In 1683 werd hij violist, muziekdocent en componist bij het hoforkest van de hertog van Ansbach, een groot liefhebber van Franse muziek. In 1686 werd Johann Fischer even dirigent van de kapel, maar na de dood van markgraaf Johann Friedrich in datzelfde jaar, werd hij weer van al zijn functies ontheven omdat opvolger markgraaf George Friedrich meer van italiaanse muziek hield.

Van 1690 tot 1697 was hij kapelmeester van de hofkapel van hertog Frederick Casimir Kettler van Koerland (een stuk van het tegenwoordige Letland) in Jelgava. Nadat de kapel in 1697 opgeheven werd, woonde Johann Fischer een tijdje in Riga.

In 1700 kreeg hij een aanstelling in Lüneburg, in 1702 werd hij kapelmeester aan de kapel van Karl Leopold, hertog van Mecklenburg-Schwerin. In 1704 maakte hij een teleurstellend reisje naar Kopenhagen, waar hij afgewezen werd voor een betrekking aan het hoforkest. Hij zwierf daarna wat heen en weer tussen de plaatsen Bayreuth (1707), Stralsund, Stockholm, Stettin en Kopenhagen. Tenslotte werd hij Kapellmeister bij Philip Wilhelm, Markgraaf van Brandenburg-Schwedt, wat hij tot het einde van zijn leven volhield.

Johann Fischer componeerde

     60 cantaten en motetten

     een groot aantal instrumentale werken voor 2 tot 4 stemmen

- 4 suiten voor blokfluit en basso

 

Rupert Ignaz Mayr (Schärding am Inn, tegenwoordig Oostenrijk, 1646 – Freising, 7 februari 1712) was in 1678 violist in de bisschoppelijke kapel in Eichstätt en af en toe ook in Regensburg. Van 1683 tot 1685 werkte Rupert Ignaz Mayr aan het bisschoppelijk hof in Passau en vanaf 1685 aan de hofkapel van keurvorst Maximilian II Emanuel in München. De keurvorst stuurde hem naar Parijs om daar te gaan studeren bij Jean-Baptiste Lully. Terug in München werkte hij behalve als violist, nu ook als componist. De Spaanse Successieoorlog legde het muziekleven in München van 1701 tot 1713 helemaal plat. Vanaf 1706 zien we Rupert Ignaz Mayr dan ook weer als bisschoppelijk Hofkapellmeister bij Johann Franz Eckher von Kapfing und Liechteneck in Freising, waar hij tot zijn dood dienst bleef doen.

Rupert Ignaz Mayr componeerde

     15 schoolopera’s voor studenten van het bisschoppelijk seminarie

     Sacri Concentus, opus 3, 1681, 12 psalmen en motetten voor zangstem, instrumenten en basso continuo

- In terras descendam, voor sopraan, fluit, trombone, basgamba en basso continuo

     25 motetten voor vier en vijf stemmen, instrumenten en basso continuo

     psalmen en vespers voor het hele kerkelijke jaar voor vier stemmen, instrumenten en basso continuo

     Pythagorische Schmids-Fuencklein, 1692, 7 orkestsuiten, waarmee hij op de legende van Pythagoras, die in een smederij de getalsverhoudingen van de muzikale intervallen ontdekt, in gaat.

 

Pelham Humfrey (?, Groot Brtittanië, 1647 – Windsor, 14 juli 1674) was een neef van kolonel John Humfrey, een prominent Cromwellaanhanger en resident van Londen. Pelham Humfrey begon zijn carrière als koorjongen in de Chapel Royal na de Restauratie in 1660. Toen in 1664 Pelham Humfreys stem brak, betaalden de Chapel Royal en de Britse Geheime Dienst hem om in Frankrijk en Italië muziek te gaan studeren. Op 14 juli 1672 volgde Pelham Humfrey zijn schoonvader Henry Cooke op als Master of the Children van de Chapel Royal en als hofcomponist. Eén van zijn leerlingen was Henry Purcell. Hij was getrouwd met Katherine Cooke. Ze kregen een dochtertje, dat maar een paar weken in leven bleef. Pelham Humfrey zelf stierf op 26-jarige leeftijd.

Musicoloog Peter Dennison heeft in 1986 een catalogus van zijn werken gepubliceerd en die een H-nummer gegeven.

Pelham Humfrey componeerde

     2 masques

     3 odes voor het hof

     23 anthems

- By the Waters of Babylon, H 2, originele melodieën,

- Hear, O Heeav'ns,  H 7,  voor alt, tenor, bas, koor en orgel,

- Lift up your Heads, H 9 , voor solisten, koor, orkest en basso continuo, agressieve opening van het koor, 

- Like as the Hart Desires the Waterbrooks, H. 10 voor solisten, koor, orkest en basso continuo, intiem.

