Componisten

vanaf 1675

 

Carlo Ricciotti (Frosinone, Italië, 11 juli 1675 - Den Haag, 13 juli 1756) was een Italiaans violist uitgever en impresario, ook bekend onder de naam Charles Bachiche en met de de bijnaam Bacciccia. Hij maakte deel uit van een Franstalig operagezelschap in Den Haag van 1702 tot 1725, waarvan hij uiteindelijk de leider zou worden.

Carolo Ricciotti heeft helemaal nooit iets gecomponeerd. Maar in 1740 kreeg hij de opdracht kreeg de zes Concerti Armonici te drukken, anoniem geschreven door graaf Unico Wilhelm van Wassenaer. In 1755 werden ze opnieuw uitgegeven door de Londense drukker-uitgever John Walsh die de concerten toeschreef aan Carlo Ricciotti. Hierdoor ontstond de verwarring, die pas in 1979 opgelost zou worden door de musicoloog Albert Dunning (A Master Unmasked, Utrecht 1980).

Omdat het studentenorkest dat in 1970 werd opgericht, dat toen nog niet kon weten en zij hun straatoptredens begonnen met één van de Concerti Armonici, noemden ze zich het Ricciotti-ensemble, en dat is zo gebleven. Zo’n foute naam is eigenlijk wel mooi voor een straatorkest.

www.ricciotti.nl

 

Evaristo Felice dall'Abaco (Verona, Italië,12 juli 1675 - München, 12 juli 1742) was de zoon van een jurist. Als jongen leerde hij viool en cello spelen bij Giuseppe Torelli. In 1696 werkte hij in Modena samen met Tommaso Antonio Vitali. In 1704 werd Evaristo dall'Abaco hofkapelmeester bij keurvorst Maximiliaan II Emmanuel in München. Hij volgde de keurvorst, na zijn verliezen in de Spaanse successie-oorlog, in ballingschap naar Brussel, later naar Bergen en vanaf 1709 naar Compiègne.

In Brussel trouwde Evaristo dall'Abaco met Marie Clémence Bultinck. In 1710 werd in Brussel zijn zoon Joseph-Marie-Clément dall’Abaco geboren. Die zou ook een virtuoze cellist en begenadigd componist worden.

Na de Vrede van Utrecht in 1713 kwam Evaristo dall'Abaco in 1715 in München terug, In 1717 werd hij daar concertmeester en keurvorstelijke raadgever. Hij behield de functies tot 1740.

In Verona werd het Conservatorium naar hem vernoemd (Conservatorio Statale di Musica "Evaristo Felice dall'Abaco")

Evaristo dall'Abaco componeerde 66 werken:

     12 concerti a quattro da chiesa, opus 2

     18 concerti grossi a più istrumenti opus 5 en 6

     12 triosonates, opus 3

     24 vioolsonates, opus 1 en opus 4

 

William Williams (Londen, Engeland, gedoopt 1 augustus 1675 – 23 februari 1701), was de zoon van Henry en Mary en in 1685 koorknaap in de Westminster Abbey. Vanaf 1695 was William Williams in de Koninklijke kapel in dienst als „Musician in Ordinary“ en maakte deel uit van de 24 violisten van de koning. Bij zijn vroege overlijden liet hij een vrouw en drie kleine kinderen achter, waarvoor twee benefietconcerten werden georganiseerd.

William Williams componeerde

     theatermuziekwerk voor 4 strijkers, onvoltooid

     6 triosonates, 1700, opgedragen aan James, Earl of Anglesey;

- 3 sonates voor twee violen en basso continuo

- 3 sonates voor twee blokfluiten en basso continuo

× Sonata secunda in C grote terts

× Sonata quarta in a kleine terts, de interessantste van de drie, één van de beste triosonaten voor 2 blokfluiten sowieso

× Sonata in imitation of birds, in F grote terts, opus 1 nr. 6, heel erg de moeite waard.

     1 sonate voor twee altblokfluiten

     12 liederen, 1699

     1 air voor viool en bas, 1693

 

Giovanni Porta (Venetië (?), omstreeks 1675 – München, 21 juni 1755) studeerde in Venetië bij Francesco Gasparini. Giovanni Porta was van 1706 tot 1710 muzikaal bezig in Rome. In april 1710 trouwde hij met Leonora Zanchi. Ze kregen drie kinderen. In 1710 en 1711 Was Giovanni Porta maestro die cappella aan de Dom van Vincenza en van 1714 tot 1716 aan de Dom van Verona. In 1716 kwam hij weer in Venetië terug. Van 1726 tot 1737 was hij daar koormeester aan het Ospedale della Pietà. Vanaf 1737 werkte Giovanni Porta in München aan het hof van keurvorst Karl Albrecht. Zijn vrouw stierf daar in 1742. In december 1749 trouwde Giovanni Porta met een Duitse weduwe met twee kinderen.

Giovanni Porta componeerde

     30 opera’s

- Numitore, 1720

- Ifigenia in Aulide, libretto Apostolo Zeno, 1738

“Madre diletta, abbracciami”, briljante aria

     3 cantates

     1 serenata

     1 theatermuziekwerk

     1 oratorium

     19 missen

     6 misdelen

     37 motetten

     103 psalmen

 

Francesco Venturini (omgeving Brussel, zuidelijke Nederlanden, omstreeks 1675 – Hannover, 18 april 1745) werd in 1698 violist in de hofkapel van het keurvorstendom Brunswijk-Lüneburg, dat onder leiding stond van J.-B. Farinel, afkomstig uit Grenoble. Francesco Venturini was daar een jaar een jaar eerder getrouwd met Anna Maria Ennuy, een inwoonster van Hannover. Omdat de zonen uit het huwelijk in de doopregisters staan als "Bruxellensis", is een afkomst daar uit de buurt waarschijnlijk. In 1714 werd Francesco Venturini Kapellmeister van het hoforkest. Na zijn dood werd die taak overgenomen door zijn leerling J.B. Lutter.

Francesco Venturini componeerde

     12 orkestsuites, verschenen onder de naam “concerti da camera”, opus 1, omstreeks 1714. Zo werd er nog wel eens wat door elkaar gehaald.

     1 concerto in manuscript

 

Jean-Jacques-Baptiste Anet (le fils) (Parijs, 2 januari 1676 – Lunéville, 14 augustus 1755), had eerst les van zijn vader Jean-Baptiste Anet (le père) (1650-1710), en later van Arcangelo Corelli in Rome.Von 1701 tot 1715 was hij in dienst van de in ballingschap levende  Maximilian Emanuel II van Beieren in Schwerin. Vanaf 1715 kwam hij bij de Vingt-quatre Violons du Roy en hij had in 1735 zijn eerste optreden bij het Concert spirituel. Jean-Jacques-Baptiste Anet en zijn collega Jean Pierre Guignon golden op dat moment als de twee beste violisten in de wereld. Guignon kon concurrentie moeilijk verdragen en pestte Anet in feite bij de Vingt-quatre Violons weg. Vanaf 1737 speelde hij in de hofkapel van de Poolse ex-koning Stanislaus I Leszczyński bij Nancy en Lunéville. Zijn leven eindigde in armoede en drankzucht.

Jean-Jacques-Baptiste Anet componeerde

     twee boeken met sonaten voor viool en b.c.

     vier boeken met suites voor musette,

opgedragen aan zijn vriend, de musette virtuoos Colin Charpentier 

 

Giuseppe Maria Orlandini (Italië, 4 april 1676 – Florence, 24 oktober 1760) studeerde in zijn jeugd bij Domenico Scorpione. Hij begon in zijn latere twintiger jaren opera’s te componeren voor Prins Ferdinando de’ Medici.

Vanaf 1711, was Giuseppe Maria Orlandini maestro di cappella van Prince Gian Gastone (later Hertog van Toscane). In 1719 werd hij lid van de Accademia Filarmonica.

Orlandini verliet Bologna om terug te keren naar Florence in 1732, waar hij maestro di cappella aan het hof van de Medici’s werd en aan de Basilica di Santa Maria del Fiore. Hij overleed in Florence.

Giuseppe Maria Orlandini componeerde

     40 opera’s en intermezzi

- Artaserse, 1706, Orlandini’s eerste opera

- Il marito giocatore (ook Bacocco e Serpilla), intermezzo, 1715, een van de meest opgevoerde muziekdrama’s in de 18de eeuw;.

- Nerone, tragedia per musica, libretto Agostino Piovene, 1721, Indrukwekkende aria van Agrippina (alt), moeder van Nero: “Tutta fure e tutta sdegno” 

- Berenice, dramma per musica, libretto Benedetto Pasqualigo, naar Jean Racine, 1725

- Adelaide, dramma per musica, libretto Antonio Salvi, 1729, met een ballo en een combattimento, opgedragen aan James, hertog van Hamilton. Adelaide (sopraan) was de weduwe van de Italiaanse koning Lothar,  die was vermoord door Berengar. Adelaide wordt gered door de Duitse koning Otto I. In de eerste acte scene 12 wordt de aria Alza al ciel pianta orgogliosa gezongen

- Lo scialacquatore, 1744, zijn laatste opera.

