Componisten

vanaf 1665

 

Benedikt Anton Aufschnaiter (gedoopt Kitzbühel, Oostenrijk, 21 februari 1665 – begraven Passau, 24 januari 1742) kreeg zijn muzikale opleiding in Wenen. Op een gegeven moment kreeg hij een betrekking in een orkest verbonden aan het keizerlijke hof. Op 16 januari 1705 werd hij aangesteld als Kapellmeister aan het hof van bisschop-kardinaal Johann Philipp von Lamberg in Passau als opvolger van Georg Muffat. Benedikt Anton Aufschnaiter trouwde twee keer en had uit zijn tweede huwelijk een zoon.

Benedikt Anton Aufschnaiter schreeef een theorieboek:

     Regulæ Fundamentales Musurgiæ (fundamentele regels om goed muziek te componeren)

Benedikt Anton Aufschnaiter  componeerde 300 werken:

     1 concerto

     6 orkestsuites

     7 serenades

     10 orkestsonates

     5 missen

     1 requiem

     12 offertoriums

     1 miserere

     1 litanie

     vesperpsalmen

 

Gaetano Veneziano (Bisceglie, Bari, Italië, 1656 – Napels, 15 juli 1716) studeerde vanaf zijn tiende jaar bij Francesco Provenzale aan het Conservatorio Santa Maria di Loreto in Napels. In 1684 werd hij daar maestro di cappella. Hij volgde in 1704 Alessandro Scarlatti op als maestro van de Spaanse koninklijke kapel, maar na drie jaar raakte hij die post alweer kwijt toen de Oostenrijkers de zeggenschap over Napels van de Spanjaarden overnamen. Tot zijn dood bleef hij aan de Loreto lesgeven. Zijn zoon Giovanni Veneziano was ook componist.

Gaetano Veneziano componeerde

     5 passionen

- La Passione secondo Giovannio, pas onlangs (2016) uit een archief opgeduikeld. Tekst in het Latijn. Prachtige momenten.

     2 oratoria

- "La Santissima Trinità", oratorium voor vijf stemmen, strijkers en basso continuo. Charmant werk

     3 missen

     8 cantates

     44 lezioni per notturni, bijbelgedeelten om te zingen of te spelen tijdens de metten, onderdeel van het getijdengebed

- Invitatorium (inleiding) en responsoria voor de  eerste nocturne (nachtelijk gebed, onderdeel van de  Metten)  voor de dodenofficie

- 7 lezioni voor de Nocturnes voor de dodenofficie, veel teksten uit het boek Job

- 4 lezioni per notturni voor de Kerstdagen 

- 11 lezioni voor andere Nocturnes 

     22 tenebrae - Musiche per la Settimana Santa a Napoli

     28 motetten

     28 liederen

 

Nicolaus (Nicholas) Bruhns, (Schwabstedt, 1665 ‒ Husum, 29 maart 1697) studeerde bij zijn vader Paul Bruhns (1640-89?), organist in Schwabstedt. Later studeerde hij compositie en orgelspel bij Dieterich Buxtehude in Lübeck. Met hulp van Buxtehude kreeg hij een betrekking als violist en componist aan het Deense koninklijke hof in Kopenhagen. In 1689 werd hij stadsorganist van Husum, zijn laatste betrekking voor zijn vroege dood (verschillende bronnen spreken elkaar tegen, of hij op dat moment 31 of 32 jaar was).

Nicolaus Bruhns schreef

     12 religieuze werken voor 1 – 4 stemmen, strijkers en basso continuo

- De profundis, indrukwekkend

     4 preludia voor orgel, feestelijk

- Praeludium in G

     1 koraalvariatie voor orgel

- Nun komm, der Heiden Heiland

Bruhns' orgelmuziek is geschreven in de Stylus Phantasticus.

Alle bronnen van overlevering van bovengenoemde werken zijn handgeschreven kopieën uit Johann Sebastian Bachs directe omgeving. 

Elisabeth Claude Jacquet de la Guerre (Parijs, circa. 1665 – Parijs, 27 juli 1729) was de dochter van organist en maître de clavecin Claude Jacquet. Het wonderkind van Mozart-achtige allure speelde in 1670 Louis XIV voor. Hij bemoedigde haar haar talenten te ontwikkelen. Zijn maîtresse Madame de Montespan nam Elisabeth onder haar hoede. Hierdoor kon zij aan het hof verkeren en één van de belangrijkste Franse componisten naast Jean-Baptiste Lully worden. Veel van haar composities droeg Elisabeth Jacquet op aan Lodewijk XIV. Tijdens haar leven was Elisabeth de la Guerre een beroemdheid en haar salonconcerten en publieke recitals werden in tijdschriften lovend beschreven.

23 september 1687 trouwde Elisabeth Jacquet met de organist van de Saint-Séverin: Marin de la Guerre. In 1704 verhuisde ze naar het eiland St Louis. Ze stierf in Parijs in 1729. Ze had drie klavecimbels in haar bezit.

