Componisten

vanaf 1750

 

Daniel Gottlob Türk (Claußnitz, Saksen, Duitsland, 10 augustus 1750 – Halle, 26 augustus 1813) was de zoon van kousenhandelaar Daniel Türk. Die was ook muzikant aan het hof van graaf Schönberg en secretaris van het bestuur van de mijnbouw. Hij gaf de kleine Gottlob vioolles en stuurde hem de muziekrichting op. Van zijn vaders collega’s leerde Gottlob Türk diverse blaasinstrumenten bespelen. Op de Kreuzschule in Dresden kreeg hij les van kantor Gottfried August Homilius in Dresden. Vanaf 1772 studeerde hij twee jaar aan de Universiteit van Leipzig viool, muziektheorie en muziekpedagogiek bij Thomaskantor Johann Adam Hiller en piano bij Johann Wilhelm Häßler. Op aanbeveling van Hiller werd Gottlob Türk op 18 april 1779 benoemd als muziekdocent aan de Universiteit van Halle en kantor aan de Ulrichskerk. Vanuit de studentengemeenschap bouwde Gottlob Türk een Collegium musicum op. In 1783 trouwde Gottlob Türk met Johanna Dorothea Raisin Schimmelpfennig, ze kregen twee kinderen. Zijn dochter werd al snel een veelgevraagde concertpianiste. In 1787 werd Gottlob Türk organist aan de Frauenkirche in Halle. In 1808 kreeg hij een eredoctoraat aan de Universiteit. Hij was lid van de vrijmetselaarsloge „Zu den drei Degen“ in Halle. In 1813 werd Gottlob Türk ziek en overleed aan een leveraandoening.

Gottlob Türk componeerde

     een kerstoratorium

     20 cantates

     18 liederen

     48 pianosonates

     andere pianowerken

- 120 Handstücke für angehende Klavierspieler,  deel 1, 1792, deel 2, 1795, elk 60 werken

     pianomethode

     vioolmethode 

 

Antonio Salieri (Legnago, 18 augustus 1750 – Wenen, 7 mei 1825) was de vijfde zoon van een koopman. Van zijn oudere broer Francesco, een leerling van Giuseppe Tartini, kreeg hij viool- en klavecimbellessen. Later kreeg Salieri vioollessen van Giuseppe Simoni, organist van Legnago. 1765 kwam hij naar Venetië, waar hij bij Giovanni Pescetti, maestro di cappella in de San Marco, muziektheorie studeerde. Bij de tenor Ferdinando Pacini studeerde hij zang.

De Boheemse componist Florian Leopold Gassmann (1729-1774) nam hem mee naar Wenen en introduceerde hem in het Weense muziekleven. In 1769 ontmoette hij Christoph Willibald von Gluck, die voor hem tot zijn overlijden een mentor en vaderlijke vriend was.

Salieri bleef voor de rest van zijn leven in Wenen. In 1770 werd in Wenen voor het eerst een opera van Salieri uitgevoerd, Le donne letterate. Na het overlijden van Florian Leopold Gassmann werd Salieri zijn opvolger als keizerlijke kamercomponist en dirigent aan de Italiaanse opera. Zo nam hij op 24-jarige leeftijd een van de belangrijkste functies in het Europese muziekleven in. In oktober 1774 trouwde hij met Theresia Helferstorfer, een nicht van de pianiste Josepha Barbara Auernhammer. Zij kregen samen acht kinderen.

 In 1778 werd hij tot hofkapelmeester benoemd. Het grootste succes kende Salieri als opvolger van Christoph Willibald von Gluck in Parijs met de opera Tarare op 8 juni 1787. In 1790 overleed zijn beschermheer Keizer Jozef II van het Heilige Roomse RijK In de herfst van 1790 trad Salieri terug als keizerlijke kamer- en hofcomponist. De keizer gaf zijn goedkeuring onder de verplichting dat Salieri, ieder jaar tenminste één opera voor het hoftheater (Burgtheater) zou componeren.

Tussen 1788 en 1804 schreef de componist  16 andere toneelwerken. In 1804 werd met Der Neger in het Theater an der Wien zijn laatste opera opgevoerd. Hij trok zich uit het toneel terug. Hij had, schreef hij later, een duidelijke verandering in de smaak van het publiek waargenomen: Extravagantie en stilistische verwarring vervangen rationaliteit en majesteitelijke eenvoud. Niettemin bevorderde hij als hofkapelmeester ook nieuwe stromingen.

Hij stierf in Wenen op 74-jarige leeftijd.

Peter Shaffer schreef in 1980 een toneelstuk over Wolfgang Amadeus Mozart en Salieri, getiteld Amadeus. Een bioscoopfilm met dezelfde titel werd geregisseerd door Milos Forman en verscheen in 1984. Deze film is grotendeels fictie. De film won 8 oscars, waaronder 'de beste film' oscar.

Antonio Salieri componeerde 

     43 opera’s

- Prima la musica e poi le parole, opera in één acte, 1786, libretto Giovanni Battista Casti werd in opdracht van Keizer Joseph II in de Orangerie van Paleis Schönbrunn in Wenen tegelijk opgevoerd met Mozart's Der Schauspieldirektor.

- Armida, 'dramma per musica' in drie bedrijven, libretto Marco Coltellini, gebaseerd op het epische gedicht van Torquato Tasso, 1771,

- La scuola de' gelosidramma giocoso in twee actes, 1778 libretto Caterino Mazzolà,  een groot succes in die tijd.

- Les Danaïdes,  tragédie lyrique in 5 bedrijven, 26 april 1784, libretto François-Louis Gand Le Bland Du Roullet en  Louis-Théodore de Tschudi, aangepast van het libretto dat Ranieri de' Calzabigi voor Christoph Willibald Gluck, maar de bejaarde componist, die ook nog net een beroerte had gehad, kon de opera niet meer voor elkaar krijgen en vroeg Salieri het van hem over te nemen. Het verhaal van de opera is gebaseerd op de Griekse tragédie: de vijftig Danaïden, dochters van Danaüs, staan klaar om hun kersverse echtgenoten om het leven te brengen, behalve de verliefe Hypermnestra, die zo de woede van haar vader op de hals haalt. Hypermnestra (sopraan) overleeft het en weet ook nog haar man te redden. Ze moet zich daarbij wel door extreme muziek heen worstelen. Bas-bariton Danaüs heeft ook een indrukwekkende rol. Opera van formaat.   

- La grotta di Trofonio (Trofonio's grot) opera comica, in twee bedrijven (vijf scenes), libretto Giovanni Battista Casti, 12 oktober 1785. Het libretto lijkt nogal op dat van Lorenzo da Ponte, dat hij schreef voor Mozart's Così fan tutte. Hier is wel een rol weggelegd voor de boze tovenaar Trofonio (bas)  

- Il mondo alla rovescia, opera in 2 aktes; libretto Caterino Mazzolà, naar "L'isola capricciosa", 1795; een opmerkelijke intrigerende opera van het tweede plan, een wanhopige bijna geslaagde poging om Mozart te evenaren.

     5 missen

     2 requiems

     4 oratoria

     11 cantates

     1 Te Deum 

     6 concerten

     3 sinfonia’s

     26 variaties over “La Follia di Spagna” voor groot orkest

 

Pedro José (Josef) Blanco (Spanje, omstreeks 1750 – Cuenca, 23 december 1811) werkte als organist en harpist aan de Domkapel van Cuenca. Waarschijnlijk heeft hij ook eenzelfde positie aan de de Kathedraal van Ciudad Rodrigo gehad.

Pedro José Blanco componeerde

     1 concert voor twee orgels

 

František (Franz) Antonín (Anton) Rössler (Rösler, Rößler), vanaf 1773 Francesco Antonio Rosetti (Litoměřice, Bohemen, 1750 – Ludwigslust, 30 juni 1792), een vondeling , die door vorst Lodewijk Kraft Ernst van Oettingen-Wallerstein uitgeput aan de kant van de weg gevonden zou zijn. Antonio Rosetti kreeg een opleiding aan een Jezuïeten-college in Praag, waar hij ook muzieklessen kreeg. In de jaren 1770 was hij in dienst bij de Russische graaf Alexej Fjodorovitsj Orlov.

Vanaf de herfst van 1773 was hij lakei en muzikant (contrabas) in de hofkapel van Lodewijk Kraft Ernst, vorst van Oettingen-Wallerstein (1791-1870).

Op 28 januari 1777 trouwde hij met Rosina Neher. In het kerkboek van Wallerstein staat hij daarbij vermeld als Antonio Rosetti. Ze kregen drie dochters.

Aan het einde van het jaar 1781 verhuisde Antonín Rössler naar Parijs.

In mei 1782 kwam hij naar Wallerstein terug, waar hij in 1785 Joseph Reicha opvolgde als kapelmeester van de hofkapel. Onder zijn leiding groeide de hofkapel uit tot één van de beste in Zuidduitsland. 1789 werd Antonín Rössler kapelmeester aan het hof van de (Groot)hertog Frederik Frans I van Mecklenburg-Schwerin in Ludwigslust, waar hij meer kon verdienen.

Op 14 december 1791 werd in Praag tijdens de rouwplechtigheid voor Wolfgang Amadeus Mozart een Requiem van Rössler uitgevoerd, dat hij al in 1776 voor de vorstin Maria Theresia, de echtgenote van Lodewijk Kraft Ernst vorst van Oettingen-Wallerstein, gecomponeerd had.

Sterling E. Murray promoveerde in 1973 op een dissertatie over Rosetti’s symfonieën en stelde in 1996 een thematische catalogus samen.

Antonio Rosetti componeerde

     1 vaudeville

     1 theatermuziekwerk

     1 ode

     51 symfonieën

- Sinfonie C grote terts A 3, omstreeks 1775

- Sinfonie D grote terts A 22, 1796

- Sinfonie F grote terts A 35

     29 (series) werken voor blaasensembles

- Partita D grote terts B2 voor 2 hobo’s, 2 klarinetten, 2 hoorn en fagot

- Quintet in Es grote terts, B 6, voor fluit, hobo, klarinet, Engelse hoorn en fagot, het eerste houtblazerskwintet in de geschiedenis

- Partita Es grote terts B13 voor 2 hobo’s, 2 klarinetten, 2 hoorn en 2 fagotten, 1786

     77 concerten

- altvioolconcerto in G grote terts, C 15

- 7 hoboconcerten (C 29 t/m C 37)

+ hoboconcert in C grote terts, C 29, heel virtuoos

- hoornconcert in d kleine terts, C 39 voor solo-hoorn en orkest

- 9 fagotconcerten (C 67 t/m C 75)

+ fagotconcert in Bes grote terts, C 72 voor solo-fagot en orkest; indrukwekkend

     13 missen

     7 requiems

- Requiem, 1776, H 16, voor solisten, koor en orkest voor de op 19-jarige leeftijd overleden vorstin Maria Teresia van Oettingen-Wallerstein. Werd in die tijd een veel uitgevoerd requiem.

     2 oratoria

     6 cantates

- Das Winterfest der Hirten,  G8, cantate voor solisten en orkest, ter gelegenheid van de 33 verjaardag van Hertog Friedrich Frans van Mecklenburg–Schwerin, 10 december 1789.

     42 andere religieuze werken

     7 concertaria’s

     82 liederen

     52 kamermuziekwerken

- kwintet voor blazers in Es grote terts, B 6, 1779,  voor fluit, hobo, klarinet, Engelse hoorn en fagot, het eerste houtblazerskwintet in de geschiedenis

- sextet in D grote terts, voor viool, altviool, cello, dwarsfluit en twee hoorns, B 24
- sextet in Es grote terts, voor viool, 2 altviolen, cello, dwarsfluit en hoorn, B 26
- notturno voor 2 fluiten, 2 hoorns en strijkers iin  Es grote terts, B27, 1778

- kwartet in G grote terts, voor fluit, viool, altviool en cello, D16.

     68 (series) pianowerken

www.rosetti.de

 

Jean-Balthasar Tricklir (Trickler) (Dijon, Frankrijk 1750 – Dresden, 29 november 1813), had viool- en celloles aan het priesterseminarie in Dijon. Tussen 1765 en 1768 was hij in de buurt van de Hofkapel van Mannheim bezig. Daarna hield hij zich veel in Italië op In 1776 voerde hij een van zijn composities bij het Concert spirituel in Versailles uit. In de vroege jaren 1780 was Jean-Balthasar Tricklir Kamermuziekvirtuoos bij de keurvorsten in Mainz en vanaf maart 1783 lid van de Hofkapel in Dresden. Ondertussen maakte hij ook nog celloconcertreizen door heel Europa. In Dresden was hij met een monteur bezig uit ze te zoeken of er mogelijkheden waren om het stemmen van snaarinstrumenten bij wisselende weersomstandigheden te vergemakkelijken. De notities daarover schreef hij in een boekje dat nooit werd uitgegeven: „Le Microcosmos musical“.

Jean-Balthasar Tricklir componeerde

     16 celloconcerto’s

     6 cellosonates

     1 pianowerk

 

Giuseppe Tommaso Giovanni Giordani (Napels, Italië,19 december 1751 – Fermo, 4 januari 1798) was de zoon van Domenico Giordani en Anna Maria Tosato. Hij studeerde muziek in Napels aan het conservatorium van Santa Maria di Loreto bij Gennaro Manna (1715–1779), Antonio Sacchini, Pietro Antonio Gallo (omstreeks 1695–1777) en Fedele Fenaroli. Medestudenten van hem waren Domenico Cimarosa en Niccolò Antonio Zingarelli. In 1774 werd hij benoemd als tweede maestro di cappella van de kapel van de Dom San Gennaro van Napels als vervanger van Gennaro Manna. Hij werkte ook als docent. 25 mei 1779 trouwde hij met zangeres Emanuela Cosmi. In 1780 werd hij lid van de Accademia Filarmonica van Modena en even later ook van die in Parma. In 1791 werd Giuseppe Giordani maestro di cappella aan de Kathedraal in Fermo. 4 augustus werd hij er ook benoemd als organist 4 november 1491 kreeg hij dezelfde posities óók aan de kerk Santo Spirito.

