Componisten

vanaf 1695

 

Giuseppe (Gioseffo) Francesco Gaspare Melchiorre Baldassarre Sammartini (soms ook: Samartini, Martini, Martino, St Martini, San Martini) (Milaan, 6 januari 1695 – Londen 17 november-23 november (?) 1750) was de oudere broer van de componist, muziekpedagoog, dirigent en organist Giovanni Battista Sammartini. Beide waren zonen van de Franse hoboïst Alexis Saint-Martin, die in Milaan als Alessio Sammartini bekend was; hun moeder Gerolama de Federici was afkomstig uit een Milanese hoboïstenfamilie.

Giuseppe Sammartini studeerde hobo bij zijn vader en werkte verschillende jaren als hoboïst in het orkest van het Teatro Regio Ducal te Milaan. In 1729 werd hij hobosolist in Londen, waar hij tot aan zijn dood zou blijven wonen. Door al zijn tijdgenoten wordt Giuseppe Sammartini als de beste hoboïst van zijn tijd aangeduid. Giuseppe Sammartini trad op als orkestmusicus in de concurrerende de operagebouwen van Georg Friedrich Händel (King´s Theatre) en Giovanni Battista Bononcini. Georg Friedrich Händel heeft verschillende van zijn voornaamste hobo-soli in zijn opera's speciaal voor Giuseppe Sammartini geschreven. In 1736 werd Giuseppe Sammartini kapelmeester van Augusta, de uit Duitsland afkomstige Prinses van Wales, en muziekleraar van haar kinderen.

Sammartini had ook als componist succes. Zijn sonates werden veel uitgevoerd. Van zijn soloconcerten is vooral het concerto in F grote terts voor blokfluit en orkest heel bekend geworden.

Giuseppe Sammartini componeerde

     24 Concerti

- Concerto in F grote terts voor sopraanblokfluit en strijkorkest, een geschenk

     12 Concerti grossi

     16 ouvertures

     4 orgelconcerten

     16 concertini voor 4 tot 7 instrumenten, een soort mini-sinfoniën

- 4 Concertini, J-C 81,82,83, 85 voor 2 violen, altviool en basso, omstreeks 1744

- 3 Concertini, J-C 79,80,84 voor 2 violen, 2 hobo's, 2 hoorns en basso, omstreeks 1750

- 3 Concertini voor dwarsfluit, viool, altviool en cello, oktober 1750

- 6 Concertini voor twee violen, altviool en basso, 1767

     1 opera

     9 cantates

     14 kwartetsonates

- Six Sonatas call'd Notturni's in 4 parts opus 9, 1762 voor fluit, twee violen en basso

     12 triosonates voor twee blokfluiten en basso continuo

     6 triosonates opus 1, eerste heflt voor twee traverso's en basso continuo

     27 triosonates voor twee violen en basso continuo

     60 sonates voor solo-instrument en basso continuo

- 6 sonaten opus 1, tweede helft, voor traverso en basso continuo, 1736

- 12 sonates opus 2 (G, C, e, G, D, a, D, e, G, a, A, D) voor traverso en basso continuo, omstreeks 1737 

- 17 sonaten  "à Flauto solo e Basso", dus voor blokfluit en basso continuo, bewaard in het Manuskript "Sinfonie / di / Giuseppe S. Martino", in de Biblioteca Palatina in Parma (Sanv. D.1)   Negen heten "sonate", zeven "sinfonie" en één "concerto".

- 15 “Sibley” sonaten voor altblokfluit en basso continuo (in elk geval nr. 13, 15, 17, 19, 21, 22, 23, 24, 25, 26)

- 4 “Sibley” sonaten voor traverso en basso continuo (nr. 8 in C grote terts, nr. 9 in a kleine terts, nr. 10 in D grote terts en nr. 11 in G grote terts)

- 6 solos opus 13 (G, G, G, G, g, G) voor traverso en basso continuo, uitgegeven 1760 

 

André Chéron (Parijs, gedoopt 6 februari 1695 – Parijs, begraven 7 october 1766), organist, klavecinist, dirigent, en componist, heeft veel samengedaan en samengewerkt met Jean-Marie Leclair. In 1734 ging hij als klavecinist aan het werk bij de Parijse Opéra, en in 1739 werd hij dirigent als opvolger van Jean-Féry Rebel.

André Chéron componeerde

     Sonates en trio voor 2 fluiten, hobo’s of violen en basso continuo, opus 1, Parijs 1727

     Sonates en duo et en trio voor fluit, viool en basso continuo, opus 2, Parijs 1729

 

Pietro Antonio Locatelli (Bergamo, 3 september 1695 – Amsterdam, 30 maart 1764) was een zoon van Filippo Locatelli en Lucia Crocchi (Trotta?), de oudste van zeven zonen. Hij werd violist in het orkest van de kathedraal van Bergamo. In 1711, 16 jaar oud, ging hij naar Rome, waar hij zich ontwikkelde tot een vioolvirtuoos, die vanwege zijn snelle, woeste en gedurfde spel “il terramoto”, de aardbeving, werd genoemd.

In 1729 vestigde Locatelli zich in Amsterdam, waar hij vioolles gaf, Italiaanse snaren verkocht en als muziekuitgever werkte. Hij leidde daar ook een Collegium Musicum, dat uit welvarende muziekliefhebbers bestond en voor wie hij ook componeerde. Hij meed de publiciteit en nam nauwelijks deel aan het openbare culturele leven in Amsterdam. Pietro Antonio Locatelli woonde op Prinsengracht 506, hij had behoorlijk inkomen, een verzameling vogelkooien en leefde gezellig in zonde met een dame, die het huishouden deed en hielp met de snarenhandel. Op woensdagavonden gaf hij huisconcerten voor een select publiek. Professionele musici waren niet welkom, omdat Pietro Locatelli bang was om fouten te maken. Een gevelsteen op Prinsengracht 106: "Hier woonde, werkte en overleed de grote componist en violist Pietro Antonio Locatelli" herinnert nog aan hem. De gevelsteen werd geplaatst op 30 maart 1964 ter gelegenheid van zijn 200ste sterfdag, op initiatief van zijn geboortestad Bergamo. 

