Componisten

vanaf 1740

 

Guillaume Lasceux (Poissy, 3 februari 1740 - Parijs, 1831) begon in 1758 zijn carrière als organist van de parochie St-Martin in Chevreuse. In 1762 vestigde hij zich in Parijs, om compositie te studeren bij Carles Noblet, organist en klavecinist bij de Opéra. In 1769 volgde hij hem op en werd hij ook organist in St-Aure. In 1779 werd hij daarnaast organist van het klooster van de Minimes, Place Royale, aan het Collège van Navarre en aan het seminarie St-Magloire.

Tijdens de revolutie verloor hij zijn meeste betrekkingen, en kon hij zich alleen in leven houden als begeleider  van de diensten van de  théophilantropes, een religie ter vervanging van het Christendom, in de kerk van Saint-Étienne-du-Mont, omgedoopt  in “Temple de la Piété Filiale”.  In 1803 kreeg hij, toen de Katholieke eredienst weer werd gedoogd, zijn betrekking als organist in dezelfde kerk weer terug. Hij hield dat vol tot 1819.

Guillaume Lasceux componeerde

     4 opera’s

     1 mis

     2 motetten

     liederen voor zangstem en begeleidend(e) instrument(en)

     kamermuziek

     veel orgelwerken

 

Ernst Dietrich Adolph Eichner (Bad Arolsen, Duitsland, gedoopt 15 februari 1740 - Potsdam, voorjaar 1777) was de zoon van Johann Andreas Eichner (1694–1768), fagottist aan het hof van Waldeck. Zijn vader gaf Ernst Eichner zijn eerste fagot-, viool-, contrapunt- en compositielessen. Hij werd beroemd in heel Europa als een  virtuoze fagottist. Ernst Eichner trouwde vóór 1760 met  Maria Magdelena Ritter. Ze kregen een dochter omstreeks 1761: Adelheid Maria Eichner, die zangeres en componiste zou worden. Een tweede dochter Maria Catherina Elisabeth stierf een paar dagen na de geboorte. 1 september 1762 kwam Ernst Eichner in dienst van Hertog Christian IV van Pfalz-Zweibrücken als violist. Van 1768 tot 1772 was hij concertmeester van het hoforkest: het  Mannheimer Orkest. In augustus 1773 treffen we Ernst Eichner aan als fagottist in dienst van de Pruisische kroonprins Friedrich Wilhelm II, in Potsdam.

Ernst Eichner componeerde

     31 symfonieën

     20 concertos

- harpconcerto in C grote terts, opus 6, nr. 1  

- harpconcerto in G grote terts, opus 5, nr. 1

- harpconcerto in D grote terts, opus 5, nr. 2

- harpconcerto in D grote terts, opus 9

     40 kamermuziekwerken

- Zes fluitkwartetten, opus 4.

     6 klavecimbelsonates

 

Giovanni Paisiello (Tarente, 9 mei 1740  ̶  Napels, 15 juni 1816)  is geboren in Taranto, in het zuiden van Italië, waar hij al op vroege leeftijd wegging om in Napels muzieklessen te volgen. Napels had een bloeiend theaterleven, dat bezoekers van uit de hele wereld aantrok. Al snel nadat hij zijn studie aan het Conservatorio di S. Onofrio had afgerond, slaagde Paisiello er in een gevestigd operacomponist te worden, met een bijzondere aanleg voor de opera buffa.

In 1772 trouwde Giovanni Paisiello met Cecilia Pallini, het werd een gelukkig huwelijk.

In 1776 werd Giovanni Paisiello kapelmeester in Sint-Petersburg aan het hof  van  tsarina Catharina II van Rusland, als opvolger van Tommaso Traetta. Gedurende die periode schreef hij een aantal werken in opdracht van het Russische hof, bestemd om te worden uitgevoerd in het Theater van de Hermitage. Onder meer schreef hij een variatie op La serva padrone (1781), oorspronkelijk een werk van Giovanni Battista Pergolesi.

Een ander werk uit zijn "Russische tijd", de opera Il Barbiere di Siviglia  gold als een van de grootste komische opera's ooit. Het werk, gebaseerd op het toneelstuk Le Barbier de Séville (1775) van Pierre Beaumarchais, was zo beroemd dat Rossini in 1816 slechte kritieken kreeg toen zijn Il Barbiere de Siviglia in première ging, omdat zijn werk vergeleken werd met het werk van Paisiello.

In 1784 keerde Paisiello terug naar Italië; de kou van het Russische klimaat kon hij niet langer verdragen. Hij  kreeg hij een aanstelling als hofdirigent bij Ferdinand IV van Napels, in Napels.

In 1802 werd Giovanni Paisiello uitgenodigd in Parijs door Napoleon. Hij had zijn waardering gewonnen door in 1797 een mars te componeren  voor de begrafenis van Generaal Hoche.

Rond het begin van de negentiende eeuw werd Paisiello's Barbiere di Siviglia opgevoerd in alle Europese theaters. Wolfgang Amadeus Mozart  is hierdoor beïnvloed bij het schrijven van zijn opera Le Nozze di Figaro.

Dde Amerikaanse musicoloog Michael F. Robinson heeft in 1993 een thematische catalogus van Paisiello's werken uitgegeven en voorzien van een R.-nummer

Giovanni Paisiello componeerde

     94 opera’s

- Gli astrologi immaginari  (I filosofi immaginari), R 1.58, 1779

- La serva padrona,  R 1.63, 1781

- Il Barbiere di Siviglia ovvero La precauzione inutile, 1782, in die tijd een wereldberoemde opera. Toen Mozarts' schoonzus Josepha Weber daar in 1789 de hoofdrol van Rosina in zong, componeerde Mozart de inlegaria "Schon lacht der holde Frühling"  er voor haar bij. 

- Pirro, 1787

- Nina, 1789

- L'amor contrastato, 1789, opera buffa, in 1790 gereviseerd als La molinara; de duetaria “Nel cor più non mi sento” werd onsterfelijk omdat Beethoven er een variatiewerk met 6 variaties op baseerde. In 1821 componeerde Paganini 7 variaties op dat thema. Een aantal andere componisten deden dat ook

     20 wereldlijke cantates

     9 missen

     11 misdelen

     5 passionen

- La Passione di Gesù Cristo, R 3.02 libretto Metastasio, 1783. Metastasio had het libretto voor Antonio Caldara geschreven, maar die toonzetting beviel hem maar matig. Er volgden nog 52 andere zettingen

- Passio di San Giovanni R 3.04  

     2 oratoria

     3 kerkelijke cantates

     48 religieuze werken voor de kapel van Napoleon

     38 psalmen en gezangen

     5 motetten

     requiem voor Gennara di Borbone

     8 pianoconcerten

- pianoconcert nr. 4 in g kleine terts, R 8.16, vóór december 1788

     9 strijkkwartetten

     8 andere instrumentale composities

- Marche funèbre pour le Général Hoche in c klein, R 8.22, 1797

- Andante voor hoorn en harp in C grote terts, R 8.23, 1804

     talloze liederen

 

Luigi Gatti (Lazise, Italië, 7 oktober 1740  – Salzburg, 1 maart 1817) was de zoon van organist Francesco della Gatta. Luigi Gatti zong tenor in de kerk van Santa Barbara in Mantua en werd daar later  tot priester gewijd. Omstreeks 1780 werd hij als opvolger van Giuseppe Lolli Hofkapellmeister in Salzburg bij vorst/aartsbisschop Hieronymus Graaf Colloredo (1732–1812). Dit tot teleurstelling van Leopold Mozart, die dat graag zelf had willen worden.  Van 1801 tot 1804 hielp Luigi Gatti  Nannerl Mozart bij het op orde brengen van onbekende werken van haar overleden broer Wolfgang Amadeus. Daarover correspondeerde hij nogal eens met uitgeverij Breitkopf & Härtel.

Luigi Gatti  werd op het Sebastiaanskerkhof in Salzburg begraven.  

Luigi Gatti  componeerde

     6 opera’s

     3 balletten

     6 oratoria

     13 cantates

     20 missen

     1 requiem

     75 motetten

     5 concerten

     4 andere orkestwerken

     25 kamermuziekwerken

 

 

André Ernest Modeste Grétry (Luik, 8 februari 1741  ̶  Montmorency, 24 september 1813) was amper zes toen hij koorzanger werd in de kerk St-Denis te Luik. Zijn vader, François-Pascal Grétry,  beroepsviolist, gaf hem zijn eerste lessen.

Het succes van een grote mis in 1758 leverde hem een studiebeurs op die hem in staat stelde in Rome in Italië verder te studeren aan het Luiks muziekopleidingsinstituut. Hij ging er te voet heen, want geld voor een paard of een koets was er in de familie niet. Na tweeënhalve maand 1200 kilometer lopen kwam hij er omstreeks Pinksteren 1761 aan. In Rome was André Grétry leerling van Giovanni Battista Casali, in Bologna van de beroemde Padre Martini die ook Mozart les gaf.

Nadat André Gretry een opera-comique van de Franse componist Alexandre Monsigny onder ogen had gekregen, wilde hij zich in die nieuwe manier van operaschrijven verdiepen en vertrok hij naar Frankrijk.  In 1768 vestigde hij zich in de Parijs. en spoedig werd hij één van de meeste geliefde theatercomponisten. Hij werd dé uitblinker in het genre van de opéra comique en een graag geziene gast aan het Franse hof. André Grétry werd de muziekleraar van Marie-Antoinette, huiscomponist en huisrecensent.

Toen in 1789 de Franse Revolutie uitbrak, gingen al zijn koninklijke titels en jaargelden in rook op. André Grétry probeerde er het beste van te maken en schreef muziektheater waar de revolutionairen van hielden (Guillaume Tell). Zijn medewerking aan de opera Le Congrès des Rois,  waarin koningen belachelijk werden gemaakt en de publicatie van een geschrift waarin de revolutie wer verheerlijkt werkte goed uit. André Grétry werd officieel Frans staatsburgenr. Hij werd nauw betrokken bij de oprichting van het vermaarde Conservatoire national supérieur de musique in 1795 en werd er één van de vijf onderwijsinspecteurs.

