Componisten

vanaf 1715

 

Jacques Duphly (du Phly) (Rouen, Frankrijk, 12 januari 1715 - Parijs, 15 juli 1789), zoon van Jacques-Agathe Duphly en Marie-Louise Boivin, kleinzoon van Jacques Boyvin, organist van de kathedraal van Rouen. Jacques Duphly was leerling van François d'Agincourt en begon zijn loopbaan als organist van de kathedraal van Évreux en in de St Eloi en de Notre Dame de la Ronde van Rouen. Als het zo uitkwam, liet hij zijn zus Marie-Anne-Agathe invallen. In 1742 verhuisde Jacques Duphly naar Parijs en speelde alleen nog klavecimbel. Hij leefde als docent en onafhankelijk kunstenaar en bezocht de elegante Parijse salons.

Duphly bleef ongehuwd en liet een groot deel van zijn erfenis (hij stierf in een appartement van het Hôtel de Juigné, een dag ná het begin van de Franse Revolutie) na aan zijn huisknecht.

Jacques Duphly componeerde

     4 boeken klavecimbelmuziek

     werken voor klavecimbel met vioolbegeleiding, in het derde boek, 1756

- Ouverture;

- La de Mary;

- Chaconne;

 

Georg Christoph Wagenseil (Wenen, 29 januari 1715 - 1 maart 1777) was de zoon van een functionaris aan het Weense hof. Hij was een favoriete leerling van de Weense hofkapelmeester Johann Joseph Fux. Georg Christoph Wagenseil componeerde vanaf 1739  voor het keizerlijke hof van Maria Theresia tot aan zijn dood. Hij had ook een aanstelling als klavecinist en organist. Georg Christoph Wagenseil gaf pianoles aan Marie Antoinette. Hij reisde weinig en bracht het grootste deel van zijn leven door in Wenen waar hij ook stierf.

In 1912 werd de Wagenseilgasse in Wenen-Meidling naar hem vernoemd.

Georg Christoph Wagenseil componeerde

     16 opera’s

     3 oratoria

     19 missen, waar onder een requiem

     125 andere liturgische werken

     100 symfonieën

     80 klavecimbelconcerten

     12orgelconcerten

     10 concerten voor diverse andere instrumenten

     90 kamermuziekwerken

     talloze klavecimbelwerken

 

Charles-Joseph van Helmont (Brussel, 19 maart 1715 – 8 juni 1790) studeerde muziek bij Pierre-Hercules Brehy (1673-1737) aan de Brusselse Sint-Michiel en Sint-Goedelekathedraal. Als achttienjarige volgde hij er Josse Boutmy op als organist. Hij werd in 1737 aangesteld tot kapelmeester van de Kapellekerk te Brussel en kwam in 1741 in diezelfde hoedanigheid terug naar Sint-Goedele.
Charles-Joseph Van Helmont leidde 36 jaar lang de koorzangers op, was dirigent van de muziekuitvoeringen in de kerk en componeerde de gewijde muziek voor de diensten. In 1777 droeg hij zijn functie over aan zijn zoon Adrien-Joseph (1747-1830).

Charles-Joseph van Helmont componeerde

     14 missen, waaronder een requiemmis

     1 oratorium

- Judith, 1756

     70 motetten

     Leçons de ténèbre

- Les neuf Leçons de la Semaine Sainte voor sopraan en basso continuo, 1737

     vesperpsalmen

     klavecimbelwerken

     6 fuga’s voor orgel

 

James Nares (Stanwell, Middlesex, Engeland, gedoopt 19 april 1715 – Londen, 10 februari 1783). was koorknaap aan de Koninklijke Kapel in Londen bij Gates en studeerde daarna bij Pepusch. In augustus 1735 werd James Nares organist van York Minster. In oktober 1757 volgde hij Gates op als koormeester van de kinderen van de Koninklijke Kapel. 1 juli 1780 trok hij zich terug om met pensioen te gaan. Hij is begraven in St Margaret’s, Westminster.