Pietro Antonio Locatelli componeerde

     Opus 1 - 1721: 12 concerti grossi; het 8ste concerto is een kerstconcert.

     Opus 2 - 1732: 12 sonates voor fluit en basso continuo

     Opus 3 - 1733: L’Arte del violino – 12 vioolconcerten en 24 capricci voor vioolsolo

Locatelli’s belangrijkste uitgave. De 24 capricci zijn krankzinnige, nauwelijks speelbare werken vol arpeggio’s, dubbelgrepen, grote sprongen, supersnelle loopjes en hoge posities.  Pas de 24 Capricci op.1 van Niccolò Paganini stellen even hoge eisen aan de virtuositeit van de violist. CD Igor Ruhadze, Violini Capricciosi; Brilliant Classics 94469;

     Opus 4 - 1735: 6 ouvertures met 6 concerti grossi

     Opus 5 - 1736: 6 triosonates; CD: Brilliant Classics 94376 

     Opus 6 - 1737: 12 sonates voor viool en met basso continuo; 6/12 met een duizelingwekkend Capriccio voor viool solo.

     Opus 7 - 1741: 6 concerti grossi

- Concerto in e klein nr. 6 “Il pianto d’Arianna”, waarin Locatelli het orkest laat zuchten over de op Naxos achtergelaten Ariadne, valt op door subtiele dynamiek. Een aangrijpend werk

     Opus 8 - 1744: 6 vioolsonates en 4 triosonates: CD: Brilliant Classics 94376 

     Opus 9 - 1762: 6 concerti grossi

     losse sonates geschreven voor cello, fluit en viool.

- vioolsonate in g kleine terts

 

Johann Melchior Molter (Tiefenort, omgeving Eisenach, Duitsland, 10 februari 1696 – Karlsruhe, 12 januari 1765) was de zoon van cantor en muziekdocent Valentin Molter. Johann Melchior Molter kreeg van zijn vader zijn eerste muzieklessen. Hij volgde een opleiding aan het Gymnasium van Eisenach en speelde daarbij mee in het door Johann Conrad Geisthirt geleide „Chorus Symphoniacas“. In 1717 trad hij als violist in dienst bij de markgraaf Carl Wilhelm von Baden-Durlach, die in Karlsruhe zetelde. Op 12 juli 1718 trouwde Johann Melchior Molter met Maria Salome Rollwagen uit Hagsfeld. Ze zouden acht kinderen krijgen. Johann Melchior Molter kreeg verlof en geld van de markgraaf om in Venetië en Rome twee jaar muziek te studeren.

Na het afronden van zijn studie keerde Molter terug in dienst van de markgraaf van Baden-Durlach. In 1733 moest de markgraaf echter vluchten vanwege de Poolse Troonopvolgingoorlog en dit betekende het einde van het dienstverband. Johann Melchior Molter vertrok naar Saksen-Eisenach en volgde daar Johann Adam Birckenstock op als hofkapelmeester.

In 1737 overleed Maria Salome. Johann Melchior Molter ging weer een jaar in Italië studeren. Terug in Duitsland trouwde Johann Melchior Molter in mei 1738 met Maria Christina Wagner. Na nog een kort verblijf in Italië, keerde Molter in oktober 1738 terug naar Eisenach. In 1743 keerde hij definitief terug naar Karlsruhe om te gaan werken voor de nieuwe markgraaf Carl Friedrich von Baden-Durlach.

Molter stierf op 69-jarige leeftijd in Karlsruhe. Zijn zoon Friedrich Valentin Molter was hoofdbibliothecaris van het hof in Karslruhe.

Johann Melchior Molter componeerde

     3 opera's

     1 oratorium voor goede vrijdag

     11 kerkcantates

     9 wereldlijke cantates

     14 ouvertures,

     95 concertini,

- 6 concerten voor D-klarinet, omstreeks 1745 met een voor die tijd ongekende virtuositeit.

- Concerto in Bes grote terts voor Fauto d'amore, mooi

- Concertini à 4 für Flauto traverso, Soprano di Viola da Gamba, Viola da Gamba e Cembalo

 •     28 triosonates

     36 andere sonates

6 „- Esercizio studioso“ voor viool en klavecimbel, 1722

     orgelwerken

     klavecimbelwerken

 

Joseph Blanchard (ook Antoine Blanchard), bijgenaamd Esprit (Pernes-lès-Fontaine, 29 februari 1696 – Versailles, 10 april 1770) werd kapelmeester van de Saint-Victor te Marseille, de kathedraal van Toulon en vervolgens van de kathedraal van Besançon. In 1732 werd één van zijn motetten gespeeld tijdens de Concert Spirituel te Parijs. Vanaf 1734 leidde Blanchard het koor van Amiens. Zijn Laudate Dominum quoniam bonus in werd in Versailles met zoveel succes uitgevoerd dat hij de vrijgekomen post van Nicolas Bernier kon innemen in de Chapelle royale, naast André Campra, Madin en Gervais; bij de dood van Madin kreeg hij er de verantwoordelijkheid voor de koorknapen van de Chapelle bij. Blanchard dirigeerde de Chapelle voor de laatste maal bij de begrafenis van koningin Maria Leszczyńska in 1768; zijn functies had hij al overgedragen aan Mathieu, de eerste violist van de Chapelle die hem na zijn dood ook zou opvolgen.

Joseph Blanchard componeerde

     40 grands motets voor groot koor en orkest

Blanchard introduceert nieuwe elementen: sonatevorm en instumenten: klarinetten en hoorns .

 

Maurice Greene (Londen, 12 augustus 1696 – 1 december 1755) ,jongste van zeven kinderen van predikant Thomas Greene (1648-1720), werd koorknaap in de St. Paul's Cathedral in Londen bij Jeremiah Clarke en Charles King en leerde daar orgel spelen van Richard Brind, die hij na diens dood in 1718 opvolgde als organist van St. Pauls. In dat jaar trouwde hij ook met Mary Dillingham (1699–1767), een nicht van Jeremiah Clarke . Ze kregen vijf kinderen, waarvan maar één dochter overleefde. In 1722 kocht de familie een huis in Beaufort Buildings off the Strand, waar Maurice Green tot zijn dood bleef wonen.

