Componisten

vanaf 1735

 

Johann Gottfried Eckard (Eckardt, Eckart) (Augsburg, Duitsland, 21 januari 1735 – Parijs, 24 juli 1809) werd in zijn jeugd een beroepskopergraveur. In zijn vrije tijd studeerde hij muziek, vooral uit het werk van Carl Philipp Emanuel Bach. In 1758 nam de piano en orgelbouwer. Johann Andreas Stein hem mee naar Parijs, waar hij de rest van zijn leven zou blijven. Hij hield zich in leven als miniatuurschilder en studeerde ondertussen piano, waar hij zo goed in werd dat een groot aantal concerten en een groot aantal studenten het resultaat waren. Toen Leopold Mozart met zijn kinderen in Parijs langs kwam, was hij van Johann Gottfried Eckard behoorlijk onder de indruk.

Johann Gottfried Eckard was de eerste componist in Parijs die sonates voor piano schreef, hij voorzag de belangrijke rol die de piano in de muziekgeschiedenis zou gaan spelen, al jaren voordat het instrument in de salons en concertzalen was geaccepteerd.

Johann Gottfried Eckard componeerde

     8 pianosonates

     1 serie variaties over het ‘Menuet d'Exaudet’.

 

Ernst Wilhelm Wolf (Grossenbehringen in Thuringen, Duitsland, gedoopt 25 februari 1735 – 29 of 30 november 1792) had een oudere broer: Ernst Friedrich, die ook componist en organist was. Zelf was Ernst Wilhelm Wolf op zijn zevende al een begaafde klavecimbelspeler die prima continuopartijen kon lezen en uitwerken. Ernst Wilhelm Wolf volgde een opleiding op de gymnasia van Eisenach en Gotha. In Gotha werd hij ook meteen maar koorleider, en hij werd er goede vrienden met Carl Philipp Emanuel Bach. In 1755 werd Ernst Wilhelm Wolf leider van het collegium musicum van de Universiteit van Jena. In 1758 verhuisde hij eerst naar Leipzig en later naar Naumburg, waar hij privťmuziekleraar werd bij de familie Ponickau. Van plan om eindelijk eens een keer naar ItaliŽ te gaan, zoals een rechtgeaarde muzikant betaamde, bleef hij in Weimar hangen. Hij zou er nooit meer weggaan. Hij werkte in Weimar eerst als leraar van de zonen van hertogin Anna Amalia, werd in 1761 hofconcertmeester, in 1763 organist en in 1772 Kapellmeister. In 1770 trouwde Ernst Wilhelm Wolf met zangeres en klaveciniste Maria Carolina Benda (1742–1820), dochter van de Boheemse componist Franz Benda. Met zijn vrouw ondernam hij succesvolle concertreizen, vaak naar Berlijn. Een aanbod van koning Frederik II van Pruisen om Carl Philipp Emanuel Bach op te volgen, sloeg hij af, hij wilde in Weimar blijven. In de laatste jaren van zijn leven leed Ernst Wilhelm Wolf aan een toenemende depressiviteit. Na een herseninfarct verergerde zijn toestand en hij overleed eind 1792.

Ernst Wilhelm Wolf componeerde

     20 Singspiele, “operettes”

     35 symfonieŽn

     25 klavecimbel/pianoconcerten

     6 oratoria en passionen

     6 cantates

     liederen

     12 strijkkwartetten

- Strijkkwartetten opus 3, 3 strijkkwartetten, bevonden zich in de bibliotheek van de Sing-Akademie in Berlijn. Aan het eind van de Tweede Wereldoorlog werd de Academie leeggeplunderd. In 1999 werd het muziekarchief herontdekt in Kiev en aan Duitsland teruggegeven.

     9 andere kamermuziekwerken

     60 klavecimbel/pianosonates

     3 muziektheoretische boeken

 

Johann Christian Bach (Leipzig, 5 september 1735 – Londen, 1 januari 1782), de 6e en jongste zoon (het 11e van de 13 kinderen) uit het huwelijk van Johann Sebastian Bach met Anna Magdalena WŁlcken (1701 - 1760). Hij kreeg les van zijn vader en na diens overlijden in 1750 van zijn 21 jaar oudere halfbroer Carl Philipp Emanuel Bach, met wie hij vanaf 1750 samenwoonde in Berlijn.

Van 1754 tot 1762 verbleef Johann Christian Bach in ItaliŽ. Hij studeerde in Bologna bij padre Martini, bekeerde er zich tot het katholieke geloof en werd organist van de kathedraal van Milaan. Tijdens zijn reizen in ItaliŽ leerde hij de Italiaanse opera's kennen die hem aanzetten tot het componeren van zijn opera's: Artaserse werd opgevoerd in Turijn, Catone in Utica en Alessandro nell'India kregen hun premiŤre in Napels.

Hij vestigde zich in 1762 in Londen, op dat moment het centrum van de Europese opera. Samen met componist en gambaspeler Karl Friedrich Abel organiseerde hij als een van de eersten publieke concerten op, de zogenaamde Bach-Abel concerts. Tot in 1781 vonden deze concerten plaats. Daarnaast organiseerde hij volksconcerten in Vauxhall, aan de oever van de Theems. Hij was gedurende 20 jaar de populairste musicus van Londen. Zijn muziek was licht van aard maar verloor aan populariteit tegen het einde van zijn leven.