- O Lord my God,H 14,  voor alt, tenor, bas, koor en orkest, verse anthem.

     5 religieuze liederen

- Wilt thou forgive that sin, A Hymne to God the Father, H 49, voor tenor en basso continuo, tekst J. Donne, uitgave 1688;

     24 wereldlijke liederen

 

Johann Michael Bach (Arnstadt, 9 augustus 1648 – Gehren, 17 mei 1694) was de zoon van Heinrich Bach, een oudoom van Johann Sebastian Bach. Johann Michael was ook de vader van Maria Barbara Bach (1684-1720), waarmee Johann Sebastian Bach in 1707 in het huwelijk trad. Johann Michael werd, evenals zijn broer Johann Christoph Bach (1642-1703), in de familie Bach gerespecteerd om zijn muzikale kwaliteiten.

In Gehren was hij instrumentbouwer, stadsorganist en ambtenaar.

 

Johann Michael Bach componeerde

     2 aria”s

     14 motetten

- "Fürchtet euch nicht", dubbelkorige motet

- “Sei. lieber Tag, willkommen”, nieuwjaarsmotet

-  Das Blut Jesu Christi, voor vijf stemmen en basso continuo

     4 cantates

- Ach, bleib bei uns, Herr Jesu Christ voor koor strijkers en continuo

- Liebster Jesu, hör mein Flehen  voor sopraan, alt twee tenoren, bas, strijkers en continuo

- Ach, wie sehnlich wart' ich der Zeit voor sopraan, strijkers en continuo

     orgelwerken

- koraalprelude In Dulci Jubilo, lang toegeschreven aan Johann Sebastian (BWV 751)

 

Johann Schelle (Geising, Ertsgebergte, Duitsland, 6 September 1648 – Lepzig, 10. maart 1701) was de zoon van cantor Jonas Schelle. Johann Schelle zong vanaf zijn zevende jaar mee in de Saksische hofkapel in Dresden onder leiding van Heinrich Schütz. Met de aanbeveling van Heinrich Schütz werd Johann Schelle in 1657 koorzanger in de Hertogelijke Kapel in Wolfenbüttel.

Van 1665 tot 1667 was Johann Schelle zanger bij het Thomaskoor aan de Thomasschool in Leipzig. Vanaf 31 januari 1667 studeerde hij aan de Universiteit Leipzig. In 1670 werd Johann Schelle cantor aan de Stadsschool in Eilenburg. Als een van de eersten liet hij in kerkdiensten Duitstalige cantates zingen. Van 31 januari 1677 tot zijn dood was Johann Schelle Thomaskantor in Leipzig, opvolger van Sebastian Knüpfer en voorganger van Johann Kuhnau. Tegelijkertijd was hij „Director chori musici“ voor de stad Leipzig.

Johann Schelle componeerde

     kerkliederen;

     25 cantates; met voor het eerst verbinding van gezongen evangelietekst met geestelijke liederen en de Koraalcantates;

     7 motetten

- Komm, Jesu, komm, voor 5 stemmen, gecomponeerd voor de begrafenis van filosofiedocent Jacob Thomasius, Leipzig, 1648

 

Giovanni Antonio Giannettini (Gianettini, Zanettini, Zannettini), (Fano, Italië, 1648 - München, 14 juli 1721) was in 1662 in Venetië, waar hij woonde en studeerde bij componist Sebastian Enno. Op 14 januari 1674 werd hij aangenomen als baszanger in het koor van de kapel van de Basiliek van San Marco. Van 5 december 1676 tot 1679 was Giovanni Giannettini hulporganist („Organista di nichi“) aan de basiliek van de heiligen Johannes en Paulus met een salaris van 40 dukaten per jaar. In die tijd studeerde hij compositie bij Carlo Grossi. Op 25 januari 1677 was Giovanni Giannettini naast zanger ook organist in de San Marco.

Op 1 mei 1686 werd hij kapelmeester aan het hof van Frans II, hertog van Modena voor 396 lire per maand (een aanzienlijk bedrag voor die tijd). Frans II was kennelijk op hem gesteld van hij liet een grote boot huren om het gezin Giannettini van Venetié naar Modena te verhuizen. Tijdens de Spaanse successieoorlog in 1702 werd Modena bezet door de Fransen en moest hij samen met hertog Rinaldo, de opvolger van Frans II, naar Bologna vluchten. Na de oorlog, in 1707, keerde hij naar Modena als kapelmeester terug, wel voor een lager salaris.

Hij stierf na een reis naar München, waar hij zijn dochter Catherina Maria bezocht, die aan het hof daar als zangeres werkte..