Giuseppe Giordani componeerde

     32 opera’s 

     11 oratoria

     3 cantates

     10 missen

- Missa e vespro , voor solisten, koor en orgel

     85 offertoria

- Offertori per tutto l’anno,  8 motetten voor diverse feestdagen van het Kerkelijk Jaar.

     11 psalmen

     14 hymnen

     canzoncine voor de vrijdagen in maart

     lamentationes

     5 andere motetten

     aria’s, duetten en trio’s

     sonates

 

Dmitri Stepanovitsj Bortnjanski (Hloechiv, Oekraïne, 18 oktober 1751 – Sint-Petersburg, 10 oktober 1825) mocht vanwege zijn duidelijk muziekale talent op zevenjarige leeftijd naar Sint Petersburg om daar te zingen in het Koor Van de Keizerlijke Kapel. Daar kreeg hij muziekonderwijs van de dirigent van de kapel: Baldassare Galuppi. Toen Baldassare Galuppi in 1769 naar Italië vertrok, nam hij de jonge Dmitri Bortnjanski met zich mee. Die studiereis was mogelijk gemaakt door een gift van Catharina II van Rusland. In Italië studeerde Dmitri Bortnjanski in Bologna, Rome en Napels. In 1779 kwam Dmitri Bortnjanski in Rusland terug. In 1796 werd hij door Tsaar Paul I tot dirigent van het keizerlijk kerkkoor aangesteld. Dmitri Bortnjanski reorganiseerde het kerkkoor en gaf er concerten me in de keizerlijke kapel.

Dmitry Bortniansky stierf in St. Petersburg op 10 Oktober 1825, en werd begraven op de Smolensky Cemetery in St. Petersburg. Zijn overblijfselen werden in de 20ste eeuw overgebracht naar naar het Alexander Nevsky klooster.

In 1882 gaf Pjotr Iljitsj Tsjaikovski alle religieuze werken van Dmitry Bortniansky in 10 banden uit.

Dmitri Bortnjanski componeerde

     7 opera’s

     Concerto-Symphony voor piano, harp, twee violen, viola da gamba, cello en fagot in Bes grote terts, 1790.

     1 mis

     motetten

     liturgieën voor Russisch-ortodoxe kerkdiensten

- liturgie van Johannes Chrysostomus 

     35 kerkconcerten voor vierstemmig gemengd koor

     10 koorwerken voor dubbelkoor

     23 andere koorwerken

     1 kwintet voor Piano, Harp, Viool Viola da gamba en Cello, 1787.

     3 pianosonates

     liederen

 

Carl Ludewig Matthes (1751 - ?) was hobostudent van Carlo Besozzi. Carl Ludewig Matthes werd kamermusicus bij zijne Koninklijke Hoogheid Markgraaf Heinrich in Berlijn in 1770.

Carl Ludewig Matthes componeerde

     2 hobosonates, door Carl Philipp Emanuël Bach gepubliceerd in zijn Musikalisches Vielerley in 1770.

 

Franz Lamotte (La Motte) (Vlaanderen, omstreeks 1751 – Den Haag, 7 september 1780) werd door een welgestelde Engelsman, die zijn muzikale gaven herkende, geadopteerd, en kreeg zodoende in Londen les van violist Felice Giardini. Een optreden in december 1766 in het Weense Burgtheater zorgde voor een stipendium van keizerin Maria Theresia van Oostenrijk, zodat Franz Lamotte concertreizen kon maken. Zo reisde hij naar Praag, Leipzig en verschillende Italiaanse steden, waar hij indruk maakte met zijn virtuoze viooltechniek.

Vanaf 1770 was Franz Lamotte concertmeester vn de Weense hofkapel, maar hij bleef ondertussen wel concertreizen maken, vooral veel naar Londen. Na de dood van zijn adoptiefvader werd Franz Lamotte wegens financiële schulden gedagvaard en vluchtte daarom in 1780 naar Den Haag, waar hij korte tijd later overleed.

Franz Lamotte componeerde

     4 vioolconcerten

     6 sonates voor viool en basso

     6 variatiewerken voor viool en basso

     duetten voor viool en altviool

     enkele andere kamermuziekwerken

 

Muzio (Filippo Vincenzo Francesco Saverio) Clementi (Rome, 23 januari 1752 – Evesham (Worcestershire), 10 maart 1832) was de oudste van zeven kinderen van Nicolò Clementi (1720–1789), een welvarende goudsmid en de Zwitserse Magdalena Kaiser (Madalena Caiser in het Italiaans). Als kind kreeg hij uitgebreid orgel- en pianoles van de organist Cordicelli, en zang- en contrapuntles van. Gaetano Carpani Op 9-jarige leeftijd was hij organist in één van de kerken in Rome, en toen hij 13 was had Muzio Clementi al een oratorium en en mis gecomponeerd. In 1766 maakte Peter Beckford, de neef van de burgemeester van Londen, een grote reis door Europa om kunst te verzamelen. In Rome hoorde hij Muzio Clementi op een van de kerkorgels spelen. Hij kocht de jongen voor 7 jaar van zijn vader en garandeerde een goede muzikale opleiding. In ruil daarvoor moest Muzio Clementi op het landgoed van Beckford in Engeland muzikale optredens verzorgen. Van zijn 14de tot zijn 21ste zat Muzio Clementi er 8 uur per dag achter de piano en bestudeerde de grote meesters. Op zijn 21ste trok hij naar Londen.

Hij werkte in verschillende muziekuitgeverijen en nam de pianofabriek van Longman & Broderip over na een faillissement en bracht die tot bloei. Als pianobouwer was Clementi de Steinway van zijn tijd.

In 1782 heeft hij aan het hof van keizer Jozef II in Wenen een 'pianowedstrijd' gehouden met Mozart, waarvan de uitslag onbeslist schijnt te zijn gebleven.

Vanaf 1802 reisde hij met John Field, één van zijn leerlingen, door Europa. Vanaf 1810 reisde Clementi minder vaak en legde zich toe op zijn zaken en zijn werk als muziekpedagoog. Leerlingen van Muzio Clementi waren John Field, Cramer, Moscheles, Kalkbrenner, Klengen, Meyerbeer en Hummel.

Muzio Clementi werd twee keer weduwnaar en trouwde drie maal. Hij had vier kinderen. Hij stierf op 10 maart 1832 op zijn landgoed te Evesham (Worcestershire). Hij liet een groot fortuin na en werd met alle egards begraven in Westminster Abbey.

Muzio Clementi componeerde

     6 symfonieën, ingenieus gecomponeerde werken, de moeite waard;

- Symfonie voor orkest nr.1 in C grote terts, WoO 32

- Symfonie voor orkest nr.2 in D grote terts, WoO 33

- Symfonie voor orkest nr.3 in G grote terts, de "Grote Nationale Symfonie, WoO 34, met in het tweede en derde deel het contrapuntisch behandelde "God Save The King".

- Symfonie voor orkest nr.3 in D grote terts, WoO 35

     1 pianoconcert

- Concert in C-groot voor piano en orkest, 1796

     3 andere orkestwerken

- Apertura,  WoO 36,  2 Ouvertures, nr.1 in C grote terts, nr. 2 in D grote terts, en een Minuetto Pastorale 

     1 oratorium

     8 kamermuziekwerken

     pianowerken

- Gradus ad Parnassum, verzameling piano-etudes

- sonate opus 2 nr. 2 "Octavensonate", 1779, vanaf het ontstaansmoment een beroemde sonate.

- zes sonatines opus 36, kunnen door vrijwel iedere pianoleerling na niet al te lange tijd gespeeld worden.

- 100 pianosonates, verre van eenvoudig.

3 Sonatas, opus 23

sonate opus 23 nr. 2

2 Sonatas en 2 Capriccios, opus 34

sonate opus 34 nr. 2; mooie dramatische sonate

3 Sonatas, opus 50

Pianosonate opus 50 nr. 3  in g kleine terts "Didone abbandonata", één van zijn interessantste sonates

- 2 canzonettes

 

Nicola (ook: Niccolò) Antonio Zingarelli (Napels, 4 april 1752 – 5 mei 1837) ging na het overlijden van zijn vader samen met zijn broers Francesco en Giuseppe voor muziekstudies naar het Conservatorio di Santa Maria di Loreto in Napels, waar toen ook Domenico Cimarosa en Giuseppe Giordani studeerden. Zijn leraren waren Fedele Fenarolis en later Abbate Alessandro Speranza, een leerling van Francesco Durante.

Op 22 juli 1772 werd hij organist aan de Annunziata-toren. In september 1790 ging hij bij Belle van Zuylen op bezoek en bleef drie maanden. Ze werkten samen aan haar opera Les femmes. De samenwerking lukte niet goed, en het werk is nooit opgevoerd.

In 1793 kreeg Zingarelli de positie van de domkapelmeester van Milaan. Zijn werk moet heel succesvol geweest zijn, want hij werd in 1794 benoemd als kapelmeester van de kerk Santuario della Santa Casa di Loreto in Rome. In 1804 werd hij pauselijke kapelmeester van het koor van de Cappella Sistina. In 1811 componeerde hij ter gelegenheid van de geboorte van de eerste zoon van Napoleon Bonaparte (I), de latere Napoleon II, een Te Deum. In 1812 werd hij in Napels directeur van het Real Collegio di Musica di Napoli (Koninklijke Muziekschool).  Na het overlijden van Giovanni Paisiello in 1816 werd hij ook kapelmeester van de domkerk van Napels. In Napels was hij als organist, componist en professor heel productief.

Gaetano Donizetti heeft zijn requiem uit 1837 aan zijn leraar Zingarelli opgedragen.

Antonio Zingarelli  componeerde

     40 opera's

     5 oratoria

     70 symfonieën voor orkest

     168 missen,

     30 Requiems

     talrijke misdelen , psalmen, vespers, hymnen, magnificats, litanieën, sequensen, gezangen voor de goede week

     250 motetten,

     cantates

     kamermuziek

     7 werken voor zangstem en piano

     werken voor orgel

- 11 pastorellen

 

Ludwig August Lebrun (Mannheim, Duitsland, 2 mei 1752 – Berlijn, 16 december 1790) was de zoon van Alexander Lebrun uit Brussel, hoboïst aan het hof van keurvorst Karel Theodoor van Beieren in Mannheim. Ludwig Lebrun kreeg hoboles van van zijn vader, vanaf 1764 speelde Ludwig Lebrun op 12-jarige leeftijd al mee in het orkest. Hij werd officieel lid in 1767.

Ludwig Lebrun trouwde met sopraan Franziska Dorothea Danzi, zus van de componist Franz Danzi. Samen maakten ze tournees door heel Europa. Een aantal componisten componeerde voor het echtpaar aria's met obligaat-hobopartijen, zoals Ignaz Holzbauer, Antonio Salieri en Georg Joseph Vogler.

Ludwig Lebrun stond bekend om zijn mooie toon en hogere noten te kunnen spelen dan gebruikelijK

Ludwig Lebrun overleed op 38-jarige leeftijd in Berlijn aan een leverontsteking. Zijn vrouw Franziska stierf vijf maanden later.

Ludwig Lebrun componeerde

     2 balleten

     13 concerten, waarvan 12 hoboconcerten, zijn belangrijkste werken

     19 kamermuziekwerken

     6 klavecimbelsonates

 

Justinus (Justin) Heinrich Knecht (Biberach an der Riss, 30 september 1752 – 1 December 1817) leerde al jong orgel, klavecimbel en viool spelen en zingen. Van 1768 tot 1771 studeerde Justin Heinrich Knecht aan de Lutherse Latijnse School in Esslingen am Neckar bij direkteur Schmidt en bij Christian Friedrich Daniel Schubart compositie en orgel. In 1771 werd hij, 19 jaar oud, muziekdirekteur in Biberach. In 1792 werd hij organist van de kerk van Sint Martinus, die tegelijkertijd dienst deed als Lutherse en als Katholieke kerk.

Justin Heinrich Knecht componeerde, organiseerde concerten en gaf muzieklessen aan het Gymnasium, dat in 1806 werd omgevormd tot een muziekschool.

Zijn werken worden bewaard in het Wieland-Archief, Biberach, en in de Kick collectie in de bibliotheek van de Eberhard-Karls-Universität, Tübingen.

Justin Heinrich Knecht componeerde

     10 cantates

     9 andere religieuze werken

     11 opera’s en theatermuziekwerken

     1 symphonie

- Le portrait musical de la nature, ou Grande sinfonie (Pastoralsymphonie) een veel bewonderd werk, voorloper voor Beethovens’Pastorale”

     3 kamermuziekwerken

     7 orgelwerken

     4 series pianowerken

 

Johann Friedrich Reichardt (Königsberg, Oostpruisen, Duitsland, 25 november 1752 – Giebichenstein, Halle,  27 juni 1814) was de zoon van luitenist en stadsmuzikant Johann Reichardt en kreeg al les op viool, luit en klavecimbel, onder meer van Timofey Belogradsky. Op tienjarige leeftijd trok zijn vader met het vioolspelende “wonderkind” op concertreis door Pruisen. Van 1769 tot 1771 studeerde Johann Friedrich Reichardt in Königsberg Rechten en Filosofie. Ondertussen reisde hij als vioolvirtuoos rond. In 1775 werd hij door Frederik II benoemd tot koninklijk Hofkapellmeister. Na twee jaar trok hij zich terug als kapelmeester, en trouwde met zangeres, pianiste en componiste Juliane Benda (Berlijn, 14 mei 1752 - 9 mei 1783), dochter van componist Franz Benda. Ze kregen twee zonen en twee dochters, waarvan Louise Reichardt (Berlijn, 11 april 1779 – Hamburg, 17 november 1826) ook componist werd. Johann Friedrich Reichardt hield in die periode zich voornamelijk bezig met schrijven en componeren. In 1783 overleed Juliane in het kraambed en hertrouwde Johann Friedrich Reichardt met Johanna Alberti (1755–1827), dochter van deken en dichter Julius Gustav Alberti (1723–1772) uit Hannover. Uit dit huwelijk werden vijf kinderen geboren.