In Londen componeerde hij verschillende succesvolle opera's. Hij was ook een promotor van de pianoforte die toen zijn opmars maakte.

Tijdens zijn verblijf in Londen in 1765 raakte de jonge Wolfgang Amadeus Mozart met hem bevriend. Wolfgang Amadeus Mozart bewonderde zijn muziek en bewerkte drie sonates uit het opus 5 van Johann Christian in zijn klavecimbelconcerten (KV 107/1-3). In de vroege werken van Wolfgang Amadeus Mozart na 1765 herken je duidelijk de stijl van Johann Christian.

Johann Christian Bach overleed kinderloos in Londen. Zowel de uitdrukking de Italiaanse Bach als de Londense Bach slaan op Johann Christian Bach.

Ernest Warburton heeft de werken van Johann Christian Bach in “The Collected Works of Johann Christian Bach” voorzien van een W nummer. 

Johann Christian Bach componeerde

     12 opera's.

- ZanaÔda,  W G5, opera seria  in drie akten, libretto Giovanni Gualberto Bottarelli, mei 1763

- Amadis de Gaule, (Amadis des Gaules), W G39 Franse opera in 3 akten, 14 December 1779, libretto Alphonse-Marie-Denis de Vismes de Saint-Alphonse, een revisie van Amadis van Philippe Quinault, waar Jean-Baptiste Lully in 1684 de muziek bij had geschreven, en dat weer gebaseerd was op de Middeleeuwse ridderroman Amadis de Gaula (1508). De opera was geen succes in Parijs. Johann Christan Bach heeft hierna nooit meer een opera gecomponeerd.

     25 pasticcio's en ingevoegde operadelen

- Il tutore e la pupilla,  W G24, 1762, Pasticcio, libretto Botarelli, de instrumentale ouverture wordt vaak apart uitgevoerd.

     3 oratoria’s

     35 religieuze werken

- Miserere in Bes grote terts,  W E10, voor solisten, koor en orkest, 1757, verrassend zonnig

- Missa da Requiem, W E 11-12, 1757, prachtig, kan zich meten met het Requiem van Mozart.

- Gloria in excelsis in D grote terts, W E3, 1759

- Gloria in excelsis, in G grote terts, W E4

     90 symfonieŽn

- Six simphonies, opus 6, W C7–12 voor 2 hobo’s/fluiten, 2 hoorns en strijkers in G, D, Es, Bes, Es en g), 1770);

- Six simphonies pŽriodiques, opus 8, W C 9,10,11,13,14,15 voor 2 hobo’s/fluiten, 2 hoorns en strijkers in Es, G, D, F, Bes, en Es en g, nrs.1, 5 en 6 zijn hetzelfde als opus 6 nrs 3, 4 en 5. Melodieuze, goed klinkende muziek.   

- Symfonie voor dubbel orkest in Es grote terts, opus 18 nr. 1, W C26

- Synfonia concertante in D grote terts  voor 2 solo-violen, 2 hobo's, 2 hoorns en strijkorkest, W C35, kleurrijk

- Sinfonia Concertante in F grote terts voor hobo, violoncello/fagot en orkest, W C38

     40 concerti

- Sei concerti (C, F, D, Bes, Es, G), voor klavecimbel of pianoforte en strijkers, opus 7, 1770; W C55–60

- Klavecimbelconcerto nr. 6 in f kleine terts, W C73

- Fluitconcert in D grote terts, W C79, klinkt heel mooi

     115 kamermuziekwerken

-  Zes Sonatas opus 16  (D, G, C, A, D, F), voor klavecimbel of pianoforte en viool of fluit, 1779, W B10 – B 15a

     29 werken voor piano solo

- 6 sonates opus 5, WA 1-6, voor klavecimbel of fortepiano. Wolfgang Amadeus Mozart gebruikte drie van de sonates om er pianoconcerten van te maken. CD Bart van Oort Brilliant Classics 94634

     4 sonata's voor piano vierhandig

- sonata opus 15 nr. 5 in G grote terts, nr. 6 in C grote terts, opus 18 nr 5 in A grote terts, nr. 6 in F grote terts W A18 – 21, ook wel op twee orgels uitgevoerd.

     45 liederen

 

Johann Georg Albrechtsberger (Klosterneuburg, Neder Oostenrijk, 3 februari 1736 – Wenen, 7 maart 1809) was boerenzoon en bracht zijn jeugd in provinciekloosters langs de Donau door. Op zijn 7de was hij al koorknaap bij de Augustijners van klooster Klosterneuburg en leerde hij orgelspelen en basso continuo uitwerken van deken Leopold Pittner. Van 1749 tot 1753 was hij koorknaap in Klooster Melk en leerling van koorleider Marian Gurtler (1703-1766) en organist Joseph WeiŖ († 1759). In 1753 studeerde Johann Georg Albrechtsberger filosofie op het JezuÔetenseminarie in Wenen. Hij zat in de klas bij Michael Haydn, en leerde zo ook diens broer Jozef Haydn kennen, waar hij levenslang bevriend mee bleef.

Van 1755 tot 1757 werkte Johann Georg Albrechtsberger in Győr in Hongarije als organist, componist en orgelbouwer. Daarna reisde hij een aantal jaren tussen wat Oostenrijks/Hongaarse plaatsen heen en weer. Op den duur vestigde hij zich in Wenen.

