Componisten

vanaf 1650

 

Machy (Le Sieur de Machy) (tweede helft van de 17de eeuw) studeerde bij Nicolas Hotman. Sinds 1692 leefde hij in Parijs.

Le Sieur de Machy schreef de eerste Franse bundel  met solowerken voor de viola da gamba:

     8 suites voor solo-gamba, (1685), charmant, met de gangbare Franse suiteopbouw: Prélude, allemande, courante, sarabande, gigue, gavotte, menuet, chaconne.  

Het boek Pièces de Violle, waar deze 8 suites in staan is historisch belangrijk vanwege de technische inleiding met een overzicht van de meest gebruikelijke versieringen en hun wijze van uitvoeren, en een handleiding met technieken over het bespelen van de gamba.

 

Giovanni Battista Bassani (Padua, omstreeks1650 – 1 October 1716) was organist aan de Accademia della Morte in Ferrara vanaf 1667 tot waarschijnlijk 1675. Op de titelpagina van zijn eerste gedrukte werk in 1677 staat hij vermeld als maestro di musica aan de Confraternità della Morte in Finale Emilia, niet ver van Modena. In 1680 was hij maestro di cappella aan het hof van hertog Alessandro II della Mirandola. In 1683 werd hij maestro di cappella aan de Accademia della Morte in Ferrara en in 1686 aan de kathedraal van Ferrara. Hij werd dan ook regelmatig  "Bassani van Ferrara" genoemd

In 1712 werd hij muziekdirecteur aan de Santa Maria Maggiore in Bergamo.

Giovanni Battista Bassani componeerde

     13 opera’s, allemaal verloren gegaan, behalve een paar aria’s uit Gli amori alla moda.

     13 oratoria, waarvan 4 bewaard gebleven

     76 liturgisch geordende kerkdiensten voor de Ferrara kathedraal, 1710 – 1712

     1 mis

- Missa Encarnación, mis voor dubbelkoor, strijkers en basso continuo, ná 1709, een gedrukte kopie daarvan werd meegebracht naar de missiepost in Moxos in Bolivia omstreeks 1730.

     1 cantate

     5 sinfonia’s

     12 trio-sonates, opus 1, 1677, Balletti, Correnti, Gighe, e Sarabande à Violino e Violone, overo Spinetta, con il Secondo Violino à beneplacito,  zijn bekendste en meest uigevoerde composities

 

Christian Geist (Güstrow, Duitsland, omstreeks 1650 – 27 September 1711) was de zoon van Joachim Geist, cantor aan de Kathedraalschool. Van 1665 tot 1669 was hij koorknaap bij het hoforkest onder leiding van Daniel Danielis (1635-1696) van graaf Gustaaf Adolf van Mecklenburg-Güstrow.

In 1669 was Christian Geist baszanger van het Deens hofmuziekensemble in Kopenhagen en in juni 1670 verhuisde hij naasr het Zweedse hoforkest onder leiding van Gustaf Düben senior (ca. 1628-1690). Christian Geist bleef daar tot 1679. Toen werd hij organist aan de Duitse Kerk in Göteborg. In 1684 verhuisde hij terug naar Kopenhagen, waar hij Johann.Martin Radeck opvolgde als organist van de Helligaandskirke en de Trinitatis Kerk. Hij trouwde meteen maar met Radecks’ weduwe Magdalena Sibylla, een gebruikelijke praktijk in die tijd, en hield de betrekking tot zijn dood. In 1689 werd hij ook nog organist aan Kerk van Holmen in Kopenhagen. Hij overleed, met zijn derde vrouw en al hun kinderen bij een pestepidemie.

Christian Geist componeerde

     50 motetten, waarvan de manuscripten bewaard worden in de bibliotheek van de Un iversiteit van Uppsala

- Quis hostis in coelis (wie zijn deze vijanden in de hemel) voor 2 sopranten, alt, tenor, bas, 2 violen, 2 altviolen, 2 cornetto’s, v iolone en basso continuo, 1672

     6 Duitse religieuze vocale werken

     3 orgelwerken

 

Pietro Torri (Peschiera del Garda, Noord-Italië, rond 1650 - München, 6 juli 1737) was van 1684 tot 1688 bij de markgraaf van Bayreuth in dienst als organist. Daarna trad hij in dienst bij keurvorst Maximiliaan II Emanuel van Beieren. In 1670 ging hij met zijn werkgever en een deel van het hoforkest mee naar de Spaanse Nederlanden. De keurvorst vestigde zich met het hof in de Brussel. Pietro Torri trouwde hier met de dochter van balletmeester François Rodier.

In 1726 stierf Maximiliaan en zijn zoon Karel Albrecht volgde hem op, Pietro Torri componeerde een muzikale hulde aan de nieuwe heerser: de allegorische cantate La Baviera. In dit werk worden de Beierse aanspraken op de keizerstroon al verklankt. De beroemde castraat Farinelli zong tijdens diens verblijf in München in 1729 een solopartij in een opera van Torri.

In 1732 werd Pietro Torri hofkapelmeester.