James Nares componeerde

     4 Services,

- Magnificat & Nunc Dimittis in F grote terts, 1790

     40 anthems

     1 ode

     1 kamermuziekwerk

     8 orgelwerken

     klavecimbelwerken

- Eight Setts of Lessons for the Harpsichord, 1784

     Catches, Canons and Glees

- To all lovers of harmony, 1770

- O fairest maid, 1775

- Wilt thou lend me thy mare,1775

- Fear no more the heat of the sun voor twee sopranen en bas, 1775

 

Gennaro Manna (Napels, 12 december 1715 – 28 december 1779) was de zoon van componist Giuseppe Maria Manna en Caterina Feo, een zus van de componist Francesco Feo. Gennaro Manna studeerde bij zijn oom Francesco Feo, die de leiding had van het Conservatorio San Onofrio a Capuana in Napels. Vanaf 1744 was Gennaro Manna kapelmeester aan de kathedraal van Napels en later ook bij de kerk Santa Annunziata. In 1755 kreeg hij de leiding van het Conservatorio di Santa Maria di Loreto.

Gennaro Manna componeerde

     13 operas 

     10 oratoria

     12 missen

     140 andere religieuze werken

     aria’s

 

Gaspard Fritz (Geneve, Zwitzerland, 18 februari 1716 – 23 maart 1783) was de zoon van vioolleraar Philippe Fritz, afkomstig uit Celle en Jeanne Guibordanche. Zelf trouwde Gaspard Fritz in 1737 met Charlotte Foix. Ze kregen vier kinderen. Gaspard Fritz studeerde bij Giovanni Battista Somis in Turijn. Vanaf 1737 werkte Gaspard Fritz als violist en muziekleraar in Geneve.

Gaspard Fritz componeerde

     6 sinfonieën

     1 concerto

     6 kwartetsonaten

     12 sonaten voor viool (of fluit) en basso continuo

     6 triosonaten voor twee strijkers en basso continuo

     6 sonaten voor 2 violen

 

Georg Matthias Monn (geboren als Johann Georg Mann) (Wenen, 9 april 1717 – 3 oktober 1750) was de oudste zoon van koetsier Jakob Mann en Catherina Päsching. Georg Matthias Monn werd benoemd als organist in Klosterneuburg bij Wenen, daarna in Melk in Beneden Oostenrijk en in Karlskirche in een buitendistrict van Wenen. Hij overleed aan tuberculose op zijn 33ste jaar. Zijn jongere broer Johann Christoph Monn was ook muzikant en organist. Hun werken worden nogal eens door elkaar gehaald.

Georg Matthias Monn componeerde

     missen

     3 motetten

     16 symfonieën.

- Symfonie in F grote terts, 1740, De eerste vierdelige symfonie met als derde deel een Menuet, ooit geschreven.

     12 concerten

- klavecimbelconcert in D grote terts, door Arnold Schönberg “vrij” gearrangeerd tot een concerto in D grote terts voor cello voor Pablo Casals. Pablo Casals speelde het nooit, omdat hij het niet onder de knie kon krijgen, maar later werd het opgenomen door Yo–Yo ma en veel andere celisten.

- celloconcerto in g kleine terts, 1746. Arnold Schönberg werkte het continuo apart uit, ook voor Pablo Casals.  

     23 kamermuziekwerken

     40 sonates voor klavecimbel

     8 orgelwerken

 

Johann(es) Wenzel Anton Stamitz (eigenlijk Jan Václav Antonín Stamic, Deutsch Brod, Bohemen , nu Havlíčkův Brod, Tsjechië, 19 juni 1717 ingeschreven - Mannheim, Baden-Württemberg, 27 maart 1757) komt uit een Sloweense muzikantenfamilie. Zijn vader Anton Ignaz Stamitz was organist, van hem kreeg Johann zijn eerste muzieklessen. Hij volgde het Jezuïeten-gymnasium te Iglau (Jihlava) en studeerde van 1734 tot 1735 aan de Karelsuniversiteit in Praag filosofie en muziek. Na dat jaar had hij het op de Universiteit wel gezien en begon hij een carrière als vioolvirtuoos. In 1742 werd Johann Stamitz kamermusicus bij keurvorst Karel Theodoor van Beieren in Mannheim.

In 1745 werd hij hofkapelmeester en maakte hij het orkest in heel Europa beroemd. Hij was daarmee oprichter van de Mannheimer Schule, die grote invloed heeft gehad op de ontwikkeling van de symfonie en de manier van het orkestspel. Johann Stamitz gaf de tot dan driedelige symfonie standaard een vierde deel in de vorm van het menuet (voor het eerst in 1740 toegepast door Georg Matthias Monn; de blaasinstrumenten kregen in het orkest meer gewicht, klarinetten gingen er deel van uitmaken. Een specifiek kenmerk is onder andere de zogenoemde Mannheimer Rakete, een snelle crescendo-uitbraak over stijgende noten.