In mei 1768 trouwde Johann Georg Albrechtsberger met Rosalie WeiŖ, dochter van een beeldhouwer uit Eggenburg. Ze kregen 15 kinderen, waarvan er maar zes hun vader overleefden. In 1771 kreeg Johann Georg Albrechtsberger een benoeming als Kapellmeister aan de Karmelietenkerk in Wenen, hij bleef dat 20 jaar doen. In 1793 werd hij Kapellmeister aan de Stefansdom, wat hij tot zijn dood volhield. Hij was onder meer docent van Ludwig van Beethoven.

Johann Georg Albrechtsberger werd op de Sankt Marxer Begraafplaats in Wenen begraven. In 1894 werd in Wenen (wijk 12: Meidling) de Albrechtsbergergasse naar hem vernoemd. Zijn manuscripten bevinden zich in de bibliotheek van de Wiener Musikverein. Johann Georg Albrechtsberger schreef een leerboek over compositie (1790) en een driedelig werk over harmonieleer, gepubliceerd door zijn leerling Ignaz von Seyfried (1776–1841) in 1826.

Johann Georg Albrechtsberger componeerde

     6 oratoria

     5 cantates

     35 missen,

     3 requiems

     170 motetten

     60 psalmen en gezangen

     20 andere religieuze werken

     4 symfonieŽn,

     25  concerten

- 5 harpconcerten

- concert voor alttrombone in Bes grote terts

- 7 concerti voor mondharp en strijkers

- mandolineconcert

     240 instrumentale fuga’s

     120 sonates voor diverse instrumenten

     vele andere kamermuziekwerken.

     278 (series) klavecimbel-, piano- en orgelwerken

- 12 preludes en 1 fuga, opus 3 voor klavecimbel of orgel, omstreeks 1781

Fuga in G.kleine terts“ over het thema B-A-C-H

 

 

Willem Lootens (Delft, gedoopt  9 augustus 1736 – Middelburg 12 of 13 januari 1813) kwam uit een muzikaal en artistiek gezin. Hij kreeg vermoedelijk muzieklessen van zijn vader. Zijn broer, Johan Pieter Lootens, was organist en stadsbeiaardier van Zierikzee vanaf 1763. Willem Lootens was getrouwd met Maria Houtrop. Ze hadden waarschijnlijk drie zonen, twee muzikant en ťťn beeldhouwer.

Willem Lootens werd in 1754 organist van het Garrels orgel in de Grote Kerk te Maassluis. Later verhuisde hij naar Zierikzee en werkte daar vanaf 1760 als stadsbeiaardier en organist van het Niehoff-orgel in de Grote- of St. Lievensmonsterkerk. Enkele jaren later vestigde hij zich in Middelburg en werd op 16 augustus 1763 benoemd tot organist van de Nieuwe Kerk en stadsbeiaardier van de klokkentoren de Lange Jan. Van 1763 tot 1766 was hij ook leider van het Collegium Musicum en in maart 1764 was hij betrokken bij de grote restauratie van het carillon van de Lange Jan. Samen met zijn broer Johan Pieter hielp hij in 1768 met de bouw van het Bštzorgel in de Grote- of St. Lievensmonsterkerk in Zierikzee.

Hij schreef er een boek over: “Beschryving van het oude en nieuwe orgel, in de Groote of St. Lievensmonsterkerk der stad Zierikzee” (Zierikzee, 1771).

Willem Lootens was vrijmetselaar en lid van de loge ‘La Compagnie durable’ in Middelburg.

Willem Lootens componeerde

     150 Psalmbewerkingen voor Orgel of Clavecimbel en Zang, 1776

     Nieuwe evangelische gezangen voor het orgel met bassen gesteld op de G- en F-sleutel in geschikte grondtoonen volgens de gewone kerkzang, 1806.

     Zes Divertimento’s voor Piano

     3 kwartetten voor orgel, viool en basso

     1 Choraal in IV stemmen, 1780, pas herontdekt in 1990

 

Carl Friedrich (Christian) Fasch (Zerbst, 18 november 1736 – Berlijn, 3 augustus 1800), kreeg muziekles van zijn vader, componist Johann Friedrich Fasch. In 1756 werd hij aangesteld als 2de klavecimbelspeler aan het hof van Frederik de Grote van Pruisen. Hij was dirigent van de hofopera in Berlijn van 1774 - 1776. In 1791 richtte hij de Berliner Singakademie op, de koorvereniging waarvan hij tot zijn dood dirigent was. Carl Friedrich Fasch is begraven op het Protestantse Friedhof I der Jerusalems- und Neuen Kirchengemeinde.