In 1727 werd Maurice Greene, als opvolger van William Croft, organist aan de Chapel Royal en in 1730 muziekdocent aan de universiteit van Cambridge. Hij werd in 1735 benoemd tot Master of the King's Musick.

Maurice Greene componeerde

     3 opera’s

     3 oratoria

     44 Verse Anthems.

     14 Full Anthems.

- Lord, let me know mine end, zijn meesterwerk

     21 solo anthems

     24 anthems met orkest

     1 service

     7 Te Deums

     2 cantates

     2 odes

     6 boeken met liederen

     vier boeken klavecimbelwerken

     12 voluntary’s voor orgel, een vorm waar Maurice Greene de grondlegger van was.

     andere orgelwerken

 

Andrea Teodoro Zani (Casalmaggiore, Cremona, Italië, 11 november 1696 – 28 september 1757) kreeg zijn eerste vioollessen van zijn vader, amateur-violist. Daarna kreeg hij compositieles van Giacomo Civeri, plaatselijk muzikant, en studeerde hij viool in Guastalla aan het hof bij violist Carlo Ricci. Antonio Caldara, kapelmeester aan het hof van aartshertog Ferdinand Karel in Mantua, nam hem mee naar Wenen, waar hij violist werd in dienst van de Habsburgers. Na de dood Antonio Caldara in 1736, keerde Andrea Zani terug naar Casalmaggiore om daar de rest van zijn leven te blijven.

Na 1757 trouwde hij met de 27 jaar jongere Maria Constanza Margharita Porcelli. Ze kregen 7 kinderen.

Andrea Zani stierf in Casalmaggiore, toen het rijtuig waarin hij zou reizen naar Mantua in Casalmaggiore over de kop sloeg.

Andrea Zani componeerde

     6 sinfonia's

     12 concerti grossi

     12 celloconcerti 

Celloconcerto nr. 2 in a kleine terts WD 789

     6 triosonates

     26 sonata's

 

Gerardus Havingha (Groningen, 1696 – Alkmaar, 1753) was zoon van Petrus Havingha, organist te Groningen. Gerardus Havingha werd eerste organist in Appingedam en in 1722 in Alkmaar aangesteld als klokkenist en organist van de Grote of Sint-Laurenskerk. Hij liet het Hagerbeer-orgel door orgelbouwer Franz Caspar Schnitger, zoon van de beroemde Arp Schnitger, verbouwen en aanpassen. Hij schreef in 1727 het traktaat ”Oorspronk en Voortgang der Orgelen”, dat tot nogal wat discussie leidde onder orgelliefhebbers.

Gerardus Havingha componeerde

     'VIII Suites gecomponeerd voor de clavecijmbal off Spinet', Amsterdam, 1724.

 

Johann Joachim Quantz (Oberscheden bij Göttingen, 30 januari 1697 – Potsdam, 12 juli 1773) leerde fluit spelen van zijn oom, die stadsmusicus was in Merseburg. De organist in Merseburg, Kiesewetter, leerde Johann Quantz orgel spelen, muziektheorie en compositie. Zelf eenmaal stadsmuzikant leerde Johann Joachim Quantz in Merseburg een breed scala aan blaas- en strijkinstrumenten goed bespelen In 1713 werd Johann Joachim Quantz gezel in het pijpersgilde van Radeberg. In 1716 speelde  hij in Dresden in het orkest van de stadsmusicus Heine. Zijn werkgevers stonden toe dat de talentvolle jonge musicus studiereizen mocht ondernemen naar Wenen. Zo kon hij in 1717 compositie studeren bij Jan Dismas Zelenka en Johann Joseph Fux.

In 1718 werd Johann Joachim Quantz aangenomen als hoboïst in de Poolse kapel van August II van Polen die resideerde in Dresden en Warschau. In 1719 studeerde hij bij Pierre Gabriel Buffardin en legde hij zich toe op traverso. Van 1724-1727 zwierf hij via Rome (waar hij bij Francesco Gasparini studeerde), naar Napels, Venetië, Florence, Genève, Lyon, Parijs en Londen. Hij kreeg hierdoor naam en faam en werd de beroemdste fluitist van Europa.

Terug in Dresden werd hij in 1727 benoemd als eerste fluitist aan het hof en mocht hij twee maal per jaar les geven aan de Pruisische kroonprins, de latere koning Frederik II van Pruisen. Toen de kroonprins in 1740 de troon besteeg, kon Johann Joachim Quantz in 1741 in dienst treden bij hem in Potsdam. Hij werd de fluitdocent van de koning onder zeer gunstige voorwaarden - zijn salaris bedroeg 2000 thaler - en hij schreef er meer dan 300 concerti en 200 kamermuziekwerken met fluit voor de vorst. Voor elke compositie werd nog een apart bedrag uitbetaald.

In 1752 werd zijn belangrijke leerboek Versuch einer Anweisung die Flöte traversiere zu spielen gepubliceerd. Het is een van de grondigste werken over de uitvoeringspraktijk uit die tijd en werd twee jaar later ook in het Nederlands uitgegeven: Grondig onderwijs van den aardt en de regte behandeling der dwarsfluit, Amsterdam, 1754. Beide boeken worden tot in onze tijd herdrukt.

Johann Joachim Quantz was nauw bevriend met Georg Philipp Telemann. Hij bouwde zelf ook fluiten en trachtte de dwarsfluit te verbeteren door invoering van een tweede klep, waarbij onderscheid gemaakt werd tussen cis en des. Datt tweekleppensysteem is nauwelijks door andere fluitbouwers nagevolgd.

Johann Joachim Quantz componeerde

     ruim 300 concerti voor fluit, strijkers en basso continuo

- fluitconcert in C kleine terts, QV 5:38, afgemaakt door Frederik de Groto ná Quantz overlijden.

- fluitconcert in D kleine terts, QV 5:81

- fluitconcert in G grote terts, QV 5:165, met originele volledig uitgeschreven cadenzen

- fluitconcert in A kleine terts, QV 5:238, onlangs teruggevonden in de Russische nationale Bibliotheek in Sint Petersburg

     7 concerti voor 2 fluiten

     2 hoboconcerti

     2 hoornconcerti

     6 fluitkwartetten, omstreeks 1720, in 1999 ontdekt door musicologe Mary Oleskiewicz in de Berlijnse Staatsbibliotheek.