Elisabeth Jacquet de la Guerre componeerde

     1 opera

- Céphale et Procris, 1694, vil met aardige airs en divertissements

     1 ballet

     16 cantates op teksten van Houdar de la Motte

- Le Passage de la mer rouge, 1708

- Jonas

- Judith

- L'Ile de Délos, cantate voor sopraan, viool, fluit, hobo, gamba en basso continuo, omstreeks  1715, mooie pastorale cantate met 11, soms volledig instrumental delen

     triosonates, 1695

     vioolsonates, voor viool obligate gamba en basso continuo, 1707

     werken voor klavecimbel, 1687 en 1707

 

Jean-Féry Rebel (Frankrijk, 18 april 1666 - 2 januari 1747) was de zoon van Jean Rebel, tenorzanger in de privékapel van Lodewijk XIV. Jean-Féry was een wonderkind op de viool.Hij had onder meer les van Jean-Baptiste Lully .

In 1699 was Jean-Féry Rebel eerste violist zowel aan de Koninklijke Muziekacademie als aan de Opéra. Van 1700 tot 1705 reisde hij door Spanje. In 1705 terug in Frankrijk ging hij deel uitmaken van de “Vingt-quatre violons du roy”. In 1716 werd hij Maitre de Musique aan het hof en in 1726 Kamercomponist.

Zijn zoon François Rebel (1701-1775) was ook componist, gewaardeerd violist, en lid van de "Vingt-quatre violons du roy."

Jean-Féry Rebel componeerde

     1 opera

- Ulysse, tragédie lyrique, 1703, het verhaal van Odysseus terugkeer naar Ithaca

     7 balletten

- Les caractères de la danse, symphonie chorégraphique, 1715, een ballet zonder thema of woorden, dat bestaat uit een suite van een prélude en 11 hofdansen.

- "Les Eléments", 1737, over de vier elementen; aarde, water, lucht en vuur, die worden uitgebeeld in de orkestratie. Voor die tijd een onwaarschijnlijke manier van uitbeelden. De ouverture, "Le Cahos" (chaos), lijkt haast een sprong van 200 jaar te maken richting atonaliteit. Superwoest balletmuziek met slustertechnieken, dissonanten, atonaliteit en ritmewisselingen, alsof de componist midden in de 20ste eeuw staat.

     12 triosonates, waarbij een "derde" stem  een van de andere soms verdubbelt

- Recueil de douze sonates a II. et III. parties avec la bass chifrée, 1712

+ Le tombeau de M. de Lully, en hommage à son maître

     12 vioolsonates, gemengd met solocaprices

     airs voor zangstem

 

Attilio Malachia Ariosti (Bologna, Italië, 5 november 1666 – 1729) was afstammeling van een onechte tak van de Bolognese adellijke familie Ariosti. Hij kreeg al jong zang-, viool- , orgel en compositielessen. Attilio Ariosti werd op 22-jarige leeftijd monnik in de orde van de Servieten van Maria. In 1692 werd hij diaken en organist aan de Santa Maria dei Servi kerk in Bologna In 1696 kreeg Attilio Ariosti toestemming om de orde te verlaten en componist te worden aan het hof van de Hertog van Mantua en Monferrato.

In 1697 kwam Attilio Ariosti op verzoek van Sophia Charlotte van Hannover, koningin van Pruisen, naar Berlijn Hij bleef in Berlijn als hofcomponist tot 1703. Hij schreef er ook libretto's voor collega's.

Van 1703 tot 1709 was Attilio Ariosti Algemeen Oostenrijks Vertegenwoordiger voor Italië in dienst van Keizer Joseph I. Hij woonde een tijdje in Wenen, waar hij concertaria's schreef en trok toen via Parijs naar Londen. Hij werkte daar aanvankelijk als virtuoos bespeler van de viola d'amore. Na 1716 deelde hij met Georg Frideric Handel en Giovanni Bononcini het directeurschap van de Royal Academy of Music. Hij schreef een aantal werken voor het King's Theater in Haymarket. Omdat Attilio Ariosti er een nogal luxe levensstijl op na hield en een bijpassende berg schulden, was hij niet altijd even populair bij zijn collega's.

Attilio Ariosti componeerde

     30 opera’s

- Caio Marzo Coriolano, 1723, originele harmonieën.

- Vespasiano, dramma per musica in 3 bedrijven, libretto Nicola Francesco Haym, 1724.

- Il naufragio vicino, ??

     1 ballet

     8 oratoria

     talloze cantates

     concerti da camera

     21 sonates voor viola d’amore (“Stockholmsonates”, omdat ze bewaard bleven in de Statens Musikbibliotek in Stockholm, Zweden)

     12 Divertimenti da Camera voor viool en violoncello

     Recueil de Pièces pour la Viol d'Amour,  57 delen voor viola d’amore, ook in Stockholm bewaard

 

Miguel de Ambiela (La Puebla de Albortón bij Zaragoza, Spanje, 1666 – Toledo, 29 March 1733) leerde muziek aan de kapittelkerk van Daroca bij Zaragoza, waar hij op zijn 18de jaar maestro de capilla werd. Dezelfde functie vervulde hij daarna in Lérida, Jaca, en aan de Catedral-Basílica de Nuestra Señora del Pilar (Basiliek van Onze vrouwe van de Zuil), in Zaragoza. Van 1707 tot 1710 was hij maestro de capilla van het Clarissenklooster van Madrid en vanaf 22 maart 1710 van de kathedraal Santa María van Tolèdo, toentertijd zo’n beetje de belangrijkste muzikale baan in Spanje. Miguel de Ambiela schreef een belangrijk muziektheorieboek Disceptación música y discurso problemático over het gebruik van onvoorbereide dissonanten.