Carl Friedrich Fasch componeerde

     1 oratorium

     4 cantates

     25 psalmzettingen

     4 missen

- Missa a 16 voci in quattro cori, 1783, virtuoze mis, alleen begeleid door orgel continuo, een vocaal meesterwerk

     1 requiem

     15 andere religieuze werken

     10 solfeggi voor 2 tot 8 zangstemmen

     1 sinfonia

     10 klavecimbelwerken

     1 orgelwerk

 

Josef Mysliveček (Joseph of Giuseppe Misliwecek, Misliweczek, Mislivecek of Mysliweczek) (Kampa, Praag, toen Bohemen, nu TsjechiŽ,  9 maart 1737 – Rome, 4 februari 1781) was de zoon van een molenaar. Hij en zijn tweelingbroer Joachim werden eerst opgeleid bij de Dominicanen aan de Saint-Gallus-Kerk te Praag. Vanaf 1744 studeerden de broers filosofie en literatuur aan de Karelsuniversiteit in  Praag. In 1753 moest hij wegens het gebrek aan academisch succes de universiteit verlaten. In mei 1758 werd hij samen met zijn broer molenaar in het bedrijf van zijn vader, en zij werden in 1761 meester in het vak. Josef zag af van zijn erfdeel en besloot muzikant te worden. Hij kreeg compositieles van Franz Johann Habermann (1706-1783) en orgelonderwijs bij Josef Ferdinand Norbert Seger. Josef Mysliveček voorzag in zijn onderhoud als violist.

Op 5 november 1763 reisde hij naar VenetiŽ, om zang en compositie bij Giovanni Battista Pescetti (ca.1704-ca.1766) te studeren en te leren opera's te schrijven. De Italianen noemde hem Il Boemo of Venatorino (de kleine jager, zijn vertaalde  naam)

In 1771 werd Josef Mysliveček in Bologna lid van de “accademico filarmonico".

Vanaf 1775 kreeg hij eerste symptomen van syfilis. Daar kwamen financiŽle problemen bij. Als zieke man trok Josef Mysliveček zich in Rome terug, waar hij in armoede in 1781 overleed. Sir Brady, een vriend en vroegere leerling vanuit Engeland, liet hem in de kerk San Lorenzo in Lucina begraven, waar tot heden zijn graf te zien is. 

Josef Mysliveček componeerde

     30 opera’s

- L'Olimpiade, opera in 3 bedrijven, 1778, libretto Pietro Metastasio

     7 oratoria

     1 mis

     1 requiem

     7 motetten

- Laudate Dominum in F grote terts

     17 wereldlijke cantates

     62 symfonieŽn

     20 concerten

     8 ouvertures

     85 kamermuziekwerken

- 18 strijkkwartetten

- 3 blaasoctetten, voor 2 hobo’s, 2 klarinetten, 2 hoorns en 2 fagotten, omstreeks 1778, twee in Es en ťťn in Bes

- 6 kwintetten voor 2 hobo’s 2 hoorns en fagot, omstreeks 1780, in D, G, Es, Bes, F en C.

 

Friedrich (Frederic) Schwindl (Amsterdam, 3 mei 1737 – Karlsruhe, Duitsland, 7 augustus 1786) was als violist, fluitist, pianist, muziekdocent en componist werkzaam.

In 1758 trouwde hij in Jungbunzlau, Bohemen. Hij kreeg een in 1759 een dochter: Anna Christina, die zangeres werd in Keulen. In 1763 kwam hij de jonge Wolfgang Amadeus Mozart tegen in Brussel. Hij was onder meer concertmeester van de Markgraaf van Wied-Runkel (boven Koblenz), werkte als "virtuoso di camera" aan het hof van de familie Colloredo en in 1770 aan het hof van stadhouder Willem V in Den Haag. De stadhouder had de liefde voor muziek van zijn moeder, Anna van Hannover, geŽrfd en zorgde voor een bloeiende muziekpraktijk. Friedrich Schwindl gaf les, componeerde veel en trad als solist en dirigent op in Amsterdam, Den Haag en Rotterdam. In 1776 vestigde Friedrich SchwindI zich in GenŤve, waar hij een muziekschool oprichtte. In 1780 trok hij naar Karlsruhe, waar hij tot zijn dood als concertmeester aan de hofkapel van de Markgraaf van Baden–Durlach werkte.

Friedrich Schwindl componeerde

     2 singspiele

     3 operettes

     1 mis

     oratorium

     2 cantates

     40 symfonieŽn

     46 triosonates en triomenuetten

     74 andere kamermuziekwerken

- 6 fluitkwartetten, opus 7, 1770

     liederen en werken voor zangstem (en orkest)

 

Johann Georg Christoph Schetky (Darmstadt, Duitsland, 19 augustus 1737 – Edinburgh, Schotland, 30 november 1824) was de zoon van Ernst Gottlieb Schetky (1716–1767), secretaris en muzikant in dienst van markgraaf Ludwig VIII van Hesse-Darmstadt. Johann Schetky studeerde vanaf zijn 15de cello bij Anton Fils en compositie bij Endler, de tweede kapelmeester van het hoforkest van Darmstadt. In 1758 werd hij zelf lid van het hoforkest. Met zijn vader, zijn broer Georg Carl Jacob en zijn twee zussen Charlotta Louise Dorothea en LudomillaI gaf hij ook succesvolle concerten, bijvoorbeeld in 1763 in Hamburg. In 1772 emigreerde hij naar Londen en vandaar naar Schotland, waar hij eerste cellist werd van Edinburgh Musical Society. Hij trouwde daar in 1774 met de uit Oostenrijkse geŽmigreerde Maria Theresa (Mary) Reinagle. Ze kregen 11 kinderen. Samen met zijn vriend en collega Thomas Erskine werd Johann Schetky een bekende figuur in de muziekwereld in Shotland. Zijn zoon George Schetky werd ook cellist en componist.