Vanaf 1794 woonde hij in Hamburg, vanaf 1796 in Giebichenstein bij Halle. In die tijd was hij veel op reis door heel Europa. Tijdens een reis in 1803 naar Parijs ontwikkelde hij zich tot een tegenstander van de Franse politiek en Napoleon. In 1807 werden zijn goederen door Franse troepen gestolen. Johann Friedrich Reichardt vluchtte daarop naar Danzig en werd daar patriot en vrijheidsstrijder. Maar toen hij in datzelfde jaar 1807 volledig verarmd en berouwvol in Kassel terechtkwam, werd hij door Napoleons broer Jérôme aangesteld als theaterdirecteur. Vanaf 1809 woonde Johann Friedrich Reichardt in Wenen. Hij trok zich echter al gauw weer in Giebichenstein bij Halle terug, waar hij 27 juni 1814 ten gevolge van een maagziekte overleed. Zijn graf bevindt zich op het kerkhof van de Bartholomeuskerk in Halle.

Johann Friedrich Reichardt componeerde

     10 opera’s

     5 operettes

     10 Singspiele

     2 oratoria

     12 cantates

     1 requiem

     8 motetten en psalmen

     2 odes

     4 andere vocale werken

     7 symfonieën

     10 concerten

- zes klavecimbelconcerten opus 1 “a l’usage du beau sexe” 

     3 ouvertures

     1 treurmars voor orkest

     30 kamermuziekwerken

     100 oefenstukken voor 2 hoorns

     1500 liederen op teksten van 150 dichters

- Harzreise im Winter voor zangstem en piano en harp, tekst Goethe, 1794

- Bunt sind schon die Wälder,  1799, een van de bekendste Duitse volksliederen.

     20 (series) klavecimbel- en pianowerken

 

André da Silva Gomes (Lissabon, Portugal, 15 december 1752 – São Paulo, Brazilië, 17 juni 1844) kreeg zijn muzikale opleiding in Lissabon. In 1774 ging hij in het gevolg van bisschop Dom Manuel da Conceição naar Brazilië, waar hij tot zijn dood als mestre de capela in de kathedraal van São Paulo werkte. Hij reorganiseerde het koor van de kathedraal en richtte er een openbare muziekschool op. Daarnaast schreef hij muziek voor verschillende kloosterordes, de stadsautoriteiten en voor speciale gelegenheden. Hij gaf ook leiding aan het muziekkorps van het Infanterie Regiment van São Paulo.

Hij schreef een dikke handleiding over contrapunt: “Arte Explicada do Contraponto”

André da Silva Gomes componeerde

     18 missen

- Missa a Cinco Vozes 

- Missa a 8 vozes e instrumentos,  voor dubbelkoor en orkest

     requiems

     motetten

     antifonen

     38 psalmzettingen

     14 offertoriums

     andere religieuze werken

 

Giuseppe Francesco Bianchi (Cremona, Lombardije, Italië, 1752 – Hammersmith, Londen, 27 november 1810) was van armoedige afkomst. Een priester in Cremona financierde zijn studies bij Pasquale Cafaro en Niccolò Jommelli aan een conservatorium in Napels. Van 1775 tot 1778 was Francesco Bianchi Maestro al Cembalo aan het Théatre-Italien in Parijs. Hij probeerde in Parijs ook een conservatorium op te zetten naar Napels model, maar dat wilde niet lukken. In 1776 werd hij wel lid worden van de Accademia Filarmonica van Bologna. Van 1782 tot 1793 was hij tweede maestro di cappella aan de Dom van Milaan en van 1793 tot 1797 organist aan de San Marcobasiliek in Venetië. Vanaf de 1780-er jaren hadden zijn opera’s in de Italiaanse steden groot succes. Hij was vernieuwend, zowel in librettovormgeving, muzikale uitbeelding als in instrumentatie. In Engeland vonden ze dat ook, zodat hij daar eind 1797 maar heen trok. Van 1798 tot 1800 was Francesco Bianchi dirigent in verschillende theaters in Dublin. Tussen 1802 en 1807 verdeelde hij zijn tijd als operacomponist tussen Londen en Parijs. Ondertussen was hij ook nog een veelgevraagde muziekdocent.

Francesco Bianchi trouwde op 15 november 1800, maar scheidde ook al weer snel. Zijn enige kind, dochtertje Caroline Nelson Bianchi overleed op vijfjarige leeftijd in januari 1807. Waarschijnlijk wegens de familieproblemen pleegde Francesco Bianchi in 1810 in zijn huis Hammersmith, bij Londen, zelfmoord. Hij werd begraven naast zijn dochtertje op het kerkhof van de oude kerk, tegenwoordig St Mary Abbots, in Kensington.

Francesco Bianchi componeerde

     78 opera’s

     4 oratoria

     4 andere religieuze composities

     1 concertino

     2 sinfonia’s

     12 triosonates

- 6 ariettes voor 2 fluiten en bas.

     3 sonates

 

     Christian Friedrich Ruppe (Rüppe) (Salzungen, Thüringen, Duitsland, 22 augustus 1753 – Leiden, 25 mei 1826) was de zoon van Ernst Salomon Ruppe, hoeden- en instrumentmaker en organist in Wildprechtroda, ten zuiden van Salzungen, en Elisabeth Christina Walch. Christian Friedrich Ruppe was één van 7 kinderen. Hij leerde vanaf jongs orgel, klavecimbel en piano spelen. Op 25 februari 1773 werd hij ingeschreven als student wis- en natuurkunde en klassieke letteren aan de Universiteit van Leiden. Hij trouwde in 1784 met kunstenares Christina Chalon (1748-1808), dochter van concertmeester Hendrik Chalon van het orkest van het Nederlands Theater in Amsterdam, bekend vanwege haar mooie etsen. Ze kregen vier kinderen, die alle vier jong overleden. Op 20 juni 1787 liet Christian Friedrich Ruppe zich inschrijven als student filologie. In 1788 werd hij organist van de Lutherse Kerk aan de Hooglandse Kerkgracht in Leiden. Hij zorgde daar voor een nieuw orgel, gebouwd door Andries Wolferts uit Rotterdam.

Op 18 oktober 1790 benoemde de Leidse universiteit Christian Friedrich Ruppe tot "ordinaris musicant" (muziekdirecteur en -docent en kapelmeester). Op zijn initiatief werd in 1796 een weeshuiskoor opgericht, een gemengd koor van meisjes en jongens uit het Heilige Geest- of Arme Wees- en Kinderhuis aan de Hooglandse Kerkgracht in Leiden. Toen er een eind kwam aan het Weeshuiskoor, richtte Christian Friedrich Ruppe zelf in 1800 een ander koor op: “Tot meerder oefening”. Vanaf 1802 gaf hij ook colleges muziektheorie, in 1808 werd hij daarmee officieel belast. Op 13 mei 1816 werd hij door koning Willem I tot lector in de toonkunst benoemd.

In 1816 hertrouwde Christian Friedrich Ruppe met Johanna Petronella Reijers (1784-1872). Ze kregen een dochter: Johanna Christina Frederika Ruppe. Lijdend aan een oogkwaal en reumatiek overleed Ruppe op 72-jarige leeftijd te Leiden. Hij werd in Katwijk begraven. Christian Friedrich Ruppe schreef een tweedelige handleiding “Theorie der hedendaagsche muzyk” (1809/1810).

Christian Friedrich Ruppe componeerde

     1 opera, Galathée, 1804,

     2 oratoria

     1 orgelconcert in C groot,  gereconstrueerd door universiteitsorganist Gert Oost (1942-2009)

     15  cantates

     6 series koorwerken

- “Zangwijzen van de Psalmen en Gezangen bij de Hervormde Kerk in gebruik, voor drie stemmen, als ook voor het orgel of clavier”, 1801

     16 (series) kamermuziekwerken

- 3 Sonates voor piano en obligate fluit of viool, opus 11, omstreeks 1801 

- Sonate pour le piano forte avec accompagnement de flûte et violoncelle, opus 18, 1810 ?

     5 series liederen

- toonzettingen van oden van Horatius, 1803

- “Stukjes uit de gedichtjes voor kinderen ...”, omstreeks 1823, op teksten van Hieronymus van Alphen

     36 (series) pianowerken

- klaviervariaties op het studentenlied Io vivat.

- La grande bataille de Waterloo, opus 13, 1815

- Le paix universelle, conclue á Paris le 20 Nov. 1815, opus 14, 1815

     4 (series) orgelwerken

- 45 Præludia en 276 Interludia benevens 4 Fuga’s, 1802

-  Zangwijzen der Evangelische Gezangen bij de Hervormde Kerk in gebruik, geschikt voor het orgel, fortepiano of clavier, 1806.

 

Vicente Martín y Soler (Valencia, Spanje, 2 mei 1754 – Sint-Petersburg, Rusland,11 februari 1806) was in zijn jeugd koorzanger in de kathedraal van Valencia. Hij studeerde muziek bij Giovanni Battista Martini in Bologna. Daarna werd Vicente Martín y Soler organist in Alicante. In 1775 verhuisde hij naar Madrid, waar hij in de gunst kwam van koning Karel IV.

In 1777 ging hij met de koninklijke familie mee naar Napels.

In 1785 vertrok hij als een succesvolle componist van opera buffa naar Wenen.

Wolfgang Amadeus Mozart citeert in de tafelscene in de tweede akte van zijn opera Don Giovanni (1787) een melodie uit de finale van de eerste akte van Vicente Martín y Solers opera Una cosa rara. Daar zie je aan hoe populair de componist toen was.

In 1788 ging hij op uitnodiging van Catharina de Grote in Sint-Petersburg als hofcomponist de Italiaanse opera leiden. Hij behield deze functie tot de Franse componist Boieldieu hem in 1803 verving. Hij schreef drie opera's in het Russisch en balletmuziek.

Tussen 1794 en 1795 was Vicente Martín y Soler even in Londen waar hij ook drie opera’s schreef. Die hadden weinig succes, dus ging hij maar terug naar Sint-Petersburg, schreef daar zijn laatste opera en legde zich daarna volledig toe op het onderwijs. Hij overleed in Sint-Petersburg in 1806.

Vicente Martín y Soler componeerde

     30 opera’s, waarvan er 21 bewaard zijn gebleven

- Una Cosa rara ossia Belezza ed Onestà  (Een zeldzame toestand of schoonheid en eerbaarheid) dramma giocoso in 2 bedrijven, libretto  Lorenzo Da Ponte naar La luna della Sierra van Luis Vélez de Guevara, 17 november 1786. Hoofdrollen zijn voor de mooie boerinnen Lilla en Ghita (beiden sopraan) respectievelijk verloofd met Lubino (bariton) en Tita (bas), terwijl ze worden begeerd door Giovanni en Corrado (beiden tenor). Dat moet wel problemen geven.

     15 balletten

     6 cantates

     5 kerkmuziekwerken

     1 concerto

     talrijke arias, canons, liederen en duetten, waarvan nooit meer wat wordt uitgevoerd.   

 

Franz Anton Hoffmeister (Rottenburg am Neckar, Duitrsland, 12 mei 1754 – 9 februari 1812) was de achtste van elf kinderen van Martin Hoffmeister en Regina Nadler. Op 14-jarige leeftijd ging Franz Anton naar Wenen om rechten en orgel te studeren. Al studerend besloot hij om toch maar een carrière in de muziek te gaan volgen. In 1778 kwam Franz Anton Hoffmeister als maestro di cappella in dienst bij Graaf Szecsenyi, wat leidde tot een driejarig verblijf in Hongarije. In 1784 zette Franz Anton Hoffmeister in Wenen een muziekuitgeverij op. Sinds die tijd wisselde hij zijn werkzaamheden af tussen muziekuitgeven en componeren. In 1799 kwam Franz Anton Hofmeister in Leipzig terecht, waar hij samen met organist Ambrosius Kühnel het "Bureau de Musique" opzette. Ze gaven in 1802 de eerste editie van Johann Sebastian Bachs klavierwerken in 14 delen uit. In 1805 deed Franz Anton Hofmeister het hele eigenaarschap over aan Kühnel. In 1814 werd de muziekuitgeverij overgenomen door C.F. Peters, nu nog een gerespecteerde uitgever. Zijn Weense uitgeverij verkocht Franz Anton Hofmeister in 1806 aan de Chemische Druckerey.

Franz Anton Hoffmeister stierf in 1812 in Wenen.

Franz Anton Hoffmeister componeerde

     12 opera's (“Singspiele”)

- "Der Königssohn von Ithaka" heroïsch-komische opera in 2 bedrijven, libretto Emanuel Schikaneder, 1795.

     68 symfonieën

     25 fluitconcerten

- fluitconcert nr. 21 in D grote terts, opus 28, 1788

- fluitconcert nr. 24 in D grote terts opus 60, 1795

     15 pianoconcerten

     21 andere concerten

- concert voor altviool en orkest in D grote terts, verplicht auditiestuk voor altviolisten.

- Concerto voor hobo en orkest in C  grote terts

     1 mis

     10 andere werken voor koor (solisten) en orkest

     42 strijkkwartetten,

     108 fluitkwartetten (meest voor fluit, viool, altviool en cello)

     talloze andere kamermuziekwerken

- Zes duo's voor 2 dwarsfluiten, opus 16, 1797

     pianowerken

     liederen

 

Peter (von) Winter (Mannheim, Duitsland, gedoopt 28 augustus 1754 – 17 oktober 1825) was een de zoon van een brigadier aan het keurvorstelijke hof in Mannheim. Hij bleek een wonderkind op de viool en op zijn tiende jaar was hij al lid van het Hoforkest in Mannheim. Hij studeerde in Mannheim bij Abbé Vogler. In 1778 verhuisde Peter Winter met keurvorst Karl Theodoor en zijn hofkapel naar München, waar hij directeur van het hoftheater werd. Hij trouwde daar met kleermakersdochter Marianne Grosser. Hij nam ook nog les in Wenen bij Antonio Salieri. Hij werd onderkapelmeester voor vocale muziek in 1787 en kapelmeester in 1798 en bleef dat de rest van zijn leven. In 1811 richtte hij de Muziekacademie in München op.