Giovanni Giannettini componeerde

     19 opera’s

- Medea in Atene, libretto A.Aureli, 14 december 1675

     9 oratoria

- l’Uomo in bivio, 1687, over een man die moet kiezen tussen het smalle pad van God of het brede pad van de duivel. Beiden proberen hem met alle middelen te verleiden om hun kant te kiezen, schitterende muziek.

- La vittima d’amore, ossia La morte di Cristo¸ 1690, libretto F. Torti, zijn bekendste oratorium.

     30 cantates

     11 motetten voor 1 tot 5 stemmen en strijkers

     8 Magnificatzettingen

     vesperpsalmen voor vier stemmen en vijf instrumenten

 

John Blow (Newark-on-Trent ?, Nottinghamshire ?, Engeland, gedoopt 23 februari 1649 – Westminster, Londen, 1 oktober 1708) was het tweede kind van Henry en Katherine Blow. Hij werd al jong koorknaap bij de Koninklijke Kapel en componeerde als jongen al verschillende anthems. In 1668, negentien jaar oud, werd John Blow organist van de Westminster Abbey.

In september 1673 trouwde John Blow met Elizabeth Braddock. Ze kregen verscheidene kinderen. In 1683 stierf Elizabeth in het kraambed.

In 1677 verleende Canterbury hem de doctorsgraad in de Muziek. Leerlingen van John Blow waren William Croft en Henry Purcell. John Blow stond rond 1680 uit respect voor het meesterschap van Henry Purcell zijn post als organist van Westminster Abbey aan hem af.

In 1685 werd John Blow benoemd als privémuzikant van Koning Jacobus II. In 1687 werd hij koormeester van de St. Paul’s Cathedral in Londen. Koning Jacobus II benoemde hem in 1699 tot Componist van de Koninklijke Kapel.

John Blow stierf op 1 oktober 1708 in zijn huis in Broad Sanctuary.

Hij ligt niet ver van zijn vriend Henry Purcell in Westminster Abbey begraven.

John Blow componeerde

     1 opera (masque)

- Venus and Adonis, Masque for the Entertainment of the King, 1689; over de onmogelijkheid van liefde tussen goden en stervelingen; Cupido bezingt de gelukkige momenten; Adonis gaat op aandringen van Venus op jacht wordt gegrepen door het zwijn en raakt dodelijk gewond. In de laatste akte wordt hij zieltogend binnengedragen en sterft aan de boezem van zijn geliefde. Hoewel John Blow het werk zelf een "Masque" noemde, is het volledig doorgecomponeerde werk toch echt een opera, en in dit geval dan de eerste Engelse opera. Prachtig gebalanceerd stuk, dicht bij de Franse traditie.

     25 odes voor het hof

- Great sir, the joy of all our hearts, ode voor Nieuwjaarsdag 1682

     10 andere odes

- The Glorious Day is Come, tekst hofnar en satiricus Thomas D'Urfey

- An Ode on the Death of Purcell, 1695, tekst John Dryden, voor twee tenoren, twee blokfluiten en basso continuo, roerend, intens treurig lamento.

     14 Services

     100 verse anthems

- Behold, O God, our Defender,  voor de troonsbestijging van Jacobus II in 1685

- God Spake Sometime in Visions, voor de troonsbestijging van Jacobus II in 1685

     9 motetten

     17 geestelijke liederen

     100 wereldlijke liederen

- Amphion Anglicus, 1700, verzameling liederen voor 1 tot 4 stemmen en basso continuo

+ Poor Celadon, he sighs in vain (Loving Above Himself), voor countertenor, 2 violen en basso continuo, subliem lied.

     3 kamermuziekwerken

     31 voluntary’s voor orgel

     14 psalmzettingen voor orgel

     75 klavecimbelwerken

 

Andreas Kneller (varianten: Kniller, Knöller, Knüller) (Lübeck, 23 april 1649 – 24 August 1724) was de jongere broer van de portretschilder Godfrey Kneller. In 1667 werd hij organist van de Marktkerk in Hannover, als opvolger van Melchior Schildt (1592-1667). In 1685 verhuisde Andreas Kneller naar Hamburg, waar hij organist van de Petrikirche werd. Hij maakte daar kennis met Johann Adam Reincken en trouwde met diens dochter Margaretha Maria in 1686. Kneller's schoonzoon Johann Jacob Hencke werd zijn assistent in 1717, en volgde hem in 1723 op. Kneller was een gerespecteerd musicus, die vaak organistenexamens afnam. Zo hoorde hij bij de examinatoren van de kandidaten voor de post van organist van de Jacobikirche in Hamburg, in 1720, waaronder Johann Sebastian Bach, die wel werd uitgekozen, maar van de post moest afzien.