     43 werken voor 1 tot 3 fluiten zonder continuo

     45 trio's voor 2 fluiten met basso continuo

     204 sonates voor fluit met basso continuo

     12 capriccio's

     8 fantasieën

     20 sonate- of suitedelen voor fluit solo

     diverse werken voor 2 fluiten zonder begeleiding

     30 vocale werken

 

Pierre Prowo (Altona, Hamburg, Duitsland, 8 april 1697 - 8 november 1757) was afkomstig uit een muzikantenfamilie in Altona en was vanaf 1736 organist van de Gereformeerde kerk in Altona.

Pierre Prowo componeerde

     recitatieven voor de operapasticcio “Der Jahrmarkt von Saint Germain”, 1738

     1 cantate

     13 concerto’s

6 concerto’s voor 2 blokfluiten, 2 hobo’s en 2 fagotten

     20 triosonaten

12 sonates voor 2 blokfluiten en basso continuo

triosonate voor  blokfluit en gamba en basso continuo

     12 sonaten voor fluit en basso continuo

     1 hobosonate

 

Adam Falckenhagen (Groß Dalzig, bij Leipzig, 26 april 1697 – Bayreuth, 6 oktober 1754) was de zoon van docent Johann Christian Falckenhagen en kosterdochter Eva Sachs. Vanaf zijn negende jaar kreeg Adam klavecimbel- en luitlessen van priester (en oom) Gottlob Erlemann in het dorp Knauthain. In Knauthain maakte Adam Falckenhagen kennis met Johann Christian Weyrauch, luitkopiist en leerling van Johann Sebastian Bach.

In 1715 was Adam Falckenhagen muzikant en huisknecht van de jongeheer Dieskau. (Johann Sebastian Bach schreef voor de familie Dieskau de “Bauerncantate” BWV 212) in Merseburg. In 1719 werd Adam Falckenhage benoemd als luitenist aan het Saksische hof. In  1719 en 1720 bezocht hij de Universiteit Leipzig.

Adam Falckenhagen trouwde in Gera met de zangeres Johanna Ämilia (Emilia), een dochter van de Hofkapellmeister Emanuel Kegel aldaar. Het echtpaar kreeg twee dochters.

Vanaf  1734 tot zijn dood in 1754 was Adam Falckenhage hofluitist van Wilhelmina van Pruisen, markgravin van Bayreuth.

Johanna Ämilia stierf al op 3 maart 1734. In 1740 trouwde Adam Falckenhagen met de weduwe van een hoveling, Charlotte Eberhardine Hofmann, geboren Mayer. 17 mei 1742 stierf zij bij de geboorte van haar zoontje Adam.

Adam Falckenhagen stierf 6 oktober 1754 en werd 9 oktober op het kerkhof St. Johannis in Bayreuth begraven.

Adam Falckenhagen componeerde

     6 Sonatas voor luit, opus 1, 1740

     6 Partitas for luit, opus 2, 1742

     6 Concertos for luit en traverso, opus 3, 1743

     Preludio Nel quale Sono contenuti tutti i Tuoni Musicali

     kamermuziek

     6 concerten voor andere instrumenten dan luit.

     geestelijke liederen

Jean-Marie Leclair (de oudere) (Lyon, 10 mei 1697 – Parijs, 22 oktober 1764) leerde als jongen het beroep van zijn vader Antoine: manden maken. Ondertussen leerde hij ook dansen en vioolspelen. Hij werd danser en balletmeester in Lyon. Daar trouwde hij, 19 jaar oud met Marie-Rose Casthanie, ook danseres aan de Opera in Lyon. In 1722 kreeg hij een aanstelling in Turijn als premier danseur en balletmeester aan het Teatro Regio in Turijn. Hij leerde daar ook beter vioolspelen van Giovanni Battista Somis. In 1723 treffen we hem in Parijs aan. In 1728 overleed Marie-Rose Casthanie. In 1730 trouwde Leclair voor de tweede keer met de jonge muziekgraveur Louise Roussel, die al zijn werken vanaf opus 2 voor uitgave voorbereidde. Ze kregen een dochter, die ook het notengraveurvak leerde.

 van 1733 tot 1737 was Jean-Marie Leclair musicus aan het hof van Lodewijk XV. Van 1738 tot 1743 verbleef hij in Den Haag, als privé maestro di cappella voor het hoforkestje dat Anna van Hannover, de briljante leerling van Georg Friedrich Handel, en ondertussen getrouwd met stadhouder Willen IV, voor zichzelf had opgericht. Ondertussen studeerde hij bij Locatelli nog wat viool. Volgens de Nederlander Jacob Wilhelm Lustig speelde Leclair als een engel en Locatelli als de duivel (ooggetuigenverslag 1763) Na een kort verblijf in Chambéry vestigde Jean-Marie Leclair zich in Parijs. Daar was hij componist en muzikaal directeur aan het hof van de hertog van Gramont.

Vanaf 1758, na het stuklopen van zijn tweede huwelijk, huurde Leclair een huisje in een gevaarlijke Parijse wijk. In de nacht van 22 oktober 1764 werd hij vermoord door een dolksteek in de rug. De zwaarste verdenking rust op zijn neef: Guillaume-François Vial, maar ook de mogelijkheid dat zijn ex-vrouw er achter zat uit financieel gewin, of een of andere jaloerse musicus, bestaat. De moord is in elk geval nooit opgehelderd. Hij werd pas twee maanden later gevonden, zo geïsoleerd leefde hij intussen van de wereld, met zijn rode Stradivarius uit 1721 aan zijn borst gedrukt. Het instrument (gekenmerkt door een onuitwisbare bloedvlek wordt momenteel (2016) bespeeld door Guido Rimonda, een briljante Italiaanse violist. (www.guidorimonda.com)

Jean-Marie Leclair componeerde

     één opera

- Scylla et Glaucus, een echte tragédie lyrique in de beste Franse traditie, in een proloog en vijf bedrijven, libretto d'Albaret naar Ovidius Metamorfosen, boek 10, 13 en14, 4 october 1746,  bij de première gedirigeerd door Leclairs vriend en theorieleraar André Chéron. Het verhaal gaat over de (uiteraard wanhopige) relatieontwikkelingen tussen nimf Scylla  (sopraan) en zeegod Glaucus (countertenor). Boze heks Circe (sopraan) weet de zaak goed te bederven. Zij drijft Scylla tot waanzin, aan het slot versteent Scylla en blijft als gevaarljke rots voor zeelieden aan de kust van Sicilië achter. Meesterlijke opera., 

     12 vioolconcerten.