Hij werd begraven op het Parijse kerkhof Père-Lachaise, maar zijn hart werd overeenkomstig zijn laatste wilsbeschikking naar zijn geboortestad Luik overgebracht waar het thans rust onder het Grétrystandbeeld voor de Luikse koninklijke opera.

André Grétry schreef

     66 opera's, waaronder enkele meesterwerken

- La Vendemmiatrice (De druivenplukster), opera in twee intermezzi, 1765

- Les Mariages samnites, opera in 1 akte, libretto P. Légier, naar ”le château du prince de Conti” van van Jean-François Marmontel; 1768, zijn eerste Franse opera, een flop van jewelste

- Le Huron, opera in 2 aktes, libretto Jean-François Marmontel, naar «L'Ingénu» van Voltaire, 20 augustus 1768, het begin van een glanzende carrière

- Lucille, opéra comique (“comédie mêlée d'ariettes”), in één akte, libretto Jean-François Marmontel, 5 januari 1769; mooie sopraanaria: Au bien suprême.

- Silvain, comédie-Italienne in 1 akte, 19 februari 1770, libretto Jean-François Marmontel, naar Salomon Gessner, «Erast»

- Zémire et Azor, 1771, gebaseerd op het sprookje a Belle et La Bête

- Céphale et Procris, ou L'amour conjugal, ballet héroïque in drie bedrijven, libretto Jean-François Marmontel, naar Ovidius Metamorphosen, 30 December 1773, geschreven voor het huwelijk van een kleinzoon van Lodewij XV.

- La Fausse Magie, comédie-Italienne in 2 aktes, 1 februari 1775, libretto Jean-François Marmontel; 3 keer gereviseerd, het laatst in 1778

- Le Jugement de Midas, opera in 3 aktes, libretto D’Hèle, naar Kane O'Hara, 28 maart 1778,

- L'amant Jaloux, 1779,

- La caravane du Caire, opéra-ballet in drie bedrijven, libretto Etienne Morel de Chédeville, 30 october 1783. Eén van Grétry’s succesvolste opera’s met meer dan 500 uitvoeringen; een stel Europeanen wordt gevangen genomen en als slaaf aan rijke sjeiks en pasja’s verkocht. Een (poging tot) ontsnapping volgt en dan komt er een happy end.  Erg leuke muziek  

- L’épreuve villageoise (de proef van het dorpsmeisje), opéra bouffon in twee bedrijven, libretto Pierre Desforges, 24 juni 1784 de revisie van een werk dat Théodore et Paulin heette, en dat één keer eerder in 1784 werd opgevoerd maar nooit is gepubliceerd. In 1953 is de opera gereviseerd en opnieuw georkestreerd door Daniel Auber. Het dorpsmeisje Denise (sopraan) moet kiezen tussen Monsieur de la France (bariton) en dorpsjongen André (tenor)

- Richard Coeur de Lion, 1784,

- Guillaume Tell, drame mise en musique, in 3 bedrijven in proza en verzen, libretto Jean-Michel Sedaine, naar Antoine-Marin Lemierre,  9 april 1791, kleurrijke partituur; hoofdpersonen: madame Tell (sopraan); de hooghartige, tirannieke Gessler, bariton, Guillaume Tell, tenor, Marie, de dochter van Willem Tell, sopraan, de zoon van Willem Tell, mezzosopraan.

- Andromaque, 3 aktes, libretto Louis-Guillaume Pitra, naar de tragedie van Jean Racine, een pakkend, compact muziekdrama.

     7 sinfonie

     6 strijkkwartetteninfonie

     fluitconcerten

     fluitsonates

     werken voor harmonieorkest

     een mis

     7 motetten

- Dixit dominis, voor 4 zangstemmen en orkest, 1762

- Confitebor tibi Domine, voor 4 zangstemmen en orkest, 1762

- De Profundis, 1762

     geboortecantate

 

Henri-Joseph (Heinrich Joseph) Rigel (Riegel) (Wertheim am Main, Duitsland, 9 februari 1741 – Parijs, Frankrijk, 2 mei 1799) kreeg zijn muzikale opleiding van zijn vader Georg Caspar Rigel, muziek-intendant aan het hof van de prinsen van Löwenstein-Wertheim-Rochefort. Toen Henri-Joseph Rigel werk kreeg aan het hof van Karel Eugenius van Württemberg in Stuttgart kreeg hij ook les van Niccolò Jommelli. In 1767 reisde hij naar Parijs, waar zijn composities veel succes hadden en bij de Concert spirituel werden uitgevoerd. Vanaf 1783 was Rigel "maitre de solfège" aan de École Royale de Chant (Koninklijke zangschool). Na de Franse Revolutie werd Henri-Joseph Rigel in 1793 professor voor piano "première classe" aan het nieuw opgerichte Conservatoire national supérieur de musique te Parijs. Als muziekdocent was hij bekend en gewaardeerd. Hij publiceerde zijn werken in een eigen uitgeverij, gerund door zijn vrouw, die de muziek ook graveerde en zijn broer Anton Rigel, ook componist. Zijn zonen Louis Rigel (1769-1811) en Henri Jean Rigel (1770-1852) waren ook componisten.

Henri-Joseph Rigel componeerde

     16 opera's.

     4 hiérodrama’s , oratoria’s over religieuze thema’s, zeer dramatische teksten

- La sortie d'Egypte (de uittocht uit Egypte), 1774 

- La destruction de Jericho (de val van Jericho), 1778, inclusie fde krijsende inwoners van de stad

- Jephté (de ongelukkige belofte van Jephta), 1783

     3 (series) vocale revolutiewerken

     andere vocale werk en

     19 symfonieën

     5 andere orkestwerken

     12 (series) kamermuziekwerken

- 6 quatuors dialogués, opus 4, strijkkwartetten, omstreeks 1770

     cembalowerken

 

Johann Gottlieb Naumann (Blasewitz, Duitsland, 17 april 1741  ̶  Dresden, 23 oktober 1801) was de oudste zoon van de kleine boer en belastingontvanger Johann Georg Naumann en Anna Rosina Ebert kreeg zijn eerste piano- en orgellessen aan de gewestelijke school in Loschwitz. Later kreeg hij aan de Kreuzschule in Dresden les van de organist en cantor, Gottfried August Homilius. Van 1759 tot 1763 maakte hij een uitgebreide reis naar Italië met de Zweedse violist Anders Wesström. Hij nam er les in Padua van Giuseppe Tartini, in Bologna van Padre Martini en in Venetië van Johann Adolf Hasse. In 1764 kreeg hij, op Johann Adolf Hasse's aanbeveling, een aanstelling als tweede componist van kerkmuziek aan het hof van Dresden. Daarna volgden promoties tot kerk- en kamermuziekcomponist (1765) en ten slotte kapelmeester (1776). Bij zijn composities gebruikte hij een akkoordvolgorde die bekend werd onder de naam “Dresden amen” en die later ook door andere componisten (Mendelssohn: Reformatiesymfonie, Wagner: opera Parsifal) regelmatig werd toegepast.

Johann Gottlieb Naumann werd nogal gewaardeerd door graaf Löwenhjelm, de Zweedse diplomaat in Dresden. Op zijn voorspraak kreeg Johann Gottlieb Naumann in 1777 een aanstelling om de koninklijke hofkapel in Stockholm te hervormen. Daarnaast hielp hij koning Gustaf III met het stimuleren van operauitvoeringen. Er kwam een nieuw operagebouw, waar Johann Gottlieb Naumann ook opera’s voor componeerde.

in 1785 en 1786 werd Johann Gottlieb Naumann uitgenodigd om in Kopenhagen de hofkapel te hervormen en de organisatie van de hofopera te verbeteren. Hij werkte er daarom ook als gastcomponist (voor opera's) en als dirigent.

In 1786 keerde Johann Gottlieb Naumann terug naar Dresden waar hij een levenslange benoeming tot hoofdkapelmeester kreeg.

In Dresden vervulde Johann Gottlieb Naumann een belangrijke rol in het muziekleven als organisator van concertseries, dirigent en componist. In 1792 trouwde hij met Catarina von Grodtschilling, de dochter van een Deense viceadmiraal. Ze kregen vier kinderen. Johann Gottlieb Naumann veranderde al vrij jong zijn naam in Johann Amadeus Naumann. Alle eerste drukken van zijn werken werden onder de naam Johann Amadeus Naumann uitgegeven.

Johann Gottlieb Naumann componeerde

     25 opera’s

- Cora och Alonzo, 1782, uitgevoerd bij de ingebruikneming van het nieuwe operagebouw in Stockholm. Gustaf Wasa, 1786, naar een idee van koning Gustaaf, lange tijd dé nationale opera van Zweden.

- Orpheus og Eurydike, 1786, Deense opera.

     12 oratoria

- La Passione di Gesù Cristo, libretto van Metastasio, naar aanwijzingen van Keizer Karel VI. Het libretto is door tientallen componisten gebruikt. Het lijdensverhaal word beschouwd door de ogen van Maria Magdalena, Petrus, Johannes en Jozef van Arimathea.

     21 missen

     20 offertoria

     18 maria antifonen

     9 vespercycli

     3 psalmen

     3 andere Duitse religieuze werken

     20 wereldlijke cantates

     12 symfonieën

     1 pianoconcert

     12 vrijmetselaarsliederen

     meer dan 40 andere liederen

     6 kwartetten voor klavecimbel, fluit, viool en contrabas

     24 (series) andere kamermuziekwerken

     4 sonates voor klavecimbel

     14 pianosonaten

     12 sonates voor glasharmonica

     6 (series) orgelwerken

 

Jean Paul Egide Martini (Martin)  (Freystadt, Oberpfalz, Duitsland, 31 augustus 1741 - Parijs, 14 februari 1816) was de zoon van docent en organist Andreas Martin en Barbara. Zijn moeder overleed toen Jean Martin 6 jaar oud was. Jean Martin kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn vader en  studeerde daarna aan het Jezuïeten-college in Neuburg aan de Donau, waar hij op 11-jarige leeftijd al organist werd. In 1758 begon hij een filosofiestudie in Freiburg im Breisgau, maar stopte daarmee om verder te gaan in de muziek

In 1760 vertrok Jean Martin naar Nancy in Lotharingen. Hij kwam er in dienst van Lunéville Stanislas I, de verbannen koning van Polen, Hertog van Lorraine en schoonvader van Lodewijk XV. Toen de Poolse koning in 1764 overleed ging Jean Martin naar Parijs. Hij nam er de naam Martini il Tedesco (Martin de Duitser) aan. Hij trouwde dat jaar 1764 met Marguerite Camelot, ook uit een organistenfamilie.