De herontdekking van Pietro Torri en zijn werken zijn te danken aan de Duitse musicoloog en muzikant Christoph Hammer (*1966)

Pietro Torri componeerde

     50 opera’s

- L'innocenza difesa dai Numi Ismene), dramma 1715

     11 oratoria,

- Triomphe de la paix, ter gelegenheid van de vrede van Rastatt in 1715.

     12 cantates

     2 missen

     Te Deum

     6 aria's, eerder toegeschreven aan Agostino Steffani

- Le Ninfe più vezzose voor, bas, blokfluit, traverso en basso

- Vijf aria's, voor sopraan, blokfluit en basso continuo

+ Un Core o piante o sassi, ritmisch intrigerend.

     3 sonates

- Sonate in C grote terts voor alblokfluit en basso continuo

 

Johann Jakob Walther (Erfurt, 1650 - Mainz, 2 november 1717) werd geboren in Witterda bij Erfurt. Hij kwam in dienst van een welgestelde Pool, waar hij de kunst van het vioolspelen vanaf keek en het daarna meteen veel beter deed. Tussen 1670 en 1674 was hij violist zijn geweest in het orkest van Cosimo III de' Medici in Florence, waar hij zichzelf in een mum van tijd vloeiend Italiaans leerde. In 1674 werd hij kapelmeester aan het hof in Dresden. Na de dood van zijn broodheer in 1680 werd hij Italiaans gezant (secretaris) aan het hof in Mainz en werd priester gewijd. Hij overleed in Mainz. Johann Jakob Walther was een van de grootste violisten van zijn tijd. Hij leerde zichzelf ook componeren.

De bovenstaande feiten over Johann Jakob Walthers leven stammen uit het Musikalischen Lexikon van Johann Gottfried Walther (een neef van Johann Sebastian Bach). Dit muzieknaslagwerk verscheen in 1732.

Johann Jakob Walther componeerde

     40 werken voor viool en basso continuo.

 

Domenico Gabrielli (Bologna, 15 april 1651 of 19oktober 1659 – 10 juli 1690) studeerde in Venetië compositie bij Giovanni Legrenzi en cello bij Petronio Franceschini. Daarna werkte Domenico Gabrielli  in het orkest van de kerk van San Petronio en werd hij lid en zelfs principe (voorzitter) van de Accademia Filarmonica van Bologna. Na 1680 werkte hij ook als muzikant aan het hof van hertog Francesco II d'Este van Modena. Hij had de bijnaam Mingain (of Minghino) dal viulunzeel, dialect voor "Dominic van de cello."

Domenico Gabrielli componeerde

     10 opera’s

     4 oratoria

     12 cantates

     1 motet

     50 serenata’s en arietta’s

     2 sonatas voor cello en basso continuo, rond 1689, wellicht de oudste cellosonates

     7 ricercari voor cello solo

     1 canon voor twee cello’s.

     Dansen voor drie instrumenten

     1 concerto voor strijkers

     6 sonates voor trompet, strijkers en basso continuo.

 

Johann Krieger (28 december 1651 – 18 juli 1735), jongere broer van Johann Philipp Krieger was een van de belangrijkste klavecimbel- en orgelcomponisten van zijn tijd. Vanaf 1680 werkte hij als Kapellmeister in Eisenberg. In 1682 verhuisde hij naar Zittau als dirigent van het kerkkoor en organist van de Johanneskirche. Hij bleef dat 53 jaar doen. Veel van zijn werken zijn verbrand bij de Zevenjarige Oorlog in 1757.

Zijn eerste publicatie was een grote verzameling aria’s en liedzettingen: Neue musicalische Ergetzligkeit, in 1684 gepubliceerd in Frankfurt en Leipzig

Klavecimbel stukken: Sechs musicalische Partien en Anmuthige Clavier-Übung, gedrukt in Neurenberg  volgden in 1697 en 1698.

Johann Krieger stierf op 18 juli 1735 op de leeftijd van 83 jaar.

Johann Krieger componeerde

     16 cantates

     6 motetten

     2 magnificats

     5 sanctus

     aria’s en liederen

Neue musicalische Ergetzligkeit, das ist Unterschiedene Erfindungen welche Herr Christian Weise, in Zittau von geistlichen Andachten, Politischen Tugend-Liedern und Theatralischen Sachen bishero gesetzet hat (Frankfurt and Leipzig, 1684)

19 liederen voor huwelijken en begrafenissen

     klavecimbel- en orgelmuziek

- Sechs musicalische Partien

- een fantasie en 6 suites voor klavecimbel

- Anmuthige Clavier-Übung,

zijn belangrijkste werk. Contrapun tische hoogstandjes die met het werk van Johann Sebastian Bach te vergelijken zijn. Zoals de Toccata mit dem Pedal aus C met een virtuoze pedaalpartij.

 

David Petersen (Lübeck, omstreeks 1651 – Amsterdam, na 1709, misschien 1737) vestigde zich omstreeks 1675 in Amsterdam als koopman. Hij woonde daar op de Prinsengracht. David Petersen trouwde in Sloten op 4 juni 1679 met de Nijmeegse Catharina Aertsen. Uit zijn huwelijk werden vijf kinderen geboren.