     20 oratoria

- La costanza trionfane nel martirio di Santa Lucia, libretto B. Colzi, 1705;

     4 canzonetta’s

     22 triosonates

     1 klavecimbelwerk

 

Wolff Jakob Lauffensteiner (Steyr, Oostenrijk, gedoopt 28 april 1676 – München, 26 maart 1754) was de zoon van een torenwachter in Steyr. Omstreeks 1709 had hij een betrekking als luitenist in Graz en in  1715 kwam hij in privé dienst van Graaf Ferdinand.

In 1739, toen graaf  Ferdinand overleed, kreeg hij een pensioen.

Wolff Jakob Lauffensteiner componeerde

     5 luitconcerten

     1 sonate voor 2 luiten 

     10 suites voor sololuit

     13 suitedelen voor sololuit

 

Johann Bernhard Bach (Erfurt, Duitsland, 23 mei 1676 – Eisenach, 11 juni 1749) was een achterneef van Johann Sebastian Bach: Johann Bernhards grootvader Johann(es) Bach (Wechmar, 1604 – Erfurt, 1673) was de oudste broer van Johann Sebastian Bachs grootvader Christoph (Wechmar, 1613 – Arnstadt, 1661). Johann Sebastian Bachs eerste vrouw Maria Barbara (1684-1720) was in diezelfde graad familie van haar echtgenoot en van Johann Bernhard: háár grootvader was de derde en jongste broer, Heinrich (Wechmar, 1615 - Arnstadt, 1692), stamvader van de "Arnstadt-tak".

Johann Bernhard Bach werd geboren in Erfurt en kreeg muziekles van zijn vader Johann Aegidus Bach. In 1695 werd hij organist te Erfurt, daarna in Maagdenburg. Hij verving Johann Christoph Friedrich Bach als organist in Eisenach en ook in 1703 als klavecinist in het plaatselijke hoforkest.

Johann Bernhard Bach componeerde

     4 orkestsuites, overgeleverd in het handschrift van Johann Sebastian Bach, in G grote terts, g kleine terts (mooie vioolpartij), e kleine terts en D grote terts, 1730

     8 orgelwerken

     2 klavecimbelwerken

 

Thomas-Louis Bourgeois (Fontaine-l'Évêque, Henegouwen, België, 24 oktober 1676 – Parijs, januari 1750) was maître de chapelle aan de kathedraal Saint Etiènne van Toul, daarna aan de kathedraal van Straatsburg. Tenslotte kreeg hij in 1707 een aanstelling als countertenor  aan de Opéra van Parijs. Daana leidde hij een pelgrimsbestaan. Hij werkte in Rijssel, Lyon en Poitiers, was directeur van het operahuis De Munt in Brussel en van het Théâtre Français in Den Haag.

 

Thomas-Louis Bourgeois componeerde

     2 opera’s-ballet

- Les plaisirs de la paix, opéra-ballet met een proloog en 3 bedrijven, libretto A. Menesson, 1714, naar aanleiding van de Vrede van Utrecht; een verzameling allegorieën op de vrede met de boodschap: make love, not war, maar dan in het Frans.

     20 cantates

- Premier Livre de Cantates (1708) met 6 “ Cantates Françoises“

Borée,

Hippomène,

Les Sirènes,

- Second Livre de Cantates (1718), 4 cantates

Zéphire et Flore,

Psiché,

     motetten

     liederen

     twee boeken instumentale trio’s

 

Antonio Maria Montanari (Modena, Italië, 29 november 1676 – Rome, 2 april, 1737), ging omstreeks 1692 in Rome wonen. Hij studeerde daar bij Arcangelo Corelli. Antonio Montadori was van 1695 tot 1708 in dienst van kardinaal Giovanni Paolo Colonna en werkte hij aan de Accademia del Disegno van San Luca. In 1708 was hij een van de muzikanten die Händels oratorium La Resurrezione in Palazzo Ruspoli uitvoerden. Daarna had Antonio Montanari verschillende benoemingen in het orkest van kardinaal Ottoboni en vanaf 1712 had hij een vaste betrekking in diens huis. Hij gaf les aan onder meer Johann Georg Pisendel.

Antonio Montanari was getrouwd met Antonia Maddalena Simonart. Na zijn overlijden in zijn huis op piazza della Pilotta in Rome liet hij zijn vrouw en vijf kinderen achter.

Antonio Montanari componeerde

     13 concerten

- Concerto voor hobo of sopraanblokfluit, twee violen en basso continuo in C grote terts

     8 sonates voor viool en basso continuo

- Sonata da Camera

     2 triosonates

     2 werken voor viool en bas

 

Johann Georg Weichenberger (Graz, Oostenrijk, 11 december 1676 – Wenen,  2  januari 1740) was zowel hofbeambte als luitist.

Johann Georg Weichenberger  componeerde

     15 werken voor sololuit

     2 luitconcerten

 

Louis Nicolas Clérambault (Parijs, 19 december 1676 – Parijs, 26 oktober 1749) was een zoon van Dominique (1644-1704), een van de "Vingt-quatre violons du roi" die aan het hof van Lodewijk XIV verbonden waren.
In 1705 kwam hij in dienst van het hof, waar hij diverse concerten organiseerde en cantates schreef. In 1714, na de dood van Lodewijk XIV, ging hij op Saint-Cyr werken, een onderwijsinstelling waar meisjes van de verarmde adel terecht kwamen. Louis  Louis Nicolas Clérambault gaf muziekles, bespeelde het orgel en dirigeerde diverse koren. Hij ontwikkelde de "cantate française". In 1719 volgde hij zijn leermeester Raison op als organist van de kerk van de Grands-Jacobins (rue Saint-Jacques). Hij was een van de laatste orgelmeesters van de Franse barok. Een biograaf omschreef Clerambault als een componist die voor orgel schreef, terwijl hij aan een klavecimbel dacht, kerkmuziek voor de concertzaal maakte, en in dienst was van de clerus, maar zich richtte tot de dames.

Louis Nicolas Clérambault componeerde

     25 cantates

- Orphée, cantata voor sopraan en kamerorkest, opus 3, cantateboek  I nr.3, 1710

- Médée, cantate voor sopraan, viool, fluit en basso continuo, cantateboek  I nr.4, 1710

- L'isle de Délos, opus 17, cantateboek  III nr.3, 1716

     motetten,

- Psaume 50, Miserere à 3 Parties (Miserere mei Deus) voor 2 sopranen,  bas en basso continuo, opus 116. Muziek om het hart te laten huilen, uitzonderlijk lang, ook nog.

     hymnes

     een Stabat Mater

     twee Magnificats

     twee Te Deums

     7 sonates voor viool en basso continuo

sonata II in G grote terts "La félicité".

     werken voor klavecimbel, 1 boek, 1704,

- klavecimbel Suite nr. 1 in C grote terts, opus 43

- klavecimbel Suite nr. 2 in c kleine terts, opus 44

- Prelude voor klavecimbel in G grote terts, opus 45

     2 suites voor orgel

 

Nicolas Racot de Grandval, “Le Père Grandval“, (Parijs, Frankrijk, 1676  – 16 november 1753) was de zoon van de acteurs en kunstschilders Daniel Racot de Grandval en Marguerite Poirier. Vanaf kind werkte Nicolas Racot de Grandval in het toneelgezelschap van zijn ouders mee. In 1695 en 1696 begeleidde Nicolas Racot de Grandval aan het klavecimbel de meeste divertissements en hofballetten die aan het hof van Versailles gegeven werden. Daarnaast was Nicolas Racot organist aan de kerk van St-Eustache.

Nicolas Racot schreef komedies en stelde een spreekwoordenverzameling samen.

Zijn zoon Charles-François Racot de Grandval was ook acteur en dramaturg.

Nicolas Racot de Grandval componeerde

     13 franse cantates, komisch en serieus voor 1 of twee stemmen, (instrumenten) en basso continuo

     20 divertissements

     3 vaudevilles

     12 klavecimbelwerken

 

Johann Georg Reinhardt (Oostenrijk, 1676 of 1677 – Wenen, 6 januari 1742) werd door zijn oom Kilian Reinhardt (1653–1729) opgevoed. Door bemiddeling van zijn oom werd hij in 1701 aangesteld als assistent hoforganist van de keizerlijke hofkapel. In 1728 werd hij als opvolger van Georg Reutter senior eerste organist. Ondertussen was hij in 1727 ook Kapellmeister aan de Stephanskathedraal in Wenen geworden, wat hij tot zijn dood zou blijven. Van 1734 tot 1740 was hij ook hofcomponist voor serenata’s en ballettten. In 1740 ging hij met pensioen voor zijn hoffuncties. Hij was de leraar van Giuseppe Bonno.