Peter Winter componeerde

     30 opera’s

- Das Labyrinth of Der Kampf mit den Elementen, libretto Emanuel Schikaneder, vervolg op de geschiedenis van MozartDie Zauberflöte,  met een hoofdrol voor Mozarts schoonzus Josepha Weber.

     26 missen

     2 requiems

     4 andere religieuze werken

     6 (series) wereldlijke cantates en ander wereldlijke vocale werken

     4 symfonieën

     3 concerten

     3 andere (series) orkestwerken

     30 kamermuziekwerken

 

Giovanni Battista Viotti (Fontanetto Po, Piemonte, Italië, 12 mei 1755 – 3 maart 1824) was de zoon van smid Felice Viotti en Maddalena Milano. Vader Felice was amateur jachthoornblazer en merkte als snel dat Giovanni Battista muzikaal begaafd was en zorgde er voor dat hij les kreeg van Giovanni Pavia. Bij een muzikaal optreden op een kerkelijk feest in Strambino viel Giovanni Battista Viotti op bij bisschop Francesco Rorà, die hem aanraadde om naar Turijn te verhuizen en zich muzikaal verder te ontwikkelen in de omgeving van de Markies van Voghera. Die raad volgde Giovanni Battista op en zo kwam hij terecht in de hofhouding van de zoon van de markies: vorst Alfonso dal Pozzo della Cisterna in Turijn. Hij kreeg daar vioolles van Gaetano Pugnani, van wie hij als virtuoos violist al snel de meerdere was. Van 1773 tot 1780 deed Giovanni Battista Viotti dienst als violist in de Koninklijke Kapel in Turijn, daarna ging hij als vioolsolist op reis door Europa. Op 17 maart 1782 maake hij zijn debuut aan de Concert Spirituel in Versailles. Hij opende daar in nieuw operatheater in 1788, het Théâtre de Monsieur, waar hij onder meer opera’s van Luigi Cherubini uitbracht. Na de Franse revolutie bleef het theater bestaan onder de naam Théâtre Feydeau, maar Giovanni Battista Viotti voelde zich, door al zijn contacten met de Franse aristocratie niet langer veilig en ging in 1792 naar Londen.

In 1781 had Giovanni Battista Viotti zijn Tema e variazioni in C grote terts gecomponeerd. In 1792 hergebruikte Claude Joseph Rouget de Lisle de partituur om de Marseillaise te componeren. Pas in 2013 stelden musicologen vast Giovanni Battista Viotti in feite de vader van de melodie van het Franse volkslied was.

In Londen maakte hij goede sier als violist, operamanager en dirigent. Sinds 1790 hield Giovanni Battista Viotti ook bezig met wijnhandel, en daar ging hij op de een of andere manier ook steeds mee door. Toen de oorlog uitbrak tussen Engeland en Frankrijk werd hij als Italiaanse Fransman gewantrouwd en gedwongen Engeland te verlaten.

Hij verliet In 1798 Engeland op een vrachtboot en bracht een tijd door op het landgoed "Friedrichshulde" van een rijke Engelse koopman, John Smith, in Schenefeld in de buurt van Hamburg, waar hij onder meer privéles gaf aan de 13-jarige Friedrich Wilhelm Pixis. In 1801 kwam hij weer in Engeland terug, waar hij mocht wonen in het landhuis van zijn Engelse vrienden, William en Margaret Chinnery, op Gillwell House. In 1811 werd hij met hulp van de Hertog Cambridge, een jongere broer van de Prins van Wales genaturaliseerd tot Brits staatsburger. In 1812 viel William Chinnery in ongenade wegens verduistering van een hoop geld. Wat er toen met hem gebeurde weet ik niet, maar daarna leefden Giovanni Battista Viotti en Margaret Chinnery verder samen.

In 1813 was hij een van de oprichters van de Philharmonic Society of London. Hij trad niet meer op als solist, maar alleen nog als dirigent en kamermuzikant. Na de Restauratie in 1818 kon Giovanni Battista Viotti weer naar Frankrijk. Zijn wijnhandel was intussen failliet gegaan en had hem diep in de schulden gebracht, dus hij moest wat geld verdienen. Hij kreeg in Parijs de leiding van het Théâtre-Italien en daarna van de Grand Opéra de Paris. Ook werd hij directeur van de Académie Royale de Musique. November 1823 kwam hij voor het laatst in Engeland terug, waar hij een half jaar later overleed, in aanwezigheid van zijn trouwe vriendin Margaret Chinnery, in armoede vervallen en nog steeds met schulden overladen.

Giovanni Battista Viotti wordt gezien als de grondlegger van de 19de eeuwse Franse vioolschool. Hij had een belangrijke invloed op Rodolphe Kreutzer, en via zijn leerling August Duranowski op Niccolò Paganini.

Giovanni Battista Viotti was in het bezit van een viool, gemaakt door Antonio Stradivari in 1709, de Viotti Stradivarius. In Vercelli, vlak bij zijn geboorteplaats in Italië wordt elk jaar het Viotti Internationale Muziek Concours georganiseeerd.

Chappell White wijdde in 1985 een proefschrift aan Viotti en catalogiseerde zijn werken met een W-nummer.

Giovanni Battista Viotti componeerde

     3 symfonieën

     29 vioolconcerten

- vioolconcert nr. 22 in a kleine terts, WI:22, 1792, wordt nog veel uitgevoerd. Johannes Brahms citeerde eruit in zijn dubbelconcert in a kleine terts, opus 102. De bekende violist Joseph Joachim schreef voor het concert cadensen, die vandaag de dag nog steeds worden uitgevoerd.

- vioolconcerto nr 23 in g kleine terts, 1794, WI:23

     10 pianoconcerten, omgewerkte eerdere vioolconcerten

     3 concerten voor andere instrumenten

     29 strijkkwartetten

     21 strijktrio’s

- Trois trios voor twee violen en cello opus18, WIII:16-18, in b kleine terts, D grote terts en B grote terts, uitgave 1804

- Trois trios voor twee violen en cello opus19, WIII:19-21, in B grote terts, a kleine terts en E grote terts, uitgave 1808

     52 duetten voor twee violen

     6 duetten voor twee violoncelli

     15 sonates voor viool en basso

     5 ander (seris) werken met viool

     3 divertissements voor violoncello

     14 aria’s voor zangstem en piano

     8 pianowerken

 

Federigo Fiorillo (Brunswijk, Duitsland, gedoopt 1 juni 1755 – Londen??, 1823) was de derde zoon van de Napolitaanse mandolinespeler Ignazio Fiorillo. Aan het begin van de 18de eeuw werd vader Ignazio benoemd tot dirigent aan de Hofopera in Brunswijk bij Hertog Karel I van Brunswijk-Wolffenbüttel. Federigo Fiorillo werd daar geboren en kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn vader. Hij had ook diens liefde voor de mandoline geërfd en werd een mandolinevirtuoos. Maar hij bespeelde net zo goedf andere instrumenten, vooral viool.

In 1780 reisde Federigo Fiorillo naar Polen, van 1782 tot 1784 was hij dirigent aan het nieuw opgerichte Duitse theater in Riga. In 1785 speelde hij viool bij de Concerts Spirituels in Parijs.

In 1790 bezocht hij Londen, waar hij ondermeer altviool speelde in het strijkkwartet van Soloman. Daarna was hij in Amsterdam en zien we hem steeds weer in Londen opduiken. In 1823 reisde hij nog een keer zwaar ziek naar Parijs om zich daar aan een operatie te onderwerpen. Volgens zijn uitgever Sieber stierf hij in 1823 in Londen.

Federigo Fiorillo componeerde

     10 concertante symfonieën

     10 concerten

     72 kamermuziekwerken, meest voor strijkinstrumenten: kwintetten, kwartetten, trio’s, duo’s

kwintet in F grote terts voor dwarsfluit, hoorn, viool, altviool en cello

     3 Italiaanse canzonetten voor zangstem en piano

     60 pianowerken

     4 series pedagogische werken

- 36 capricio’s voor viool, opus 3, gebruikt als studiematriaal door duizenden violisten; Louis Spohr  schreef er een begeleidende vioolpartij bij.

- 72 exercises voor klavecimbel, opus 41, 1810

 

Mateo Antonio Pérez de Albéniz (Logroño, Spanje, 21 november 1755 – San Sebastián, 23 juni 1831) was vanaf 1790 maestro de capilla in San Sebastián. Daarna was hij werkzaam in Logroño in de kapittelkerk van 1795 tot 1800, toen kwam hij in San Sebastián in de kathedraal Santa María la Redonda terug en bleef daar maestro de capilla tot zijn pensioen in 1829. Bijna al zijn composities zijn door brand en plundering van San Sebastián door Britse troepen tijdens de Napoleontische Oorlogen verloren gegaan. Mateo Albéniz gaf in 1802 een 133 pagina’s groot muziektheoretisch werk uit: Instrucción metódica, especulativa, y prática, para enseñar á cantar y tañer la música moderna y antigua.

Mateo Albéniz componeerde

     missen,

     1 requiem 

     vespers, 

     motetten,

     andere kerkelijke werken

     solfeggi, 1800)

     sonates voor klavecimbel en / of piano

- Sonate in D grote terts, vooral populair geworden in een gitaartranscriptie

 

Giuseppe Ferlendis (*Bergamo, Italië, 1755 – Lissabon, Portugal 1802 of 1810) was de zoon van viool – en celloleraar Franco Ferlendis. Op zijn 20ste was Giuseppe Ferlendis al een gevierde hobovirtuoos. Vanaf 1 april 1777 tot juni 1778 had hij een aanstellung in der bisschoppelijke hofkapel in Salzburg, waar hij meer verdiende dan zijn collega Wolfgang Amadeus Mozart, die zijn hoboconcert KV 314 voor Giuseppe Ferlendis componeerde. Hij wist de Engelse hoorn (althobo), die wat in onbruik was geraakt door verouderde klepsystemen zo te verbeteren dat hij weer goed in moderne muziek kon worden gebruikt.Van juli 1779 speelde Giuseppe Ferlendis Engelse hoorn aan het Teatro Carignano in Turijn. In 1780 vestigde hij zich in Venetië, waar hij in verschillende orkesten 1ste hoboïst was en van waaruit hij orkestreizen maakte door heel Italië. Vanaf 1795 was Giuseppe Ferlendis bezig in Londen in Engeland. Hij werd daar de minnaar van de beroemde zangeres Brigida Banti, die hij bij gelegenheid ook begeleidde. In 1801 verhuisde Giuseppe Ferlendis met zijn vrouw Anna, zijn dochter Giuseppa en zijn zoon Alessandro naar Lissabon, waar hij werd benoemd in de Koninklijke kapel en vanaf 1804 in het Koninklijk kamerorkest. Zijn broer Pietro, zijn zonen Angelo Ferlendis en Alessandro Ferlendis en zijn neven Gerardo, Faustino en Antonio waren allemaal professionele hoboïsten.

Giuseppe Ferlendis componeerde

     hoboconcerten

- hoboconcert nr. 1 in F grote terts,  aanstekelijk Rondo.

     hobosonates

     6 triosonaten voor hobo, dwarsfluit en fagot

     12 divertimenti voor 2 klarinetten

 

Wolfgang Amadeus (eigenlijk: Johannes Chrysostomus Wolfgangus Theophilus) Mozart (Getreidegasse 9, Salzburg, 27 januari 1756 – Wenen, 5 december 1791), noemde zichzelf als jonge man bij voorkeur Amadè, later Wolfgang Amadé, wat in de overlevering later Wolfgang Amadeus werd, een naam die Mozart zelf slechts drie keer in een brief om humoristische redenen gebruikte. Zijn ouders waren componist en violist Leopold Mozart en Anna Maria Pertl. Zijn zus Marianne werd steeds Nannerl genoemd.

In juni 1763 begon familie Mozart een grote rondreis in Europa die meer dan drie jaar zou duren door Beieren, Zwaben, Württemberg, de Palts, Rijnland, België en uiteindelijk nog in 1763 naar Frankrijk (concert voor Lodewijk XV; eerste muziekuitgave van Wolgang Amadeus). In april 1764 richting Engeland (ontvangst George III; ontmoeting met Johann Christian Bach); daarna terug naar België en Nederland. In maart 1766 woonden de Mozarts de plechtige inhuldiging bij van stadhouder Willem V in Den Haag. Voor de gelegenheid componeerde Wolfgang Amadeus Mozart er een reeks variaties op het Wilhelmus (KV 25). Opnieuw via Frankrijk en München terug naar Salzburg.

In 1769 werd Mozart benoemd tot onbezoldigd concertmeester aan het hof van aartsbisschop Hieronymus von Colloredo van Salzburg. Op 11 april hoorde de jonge Mozart in de Sint-Pietersbasiliek te Rome het beroemde Miserere van Gregorio Allegri dat nooit ter inzage werd gegeven. Mozart wist de compositie feilloos op papier te zetten. In 1770 ging zijn opera seria Mitridate (KV 87) in première in het Teatro Ducal in Milaan. De opera oogstte er veel succes. In januari 1773 componeerde Mozart het motet Exsultate, jubilate (KV 165) voor de castraatzanger Venanzio Rauzzini, als dank voor zijn verdiensten in Mitridate.

De reislust van Leopold Mozart was in 1777 de oorzaak van zowel zijn ontslag als dat van Wolfgang. Leopold vertrok met moeder Anna Maria Pertl en Wolfgang, richting Parijs, wat nooit bereikt werd. Onderweg in Augsburg ontmoette Mozart zijn nichtje Maria Anna Thekla ('das Bäsle'), met wie hij een intieme relatie ontwikkelde en waarmee hij een pikante correspondentie voerde, die latere biografen in verlegenheid heeft gebracht. In Mannheim werd hij door Fridolin Weber, kopiist van muziek en bassist in het Mannheim Kapelkoor uitgenodigd. Mozart gaf bij de familie Weber zanglessen aan de oudste èn mooiste van vijf dochters: Aloysia, een begenadigde sopraan,op wie hij meteen halsoverkop verliefd werd.