Miguel de Ambiela componeerde

     25 missen

     12 motetten

Stabat mater dolorosa voor vier stemmen

     3 hymnes

     villancico’s

Suban las voces al cielo, 24 oktober 1689, voor zes stemmen en basso continuo, snelmodulerend werk, meesterwerk in woordschildering; 

     orgelwerken

     harpwerken

 

Antonio Biffi (Venetië, Italië 1666 - 1733) studeerde vermoedelijk bij Giovanni Legrenzi In juli 1692 werd hij zanger bij het koor van de kapel van de Basiliek van San Marco in Venetië. Binnen een week moest hij de taak van de dirigent overnemen van Gian Domenico Partenio, omdat deze langdurig ziek werd. In februari 1702 werd Antonio Biffi officieel maestro di cappella. Hij hield de post van kapelmeester tot aan zijn dood. Daarnaast was Antonio Biffi koorleider van het Conservatorio dei Mendicanti. Leerling van Antonio Biffi was Giovanni Battista Ferrandini. Antonio Biffi mengt in zijn composities de Veneziaanse School met de Romeinse School.

Antonio Biffi componeerde

     2 oratoria

     6 psalmen

     3 wereldlijke cantates

     kerkcantates

     missen

     misdelen

     motetten

- miserere,  voor koor, strijkers en orgel, gecomponeerd voor de neef van Lodewijk XIV, opgevoerd in Versailles;

 

Antonio Lotti (Venetië, Italië, 5 januari 1667 - Venetië, 5 januari 1740) was de oudste zoon van Matteo Lotti, kapelmeester aan het hof in Hannover tot 1679 en Marina Gasparin. Hij kreeg nog twee jongere broertjes en een zus. Als kind zong Lotti in het koor van de San Marco in Venetië, waar hij een muzikale opleiding kreeg bij Giovanni Legrenzi. In 1692 werd hij aangesteld als tweede organist, in 1704 als eerste organist van de San Marco. Hij gaf ook les aan het Ospedale degli Incurabili in Venetië.

Op 12 februari 1714, trouwde Antonio Lotti met de sopraan Santa Stella Scarabelli (c. 1686 - 1759) uit Bologna.

De zoon van keurvorst van Saksen, August III van Polen nodigde Antonio Lotti in 1717 uit om naar Dresden te komen.

Tot 1719 bleven Lotti en zijn vrouw aan het hof in Dresden. Voor het huwelijk van de kroonprins Frederik August II met Maria Josepha werden drie opera’s van Antonio Lotti: Giove in Argo (1717), Ascanio (1718) en Teofane (1719) binnen twee weken opgevoerd, Telemann, Johann Sebastian Bach, zijn zoon Wilhelm Friedemann Bach en Händel waren aanwezig bij de uitvoeringen.

Na afloop van de feestelijkheden, waarvoor een speciale opera was gebouwd met 2.000 zitplaatsen, keerde Lotti - rijkelijk beloond - in zijn koets naar Venetië terug.

Antonio Lotti werd in 1736 kapelmeester van de San Marco. Hij werd kort daarop ziek en stierf vijf jaar later, tamelijk welvarend. Antonio Lotti werd begraven in de San Geminiano in Venetië. Bij de verwoesting van de kerk in 1851 ging zijn grafsteen verloren. Zijn testament maakt melding van een gondel, koets en paarden.

Santa Stella stierf twintig jaar later.

Antonio Lotti was een bescheiden muzikant en een gewaardeerde docent. Onder zijn leerlingen waren Domenico Alberti, Benedetto Marcello, Giovanni Battista Pescetti, Baldassare Galuppi, Giuseppe Saratelli en Jan Dismas Zelenka.

Antonio Lotti componeerde

     27 opera’s

     18 missen,

- Missa Sapientiae, voor 5 of 6 stemmen en orkest

- Missa Sancti Christofori, voor 8 stemmen, in het Credo komt een Crucifixus voor 8 stemmen voor, dat nogal populair geworden is en vaak apart wordt uitgevoerd

     3 requiems

     7 oratoria, muziek allemaal verloren gegaan

     vele motetten

- Credo in g kleine terts voor 6 stemmen, hierin ook een veelgezongen Crucifixus voor 6 stemmen

- Miserere in c kleine terts

- Dixit Dominus in g kleine terts

     68 wereldlijke cantatas,

- Se con stile frequenti, 1705

     4 madrigalen,

     1 concerto

     6 sinfonie

     6 vioolsonates

     5 andere kamermuziekwerken

     1 klavecimbelwerk

 

Michel Pignolet de Montéclair (Andelot, Haute-Marne, Frankrijk, 4 december 1667 – Aumont, 22 september 1737) werd geboren als Michel Pignolet, maar voegde later “Montéclair”, de naam van een vesting in zijn geboorteplaats, toe. Zijn vader was wever, op negenjarige leeftijd ging hij in het schoolkoor meezingen. In 1687 werd hij in het Operaorkest in Parijs aangenomen als basgambist. In Parijs studeerde  Pignolet de Montéclair bij Jean-Baptiste Moreau.

Pignolet de  Montéclair was een gewaardeerde muziekdocent: de dochters van zijn collega  François Couperin hoorden onder zijn leerlingen. Hij gaf op een frissen en moderne manier muzieklessen. Hij publiceerde daar ook boeken over. In 1721 opende hij een muziekwinkel, in 1735 hield hij op met lesgeven.