Omstreeks 1700 maakte Petersen in Amsterdam met Hendrik Anders, Johan Schenk, Carl Rosier en Servaes de Koninck deel uit van een groepje componisten, dat op teksten van de dichters Alewijn en Sweerts Nederlandse liederen componeren.

Op 12 september 1709 stond hij zijn dochter Jenetta bij haar ondertrouw met winkelier Samuel Leenaerts bij. Hij woonde toen op de Reguliersgracht.

David Petersen componeerde

     12 sonate/suiten voor viool en basso continuo

     34 Nederlandstalige liederen met basso continuo.

 

Pater Ferdinand Fischer (geboren als Johann Baptist Fischer, Kuchl bij Hallein, Duitsland, 12 januari 1652 – Buchkirchen, 13 december 1725) nam bij zijn intrede in de Benediktijnerorde de naam Ferdinand aan. Van 1677 tot 1680 studeerde hij theologie aan de Benediktijner Universiteit in Salzburg. Daar maakte hij kennis met Heinrich Ignaz Franz Biber, die zijn luitcomposities later promootte. In 1680 werd hij tot priester gewijd. Van 1683 tot 1685 was hij docent grammatica in het Klooster Kremsmünster. Hij is ook bezig geweest als Professor Humanistiek aan de Universiteit van Salzburg. Omstreeks 1691 was hij enkele jaren Prior van het Klooster Kremsmünster. Van 1693 tot het einde van zijn leven werkte hij als pastoor in Buchkirchen bij Wels.

Ferdinand Fischer speelde op een kostbare luit van Magnus Tieffenbrucker, in 1604 in Venetië gebouwd. De luit is in het Klooster Kremsmünster bewaard gebleven.

In het Klooster Kremsmünster zijn vier tabulatuurboeken met door hem geschreven kopieën van 800, vaak unieke werken voor luit bewaard gebleven, waaronder een groot aantal composities van hemzelf, soms geschreven onder het pseudoniem Pecheur (Frans voor "visser") .

Ferdinand Fischer componeerde

     luitwerken, die voor een groot deel nog moeten worden geïnventariseerd en uitgezocht

- Partita in d kleine terts, negendelig, met vier wonderschone aria’s

- Partita in C grote terts, zesdelig, wordt bekroond met een prachtige chaconne

- Partita in c kleine terts, vijfdelig met een bedachtzame allemande en een monumentale Passacaille

 

Johann Philipp Förtsch (Wertheim, 14 mei 1652 ‒ Eutin, 14 december 1732) was de zoon van de burgemeester van Wertheim. Hij studeerde medicijnen in Jena en compositie bij Johann Philipp Krieger in Bayreuth of Halle. In 1678 werd hij zanger in de Opera aan de Ganzenmarkt in Hamburg, die dat jaar geopend werd. In 1680 werd Johann Philipp Förtsch als opvolger Johann Theile Kapellmeister aan het hof van de hertog van Schleswig-Holstein-Gottorf.

In 1681 promoveerde Förtsch aan de Universität Kiel tot doktor in de medicijnen, waarop hij naast zijn muzikale bezigheden in Hamburg, Sleeswijk en Husum als arts werkzaam was. In 1689, toen hij hofarts in Sleeswijk werd, gaf hij zijn muzikale bezigheden op. In 1694 werd hij lijfarts en staatsraad van August Friedrich von Lübeck, de bisschop van Eutin. Na diens dood nam hij in 1705 voor kort tijd de regering over. Daarna was hij als arts en jurist in Eutin en Lübeck werkzaam.

Johann Philipp Förtsch componeerde

     12 opera’s

     84 cantates

     1 concerto voor zangers, strijkers en basso continuo

     5 (series) kamermuziekwerken

     kontrapuntstudies

     1 tripelfuga

 

Romanus Weichlein (Linz, Oostenrijk, 20 november 1652 – Kleinfrauenhaid, Burgenland, 8 september 1706) werd geboren als Andreas Franz Weichlein in een muzikantenfamilie. In 1671 kwam hij als novice in het Benediktijner Klooster in Lambach en nam daar de voornaam Romanus aan. In dat jaar studeerde hij in Salzburg theologie en filosofie. In 1673 promoveerde hij tot doctor. Ondertussen studeerde hij waarschijnlijk viool en compositie bij Heinrich Ignaz Franz Biber. In 1691 werd hij kapelaan, muziekopzichter en huiscomponist in het Benediktijner nonnenklooster Säben bij Klausen. Vanaf 1705 tot zijn dood was hij pastoor in Kleinfrauenhaid. Zijn broer Franz Weichlein was organist en componist. in Graz.