- 6 Concerti à trois violons, alto et basse, pour organo et violoncelle, 1737.

vioolconcert opus 7 nr. 1 in d kleine terts

vioolconcert opus 7 nr. 2 in D grote terts

vioolconcert opus 7 nr. 3 in C grote terts

vioolconcert opus 7 nr. 4 in F grote terts

vioolconcert opus 7 nr. 5 in A kleine terts

vioolconcert opus 7 nr. 6 in A grote terts

     4 boeken met triosonates en triosuites voor twee violen, of twee fluiten en b.c.

     4 boeken Sonates voor viool of fluit  en basso continuo

- vioolsonates  opus 1, 1723
- vioolsonates opus 2, 1726, je hoort in de verende tred in de allegro's dat Leclair danser was.

     3 boeken met sonates voor twee violen of fluiten

- 2de boek met sonates voor twee violen zonder bas, opus 12, 1749, 6 aangename en galante sonates.

     triosonates en -suites

- 6 Sonates en trio pour deux violons et b.c, opus 4, 1732

- Première Récréation de musique d'une exécution facile composée pour deux Flûtes ou deux Violons, opus 6, 1736

- Deuxième Récréation de musique, in g kleine terts, opus 8, voor twee fluiten of violen en basso continuo, 1737

 

Giovanni Benedetto Platti (Padua, Italië, 9 juli 1697 – Würzburg, Duitsland, 11 januari 1763) was de de zoon van Carlo Platti, violist aan de San Marco Basiliek in Venetië. Giovanni werd lid van het gilde van de musici (Arte di Sonadori).

Johann Philipp Franz von Schönborn, Prins-bisschop van Bamberg en Würzburg, nam in 1722 Giovanni Platti en 6 andere Italiaanse musici in dienst. Giovanni Platti werkte er als componist, zanger, violist, hoboïst en klavecinist. In 1723 trouwde Giovanni Platti met de sopraan Maria Theresia Lambrucker. Ze kregen meer dan 10 kinderen. Maria Theresia stierf in 1752.

Platti werkte als vooral als hoboïst en violist aan het hof. Uit een lijst van hofmuzikanten uit 1730 blijkt dat de "virtuoos Platti" de bestbetaalde musicus aan het hof was. Later werd hij ook verantwoordelijk voor de opleiding van andere musici aan het hof, onder andere Johanna Wolf en de castraat Busch. Verder blijkt uit een nota van 1757 dat hij ook instructies gaf aan twee militaire muziekkapellen die aan het hof verbleven.

Giovanni Platti componeerde

     3 missen

     1 requiem

     1 Stabat Mater, opmerkelijk

     3 cantates

     40 concerti, waarvan 28 met een concerterende violoncello, en 9 met een concerterend klavecimbel

- Concerto voor cello en strijkers in C kleine terts
- Concerto voor cello en strijkers in C grote terts

- pianoconcerto nr. 2 in c kleine terts

- pianoconcerto nr. 6 in a grote terts

- pianoconcerto nr. 7 in G grote terts

     23 triosonates, meest voor viool (of hobo), violoncello (of fagot) en basso continuo

- triosonata in G grote terts voor dwarsfluit (oorspronkelijk altblokfluit!), viool en basso continuo

     7 fluitsonates

     12 cellosonates

     1 hobosonate

- sonata in c kleine terts voor hobo & basso continuo.

     4 ricercari voor viool en cello,

     20 klavecimbelsonates

- pianosonata in c kleine terts opus 4, nr. 2

 

Carlo Arrigoni (Florence, Italië, 5 december 1697 – 18 augustus 1744) was luitist en componist in Florence; omstreeks 1731 bracht hij vijf jaar door in Londen, waar zijn opera Fernando in 1734 werd opgevoerd, en waar hij zong en luit speelde in opera’s en andere werken van George Frederic Handel. In 1736 kreeg hij een betrekking aan het hof van Groothertog  Giovanni Gastone van Toscane  en vanaf 1737 was hij hofcomponist van diens opvolger: Groothertog Franz II van Toscane (de echtgenoot van keizerin Maria Theresa).  Bij zijn dood in Florence liet hij een vrouw en vier kinderen achter.

Carlo Arrigoni componeerde

     4 opera’s

     3 oratoria

     15 cantates

     4 aria’s

     1 festa da camera, voor koor en orkest

     1 concerto

     3 sonates voor luit, theorbe of mandoline

     1 klavecimbelsonate

 

Giuseppe de Majo (Napels, 5 december 1697 – 18 november 1771) begon als 9-jarige te studeren aan het Conservatorio della Pietà dei Turchini bij Nicola Fago and Andrea Basso. In 1736 werd Giuseppe de Majo aangesteld als boventallig organist aan de Koninklijke kapel van Napels. In 1744 volgde hij Leonardo Leo als maestro di cappella op. Hij hield dat vol tot 1770. Giuseppe de Majo was de vader van componist Gian Francesco de Majo.

Giuseppe de Majo componeerde

     10 opera’s

     1 oratorium

     2 concerto's

- celloconcerto in grote terts

     5 motetten

     6 cantates

Josse Boutmy (Gent, België 1697 – Brussel, 1779) kwam uit een muzikantenfamilie, die wel de Boutmy Dynastie wordt genoemd. Hij werkte bij Prins van Thurn and Taxis (1736) en aan de koninklijke kapel van Brussel (1744-1777). Boutmy trouwde met Katrina van Westfalen.

Josse Boutmy stierf in armoede zonder een pensioen te ontvangen en liet een vrouw en 12 kinderen achter die van de liefdadigheid moesten leven.

Josse Boutmy componeerde

     3 boeken klavecimbelwerken

 

F(rater) I(oannes) De Boeck (1697-1775), was van 1726 tot 1735 organist aan het Antwerpse minderbroederklooster en rond 1738 werkzaam  als priester in Maastricht.