Johann Stamitz trouwde op 1 juli 1744 met Maria Antonia Lüneborn. Zij kregen vijf kinderen, van wie er twee al vroeg overleden. Zijn twee zonen Carl en Anton Stamitz waren ook belangrijke componisten.

In Mannheim is in 1907 een straat naar hem genoemd. Het kunstenaarsgilde Esslingen in Baden-Würtemberg verleent elk jaar aan een componist de Johann-Wenzel-Stamitz-Prijs.

Johann Stamitz componeerde

     58 symfonieën

- Symfonie in D grote terts voor twee traverso's, twee hoorns, strijkers en basso continuo

     10 orkesttrio’s (symfonieën voor strijkorkest)

     35 concerten

Concert in Bes groot, voor klarinet, strijkorkest en twee hoorns ad libitum, het eerste klarinetconcert ooit.

     2 missen

     6 andere vocale werken

     35 kamermuziekwerken

 

Christoph Nichelmann (Treuenbrietzen, Brandenburg, 13 augustus 1717 - Berlijn, 20 juli 1762) kwam in 1730 als leerling op de Leipziger Thomasschool en kreeg zo les van  Johann Sebastian Bach. In 1733 ging hij naar Hamburg en studeerde daar theatermuziek bij Telemann, Mattheson en Keiser. In 1739 verhuisde hij naar Berlijn, waar hij studeerde bij Quantz en Graun. Na enkele buitenlandse reizen werd hij in 1745 bij het hoforkest van Frederik de Grote naast Carl Philip Emanuel Bach tweede hofcembalist. In Berlijn werkte hij ook als klavecimbelleraar.

16 augustus 1746 trouwde  Christoph Nichelmann met Johanna Christina Guthmann, de dochter van een Berlijnse koopman. Ze kregen twee kinderen. Onder meer de Zevenjarige oorlog was er de oorzaak van dat hij in armoede overleed. 

Christoph Nichelmann componeerde

     1 serenade

     1 cantate

     1 requiem

     1 ouverture

     4 sinfonia’s

     18 klavecimbelconcerten

- Concerto per il Cembalo concertante c klein D-B M.TH. 169

     1 vioolconcert

     3 sonates

     2 triosonates

     22 liederen.

     19 klavecimbelsonates

- 6 brevi sonate da cembalo massime all’uso delle dame (vooral voor dames, dus), opus 1, 1745

- 6 brevi sonate da cembalo all’ uso di chi ama il cembalo (voor iedereen die van kalvecimbel houdt), opus 2, 1745.

 

Francesco Zappa (Milaan, Italië, 1717 – Den Haag, 17 januari 1803) was beroemd om zijn virtuoze cellospel. Hij werkte aanvankelijk aan het hof van de Siciliaanse Graaf Catani. Van november 1763 tot midden 1764 werkte hij voor de Hertog van York, toen die in Italië verbleef. In het najaar van 1764 maakte Francesco Zappa  met zijn collega Ricci een rondreis door Europa. Langs Dresden, Frankfurt, Mainz en Mannheim kwamen ze terecht in de Nederlanden, waar ze verschillende concerten gaven. Dat beviel zo goed dat Francesco Zappa  besloot in Den Haag te gaan wonen. 30 jaar lang deed hij regelmatig dienst bij het hof van de Prins van Oranje. Voor het eerst stond hij daar bij de winterconcerten van het hof in 1766 op de betalingslijsten. Hij maakte ondertussen steeds concertreizen naar Duitsland, Polen en Frankrijk, waar hij om zijn mooi cellospel hoog gewaardeerd werd. Aan het eind van de 1780–er jaren was hij nog seeds “Maître de musique à la Haye”. Hij kreeg 1 Augustus 1791 een permanente verblijfsvergunning voor de residentie. Een soort Nederlanderschap. 2 november 1794 gaf Francesco Zappa zijn laatste hofconcert. Daarna trad stadhouder Willem V af en vluchtte met zijn gezin voor de Franse invasie van het leger van Napoleon naar Engeland. Einde van de hofconcertcultuur.