Pignolet de  Montéclair componeerde

     3 verzamelingen cantates

- Le Retour de la Paix, uit het eerste boek, 1709

     2 opera’s

- Festes de l'été, opéra-ballet met een voorspel en 3 actes, libretto Joseph Simon Pellegrin, 1716

- Jephté,  Bijbelse opera, libretto Joseph Simon Pellegrin, 1732

     2 motetten

     kamermuziekwerken

- 6 concerten voor 2 traverso’s, 1723

- 6 concerten voor traverso en basso continuo, 1724

- "Brunètes anciènes et modernes" duetten voor fluit en/of viool,  omstreeks 1730, verzameling populaire liedjes, waarvan de naam werd ontleend aan het in die tijd bekende lied “Ah, Brunette, tu me fais mourir”.

 

Diogenio (Padre Benedettino) Bigaglia (Murano, bij Venetië, Italië, omstreeks 1667 - Venetië , omstreeks 1745)  trad in 1694 in het Benediktijnerklooster San Giorgio Maggiore in Venetië in. In 1700 werd hij tot Priester gewijd, in 1713 werd hij prior van het klooster.

Diogenio Bigaglia componeerde

     4 oratoria

     18 missen

     15 motetten

     22  religieuze cantates

     44 wereldlijke cantates

     duo’s en trio’s voor vrouwenstemmen en basso continuo

     4 concerti

     12 sonaten voor viool en basso continuo

     3 triosonates voor twee fluiten en basso continuo

 

Johann Christoph Pepusch, (ook: John Christopher Pepusch) (Berlijn, Duitsland, 1667 – Londen, 20 juli 1752) was de zoon van een protestantse predikant en kreeg muziekles van de Saksische organist Grosse. Op 14-jarige leeftijd kreeg hij een betrekking aan het Pruisische hof.

Nadat hij getuige was geweest van de executie van een Pruisische officier wegens ongehoorzaamheid, besloot hij te emigreren naar een land met betere beginselen. Rond 1700 kwam hij via Nederland enige tijd ná september 1697 in Londen terecht, waar hij de rest van zijn leven zou blijven. Hij werkte er als altviolist en vanaf 1704 als klavecinist in het Druty Lane Theater. In januari 1708 werd hij aangenoemen als muzikant in het  Vanburgh’s Queen’s Theatre aan de Haymarket. Daar werkte hij als violist, klavecinist en begeleider van de sopraan Margherita de l’Epine. I

In 1714 werd Johann Christoph Pepusch muikaal directeur van het Drury Lane Theater.In 1715 werd hij tot organist en componist van de kapel in Cannous benoemd door de hertog van Chandos. Vanaf herfst 1716 was Johann Christoph Pepusch 15 jaar lang artistiek leider van het Lincoln's Inn Fields Theatre te Londen. Vanwege zijn muzikale verdiensten kreeg hij in juli 1713 een eredoctoraat in de muziekwetenschappen.

Ergens tussen 1718 en 1723 is Johann Christoph Pepusch met sopraan Margherita de l’Epine getrouwd. Hun enige zoon werd gedoopt op 9 januari 1724. De veelbelovende muzikale jongen overleed al in 1739.

Johann Christoph Pepusch was een van de oprichters van de Academy of Ancient Music in 1726. de Academy of Ancient Music specialiseerde zich in wat toen "Oude Muziek" was. In 1735 vormde hij de Academy om tot een muziekseminarie voor jonge muzikanten. Hij was een veelgevraagde docent en gaf les aan onder meer William Boyce, Benjamin Cooke, Johan Helmich Roman, John Travers, George Berg, James Nares en Ephraim Kellner. Na zijn dood hebben John Travers en  James Nares zijn uitgereide bibliotheek in de Academy of Ancient Music ondergebracht waaronder de verzameling klavecimbelmuziek die bekend geworden is onder de naam Fitzwilliam Virginal Book.

Johann Christoph Pepusch componeerde

     6 opera’s

- The Beggar’s Opera 1728, zijn bekendste en beroemdste werk, een operaparodie, geschreven door John Gay.  The Beggar's opera, was een reactie op de toenemende invloed van de Italiaanse opera en met name gericht op Georg Friedrich Händel. Behalve een persiflage op de Italiaanse opera gaf het ook de mogelijkheid door satirische teksten, kritiek te leveren op het corrupte bestuur van de eerste minister Sir Robert Walpole. Ook verschenen er voor het eerst gewone mensen op het toneel. The beggar’s opera  vormde voor Bertolt Brecht en Kurt Weill de inspiratiebron voor hun Dreigroschenoper uit 1928.

     4 masques

- Venus and Adonis, masque, libretto C. Cibber, naar Ovidius Metamorphosen, Drury Lane, 12 maart 1715; zijn langste en populairste masque. De liefdesgodin Venus (alt) probeert de jonge jager Adonis (sopraan, travestierol) te verleiden. De jaloerse oorlogsgod Mars (tenor) komt tussenbeide. Adonis wordt dodelijk gewond door een wild zwijn en de onsterfelijke Venus moet eeuwig treuren om zijn dood. Er komt een kleine aria in voor: Chirping Warblers (“Tjirpende mussen”) voor sopraan, “flageletto”, strijkers en basso continuo. De flageolet  kan prima op een sopraninoblokfluit worden gespeeld.  