Ioannes de Boeck componeerde

     7 suites voor klavecimbel of orgel

 

František Jiránek (Lomnice nad Popelkou, Noord-Bohemen, nu Tsjechië, 24 juli 1698 – Dresden, Duitsland, 1778 was de zoon van bedienden van de Graaf Wenzel Morzin. František begon zijn werk als muzikant dan ook in dienst van de graaf. In 1724 stuurde Graaf Václav Morzin hem naar Venetië om een betere muzikant te worden. Misschien heeft hij daar les gehad van Antonio Vivaldi, die zijn vioolsonaten opus 8 (waaronder de Vier Jaargetijden) aan Graaf Václav Morzin opdroeg.

In 1726 kwam František Jiránek weer naar Praag terug en ging als violist aan het werk in het Praagse ensemble van Václav Morzin. Daar werkten ook Antonín Reichenauer en Johann Friedrich Fasch aan mee. Na de dood van Václav Morzin in 1737 kwam František Jiránek in dienst van de Premier van Saksen, Heinrich von Brühl in Dresden. Na de dood van Heinrich von Brühl in 1763 ging František Jiránek met pensioen.

De Tsjechische musicoloog Václav Kapsa heeft veel onderzoek naar František Jiránek gedaan en over hem gepubliceerd. Hij heeft een KapM-nummer aan de werken gegeven.

František Jiránek componeerde

     6 symfonieën

     15 concerten

- vioolconcert in d kleine terts, KapM 7

     triosonaten

     vioolsonaten

 

François Francœur (8 september 1698 – 5 augustus 1787) was de zoon van Joseph Francœur, een basgambaspeler en lid van de de 24 violons du roy. François Francœur (broer van Louis  Francœur) kreeg vanaf zijn 15de jaar vioolles aan de Académie Royale de Musique. In Parijs werd hij eerst medewerker van het  Concert Spirituel, in 1730 van de 24 violons du roy  en in 1739 Maître de musique van de Opera in 1739. Van 1744 tot 1757 was François Francœur, samen met  François Rebel, zijn collega en vriend inspecteur musicaux van de Parijse Opera. In 1760 werd hij benoemd tot Maître de musique van koning Lodewijk XV en in de adelstand verheven. Op 6 April 1763 brandde de Parijse Opera geheel af. Francœur trok zich daarop helemaal terug uit de muziekwereld, en leefde teruggetrokken tot zijn dood op 89-jarige leeftijd in 1787. 

François Francœur componeerde

     10 opera’s

- Pirame et Thisbé, tragédie en musique opera met een proloog en vijf bedrijven, geschreven samen met componist François Rebel, 17 oktober 1726, libretto, Jean-Louis-Ignace de La Serre, gebaseerd op het verhaal Pyramus en Thisbe in Ovidius Metamorphosen.

     enkele balletten

     2 symphonieën

     twee boeken met vioolsonates

     een zangstuk

 

Henry Madin (Verdun, Frankrijk, 7 oktober 1698 – Versailles, 3 februari 1748) zijn vader was een Ierse soldaat die in de vroege 1690 jaren in verband met de afloop van de Jacobitische oorlog Ierland was ontvlucht en zich had gevestigd in Verdun. Daar kwam hij een leuk Frans meisje tegen. Henry Madin was muzikaal, zong mee in het schoolkoor en in zangschool van de kathedraal. Op zijn 21ste werd hij tot priester gewijd en nam hij de leiding van de koorschool aan de kathedraal Saint Étienne van Meaux van Abbé Sébastien de Brossard over. Hij leidde ook andere koorscholen in Frankrijk. In 1936 werd Henry Madin Sous-maître de la musique de la Chapelle du roy naast Charles-Hubert Gervais en André Campra. Daarnaast was Henry Madin kapelmeester aan de Kathedraal van Rouaan. Hij componeerde hofmuziek voor Lodewijk XV.

Henry Madin schreef in 1742 een muziektheoretische werk over contrapunt: Traité du contrepoint simple ou du chant sur le livre

Henry Madin componeerde

     4 missen voor 4 stemmen

     29 grands motets

- Diligam te, Domine, 1737, interessant 7-delig motet

- Te Deum, 1744, voor 2 sopranen, 2 tenoren, 2 bassen, koor en groot orkest, om luister bij te zetten aan de overwinning van het Franse leger in Freiburg en aan de inname van Tournai. Sprankelend en monumentaal.

     1 cantate

 

Riccardo Broschi (Napels, omstreeks 1698 – Madrid, 1756) was  de broer van operazanger Carlo Broschi, beter bekend als Farinelli.

Riccardo Broschi was de zoon van Salvatore Broschi, componist en maestro di cappella van de Kathedraal van Puglinese inwoners van Napels, en Caterina Berrese. Aan het conservatorium van S. Maria di Loreto studeerde hij vanaf 1712 compostie bij G. Perugino en F. Mancinipresso.  Zijn vader Salvatore stierf onverwacht, 36 jaar oud, op 4 November van 1717, waarna Riccardo  hoofd van de familie werd.

Hij maakte zijn debuut in 1725 met de opera buffa „La Vecchia Sorda“. In 1726 vertrok hij naar Londen, waar hij tot 1734 bleef en 6 opera seria schreef, waarvan „Artaserse“ het meest succesvol was (Grove Music zegt dat dit allemaal bijzonder onzeker is). In  1736/1737 werd hij compositore di musica aan het hof van Stuttgart bij Hertog Carl Alexander van Wurttemberg. In 1737  keerde hij naar Napels terug. In 1739 zocht hij zijn broer in Madrid op en kreeg hij daar een betrekking als diplomaat bij de koning. Pogingen om hem te benoemen als maestro di cappella mislukten. Hij stierf in Madrid.

Riccardo Broschi componeerde

     9 opera’s

- La Vecchia Sorda, Napels 1725

- L’Isola Di Alcina, Rome 1728

- Idaspe, Venetië, 1730

- Arianny e Teseo, Milaan, 1731

- Merope, Turijn, 1732

- Artaserse, Londen, 1734 - éen van de 40 operazettingen van het libretto van Metastatio, dit is een pasticcio met aria's van Ricardo Broschi, Atillio Ariosti, Nicola Porpora en Johann Adolf Hasse; Ricardo Broschi's broer Farinelli zong de beroemd geworden aria Son qual nave ch'agitata.