Johann Georg Reinhardt componeerde

     3 opera’s

     2 oratoria

     22 missen

     12 vespers

     8 magnificats

     7 regina coeli motetten

     7 salve regina motetten

     7 misereres

     17 psalmen

     3 hymnen

     32 andere motetten

     9 Duitse aria’s

     6 Duitse liederen, met begeleiding van een orphica (een kleine draagbare piano)

     Sinfonia in G

     Sonata Pastorella voor 4 violen en bas

 

Johann Ludwig Bach (Thal bij Eisenach, 4 februari 1677 Meiningen, 1 mei 1731) was de oudste zoon van Johann Jacob Bach. Hij verbleef het grootste deel van zijn leven in Meiningen, waar hij achtereenvolgens hofmusicus (1699), cantor (1703) en kapelmeester (1711) was. Dit levert hem vandaag de bijnaam Meininger Bach op. Hij ondernam een poging om een aanstelling als cantor in Eisenach te verkrijgen, maar deze was niet succesvol. Hij was een verre achterneef van Johann Sebastian Bach.

Johann Ludwig Bach componeerde

     2 missen

 - Missa brevis in e kleine terts 'sopra cantilena "Allein Gott in der Höh"' (16 september 1716), als BWV Anh. III 166 opgenomen in de werkenlijst van Johann Sebastian, die het begin van het gloria componeerde; de melodie "Allein Gott in  der Höh" is door alle delen heengevlochten.

     1 magnificat

     11 motetten

     23 cantates, waarvan Johann Sebastian er in Leipzig 18 opvoerde

     Een ouverture voor kamerorkest

     Trauermusik auf Herzog Ernst ludwig I, von Sachsen Meiningen, geschreven naar aanleiding van het overlijden van zijn werkgever. Een prachtig driedelig werk: Akademie für alte Musik Berlin, onder leiding van Hans-Christoph Rademann. Harmonia Mundi 902080

 

Francesco Nicola Fago, ‘II Tarantino’ (Taranto, Italië, 26 februari 1677 – Napels, 18 februari 1745) was de zoon van Cataldo en Giustina Tursi. Hij studeerde muziek bij Francesco Provenzale aan het Conservatorio della Pietà dei Turchini in Napels tussen 1693 en 1695.

23 november 1701 trouwde Nicola Fago met Caterina Speranza Grimaldi, zus van de bekende zangercastraat Nicolò, “Cavalier Nicolino”. Ze kregen 11 kinderen, waarvan 5 op jonge leeftijd overleden.

Van 1704 tot 1708 werkte hij aan het Conservatorio Sant’Onofrio, en van 1705 tot 1740 aan het Conservatorio della Pietà dei Turchini, waar hij onder meer contrapunt- en compositieles gaf aan Leonardo Leo, Francesco Feo, Giuseppe de Majo, Niccolo Jommelli, Nicola Sala, Michele de Falco, Carmine Giordani en zijn eigen zoon Lorenzo Fago (1704-1793). Van 1709 tot 1731 werkte hij ook als maestro di cappella aan de Tesoro van San Gennaro en vanaf 1736 aan de San Giacomo degli Spagnoli.

Nicola Fago werd begraven in de kerk en congregatie van San Carlo.

Nicola Fago componeerde

     9 opera’s

     6 oratoria

     3 serenata’s

     36 cantata’s

     6 aria’s

     11 missen

     1 requiem

     9 misdelen

     4 litaniën

     18 Latijnse psalmen

     1 gezang

     7 Magnificat

     2 Te Deums

     1 Stabat Mater in f kleine terts, voor 4 zangstemmen en strijkers,  fraai werk

     Responsoria voor de Heilige Week

     23andere  motetten

 

Antonio Maria Bononcini (Modena, 18 juni 1677 – 8 juli 1726) was de jongere broer van  Giovanni Battista Bononcini. Antonio Bononcini studeerde net als zijn broer bij Giovanni Paolo Colonna. Tussen 1690 en 1693 speelde hij in het orkest van kardinaal Pamphili. Hij werkte enige jaren samen met zijn broer, onder andere in het hoforkest in Wenen. Daar werd hij in 1705 kapelmeester van de aanstaande keizer van het Heilige Roomse Rijk Karel VI. In 1713 keerde hij terug naar Italië en werkte in Milaan, Napels en Modena. In 1721 werd hij kapelmeester in Modena, waar hij de rest van zijn leven bleef.

Antonio Bononcini  componeerde

     11 opera’s

     8 serenata’s

     3 oratoria

- La Conversione di Maddalena, 1701; Onderwerp is de strijd tussen amor profano (de aardse liefde) en amor divino (de goddelijke liefde). Maddalena’s tegenspeelster is haar zuster Martha.

     40 cantates (voor solozang en klavecimbel)

     1 mis

- missa a cinque concertata in g kleine terts, een juweeltje

     3 motetten

- Stabat mater in c kleine terts, haast net zo mooi als die van Pergolesiç prachtig juweeltje

- Salve Regina.

 

Louis de Caix d'Hervelois (Louis d’Hervelois de Caix, zijn echte naam, Ainval, Somme, Frankrijk, 1677 – Parijs 17 oktober 1759) was de (enige?) zoon van wever en timmerman Louis Hervelois (Dervilloix) en Marie Caix. Van enige opleiding of ontwikkeling weten we niets. Hij was (vermoedelijk) een leerling van Marin Marais. Louis d’Hervelois had een oom Louis Caix, waarvoor de familie een opleiding tot priester bekostigde. 3 augustus 1697 is Louis d’Hervelois in Parijs en regelt zijn oom Louis Caix een verblijfruimte voor hem waar hij ook gamba kan studeren. Wellicht zijn de ouders van  Louis d’Hervelois dan al overleden. Pas 10 jaar later vinden we weer sporen van Louis d’Hervelois terug in Parijs, hij werkt daar dan als gambaleraar. Tot zijn dood blijft hij als leraar en componist bezig. Er zijn uit die periode 8 verschillende adressen van hem in parijs bekend, dus hij is nogal een verhuisd.   

7 februari 1714 trouwde Louis d’Hervelois met Theodore Angelica Pressigny, weduwe van chirurgijn en burgemeester van Montluçon François Anglard. Getuigen bij het huwelijk waren de vader van de bruid en oom Louis Caix. Ze kregen vijf kinderen.  Theodore Angélique overlijd in 1730 bij de geboorte van hun vijfde kind, dochter Angélique Theodore.

Louis d’Hervelois de Caix sterft 17 oktober 1759 en wordt begraven in de kerk Saint-Eustache in Parijs. In zijn testament staat zijn jongste dochter  Angélique Theodore vermeld als erfgenaam en executeur testamentair. Hij laat onder meer 31 basgamba’s en 9 andere gamba’s na.

Louis de Caix d'Hervelois schreef

     vijf boeken met werken voor viool en basso continuo

     2 boeken met werken voor dwarsfluit en basso continuo

- Vier suites opus 6, voor dwarsfluit of discantgamba en basso, 1736

1. Suite in A grote terts, mooi werk

     2 boeken met werken voor gamba

 

 

Christian Petzold (Weißig bij Konigstein, Duitsland, 1677 – Dresden, 2 juli 1733) was de zoon van een steenhouwer. Hij vanaf 1703 organist aan de Sophienkirche in Dresden en vanaf 1709 hoforganist en -componist aan het hof in Dresden. Hij was leraar van Carl Heinrich Graun.

Christian Petzold componeerde

     drie Triosonaten,

     twee Partiten voor viola d’amore

- Partita in F

- Partita in A

     1 cantate

     25 werken voor klavecimbel

     2 Menuetten

- Menuet in G groot (BWV anh. 114) werd net als

- Menuet (BWV anh. 115) door Johann Sebastian Bach  overgenomen in diens Notenbüchlein für Anna Magdalena Bach. Oorspronkelijk werden deze stukken dan ook aan Bach toegeschreven. Petzolds Menuet in G groot geniet vooral bekendheid doordat pretpark de Efteling deze compositie laat klinken uit de muzikale paddenstoelen in het sprookjesbos.


Antonio Lucio Vivaldi (Venetië,4 maart 1678 – Wenen, 27 juli 1741) werd geboren in Venetië. Zijn vader, kapper Giovanni Battista Vivaldi, hielp hem in zijn carrière in de muziek en meldde hem aan bij het orkest cappella di San Marco, waar vader Vivaldi zelf een vooraanstaande violist was (door sommigen een virtuoso genoemd).

In 1703 werd Vivaldi priester en kreeg hij al snel de bijnaam Il Prete Rosso ("de rode priester"), vermoedelijk vanwege zijn rode haar. Vanaf 1704 hoefde hij niet meer deel te nemen aan de heilige mis, dit vanwege zijn slechte gezondheid - hij leed aan astma - en werd hij viool- en celloleraar in een meisjesweeshuis in Venetië met de naam “Pio Ospedale della Pietà”. De getalenteerde zingende en musicerende wezen stegen snel in aanzien, ook in het buitenland. Voor hen schreef Vivaldi talloze concerten, cantates en gewijde muziek. In 1705 werd de eerste verzameling (raccolta) van zijn werk gepubliceerd en er zouden er nog vele volgen. Als hij niet op één van zijn vele reizen was, vervulde Vivaldi verschillende taken in het weeshuis. In 1713 kreeg hij de verantwoordelijkheid voor alle muzikale activiteiten in het instituut. Daarnaast was hij jarenlang impresario van het Teatro Sant'Angelo, en voelde hij zich een echte theaterman.