Francesco Zappa componeerde, met in al zijn werken vaak een prominente rol voor de cello:

     7 symfonieën

- symfonie in Bes (cello symfonie)

- symfonie in D.

     onduidelijke andere werken

     32 triosonates

     47 sonates en andere kamermuziekwerken voor 1 tot 4 instrumenten

     12 pianosonates

     liederen

 

Friedrich Wilhelm Marpurg (Seehof, Brandenburg, 21 november 1718 – Berlijn, 22 mei 1795) reisde in 1746 als secretaris van Generaal Rothenberg naar Parijs. Daar maakte hij kennis met belangrijke denkers en kunstenaars, zoals schrijver en filosoof Voltaire, mathematicus d'Alembert en componist Jean-Philippe Rameau.

Daarna reisde hij terug naar Berlijn. In 1760 kreeg hij een betrekking bij de Koninklijke Pruisische Loterijen, waarvan hij in 1763 directeur werd. In 1766 werd zijn zoon geboren: Johann Friedrich Marpurg, die een beroemd violist zou  worden.

Friedrich Wilhelm Marpurg was vooral een belangrijke Duitse musicoloog, die veel toonaangevende muziektheoretische werken publiceerde. 

Friedrich Wilhelm Marpurg componeerde

     klavecimbelwerken,

     orgelwerken

     liederen.

 

Antoine (Anton, Antonio) Mahaut (Mahault, Mahoti, Mahout) (Namen, België, 4 mei 1719 – omstreeks 1785) kwam uit een muzikantenfamilie en leerde vermoedelijk muziek van zijn vader, die fluitist was. Op zijn 15de kwam hij in dienst van de Bisschop van Namen, Thomas Strickland van Sizergh, met wie hij naar in 1735 Londen reisde. Hij ontmoette daar uitgever John Walsh, die zijn duo’s voor twee dwarsfluiten publiceerde. In 1737 terug in Namen, was hij tot 1739 in dienst van de vrouw van Walter de Colijaer. Hij woonde en werkte van 1739 tot 1760 in Amsterdam, waarbij hij ook naar allerlei steden in Europa reisde. Om zijn schuldeisers te ontlopen trok hij in 1760 Parijs. Antoine Mahaut bracht zijn laatste levensjaren door in een klooster in Frankrijk.

Antoine Mahaut componeerde

     1 motet

     12 symfonieën

     23 fluitconcerten

     20 duo’s (= sonates) voor twee fluiten of twee violen

     6 sonates voor fluit en basso continuo

     11 sonaten voor fluit, viool of hobo

     16 triosonates voor twee fluiten of 2 violen en basso continuo

     2 Recueils (verzamelingen van stukjes)

     9 tijdschriftafleveringen: 

Maendelyks musikaels tydverdryf, bestaende in nieuwe hollandsche canzonetten of zang liederen, op d'tialiaensche trant in't musiek gebragt, met een basso continuo. Meede zeer bekwaem om op de clave-cimbael, viool, dwarsfluit, hoboë en andere instrumenten gespeelt te worden.  1751-1752. Aria's en liederen van zijn hand in Italiaanse stijl.

     dwarsfluitmethode, 1759

- Nouvelle méthode pour apprendre en peu de temps а jouer la flute traversière

 

Johann Georg Leopold Mozart (Augsburg, 14 november 1719 – Salzburg, 28 mei 1787), zoon van Johann Georg Mozart (1679–1736), een boekbinder, en zijn tweede vrouw Anna Maria Sulzer (1696–1766), volgde een schoolopleiding bij de Jezuïeten op het  Sint Salvator Gymnasium. Vanaf 1735 studeerde hij aan de Benedictijner universiteit van Salzburg. Hij kreeg een baan als musicus bij de aartsbisschop van Thurn-Valsassina en Taxis in Salzburg. In 1743 werd hij bevorderd tot violist van het Salzburgse hoforkest, in 1763 tot vicekapelmeester

Leopold Mozart trouwde op 21 november 1747 met Anna Maria Pertl. Ze kregen zeven kinderen, van wie er vijf op jonge leeftijd overleden: alleen Maria Anna Walburga Ignatia (Nannerl, 1751) en Wolfgang Amadeus (1756) overleefden hun ouders. In 1756 schreef Leopold Mozart het boek Versuch einer gründlichen Violinschule, dat hij later nog enige malen zou bewerken. Dit boek werd vrijwel direct vertaald in het Frans en in het Nederlands en geldt nog steeds als één van de belangrijkste muziekboeken uit de tweede helft van de 18e eeuw.