Hij reisde eindelijk met zijn moeder verder tot Parijs. In deze periode schreef Mozart zijn balletmuziek "Les Petits Riens" (KV 299b) en de bekende "Parijse" symfonie in D groot (KV 297). Op 3 juli 1778, na een wekenlange ziekte, stierf Mozarts moeder. Mozart keerde alleen naar München terug. Daar bood de familie Weber, die kort daarvoor Mannheim had verlaten, hem onderdak. Aloysia negeerde Mozarts avances. Ze had ondertussen een contract bij de Weense opera gekregen en trouwde even later met de weduwnaar van de sopraan, die ze daar opvolgde.

Op aandringen van vader Leopold keerde Mozart uiteindelijk naar Salzburg terug waar hij voor een salaris van 450 gulden opnieuw werd aangesteld aan het bisschoppelijk hof.

In januari 1780 ging zijn opera Idomeneo (KV 366) in première in het Residenz Theater te München.

Wolgang Amadeus Mozart kreeg in dat jaar ontslag van de aartsbisschop (die hem uitmaakte voor “schurk”, “onverlaat” en “de liederlijkste gladakker, die ik kende”). Mozart reisde daarna naar Wenen en vond er onderdak bij de familie Weber (intussen ook verhuisd Wenen). Hij schreef er veel muziek voor dochter Josepha, de oudste en minst aantrekkelijk van de dochters, maar wel een hele goede sopraan en werd zelf nú verliefd werd op de middelste dochter, zangeres Constanze. De gevoelens zijn wederzijds. Toen Mozart, tegen alle conventies van de tijd in, ongehuwd met Constanze ging samenwonen, dreigde haar moeder, intussen weduwe, de politie langs te sturen. Dat maakte Mozart zo bang dat hij dezelfde dag, 4 augustus 1782, zonder vaderlijke zegen, trouwde in de Stephansdom te Wenen. De zegen van zijn vader kwam een dag later per post. In de lente van 1783 werd zijn eerste zoon, Raimund Leopold, geboren die echter een paar weken later overleed. In Wenen leerde Mozart baron Gottfried van Swieten kennen, de zoon van de lijfarts van de inmiddels overleden keizerin Maria Theresia. Van Swieten was een van de zeldzame muziekliefhebbers in die tijd, die een warme liefde koesterden voor barokke muziek. In de hofbibliotheek werden afschriften bewaard van werken van Bach en Händel. Van Swieten introduceerde Wolfgang Amadeus in die voor hem onbekende wereld, waar hij met veel enthousiasme indook. "Ik spaar fuga's" schreef hij opgetogen aan zijn vader Leopold, die hij opdroeg om heel Salzburg uit te kammen om te kijken of er nog ergens fuga's te vinden waren. Van Swieten gaf hem zijn hele verzameling fuga's mee naar huis. Mozart bewerkte zes preludia en fuga's van Bach voor van Swieten voor strijkers en componeerde er zelf ook één, gestimuleerd door Constanze, die ook helemaal verrukt van de fuga's was geraakt.

In oktober 1783 werd de Mis in c-klein (KV 427) in Salzburg opgevoerd. Constanze zong er een van de sopraanpartijen. Tijdens de terugtocht naar Wenen werd halt gehouden in Linz, waar Mozart een nieuwe symfonie in C-groot componeert (KV 425). In februari 1784 begon hij met het aanleggen van een chronologische catalogus van zijn werk, de Verzeichnüss, die hij tot zijn dood nauwgezet bijhield. Op 21 september 1784 zag zijn tweede zoon, Carl Thomas, het levenslicht.

Drie maanden later trad Mozart toe als lid van de vrijmetselaarsloge 'Zur Wohlthätigkeit'. Kort daarna schreef Mozart de vijf minuten durende Maurerische Trauermusik in C-klein (KV 477) ter nagedachtenis van twee overleden logebroeders.

In februari 1786 vond op het Schloss Schönbrunn in aanwezigheid van keizer Jozef II een bijzondere wedstrijd plaats: Mozarts 'Der Schauspieldirektor' (KV 486) en Salieri's 'Prima la musica, e poi le parole' dongen er om de eerste prijs. Salieri wint, Mozart kreeg de troostprijs van 50 dukaten. Op 1 mei van hetzelfde jaar vond in het Burgtheater te Wenen de eerste uitvoering plaats van de opera buffa 'Le nozze di Figaro' (KV 492). Ook in Praag wordt 'Figaro' enthousiast onthaald. Mozart, vergezeld van zijn vrouw Constanze, reisde in januari 1787 naar de stad om er persoonlijk een opvoering van de opera te dirigeren. Tijdens zijn verblijf aldaar beleefde de "Praagse" symfonie in D-groot (KV 504) haar première. Zijn derde zoon Johann Thomas Leopold, stierf in november 1786, amper een maand oud.

Op 28 mei 1787 stierf vader Leopold Mozart. In het najaar zijn de Mozarts opnieuw te Praag waar de opera 'Don Giovanni' wordt opgevoerd op 29 oktober. Voor het libretto had Mozart andermaal kunnen rekenen op het vakmanschap van Da Ponte. In december van dat jaar kreeg Wolfgang een aanstelling als kamermusicus aan het hof van keizer Jozef II, alweer tegen een mager salaris dat niet volstond om zijn schulden te voldoen. Op 29 juni 1788 stierf zijn zes maanden oude dochtertje Theresia. In november 1789 overleed zijn tweede dochtertje, Anna, vrijwel direct na de geboorte.

Op 26 januari 1790, een dag voor Mozarts vierendertigste verjaardag vond in Wenen met veel bijval de eerste uitvoering plaats van de opera Così fan tutte (KV 588). Dit is de derde (en laatste) Mozart-opera waarvoor Da Ponte het libretto schreef. In 1790 stierf Jozef II (13 maart 1741 – 20 februari 1790), keizer van het Heilige Roomse Rijk (van 1765 tot 1790). Hij werd opgevolgd door Leopold II die niet zo in muziek was geïnteresseerd als zijn voorganger.

Op 4 maart 1791 gaf Mozart zijn laatste publieke optreden als componist en pianovirtuoos met een uitvoering van het pianoconcert in Bes-groot, KV 595. 26 juli werd zijn jongste zoon Franz Xaver geboren.

Mozart oogstte in Wenen in oktober en november 1791 veel succes met zijn opera Die Zauberflöte (KV 620). Hoewel hij uitgeput was door het vele werk aanvaardt hij niettemin nog een geheime opdracht van graaf Walsegg zu Stupagg: een Requiem in d-klein (KV 626). Mozart overleed in de vroege ochtend van 5 december 1791, het Requiem bleef daardoor onvoltooid. Na een korte uitvaartmis in de Stephansdom werd Mozart begraven op de begraafplaats St. Marx te Wenen. Enkele dagen later, op 10 december 1791, werd in de St. Michaelskathedraal de hoogmis gezongen voor zijn nagedachtenis, waarbij de door Mozart voltooide en de door zijn leerlingen uitgewerkte delen van het Requiem werden uitgevoerd.

Zijn zoon Carl Thomas was 7 jaar oud bij het overlijden van zijn vader. Hij ging naar school in Praag om later zakenman te kunnen worden. Op zijn 14de ging hij op stage in Livorno, om daarna altijd in Italië te blijven. Hij studeerde daar korte tijd muziek, maar na een harde brief van zijn moeder, "dat een zoon van Mozart zich het niet kon veroorloven om middelmatig te zijn" bleef hij bedroefd ambtenaar en amateurmuzikant. Hij overleed in 1858. Franz Xaver Mozart werd wel muzikant. 

Mozart heeft een groot aantal composities nagelaten die gerangschikt zijn in de numerieke Köchel-Verzeichnis (KV). Deze lijst is genoemd naar de Oostenrijkse botanicus en muziekliefhebber Ludwig von Köchel (1800-1877).

Wolfgang Amadeus Mozart componeerde

     23 opera’s

- Die Schuldigkeit Des ersten und fürnehmsten Gebottes

(de boetedoening van het eerste en voornaamste gebod), KV 35, een geistliches Singspiel, 1767, toen Mozart 11 jaar oud was. Libretto Ignaz Anton von Weiser. Alleen het eerste deel van de opera is gecomponeerd door Mozart . Het tweede en derde deel, repectievelijk gecomponeerd door Michael Haydn en Anton Cajetan Adlgasser zijn verloren gegaan.

- Apollo et Hyacinthus, KV 38, opera (intermezzo) in één bedrijf, Latijns libretto Rufinus Widl. Intermezzo bij Widls drama Clementia Croesi. 13 mei 1767. Mozart componeerde het in opdracht van het gymnasium, verbonden aan de Universiteit van Salzburg.

Het verhaal stamt uit de 'Metamorfosen' van Ovidius. Zephyrus is verliefd op koningsdochter Melia, tot woede van de jaloerse Apollo. Zephyrus doodt bij het discuswerpen koningszoon (broer van dus) Hyacinthus en beschuldigt Apollo van de moord. Apollo geeft aan de winden opdracht hem weg te dragen. De stervende Hyacinthus vertelt de waarheid, en Apollo verandert hem in een bloemperk en trouwt zelf met Melia.

Een uitgebalanceerde opera met expressieve en ontroerende momenten, en dat voor een elfjarige.

- Bastien und Bastienne, K 50, 1768 (gereviseerd in1964 naar K 46b), singspiel in één akte, komische opera, door Mozart geschreven toen hij 12 jaar oud was. libretto Friedrich Wilhelm Weiskern, Johann Heinrich Müller en Johann Andreas Schachtner, gebaseerd op "Les Amours de Bastien et Bastienne" van Justine Favart en Harny de Guerville (frans). Ondanks zijn jeugdige leeftijd al muzikaal en opera-technisch een mooi werkje.

- La finta semplice (“de onschuldige grap"), K 51 (46a), opera buffa in drie bedrijven voor zeven stemmen en orkest, 1768, gecomponeerd toen Mozart 12 jaar oud was en met zijn Vader in Wenen verbleef. Libretto van de Weense hofdichter Marco Coltellini, gebaseerd op een eerder werk van Carlo Goldoni.

Legerkapitein Fracasso (tenor) en zijn Hongaarse troepen zijn gelegerd bij Cremona. Fracasso en zijn sergeant Simone (bas) logeren twee maanden in het huis van Don Cassandro (bas), die in een groot huis woont met zijn zwakbegaafde broer Polidoro (tenor), en hun beeldschone zuster Giacinta (mezzosopraan). In het tweede bedrijf, scene 6 zingt Polidoro de lyrische aria “sposa cara, sposa bella”.

- Mitridate, Rè di Ponto, KV 87, dramma per musica in drie actes, libretto Vittorio Amedeo Cigna-Santi, gebaseerd op de vertaling in het Italiaans van Mithridate, een tragedie van Jean Racine, december 1770, gecomponeerd tijdens zijn eerste reis naar Italië (1770-1771), samen met zijn vader, – hij was toen 14 jaar – in opdracht van graaf Carlo di Firmian, gouverneur-generaal van de Oostenrijkse provincie Lombardije en neef van de vroegere aartsbisschop van Salzburg Firmian. Aangrijpend drama. Koning Mitridate van Pontus (tenor), heeft twee zoons, de trouwe Sifare (sopraan) en de verraderlijke oudere broer Farnace (alt), die samenspant met de Romeinen. Beide zoons houden van hun vaders verloofde, Aspasia (sopraan), die de liefde van Sifare beantwoordt.

"Venga pur, minacci" laatste aria van Farnace in het eerste bedrijf.

- Ascanio in Alba, K 111, opera in twee bedrijven (Festa teatrale in due atti), libretto Giuseppe Parini; 17 oktober 1771, geschreven in opdracht van keizerin Maria Theresia; een paar buitengewoon mooie aria’s en brilliante muzikale dramamomenten. Het toneel is een Arcadish landschap bij Rome. Venus (sopraan) vertelt haar kleinzoon Ascanio (alto castrato of mezzosopraan) dat hij met de wijze nymph Silvia (sopraan), afstammelinge van Hercules,  moet Trouwen, om zo een deel van haar land te regeren. Hij gaat op zoek naar Silvia, maar vermomt zich om zo zeker te zijn van haar gevoelens.

- Il sogno di Scipione, KV 126, dramatische serenade in één bedrijf, libretto Pietro Metastasio, gebaseerd op het boek Somnium Scipionis van Cicero, 1 mei 1772. Mozart had het werk op zijn 15de gecomponeerd voor zijn werkgever, Prins-Aartsbisschop Sigismund von Schrattenbach. Maar omdat die overleed voordat de opera kon worden uitgevoerd, droeg Mozart het werk op aan diens opvolger, Graaf Colloredo.

- Lucio Silla, K 135, Italiaanse opera in drie bedrijven, 1772, libretto Giovanni de Gamerra. Hoofdpersoon Lucio Silla (tenor), dictator van Rome, zingt meteen in scene vijf een wraakzuchtige aria: il desìo di vendetta, e di morte.

- La finta giardiniera (De vermomde tuinierster), KV 196, opera buffa in drie bedrijven, libretto (waarschijnlijk) Guiseppe Petrosellini, 1775. Je hoort er al de aanzet tot Don Giovanni in. Maar dat is het dus nog niet. Opnieuw georkestreerd in 1796.

- Il re pastore (“De herder-koning”) opera seria in twee bedrijven, KV 208, 23 april 1775, libretto Metastasio, gebaseerd op “Aminta” van. Torquato Tasso. Het drama over een liefdeskwartet: herder/koning Aminta (sopraancastraat) en Phoenicische herderin Elisa (sopraan), aristocraat uit Sidon Agenore (tenor) en tirannendochter Tamiri (sopraan) waarbij de onderlinge trouw een wat dubieus karakter vertoont, wijst al in de richting van de opera Così fan tutte. Speels. Halverwege de tweede acte zingt Aminta (tegenwoordig vaak een vrouwelijke sopraan) de lastige aria: "L'amerò, sarò costante"

- Zaide (oorspronkelijk “Das Serail”) onafgemaakt Singspiel K 344,1780; alleen de aria’s en de ensembles van de eerste twee bedrijven werden gecomponeerd, een ouverture en het derde bedrijf ontbreken. Libretto van Johann Andreas Schachtner, speelt zich af in Turkije. Mozart stopte met het werk omdat hij wilde werken aan zijn opera Idomeneo, borg het op en keek er nooit meer naar. Na zijn dood vond Constanze het manuscript in 1799. Aanvullingen om het werk af te maken zijn geschreven door bijvoorbeeld Luciano Berio en Chaya Czernowin. Mozarts symfonie symfonie nr. 32, K 318, wordt vaak als ouverture gebruikt.