Hoewel hij priester was, wordt hij verondersteld vele liefdesaffaires gehad te hebben, onder meer met de zangeres Anna Girò (Giraud), de artiestennaam naam van Anna Maddalena Tesieri.. Met haar werd hij ervan verdacht plagiaat gepleegd te hebben ten aanzien van enkele oude Venetiaanse opera's die hij alleen maar een beetje aanpaste aan haar stem. Dit bracht hem in conflict met andere componisten zoals Benedetto Marcello, die een beroemd pamflet tegen Vivaldi schreef: Il teatro alla moda, waarin een componist Aldiviva figureert.  Op uitnodiging van keizer Karel VI, die grote waardering voor hem had, ging hij naar Wenen. Toen de keizer in 1740 overleed, raakte Antonio Vivaldi uit de mode, verarmde hij en overleed berooid in een huis in Wenen. Een pover graf werd zijn laatste rustplaats.

De Deense musicoloog Peter Ryom (*1937) publiceerde in 1973 een werkoverzicht van Vivaldi, de  Ryom-Verzeichnis (RV), waarmee tot op de dag van vandaag de werken van Vivaldi worden aangegeven.

Het grootste deel van zijn werk werd in de eerste helft van de twintigste eeuw herontdekt, maar pas in de tweede helft uitgegeven.

Antonio Vivaldi componeerde

     50 opera's;

- Ottone in villa ,RV 729, opera in drie bedrijven, libretto by Domenico Lalli (pseudoniem van  Sebastiano Biancardi), 17 mei 1713, Vivaldi’s eerste opera. Het libretto is een aanpassing van Francesco Maria Piccioli's satirische libretto voor Carlo Pallavicino's opera Messalina (1679). Keizer Ottone was al als hoofdrolspeler opgetreden in Monteverdi's L'incoronazione di Poppea (1642) en in Handel's Agrippina (1709).

- Orlando finto pazzo (Orlando, gefingeerde gek) dramma per musica in drie actes, libretto by Grazio Braccioli, gebaseerd op een gedeelte uit Matteo Boiardo’s onvoltooide epische gedicht Orlando Innamorato; RV 727, 10 November 1714.

- Orlando furioso,  RV 819, 1714, opera manuscript bewaard gebleven in Vivaldi’s persoonlijke bibliotheek, een soort voorbereiding voor de gelijknamige opera RV 728,  een hercompositie van de Orlando furioso van Giovanni Alberto Ristori in 1713. Hoogtepunt: tweede bedrijf, scene 2, aria van Alcina: “Chi seguir vuol la costanza”.

De derde acte mist en de partituur is incompleet, wat Federico Maria Sardelli er niet van weerhield er een CD-opname van te maken: Naïve OP 30540;

- Arsilda, regina di Ponto,  RV 700, dramma per musica, libretto  Domenico Lalli, 27 oktober 1716, met drie aria's voor PrinsTarnese, destijds gecomponeerd speciaal voor de tenor Annibale Pio Fabri.

- L'incoronazione di Dario, RV 719, dramma per musica, libretto Adriano Morselli, 23 januari 1717.

- Tito Manlio, RV 738, opera in drie bedrijven, libretto Matteo Noris, 1718, geschreven ter ere van het huwelijk van Philip van Hesse-Darmstadt (1671–1736), gouverneur van Mantua. Het huwelijk ging niet door, maar de opera werd een succes tijdens het carnaval van 1719.

- Teuzzone,1719, libretto Apostolo Zeno uit 1706, Vivaldi’s 12de opera. Teuzzone is de zoon en troonopvolger van de pas overleden keizer van China, dus er komen nogal was “Chinese” scenes in het verhaal voor.

- La verità in cimento, ‘Vivaldi’s 13de opera, RV 739, libretto Giovanni Palazzi. Voor het Carnaval in Venetië in 1720, opgedragen aan graaf Sava Vladislavich, een Russische diplomaat die toentertijd in Venetië resideerde.

- Ercole su'l Termodonte (Hercules in Thermodon), opera in drie bedrijven, 1723, RV 710, de zestiende opera van Vivaldi, libretto Antonio Salvi. Première 23 januari, 1723, voor het eerst in Rome. Omdat de paus de aanwezigheid van vrouwen op het podium verboden had, werden alle vrouwenrollen door castraten gezongen. Vivaldi dirigeerde en speelde de vioolsolo’s. Lange tijd werd gedacht dat de partituur verloren was, maar in verschillende archieven werdn 30 aria’s en 2 duetten ontdekt. De opera werd gereconstrueerd door Alessandro Ciccolini. Titelheld Hercules wordt gezongen door een tenor

- Dorilla in Tempe, RV 709, melodramma eroico pastorale in drie akten, libretto Antonio Maria Lucchini, 9 November 1726, verschillende malen door Vivaldi daarna gereviseeerd. Het was voor hem zelf een favoriete opera, de eerste waar zijn vriendin en partner mezzosopraan Anna Girò in mee zong.

- Giustino, RV 717, libretto Nicolò Beregan en Pietro Pariati; carnaval 1724 Rome

- Armida al campo d'Egitto, opera in drie bedrijven, libretto by Giovanni Palazzo, carnaval 1718, gereviseerd voor het carnaval van 1738. Het verhaal Rinaldo en Armida komt uit het verhalende gedicht La Gerusalemme liberata van Torquato Tasso. Hoofdrol is voor de verleidelijke Armida (sopraan).. De kalief van Jeruzalem (bas) is de enige mannelijke stem. Het tweede bedrijf van de opera is verloren gegaan. Fredric Delaméa en Rinaldo Allessandrini hebben uit het werk van Vivaldi een tweede bedrijf bij elkaar gesprokkeld.

- Orlando furioso, RV 728, opera in drie actes, libretto Grazio Braccioli, gebaseerd op het gelijknamige gedicht van Ariosto, 1727.

- Farnace, RV 711, 1727, libretto Antonio Maria Lucchini; Farnace, koning van Pontus, countertenor (oorspronkelijk geschreven voor castraat) wil dat zijn vrouw Tamiri (alt), nadat het Romeinse leger als een stoomwals over zijn rijk is gerold, zichzelf en hun zoontje ombrengt. Schoonmoeder Berenice (sopraan), koningin van Capadocië, steekt daar een stokje voor, tot woede van Farnace, die zijn vrouw Tamiri beschuldigt van meineed. De verleidelijke zus van Farnace: Selinda (sopraan) windt ondertussen wat Romeinse generaals zoals Victorius Pompeo (alt) om haar mooie vingers. Uiteindelijk komt iedereen tot inkeer en loopt alles goed af, zoals gebruikelijk in deze opera's. Farnace zingt in het tweede bedrijf, scene 6 : Gelido In Ogni Vena (Larghetto), een iconische aria.

- Atenaide, RV 702, dramma per musica in drie bedrijven, 29 december 1728, libretto Apostolo Zeno in 1609 voor Caldara geschreven. De tot he Christendom bekeerde Eudossa Atenaïde (sopraan) staat op het punt te trouwen met keizer Teodosio II (sopraancastraat) als de Perzische troonopvolger Varane (alt) haar door v erraad weet te ontvoeren.

- La fida ninfa (De trouwe nimf),, dramma per musica, libretto Francesco Scipione,RV 714, 6 januari 1732, geschreven voor de opening van het Teatro Filarmonico in Verona op 6 januari 1732. Bekende aria van de nimf Licori (sopraan) uit de eerste acte, scene 9: “Alma opressa” . In de tweede acte, scene 3 zingt Narete (tenor), de vader van de nimfen Licori en Elpina (alt) de mooie aria: “Deh, ti piega”. In de 1ste acte scene 12 is een  “Mozartiaans” trio: "S'egli è ver, che la sua rota"

- Motezuma, opera in drie bedrijven, libretto Alvise Giusti, losjes gebaseerd op het leven van de Azteekse leider Montezuma II, die stierf in 1520, 14 November 1733. De muziek werd als verloren beschouwd, maar in 2002 teruggevonden in het door Oekraïne teruggeven archief van de Sing-Akademie zu Berlin, dat na de Tweede Wereldoorlog was leeggeroofd. De kern van het verhaal is de relatie tussen de Azteekse prinses Teutile (sopraan) en haar minnaar/vijand Ramiro (mezzosopraan, travestietenrol), de broer van de Spaanse generaal Fernando Cortès (sopraan, vroeger een castraat) Montezuma zelf, de keizer van Mexico, is een bas-bariton, zijn vrouw Mitrena alt en Asprano, de Mexicaanse generaal ook weer een soprano castrato.

- L'Olimpiade, RV 725 dramma per musica in drie acten, 1734, libretto Pietro Metastasio oorspronkelijk voor Antonio Caldara’s gelijknamige opera uit 1733.

- Griselda, RV 718, dramma per musica in drie bedrijven,18 mei 1735, libretto gereviseerde versie van Apostolo Zeno’s libretto (1701), dat was gebaseerd op Giovanni Boccaccio's Decamerone (10de vertelling: Griselda). Halverwege de tweede akte zingt Ottone (soprano castrato), een op Griselda verliefde hoveling: "Scocca dardo l'altero tuo Ciglio", waarbij Vivaldi de muziek gebruikt van het eerste deel van zijn hoboconcert in C, RV 450. De "storm"-aria uit de tweede akte "Agitata da due venti" van Constanza (sopraan), de doodgewaande dochter van Griselda (alt) en Gualtiero, de koning van Tessalië (tenor) is een eigen concertleven gaan leiden.