In 1788 werd Jean Martini Surintendant de la musique du Roi  voor kerkmuziek aan het hof voor kerkmuziek en  directeur van de Parijse theaters. Door de Franse Revolutie verloor hij zijn ambten en vluchtte naar Lyon. In 1796  kreeg hij daar een baan aan het (nieuwe) Conservatoire de Musique. In 1802 werd hij er ontslagen.

Daarna hield hij zich met kerkmuziek bezig. Na zijn 70e jaar beleefde hij nog de Restauratie van de Bourbon-monarchie In 1814  werd hij door de koning weer in zijn oude positie benoemd als Surintendant de la musique du Roi. Zijn laatste werk was een Requiem tot eer van de terechtgestelde Koning Lodewijk XVI, dat drie weken voor zijn eigen dood in Saint-Denis werd uitgevoerd.

Jean Martini componeerde

     13 opera’s

     9 missen

     1 requiem, Messe des morts à grand orchestre,  1815

     23 psalmen en motetten

     2 cantates

     18 orkestwerken

     100 werken voor harmonieorkest

     24 kamermuziekwerken

     25 (series) chansons en hymnes

- Plaisir d'amour, chanson (romance) op tekst naar een nouvelle van Jean-Pierre Claris de Elvis Presley’s popstandard  "Can't Help Falling in Love" is erop gebaseerd.

 

Bartholomeus Ruloffs (Amsterdam, gedoopt 29 oktober 1741 - Amsterdam, 13 mei 1801) was de zoon van Reynier Ruloffs, fagottist en de broer van Jan Pieter Ruloffs, violist aan de  Mozes- en Aäronkerk. In 1757 werd Bartholomeus Ruloffs violist in het orkest van de Amsterdamse Stadsschouwburg. In 1766 werd hij aangsteld als organist in de Nieuwezijdskapel. De Amsterdamse Stadsschouwburg brandde af in 1772, in 1773 volgde  Bartholomeus Ruloffs Hendrik Chalon op als dirigent van het theaterorkest. Op 15 September 1774 werd het nieuw gebouwde theater met muziek van Bartholomeus Ruloffs ingewijd. In 1783 werd Bartholomeus Ruloffs organist van de Westerkerk en in 1791 dirigent van het Felix Meritis symfonie-orkest. In 1791 werd hij aangesteld als organist van de Nieuwe Kerk, en in 1793 ruilde hij dat voor het organistenschap van de Oude Kerk, waar hij tot zijn dood aan verbonden bleef.  In 1793 trouwde Bartholomeus Ruloffs met zangeres Ernestina Louisa Anderegg.

Bartholomeus Ruloffs componeerde

     5 opera’s

     3 bundels liederen voor zangstem en basso continuo of instrumenten

- Muziekstukjes voor de proeve van kleine gedigten voor kinderen (H. van Alphen) (omstreeks 1789)

     6 vioolsonates

     3 symfoniën

     1 bundel Musique Militaire 1785

 

Henri Joseph (Henricus Josephus Jacobus) Tobi (Antwerpen, België, 1741 - 1809) kwam uit een muzikantenfamilie. Hij was fagot-, hoorn- hobo- en klarinetspeler.

Henri Joseph Tobi was poorter van Antwerpen en lid van Sint-Job en Sint-Maria-Magdalena, het gilde van de muzikanten. Daardoor werd hij in 1764 voor het leven benoemd tot één van de zes Antwerpse stadsspeellieden. Zij  speelden dagelijks op het plein voor het stadhuis, begeleidden hoogwaardigheidsbekleders als die zich in de stad verplaatsten, traden op bij Blijde Intredes, cavalcades, processies en ommegangen. Ook in de kerk speelden tijdens de missen en tijdens de biddagen.

In 1795, toen de Fransen na de Revolutie ook de Nederlanden hadden  ingelijfd, werden de de ambachtsgilden afgeschaft.

Door zijn goede relaties kon Henri Joseph Tobi zich in de Franse tijd als een soort muziek-ondernemer vestigen die heel wat lucratieve opdrachten voor zichzelf en zijn collega’s muzikanten in de wacht wist te slepen.

Met zijn vrouw Anna Catharina de Ridder kreeg Henri Joseph Tobi negen kinderen, die allen in de Sint-Jacobskerk gedoopt werden en waarvan er vier als kind overleden.

Henri Joseph Tobi componeerde

     religieuze werken

     kamermuziekwerken

‒ zes trio’s voor klarinet, viool en basso continuo,  opus 1

 

Simon Le Duc (Parijs, Frankrijk, 15 januari 1742 - 22 januari 1777) was leerling van Pierre Gaviniès. Vanaf zijn 17de jaar speelde hij als tweede violist in het Concert Spirituel in Versailles. In 1763 werd hij daar soloviolist en kapelmeester. Vanaf 1773 deelde hij die plek met François-Joseph Gossec und Pierre Gaviniès. Ze zetten veel werk uit Mannheim op de lessenaars, zodat het idioom van de Mannheimer School in Europa zich snel verbreidde. Simon Le Duc was een goede vriend van de Chevalier de Saint-Georges, die een herinneringsconcert na zijn overlijden dirigeerde. Zijn jongere broer Pierre Le Duc (1755–1818), was ook violist en muziekuitgever.

Simon Le Duc componeerde

     5 symfonieën

     6 andere orkestwerken

     9 triosonaten

     8 vioolsonates met basso continuo

     12 duo’s voor twee violen

     1 sonate voor viool solo

 

Jean-Baptiste-Aimé Joseph (l’aîné) Janson (Valenciennes, Noordfrankrijk, gedoopt 9 maart 1742  ̶  Parijs, 2 september  1803) speelde tijdens het Concert Spirituel in Parijs, dertien jaar oud, een cello sonata op 23, 25 en 29 maart 1755.

Op 22-jarige leeftijd kwam hij in dienst van de Prins van Conti, die een salonorkest had met koor en solisten. In 1783 maakte hij als cellist een rondreis door Europa. In 1788 werd hij surintendant de la musique bij de broer van Louis XVIII.

In 1795 werd hij aangesteld als celloleraar aan het Conservatorium. Zijn broer Louis-Auguste-Joseph Janson [‘de jongere’] (1749- omstreeks 1815) was ook cellist en componist.

Jean-Baptiste Janson  componeerde

     1 motet

     1 mis

     1 Te Deum

     12 sonates voor cello en contrabas

     6 celloconcerten

     6 concerto’s voor cello solo

     6 trio’s voor 2 violen en violoncello

     9 quartors concertans voor twee violen, altviool en cello

     3  symphonies

 

Luigi Boccherini (Lucca, 19 februari 1743 – Madrid, 28 mei 1805) was de zoon van een contrabassist, van wie hij zijn eerste muzieklessen kreeg. In 1757 stuurde zijn vader hem naar Rome voor verder muziekonderricht. Na zijn terugkeer in Lucca speelde hij cello in het plaatselijke theaterorkest.

Tot 1764 was hij in hoofdzaak actief in Italië, hoewel hij 1757-1758, 1760-1762 en 1764-1765 in Wenen verbleef, waar hij een tijdelijke aanstelling had als cellist aan het hoforkest. In 1765 kwam hij in contact met een van de toonaangevende componisten van de instrumentale muziek, de Milanese musicus Giovanni Battista Sammartini, met wie hij een paar jaar samenwerkte.

In 1769 vestigde hij zich in Madrid. In 1778 werd hij aangenomen in het privé orkest van Don Luis (de broer van koning Karel III van Spanje) als componist en kenner van kamermuziek. Nadat deze in 1785 overleed, werd hij bij Frederik Willem II (Frederik de Grote), koning van Pruisen, in1786 aangesteld als hofcomponist, als opvolger van Carl Philipp Emanuel Bach. Ook voor het privéorkest  van de hertog van Benavente Ossuna, componeerde hij werken, onder andere zijn enige opera.

Luigi Boccherini overleed in armoede op 62-jarige leeftijd in Madrid, waar hij op 1 juni 1805 begraven werd.

Boccherini’s werken werden gecatalogiseerd door de Franse musicoloog Yves Gérard (*1932). In 1969 publiceerde hij de Gérard catalogus, waarin hij Boccerini’s werken een G-nummer gaf.

Luigi Boccherini componeerde 

     1 opera

- La Clementina ,1786, een Zarzuela, libretto de dichter Ramon de la Cruz (1734-1794).

     10 religieuze werken

- Stabat Mater opus 61 in F grote terts, G 532: 

     25 symfonieën

- symfonie opus 12/3  in C grote terts, G 505

- symfonie opus 37 nr. 2 in D grote terts, G 516; verloren gewaand, maar in 2011 teruggevonden; levendig en afwisselend

- symfonie opus 41 in c kleine terts, G 519, ambitieus

     12 cello-concerten.

- celloconcerto nr. 9 in Bes grote terts G 482, omstreeks 1770, Boccherini's meest gespeelde en bekendste concert, met een smartelijk Adagio, prachtig werk.  

- celloconcert nr. 10 in D grote terts, opus 34, G 483, virtuoze solopartij, uitgebreide orkestratie, omstreeks 1782

     5 andere concerten 

     7 notturno's voor octet 

     7 strijksextetten

     6 divertimenti opus 16, 1773 voor dwarsfluit en strijkkwintet, 1773

- divertimento opus 16 nr 3 in A grote terts, G 463.