Johann Schetky componeerde

     4 symfonieŽn

     9 concerten

     6 strijkkwartetten

     23 triosonates 

     talloze andere kamermuziekwerken met cello

     10 pianosonates

     24 arrangementen van schotse dansen en straatliedjes voor orkest of ensemble

 

Johann MichaŽl Haydn (Rohrau, Oostenrijk, bij de grens met Hongarije, 14 september 1737 – Salzburg, 10 augustus 1806), zoon van wagenmaker Mathias Haydn en Maria Koller, jongere broer van Joseph Haydn. Vader Mathias Haydn was een enthousiaste muzikant van volksmuziek, die zichzelf harp had leren spelen en erop stond dat zijn kinderen goed leerden zingen. MichaŽl Haydn begon zijn muzikale loopbaan dan ook als koorknaap bij het Weens Koor van de Stephansdom te Wenen, waar hjij werd opgeleid door Georg Reutter. Toen zijn stem brak en hij het koor moest verlaten, ging MichaŽl Haydn zich toeleggen op componeren.

In 1757 werd MichaŽl Haydn in GroŖwardein (tegenwoordig Oradea, Hongarije) benoemd tot kapelmeester van de bisschop. In 1762 werd hij concertmeester en dirigent van de bisschop in Salzburg. Dit ambt bekleedde hij 43 jaar lang. In Salzburg raakte hij bevriend met Wolfgang Amadeus Mozart, die zijn werk zeer waardeerde.

Op 17 augustus 1768 trouwde MichaŽl Haydn met zangeres Maria Magdalena Lipp (1745–1827). Hun enige, in 1770 geboren dochter Aloisia Josepha stierf kort voor haar eerste verjaardag. Misschien een oorzaak voor MichaŽls drankprobleem.

MichaŽl Haydn gaf les aan onder andere Carl Maria von Weber en Anton Diabelli. MichaŽl Haydn overleed in Salzburg op 68-jarige leeftijd. Franz Schubert stond nog tot tranen geroerd bij zijn grafmonument in Salzburg.

In 1907 stelde Lothar Perger een catalogus van de orkestwerken van MichaŽl Haydn samen, waardoor zijn instrumentale werk vaak is voorzien van een P-nummer (Perger-Verzeichnis) I

In 1915 deed Anton Maria Klafsky dat met zijn religieuze muziek In 1982 publiceerde Charles H. Sherman een chronologische catalogus van al MichaŽl Haydns werken, in 1993 gaf Sherman daar in samenwerking met T. Donley Thomas een MH nummer aan; In de praktijk blijkt dat vaak een ST-nummer te zijn, maar die zijn dus hetzelfde.

MichaŽl Haydn componeerde

     12 opera's en Singspielen

     1 theatermuziekstuk

     1 serenade voor solisten, koor en orkest

     3 balletten

     7 oratoria

- Der Kampf der Busse und Bekehrung, MH 106, 21 februari 1768

     47 missen

- Missa Hispanica, MH 422, 1792

- Missa Sancti Francisci Seraphici in d kleine terts, MH 826, 1803

     2 requiems

- Requiem pro defuncto Archiepiscopo Sigismundo (Requiem voor de begrafenis van Aartsbisschop Siegmund) in c kleine terts, MH 155, sterke overeenkomst met het Requiem van van Wolfgang Amadeus Mozart 

     47 antifonen

     5 cantates

     7 motetten

     65 Canticles

- Lauda Sion in G grote terts, MH 215, MichaŽl Haydn wilde dat bij zijn begrafenis hebben gezongen  

     130 Gradualen

     16 Hymnes

     65 Offertoria

     19 (series) psalmzettingen

     42 andere religieuze werken

     14 wereldlijke cantates

     44 symfonieŽn

- Symfonie nr. 25 in G grote terts, MH 334, 1783, lange tijd aangezien voor een symfonie van Mozart (nr. 37; K 444); mooi werk, dat, sinds in 1907 ontdekt werd dat het van MichaŽl Haydn was, nauwelijks meer wordt uitgevoerd.

     13 concerten

- trompetconcerto in D grote terts, MH 104

- fluitconcerto nr. 2 in D grote terts, MH 105

- hoornconcerto in D grote terts, MH 134

- clarinetconcerto in A grote terts

- tromboneconcerto in D grote terts

     21 serenades voor orkest

     20 series dansen voor orkest

     20 marsen voor orkest

- Marcia Turchesca in C Major, MH 601, verwijzing naar Turkse muziek

     42 (series) kamermuziekwerken

- Strijkkwintet in C grote terts, MH 187

- 20 Galanterien voor twee dwarsfluiten

- Quartetto in C grote terts voor viool, althobo (Engelse hoorn), cello and continuo, MH 600

- Divertimento in Es voor voor altviool, cello en contrabas, in 1970 ontdekt;

- Divertimento (Quintet) in Es grote terts voor klarinet, fagot, hoorn, viool en altviool, 4 juli 1790, MH 516 

- Divertimento ŗ 3 in C grote terts, MH 179

- Divertimento ŗ 3 in C grote terts, MH 27

- 4 Duo sonatas voor viool en altviool, MH 335 – 338, in opdracht van aartsbisschop Hieronymus Graf von Colloredo van Salzburg. Het was een opdracht voor zes sonates, Mozart schreef de laatste twee K 423 and K 424), zonder dat de aartsbisschop het verschil kon ontdekken.