- L’Oracolo in Messenia, libretto Apostolo Zeno, 01737, RV 226, de muziek hiervan is verloren gegaan; Fabio Biondi heeft er wel een opname van gemaakt, maar de muziek daarop is voornamelijk van Giacomelli (La Merope). CD Europa Galante olv Fabio Biondi, Virgin Cassics.

- Catone in Utica, RV 705, 26 mei 1737, libretto Metastasio, onvolledig overgeleverd, sinfonia/ouverture en eerste bedrijf ontbreekt, onder leiding van Alan Curtis "gerestaureerd" met aangepast ander werk van Vivaldi en zelfgeschreven recitatieven met behulp van muziekwetenschapper Alessandro Ciccolini. CD Il Complesso barocco olv Alan Curtis, Naïve OP 30545.

     9 serenata’s;

- La Senna festeggiante (de feestelije Seine), RV 693, voor de feestelijkheden die de Franse ambassadeur Jacques-Vincent Languet, graaf van Gergy, jaarlijks organiseerde op 25 augustus ter gelegenheid van de naamdag van de heilige Lodewijk. Ná 1722 De serenata is door Vivaldi geschreven als hommage aan koning Lodewijk XV, die door zijn troonsbestijging Frankrijk redt van verval en decadentie. Vivaldi’s meest “Franse” werk. Chromatiek, pikante modulaties, scherpe dissonanten. Tweedelig werk, met aan het begin van beide delen een uitgebreide ouverture. Drie llegorische figuren: De Seine (bas), de Gouden Eeuw (sopraan) en de Deugd (alt)

- Andromeda liberata, RV anh. 117, 1726, mysterieus auteurschap, geheel of gedeeltelijk van Vivaldi, eventueel in samenwerking met Tomaso Albinoni en Giovanni de Porta, voor vijf solisten, koor en orkest. Het mythologische verhaal van Andromeda en Perseus. Halverwege het tweede deel een verpletterend mooie aria van Perseus (countertenor): Sovvente il sole.

     1 oratorium:

- Juditha Triumphans, RV 644, geschreven voor de Pietà, wordt bijna nooit uitgevoerd, vanwege de combinaties van instrumenten, onder meer 4 theorbes, chalumeaux en een mandoline. Verhaal uit het "apocriefe" Bijbelboek Judith. Sterke vrouw Judith (alt) redt het volk door de Assyrische legeraanvoerder Holofernes (altcastraat, tegenwoordig countertenor) te verleiden en te onthoofden. Prachtig werk.

     40 cantates voor solozanger, instrumenten en basso continuo

- All'ombra di sospetto, RV 678 voor sopraan, altblokfluit en basso continuo

- Lungi dal vago volto, RV 680 voor sopraan, viool en basso continuo, relaas van een smoorverliefde herder

- Cessate, omai cessate, RV 684, voor alt, twee violen, altviool en basso continuo

     70 motetten

- Kyrie in g kleine terts, RV 587, driedelig werk voor dubbelkoor en dubbelorkest

- Credo in e kleine terts, RV 591, volledige zetting van het volledige Credo uit de Belijdenis van Nicea.

- Dixit Dominus;RV 594

- Beatus Vir, RV 597

- 3 Gloria’s, het één nog mooier dan het ander. Hèt bekende Gloria is RV 589, het minder bekende RV 588, beiden geschreven voor de het Ospedale della Pietà. Het derde Gloria is verloren gegaan.

- Laudate pueri Dominum, RV 601, in G grote terts, Psalm 113 (vulgaat psalm 112), voor zangstem, fluit, 2 hobo’s, strijkers en basso  continuo. Indrukwekkende tiendelige zetting.

- Laudate Dominum (Psalm 116) in d kleine terts voor koor, strijkers en continuo, RV 606

- Laudatus sum,  RV 607

- Nisi Dominus, RV 608, prachtig. Voor alt en strijkers. Plechtig Adagio-intro, fijnzinnige zeggingskracht. Het "Cum dederit delectis suis sommum" uit het motet is erg populair geworden door het wiegende siciliana-ritme, de eenvoud en de puurheid. Fluisterende strijkers con sordino (met demper). IJselijk mooi. Het duikt zelfs op in de James Bondfilm Spectre uit 2015. In de instrumentatie van het Nisi Dominus een hoofdrol voor de viola d'amore.

- Laudate Jerusalem,  RV 609

- Magnificat, RV 610, prachtig koorwerk.

- Stabat Mater, RV 621, voor alt (countertenor) en strijkers, mooier kan het bijna niet; geschreven voor het Feest van de Zeven Smarten van Maria in opdracht van de Kerk Santa Maria della Pace in Brescia. Voor het vierd, vijfde en zesde couplet gebruikt Vivaldi exact herzelfde muzikale materiaal als voor couplet 1, 2 en 3, alleen met andere tekst. De laatste twee delen en het Amen hebben weer nieuwe melodieën.

- In furore iustissimae irae, RV 626, solomotet voor sopraan, strijkers en basso continuo in c kleine terts; probeer het maar eens, duivels lastig; maar sprankelend. Geschreven als een vierdelige cantate: aria, recitatief, aria, halleluja

- Nulla in mundo pax sincera ("in deze wereld is er geen eerlijke plek”), RV 630, in e kleine terts, voor solosopraan, twee violen, altviool en basso continuo. anonieme Latijnse tekst, één van Vivaldi’s mooiste miotetten, in 1996 gebruikt aan het eind van de film Shine.

- O qui Coeli, RV 631, met een hartverscheurend mooie aria "Rosa quae moritur".

- Ascende Laeta,  RV 635, sprankelend

- Introduzione al Miserere “Filiae Maestae Jerusalem”, RV 638, voor alt, twee violen, altviool en basso continuo

- Longe mala umbrae terrores,  RV 640, 1720/25, introductie voor een Gloria, voor alt, strijkers en  basso continuo.

- Dixit Dominus; RV 807, omstreeks 1730; psalmtekst over geplette vijanden, aanstekelijk en gevarieerd getoonzet; omdat kopiist Giuseppe Baldan daar destijds voor verkoopbevordering de handtekening van Baldassare Galuppi onder had gezet, werd tot 2003 gedacht dat dit motet van Galuppi was. De Australische musicologe Janice Stockigt ontdekte in 2003 een en ander. 

     1 requiem;

     een aantal aria's waarvan de herkomst onduidelijk is

Aria’s RV 749: verzameling van 32 aan Vivaldi toegeschreven aria’s uit opera’s en cantates die nooit achterhaald zijn.  

+ Di due rai languir costante, RV 749 nr. 7, aria in grote terts, voor sopraan, 2 flageoletten (die ook prima door 2 sopraninoblokfluiten kunnen worden vervangen, strijkers en basso continuo

+ Se fido rivedrò RV 749, nr.13.

+ Zeffiretti che sussurrate RV 749, nr. 21

     20 sinfonia's

- Sinfonia voor strijkers in b kleine terts, 'Al Santo Sepolcro', RV 169, tweedelig dramatisch werk voor 2 violen, altviool en basso continuo

     500 concerten, waarin hij de standaard driedelige concertostructuur vestigde: twee snelle buitendelen, die een langzaam middendeel omsluiten. 

14 concerten voor blazers en strijkers

- Concerto “Per la solennità di San Lorenzo”, RV 556, voor twee hobo’s, twee klarinetten (!), twee blokfluiten, twee violen, fagot en strijkers

60 concerten voor strijkers en basso continuo

- Concerto in G grote terts, Alla Rustica, RV 151

- Concerto voor strijkers in g kleine terts RV 157

10 concerten voor viool, orgel en strijkers

- Orgelconcerto in  C grote terts, RV 808, "het vioolspel van Anna Maria opende de hemel en de engelen speelden net zo als zij" volgens een toehoorder destijds

24 concerten voor twee violen en strijkers,  RV 505 t/m 530, 764 en 765

+ concerto in a kleine terts voor 2 violen, RV 522, nr. 8 in L' estro Armonico, 1711, door Johann Sebastian Bach bewerkt als orgelconcerto BWV 593

+ concerto in a kleine terts voor 2 violen, RV 523,

262 vioolconcerten

- L'estro Armonico (harmonische inspiratie), opus 3, 1711,  twaalf concerten voor diverse instrumentcombinaties, waarvan Johann Sebastian Bach er zes bewerkte voor orgel of klavecimbel(s) en strijkers. 

+ concerto nr. 2 in g kleine terts voor twee violen, cello and strijkers,  RV 578

+ concerto nr. 6 in a kleine terts voor viool, RV 356

+ concerto nr. 8 in a kleine terts voor 2 violen, RV 522

+ concerto nr. 10 in b kleine terts voor vier violen, cello en basso continuo, RV 580, door Johann Sebastian Bach bewerkt als concert voor vier klavecimbels en strijkers BWV 1065 

+ concerto No. 11 in d kleine terts voor twee violen, cello en strijkers, RV 565, door Johann Sebastian Bach omgewerkt tot zijn solo-orgelconcert BWV 596

- La stravaganza, opus 4, 1714, twaalf vioolconcerten, de titel verwijst naar de gedurfde harmonieën in de langzame delen.