     100 strijkkwintetten voor twee violen, viola en twee celli

- strijkkwintet opus 11, nr. 5, G 275, 1771, met daarin humoresque, een menuet,  vaak hèt menuet van Boccherini genoemd, zijn bekendste werk. Met zijn opus 11 heeft Boccherini het strijkkwintet als genre gecreëerd met 2 violen, altviool en 2 celli. De Weense componisten pasten de bezetting later aan: het ging hun níet om de celli.

- strijkkwintet opus 11 nr. 6 in D grote terts, G 276, “L'Uccelleria” , 1771

- strijkkwintet opus 30 nr. 6, G.324, La musica notturna delle strade di Madrid, 1780, een naturalistische imitatie van de alledaagse geluiden, een opzienbarend werk.

     12 pianokwintetten  voor piano en strijkkwartet,

     6 fluitkwintetten opus 55 voor fluit en strijkkwartet, 1797

- fluitkwintet opus 55 nr. 6 in d kleine terts, G 435

     9 gitaarkwintetten voor gitaar en strijkkwartet

- gitaarkwintet nr. 1 in d kleine terts, G. 445, arrangement van pianokwintet G 416, 1798

- gitaarkwintet nr. 4 in D grote terts, "Fandango", G 448, arrangement van de strijkkintetten G 270 en G 341, 1798

- gitaarkwintet nr. 7 in e kleine terts, G 451, arrangement van pianokwintet G 407, 1799

     100 kwartetten voor strijkers

- quartetto in g klein, Op. 32, No. 5, 1780, G. 205, prachtig klassiek en elegant werk.

     54 trio's voor strijkers

- Sei Terzetti, opus 47, zes strijktrio’s G 107 – 112, voor viool, altviool en cello, 1793, opgedragen aan koning Frederik Willem II van Pruisen,  tweedelige juweeltjes.

     15 pianotrio's

     6 pianokwartetten (quatuors)

- 6 pianokwartetten,  G 259 bewerkt van de kwartetten opus 26, G 195–200,

     40 cellosonates

- sonate in c kleine terts, G 2,

- cellosonata in Bes grote terts, G. 8

- sonate opus 7a nr. 1 in A grote terts, G 13, aanstekelijk energiek

- sonate opus 7a nr. 6 in A grote terts, G 4, elegante speelstukken allemaal; 

     24 vioolsonates

- 6 sonate opus 5 voor viool en piano,  in Bes, C, Bes, D, g, Es, G 25 - 30, 1768, heerlijke sonates. 

 

Andrea Favi (Forlì, Italië 1743 – 1822), lid van een muzikantenfamilie werd opgeleid aan de Accademia Filarmonica in Bologna. Andrea Favi werd maestro di cappella en organist van de Cattedrale di Santa Croce  en dirigent van Gemeentelijk Theaterorkest in Forlì. Hij zorgde Accademia Filarmonica in Forlì, waarvan hij de eerste docent werd.

Andrea Favi componeerde

     3 opera’s

     1 oratorium

     2 sinfonia’s

- sinfonia in Bes grote terts voor twee blokfluiten in bes’, 2 hoorns, 2 vioklen, altviool en contrabas

     5 kamermuziekwerken met flauti tenorini, blokfluiten in een afwijkende stemming

     liederen

 

Anna Catharina, “Marianna” (von) Martines (Wenen, Oostenrijk, 4 mei 1744 – 13 december 1812) was de dochter van Nicolò Martinez (1689-1764), ceremoniemeester van de Pauselijke Nuntius in Wenen, en de Duitse Maria Theresia (1712-1775). Anna Catharina was de tweede van zes kinderen uit dit huwelijk, ze noemde zichzelf “Marianna”. De familie woonde in de kamers van een heel groot herenhuis aan de Michaelerplatz in het centrum van Wenen. In zijn jeugdjaren in Napels was Nicolò Martinez bevriend geraakt met de dichter Pietro Trapassi, die schreef onder de naam Metastasio. Metastasio was ondertussen de hofdichter van het keizerrijk geworden en woonde in de huis van de familie Martines. Hij zorgde er daar voor dat Marianna een diepgaande en uitgebreide opleiding kreeg. Marianna sprak goed Italiaans, Duits, Frans en Engels. Zij maakte naam als zangeres, componiste, klaveciniste en vertaalster. Marianna Martines had vanaf haar 10de klavecimbelles van Joseph Haydn, die in het huis helemaal bovenin in een koud tochtig kamertje woonde. Ze kreeg elke dag les van Joseph Haydn, in ruil daarvoor gaf de familie Martines Haydn de kost. Ze studeerde daarnaast zang bij Nicola Porpora en compositie bij Giuseppe Bonno en Johann Adolph Hasse. Op uitnodiging van keizerin Maria Theresia van Oostenrijk (1717-1780) speelde en zong zij regelmatig aan het hof. Tenminste een keer in de week gaf zij een muzikale soiree in het huis van de familie. Na de dood van Metastasio erfden Marianna Martines, haar zuster en broers de nalatenschap van de dichter.

Als eerste vrouw werd Marianna Martines in 1773 in de "Accademia Filarmonica di Bologna" opgenomen. Op 23 januari 1774 werden Marianna, haar zuster en vier broers door keizerin Maria Theresia in de erfelijke ridderstand opgenomen.

In de jaren tussen 1780 en 1790 leidde Marianna Martines een zangschool, de voorloper van het Weens Conservatorium.

Op 13 december 1812 overleed Marianna Martines aan tuberculose, drie dagen na de dood van haar zuster Antonia, met wie zij jaren samengeleefd had. Ze is begraven op de Sint Marxer begraafplaats in Wenen.

Marianna Martines componeerde

     2 oratoria

- Isacco figura del redentore, 1782, libretto Pietro Metastasio

     4 missen

     23 motetten en psalmen

     11 cantates

     5 orkestwerken

     3 klavecimbelwerken

 

Johann Peter Salomon (Bonn, 20 februari 1745 – Londen, 25 november 1815) werd geboren in de Bonngasse 515, hetzelfde huis waar Ludwig van Beethoven 25 jaar later geboren zou worden. Zijn vader was Philipp Salomon, hoboïst en hofmusicus in Bonn. Johann Peter Salomon was van 1758 tot 1764 violist van het Kurfürstliche Orchester aldaar. In 1764 werd hij benoemd tot concertmeester van prins Heinrich van Pruisen in Rheinsberg.

Omstreeks 1780 verliet Johann Peter Salomon Rheinsberg en reisde via Parijs naar Londen.
Vanaf 1781 werkte Salomon als kamermusicus, concertmeester en -organisator te Londen. Hij speelde viool als solist en in een strijkkwartet en trad voor het eerst op in Covent Garden op 23 maart 1781.
Samen met George Smart en Ferdinand Ries promootte Salomon in England de muziek van Joseph Haydn en Ludwig van Beethoven.

Op zijn grafsteen staat dan ook: "He brought Haydn to England in 1791 and 1794".

Hij was een van de oprichters van de Philharmonic Society en leidde het orkest tijdens het eerste concert op 8 maart 1813.

Johann Peter Salomon componeerde

     6 opera’s

- Windsor Castle,  voor de bruiloft van de Prins van Wales  op 8 april 1795

     1 oratorium

     2 orkestwerken

     20 kamermuziekwerken

- Romance voor viool en strijkorkest, 1810

     18 liederen voor zangstem en piano

     24 arrangementen van symfonieën van Haydn voor strijkkwartet

 

João de Sousa Carvalho (Estremoz, Portugal 22 februari 1745 – Alentejo, 1799) was de zoon van Paulo de Carvalho en Ana Maria Angélica. Het muzikaal hoog begaafde jongetje ging op zijn achtste jaar naar het muziekconservatorium Colégio dos Santos Reis Magos in Vila Viçosa, de muziekhoofdstad van Portugal. In 1761 toen hij 15 jaar oud was, kreeg hij een beurs van het Portugese koningshuis van Joseph I waarmee hij kon gaan studeren aan het Conservatorio di Sant’Onofrio in Napels bij Carlo Cotumacci. In 1766 debuteerde hij in Rome met zijn opera La Nitteti op een libretto van Pietro Metastasio.

In 1767 kwam hij terug in Portugal. Hij werd lid van het muzikantengenootschap Irmandade de Santa Cecília, en werd docent contrapunt aan het Seminário da Patriarcal, een school die verbonden was aan de kathedraal van Lissabon. In 1773 werd hij mestre de capela aan de kathedraal. In 1778 volgde hij Davide Perez op als muziekleraar van de koninklijke familie. In 1783 trouwde hij met een rijke vrouw, zodat hij een goed leven kon leiden en een een buitenhuis in Alentejo in de Algarve kon aanschaffen. In de vastentijd van 1799 overleed hij daar door een onbekende oorzaak.

Zijn werken zijn voornamelijk als manuscript bewaard gebleven. De meeste liggen in de bibliotheek van het Palácio Nacional da Ajuda, het voormalig koninklijk paleis in Lissabon.

João de Sousa Carvalho componeerde

     16 opera’s, serenades en andere dramatische werken

- L'Angelica, serenata in 2 aktes, libretto Pietro Metastasio, gebaseerd op Orlando Furioso van Ludovico Ariosto, 15 juli 1778. Kleurrijke orkestpassages. Hoofdpersonen  Orlando (“Razende Roeland”, tenor) en prinses Angelica (sopraan).

     10 missen

     1 oratorium

     4 motetten

     Te Deum, 1769

     religieuze liederen

     wereldlijke aria’s en liederen

     3 klavecimbelwerken

 

Georg (Jiří) Druschetzky (Družecký,  Družec bij Kladno, Bohemen, 7 april 1745 – Boeda, Hongarije, 6 september 1819) was vanaf 1762 lid van een militaire kapel van het 50e Regiment Grenadiers. Bij het leger kreeg hij een muzikale opleiding. Hij bracht het tot militair kapelmeester. Hij studeerde ook nog hobo bij hoboïst en componist Carlo Besozzi in Dresden. Vanaf 1777 ging hij als laatste "Heerespauker (Paukenist van het leger)" in dienst in Opper-Oostenrijk en was ook bezig in het muziekleven in de stad Linz. In 1783 vertrok hij naar Wenen en werd lid van de "Tonkünstler-Sozietät". Vanaf 1787 was hij kapelmeester in dienst van de hertog Antal Grassalkowicz von Gyarak in Bratislava. Bij Graaf József Batthyány werkte hij vanaf 1790 als componist. In 1807 werd hij als componist en vanaf 1813 muziekdirecteur aan het hof van aartshertog Joseph Anton Johann, Palatin van het Koninkrijk Hongarije. Georg Druschetzky betrok ook instrumenten als draailier, doedelzak, hakkebord, citer, alpenhoorn en xylofoon in zijn composities.