- Idomeneo, re di Creta ossia Ilia e Idamante, KV 366, 1781, libretto vertaald door Giambattista Varesco van een Franse tekst van Antoine Danchet voor de gelijknamige opera van André Campra uit 1712. In al zijn delicaatheid stelt deze opera bijzonder dramatische eisen aan solisten en orkest. Het verhaal speelt zich af op Kreta, vlak na de Trojaanse oorlog.

In de eerste acte zingt hoofdpersoon Ilia (sopraan), de dochter van de verslagen Trojaanse koning Priam, meteen maar een mooie aria: "Padre, Germani, addio" (vader, broers, tot ziens). Een tweede sopraan. Elektra, de dochter van Agamemnon, speelt ook een hoofdrol en zingt in de derde akte: nr. 29 recitatief en aria “Oh smania! oh furie!...D'Oreste, d'Aiace”

- Die Entführung aus dem Serail, KV 384, Singspiel in drie bedrijven, 1782, libretto J. Gottlieb Stephanie jr., gebaseerd op Belmonte und Konstanze geschreven door Georg Friedrich Bretzner (1780). Belmonte (tenor), op zoek naar zijn geliefde Konstanze (sopraan), die door zeerovers is ontvoerd, speelt er een hoofdrol in. Dan hebben we nog Blondchen, dienstmeid van Konstanze (sopraan), die de aria "Welche Wonne, welche Lust" adembenemend zingt, Pedrillo, bediende van Belmonte (tenor), Bassa Selim, Turkse heerser (praat alleen maar) en Osmin, sadistische opzichter van de harem van Bassa Selim (bas). Halverwege de tweede akte zingt Konstanze de aria: "Martern aller Arten" (martelingen in elke vorm). Belmonte zingt de aria's: "Wenn der Freude Tränen fliessen" (1ste bedrijf, nr. 15) en :"Ich baue ganz auf deine Stärke" (begin derde bedrijf, nr. 17)

- Der Schauspieldirektor, KV 486, komisch Singspiel, 1786, libretto Gottlieb Stephanie, een Oostenrijkse Schauspieldirektor.

- Le Nozze di Figaro (de bruiloft van Figaro), KV 492, 1786, opera buffa in vier bedrijven; libretto Lorenzo da Ponte, gebaseerd op een blijspel van Pierre Beaumarchais. Het is een vervolg op De barbier van Sevilla, een ander blijspel van Beaumarchais. Knecht van de graaf, voorheen kapper Figaro (bas/bariton) gaat trouwen met kamermeisje Susanna (sopraan). Maar hun baas graaf Almaviva (bariton) wil haar eerst "testen". La Contessa (de gravin) Almaviva (sopraan) is daar uiteraard tegen. De gravin groeide destidjs als wee op in het huis van de arts Bartolo (bas) die hier ook nog een rol speelt.  En dan zijn er nog allerlei anderen die zich ermee bemoeien, zoals Gouvernante Marcellina, (mezzosopraan of alt), muziekleraar Don Basilio (tenor), die de clown uithangt, en Don Curzio (buffo tenor), een rechter, die een beetje moet stotteren. Door zijn verschijning wordt de rechterlijke macht behoorlijk op de hak genomen. Een komedie vol drama, nog spannend ook. Intriges, omkoping, zwartmakerij, liefde en uiteindelijk verzoening. "Contessa perdono, piú docile io sono" zingt op het einde graaf Almaviva (bariton), vraag om ultieme vergeving. La Contessa Almaviva heeft mooie aria's. 

Aan het einde  van de eerste akte zingt Figaro als goede raad aan Cherubino, knecht van de graaf (mezzosopraan, castratenrol, tegenwoordig ook vaak countertenor of verkleedde mezzosopraan), die voor straf in het leger moet: „Non più andrai, farfallone amoroso.  

  Cherubino zelf zingt in de eerste akte "Non so più cosa son, cosa faccio" waarin hij zijn groeiende interesse voor alles wat vrouwelijk is ten toon spreidt, en in tweede akte de aria: Voi che sapete che cosa e amor.

De derde akte eindigt in een beeldschoon sextet, waarin alle spelers zo'n beetje meezingen.

De vierde akte begint met een cavatina, door Barbarina (sopraan), de argeloze dochter van de tuinman Antonio (bas). Ze heeft de speld verloren die ze vanwege de graaf als herkenningsteken van de afspraak aan Susanna moest overhandigen. “L'ho perduta me meschina.” Ze treurt om dat verlies in een andante louter door de strijkers met sourdine en baspizzicati begeleid, een korte elegie, het enige stuk van de opera volkomen in mineur. Mooi en ontroerend. Wordt wel de speld-aria genoemd.

In acte 4 ,scene 10 zingt Suzanna als nr. 27 de "Rozenaria" een versleutelde maar onmiskenbare liefdesverklaring aan Figaro: Deh, vieni, non tardar (o, kom, treuzel niet).

En ondanks al dat moois wordt de ouverture toch nog vaak apart als concertstuk uitgevoerd. 

- Don Giovanni, KV 527, 1787, dramma giocoso in twee bedrijven; libretto Lorenzo da Ponte. Hoofdpersoon is de jonge edelman en vrouwenversierder Don Giovanni (bariton). De manier waarop hij de gebruikte vrouwen laat vallen, roept om wraak. De sopranen Donna Anna (sopraan) en Donna Elvira (sopraan) zetten zich daar voor in. Tegenpool van Don Giovanni is Il Commandantore (bas), vader van Donna Anna, vertegenwoordiger van het gezag. Aan het begin van de opera onstaat al een duel tussen Don Giovanni en Il Commandatore, waarbij de laatste het onderspit delft en dodelijk wordt getroffen. Aan het slot van opera komt Il Commandatore's standbeeld zijn gram halen. De wetten blijken in steen gebeiteld. In hwt begin van het eerste bedrijf probeert Don Giovanni meteen het boerenmeisje  Zerlina (sopraan) te versieren met het duet Là ci darem la mano (laten we ekaar de hand geven).  Zerlina zingt in scene 5: "Batti, batti, o bel Masetto" (sla me, sla me, mooie Masetto), en als boerenjongen Masetto (bas) even later zelf in elkaar geslagen is, zingt ze hem in Acte 2, nr. 18 toe: Vedrai, carino" (je zult zien, liefje). Uiteindelijk gaat Don Giovanni te gronde. Het verhaal wordt subtiel en spannend op de planken gebracht. De komische noot ontbreekt niet, daar zorgt voornamelijk Don Giovanni's knecht Leporello (bas) voor, bijvoorbeeld zijn “catalogus aria” in scene 2 van het eerste bedrijf “Madamina, il catalogo è questo” waarin het tegen Donna Elvira het aantal veroveringen van zijn baas opsomt: 640 in Italië, 231 in Duitsland, 100 in Frankrijk, in Turkije 91 en in Spanje 1003.

- Così fan tutte, ossia La scuola degli amanti ("Zo doen alle vrouwen", of "Scholing van verloofden"), KV 588, 1790, opera in twee bedrijven; libretto Lorenzo da Ponte, een van de meest muzikale opera’s van Mozart. De vrienden en jonge officieren Ferrando (tenor) en Gugliemo (bariton) zijn verloofd met de zusjes Dorabella (mezzosopraan) en Fiordiligi (sopraan). Stokebrand Don Alfonso zaait twijfel over de trouw van de vrouw en die van Dora en Fiordiligi in het bijzonder. De drie mannen sluiten een weddenschap. De opera kan beginnen. Belangrijke rol voor dienstmeisje Despina(sopraan): iemand moet toch commentaar kunnen leveren. Hoogtepunten: acte 1. scene 1; duet Fiodiligi en Dorabella: "Ah, guarda sorella"; en een prachtig trio van Don Alfonso en de zusjes die hun verloofdes uitzwaaien: "Soave sia il vento" ("dat de wind maar zacht mag waaien"); scene 2: Fiordiligi: "Come soglio" ("als een rots"); scene 6: kwintet "Di scrivermi ogni giorno"; eind van het eerste bedrijf, Despina: "In uomini, in soldati" ("in mannen, in soldaten"), acte 2, scene 1, Despina: "Una donna a quindici anni" ("een vrouw van 15 jaar"); Ferrando: de solo "Un'aura amorosa"; een compleet universum aan oprecht menselijke emoties; misschien Mozarts mooiste opera.

- Der Stein der Weisen oder die Zauberinsel, 1790, Singspiel met 20 muzieknummers, waarvan Mozart er twee schreef. De partituur werd sinds de laatste opvoering in Linz in 1814 vermist. In 1996 heeft de Amerikaanse musicoloog David J. Buch hem herontdekt. Een soort voorstudie voor “Die Zauberflöte”: zelfde verhaallijn, zelfde karakters. Het libretto was van Emanuel Schikaneder, de muziek van de vrienden Johann Baptist Henneberg, Benedikt Schack, Franz Xaver Gerl en Wolfgang Amadeus Mozart. Het ‘Kattenduet’ van Lubano (bariton) en Lubana (sopraan), gecomponeerd door Mozart is het leukste stukje van de opera (het enige leuke?). De ouveture wordt ook wel als afzondelijk muziekstik uitgevoerd.

- Die Zauberflöte, KV 620, 1791, is een opera in twee bedrijven; libretto van Emanuel Schikaneder, gebaseerd op "Lulu oder die Zauberflöte", een verhaal van Christoph Wieland. Meesterwerk waarin Mozart de absolute synthese bereikt tussen het Duitse zangspel en de Italiaanse opera. De aria van Astrafiamante, "Koningin van de nacht" (coloratuursopraan, geschreven voor zijn schoonzus Josepha Weber) in het tweede bedrijf, scene 3: "Der Hölle Rache kocht in meinem Herzen" met een zeldzame hoge F6 is zo'n beetje de beroemdste opera-aria ooit geschreven. De opera is doordrenkt met vrijmetselaarsideeën: het symbolische einde van de nacht (illusie), verlichting, inzicht en wijsheid zegevieren. Maar ook vol met komische momenten ("der Vogelfänger bin ich ja!"). Eén van de hoofdrolspelers is Papageno (bariton), een hatverwarmende vogelvanger, die met zijn panfluit vogels lokt, vangt en verkoopt aan de Koningin van de Nacht. Hij vindt in de opera het meisje van zijn dromen: Papagena (sopraan). En Pamina (sopraan), de gevoelige dochter van de Astrafiamante, moet ook heel wat doormaken. Zij zingt in scene 4 van het tweede bedrijf de gevoelige aria: "Ach, ich fühl's, es ist verschwunden". Zij is ontvoerd door de eigenlijk wel verstandige priester van de zon Sarastro (diepe bas) en wordt bevrijd door de stijlvolle held van het verhaal: Prins Tamino (lyrische tenor). Sarastro zingt zijn eerste aria met koor aan het begin van het tweede bedrijf: "O Isis und Osiris".   

Dichter Morel de Chédeville hertaalde het hele verhaal in 1801 met een nieuwe plot in het Frans: Les Mystères d'Isis, en componist /bewerker Ludwig Wenzel Lachnith (toepasselijke achternaam!) haalde er nog wat succesnummers uit andere opera's van Mozart bij.

- La clemenza di Tito, KV 1621, 1791, opera in twee bedrijven, libretto Pietro Metastasio, aangepast door Cazzino Mazzolà. Geschreven voor de kroning van keizer Leopold in Praag. De laatste opera die Mozart geschreven heeft. Vanaf 1980 wordt de opera weer regelmatig uitgevoerd. Het verhaal speelt zich af in het jaar 79 in Rome. Vitellia (sopraan), dochter van de opzij gezette keizer Vitellius, hoopt toch de troon te bereiken door keizer Titus (tenor)te verleiden. De beste vriend van Titus, Sextus (mezzosopraan), heeft gevoelens voor Vitellia. Zij kan hem daardoor misbruiken om hem op te zetten tegen zijn vriend Titus de keizer en een opstand te leiden tegen zijn vriend. Titus is ondertussen van plan met Servillia (sopraan), de zus van zijn vriend Sextus te trouwen, maar die is meer gescharmeerd van Annius (mezzosopraan), een andere vriend van Sextus. Toestanden dus. Publius (bas), commandeur van de Praetoriaanse garde, moet alles maar een beetje in goede banen weten te leiden. Tegen het eind als alle intriges worden bekend gemaakt, besluit Titus genade boven recht te laten gelden en zingt hij de grootse aria Se all'impero.

     1 muziektheaterwerk

- Pantalon und Columbine, pantomime, KV 446, 1783, gecomponeerd voor een carnaval bal, “gerestaureerd” door Johannes Holik

     1 ballet

- Les petits riens ("De kleine niksjes") K 299b, ballet in één bedrijf en drie scènes, choreografie Jean-Georges Noverre, 11 juni 1778 in Parijs, gecomponeerd als tussenspel in de opera Le finte gemelle van Niccolò Piccinni. Het ballet werd eind 19de eeuw herondekt in de archieven van de Parijse opera.

     2 oratoria

- Betulia liberata ("De bevrijding van Bethulia"), K 118 (74c) juli 1771, Mozart was 15 jaar oud, libretto Pietro Metastasio, naar de geschiedenis van Judith en Holofernes, zoals beschreven in het Bijbelboek Judith. Geschreven in opdracht van Giuseppe Ximenes, Prins van Aragon, maar nooit uitgevoerd tijdens Mozarts leven. Contrapuntische rijkdom en muzikale retoriek, maar een paar veel te lange recitatieven.