Romanus Weichlein componeerde

     8 missen

     13 sonates

- Encaenia musices, 12 sonates opus  1, voor twee trompetten (sonaten 1, 5 en 12), strijkers en basso continuo uitzonderlijke kwaliteit

     1 canon voor violen

 

Maria Xaveria Perucona (Parruccona) (Novara, Italië omstreeks 1652 – Galliate, ná 1709) was van aristocratische afkomst. Ze trad als non in het Ursuliner klooster Collegio Sant'Orsola in Galliate, dichtbij haar geboorteplaats Novara, op de leeftijd van 16 jaar.

Maria Xaveria Perucona componeerde

     18 motetten voor twee tot vier stemmen, sommige met viool, en basso continuo

- O superbi mundi machina, met een indrukwekkend lage vrouwenstem;

 

 

Arcangelo Corelli (Fusignano, 17 februari 1653 ̶ Rome, 8 januari 1713) werd geboren in een familie van gegoede landeigenaars, die sinds 1506 al in Fusignano woonden. Zijn vader stierf vijf weken voor zijn geboorte, dus zijn moeder Santa Ruffini (of Raffini), voedde hem met vier oudere broertjes en zusjes op.

Arcangelo Corelli kreeg zijn eerste muzieklessen van een plaatselijke priester. In 1666 ging hij naar Bologna. In 1670 werd hij als 17jarige toegelaten bij de Accademia Filarmonica van Bologna. Het leverde hem bij zijn eerste uitgaven de bijnaam “Il Bolognese”op. In 1675 was "Arcangelo Bolognese" aangenomen als violist in de kerk van San Giovanni dei Fiorentini in Rome, en in hetzelfde jaar werd hij violist in het orkest van de Franse Staatskerk San Luigi dei Francesi vlakbij het Piazza Navona

In de jaren daarna maakte hij snel naam als virtuoos violist. Rond 1670 treffen Arcangelo Corelli aan in Rome, waar hij begon als derde violist in een kerkensemble, maar al gauw de aandacht trok van de muziekminnende kardinaal Pamphili. Arcangelo Corelli zou voorlopig niet meer uit Rome weggaan.

In 1677 kwan Arcangelo Corelli in het orkest (Accademia Reale) van Koningin Christina van Zweden, waar hij talrijke werken voor schreef. Net als alle andere musici in Rome was Arcangelo Corelli lid van het muzikantengilde Accademia Nazionale di Santa Cecilia; drie keer werd hij tot “Guardiano”van de instrumentale afdeling gekozen: 1681, 1684 en 1700. Vanaf 1684 werkte Arcangelo Corelli voor kardinaal Pamphili.

In 1689 en 1690 werkte hij voor de Hertog van Modena. In 1708 kwam hij terug in Rome, waar hij ging wonen in het paleis van kardinaal Ottoboni, zijn nieuwe werkgever. Corelli was de viool- en compositiedocent van Francesco Geminiani, Pietro Locatelli, Pietro Castrucci, Francesco Gasparini en anderen.

Arcangelo Corelli stierf buitengewoon gefortuneerd in Rome en werd begraven in het Pantheon in Rome. Arcangelo Corelli is de "vader" van de triosonate, het concerto grosso en de solosonate. Hij zette in zijn kleine maar weldoordachte oeuvre een klassieke standaard voor die genres. Arcangelo Corelli was de invloedrijkste componist van zijn generatie.

Arcangelo Corelli componeerde

     Opus 1: Sonate a trè, doi violini e violone, ò arcileuto, col basso per l'organo, 12 sonatas da chiesa voor 2 violen en. continuo (Rome 1681), opgedragen aan Koningin Christina van Zweden. Tussen 1681 en 1790 40 keer herdrukt, dat heeft geen enkele andere barokcomponist voor ekjaar gekregen

     Opus 2: Sonate da camera a trè, doi violini,  e violone, ò cembalo, 12 sonatas da camera voor 2 violen en continuo (Rome 1685)

     Opus 3: Sonate a trè, doi violini e violone, ò arcileuto, col basso per l'organo, 12 sonatas da chiesa voor 2 violen en continuo (Rome 1689), opgedragen aan Francesco d'Este, hertog van Modena

     Opus 4: Sonate a trè, composte per l'accademia Sig. Card Ottoboni, 12 sonatas da camera voor 2 violen en continuo (Rome 1694)

De vier verzamelingen triosonates van Arcangelo Corelli waren zo populair in heel Europa dat ze in 12 verschillende Europese steden, zoals Amsterdam, Antwerpen, Londen en Parijs werden herdrukt.

     Opus 5: 12 Suonati a violino e violone o cimbalo. 6 vijfdelige sonate da chiesa en 6 1- tot 6-delige sonate da camera. . De sonates, waarin Arcangelo Corelli de solosonate opnieuw definieert, werden precies op 1 januari 1700 uitgebracht, in een prachtige kopergravure. Corelli zei daarmee: dit is de stijl voor de nieuwe eeuw: uitgekiend gebruik van toonsoorten en modulaties, voor het eerst echte fuga's voor het vioolrepertoire. 