- Nerone, Rome, 1735

- Adriano in Siria, Milaan, 1735

     1 oratorium

- Il Martirio di Santa Susanna Vergine, 1727

     1 cantate

 

Johann Adolf Hasse (Bergedorf bij Hamburg, 25 maart 1699 – Venetië, 23 december 1783) was de tweede van vijf kinderen van Peter Hasse and Christina Klessing, burgemeestersdochter van Bergedorf. Johann Adolfs’ grootvader was organist in Lübeck. Zijn eerste muziekonderricht kreeg hij van zijn vader. In 1718 begon Johann Adolf Hasse als tenor bij het Theater am Gänsemarkt in Hamburg. Vervolgens trok Hasse naar Brunswijk, waar zijn eerste opera Antioco in het hoftheater werd opgevoerd (1721). In 1722 ging hij naar Napels. Hij studeerde daar bij Nicola Porpora en Alessandro Scarlatti. Vanaf 1727 werkte hij in Venetië aan het Conservatorio degli Incurabili, een opvanghuis voor jonge meisjes.

Johann Adolf Hasse ontmoette in Venetië de prima donna Faustina Bordoni, de bestbetaalde zangeres van haar tijd, die door Georg Friedrich Händel in 1726 voor twee jaar naar London werd gehaald. Johann Adolf Hasse trouwde met Faustina Bordoni in 1730, na zich in het voorafgaande jaar tot het katholicisme te hebben bekeerd.

Van 1735 tot 1764, verbleef Johann Adolf Hasse vaak in Dresden (Saksen), het Florence aan de Elbe, wanneer de keurvorst Friedrich August II van Saksen er resideerde. Hasse werkte er als 'Ober-Hofkapellmeister' voor de keurvorst,. De opera in Dresden was gebouwd ter gelegenheid van diens huwelijk en beschikte over 2000 plaatsen. De zangers kregen goed betaald en de prima donna's hadden de beschikking over koetsen. De hofkapel, Säksische Staatskapelle, gold na die van Napels als het beste orkest in Europa. Johann Adolf  Hasse had een bijzonder contract; wanneer Frederik August, ook koning van Polen, naar Warschau afreisde, dan hoefde hij niet mee, maar reisde met zijn vrouw naar Italië.

In 1748 werd Hasse gevraagd twee van zijn werken uit te voeren bij de feestelijkheden ter gelegenheid van het huwelijk van Elisabeth van Brandenburg-Bayreuth, de dochter van Wilhelmina van Bayreuth. Zowel Ezio als Artaserse werden opgevoerd in het nog niet volledig opgeleverde Markgräfliches Opernhaus in Bayreuth. Bij de uitvoering van Ezio in Dresden in 1755 waren 620 personen betrokken, twintig dromedarissen, vier muildieren en vier wagens, beladen met roofgoederen.

In 1751 ging Faustina Bordoni met pensioen.

Bij een belegering door Frederik de Grote en een bombardement in 1760, waarbij een bibliotheek werd verwoest, zijn vele van zijn handgeschreven composities in vlammen opgegaan. Na de begrafenis van de keurvorst ging Johann Adolf Hasse in 1764 naar Wenen, waar hij de lievelingscomponist werd van keizerin Maria Theresia. De Zevenjarige oorlog had het hof in Dresden in grote financiële moeilijkheden gebracht en Johann Adolf Hasse werd ontslagen, zonder pensioen.

Ter gelegenheid van de bruiloft van aartshertog Ferdinand van Oostenrijk, componeerde Hasse zijn laatste opera, Ruggiero (1771). In Milaan ontmoette hij de 13-jarige Wolfgang Amadeus Mozart en was onder de indruk van zijn talent: “Dit kind zal ons allemaal doen vergeten

Op aandringen van Faustina koos hij er in 1773 voor om zijn laatste levensjaren in Venetië door te brengen, waar hij nog steeds als kapelmeester aan het Conservatorio degli Incurabili werkte. Hij had de bijnamen "padre della musica" (vader van de muziek) en "il caro sassione" (de geliefde Duitser). Faustina Bordoni stierf er in 1781. Johann Adolf Hasse overleed twee jaar later.

Johann Adolf Hasse componeerde

     60 opera’s

- Antonio e Cleopatra, serenata in twee bedrijven, libretto Francesco Ricciardi, september 1725.

- Scintilla e Don Tabarrano (La contadina), komisch tussenspel in twee bedrijven, herfst 1728, libretto Bernardo Saddumene en Andrea Belmuro, heldere, zeer beeldende muziek met de nodige kolder

- Tigrane,  opera seria in 3 bedrijven, libretto Francesco Silvani, 4 november 1729

- Arminio (onvolledig bewaard) opera seria in 3 bedrijven, libretto Antonio Salvi, 28 augustus 1730

- Cleofide , 1731, libretto Pietro Metastasio, een uitzonderlijke opera in het barokrepertoire. Première in Dresden. Johann Sebastian Bach en zijn oudste zoon Wilhelm Friedemann waren aanwezig bij de première.

- Tito Vespasiano (La clemenza di Tito), opera seria in 3 bedrijven, libretto Metastasio; 24 September 1735; tweede versie 17 januari 1738; derde versie 1759 Aan het eind treedt Sesto (countertenor) wanhopig zijn dood tegemoet met de aria "Vo disperato a morte". Er werd een prachtige proloog voor geschreven door de componisten Domenico dall’Oglio en Luigi Madonis ter gelegenheid van de opvoering bij de kroning van tsarina Elisabeth I in Sint Petersburg in 1742 

- Didone abbandonata, opera seria in 3 actes, libretto Metastasio, aangepast door Francesco Algarotti, 7 October 1742; het verhaal van Dido en Aeneas. De Trojaanse prins Aeneas verovert het hart van koningin-weduwe Dido. Hij kan niet in Carthago blijven en moet door naar Italië om Rome te stichten. De wanhopige Dido pleegt zelfmoord.  Mooi operawerk.