     8 aria's

     65 canons

     97 koorliederen

     46 liederen

     20 pianowerken

 

Vincenzo Manfredini (Pistoia, ItaliŽ, 22 oktober 1737 – Sint Petersburg, 5 of 16 August 1799) was de zoon van Francesco Onofrio Manfredini, die hem zijn eerste muzieklessen gaf. Daarna studeerde Vincenzo Manfredini bij Perti in Bologna en bij Fioroni in Milaan. In 1758 ging zijn oudere broer Giuseppe, castraatzanger, naar Moskou met Giovanni Battista Locatelli’s operagezelschap en Vincenzo ging met hem mee. Eenmaal in Sint Petersburg, werd hij maestro di cappella bij Peter Fedorovich. Toen Peter in 1762 Tsaar werd maakte hij Vincenzo Manfredini maestro van het Italiaans operagezelschap van het hof. Dat bleef zo onder Tsarina Catherine II (1762-1796).

In 1769 kwam hij met pensioen terug in Bologna.

Toen Pavel Petrovich Tsaar werd in 1796, nodigde hij zijn voormalige muziekleraar uit. Vincenzo Manfredini kwam september 1798 aan, nam geen betrekking meer aan en overleed het volgende jaar in Sint Petersburg.

Vincenzo Manfredini componeerde

     8 opera’s

     5 balletten

     2 cantates

     2 requiems

     1 oratorium

     1 motet

     1 concert

     6 symfonieŽn

     6 strijkkwartetten

     duetten

     kanons

     aria’s

     15 klavecimbelwerken

 

Baltasar Jaime MartŪnez CompaŮůn  (Cabredo, Spanje, 1737 – Bogota, Colombia, 17 augustus1797) studeerde kerkrecht aan de Universiteiten van Huesca en Zaragosa in Aragůn. In 1761 werd hij priester en in 1763 studeerde hij af als doctor. In 1766 was hij adviseur van het Heilig Officie van de Inquisitie in Madrid.

In 1767 benoemde Koning Karel III van Spanje MartŪnez CompaŮůn als koormeester van de kathedraal van Lima. Van 1770 tot 1778 was hij rector van het Sint Toribio seminarie in Lima.

25 februari 1778 werd hij door koning Karel III benoemd tot bisschop van Trujillo in Peru

Hij zette daar speciale scholen op voor Indiaanse jongens en meisjes om ze boekhouden, vakmanschap en basisliteratuur te leren. Hij zette ook een plan op voor de bouw van een mijnstad bij Hualgayoc zilvermijn, buiten Cajamarca.

Op 12 maart 1791 werd MartŪnez CompaŮůn aartsbisschop in BogotŠ in Colombia. Hij repareerde lokale kerken, vestigde vijf basisscholen en opende een seminarie.

MartŪnez CompaŮůn liet de Codex MartŪnez CompaŮůn, ook wel Codex Trujillo del Peru achter: negen banden met 1.411 waterverfafbeeldingen van mensen, planten en dieren uit Trujillo, getekend door plaatselijke kunstenaars. De codex bevat ook 20 partituren, genoteerd tijdens vieringen of op de straatfeesten in de dorpen rondom Trujillo. Mooie liedjes.

MartŪnez CompaŮůn componeerde

     4 cachua’s (Indiaanse barokke rondedansen)

     11 tonada’s (Chileense volkssongs)

- El diamante , de Chachapoias. Blad 187

     5 instrumentale dansen, vol Zuidamerikaanse ritmen

Jean-FranÁois Tapray (Nomeny, Lotharingen, Frankrijk, 1737 of 1738 – Fontainebleau (?), tussen 1810 en 1819 was de oudste zoon van een muzikantengezin. Vader Jean Taperet, (* Chaumont, 1700), organist in parochies van Nomeny, Jussey (1740), Gray(1746), en Dole (1753) gaf al zijn kinderen een muzikale opvoeding. In Dole speelde de jonge Jean-FranÁois Tapray als begaafd wonderkind al snel op het nieuwe grote orgel in de Notre Dame van Dole, in 1754 werd hij er benoemd als organist. Na talloze conflicten met de kerkleiding verbrak Jean-FranÁois Tapray het contract in 1759. In 1765 vestigde hij zich, ondertussen getrouwd, in BesanÁon, waar en van waaruit hij allerlei orgelwerkzaamheden verrichtte. Van 1773 tot 1786 was hij eerste organist van de orgels van de Koninklijke Militaire School in Parijs. Daarna kreeg hij een Koninklijk Pensioen. Ondertussen gaf hij ook veel klavecimbellessen in de hogere kringen van Parijs en ontwikkelde een enthousiaste belangstelling voor de nieuwe pianoforte, waar hij zijn laatse composities dan ook aan wijdde.

De revolutionaire periode kon hij als docent en dirigent tamelijk goed overleven, in 1810 was hij er nog, maar hoe en wanneer hij is overleden is volstrekt onduidelijk.