Sonate 12 bestaat uit variaties over la follia. Het uit Portugal afkomstige thema was erg populair in die tijd. 150 componisten hebben er variaties over geschreven, waarvan die van Corelli, Vivaldi en Marain Marais de bekendste zijn

     Opus 6: 12 concerti grossi (8 concerti da chiesa en 4 concerti da camera voor een  concertino van 2 violen en cello, strijkers ripieno en continuo) (Amsterdam 1714, ná zijn dood pas uitgegeven, terwijl hij er zijn hele leven aan had geschaafd, hij wilde er zeker van zijn dat ze helemaal perfect waren, over controlfreaks gesproken...).

- Concerto opus 6 nr. 8 in g kleine terts, "fatto per la notte di natale", geschreven voor Kerstavond, eindigt met een pastorale.

     Diverse soortgelijke werken, posthuum uitgegeven

- Sinfonia in D kleine terts, WoO 1

- Sonata a Quattro, WoO 2

- Sonata a Quattro, WoO 3 (niet compleet, echtheid betwijfeld)

- Sonata a Quattro voor trompet, 2 violen en basso continuo, WoO 4

- 6 triosonaten, WoO 5–10

     4 aan Corelli toegeschreven vioolsonates Anh. 33 - 36

     12 Assisi-sonates, Anh, 38 - 49 vioolsonates uit manuscript 177 van de bibliotheek van het klooster van de Heilige Franciscus basiliek in Assisi, in 1963 teruggevonden, waarvan musicologen na onderzoek menen dat ze van Corelli zouden kunnen zijn. De sonates zijn gekopieerd door de Fransiscaanse pater Joseph Maria Galli, geboren in 1720, cellist en zanger in de basiliek van Assisi. Een parelsnoer van elegante mini-sonates. CD Ensemble Aurora; Glossa 921209 (2014);

 

Georg Muffat (Megève, Savoye, Frankrijk, 1 juni 1653 – Passau, 23 februari 1704 was de zoon van Andreas Muffat en Margarita Orsy. Zijn vader was afkomstig uit een Schotse familie. Kort na zijn geboorte in 1653 verhuisde zijn familie naar de Elzas. Van 1663 tot 1669 studeerde Georg Muffat muziek in Parijs bij Jean-Baptiste Lully (1632-1687). Daarna studeerde hij aan enkele Jezuïetencolleges in de Elzas. Van 1671 tot 1674 was hij organist in Molsheim bij Straatsburg. In 1674 studeerde hij in Ingolstadt rechten. Daarnaar concentreerde hij zich helemaal op muziek en verhuisde naar Wenen.

In 1678 werd Georg Muffat benoemd aan het hof van de vorst-aartsbisschop van Salzburg.

Omstreeks 1680 reisde Georg Muffat door ItalIé, waar hij orgel studeerde bij Bernardo Pasquini en contact had met Arcangelo Corelli,

Van af 1690 was Muffat kapelmeester aan het hof van de bisschop van Passau: Johann Philipp von Lamberg. Deze functie bleef hij tot zijn dood vervullen. Georg Muffat schreef voornamelijk instrumentale muziek. Op zijn sterfbed zou hij gezegd hebben dat hij spijt had van zijn geringe bijdrage aan de religieuze muziek. Zijn zoon Gottlieb Muffat was ook een bekende componist.

Georg Muffat componeerde

     15 concerti grossi

- Armonico Tributo, 1682, 5 " Sonate per vari strumenti"; ondanks de naam in feite 5 concerti grossi

Sonata  nr. 5 in G grote terts; De Passacaille uit dit concerto is onvergetelijke muziek

- 12 Concerti Grossi - Auserlesener mit Ernst und Lust gemengter Instrumental-Musik Erste Versamblung, voor strijkers en basso continuo, 1701

Concerto grosso IV - Dulce Somnium (zoete droom)

     15 suites voor strijkers en basso continuo

- Florilegium Primum, 1695, 7 orkestsuites voor 4 of 5 strijkers en basso continuo

1. Eusebia

2. Sperantis gaudia

3. Gratitudo

4. Impatientia

5. Sollicitudo

6. Blanditiae

7. Constantia

- Florilegium Secundum, 1698, 8 orkestsuites voor 4 of 5 strijkers en basso continuo

     6 vijfstemmige sonates voor strijkers

     3 opera’s

     3 missen

- Missa in labore requies, voor 24 stemmen, met een verwijzing naar de Pinkstersequens Veni Sancte Spiritus. Pracht en praal. Overweldigende muziek.

     1 motet

     1 sonate voor viool en basso continuo, 1677, prachtig.