Georg Druschetzky componeerde

     2 opera's

     11 missen,

     28 symfonieën,

     11 concerten

     150 partita’s en serenades voor harmonieorkest,

     47 strijkkwartetten

     50 andere kamermuziekwerken

     2 werken voor slagwerkers

     5 arrangementen   

 

(Johann) Joseph Bengraf (Neustadt an der Saale, bij Würzburg, Duitsland, 20 juni 1745 – Pest, 4 juni 1791) was de zoon van stadmuzikant Michael Bengraf in Neustadt. Omstreeks 1776 ging hij in Pest  in Hongarije wonen (de helft van het huidige Boedapest) en in 1784 werd hij koorleider aan de parochiekerk in Pest.

Joseph Bengraf componeerde

     30 missen, vrijwel allemaal verloren gegaan

     8 requiems, vrijwel allemaal verloren gegaan

     95 motetten, vrijwel allemaal verloren gegaan

     55 dansen en andere werken voor (groot) ensemble

     15 liederen

     48 pianowerken

- Ballet hongrois, 1784,  het eerste gedrukte voorbeeld van een in die tijd ontwikkelde nieuwe Hongaarse dans, de verbunkos.

- 12 magyar tántzok (12 hongaarse dansen), 1790, daar zijn wel suites uit samengesteld ook voor ander instrumentsamenstellingen.

 

Carl Philipp (Karel Filip) Stamitz (Stamic), (Mannheim, Baden-Württemberg, Duitsland, 7 mei 1745 – Jena, Thüringen, 9 november 1801) was de oudste zoon van Johann Wenzel Stamitz . Carl kreeg les op viool en cello van zijn vader, een virtuoos op viool, altviool en viola d'amore en na diens vroege overlijden in 1757 van Ignaz Holzbauer, Christian Cannabich en František Xaver Richter. Van 1762 tot 1770 was hij 2e violist in de Mannheimer Hofkapelle. In 1770 vertrok hij naar Parijs en werd hofcomponist van de hertog Louis Antoine de Noailles. Vanaf 1772 woonde hij in Versailles. Hij leidde in in afwisseling met zijn jongere broer Antonín de Concerts spirituels.

In 1779 vertrok hij naar Den Haag, waar hij van 1782 tot 1784 aan het hof van Willem V van Oranje-Nassau, Erfstadhouder van der Republiek der Verenigde Nederlanden 28 concerten gaf.  Op 23 november 1783 zat daarbij de twaalfjarige Ludwig van Beethoven aan de fortepiano.

In 1791 trouwde Carl Stamitz met Maria Josepha Pilz. Ze gingen in Greiz wonen.

In 1786 werd in de Berlijnse kathedraal onder zijn leiding de Messias van Georg Friedrich Händel uitgevoerd. Vanaf 1790 was Carl Stamitz kapelmeester en muziekpedagoog aan de Universiteit van Mannheim en vanaf 1794 aan de Universiteit Jena.

Carl Stamitz hoort bij de tweede generatie van de Mannheimer School.

Carl Stamitz componeerde

     2 opera’s

     130 orkestwerken

- Klarinetconcert nr. 7 in Es grote terts "Darmstädter concert Nr. 1"

     5 werken voor harmonieorkest

     44 (series) kamermuziekwerken

- 6 klarinetkwartetten opus 8, 1773

klarinetkwartet opus 8 nr. 4 in Es grote terts

- 6 klarinetkwartetten opus 14, 1776

- 3 klarinetkwartetten opus 19,    

klarinetkwartet opus 19 nr. 1 in Es grote terts

klarinetkwartet opus 19 nr. 2 in Bes grote terts

klarinetkwartet opus 19 nr. 3 in Es grote terts

 

Maksym (Maxim) Sozontovych Berezovsky (Hlukhiv??, Oekraïne, 27 oktober?? 1745 – Sint Petersburg, 24 maart 1777) zijn leven werd gereconstrueerd in een roman, geschreven door Nestor Kukolnik in 1840 en in een toneelstuk van Peter Smirnov. Veel bijzonderheden uit deze literaire werken zijn voor feiten aangezien, maar bleken bij nader onderzoek onwaar.

Aantoonbare feiten: 29 juni 1758 werd Maksym Berezovsky aangenomen als zanger in de kapel van Prins Peter Fedorovych in Oranienbaum (tegenwoordig Lomonosov), vlakbij Sint Petersburg.

In 1762 werd hij zanger in de Italiaanse kapel van het Keizerlijk Paleis in Sint Petersburg. Enkele jaren later werd hij daar hofmusicus en componist.

In 1763 trouwde Maksym Berezovsky met Franzina Uberscher, afgestudeerd aan de theaterschool in Oranienbaum. Maksym Berezovsky werd in het voorjaar van 1769 naar Italië gestuurd om compositie te studeren bij pater Giovanni Battista Martini aan de Accademia Filarmonica van Bologna. Hij slaagde daar met lof met een vierstemmig polyfoon werk over een gegeven thema. Op 15 mei 1771 werd Maksym Berezovsky lid van de  Accademia Filarmonica.

In oktober 1773 kwam Maksym Berezovsky in Sint Petersburg terug. Hij werd staflid van de keizerlijke theaters en kapelmeester van de Koninklijke hofkapel.

Omdat aangenomen werd, dat Maksym Berezovsky in Hlukiv geboren werd, is daar vandaag de dag nog een monument ter ere van hem te zien.

Andrei Tarkovsky’s maakte in 1983 de  film Nostalghia over Maksym Berezovsky.

Maksym Berezovsky was the eerste Oekraïense componist die enige bekendheid in Europa had, en de eerste die een opera, een symfonie en en vioolsonate componeerde.

Maksym Berezovsky componeerde

     1 opera

     orkestwerken

- Symfonie nr 11 (!!) in C grote terts, 1772, in 2002 door Steven Fox in de archieven van het Vaticaan ontdekt 

     kamermuziekwerken

     18 koorconcerten voor de Orthodoxe Kerk, waarvan maar 3 zijn teruggevonden.

     andere koorwerken

 

Joseph Bologne (Chevalier) de Saint-Georges ("De zwarte Mozart ", Guadeloupe, Frans overzees departement, 25 december 1745 – Parijs, 12 juni 1799), was de zoon van George Bologne de Saint-George, eigenaar van een plantage op Guadeloupe, en Anne (Nanon), een 17-jarige aantrekkelijke slavin van Afrikaanse afkomst.
17 december 1747 liep een dronkemansruzie van George Bologne uit op een fataal schermduel, waarbij hij zijn tegenstander levensgevaarlijk verwondde. Hij vluchtte daarop stiekem uit Guadeloupe. In weerwil van zijn afwezigheid werd hij doodverklaard, werden al zijn bezittingen geconfisceerd en kreeg zijn vrouw, Élisabeth Merican op 1 september 1748 toestemming om het eiland met Joseph en Nanon te verlaten. 4 januari 1749 kwamen ze in Frankrijk aan, Joseph was op zee 3 jaar geworden.

Vanwege de adellijke achtergrond van de familie wist George Bologne een koninklijk pardon voor zijn wandaden bij het hof af te dwingen. Hij kreeg zijn bezittingen in Guadeloupe terug en de familie vertrok weer naar Zuid-Amerika..

In 1753 zeilde Joseph Bologne de Saint-George weer naar Frankijk met Élisabeth  om een schoolopleiding te kunnen volgen. In 1755 kwamen Nanon en George naar Frankrijk, waar ze Joseph bij zich in  huis namen in het Saint-Germainkwartier van Parijs. George Bologne de Saint-George werd persoonlijk assistent van de koning Lodewijk XV.

In oktober 1756 werd Joseph Bologne de Saint-George opgenomen in de schermacademie van Nicolas Texier de La Böessière,  een eliteschool voor aristocratische jongens. Overdag studeerden ze alle relevante vakken en 's avonds hadden ze schermles.

In 1763, pas 17 jaar oud,  werd  Joseph de Bologne de Saint-George aangesteld als officier van de Koninklijke Garde, waarbij hij drie maanden per jaar dienst moest doen, de rest kon hij verder studeren. Toen hij op zijn 19de afscheid van de schermschool nam, noemde iedereen hem "Le Chevalier de Saint-Georges”, omdat niemand met atletiek, sport en schermen tegen hem opkon.

Ondertussen had hij ook stevig muziekles gehad van François-Joseph Gossec en speelde hij briljant klavecimbel en viool.

Nadat hij enkele jaren als eerste violist had gespeeld, werd Saint-Georges in 1773 benoemd tot dirigent van Le Concert des Amateurs, een orkest met 70 leden, bestaande uit beroeps- en amateurmusici.

Saint-Georges heeft wel romatische relaties gehad, maar is nooit getrouwd, omdat het trouwen met een zwarte man in de aristocratische kringen onmogelijk was.

Toen in 1789 de Franse Revolutie  uitbrak, koos Saint-Georges de zijde van de revolutionairen.

Hij vocht mee met de Nationale Garde in Lille en bracht het tot kapitein.

In 1791 werd een een speciaal legerkorps van gekleurde manschappen opgericht, dat bestond uit 800 infanteristen en 200 cavaleristen. Aanvoerder werd Saint-Georges, ondertussen gepromoveerd tot kolonel. De officiele naam was "légion franche de cavalerie des Américains", maar iedereen noemde het het "légion Saint-George". Saint-George koos als luitenantkolonel zijn vriend Alexandre Dumas, ook de zoon van een Franse aristocraat en een Afrikaanse slavin. Hij was de vader van Alexandre Dumas die later "De drie musketiers" zou schrijven. 