- 12 concerten, opus 7, in 1717 uitgegeven bij Estienne Roger in Amsterdam. Concerti RV 188, 326, 354, 285a, 374, 299 en 373 voor viool, srijkers en basso continuo, de concerti RV 465 en 464 voor hobo, strinjkers en basso continuo zijn volgens de laatste onderzoeken niet van Vivaldi.

- Il cimento dell'armonia e dell'inventione (de strijd tussen de harmonie(leer) en de (mooie) ingevingen), opus 8, 1723, opgedragen aan de Boheemse graaf Václav Morzin, de kamerheer van keizer Karel VI, die Antonio Vivaldi benoemd had tot "maestro di capella in Italia". Opus 8 bestaat uit twaalf vioolconcerten, die beginnen met Le quattro stagioni (de vier jaargetijden), Vivaldi’s verreweg beroemdste werk. Antonio Vivaldi liet de publicatie van het werk vergezeld gaan van (vermoedelijk zelfgeschreven) "Sonnetti dimostrativi" gedichten over de jaargetijden.

concerto  nr. 1 in E grote terts, "La primavera" (lente), RV 269

concerto nr. 2 in G kleine terts, "L'estate" (zomer), RV 315

concerto nr. 3 in F grote terts, "L'autunno" (herfst, RV 293

concerto nr. 4 in F kleine terts, "L'inverno" (winter), RV 297

concerto nr. 5 in E-flat grote terts, "La tempesta di mare" (Storm op zee), RV 253

concerto nr. 7 in d klein, RV 242 'per Pisendel'

- La cetra, opus 9, een verzameling van 12 vioolconcerten voor soloviool, strijkers en basso continuo, 1727, opgedragen aan keizer Karel VI.

- 6 concerten die Vivaldi schreef voor zijn  vriend, de Duitse violist Johann Georg Pisendel, lid van het hoforkest van Dresden en in 1716-1717 in Venetië: vioolconcert in C grote terts, RV 177, met daverende klappen bij het openingsthema in D grote terts, RV 212, in d kleine terts, RV 246, in g kleine terts RV 328, in Bes grote terts, RV 370, in Bes grote terts RV 379. Veel "saltelato"-spel, waarbij de strijkstok heel snel over de snaren stuitert, handelsmerk van Pisendel.

- 6 concerten, geschreven voor het hoforkest van Dresden, waarbij de Duitse violist Johann Georg Pisendel hobo en hoorns en een fagot (liet?) toevoegen en zijn eigen ornamentiek toevoegde aan de vioolpartijen: Concerto in F grote terts RV 569; Concerto in F grote terts RV 568; Concerto in F grote terts RV 571 (gerelateerd aan RV 99); Concerto in D grote terts RV 562; Concerto in g kleine terts RV 577 (opgedragen aan het orkest in Dresden; Concerto in F grote terts RV 574 (opgedragen aan Johann Georg Pisendel)    

- Concerto in C grote terts, RV 194

- Concerto in A grote terts RV 335, “de koekoek”, er komen een koekoek en een goudvink ("Gardellino") in voor.

- Concerto voor viool, strijkers en basso continuo in Bes grote terts RV 368, een “bij de beesten af”-concert

- 8 concerten voor viola d'amore en strijkers; met een smachtende "liefdesviool"  

27 celloconcerten en een Dubbelconcert voor twee violoncello's

concerto voor cello en strijkers in c kleine terts, RV 401

concerto voor cello en strijkers in D grote terts, RV 404, niet authentiek van Vivaldi

concerto voor cello en strijkers in Es grote terts, RV 408

concerto voor cello en strijkers in F grote terts, RV 411

concerto voor cello en strijkers in a kleine terts, RV 421

concerto voor cello en strijkers in a kleine terts, RV 422

concerto voor cello en strijkers in b kleine terts, RV 424

concerto voor 2 cellos en strijkers in g kleine terts, RV 531

7 hoboconcerten

Concerto voor hobo en strijkers in C grote terts, RV 450, nauw verwant aan het fagotconcert RV 471

39 fagotconcerten, virtuose concerten, kunnen niet door iedereen worden uitgevoerd;

Concerto voor fagot en strijkers in C grote terts  RV 472

fagotconcerto RV 473 in C grote terts, partituurpapier stamt uit Bohemen, wijst op contact met de beroemde fagottist Anton Moser uit Praag, mooi Largo

fagotconcerto RV 500 in a kleine terts, partituurpapier stamt uit Bohemen, wijst op contact met de beroemde fagottist Anton Moser uit Praag, dramatische spanning in het eerste Allegro

Concerto voor fagot en strijkers in C grote terts RV 474

Concerto voor fagot en strijkers in C grote terts RV 475

Concerto voor fagot en strijkers in c kleine terts RV 480

Concerto voor fagot en strijkers in d kleine terts RV 481, identiek aan het celloconcert RV 406.

Fagotconcerto in Es grote terts, RV 483

Concerto voor fagot en strijkers in F grote terts,  RV 485 buitengewoon verwant aan het hoboconcert RV 457

Concerto voor fagot en strijkers in G grote terts RV 494

Concerto voor fgot en strijkers in a kleine terts, RV 499, melancholisch, je voelt de pijn, je proeft de smart.

Concerto voor fagot en strijkers in a kleine terts RV 500, partituurpapier stamt uit Bohemen, wijst op contact met de beroemde fagottist Anton Moser uit Praag, dramatische spanning in het eerste Allegro

Concerto voor fagot en strijkers in Bes grote terts RV 502

CD's: Concerti per fagotto III; Sergio Azzolini, L'Aura Soave Cremona; Naïve OP 30539, deel IV OP 30551.

8 concerten voor viola d'amore

5 (of 6) blokfluitconcerten

Concerto in c kleine terts, RV 441, voor altblokfluit en strijkers.omwerking van vioolconcert RV 202

Concerto in F grote terts, RV 442, voor altblokfluit en strijkers

Concerti RV 443, 444 en 445 voor "flautino" en strijkers; volgens de laatste inzichten moet daarbij volgens de aanwijzingen van Vivaldi zelf ("de instrumenten moeten een kwart lager spelen") aan een sopraanblokfluit worden gedacht  

Concerto in G grote terts, RV 312 R, door Vivaldi beëindigd als vioolconcert RV 312, in 1999 door Jean Cassignol gereconstrueerd voor altblokfluit en orkest, ook in D grote terts voor sopraanblokfluit. 

20 fluitconcerten

- Concerto voor fluit, 2 violen en fagot in g kleine terts, RV 104, “La notte”, later opgenomen in de serie concerten opus 10 als RV 439. Een nacht vol halfslaapjes, doorwaakte perioden en angstige dromen.

- 6 fluitconcerten opus 10, 1728, gepubliceerd door Michel-Charles le Cene in Amsterdam

Fluitconcerto opus 10 nr. 1 in F grote terts, RV 433 "La tempesta di mare"

Fluitconcerto nr. 2 in g kleine terts, RV 439 , "de nacht" (eerder gecomponeerd als RV 104)

Fluitconcerto nr. 3 in D grote terts, RV 428 "Il gardellino" (de distelvink)

Fluitconcerto nr. 4 in G grote terts, RV 435

Fluitconcerto nr. 5 in F grote terts, RV 434

Fluitconcerto nr. 6 in G grote terts, RV 437

- Il Gran Mogul, fluitconcert van Vivaldi, in d kleine terts, RV431a, omstreeks 1730. Het “Indiaanse” deel van vier “nationaliteits”-concerten (La Francia, La Spagna en  L'Inghilterro), die allemaal verloren zijn gegaan. In 2010 werd Il Gran Mogul herondekt door Andrew Woolley in the papieren van Lord Robert Kerr (?-1746), de zoon van William Kerr, derde Markies van Lothian, nu opgeborgen in de National Archives of Scotland. Kerr was fluitist en heeft het werk misschien tijdens een tocht door Italië op de kop getikt.

- Concerto voor fluit en strijkers in a kleine terts RV 440, ook hondsmoeilijk

1 luitconcert in D grote terts RV 93, kamerconcert voor luit, 2 violen en basso continuo

1 mandolineconcert in C grote terts, RV 425

1 concert voor 2 mandolines en strijkers in G grote terts, RV 532

16 Concerti da camera voor blokfluit en/of hobo, één of twee violen, (fagot) en b.c.

     kamermuziekwerken;

73 sonates;

- 12 sonates, opus 1, 1705, voor twee violen en basso continuo. De laatste sonate nr. 12 is een serie variaties over het beroemde “Follia”-thema

- 12 sonates, opus 2, a violino e basso per il cembalo, 1709

7. vioolsonate in c kleine terts, RV 8 

- 12 Manchestersonates, verzameling die oorspronkelijk toebehoorde aan kardinaal Pietro Ottoboni (1667-1740), overging in de handen van Edward Holdsworth, in 1742 van Holdsworth gekocht werd door Charles Jennens (1700-1773). Die liet ze bij zijn dood na aan zijn neef Heneage Finch, derde graaf van Aylesford. In 1918 werd het op een veiling gekocht door Newman Flower  en toen deze stierf in 1964 verwierf de stad Manchester de Vivaldiverzameling. Die maakt nu deel uit van de stadsbibliotheek van Manchester.