     16 orgelwerken, worden ook wel op klavecimbel gespeeld;

- Apparatus Musico-Organisticus, 1690, opgedragen aan Keizer Leopold I,

×12 toccata’s

× Ciacona

× Passcacaille in c kleine terts

× Air “"Nova Cyclopedeias Harmonica" met variaties

     klavecimbelwerken

     1 werk voor luit

 

Johann Pachelbel (Neurenberg, gedoopt 1 september 1653 – 3 maart 1706) was één van veertien kinderen uit twee huwelijken van wijnhandelaar Johann (Hans) Pachelbel uit Neurenberg. Zijn moeder was zijn vaders tweede vrouw Anna (Anne) Maria Mair. Johann Pachelbel begon zijn muzikale ontwikkeling onder leiding van Heinrich Schwemmer.  Hij volgde lager onderwijs aan de St. Lorenz Hauptschule en middelbaar onderwijs aan het Auditorium Aegedianum in Neurenberg. Op 29 juni 1669 schreef  hij zich in als student aan de Universiteit van Altdorf. Hier werd hij in hetzelfde jaar benoemd tot organist van de St. Lorenzkerk.  Om zijn studies te voltooien werd hij in 1670 beursstudent (wegens geldgebrek) aan het Gymnasium Poeticum in Regensburg

Johann Pachelbel kreeg toestemming om buiten het Gymnasium muziekles te nemen. Zijn leraar was Kaspar (Caspar) Prentz.

 In 1671 verhuisde Johann Pachelbel naar Wenen waar hij student werd en vervanger van de organist Johann Kasper Kerll aan de Weense hofkapel.

In 1677 werd hij organist in Eisenach, de stad waar acht jaar later Johann Sebastian Bach geboren zou worden. Later werd Pachelbel organist in Erfurt in het Duitse Thüringen, een van zijn leerlingen in die tijd was Johann Christoph Bach III, de oudste broer van Johann Sebastian Bach.

In 1690 werd Johann Pachelbel organist aan het hof van Stuttgart.

Johann Pachelbel overleed in 1706 in zijn geboorteplaats.

Johann Pachelbel componeerde

     27 geestelijke concerten

- Christ ist erstanden, P 57, concerto voor sopraan, viool en basso continuo.

- Mein Fleisch ist die rechte Speise mein Blut die rechte Trank, concerto voor sopraan, viool en basso continuo.

     23 aria's

- Das Gewitter in April, voor tenor, 2 violen en basso continuo, P 75, een onweer in drie minuten

     11 motetten voor dubbelkoor (8 stemmen en b.c.

- Nun danket alle Gott, P 381

- Singet dem Herrn ein neues Lied,  P 424

     14 Geistliche Konzerte

- P 60 Christ lag in Todesbanden, voor SATB, 2 violen, 3 altviolen, fagot en basso continuo.

- P 487 Was Gott tut, das ist wohlgetan, voor SATB, 2 violen, 2 altviolen, fagot en basso continuo.

     2 missen

     12 ingressi (Deus in adjutorium meum intende)

     14 magnificats

     13 instrumentale ensemblewerken

- Musicalische Ergötzung (“muzikaal genot”), P 370a–375, 1691,  zes suites voor twee violen en basso continuo. Zes parelsnoeren van beelschone stukjes

- Canon en Gigue in d kleine terts voor drie violen en basso continuo, P 37, omstreeks 1695.

     orgel- en klavecimbelwerken

- 180 koraalpreludes

- 7 koraal variaties

- 100 magnificat fuga’s

- 11 aria’s met variaties

- 21 suites

- 14 preludes

- 6 preludes en fuga’s

- 9 toccata’s

- 2 toccata en fuga’s

- 35 fuga’s

- 9 fantasieén

- 7 ciacones

- 4 ricercares

- 6 overige werkjes

 

Andreas Anton Schmelzer (Schmeltzer von Ehrenruef) (Wenen, 26 november 1653 - 13 oktober 1701) was een van de drie zonen van Johann Heinrich Schmelzer, die het beroep van hun vader hadden overgenomen. Andreas Anton kreeg les van zijn vader en werd op 16 februari 1671 lid van het Weense hoforkest. Na zijn vaders dood in 1680 kreeg hij de betrekking van officieel componist van balletmuziek aan het hof. In 1693 trok hij zich wegens gezondheidsproblemen van zijn posities terug.

Andreas Anton Schmelzer componeerde

     75 balletsuites

     sonates

Die Türkenschlacht bei Wien 1683 voor viool en basso continuo, overtuigend expressief; Andreas Anton Schmelzer heeft de 10de rozenkranssonate van Heinrich Ignaz Franz Biber getransponeerd en de delen die bij Biber op de kruisiging betrekking hebben, andere opschriften gegeven en er een overwinningsmars aan toegevoegd;  

     suites

     werken voor orgel of klavecimbel

 

Thomas d’Urfey (Durfey), (Devon, Engeland, omstreeks 1653 - London, 26 februari 1723) was een Engelse dichter en toneelschrijver. Hij leefde als zanger en “hofnar” aan het Engelse hof. Hij werkte samen met Henry Purcell en John Eccles. Hij schreef 10 van de 68 liedjes van ”The Beggars Oper”

Thomas d’Urfey publiceerde

     vijf delen gedichten op muziek,  1719:

- Wit and Mirth, of Pills to Purge Melancholy (“Medicijn om de ziel van zwaarmoedigheid te reinigen”; ook: Songs Compleat, Pleasant and Divertive);

     deel 6 in 1720; met de eerdere vijf delen  bij elkaar 1000 versjes. Sommige melodieën zijn van hemzelf, de meeste zijn (aangepaste) bestaande melodieën.   