Vanaf ongeveer 1760 hield Leopold Mozart zich vooral bezig met de (muzikale) opvoeding van zijn kinderen. Met de jonge Wolfgang trok hij door heel Europa. Na de dood van zijn vrouw in 1778 (met wie hij zeer gelukkig getrouwd was) verslechterde het contact tussen Leopold en Wolfgang Amadeus. Leopold Mozart is begraven op de begraafplaats van de San Sebastiankerk in Salzburg.

Cliff Eisen heeft met medewerking van Christian Broy de Leopold-Mozart-Werkverzeichnis (LMV) samengesteld.

Leopold Mozart componeerde

     50 symfonieën,

- Sinfonia da Caccia  in G grote terts voor vier hoorns en strijkers, hondengeblaf en geweerschoten 1756

- Symfonie in G grote terts, "Neue Lambacher", LMV VII G16,  interessant, in het verleden toegeschreven aan Wolfgang Amadeus vanwege de aanduiding dat de sinfonia gecomponeerd was door “signor Mozart”. Dat was vader Leopold dus.

     9 divertimenti

- divertimento in D grote terts Bauernhochzeit” met doedelzakken, hakkeborden, kinderfluitjes en pistoolschoten, 1755.

- divertimento in F grote terts („Die musikalische Schlittenfahrt“)  LMV VIII:8, 1755,  Een toonschildering van een nachtelijke rijtoer door een dichtgesneeuwd landschap, die een jongedame onderneemt, compleet met belgerinkel, hoefgetrappel en het bibberend tandenklapperen van de jonge vrouw.

- cassation in G grote terts, ook wel Speelgoedsymfonie of Kindersymfonie, 1759,  LMV VIII:7; Het 7-delige werk wordt regelmatig rond kerstmis uitgevoerd. De bezetting bestaat de gebruikelijke orkestinstrumenten en daarnaast speelgoedinstrumenten, zoals een koekoeksfluit, een kleine trom en een ratel. Het is Leopold Mozarts bekendste werk geworden.  

     30 serenades

- Serenade in D grote terts voor trompet, alttrombone en orkest, LMV VIII:9,  9-delige serenade, die met een mars begint en verderop twee miniconcertjes heeft

     5 concerten

- Concerto voor 2 hoorns in Es grote terts, LMV IX:9

     4 missen,

     12 oratoria,

     2 cantates,

     10 motetten

     5 (series)pianowerken

     9 (series) liederen voor zangstem en piano

www.leopold-mozart.de

 

Luís Álvares Pinto (Recife, Pernambuco, Brazilië, 1719 – 1789) was afkomstig uit een mulattenfamilie en studeerde humanistiek en muziek in Lissabon, in Portugal bij Henrique da Silva Negrão. Luís Álvares Pinto was Mestre de Capela van de parochiekerk Igreja da "Irmandade de Nossa Senhora do Livramento" en van de kerk Igreja de "São Pedro dos Clérigos", in Recife.

Naast zijn composities schreef hij muziektheoretische boeken.

Luís Álvares Pinto componeerde

     Te deum Laudamus, 1760

     Salve Regina

     5 Divertimentos harmônicos, voor vier stemmen a cappella

- nr. 1 Beata virgo 

- nr. 5 Oh! Pulchra es 

     1 serie van meer dan 25 orgelwerken

Lições de solfejo

 

Johan Nicolaas Lentz (Gau-Bickelheim ?, 1719 of januari 1720 - Rotterdam 1782) zou volgens zijn trouwakte geboren zijn te Gau-Bickelheim, maar omdat hij daar niet in de doopboeken voorkomt, wordt dit betwijfeld. Wel bekend is dat de (mogelijke) ouders van Johan Nicolaas Lentz in 1720 naar Gau-Bickelheim zijn verhuisd. In 1749 trouwde Johan Nicolaas Lentz te Rotterdam met de wijnhandelaarsdochter Sebilla Brouwer. Na de dood van zijn schoonvader bleef Johan Nicolaas Lentz betrokken bij diens wijnhandel. Hij bleef ook lesgeven op toetsinstrumenten en werkt als keurder van orgels. Daarbij raakte hij in een conflict met Hermanus en Joachim Hess, wat tot een rechtszaak leidde.

Johan Nicolaas Lentz componeerde

     3 klavecimbelconcerten

     1 sonate voor viool met obligaat clavecimbel