Andreas Kneller componeerde

     8 orgelwerken

 

Johann Valentin Meder (Wasungen, Thüringen, Duitsland, gedoopt 3 mei 1649 – Riga, nu Letland, toen Rusland, eind juli 1719) werd in een muzikaal gezin geboren: zijn vader Johann Erhard Meder en vier broers waren allemaal organist of cantor. In 1666 ging hij naar Leipzig, waar hij in 1669 een Universiteitsstudie theologie begon. In 1670 ging hij naar Jena om daar zijn studie aan de universiteit voort te zetten. Maar hij werd daar zanger in de hofkapel van Hertog Ernst de Vrome. We zien hem daarna als hofzanger terug in Gotha in 1671, in Bremen in 1672–1673, Hamburg in 1673 en in Kopenhagen en Lübeck waar hij in 1674 Dieterich Buxtehude ontmoette. Van 1674 tot 1680 was Johann Valentin Meder cantor aan het Gymnasium van Reval (nu Tallinn, Estland). In 1685 en 1686 was hij even in Riga. In 1687 volgt hij Balthasar Erben op als Kapellmeister. Onenigheid met het stadbestuur van Danzig over een uitvoering van zijn opera “Die wiederverehligte Coelia” leidde tot zijn ontslag. Hij was even kort cantor aan de kathedraal van Königsberg (tegenwoordig Kaliningrad, Rusland), in 1700 ging hij terug naar Riga, waar hij als cantor dienst deed tot zijn dood. Veel werk van hem is verloren gegaan. 13 van zijn composities zijn bewaard in de Düben Collectie in Uppsala.

Johann Valentin Meder componeerde (bewaard gebleven)

     2 opera’s

     Passieoratorium naar Mattheüs, libretto Pietro Metastasio (Passione di Nostro Signore Gesù Cristo), omstreeks 1700, voor 5 zangsolisten, 2 hobo’s, 2 altblokfluiten, 2 violen en basso continuo

     17 motetten

     4 cantates

- Wie murren denn die Leut, dialoog cantate voor 2 stemmen, 2 violen, 2 altviolen, fagot en basso continuo, 1684, geschreven als dankzegging voor de bevrijding van Riga van de Russische belegering op 3 oktober 1684. 

     3 (series) werken voor strijkers en basso continuo  

 

Solomon Eccles (Eagles) 2 (Guildford, Engeland, gedoopt 3 juni 1649 - 1 december  1710), was misschien een neef van Solomon Eccles 1, misschien de zoon van Henry en Susan Eccles uit Guildford. Hij werd aangesteld bij het hoforkest van de koning op 10 october 1685 en was een van de muzikanten die William III begeleidden naar Nederland in 1691.

6 oktober 1710 trok hij zich terug uit zijn betrekking, die werd overgenomen door Thomas Sexton. Vier maanden later overleed hij; hij liet twee zoons: William en Charles, achter en drie dochters.

Solomon Eccles 2 componeerde

     9 sets melodieën voor theaterwerken

     een paar werkjes in verzamelingen van tijdgenoten 

-  Divisions over Bellamira, Division Flute, 1706

 

Domenico Galli (Parma, Italië, 16 october 1649 – 1697??)  was een componist, cellist, instrumentmaker, beeldhouwer en schilder in dienst van het hof d’Este in Modena.  

Domenico Galli componeerde

     12 sonates voor cello

- Trattenimento musicale sopra il violoncello, 1691

 

Pieter Bustijn (Pierre Bustyn, Pieter Buystijn); gedoopt 1649 – 22 november 1729) zijn familie kwam mogelijk uit Luik. In 1681 werd hij organist en beiaardier in de Nieuwe Kerk van Middelburg, na de dood van Remigius Schrijver (mogelijk zijn leraar).

Pieter Bustijn  componeerde

     IX Suittes pour le Clavessin, 1712. Interessante muziek. Er zijn een aantal opvallende overeenkomsten tussen Bachs inventie BWV 784 en sinfonia BWV 787 en de derde suite. Ook de overeenkomst tussen het preludio van Suite nr. 6 in a kleine terts en inventie BWV 784 in a klein is opvallend.

 

Francisco (Francesc) Guerau (Palma de Mallorca, Spanje 1649 – 1717/1722) was de zoon van Pedro Luis Garau en Hieronima Femenia. Hij ging in 1659 naar de zangschool aan het Koninklijk College in Madrid, werd lid van de Koninklijke kapel en ontwikkelde zich tot contertenor en componist. Als lid van de Koninklijke kamer van koning Karel II van Spanje was hij van 1693 tot 1701 zangleraar aan de zangschool. Zijn broer Gabriël was ook zanger.

Francisco Guerau componeerde

- Poema harmónico, een verzameling van 40 (uitgebreide) gitaarwerken, 1694, geschreven in een volmaakt contrapunt.