 

Pietro Antonio (Pierre-Antoine) Fiocco (Venetië, 3 februari 1654 – Brussel, 3 september 1714) groeide op in Italië, waar hij ook zijn opleiding kreeg. Dirck Strijcker, de zoon van de Nederlandse consul in Venetië, liet hem naar Amsterdam overkomen om de leiding te nemen aan de net opgerichte opera op het terrein van de klokkengieter Hemony aan de Lijnbaansgracht in Amsterdam . In 1682 werd Pietro Antonio Fiocco kapelmeester in Brussel bij Eugen Alexander von Thurn und Taxis, die daar de honneurs voor de Spaanse Vorst waarnam. Pietro Antonio Fiocco trouwde 22 oktober 1682 in Brussel met Jeanne de Laetre. In 1691 stierf Jeanne en bleef hij met drie jonge kinderen zitten. In 1683 hertrouwde Pietro Antonio Fiocco met Jeanne Françoise Deudon, met wie hij 11 kinderen kreeg. In 1694 werd Pietro Antonio Fiocco mede-eigenaar van het eerste openbare opera- en theatergebouw in Brussel. In 1700 nam hij de muzikale leiding van het Monnaietheater in Brussel over. In 1703 werd hij „maître de musique“ van de Notre Dame du Sablon. Zijn dochter Melissa Amelia Fiocco, grootste inspiratiebron voor zijn muziek, stierf op 23-jarige leeftijd, haar man, Angelo Pertioniro en drie kinderen achterlatend. Zijn zonen Joseph-Hector Fiocco (1703–1741) en Jean-Joseph Fiocco (1686–1746) waren ook bekende componisten en muzikanten in Brussel in de vroege 18de eeuw.

Pietro Antonio Fiocco componeerde

     nieuwe prologen voor bestaande opera’s

     Sacri Concerti a una e piû voci, 1691.

     2 missen

     talrijke motetten

     sonaten voor blokfluit of viool en basso continuo

- sonate in C grote terts vor altblokfluit en basso continuo

     triosonaten voor twee fluiten of violen en basso continuo

     aria’s

 

Agostino Steffani (Castelfranco Veneto, 25 juli 1654 – Frankfurt, 12 februari 1728). Op zeer jonge leeftijd was hij al koorzanger in de San Marco in Venetië. In 1667 trok zijn mooie stem de aandacht van graaf Georg Ignaz von Tattenbach, die hem meenam naar München. Daar werd hij verder opgleid op kosten van Ferdinand Maria, keurvorst van Beieren. De keurvorst stelde hem ook tegen een redelijk salaris werd aan als Churfürstlicher Kammer- und Hofmusikus. Na lessen van Johann Kasper Kerll, werd hij in 1673 voor studie naar Rome gestuurd, waar hij les kreeg van Ercole Bernabei. In 1674 kwam hij in München terug.

In 1675 werd hij aangesteld als hoforganist. Ondertussen was hij ook priester geworden, met de titel “Abbate van Lepsing”. In 1688 werd Agostino Steffani benoemd tot Kapellmeister aan het hof van Hannnover. De keurvorst Georg I Ludwig van Hannover was erg op zijn werk gesteld, en toen hij in 1714 benoemd werd tot Koning George I van Engeland, nam hij al zijn werken mee naar Buckingham Palace. Behalve met het schrijven van opera’s hield Agostino Steffani zich vanuit Hannover bezig met het onderhouden van lastige diplomatieke betrekkingen en opdrachten voor Ernst Augustus, Graaf van Brunswick-Luneburg. Hij deed dat zo goed dat Paus Innocent XI hem wijdde tot bisschop van Spiga in Spaans West Indië.

In 1698 werd hij als ambassadeur naar Brussel gestuurd, en na de dood van Ernst Augustus kwam hij in dienst van keurvorst Johann Willem II in Düsseldorf. Hij reisde door heel Europa en stierf, betrokken bij een diplomatieke transactie in Frankfurt.

Agostino Steffani componeerde

     18 opera’s

- Niobe, Regina di Tebe, Dramma per musica in drie aktes, libretto Luigi Orlandi, 1688. Mooie orkestpartijen, opwindende blazersfanfare in het openingsdeel. Koning van Thebe, Anfione (soprano castrato), die terwille van zijn arrogante vrouw Niobe (sopraan) afstand van de troon heeft gedaan, maar terug moet naar Thebe om de vijand tegen te houden, krijgt de meeste vocale hoogtepunten. Belangrijke rol voor Thessalonische prins Creonte  (alto castrato, tegenwoordig: countertenor}. De viswijverige Nerea (alt), verzorgster van Niobe, mag er ook wezen. En het Thebaanse meisje Manto (sopraan), verliefd op de vijandige prins Tiberino (tenor), kan er ook wat van.

- La superbia d'Alessandro, drama per musica met een proloog en 3 bedrijven, libretto Ortensio Mauro, februari 1690; gereviseerd als Il zelo di Leonato, februari 1691, de ouverture La Tempête  werd op een kladblaadje gekopieerd door Johann Sebastian Bach en daarmee van de vergetelheid gered.