Jean-FranÁois Tapray componeerde

     7 symfonieŽn (met klavecimbel)

     7 klavecimbel- (of orgel-)concerten

     21 klavecimbelsonaten

     enkele andere klavecimbelwerken

- Les Sauvages avec des Variations pour le clavecin 4 variaties over het thema van Rameau uit het vierde bedrijf van Les Indes Galantes, 1770, is Trapay’s bekendste werkje geworden.  

     25 pianosonaten

     9 triosonates

     4 kwartetten met klavecimbel of pianoforte

     1 pianosonate voor vier handen

 

Johann Christoph Oley (Bernburg, Duitsland, gedoopt 3 juni 1738 – Ascherleben, 20 januari 1789) werd in 1755 organist van de kerk in Bernburg. In januari 1762 verhuisde hij naar de kerk van St Stephan in Aschersleben vanwege het prachtige orgel daar. Om in zijn onderhoud te kunnen voorzien werkte hij ook als hulponderwijzer.

Johann Christoph Oley componeerde

     14 klavecimbelvariaties

     4 boeken koraalvariaties

     77 andere orgelwerken

     8 kamermuziekwerken met orgel

 

Anna Lucia Bon di Venezia (Bologna, ItaliŽ, 10 augustus 1738 – VenetiŽ ? nŠ 1767) was de dochter van de Bolognese artiest, librettist en scenograaf Girolamo Bon en zangeres Rosa Ruvinetti. Haar ouders reisden met een door vader Girolamo Bon geleid operagezelschap door heel Europa. Anna werd op vierjarige leeftijd, op 8 maart 1743, als muziekleerling in het "Ospedale della Pietŗ" in VenetiŽ als "figlia di spese" opgenomen: ze was geen vondeling maar een betalende leerling. Zij kreeg les op altviool van Candida della PiŤta en werd lid van het koor, dat onder leiding stond van Nicola Porpora. Op 16-jarige leeftijd kwam Anna bij haar ouders terug aan het hof van Markgraaf Friedrich von Brandenburg-Bayreuth in Bayreuth. Ze werd daar toen maar meteen tot Virtuosa di musica di camera (“kamermuziekvirtuoos”, een titel die tot vandaag dag nog in Duitsland en Oostenrijk aan begaafde musici wordt verleend) benoemd. Er is een bericht bewaard gebleven dat ze 20 juli 1756 in Dresden als operazangeres optrad,  vermoedelijk in het operagezelschap van haar ouders.

In 1762 vertrok de familie naar het hof van Nicolaas I Jozef EsterhŠzy in Eisenstadt, waar Anna in het ensemble van Joseph Haydn tot 1765 meespeelde. In 1767 woonde Anna Bon di Venezia met haar echtgenoot, hofzanger Mongeri, in Hildburghausen. Daarna weten we niets meer van haar af.

Anna Bon di Venezia componeerde

     1 opera

     1 motet

     1 offertorium

     1 aria

     6 sonaten voor dwarsfluit, cello en klavecimbel, opus 1, 1756, opgedragen aan Markgraaf  Friedrich von Brandenburg-Bayreuth, zwager van de fluitspelende Frederik de Grote van Pruisen;

     6 triosonates voor twee dwarsfluiten en basso continuo, opus 3, 1759, opgedragen aan Charles Theodore, kroonprins van Beieren

     6 klavecimbelsonates, opus 2, 1757, opgedragen aan Ernestina Augusta Sophia, prinses van Saksen-Weimar

 

Leopold (Ludwig) Hofmann (Hoffman, Hoffmann, Wenen, Oostenrijk; 14 augustus 1738 – 17 maart 1793) was de zoon van een hoogopgeleide hofbeambte. Hij werd op zijn 7de koorzanger in de kapel van keizerinweduwe Elisabeth Christine, zijn leraar daar was František Tůma.

Later studeerde hij viool bij Giuseppe Trani en klavecimbel en compositie bij Georg Christoph Wagenseil. Leopold Hofmann was zijn hele leven werkzaam als muzikant en muziekdocent in Wenen.

In 1758 werd Leopold Hofmann muzikant aan St. Michael's. In 1764 werd hij koorleider aan de Sint Petrus Kerk, in 1766 werd hij daar Kapellmeister. In 1769 werd Leopold Hofmann muziekdocent van de Koninklijke familie.

Vanaf 1772 was Leopold Hofmann Kapellmeister aan de Sint Stefanus kathedraal. Op 9 mei 1791 werd op zijn verzoek Wolfgang Amadeus Mozart aangesteld als assistent-Kapellmeister . Op een gegeven moment werd Leopold Hofmann erg ziek en hoopte Wolfgang Amadeus Mozart zijn kapelmeesterschap na zijn dood over te nemen. Maar Leopold Hofmann overleefde zelfs Wolfgang Amadeus Mozart en hield zijn post tot zijn dood.

George Cook Kimball en Allan Badley zijn gepromoveerd op het werk van Leopold Hofmann en hebben de werken voorzien van een Kimball (symfonieŽn) of een Badley (concerten) nummer

Leopold Hofmann componeerde

     2 missen

     1 requiem

     1 ander religieus werk

     67 symfonieŽn

     26 klavecimbelconcerten

     13 fluitconcerten

- fluitconcerto in D grote terts, Badley II:D1, lang toegeschreven aan Joseph Haydn Hob. VIIf:1

     6 hoboconcerten

     46 andere concerten

     kamermuziekwerken

 

Johann Baptist (Jan Křtitel) Vanhal (Vaňhal, Wanhal, Wanhall of van Hall) (Nechanice, Bohemen, 12 mei 1739 - Wenen, 20 augustus 1813) was zoon van een boer. Zijn eerste muzieklessen kreeg hij van de plaatselijke musicus AntonŪn Erban. In 1757 was hij in Opočno werkzaam als organist en in 1759 werkte hij als koormeester in Hněvčeves.