In 1793 werd Saint-Georges, verdacht vanwege zijn aristocratische afkomst en valse verdachtmakingen, door Robespierre zonder vorm van proces gevangengezet. Na Robespierres dood werd hij weer vrijgelaten, maar mocht hij geen dienst meer doen in het leger. Saint Georges ging naar Parijs, waar hij vanaf 1797 het orkest "Le Cercle de l'Harmonie" ging dirigeren. Hij woonde er in een klein appartement en overleed in 1799 aan een blaasontsteking.  

In 2001 is in Parijs de Rue du Chevalier de Saint-Georges naar hem vernoemd.

In Canada werd in 2003 een documentaire over hem gemaakt Le Mozart Noir: Reviving a Legend.

Saint-Georges componeerde

     5 opera's

- Guillaume-Tout-Cœur ou les Amis de village, 1790

     1 kindermusical

     1 ballet

     11 symfonieën

     25 vioolconcerten

- vioolconcert opus 2 nr 2 in D grote terts, G 26

     andere orkestwerken

     14 strijkkwartetten,

     10 andere kamermuziekwerken

     klavecimbelwerken

     liederen

 

Giuseppe Maria Gioacchino Cambini  (Livorno, Italië, 13 februari 1746 – Bicêtre bij Parijs, 29 december 1825??) studeerde viool bij Filippo Manfredi. Rond 1767 maakte hij een reis naar Napels om daar zijn debuut als violist te maken. Op de terugreis werd Cambini's schip door piraten gekaapt. Een rijke Venetiaanse koopman heeft hem in Spanje vrijgekocht. Hij was wel al zijn vermogen kwijt.

In 1773 ging hij naar Parijs waar hij in mei 1773 op het Concert Spirituel concerteerde.

Hij werd als snel componist voor het Koninklijk orkest, in 1788 werd hij muziekdirecteur van het Théâtre des Beaujolais en toen dit 1791 gesloten werd, ging hij tot 1794 naar het Théâtre des Louvois.

Tijdens en na de Franse Revolutie bleef hij in leven door vioolles, privé-lessen zang en compositie. Ondanks dat had hij voortdurende financiële problemen.

Na 1800 werkte Giuseppe Cambini  als muziekcriticus voor de Allgemeine Musikalische Zeitung van 1803 tot 1805 en voor het Parijse magazine Les tablettes de Polymnie van 1810 tot 1811.

Zijn laatste jaren zijn in nevelen gehuld. Er zijn berichten dat Giuseppe Cambini  dat hij op 29 december 1825 in een psychiatrische kliniek in Bicêtre bij Parijs overleed en daarnaast dat  dat hij naar Nederland vertrok en daar in 1818 overleed.

Giuseppe Cambini componeerde 600 werken, waaronder :

     14 opera's (waarvan maar 2 volledig bewaard gebleven)

     1 ballet

     9 symfonieën

     82 symfonia's concertante

     17 concerto's

     11 werken voor harmonieorkest

     5 missen

     4 oratoria

     motetten

     149 strijkkwartetten

     110 strijkkwintetten

- Quintetti per archi, opus 13

     104 trio's

     212 duo's

     25 andere kamermuziekwerken

- 3 Quintetti per fiati (blaaskwintetten) voor fluit, hobo, klarinet, fagot en hoorn, opus 4

     patriottische hymnen en liederen voor de Franse Revolutie

     1 serie werken voor orgel.

 

James Hook (Norwich, Engeland, 3 juni, 1746 –  Boulogne, 1827) was de zoon van James Hook, een scharenslijper en messenmaker. Op vierjarige leeftijd speelde hij al klavecimbel van vanaf zijn zesde jaar gaf hij concerten.

Eind 1763 verhuisde James Hook naar Londen en werd de organist van het White Conduit House, Pentonville, een van de theetuinen die in de 18de eeuw in Londen erg populair waren. Hij werkte als organist, orgel- klavecimbel- en pianodocent en componist. Op 29 mei 1766 trouwde James Hook in de St. Pancras Old Church. met kunstenares en schrijfster Elizabeth Jane Madden.

In 1768 werd James Hook benoemd tot organist en componist van Marylebone Gardens en in 1772 van St Johns Horselydown, Bermondsey. In 1774 werd hij organist en componist aan de Vauxhall Gardens, waar hij tot 1820 zou blijven werken..

Op 18 oktober 1805 stierf zijn vrouw, een jaar later, op 4 november 1806 hertrouwde hij met Harriet Horncastle James.

James Hook componeerde

     51 opera’s en andere theaterwerken

     5 orkestwerken

     15 concerten

     40 cantates, odes en oratoria

     10 series kamermuziekwerken

- Twaalf Duettinos, opus 42, voor 2 fluiten of violen, omstreeks 1785

- zes trio’s voor drie fluiten of 3 strijkers, opus 83, 1797

     25 werken of series werken voor  klavecimbel of piano met een ander instrument

     21 series werken voor piano

     2000 liederen

- The Lass of Richmond Hill, zijn bekendste lied

- Hark 'Tis the Lark, voor sopraan of tenor, flageolet en piano

 

Venanzio Rauzzini (Camerino, Italië, 19 december 1746 – Bath, Engeland, 8 april 1810) was koorknaap in het koor van de Sixtijnse kapel, waar hij les had van Domenico Corri en Muzio Clementi. Om zijn stemwisseling tegen te houden werd hij castraatzanger. Venanzio Rauzzini studeerde daarna bij Giuseppe Santarelli in Rome en Nicola Porpora in Napels. Hij bouwde een grote staat van dienst op als verdienstelijk castraatzanger en concerteerde in heel Europa, inclusief Engeland. Wolfgang Amadeus Mozart componeerde zij motet Exsultate Jubilate (KV 165, KV6 158a) in 1773 speciaal voor Venanzio Rauzzini.

In 1778 nam Venanzio Rauzzini afscheid van het optreden en ging hij aan het werk als pianoleraar en componist. Hij woonde een tijdje in Londen en verhuisde in 1780 naar Bath in Somerset. In 1794 logeerde Joseph Haydn daar bij hem. Joseph Haydn componeerde voor hem, ter nagedachtenis aan zijn overleden favoriet hond de canon '”Turk was a Faithful Dog”. Van omstreeks 1781 tot zijn dood in 1810 organiseerde, dirigeerde en financierde Venanzio Rauzzini het concertleven in Bath. Hij is begraven in de abdijkerk van Bath. Door zijn leerlingen Anna Selina Storace en John Braham is daar een gedenktsteen geplaatst. Zijn broer Matteo (1754-1791) was ook componist en zangleraar. ,

Venanzio Rauzzini componeerde

     14 opera’s

     4 muziektheaterwerken

     1 requiem, 1801

     4 cantaten,

     1 symfonie

     15 vioolsonaten

     12 strijkkwartetten

     6 kwartetten voor klavecimbel/piano, 2 violen en cello

     24 duetten voor twee zangers en basso continuo

     4 verzamelingen andere zangstukken

     4 piano/klavecimbelsonates voor vier handen

     andere pianowerken

 

Johann Abraham Peter Schulz (Lüneburg, Duitsland 31 maart 1747 – Schwedt, 10 juni 1800) was de zoon van een bakker, die zijn zoon graag carrière zag maken in de religieuze wereld. Johann Abraham dus ging na het afronden van de Michaelisschule in 1759 naar het Johanneum in Lüneburg, maar besloot toen liever muzikant te willen worden. Hij studeerde viool, fluit, orgel en muziektheorie bij de plaatselijke organist J.C. Schmügel. In 1765 werd hij leerling van de Berlijnse componist Johann Philipp Kirnberger.

In 1768 kreeg Johann Abraham Schulz op voorspraak van Johann Philipp Kirnberger een betrekking als begeleider en muziekleraar van prinses Sapieha Woiwodin van Smolensk in Polen. Johann Abraham Schulz reisde met de prinses door heel Europa en deed onderweg allerlei interessante contacten op, bijvoorbeeld met Gluck, Grétry, Haydn en Johann Reichardt, waar hij levenslang meer bevriend bleef. Van 1776 tot 1780 was Johann Abraham Schulz dirigent van het Franse theater in Berlijn. In 1780 werd hij Kapellmeister van Heinrich, de jongere broer van koning Frederik van Pruisen, in Rheinsberg.

In 1781 trouwde Johann Abraham Schulz met Wilhelmine Friederike Caroline Flügel uit Berlijn. Ze kregen een dochter en een zoon, die beiden in hun eerste levensjaar stierven. Wilhelmine overleed in 1784. In 1786 hertrouwde Johann Abraham Schulz met haar zus Charlotte Flügel († 1797). Zij kregen een zoon , die stierf toen hij drie jaar was en in 1794 een dochter Wilhelmine Charlotte (“Minchen”), die bij haar vader woonde tot hij overleed. Van 1787 tot 1795 was Johann Abraham Schulz Kapellmeister van de Koninklijke Deense Hofkapel in Kopenhagen. Daarnaast was hij ook muziekleraar in Kopenhagen, onder andere van Christoph Ernst Friedrich Weyse, Friedrich Ludwig en Emilius Kunzen. Hij leed aan toenemend ernstige tuberculose. In de hoop op verbetering ondernam hij een zeereis naar naar Portugal, die na een schipbreuk in het Noorse Arendal eindigde. Terug in Duitsland woonde hij in Lüneburg (1796), Berlin, Rheinsberg (1797), Stettin (1798/1799) en Schwedt (1799/1800).

In Schwedt is hij op het Grote Kerkhof, tegenwoordig het Schwedter stadspark, begraven.

Zijn dochter Minchen trouwde later met de glasfabrikant Ludwig Heinrich Betzien en overleed in 1861 in Berlijn.

Johann Abraham Schulz componeerde

     10 opera’s

Höst-gildet (het oogstfeest), 1790.