     19 motetten

     13 vesperpsalmen

     1 magnificat

     1 stabat mater, 1728 voor zes zangstemmen, strijkers en basso continuo, zijn beste werk.

     6 scherzi, cantates voor 1 zangstem en instrumenten,

- 1. Fileno, idolo mio, cantata voor sopraan, twee violen en basso continuo 
- 2. Hai finito di lusingarmi, cantata voor sopraan, twee hobo’s en basso continuo 
- 3.Il più felice e svoortunato amante, cantata voor alt, twee violen en basso continuo 
- 4. Spezza amor l'arco e gli strali, cantata voor sopraan, hobo, dulcian en basso continuo 
- 5. Lagrime dolorose, cantata voor bas, twee blokfluiten en basso continuo

- 6. Guardati, o core, cantata voor sopraan, twee violen en basso continuo

     2  madrigalen

     100 Duetti da camera (kamerduo’s), cantates voor 2 stemmen en basso continuo, zijn bekendste en meest gerenommeerde werken. De twee vocale partijen zijn steeds precies even belangrijk.

     sonate da camere voor twee violen, altviool en basso continuo

     sonates voor solo-instrument en basso continuo

- Sonata in d kleine terts, voor altblokfluit en basso continuo, laatste deel een bewerking van een lied van Henry Purcell.

 

Vincent Lübeck (Padingbüttel, Duitsland, september 1654 - Hamburg, 9 februari 1740) was de zoon van Vincent Lübeck, organist van de Mariakerk in Flensburg. In het jaar dat Vincent geboren werd, stierf zijn vader. De weduwe trouwde met zijn opvolger Caspar Förckelrath. Zijn stiefvader was dan ook zijn eerste docent. Daarna studeerde Vincent Lübeck nog bij Andreas Kneller. In 1674 werd hij organist van de Sankt Cosmae-kerk in Stade. Hij trouwde dat jaar ook met de dochter van zijn voorganger: Susanne Becker, een gebruikelijke, vaak verplichte praktijk in die dagen. Vanaf 1679 stond in de Sankt Cosmaekerk een orgel van de beroemde orgelbouwer Arp Schnitger. Vincent Lübeck en Arp Schnitger bleven levenslang bevriend. In 1702 nam zijn zoon Peter Paul Lübeck (1680–1732) zijn werkzaamheden in Stade over. Vincent Lübeck werd tot zijn dood in 1740 organist van de Sint-Nikolai-kerk in Hamburg, waar hij het grootste van alle Schnitger-orgels ter beschikking had. Vincent Lübecks’ twee zonen werden ook componist In Stade is het Vincent-Lübeck-Gymnasium naar hem vernoemd...

Vincent Lübeck componeerde (overgebleven werk, veel is verloren gegaan)

     5 cantates

     8 orgelwerken

     7 klavecimbelwerken

 

Quirinus Gerbrandt van Blankenburg (Gouda, 1654 (?) - 1739) kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn vader. Hij werd keurmeester van orgels en klokkenspelen: zo bezocht hij de klokkengieterij van Pieter Hemony in Amsterdam. Rond 1670 werd hij organist van de Remonstrantse kerk te Rotterdam. In zijn theoretische werken onderzocht hij onder meer het 31-toonstelsel van Christiaan Huygens. Rond 1690 leidt hij in 's-Gravenhage een Collegium Musicum, een vereniging met tot doel (semi-)publieke concerten te geven.

Rond 1700 werd hij organist van de Nieuwe Kerk in 's-Gravenhage, èn organist van de Waalse Kerk. Hij was keurmeester  van orgels en klokkespelen  en gaf les aan onder andere Wilhelm Bentinck en Unico Wilhelm van Wassenaar.

Quirinus van Blankenburg schreef twee theoretische boekwerkjes over muziek:

- Onderwijzinge hoe men alle de Toonen en halve Toonen, die meest gebruijkelijck zijn, op de Handt-Fluijt zal konnen t'eene mael zuijver Blaezen, Amsterdam, 1684

- Elementa Musica, of Nieuw Licht tot het welverstaan van de musiec en de bas-continuo, Laurens Berkoske, ’s-Gravenhage, 1739, op 85-jarige leeftijd geschreven!

 

Quirinus van Blankenburg componeerde                    

     1 cantate

- L'Apologie des Femmes" een antwoord

op "Les Femmes" van de Franse componist André Campra,

     2 boeken met orgel- en klavecimbelwerken

- La double harmonie d’une musique algébraique, De dubbelde harmony, Franse dansen, waarin, gespiegeld en op hun kop gelezen, bas en melodiestem verwisselbaar zijn, gecomponeerd naar aanleiding van het huwelijk van Anna van Hannover, dochter van George II, koning van Engeland met de Friese stadhouder Willem Carel Hendrik Friso.

- Clavecimbel en Orgelboek der Gereformeerde Psalmen en Kerkgezangen, 1732, met psalmbewerkingen