     14 cantates

- When loves soft passion, tekst J. Blackley voor sopraan, blokfluit en basso continuo, 1720. De hertog van Chandos, aan wie Pepusch zijn tweede boek met 6 cantates opdroeg, speelde destijds zelf de blokfluitpartij; 

     5 motetten

     11 anthems

     5 odes

     10 concerto's

     55 triosonates

Sonate a 3, opus 3, voor twee violen, hobo's of blokfluiten en basso continuo, 1711

Sonate a 3, voor blokfluit, viool en fagot

     meer dan 100 sonates voor viool, (blok)fluit, hobo en basso continuo

 

Jean Gilles (Tarascon, 8 januari 1668– Toulouse, 5 februari 1705) werd maître de musique aan de kathedraal van St Etienne in Toulouse in 1697, als opvolger van André Campra. Jean Gilles stierf onverwacht op 37jarige leeftijd in Toulouse.

Jean Gilles componeerde

     Grand motets, waaronder

- leçons de ténèbres:”La Lamentations”

     Petit motets

Zijn motetten werden van 1728–1771 veelvuldige uitgevoerd tijdens de beroemde Concert Spirituel inParijs.

     Een requiem, buitengewoon beroemd, voor het eerst werd uitgevoerd bij zijn eigen begrafenis, maar later werd gezongen bij de begrafenisdiensten van onder meer Campra, Royer, de koning van Polen in 1736, Jean-Philippe Rameau in 1764, en Louis XV in 1774. Requiem met een vredige atmosfeer, elegant en transparant gecomponeerd.

 

Francesco Gasparini (Camalliore, bij Lucca, Italië, 5 maart 1668 - Rome, 22 maart 1727) was de tweede van vijf kinderen van Nicolao en Elisabetta Belfiore. In 1682 ging hij naar Rome, waar hij studeerde bij Arcangelo Corelli en Bernardo Pasquini en organist werd van de Madonna dei Monti-kerk. In 1684 werd hij lid van de 'Accademia Filarmonica’ van Bologna. Op 28 november trouwde hij in Rome met Maria Rosa Borrini, een Romeinse zangeres. In 1701 ging hij naar Venetië, waar hij de muzikale directeur werd van het Ospedale della Pietà. In 1714 kwam hij weer in Rome terug en werd daar maestro di cappella en organist in de Santa Maria Maggiore en in de basiliek van San Giovanni in Laterano. Tot zijn leerlingen behoorden Benedetto Marcello en Domenico Scarlatti. Ook Joachim Quantz studeerde tijdens zijn studiereis naar Italië enige tijd bij hem.

Francesco Gasparini schreef een tractaat over basso continuospel: L’Armonico Pratico al Cimbalo, dat tot het begin van de twintigste eeuw werd gebruikt.

Francesco Gasparini componeerde

     61 opera's

- Tamerlano, libretto Agostin Piovene, tragedia, 24 januari 1711, gereviseerd als Il Bajazet, 1719 en als Il Bajazette in 1723. Van de 1711 en 1723 versie is veel verloren gegaan, de 1719 versie is volledig bewaard gebleven. Tamerlano is een van de verhalen die het vaakst als opera zijn bewerkt. Prins Bajazet is de gevangene van koning Tamerlano. En Tamerlano is verliefd op Asteria, de dochter van Bajazet. Tamerlano wil Bajazet wel vrij laten om met Asteria te trouwen, maar die háát Tamerlano en probeert hem twee keer te vermoorden. Uiteindelijk pleegt Bajazet zelfmoord om wat rust in de vijver te brengen. En dan heb je nog Irene, de verloofde van Tamerlano die denkt blij met hem te kunnen trouwen. Dus veel dramatische momenten, stof voor prachtige aria’s. Georg Friedrich Händel gebruikte de slotscène, waarin Bajazet sterft op het podium, in zijn geheel voor zijn eigen opera Tamerlano.

     7 missen, 

Missa Canonica, 1705, voor vier stemmen en basso continuo. Johann Sebastian Bach kopieerde de mis in 1740 en voegde partijen voor strijkers, blazers en orgel toe.

     35 oratoria

     motetten, 

     3 psalmen.

     cantates

     sinfonia’s

     concerten

     klavecimbelwerken

 

François Couperin (Parijs, 10 november 1668 ‒ 11 september 1733), bijgenaamd 'Le Grand', was de zoon van Louis Couperin (1626-1661), François Couperin werd organist van de St. Gervais en later één van de officiële organisten van Lodewijk XIV. Hij werd in 1693 benoemd als organiste du roi. Kort na zijn komst aan het hof werd hij belast met het geven van klavecimbellessen aan de kleinzoon van Lodewijk XIV, Louis de France, Hertog van Bourgondië, en andere prinsen en prinsessen van den bloede. In 1713 kreeg hij van Lodewijk XIV het alleenrecht op het piubliceren van klavecimbelmuziek.  In 1717 werd Couperin  Ordinaire de la Musique de la Chambre du Roi pour le Clavecin. Als hofcomponist was Couperin niet alleen verantwoordelijk voor kamermuziek, maar ook voor muziek voor de Chapelle royale.