- Davide penitente, K 469, oratorium op tekst van Saverio Mattei, 13 maart 1785. Bijna alle muziek is overgenomen van de onvoltooide grote mis in c kleine terts, K 427. Voor het oratorium zijn twee nieuwe aria’s gecomponeerd.

     17 missen

- Mis nr. 15: Missa in C grote terts KV 317, in maart 1779 voor  het Paasfeest gecomponeerd in opdracht van graaf Colloredo, aartsbisschop van Salzburg. Omdat de mis ook gebruikt is in 1791 te Praag bij de kroning van Keizer Leopold II tot Koning van Bohemen, is hij als "Krönungsmesse"  de geschiedenis ingegaan.

- Mis nr. 16: Missa solemnis in C grote terts,KV.337 ( "Missa aulica"), Mozarts laatste voltooide mis,

- Mis nr. 17: Große Messe in c kleine terts, KV 427, 1783, een grootschalig werk voor twee sopranen, tenor, bas, dubbel koor en groot orkest. De mis bleef onvolledig. Verschillende uitgevers en componisten hebben zich er toe gezet om het te voltooien. Het is op zich een groots werk, vergelijkbaar met het Requiem. De mis heeft iets van een experiment. De twee fuga's in het werk getuigen van verdieping in het werk van Johann Sebastian Bach. In het achtstemmige Qui tollis peccata mundi meet Mozart zich met de Bach van de Hohe Messe.  Het Et incarnatus est schreef hij voor zijn vrouw Constanze. Bij het Credo aangeland, legt hij, als 27-jarige in de kracht van zijn leven, de partituur opzij. Misschien omdat zijn eerstgeboren zoontje gestorven was. Twee jaar later gebruikte hij wel delen voor zijn cantate Davide Penitente.

     Requiem

In de zomer van 1791 werd Mozart door een onbekende man benaderd. Hij wilde een  requiem wilde bestellen. De reden en zijn identiteit wilde de man niet bekend maken. Later bleek de mysterieuze man (misschien Franz Anton Leitgeb) in opdracht te handelen van graaf Franz von Walsegg. Deze graaf  wilde van Mozart een dodenmis ter nagedachtenis van zijn overleden echtgenote.

Op het moment dat Mozart de opdracht aannam, had hij al te kampen met gezondheidsproblemen. Voor zijn dood gaf hij zijn vriend en oud-leerling Franz Xaver Süssmayr aanwijzingen over hoe de nog niet afgewerkte delen dienden te worden ingevuld.  Süssmayr heeft het werk op verzoek van weduwe Constanze Mozart voltooid zoals we het nu kennen. Of hij daarbij gebruik heeft kunnen maken van schetsen van Mozarts hand is nog steeds een onderwerp van discussie. Eén van de meest aangrijpende composities, ooit geschreven. Een meesterwerk van de allerhoogste orde.

     3 cantates

- Grabmusik (Passionskantate), in C grote terts voor sopraan, bas, gemengd koor en orkest, KV 42, 1767, verbluffend

     4 litanieën

- Litaniae de venerabili altaris sacramento in Bes grote terts K. 125, 1772

- Litaniae de venerabili altaris sacramento in Es grote terts, K. 243, 1776

     3 vespers

- Dixit Dominus en Magnificat, KV. 193, alleen een gedeelte van de vespers (1774).

- Vesperae solennes de Dominica, KV. 321, voor solo zangstemmen  (S,A,T,B), gemengd koor, orkest en orgel, 1779.

- Vesperae solemnes de confessore, KV. 339, 1780

De vespers KV 321 en  KV 339 hebben elk de volledige vereiste serie van vijf psalmen plus het Magnificat.

     talloze offertoires, psalmen, motetten en misfragmenten

- Regina Coeli voor sopraan, koor en orkest, KV 108

- Exsultate, jubilate, K 165, 1773, speciaal geschreven voor de Italiaanse castraatzanger Venanzio Rauzzini.

- Misericordias Domini in d kleine terts, offertoire K 222/205a, 1775

- Venite populi, offertorium  in D grote terts, K. 260/248a, 1775

- Ave verum corpus, K 618, 17 juni 1791, voor koor, strijkers en orgel, geschreven voor zijn vriend  Anton Stoll, muzikaal assistent in de parochie van Baden om het feest van Sacramentsdag  te vieren.

     9 vrijmetselaarswerken

- Maurerische Trauermusik (Vrijmetselaars Begrafenismuziek) in c kleine terts, K. 477 (K. 479a), orkestwerk, uitgevoerd tijdens een Vrijmetselaars begrafenisdienst op 17 november 1785 van twee graven, die lid waren van Mozarts vrijmetselaarsloge. Mozart schrijft bij de blazers van het orkest drie bassethoorns voor, die ook bespeeld moesten worden door vrijmetselaarbroeders.

     56 symfonieën, waarvan een aantal van twijfelachtige herkomst

- Symfonie nr. 1 in Es grote terts, K 16, 1764, geschreven op achtjarige leeftijd in Londen, 180 Ebury Street, tijdens een tournee door Europa. De originele partituur van de symfonie wordt bewaard in de Biblioteka Jagiellońska in Kraków.

- Symfonie nr. 5 in Bes grote terts, K 22, 1765, Den Haag, op negenjarige leeftijd gecomponeerd, op concertreis door West-Europa.

- Symfonie nr. 11 in D grote terts, KV 84, 1770, een driedelig werk, waarvan Mozarts’ auteurschap niet vasstaat. De symfonie kan ook van Leopold Mozart zijn of van Carl Dittersdorf. 

- Symfonie nr. 21 in A grote terts, K 134, 1772.

- Symfonie nr. 23 in D grote terts, KV 181, 1773, heeft als bijnaam wel “Ouverture”. Een ééndelige sinfonia, die wel uit drie tempi bestaat.

- Symfonie nr. 50 in D grote terts, KV 141a, 1774. De symfonie bestaat uit KV 161: ouverture tot de opera Il sogno di Scipione, KV 126,  1771, en een later gecomponeerde finale, KV 163.

- Symfonie nr. 32 in G grote terts,  K 318, 1779, gecomponeerd in de vorm van en Italiaanse Ouverture, drie deeltjes die elkaar zonder pauze opvolgen;

- Symfonie nr. 35 in D grote terts K 385, 1782,  “Haffner Symfonie”, omdat hij was besteld door de Haffners, een vooraanstaande Salzburgse familie, ter gelegenheid van de verheffing in de adelstand van Sigmund Haffner, burgemeester van Wenen. Bewerking van een half jaar eerder geschreven serenade.

- Symfonie nr. 36 in C grote terts, Linzer Symfonie,  KV 425, eind 1783, geschreven in de Oostenrijkse stad Linz, toen Mozart en Constanze op terugreis waren van Venetië naar Salzburg. In 4 dagen geschreven.

- Symfonie nr.38 in D grote terts,  KV 504, 1786, de 'Praagse'. Een krachtig sprankelend werK Het eerste deel opent met een duistere, majestueus Adagio, gevolgd door een Allegro, opgebouwd met prachtig contrapunt.  

- Symfonie nr. 39 in Es grote terts,  KV 543, 26 juni 1788, dansant, Beethoveniaanse trekjes.  

- Symfonie nr. 40 in g kleine terts, KV 550, 25 juli 1788, een prachtig briljant werk, vooral het eerst deel: Molto Allegro.  Romantiek avant la lettre

- Symfonie nr. 41 in C grote terts, KV 551,  Jupitersymfonie, 10 augustus 1788. Typerend voor de symfonie is de vijfstemmige fuga aan het einde van het laatste deel Molto allegro, maar meerdere fugatische elementen zijn te vinden in het werK Het laatste deel, dat eindigt in een lange melodie, opgebouwd uit eerdere motieven, waarmee Mozart een vijfstemmige canon maakt is een contrapuntisch hoogstandje.

     2 sinfonie concertante

- Sinfonia concertante en Es groot voor hobo, klarinet, hoorn, fagot & orkest, KV 297b, door Mozart in 1778 in Parijs gecomponeerd, maar verloren gegaan. Een eeuw later zijn de partijen in een ander handschrift omgewerkt teruggevonden, en door musicoloog Robert LevinI gereconstruneerd. De echtheid is onduidelijk Een kwalitatief hoogstaand werk

- Sinfonia concertante in es kleine terts KV 364/320d, zijn mooiste concertante werk voor strijkinstrumenten, 1779, voor twee soloviolisten en strijkorkest.

     8 vioolconcerten en stukken voor viool en orkest

- vioolconcert nr. 1 in Bes grote tertst KV 207, 1773, Mozarts eerste soloconcert, jeugdig enthousiast, met elementen uit zijn fagotconcert KV 191

- vioolconcert nr. 2 in D grote terts KV 211, 1775

- vioolconcert nr. 3 in G grote terts KV 216, 1775, Mozart was 19 jaar, briljant openingsthema;

- vioolconcert nr. 4 in D grote terts KV 218, 1775

- vioolconcert nr. 5 in A grote terts KV 219, 1775, Het "Turkse concert" vanwege de luide passages Turkse muziek in het laatste deel. Voor de rest een oneindige schoonheid, geniale invallen en alles overtreffende nobelheid.

- Adagio in E grote terts voor viool en orkest, KV 261, 1776 voor de violist Antonio Brunetti

- Rondo in Bes grote terts, K. 269/261a, tussen 1775 and 1777 als vervangende finale voor vioolconcert K. 207. Ook dit Rondo werd geschreven op verzoek van de Italiaanse violist Antonio Brunetti.

- Rondo in C grote terts voor viool en orkest, KV 373, 1781 voor de violist Antonio Brunetti

     30 pianoconcerten

- 3 Pianoconcerten K 107, gebaseerd op de sonatas opus 5 van Johann Christian Bach. Mozart  vormde de Sonata nr. 2 in D grote terts, Sonata nr. 3 in G grote terts en Sonata nr. 4 in Es grote terts om in zijn drie concerten K 107, omstreeks 1765, tijdens zijn verblijf in Londen.

- Pianoconcert nr. 5 in D grote terts,  K 175, 1773, door Mozart gecomponeerd toen hij 17 jaar was. Het is zijn eerste volledig originele eigen pianoconcert. Het laatste deel, het fugatische  Rondo: Allegro verving Mozart later door een melodieuzer Rondo Finale, KV  386, waarbij hij ook een dwarsfluit inzette, wat in de eerdere delen niet was gebeurd. Het concert was een favoriet voor Mozart, dat hij op zijn concerten tot een jaar voor zijn dood bleef uitvoeren.    

- Pianoconcert nr. 6 in Bes grote terts,  KV 238, januari 1776, volgens het titelblad bedoeld voor klavecimbel.

- Pianoconcert nr. 7 in F grote terts, “Lodronconcert” in F majeur, KV 242, februari 1776, voor drie piano's, in opdracht van gravin Antonia Lodron, die het samen met haar twee dochters,  Aloysia and Giuseppa, wilde spelen. In 1780 herschreef Mozart het concert voor twee piano's.

- Pianoconcerto nr. 8 in C grote terts, K 246, “Lützow Concert” april 1776, geschreven voor de Salzburgse gravin Antonia Lützow, een goede 25‒jarige pianiste. Draagt de aanduiding "fortepiano".

- Pianoconcert nr. 9,“ Jeunehomme” in Es grote terts, KV 271, 1777. De musicoloog Michael Lorenz argumenteert, dat de pianiste voor wie Mozart het concert geschreven heeft  Louise Victoire Jenamy was (1749-1812), dochter van Jean-Georges Noverre, een beroemde danser en een goede vriend van Mozart. “Jenamy” zou zijn verbasterd tot “Jeunehomme”. Het langzame deel met zijn grote bewogenheid en treffende dynamische contrasten is een hoogtepunt. Het eerste pianoconcert van Mozart dat er echt toe doet, fijn zangerig.

- Pianoconcert nr.10 in Es groot voor twéé piano’s, K 365/316a, 1779. Mozart schreef het om het samen met “Nannerl” uit te voeren. Hij was 23 jaar en stond op het punt Salzburg te verlaten en naar Wenen te verhuizen. Een bekend, veel uitgevoerd concert.  

- Pianoconcerto nr. 11 in F grote terts, KV 413 (387a), herfst 1782.

- Pianoconcerto nr. 12 in A grote terts,  K 414 (385p), 1782 in Wenen, de eerste van een serie van drie pianoconcerten die Mozart zelf uitvoerde tijdens zijn voorjaarsoncerten in 1783. In het tweede deel, Andante,  citeert Mozart een thema uit de ouverture van de opera La calamita de’ cuori (W G27) van Johann Christian Bach, die in dat jaar op 1 januari was gestorven. Mozart beschouwde dat als een groot verlies voor de muzikale wereld, dit was een eerbetoon.

- Pianoconcert nr. 13 in C grote terts, KV 415, 1783

- Pianoconcert nr. 14, 1784, in Es grote terts, K 449, fugatisch slotdeel, waar levenslust en uitbundig speelplezier van afspat.

- Pianoconcert nr. 15 in Bes grote terts, KV 450, eerste kwartaal 1784, een van de lastiger pianoconcerten, Voor het eerst gebruikte Mozart hierbij de term “groot concert”

- Pianoconcert nr. 16 in D grote terts, KV 451, 22 maart 1784.

- Pianoconcert nr. 17 in G grote terts, KV 453,12 april 1784, ach ja, mooi expressief openingsdeel.

- Pianoconcert nr. 18 in Bes grote terts, KV 456, 30 september 1784.

- Pianoconcert nr. 19 in F grote terts, KV 459, eind 1784. Wordt wel het “tweede kroningsconcert” genoemd omdat Mozart het speelde tijdens de kroning van Leopold II in Frankfurt am Main in oktober 1790.