Peters Bryllup (Peters bruiloft), libretto Thomas Thaaru, drie jonge koppels staan centraal in het volkse drama over het leven in een boerendorp; plezierige muziek;

     3 theatermuziekwerk

     5 oratoria’s

     4 hymnen

     6 cantates

     2 (series) kamermuziekwerken

     3 pianowerken

     een largo voor glasharmonica

     100 liederen

- „Abendlied“ („Der Mond ist aufgegangen“) tekst  Matthias Claudius

- „Ihr Kinderlein, kommet“, kerstlied

- „Wir pflügen und wir streuen“, kerklied.

 

Leopold Antonín Koželuh (Ko(t)zeluch) (Velvary bij Praag, Bohemen, 26 juni 1747 – Wenen, 7 mei 1818) werd geboren als Jan Antonin Koželuh  en was de zoon van schoenmaker Antonín Bartholomäus Koželuh. Zijn eerste muzieklessen kreeg hij in Velvary van Antonín Kubík, van zijn neef Jan Evangelista Antonín Koželuh en van František Xaver Dušek. Hij ging naar het gymnasium te Praag en begon daarna met een studie rechten. Binnen een jaar brak hij zijn studie af en concentreerde hij zich uitsluitend op de muziek. Om verwisselingen met zijn neef Jan te voorkomen noemde hij zich vanaf 1774 Leopold (Antonín) Koželuh.

In 1778 vertrok Leopold Koželuh uit Praag als gevierd pianist. Hij werd pianoleraar van aartshertogin Maria Elisabeth, de dochter van keizerin Maria Theresia van Oostenrijk,  aan het keizerlijke hof in Wenen.

Na het overlijden van Wolfgang Amadeus Mozart werd hij in 1792 bij Frans I van Oostenrijk  kamer-kapelmeester en hof-componist, tegen het dubbele salaris dat Wolfgang Amadeus Mozart had gehad, want in die tijd werd Leopold Koželuh een stuk hoger aangeslagen. Niet door zijn collega's. Beethoven noemde hem een "miserabilis", een minkukel, zogezegd. En toen hij bij het doorbladeren van een Haydnpartituur opmerkte: "Dat zou ik zo nooit geschreven hebben", zei Mozart: Geen zorg, dergelijke ideeën zult u ook nooit krijgen". Maar goed, werkgevers en leerlingen waren zeer tevreden. Bijzondere leerlingen, zoals de blinde pianiste Maria Theresia Paradis, gaf hij thuis privélessen.

Leopold Koželuh werd hij in Wenen  ook lid van de vrijmertselaarsloges Zum Palmbaum en Zu den drei Adlern.

Leopold Koželuh was de neef van de componist Jan Evangelista Antonín Koželuh en de vader van pianiste Katharina Koželuh (1785–1858)

Zijn werken zijn gecatalogiseerd met een P(ostolka) nummer, door de musicoloog Milan Poštolka.

Leopold Koželuh componeerde 400 werken:

     6 opera's

     6 balletten

     2 oratoria,

     9 cantates

     5 missen

     27 andere kerkmuziekwerken

     30 symfonieën

     22 pianoconcerten

- pianoconcerto nr. 1 in F grote terts, 1784, fraai tweede deel: Adagio.

- pianoconcerto nr. 5 in E flat grote terts, 1785 fantasierijk tweede deel: Andante Con Variazioni

- pianoconcerto nr. 6 in C grote terts, 1786, kordaat openingsdeel: Allegro

     2 klarinetconcerten

     16 andere (series) orkestwerken

- concerto voor hobo en orkest in F grote terts

     24 vioolsonates

     63 pianotrio's

     6 strijkkwartetten

     12 andere kamermuziekwerken

     56 pianosonates. Fraaie melodieën, gekoppeld aan snelle passages, sequensen, trillers, versieringen en grote contrasten.

     7 sonates voor piano vierhandig

     38  andere (series) pianowerken

     20 (series) liederen

 

Hendrik Focking (Fokking) (Danzig, nu Polen, toen Duitsland, 1747? - Amsterdam, maart? 1796) was de zoon van een Doopsgezind Mennonietenechtpaar, dat in Danzig woonde van 1739 tot 1752. In 1752 verhuisden ze naar Amsterdam. Hendrik Focking was blind. Hij werd op 15 juni 1769 benoemd tot beiaardier van de Oudekerkstoren in Amsterdam. Van daarvoor is verder niets over hem bekend en van daarna weinig. Rond 1780 was Hendrik Focking organist van de Doopsgezinde kerk in Amsterdam. Hij was ook muziekdocent in Amsterdam, in 1781 had de 12-jarige blinde Daniël Brachthuizer les bij hem. In 1791 werd hij benoemd tot beiaardier van de Regulierstoren. Hij woonde toen achter het Kartuizerklooster in Amsterdam. In 1796 kreeg de Doopsgezinde kerk Bij het Lam in  Amsterdam een verzoek van zijn zoon Cornelis Focking om zijn overleden vader te mogen opvolgen als organist.

Hendrik Focking componeerde

     1 oratorium (gedeeltelijk)

     6 sonates opus 1 voor fluit en basso continuo

- Sonate in A grote terts, elegant

 

Josef (Joseph) Fiala (Lochovice, West-Bohemen, nu Tsjechië, 3 februari 1748 – Donaueschingen, 31 juli 1816) werd in Praag  opgeleid als hoboïst bij Jan Št'astný en cellist bij Franz Joseph Werner. Josef Fiala was hoboïst in dienst van Gravin Netolická. Vanaf  1774 was Josef Fiala hoboist in de Kapel van Prins Kraft Ernst von Oettingen-Wallerstein in Zwaben. Op 26 oktober 1776 werd daar een onwettige zoon ‘Franciscus Xav. Josephus’ van hem gedoopt. In 1777 verhuisde hij naar München waar hij werkte in het hoforkest van prins Maximiliaan III Jozef van Beieren. In die tijd ontmoette hij Wolfgang Amadeus Mozart die onder de indruk was van zijn spel en zijn composities. In 1778 trouwde Josef Fiala met Josepha Prohaska, dochter van een hoornist in de hofkapel van München. Van hun kinderen werden de zonen Franz en Maximilian muzikanten in de Badische Hofkapelle in Karlsruhe. Na de dood van Maximilian Jozef in 1778 kreeg Fiala met hulp van Wolfgang Amadeus Mozart een aanstelling als 1ste hoboïst bij het orkest van de aartsbisschop van Salzburg. De familie Fiala woonde daar in Wolfgang Amadeus Mozarts geboortehuis aan de Getreidegasse. Josef Fiala speelde langzamerhand wel liever cello en viool en werd door de aartsbisschop ontslagen omdat hij zijn hoboverplichtingen niet nakwam. In 1785 verhuisde hij naar Wenen, waar Wolfgang Amadeus Mozart hem weer hielp bij het vinden van werk. Vanaf 1786 werkte Josef Fiala vier jaar in Sint-Petersburg voor Catharina de Grote en later prins Orlov. In 1790 verhuisde hij naar Pruisen en werkte daar als cellist aan het hof van Frederik Willem II van Pruisen. Uiteindelijk kwam hij terecht in Donaueschingen, waar hij vanaf 1792 tot zijn dood woonde, werkte als cellist en kapelmeester, en componeerde.

In een buitenwijk van Praag is een Fialova (Fialastraat), als herinnering vernoemd.

Josef Fiala compopneerde

     17 concerten

- Concert voor Engelse Hoorn (althobo) en orkest in C grote terts

     10 symfonieën

     1 mis

     1 Ave Maria

     30 partitas voor 5 tot 10 blazers

     24 kwartetten

- 4 kwartetten voor hobo, viool, altviool en cello

     30 andere kamermuziekwerken

     werken voor klavecimbel

 

Christian Gottlob Neefe (Chemnitz, Saksen, Duitsland, 5 februari 1748 – Dessau, 28 januari 1798) was de zoon van kleermaker Johann Gottlieb Neefe en Rosina Weyrauch. Op 12-jarige leeftijd werd Christian Gottlob koorknaap in de stadskerk en daar kreeg hij les van de organist  Johann Friedrich Wilhelmi. Christian Gottlob Neefe studeerde rechten aan de Universiteit van Leipzig, en daarna compositie bij Johann Adam Hiller, die in 1771 een privé zangschool in Leipzig begon.

In 1776 werd Christian Gottlob Neefe muzikaal directeur van het theatergezelschap van Abel Seyler in Dresden. Hij trouwde met toneelspeelster Susanna Zinck en kreeg drie dochters en drie zonen, waaronder kunstschilder  Hermann Josef Neefe.

In 1781 werd Christian Gottlob Neefe hoforganist in Bonn. Als leraar gaf hij Ludwig van Beethoven les in piano, orgel en compositie.

Toen de Franse troepen na de Franse Revolutie in 1794 het Rijnland bezetten, was het afgelopen met zijn werkzaamheden in Bonn. Zijn dochter haalde hem naar Dessau, waar hij directeur van het Bosannschen Theatergesellschaft werd, en dat tot zijn dood bleef. 

 

Christian Gottlob Neefe componeerde

     10 opera’s

     7 series liederen

     2 koorwerken

     1 concerto

     16 kamermuziekwerken

     46 piano- en/of klavecimbelwerken

- fantasia in f kleine terts, 1797

 

William Shield (Swalwell bij Gateshead, Engeland, 5 maart 1748 – Londen, 25 januari 1829) was de zoon van William Shield en Mary Cash. William Shield kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn vader. Hij werd als als kind wees en opgevangen door een scheepsbouwer in South Shields; daar werd hij eerst getraind als botenbouwer, maar later mocht hij muziek studeren bij Charles Avison. In 1772 werd William Shield benoemd tot violist in de opera op Covent Garden (nu het Royal Opera House), vanaf 1773 was hij daar eerste violist.

William Shield was lid van verschillende vrijmetselaarsloges. In 1817 werd hij benoemd tot Master of the King's Musick. William Shield werd begraven in de Westminster Abbey. Zijn favoriete viool werd gegeven aan Koning George IV, die de volledige waarde ervan liet geven aan William Shields vrouw Ann.