Na de dood van Lodewijk XIV in 1715 zette Couperin zijn werkzaamheden aan het hof voort, o.a. met klavecimbellessen aan de Poolse prinses Maria Leszczyńska, echtgenote van de toekomstige koning Lodewijk XV en dochter van de verdreven Poolse vorst Stanislaus Leszczyński. La Princesse Marie uit het derde klavecimbelboek herinnert muzikaal aan haar.

In 1730 gaf Couperin zijn beide hofverplichtingen op: zijn dochter Marguerite-Antoinette nam de klavecimbeltaken over, Guillaume Marchand, Louis Marchands zoon, de taken in de koninlijke kapel. Drie jaar later, op 11 september 1733, overleed François Couperin in Parijs.

Couperin schreef geen enkele grand motet, zoals Delalande, Jean-Baptiste Lully of Campra, deden, met hun volledige psalmzettingen met en hun veel pregnantere pracht en praal, maar had de voorkeur voor het weergeven van intiemere lyrische gevoelens binnen het petit motet.

François Couperin componeerde

     Religieuze vocale muziek

- Laudate pueri dominum. Motet de Psaume CXIII, voor twee sopranen en bas, 'Symphonie' voor 2 violen, en basso continuo (ca. 1693-97)

- Quatre versets du Motet de Psaume CXVIII, composé de l'ordre du roy (1703), gevolgd door

- Qui dat nivem. Verset du Motet de l'année dernière (1702)

- Sept versets du Motet de Psaume LXXXV, composé de l'ordre du roy (1704)

- Sept versets du Motet de Psaume LXXXIX, composé de l'ordre du roy (1705)

- Elevations:

+ Audite omnes et expanescite, voor haute-contre, 'Symphonie' voor 2 violen, en bc

+ Victoria: Christi resurgenti. Motet pour le jour de Pâques (1679-80), voor twee sopranen en bc

+ mysterium ineffabile, voor sopraan, bas en bc

+ amor, O gaudium, voor haute-contre, tenor, bas en bc

+ Jesu amantissime, voor haute-contre, tenor en bc

+ Veneti exultemus Domine, voor dessus, bas-dessus en bc

+ Quid retribuam tibi Domine, voor haute-contre en bc

+ Magnificat, voor twee dessus en bc

+ Domine quia refugium. Motet (op psalm 90; 1679-80), voor twee basses-tailles, bas en bc

+ Dialogus inter Deum et hominem: Accedo ad te mi Jesu (1679-80), voor haute-contre, bas en bc

+ Laetentur coeli. Motet de Saint Barthélemy, voor twee dessus en bc

+ Festiva laetis cantibus. Motet de Sainte Anne (1679-80), voor dessus, haute-contre, bas en bc

+ Jucunda vox Ecclesiae. Motet de Saint Augustin (1679-80), voor twee sopranen, bas en bc

- 'Le manuscript de Toulouse' omvat:

+ Tantum ergo sacramentum (1679-80), voor twee dessus, bas en bc

+ Domine salvum fac regum (1679-80), voor dessus, bas en bc

+ Lauda Sion salvatorem, elevation (1679-80), voor twee dessus en bc

+ Respice in me (1679-80), voor haute-contre en bc

+ Salve regina (1679-80), voor haute-contre en bc

+ Regina coeli laetare (1679-80), voor twee dessus en bc

+ Usquequo, Domine (1679-80), voor haute-contre en bc

+ Ad te levavi oculos meos, voor bas, twee violen en bc

+ Veni, veni, sponsa Christi. Motet pour Ste. Suzanne (1679-80), voor sopraan, haute-contre en bas, 'Symphonie' voor 2 violen, en bc

- Leçons de tenèbres à 1 et 2 voix (tussen 1713 en 1717):

+ nr. 1 Incipit Lamentation Jeremiae Prophetae, voor sopraan en basso continuo

+ nr. 2 Et egressus est a filia, voor sopraan en basso continuo

+ nr. 3 Manum suam misit hostis, voor twee sopranen en basso continuo.,

Deze eerste drie Leçons de Ténebres,  voor “Mercredy Saint  werden gepubliceerd, de andere zes zijn spoorloos verdwenen. Geen van zijn voorgangers heeft de Leçons zo dramatische-lyrisch gezet, helemaal de spraak van de “tragédie lyrique”, eigenlijk één groot recitatief, waarin Couperin zich de erfgenaam van Monteverdi en Carissimi toont. Door het effectieve gebruik van harmonisch schrijnende intervallen, de heldere structuur en de dramatische zeggingskracht horen deze lamentatiezettingen tot het hoogtepunt van Couperins oeuvre.

- Exultent superi. Motet de Ste. Suzanne (1679-80), voor sopraan, haute-contre, bas en bc

- Ornate aras (1679-80; incompleet), voor haute-contre en bc

- Resonent organa. Motet pour Sainte Cécile (1679-80; incompleet), voor twee sopranen, bas, 2 violen en bc

- Salvum me fac Deus (1679-80), voor bas, 2 violen, 2 fluiten, basse de viole en bc.

     wereldlijke vocale muziek

- 2 canons

- 10 liederen

     kamermuziek

- triosonates ,omstreeks 1690

+ La Steinkerque in Bes grote terts.