1. vioolsonate in C grote terts, RV 3

7. vioolsonate in c kleine terts, RV 6

- Sonata à 4 al Santo Sepolcro voor strijkers en continuo in e klein, RV 130

- Sinfonia al Santo Sepolchro, sonate voor strijkers en continuo in b  klein RV 169 

- vioolsonate in C groot RV 815, pas in de 21ste eeuw ontdekt

- vioolsonate in D groot RV 816, pas in de 21ste eeuw ontdekt

- 2 blokfluitsonates, alle andere sonates die als blokfluitsonate worden gepresenteerd zijn arrangementen.

blokfluitsonate in F grote terts,  RV 52,

blokfluitsonate in G grote terts, RV 806, nog niet zo lang geleden ontdekt. 

- Sonate voor hobo en basso continuo in c kleine terts, RV 53

- 10 cellosonates, de moeite waard!

6 cellosonates opus 14. Opusnummer is van de uitgever, Vivaldi heeft er nooit een opusnummer aan toegekend.

- Cellosonata nr. 3 in a kleine terts RV 43, 1740

- Cellosonata nr. 5 in e kleine terts RV 40, 1740

- Cellosonata nr. 6 in Bes grote terts RV 46, 1740

Cellosonata in Es grote terts RV 39, 

Cellosonate in a kleine terts RV 44

- 5 fluitsonates,

- fluitsonate in C grote terts, RV 48

- fluitsonate in e kleine terts, RV 50, niet authentiek, afschrift van een onbekende kopiist, auteurschap staat niet vast

- 5 triosonates voor àndere instrumenten als viool,

- triosonate voor twee traverso's en continuo, RV 800

- triosonate voor twee hobo's en continuo, RV 81

- triosonate voor viool, luit en continuo, RV 83

- triosonate voor traverso, viool en contiunuo, RV 84

- triosonate voor blokfluit, fagot en continuo, RV 86

 

Tobias Volckmar (Reichenstein, Silesië, 18 maart 1678 — 22 april 1756) had muziekles van Johann Philip Krieger en studeerde aan de Universiteit van Königsberg (Kaliningrad). Tobias Volckmar was 47 jaar lang organist in Geibsdorf en cantor en dirigent in Hirschberg.

Tobias Volckmar componeerde

     15 geestelijke concerten, 1723

- Herr, nun lässest du deinen Diener im Frieden fahren, geistliches konzert voor sopraan, altblokfluit,  strijkers en basso continuo voor Maria Lichtmis, 2 februari;

- Ich will den Herren loben allezeit, geistliches konzert voor sopraan, altblokfluit,  strijkers en basso continuo voor Mariafeest, 2 juli;

- Das ist je gewisslich wahr in c kleine terts, geistliches konzert voor sopraan, altblokfluit,  strijkers en basso continuo voor de Paastijd

     2 orgelkoralen

     instrumentale muziekwerken

 

Francesco (Francisco) Paolo Supriani (Scipriani, Supriano Sopriano) (Conversano, Italië, 11 juli 1678 – Napels, 28 augustus 1753) studeerde cello aan het Conservatorio della Piéta dei Turchini in Napels en ontwikkelde zich op dat instrument tot een veelgevraagde virtuoos. Hij heeft een paar jaar in Barcelona gewerkt, maar kwam daarna weer naar Napels terug. Francesco Supriani was de leraar van Francesco Alborea, met de bijnaam Franciscello.

Francesco Supriani componeerde

     cantates

     werken voor cello solo

- sinfonia’s

- sonata’s

- 12 toccata’s voor cello solo, hier en daar met basso continuo

Principij da imparare a suonare il violoncello e con 12 toccate a solo, door musicoloog en cellist Luigi Silva (1903–1961) in de vorige eeuw in de bibliotheek van het Conservatorio San Pietro a Majella“ in Napels herontdekt en uitgegeven.

 

William Croft (Nether Ettington, Warwickshire, Engeland, gedoopt 30 december 1678 – Bath, 14 augustus 1727) werd opgeleid aan de Koninklijke Kapel bij John Blow, en bleef daar tot 1698. In 1670 werd William Croft organist van de Kerk van St. Anne in Soho. In 1705 trouwde William Croft, het huwelijk bleef kinderloos. In 1707 werd hij aan de Chapel Royal "Master of the Children" in plaats van Jeremiah Clarke. In 1708 volgde William Croft John Blow op als organist van de Westminster Abbey. William Croft stierf tijdens een bezoek aan kuuroord Bath.

William Croft componeerde

     12 gelegenheidmuziek werken met solisten, koor en/of instrumenten

- Ode for the peace of Utrecht, 1713, voor de viering van het Verdrag van Utrecht, dat de Vrede van Utrecht, het einde van de Spaanse successie-oorlog in 1713 bezegelde.

     5 Services

- begrafenis Service, wordt nog stteds uitgevoerd tijdens staatsbegrafenissen. De laatste keer was die van Margareth Thatcher in 2013.

     92 anthems

- God is gone up with a merry noise (full with verse), voor 6 solisten, koor en orgel, omstreeks 1706. 

- Sing praises unto the Lord (full with verse) voor vijf solisten, koor en orgel, vóór 1714

     15 liederen en gezangen

- "St Anne” op het gedicht ”Our God, Our Help in Ages Past” van Isaac Watts.

     18 sonates

- 6 sonaten voor 2 altblokfluiten, 1704

     klavecimbelwerken

     orgelvoluntary’s

 

Giovanni Antonio Piani (Napels, Italië, 1678 - Wenen, 25 mei 1760) was een van de vijf zonen van de Bolognese Pietro Giacomo Piana, trompettist aan het hof van Napels. Giovanni Antonio Piani studeerde viool aan het Conservatorio della Pietà dei Turchini bij Giovanni Carlo Cailo en Nicola Vinciprova. In 1703 ging hij aan het keizerlijke hof in Wenen als muzikant werken en vanaf 1704 woonde hij in Parijs, waar hij eerste violist bij Louis-Alexandre de Bourbon, Graaf van Toulouse en admiraal van de Franse vloot. Jean-Baptiste Senaillé was daar een leerling van hem; Zijn naam was in die tijd in het Frans vertaald: Jean-Antoine Desplanes. Van 1721 tot 1760 was Piani het hoogstbetaalde orkestlid van het hoforkest in Wenen. In 1741 werd hij door keizerin Maria Theresia benoemd werd tot muziekdirecteur.

Giovanni Antonio Piani componeerde

     12 sonates voor viool of fluit en continuo, opus 1; waardevolle vioolsonates;

 

Jan (Lukas Ignatius) Dismas Zelenka (Louňovice, 16 oktober 1679 ‒ Dresden, 23 december 1745) was in 1709 als musicus verbonden aan de huishouding van de adellijke Praagse familie Von Hartig. In 1710-1711 verhuisde hij als bassist in de hofkapel van August de Sterke naar Dresden. Dit orkest, waaraan Jan Dismas Zelenka voor de rest van zijn leven verbonden bleef, groeide gaandeweg uit tot een van de beste orkesten van Europa.

Vanaf 1716  verbleef hij met grote regelmaat in Wenen, waar hij onderricht kreeg in contrapunt van de keizerlijke kapelmeester Johann Joseph Fux. In Wenen gaf Jan Dismas Zelenka zelf ook les in contrapunt aan Johann Joachim Quantz.

Vanaf 1720 groeide Dresden onder zijn handen uit tot het centrum van katholieke kerkmuziek in de Duitstalige landen. Zelenka's belangrijkste composities uit deze jaren zijn de 27 Responsoria pro Hebdomada Sancta (ZWV 55) en zijn tegenwoordig bekendste werk, de zes triosonates (ZWV 181). Van deze vooruitstrevende kamermuziek is de structurele en thematische complexiteit in deze periode alleen te vergelijken met het werk van Johann Sebastian Bach. Vast staat dat hij Johann Sebastian Bach en zonen persoonlijk heeft gekend en dat Johann Sebastian Bach hem tot de belangrijkste componisten van zijn tijd rekende.

In 1721-22 bezocht Jan Dismas Zelenka Praag. In 1723 ontving hij van het Collegium Clementinum de opdracht om een Melodrama de Sancta Wenceslao (ZWV 175) te componeren ter gelegenheid van de kroning van keizer Karel VI tot koning van Bohemen. De uitvoering in september 1723 in het bijzijn van het keizerlijke echtpaar werd voor Jan Dismas Zelenka een artistieke triomf. In 1726 begon Jan Dismas Zelenka een lijst op te stellen van zijn composities. Ondanks zijn grote inzet voor de Dresdense hofkapel in deze jaren (hij nam veelvuldig de plaats in van de ziekelijke kapelmeester Johann David Heinichen) behield hij het magere salaris van een gewoon orkestlid. Toen Johann David Heinichen in 1729 stierf, nam Jan Dismas Zelenka al diens verantwoordelijkheden op zich. Het is uit enkele petities aan zijn werkgever duidelijk dat de componist vergeefs verwachtte dat hij Heinichen zou opvolgen. De Dresdense keurvorst in benoemde 1733 de jongere aanstormende operacomponist Johann Adolf Hasse tot kapelmeester. In plaats daarvan ontving de oudere componist enkele jaren later de nieuwe titel 'Kerkmuziekcomponist' en een verhoging van zijn salaris.