Vanhal werkte voor de familie van gravin Schaffgotsch. Met de hulp van de gravin kon hij in 1760 naar Wenen vertrekken om er les te volgen bij Karl Ditters von Dittersdorf.

Toen Baron Isaac van Riesch uit Dresden een eigen orkest wilde oprichten, ging Johann Baptist Vanhal naar ItaliŽ. Daar leerde hij onder anderen Christoph Willibald von Gluck en Florian Gassmann kennen. Twee van zijn opera's werden in Florence opgevoerd.

Samen met Florian Gassmann keerde Johann Baptist Vanhal terug naar Wenen en vestigde zich er als zelfstandig musicus. Johann Baptist Vanhal verbleef van 1772 tot 1780 op het landgoed van de Hongaarse graaf J. Erdődy en vestigde zich daarna in Wenen. Johann Baptist Vanhal heeft ongelooflijk veel muziek geschreven. Veel daarvan is alleen als manuscript bewaard. Zijn muziekwerken worden weinig uitgevoerd, terwijl ze toch net zo de moeite waard is als die van Haydn.

Johann Baptist Vanhal componeerde

     77 symfonieŽn.

- symfonie in e kleine terts Bryan e2; omstreeks 1772CD Camerata Schweiz onder leiding van Howard Griffiths cpo 777 -612-2

- symfonie in G grote terts Bryan G8, 1774

- symfonie in C grote terts Bryan C9, omstreeks 1774

     36 concerten

- celloconcert in C grote terts, aantrekkelijk concert

     300 kamermuziekwerken

- 3 sonates voor klarinet en piano, omstreeks 1801

     2 opera’s

     60 missen

     56 offertoires

     10 litanieŽn

     32 motetten

     36 orgelwerken

     172 piano(klavecimbel)werken,

     40 (series) werken voor klavecimbel of piano vier handen

- 24 duettini, 1809

 

August Carl Ditters von Dittersdorf (Wenen, 2 november 1739 - kasteel Rothlhotta bij Novť Dvory, Midden-Bohemen, 24 oktober 1799) was de zoon van een militaire kleermaker, die werkte voor het Oostenrijkse Keizerlijke leger van Karel VI. August Carl Ditters kreeg vanaf zijn zesde vioolles van J. Ziegler. In 1750, 11 jaar oud, werd hij als violist aangenomen in het orkest van een Weense Benedictijnerkerk. Prins Josef van Saksen– Hildburghausen, chef van de artillerie, nam hem een jaar later als page aan en zorgde dat hij een gedegen muzikale opleiding kreeg: viool bij Francesco Trani en contrapunt en compositie bij Giuseppe Bonno. Hij kwam terecht in het hoforkest van keizerin Maria Theresia en in 1761 het Theaterorkest van het Keizerlijke hof, waarvan hij in 1762 dirigent werd. In 1763 werd hij door Christoph Willibald von Gluck meegenomen naar ItaliŽ, waar hij veel succes had als vioolvirtuoos.

Terug in Oostenrijk werd hij in 1764 aangesteld als kapelmeester van de bisschop Adam Patachich in SiebenbŁrgen van Grosswardein, als opvolger van Michael Haydn en een paar jaar later kwam hij terecht in kasteel Johannesberg in Javornik (tegenwoordig TsjechiŽ), waar hij de leiding kreeg van het culturele centrum rond het hof van Philipp Gotthard von Schaffgotsch, prins-bisschop van Breslau. In 1771 werd hij aangesteld als hofcomponist. In 1773 werd hij vanwege zijn verdiensten door de keizer in de adelstand verheven en kon hij von Dittersdorf achter zijn naam schrijven.

Omstreeks 1790 werd Carl Ditters von Dittersdorf Kapellmeister van het orkest van hertog Carl Christian Erdmann von WŁrttemberg-Oels (1716–1792) in het tegenwoordige Oleśnica. Carl Ditters von Dittersdorf is begraven op de begraafplaats van DeštnŠ in TsjechiŽ.

Im 1913 werd die Dittersdorfgasse in Wenen, wijk Hernals, naar Carl Ditters von Dittersdorf vernoemd.

Carl Ditters von Dittersdorf componeerde

     10 opera’s

- Die Liebe im Narrenhaus, 1787, komische opera in twee bedrijven, libretto Gottlieb Stephanie junior, met een buitengewoon gecompliceerde coloratuuraria, gecomponeerd voor Josepha Weber, de schoonzus van Wolfgang Amadeus Mozart.

     4 Oratoria

     16 Missen

     1 Requienmis

     3 Cantates

     205 andere kerkelijke werken

     37 symfonieťn

     50 concerten

- 6 hoboconcerten

+ concerto voor hobo d’amore in A grote terts, prachtig.

     145 kamermuziekwerken

     136 pianowerken