+ La Superbe in A grote terts, eigenlijk een zesdelige suite

- 1 kwartetsonate

+ La Sultane in d kleine terts, voor twee violen, 2 gamba's en continuo, omstreeks 1695; eigenlijk een zesdelige suite

- Concerts royaux, 1714, concert 1 t/m 4

- Les goûts-réünis ou Nouveaux concerts, 1724, concert 5 t/m 14

- "apotheoses", triosuites, 1724

+ Le Parnasse ou l'apothéose de Corelli, symboliseert het samengaan van de Franse muziek met de Italiaanse stijl; uitgebeeld wordt hoe Corelli náást Apollo op de Parnassus wordt toegelaten; 7 deeltjes

+ Concert en forme d'apothéose à la mémoire de l'incomparable M. de Lully; 9 deeltjes.

+ La Paix du Parnasse.

+ Essai de la réunion des Goûts François et Italien. De Italiaanse en Franse smaak waren weer verenigd.

- Les nations, 1726, deze triowerken bestaan uit een sonate, gevolgd door een suite; geïnspireerd door Corelli

+ La françoise (begint met la pucelle uit 1690) in e kleine terts; sierlijk gestileerde weemoed;

+ L'espagnole (begint met La visionnaire uit 1690) in c kleine terts; fluwelig klinkende Gavotte;

+ L'impériale in d kleine terts; een korte sonate gevolgd door 9 suitedelen; een deel hieruit heeft Johann Sebastian Bach (vermoedelijk, authenticitiet is niet zeker) bewerkt voor orgel als Aria in F grote terts, BWV 587

+ La piémontaise (begint met L'astrée uit 1690) in g kleine terts

- Pièces de violes, 1728, 2 suites voor viole da gamba

     2 orgelmissen, 1690

- deus Messes, L'Une à l'usage ordinaire des Paroisses, pour les Festes Solemnelles, (voor gebruik in de parochie, op Kerkelijke Hoogtijdagen, waarin de karakteristieke passages uit  Kyrie, gloria, Sanctus en Agnus Dei treffend worden verklankt

- L'Autre propre pour les Couvents de Religieux, et Religieuses. (voor het klooster)

     248 klavecimbelwerken

- Premier Livre de pièces de Clavecin. Ordres 1- 5 1713, de werken zijn gerangschikt volgens toonaard maar Couperin noemde  zo'n ordening, als enige, niet suites of suites de pièces de clavecin, maar ordres. De stukken hebben allemaal titels die verwijzen naar toestanden, personen en karakters in de theaterwereld en de politiek en de stukjes drijven daar vaak de spot mee. Duiding is lastig. 

- L'Art de toucher le clavecin,  over het bespelen van klavecimbel; én 8 préludes, 1716

- Second Livre de pièces de Clavecin. Ordres 6 - 12

+ 6e ordre: nr. 5: Les Barricades Mystérieuses, fascinerend en betoverend mooi

+ 8e ordre: ondermeer Passacaille

- Troisiéme Livre de Clavecin, 1722, individuele karakterstukken met sterke melodieën. Ordres 13 - 19

+ 14e ordre: ondermeer Le Rossignol-en-amour, met de aanwijzing dat de rechterhand van het klavecimbel door fluit gespeeld kan worden

+ 18e ordre: ondermeer Le Tic-Toc-Choc ou les Maillotins

- Quatrième Livre de Clavecin, 1730, Ordres 20 - 27

+ 27e ordre: nr. 3: Les Pavots, fragiel.

 

John Eccles (Eagles) (Londen, Engeland, omstreeks 1668 – Hampton Wick, 12 januari 1735) was de enige zoon van Henry Eccles (omsteeks 1640–1711). In 1694 werd John Eccles aangesteld in de privémuziekkapel van de Koning, in 1700 werd hij  Master of the King's Musick.

John Eccles werkte vooral als theatermuziekcomponist. In 1693 werd hij componist van het Drury Lane Theater.

Zijn latere leven woonde John Eccles  in Hampton Wick, en besteedde hij veel van zijn tijd aan vissen. Hij was de enige Master of the King's Musick in de geschiedenis die vier koningen heeft gediend. Koning Willem III, Koningin Anne, Koning George I en Koning George II.

John Eccles had drie dochters.

John Eccles componeerde

     12 masques en opera’s

- The loves of Mars & Venus, masque op tekst van Peter Anthony Motteux, geschreven samen met Godfrey Finger, november 1696

- Europe’s Revels for the Peace, 4 november 1697, waarin het “Verdrag van Rijswijk” bejubeld wordt, dat een einde maakte aan de Negenjarige Oorlog, tussen Nederland, Frankrijk en een groot aantal andere Europese landen. Libretto Pierre Antoine (Peter Anthony) Motteux, een naar Engeland gevluchte Hugenoot, die veel met John Eccles samenwerkte, Italiaanse opera’s in het Engels vertaalde en onfortuinlijk aan zijn einde kwam door een erotische verstikking in een Londens bordeel.

- Semele, 1707, opera, libretto William Congreve, voor solisten en strijkers, destijds nooit uitgevoerd, omdat de librettist en de hoofrolzangeres zich terugtrokken. Voor het eerst uitgevoerd in 1972,.De ijdele en hoogmoedige Semele verleidt Jupiter en brengt Juno daarmee tot razernij, met dramatische gevolgen. Semele sterft aan het eind van het werk en uit haar as verrijst een feniks.   .