Vanaf 1733 liep de compositorische activiteit van Jan Dismas Zelenka snel terug. Zijn gezondheid liet vanaf 1735 waarschijnlijk steeds meer te wensen over. In deze jaren componeerde Jan Dismas Zelenka zijn belangrijkste werken: vijf missen, waaronder de drie zogenaamde Missae Ultimae (1740-1741).

Hij stierf in 1745, ongehuwd, enkele dagen voor Kerstmis.

Wolfgang Reiche stelde in 1985 een thematische catologus samen: "Jan Dismas Zelenka: Thematisch-systematisches Verzeichnis der musikalischen Werke (ZWV)", waarbij de werken van Jan Dismas Zelenka van een ZWV nummer werden voorzien.

Jan Dismas Zelenka componeerde onder meer

     23 missen

- Missa Divi Xaverii, ZWV 12, 1729

- Missa Purificationis, 1733, ZWV 16

- Missa Votiva, 1739, ZWV 18, 20–delige mis, 70 minuten lang, door de componist bedoeld als een persoonlijk dankwoord aan God voor zijn genezing (vandaar “votiva”).

- Missa dei Filii (Missa ultimarum secunda: 1740, ZWV 20, een zeldzaam mooi werk, expressief en diepzinnig. het Gloria is een waterval van schoonheid, het mooiste deel van al zijn missen.

- Missa Omnium Sanctorum (Missa ultimarum sexta), 1741, ZWV 21, zijn laatste mis, indrukwekkend

     14 misdelen

- Christe eleison,  ZWV 29, voor alt en strijkers

     4 requiems

- Requiem voor August II de Sterke van Polen, 1733, ambitieus en mooi werk

     2 begrafenisdiensten

- Invitatorium, 3 lectiones, 9 responsoria, ZWV 47,  tijdens een gebedsdienst op 16 april voor de aanstaande begrafenis August II de Sterke van Polen. Aangrijpende Invitatio, de lectiones (aria’s) en responsoria (koor in stile antico) zijn uit teksten uit het Bijbelboek Job.

     3 series lamentationen en responsoria voor de Heilige Week, in opdracht van het Saksische Hof in Dresden

- 6 Lamentationes pro hebdomada, ZWV 53, 1722

- 3 Lamentationes pro hebdomada, ZWV 54, 1723

- 27 Responsoria pro hebdomada, ZWV 55, 1723

     3 Sepolcri, cantates voor Goede Vrijdag, geschreven voor het Klementinumklooster, het oudste Jezuïetencollege in Bohemen; De “Sepolcro” is de Heilige Grafkerk in Jeruzalem, in veel Italiaanse stadjes nagebouwd onder de naam “Sepolcro”.

- Immisit Dominus pestilentiam, ZWV 58, 1709

- Attendite et videte,  ZWV 59, 1712

- Deus Dux fortissime, ZWV 60, 1716

     4 oratoria

- Il serpente di bronzo, ZWV 61, barok-oratorium voor goede vrijdag 6 april 1730, voor solisten, twee koren en orkest, libretto Stefano Benedetto Pallavicino, naar Numeri 21:4-9, uit het Oude Testament. Daarin wordt een conflict tussen God en het Israëlische volk beschreven. God zond vuurspuwende slangen naar het volk om ze te straffen voor hun twijfel jegens hem. Bijna iedereen die gebeten werd stierf. Via Mozes vroeg het Israëlische volk vergiffenis, waarop Mozes in opdracht van God een bronzen slang maakte. Iedereen die de slang aanschouwde bleef in leven.

- I penitento al Sepolchro del Redentore, ZWV 63, 1736, voor alt, tenor, bas, koor en orkest

     70 motetten en psalmen

- O magnum mysterium, ZWV 171, 1723 voor alt en kamerorkest

- Barbara dira effera!, ZWV 164, omstreeks.1733, voor alt en kamerorkest

     18 Maria-antifonen

- Alma Redemptoris Mater, ZWV 126, omstreeks 1730, voor alt en kamerorkest

     3 magnificats

- Magnificat in D grote terts, 1725, ZWV 108, voor solisten, koor en orkest

     2 te deums

     10 litanieën

     3 (series) processiegezangen

     5 (series) wereldlijke vocale werken

- 8 italienische Aria’s, ZWV 176, 1733, vijf voor sopraan, twee voor alt, één voor bas, strijkers en basso continuo. Sollicitatie voor tweede kapelmeester aan het hof van de keurvorst van Saksen. Dit wonder van gratie was niet goed genoeg: afgewezen. 

     9 werken voor orkest

- Hipocondrie à 7 Concertanti, ZWV 187, 1723, inventief

- Simphonie à 8 Concertanti in a kleine terts, 1723, ZWV 189

     3 fanfaremarsen voor harmonie-orkest

     6 quadrosonates "Sei Sonate a due hautbois e basson con due bassi obligati", ZWV 181, 1721, voor hobo (of viool), fagot, cello en basso continuo; schoolvoorbeelden van componeertechniek in de hoogbarok, meestelijk contrapunt, grote melodische kracht en elegantie.

CD Ensemble Marsyas, Linn CKD 415

 

Johann Christian Schieferdecker (Schiefferdecker) (Teuchern bij Weißenfels, 10 november 1679 – Lübeck,  5 april 1732) was de zoon van de cantor en organist in Teuchern. Na de Thomasschule in Leipzig afgerond te hebben studeerde Johann Christian Schieferdecker aan de Universiteit Leipzig. In 1702 werd hij door zijn vriend Reinhard Keiser als klavecinist naar het Operahuis aan de Ganzenmarkt in Hamburg gehaald. In 1704 werd hij eerst leerling, daarna assistent van Dieterich Buxtehude aan de Mariakerk in Lübeck. ToenDieterich Buxtehude in 1707 overleed werd Johann Christian Schieferdecker zijn opvolger. Daarvoor moest hij wel met Buxtehudes foeilelijke dochter Anna Margareta Buxtehude trouwen, een omstandigheid die  Johann Mattheson, Händel en Johann Sebastian Bach ervan terug gehouden hadden, zich met Dieterich Buxtehudes opvolging bezig te houden. Schieferdeckers werd op zijn beurt weer opgevolgd door Johann Paul Kunzen. Schieferdecker zette de Abendmusiken voort, de openbare concerten die Franz Tunder en vervolgens Dieterich Buxtehude opgezet hadden

Een op 2 september 1992 ontdekte asteroïde (7881) Schieferdecker is naar hem vernoemd.

Johann Christian Schieferdecker componeerde vele werken, waarvan de meeste verloen zijn gegaan. Bewaard bleven

     4 cantates

     2 bruiloftsaria’s

     1 missa brevis

     1 orgelwerk

     12 concerten

 

Domenico Natale Sarro (Sarri, Sarra), (Trani, Italië, 24 december 1679 – Napels, 25 januari 1744) studeerde vanaf zijn zesde jaar aan het Napolitaanse conservatorium van San Onofrio, waar hij leerling was van Angelo Durante.

Domenico Sarro componeerde

     32 opera’s

-  Didone abbandonata, 1 februari 1724, libretto Pietro Metastasio.

-  Achille in Sciro, 1737.

     10 intermezzi

     7 oratoria

     11 serenate

     4 cantates

     1 blokfluitconcerto

 

Pietro Castrucci (Rome, Italië, 1679 – Dublin, Ierland, 7 maart 1752) studeerde net als zijn broer Prospero Castrucci bij Arcangelo Corelli. Beide broers stonden in dienst van Kardinaal Ottoboni en daar leerden ze Georg Friedrich Handel kennen. Ze vielen diplomaat Lord Burlington op, kwamen in zijn dienst en ze gingen 1715 met hem mee naar Londen. Pietro Castrucci werd daar bekend als een van de beste virtuoze violisten van zijn tijd. Omstreeks 1718 werd hij vioolmeester van het operaorkest van George Frideric Handel. Die positie hield hij tot 1737, toen volgde de jongere John Clegg hem op. Na een liefdadigheidsconcert in Dublin in 1750 kreeg hij daar malaria, waar hij in 1752 aan overleed. Pietro Castrucci  werd begraven in de Sint Mariakerk in Dublin.

Pietro Castrucci vond de 'violetta marina' uit, een soort viola d'amore, waar George Frideric Handel een aantal obligati voor geschreven heeft.

Pietro Castrucci componeerde

     12 concerti grossi

     24 sonaten voor viool en basso continuo

- sonate opus 1 nr. 2 in e kleine terts

- sonate opus 1 nr. 3 in g kleine terts

- sonate opus 1 nr. 10 in d kleine terts

     12 sonaten voor traverso, viool of hobo met basso continuo, samen met Francesco Geminiani.

     4 sonaten voor altblokfluit en basso continuo, per virtuosi.