- Ipermestra, opera seria in 3 bedrijven, libretto Metastasio; 8 januari 1744; gereviseerd in 1751

- Semiramide riconosciuta, opera seria in drie bedrijven, libretto, Metastasio, 26 december 1744, gereviseerd 11 januari 1747.

- La spartana generosa, ovvero Archidamia, opera seria in drie bedrijven, libretto Giovanni Claudio Pasquini, 14 juni 1747.

- Arminio,  opera seria in 3 bedrijven, libretto Giovanni Claudio Pasquini, 7 oktober 1745, gerereviseerd 1753

- La spartana generosa, ovvero Archidamia, opera seria in 3 bedrijven, libretto Giovanni Claudio Pasquini, 14 juni 1747

- L'Olimpiade, opera seria in 3 bedrijven, libretto, Metastasio, 16 februari 1756; tweede versie 26 december 1764; mooie countertenoraria met prachtig golvende fagotloopjes:‘Siam navi all’onde algenti’

- Il trionfo di Clelia, opera seria in drie bedrijven , 27 April 1762;

- Siroe re di Persia (Cyrus, koning van de Perzen), opera seria in drie bedrijven libretto Petro Metastasio. 2 mei 1733, gereviseerd in 1763. Hoofdrol is voor kroonprins Siroe (countertenor), ten onrechte beschuldigd  van samenzwering tegen zijn vader.

- Piramo e Tisbe, Wenen, 1768, tragisch intermezzo in twee akten, libretto van Marco Coltelli. De solisten worden niet door een basso continuo begeleid, maar door het hele orkest, net als in de werken van Gluck.

- Il Ruggiero, ovvero L'eroica gratitudine, opera seria in drie bedrijven, libretto; 16 oktober 1771, in Milaan ter gelegenheid van de verjaardag van de aartshertog, een dag ná Mozarts Ascanio in Alba. Mozart was toen 13 jaar oud. “Dit kind zal ons allemaal doen vergeten’, was Hasses’ commentaar.

     7 serenata’s

     11 intermezzi

     11 oratoria,

- Il cantico de' tre fanciulli (het lied van de Drie Heilige Kinderen), oratorium in twee bedrijven; libretto Stefano Benedetto, naar het Bijbelverhaal uit het Bijbelboek Daniël van de drie vrienden in de brandende  vuuroven,  1734, gereviseerd 1774, Mooie aria van Misaël (countertenor) in het tweede bedrijf: Notte amica oblio de' mali. 

     15 missen,

     3 requiemmissen

     misdelen

     psalmen

     antifonen

     gezangen

     40 solomotetten,

     25 koormotetten

     4 lamentationes van Jeremia

    43 cantates voor zangstem(men) en basso continuo

    38 cantates voor zangstem(men) , één of twee obligate instrumenten en basso continuo

    32 cantates voor zangstem(men) en orkest

- Scrivo in te l'amato nome, cantate voor alt en orkest, libretto Pietro Metastasio, 1761

     talloze aria’s, gezangen en solfeggi's

     32 concerten,

- mandolineconcert in G grote terts

     30 triosonates, in 5 banden met 6 sonates elk, bijna allemaal voor 2 traverso's en basso continuo

     solosonates

- cantate per flauto, sonate in Bes grote terts voor blokfluit en basso continuo, tussen 1728 en 1733

     80 fluitsonates voor Frederik de Grote.

     17 cembalosonaten

 

Jean-Baptiste Forqueray (Parijs, 3 april 1699 – augustus 1782), de zoon van Antoine Forqueray, gaf ondermeer les aan de dochter van Lodewijk XV, prinses Henriette-Anne en aan kroonprins  Friedrich Wilhelm van  Pruisen. Forqueray is twee keer getrouwd: met Jeanne Nolson op 29 juli 1732 en, na haar dood met de klaveciniste Marie-Rose Dubois op 13 March 1741.

Jean-Baptiste Forqueray schreef

     29 Pièces de Viole,  werken voor viool en basso continuo

buitengewoon virtuose vioolmuziek

Forqueray arrangeerde deze stukken ook voor klavecimbel

 

Santo Lapis (Lapi), (Bologna, of daar in de buurt, Italië. vóór 27 april 1699 – Engeland, omstreeks 1765??) studeerde aan het conservatorium Sant Onofrio. Er is in de archieven van Bologna een bericht dat hij als novice op 27 april 1719 werd toegelaten tot de Accademia Filarmonica van Bologna. Dat kon pas vanaf je twintigste jaar, vandaar de geboorteaanduiding van minstens twintig jaar eerder. 2 mei 1720 werd hij als organist van de Accademia benoemd. Hij werd er ook organist bij de "Cappella de' Sassi cioè di S. Stefano". 22 december 1726 werd hij aangenomen als tenor in de Venetiaanse kapel van de San Marco tegen een jaarsalaris van 80 ducaten.

Hij componeerde ook in Venetië, gaf er les, trouwde er en kreeg een kind.

Omstreeks 1733 verliet hij zijn gezin en Venetië. In 1737 vinden we hem terug als leider van een gezelschap operazangers bij het carnaval in Klagenfurt en vanaf 1738 in Praag.

In 1741 werd er een werk van hem in Den Haag uitgevoerd, dus misschien was hij toen al in Nederland. In elk geval tussen 743 en 1747 werkte Santo Lapis in Den Haag als zang– en klavecimbelleraar. Tegen 1750 verhuisde Santo Lapis naar Amsterdam, waar hij in de Doelenzaal concerten organiseerde, en dat deed hij ook in Haarlem. Hij vormde een Italiaans operagezelschap en gaf daar ook uitvoeringen mee in Leiden en Den Haag. Tot 1757 bleef Santo Lapis daarmee bezig, hij vulde zijn salaris aan met uitgeven van muziek en handelen in snaren voor strijkers.

In 1757 verhuisde Santo Lapis naar Londen en vanaf 1760 reisde hij ook verder door Engeland. Het schijnt dat hij daar omstreeks 1765 overleden is.

Santo Lapis componeerde

     opera’s

     cantates

     motetten

     6 sinfonia’s

     aria’s voor één en twee zangstemmen en basso continuo

     triosonates

     sonates voor diverse insrumenten en basso continuon

     6 duetten voor twee instrumenten

     12 klavecimbelsonates

     gitaarwerken