     65 theatermuziekwerken

     8 odes

     liederen voor 1, 2 en 3 stemmen, voor een deel gecomponeerd voor actrice-zangeres Anne Bracegirdle, zijn mooiste werk.

     klavecimbelwerken

 

Louis Marchand (Lyon, Frankrijk, 2 februari 1669 - Parijs, 17 februari 1732) was een wonderkind, zoon van een middelmatige organist. Hij werd organist van de Nevers Cathedral toen hij 15 jaar oud was. lVoor zijn 20ste ging hij naar Parijs, waar hij in 1689 trouwde met de Parijse Marie Angélique Denis, en werkte in talloze kerken tot hij in 1708 organist werd van de Koning aan het hof.

Omdat hij zijn vrouw ontrouw was en haar bovendien mishandelde, kwam het in 1701 tot een echtscheiding. Het verhaal gaat dat koning Lodewijk XIV daarop verordende dat de helft van Marchands’salaris moest worden ingehouden en aan zijn vrouw uiitbetaald. Marchand betaalde dat terug door halverwege een mis die voor het hof werd uitgevoerd te stoppen met spelen. Toend e koning informeerde waarom, zie hij: “Sire, als mijn vrouw de helft van mijn salaris krijgt, moet ze ook maar de helft van de misdienst spelen.” Van 1713 tot 1717 maakte Louis Marchand een lange concertreis door Duitsland, wellicht ook om de financiële eisen van zijn ex-vrouw te ontvluchten. Daarna vestigde hij zich weer in Parijs waar hij tot zijn dood werkte als organist aan de Église des Cordeliers en als orgel- en klavecimbelleraar. Louis Marchand liet bij zijn dood een kist vol manuscripten na, die geërfd werd door zijn enige dochter: Françoise Angéline, maar die nooit is teruggevonden. Pierre Dumage en Louis-Claude Daquin waren leerlingen van hem.

Louis Marchand schreef een boek over compositieleer: Règles de la composition.

Louis Marchand componeerde

     52 orgelwerken,voor het eerst in de orgelliteratuur met dubbel pedaal gebruik

- Premier livre d'orgue (1708), een van debelangrijkste werken uit de late Franse orgelschool

- Basse de Trompette (boek I)

- Grand dialogue in C grote terts (boek III), 1696

- Fond d'orgue in E minor

- Quatuor, zelden voorkomend vierstemmig Frans contrapunt, voor drie manualen en pedaal.

     1 cantate

     3 geestelijke liederen

     16 klavecimbelwerken

 

Joseph Balthasar Hochreither (Salzburg, Oostenrijk, 16 April 1669 – 14 december 1731) was de zoon van Caspar en Lucia Hochreither. Zijn vader en grootvader waren meer dan 40 jaar koorzanger in de Salzburger Dom. Joseph Balthasar Hochreither studeerde vanaf 1681 aan het Gymnasium in Salzburg rn was daar ook lid van het Salzburger Kapellhaus, waar vanaf 1684 Heinrich Ignaz Franz Biber de scepter zwaaide. In 1688 studeerde Joseph Balthasar Hochreither aan de Universität Salzburg af.

In 1694 werd Joseph Balthasar Hochreither organist en koorleider in het Stift Lambach. In 1721 werd hij als Domstiftsorganist in de Salzburger Hofkapel aangenomen. Joseph Balthasar Hochreither werd op het Sint Peterskerkhof in Salzburg begraven.

Joseph Balthasar Hochreither componeerde

     3 missen

- Missa Ad multos Annos,  zijn bekendste mis

- Missa Jubilus sacer

     1 requiem

     vesperpsalmen

 

Ulrich Johann Voigt (Hamburg, Duitsland 1669 - Lüneburg 1732) was de zoon van een organist. Rond 1684 kreeg hij les van de Lüneburgse stadsmuzikant Gabriel Wäger, die na zijn overlijden in 1687 werd opgevolgd Nicolaus Petersen, ook een stadsmuzikant uit Lüneburg. In 1691 solliciteerde Ulrich Johann Voigt naar de functie van Stadsmusikant in Celle. Hij schreef bekwaam te zijn op de gebruikelijke instrumenten, waaronder op het klavier, en in de principes van het componeren. Ulrich Johann Voigt werd uit acht kandidaten verkozen tot de nieuwe stadsmuzikant. Eind 1691 stuurde Voigt de Stadsraad een vioolsonate, als dank voor zijn aanstelling, die hij, ter ere van het nieuwe jaar op nieuwjaarsdag zou uitvoeren, "omdat ik mij graag tegenover U wil bewijzen, en de muziekbeoefening wil voortzetten op een manier waarop de raad er geen ergernis, maar een genoegen aan zal beleven". Deze sonate is zijn enig bewaard gebleven compositie. In Celle kreeg Ulrich Johann Voigt en 20 jaar durende ruzie met speelman Ernst Ibel over de vraag wie het recht had bij gelegenheden te spelen. Ulrich Johann Voigt trouwde in 1691met Anna Würfel, een aangenomen dochter van Nicolaus Petersen. In 1710 vertrok Ulrich Johann Voigt als opvolger van de overleden Nicolaus Petersen naar Lüneburg. Ulrich Johann Voigt overleed in 1732, zijn vrouw door een samenloop van onfortuinlijke omstandigheden in schulden achterlatend.

Ulrich Johann Voigt componeerde

     Sonate in Bes grote terts voor viool en basso continuo, het Adagio daaruit is een toonbeeld van expressie.