William Shield componeerde

     56 operas en theatermuziekwerken

- Rosina, 1781, libretto Francis Moore Brooke naar het toneelstuk “Les moissonneurs” van Charles-Simon Favart; zijn bekendste werk; in het Engels, met gesproken dialogen, licht van karakter en met gebruik van volks- en populaire melodieën; 'Light as Thistledown' is een aantrekkelijk sopraanaria uit het tweede bedrijf van de opera; vederlichte lieflijke chansonette

     liederen en glee’s

     6 strijkkwintetten

     6 strijkktrio’s

     12 duetten voor violen

     3 (series) klavecimbelwerken

 

Ferdinand Staes (Brussel, Zuidelijke Nederlanden, gedoopt 16 december 1748 – 23 maart 1806) was de zoon van Guillaume Staes, organist aan de Brusselse koninklijke kapel. Vanaf 1758 had Ferdinand Staes les van zijn vader en later van Ignaz Vitzthumb. Hij werkte als klavecinist aan het Théâtre de la Monnaie in Brussel. In 1767 werd hij benoemd tot assistent van zijn vader (tweede organist bij de koninklijke kapel)

In 1772 werd Ferdinand Staes organist aan de Madeleine kerk in Brussel.

 

Ferdinand Staes componeerde

     15 klavecimbelsonates

     andere klavecimbelwerken

     1 klavecimbelconcert

     1 mars voor harmonieorkest.

 

Theodor Freiherr von Schacht (Straatsburg, Duitsland, 1748 – Regensburg, 20 juni 1823) studeerde van 1756 tot 1766 piano en theorie bij de hofmuzikanten Joseph Küffner en Joseph Riepel aan het hof van Thurm en Taxis in Regensburg. Van 1766 tot 1771 had hij les van Niccolò Jommelli (1714–1774) in Stuttgart. Na zijn studie in Stuttgart kwam hij als Hofcavalier van Prins Carl Anselm van Thurm en Taxis naar Regensburg terug. Daar werd hij in 1773 opzichter van de hofmuziek.Hij organiseerde er de Regensburger Italiaanse Opera. In 1790 werd hij benoemd in de Geheime Raad. In 1796 kreeg hij voor zijn muzikale verdiensten aan het hof een levenslange eretoelage toegekend. In 1805 maakte Theodor von Schacht een reis naar Rome, waar hij onder meer keizer Napoleon ontmoette. Hij componeerde 6 missen ter ere van hem.

In 1812 kwam Theodor von Schacht naar Regensburg terug.

Zijn werken bevinden zich als manuscript in de muziekverzameling van de vorsten van Thurn und Taxis in Regensburg.

Theodor von Schacht componeerde 200 werken:

     8 opera’s

     5 balletten

     12 missen

     1 oratorium

     17 andere religieuze werken

     30 wereldlijke cantates

     14 andere vocale werken

     33 symfonieën

- Sinfonia in C
- Sinfonia in Es

- Sinfonia 'con eco' in Es 

     30 concerten

     27 serenades, partita’s en divertimento’s

     25 kamermuziekwerken

 

Louis-Auguste-Joseph Janson (Jannson, le jeune) (Valenciennes, 8 juli 1749 ̶ Parijs, circa 1815) was tussen 1773 en 1780 een bekende speler bij het Concert Spirituel, waar hij gewoonlijk zijn eigen sonates of zijn broers concerten speelde.

Van 1789 tot 1815 speelde hij in het Opéra orkest.

Louis-Auguste-Joseph Janson componeerde

     3 trios concertans voor  twee violen en cello,

     6 sonatas voor cello en contrabas

     5 sonatas voor cello of viool

     6 trios voor viool, altviool en cello.

 

Jean-Louis Duport (Parijs, Frankrijk, 4 oktober 1749 - 7 september 1819) studeerde eerst dans en viool voor hij het voorbeeld van zijn oudere broer Jean-Pierre volgde en met violoncello begon. Hij kreeg les van zijn broer en samen met zijn broer van Martin Berteau. Hij maakte zijn concert debuut in de Concert Spirituel in Parijs in 1768 trouwde met de dochter van beeldhouwer Jean-Pierre-Antoine Tassaert. Hij was lid van verschillende vrijmetselaarsloges in Parijs. In de jaren 1770 reisde Jean-Louis Duport naar Spanje om aan het Spaanse hof op te treden en de beroemde cellist Luigi Boccherini te ontmoeten. De zes cellosonates opus 3 zijn opgedragen aan de hertog van Alva, dus wellicht in Madrid geschreven. In 1789, vlak voor de Franse Revolutie, vluchtte Jean-Louis Duport naar het Pruisische hof, waar zijn broer Jean-Pierre vanaf 1773 cellist was in de Koninklijke Kapel van Frederik de Grote. In 1806 kwam Jean-Louis Duport terug in Frankrijk, eerst in Marseille en vanaf 1813 in Parijs. Jean-Louis Duport werd daar docent aan het conservatorium en eerste cellist in de Keizerlijke Kapel. Zo ontmoette hij Napoleon, die persé zijn Stradivarius-cello wilde uitproberen: "comment diable tennez cette chose, Monsieur Duport?" (hoe voor de duivel hou je zo’n ding vast, meneer Duport?) Napoleon maakte een kleine beschadiging in de zijkant van de klankkast, nog steeds te zien. Het instrument werd vanaf 1974 eigendom van Mstislav Rostropovich.

Jean-Louis Duport schreef

     6 celloconcerten

     34 cellosonates voor cello en basso of piano

6 Cellosonates opus 3, voor cello en “basse”, onbecijferd continuo, opgedragen aan de hertog van Alva, 1773

+ Cellosonata nr. 1 in D grote terts,

     16 duo’s voor 2 celli of voor cello en een ander instrument

     6 andere kamermuziekwerken met cello

     Essay over vingerzetting en bogen, 1806, met daarin

21 etudes voor solo cello  

 

Domenico Cimarosa (Aversa bij Napels, 17 december 1749 – Venetië, 11 januari 1801) kreeg zijn eerste muziekonderwijs op de kloosterschool van Napels, van de organist van het klooster, Padre Polcano, die hem de beginselen van de muziek bijbracht. Toen vader Cimarosa, metselaar van beroep, van de bouwstelling viel, zorgde Padre Polcano er voor dat Domenico in 1761 met een studiebeurs naar het Conservatorio Santa Maria di Loreto kon, waar hij onderricht kreeg van een aantal meesters van de oude Italiaanse school, zoals Antonio Sacchini en Niccolò Piccinni.

Afgestudeerd in 1772, debuteerde hij als operacomponist met zijn eerste werk, de komische opera Le stravaganze del conte (Napels, Teatro dei Fiorentini). Zijn werk werd goed ontvangen, waarmee zijn naam als operacomponist gevestigd was. Tot 1784 leefde hij afwisselend in Napels en Rome en componeerde een groot aantal opera's voor de Italiaanse operatheaters. Van 1784-1787 verbleef hij in Florence, waar hij een groot aantal werken schreef, waaronder drie bijbelse opera's: Assalone, La Giuditta en Il Sacrificio d'Abramo.

Rond 1788 ging hij op uitnodiging van Catharina de Grote naar Sint-Petersburg, waar hij Giovanni Paisiello opvolgde als kapelmeester en componist voor het Theater van de Hermitage. Eén van de werken die hij hier voor componeerde was de opera Cleopatra (1889).

In 1791 verliet hij Sint-Petersburg, en ging naar Wenen op uitnodiging van keizer Leopold II om Antonio Salieri als hofdirigent op te volgen. Hier in Wenen componeerde hij naast vele andere werken, zijn meesterwerk, de opera Il matrimonio segreto. (Burgtheater Wenen, 7 februari 1792). Na de dood van keizer Leopold II (1798) kwam Cimarosa zonder werk te zitten, waarop hij besloot naar Napels terug te gaan.

Hij betuigde zijn steun aan het Franse leger en de Franse Republiek, toen zij in 1799 Napels binnenvielen. Maar de Fransen waren weer snel vertrokken en de Bourbons  hadden de touwtjes weer in handen. Domenico Cimarosa schreef een hymne tegen het koningshuis: Wider die Tyrannie, werd al snel opgepakt en wegens hoogverraad ter dood veroordeeld. Hij kreeg gratie, waarop hij besloot weer naar Rusland te gaan. Zijn gezondheid was door de vier maanden gevangenschap zwaar aangetast, zodat hij, amper onderweg, in 1801 stierf in Venetië.

Domenico Cimarosa componeerde

     99 opera’s

- Le stravaganze del conte (de eigenaardigheden van de graaf), zijn eerste opera, 1772

- l'Italiana in Londra (het Italiaanse meisje in Londen) komische opera, libretto  Giuseppe Petrosellini, 1778.

- Il matrimonio secreto, opera in twee bedrijven, libretto Giovanni Bertati, gebaseerd op het toneelstuk The Clandestine Marriage van George Colmande Oudere en David Garrick, 1792, dat weer gebaseerd was op een  serie schilderijen en gravures van William Hogarth.  Het enige werk van Cimarosa dat nog regelmatig wordt uitgevoerd, een van de belangrijkste opera buffa’s uit de 18de eeuw, afgezien van die van Mozart. Het verhaal speelt zich af in het gezin van Geronimo (bas), een gegoede inwoner van Bologna. Hij heeft twee dochters: Elisetta (mezzosopraan) en Carolina (sopraan). Zijn zuster Fidalma (mezzosopraan) runt de huishouding. Zijn jonge secretaris Paolino (tenor) is in het geheim getrouwd met zijn jongste dochter Carolina.

     20 missen

     1 requiemmis

     27 motetten

     dramatische cantates

     andere zangstukken

     7 oratoria

     3 concerten

- Concerto voor 2 fluiten en orkest in G grote terts, 1793

     2 sinfonia's

     6 kwartetten voor traverso, viool, altviool en cello

     2 sextetten voor diverse instrumenten

     88 sonates voor klavecimbel of pianoforte

- 32 sonate, 1791, eendelige, Scarlatti-achtige sonates