- Pianoconcert nr. 20 in d kleine terts  KV 466, 1785, de moeite waard,  hier grijpt de dramatiek af en toe tenminste om zich heen, een spiritueel en intens concert met een onderhuids sluimerend noodlot.  Stormachtig en duister  maar even zo goed elegant. Uitzonderlijk concert. Een van de favoriete concerten van Ludwig van Beethoven, die voor de felen 1 en 3 cadenzen schreef, èn van Joseph Stalin.

- Pianoconcert nr. 21 in C grote terts, KV 467, 9 maart 1785, vier weken nadat hij concerto 20 in d kleine terts voltooide; opgewekt, strijdvaardig.

- Pianoconcert nr. 22 in Es grote terts  KV 482, 1785, het eerste concert met ook klarinetten in het orkest. Het langzame deel Andante straalt een breekbare tederheid uit; met fraaie fagotsolo's. 

- Pianoconcert nr. 23 in A grote terts  KV 488, 1786, Mozarts bekendste en populairste pianoconcert, nogal onbekommerd, maar met een intense melancholie in het Adagio, zijn meest volmaakte pianoconcert.

- Pianoconcert nr. 24 in c kleine terts, KV 491, 24 maart 1786. Met zijn duistere stormachtige opening, chromatische identiteit en subtiele variaties wijst de sonate vooruit naar de Romantiek. Opvallende rol voor de klarinetten.

- Pianoconcert nr. 25 in C grote terts  KV 503, 1786, ook overbekend, maar een van Mozarts grootste werken (ook letterlijk, een symfonisch pianoconcert). Wat zonniger dan de vorige. opvallende rol voor fluit en hobo.

- Pianoconcert nr. 26 in D grote terts, KV 537, 24 februari 1788.  “Kroningsconcert” genoemd, omdat Mozart het uitvoerde tijdens de kroning van Leopold II als keizer in Frankfurt am Main in 1790. Hij speelde daar ook zijn pianoconcert nr. 19, maar dat kreeg de titel dus niet.  

- Pianoconcert nr. 27 in Bes grote terts, KV 595, 1791, het laatste, Mozart schreef zijn eigen cadenzen uit, voltooid vlak voor zijn dood.

- Rondo voor piano en orkest in D grote terts, K 382, driedelig concertrondo, 1782, oorspronkelijk bedoeld als alterntieve finale voor zijn pianoconcert nr. 5 in D grote terts

- Rondo voor piano en orkest in A grote terts, K 386, 1782

     4 hoornconcerten

- Hoornconcerto nr. 2 in Es grote terts, K. 417, 1783, geschreven voor zijn vriend Joseph Leitgeb, met de partituuraantekening “Wolfgang Amadues Mozart hat zich über den Leitgeb Esel, Ochs und Narr erbarmt.”

     6 concerten voor houtblazers

- Fagotconcert in Bes majeur, KV 191, 1773

- Hobo Concerto in C grote terts,   K 314, 1777 voor hoboïst Giuseppe Ferlendis (1755–1802) uit Bergamo, in 1778 omgewerkt tot een concerto voor fluit in D groe terts. Het is een van de belangrijkste concerten voor hobo geschreven, maar werd lang als verloren beschouwd. Het werd in 1920 teruggevonden door Bernhard Paumgartner in Salzburg

- Fluit Concerto nr. 1 in G grote terts, K 313, 1778, besteld door de Hollandse fluitist Ferdinand De Jean. Die wilde eigenlijk dre fluitconcerten, maar Mozart kwam niet verder dan 1 en hij werkte ook nog zijn hoboconcert om naar een fluitconcert voor Ferdinand De Jean:

- Fluit Concerto nr. 2 in D grote terts, K 314, 1778; Ferdinand De Jean was er niet tevreden over, dat hij het met een bewerking van een hoboconcert moest doen en heeft Mozart er daarom nooit voor betaald.

klarinetconcert in A grote terts KV 622 (1791) voor bassetklarinet, geschreven voor zijn vriend, de klarinettist Anton Stadler, de beste klarinettist van Wenen. Onwaarschijnlijke schoonheid. Hemels mooi tweede deel: Adagio

     2 dubbelconcerten

- concert voor fluit, harp en orkest KV 299. 1778, in opdracht van Adrien-Louis de Bonnières de Souastre, graaf de Guines.  De graaf zelf was fluitist en zijn dochter speelde harp, vandaar.  Eén van Mozarts meest populaire concerten

     11 serenades

- serenade nr. 5 in D grote terts, K 204/213a, 5 augustus 1775 voor plechtigheden aan de Universiteit van Salzburg.

- serenade nr. 6 voor orkest in D grote terts, K. 239, Serenata notturna, januari 1776.

- serenade nr. 7 voor orkest in D grote terts, K 250/248b, bijnaam Haffner Serenade, geschreven voor de familie Haffner. Mozarts vriend en leeftijdgenoot Sigmund Haffner bestelde de serenade voor de bruiloft van zijn zus Marie Elisabeth Haffner met Franz Xaver Spaeth. De 8-delige serenade werd uitgevoerd op 21 juli 1776, op de avond van de  bruiloft.

- serenade voor orkest nr. 9 in D grote terts KV 320, “Posthoornserenade” 1779. Voor blazers, inclusief posthoorn, slagwerk en strijkers

- serenade nr. 10 voor 12 blazers en bas in Bes grote terts, "Gran Partita", KV 361

- serenade nr. 11 voor blazers  in Es grote terts,  K 375, 15 oktober 1781, geschreven voor Sint Theresiadag.  Mozart schreef de volgens hemzelf “zeer zorgvuldig gecomponeerde” vijfdelige serenade voor 2 klarinetten, 2 hoorns en 2 fagotten. Later voegde Mozart nog 2 hobo’s toe, toen de keizer een harmonie-enseble oprichtte voor octetbezetting.

- serenade nr. 12 voor 8 blazers en contrabas in c kleine terts, K 388/384a, 1782. Bijnaam "Nachtmuziek". Mozart schreef het werk later om naar strijkkwintet K 406/516b.

- serenade nr. 13 voor strijkkwartet en contrabas in G grote terts, "Eine kleine Nachtmusik", KV 525

     26 divertimenti

- divertimento nr. 1 in Es grote terts K 113, 1771

- divertimento in D grote terts voor strijkkwartet of strijkorkest, K 136/125a,  ("Salzburg Symfonie nr 1") 1772, de viool is de prima donna en het andante zingt met Italiaanse charme.

- divertimento voor strijkkwartet of strijkorkest in Bes grote terts,  K 137/125b ("Salzburg Symfonie nr 2") , 1772

- divertimento nr. 8 in F grote terts, K. 213, 1775, voor blazers

- divertimento nr. 9 in Bes grote terts, K 240, 1776

- divertimento nr. 10 in F grote terts, K 247, "Lodron nr. 1" , 1776 "Lodronische Nachtmusik", titel die vader Leopold gaaf aan het voor de adelijke familie Londron in Salzburg geschreven werk

- divertimento nr. 11 in D grote terts, K 251 voor 2 violen, altviool, contrabas, 2 hoorns en hobo, feest, waarschijnlijk bestemd voor de verjaardag van zus Nannerl, 26 juli, de feestdag van de heilige Anna..

- divertimento nr. 12 in Es grote terts, K 252/240a, 1776

- divertimento nr. 13 in F grote terts, K 253, 1776

- divertimento nr. 14 in Bes grote terts, K 270, 1777

- vijf Divertimenti (25 stukken) voor drie bassethoorns (soort altklarinetten) in Bes grote terts, K 439b (Anhang. 229), 1783

- divertimento in Es grote terts, K 563, strijktrio, 1788, wordt breed gezien als verschillend van zijn andere divertimenti.

     13 marsen

     talloze menuetten, Duitse dansen en contredansen

     43 concertaria’s voor sopraan en orkest

- Conservati fedele, K 23, 1765, in Den Haag gecomponeerd, 9 jaar oud, op concertreis door Europa

- Per pietà, bell'idol mio, K78, 1766,  ook in Den Haag gecomponeerd,  tekst  Metastasio (15 Italiänische Arien theils in London, theils im Haag Componiert)

- "Ah, lo previdi! … Ah, t'invola … Deh, non varcar" KV 272, recitatief, aria en cavatina voor sopraan en orkest, libretto Vittorio Amedio Cigna-Santi, augustus 1777; aria van Andromeda.

- "Popoli di Tessaglia! – Io non chiedo, eterni Dei" (K 316/300b), 8 januari 1779 recitatief en aria om in te voegen in de opera Alceste van Christoph Willibald Gluck, op tekst van  Ranieri de' Calzabigi. Het is een concertaria geworden van een ongekende moeilijkheisgraad, geschreven voor zijn schoonzus Aloysia Weber. Twee keer komt er een G6 in voor, de hoogste muzikale noot ooit geschreven door een menselijke stem.

- "Vorrei spiegarvi, oh Dio!", K 418, 1783, hels lastig te zingen, geschreven voor zijn schoonzus Aloysia Weber. Mooie hobopartij.

- "Ch'io mi scordi di te? ... Non temer, amato bene", K 505, concertaria voor sopraan, piano en orkest, december 1786, één van zijn beste composities in dit genre. Uitwerking van een eerder geschreven aria als aanvulling voor zijn opera Idomeneo.

- "Bella mia fiamma...Resta, o cara!", recitatief en aria voor sopraan en orkest, 3 november 1787, K 528, opgedragen aan zijn gastvrouw Josefina Dušková, een vooraanstaand zangeres. In villa Bertramka, het zomerverblijf van de familie Dusek vond Mozart rust en inspiratie.

- "Schon lacht der holde Frühling", K 580, 17 September 1789, een “inleg–aria” in Paisiello’s opera, geschreven voor zijn schoonzus Josepha Weber.

     1 concertaria voor alt en orkest

     10 concertaria’s voor tenor en orkest

- "Si mostra la sorte" K 209, Aria voor tenor en orkest,  19 mei 1775

- "Con ossequio, con rispetto" K 210,  Aria voor tenor en okest, mei 1775

- "Clarice cara mia sposa", KV 256, aria voor tenor en orkest, september 1776

- "Misero! O sogno … Aura, che intorno spiri", KV 431 (425b), recitatief en aria voor tenor and orkest, december 1783

     9 concertaria’s voor bas  en orkest

- "Per questa bella mano", K 612, voor solobas met een obligate contrabaspartij in het orkest. Lastige  contrabaspartij met moeilijke passages en dubbelgrepen. Mogelijk geschreven als tussenspel voor een opera buffa van een collega-componist. De aria is tot vandaag de dag populair gebleven en een veel uitgevoerd concertstuk.

     48 liederen of andere werken voor zangstem(men) en piano of ander instrument

- Dans un bois solitaire,  K 308 (295b); Ariette in A grote terts op tekst van Antoine Houdar de La Motte, 1778 

- 6 nocturnes voor 3 stemmen en bassethoorn, 1783, KV 346,  436 - 439, op teksten van Pietro Metastasio over de liefde, korte, charmante composities

- 'Per la ricuperata salute di Ofelia', cantate voor sopraan en piano, KV 477a, 1785, was ruim 200 jaar zoek. Het werd werd teruggevonden in de archieven van het Nationaal Museum in Praag. Dankzij onderzoek van de Duitse musicoloog en componist Timo Jouko Herrmann kwam het in november 2015 boven water, samen met de tekst. Wolfgang Amadeus schreef de cantate samen met Antonio Salieri. Mozart en Antonio Salieri schreven het stuk als welkomstgeschenk voor een zangeres die haar stem was kwijtgeraakt, maar weer was opgeknapt. 

     40 canons

- Freystädtler, lieber Gaulimauli, 1787, KV 232 (509a) canon voor vier sopranen, tekst waarschijnlijk van Mozart zelf, afkomstig uit Mozarts operaontwerp  Der Salzburgerlump in Wien (KV 509b), ná 4 juli 1787, slaat op zijn leerling/kopiist Franz Jakob Freystädtler 

    kamermuziekwerken

25 strijkkwartetten

- strijkkwartet nr. 1 in G grote terts, K 80/73f, 15 Maart 1770, terwijl Mozart, 14 jaar oud, op reis was in  Lodi, Lombardije.  Mozart componeerde het als een driedelig werk en voegde in 1773 een vierde deel toe.

- 6 kwartetten nr. 2 t/m nr. 7, de "Milanese kwartetten"  KV 155-160, 1773

- strijkkwartet nr. 2 in D grote terts, K 155/134a, herfst 1772 in Bolzano, terwijl Mozart en zijn vader door Italië reisden.

- strijkkwartet nr. 6 in Bes grote terts, K 159, 1773

- 6 kwartetten nr. 8 t/m nr.137, de "Weense kwartetten"  KV 158-173, 1773. In Wenen hoorde Mozart de strijkkwartetten van Haydn en was daar diep van onder de indruk. Deze strijkkwartetten zijn ook veel meer ontwikkeld dan zijn eerdere.

- strijkkwartet nr. 9 in A grote terts, K 169, 1773.

- strijkkwartet nr. 10 in C grote terts, K 170, 1773

- 5 fuga’s van Bach, gearrangeerd voor strijkkwartet, KV 405, 1782, met zelfgemaakte voorspelen (adagio's) 

- 6 kwartetten nr. 14 t/m nr. 19, de "Haydnkwartetten"  KV 387, 421, 428, 458, 464 en 465 (1785, aan Haydn opgedragen) zijn het populairst.

- strijkkwartet nr. 14 in G grote terts,  K 387, met als bijnaam "Lente"kwartet, op de autograaf staat door Mozart zelf geschreven "li 31 di decembre 1782 in vienna". Een contrapuntisch labyrinth.

- strijkkwartet nr. 15 in d kleine terts, K 421/417b, de enige uit de set in een kleine tertstoonladder.

- strijkkwartet nr. 16 in Es grote terts, KV 428

- strijkkwartet nr. 17 in Bes grote terts, Jachtkwartet, KV 458

- strijkkwartet nr. 19 in C grote terts, het "Dissonantenkwartet", KV 465, genoemd naar de dissonanten in de openingsmaten. De kale, strakke tonen snijden messcherp door de ziel, waarna de pijn oplost in de warme strijkersklank van het Allegro. Moet destijds behoorlijk schokkend zijn geweest.

- 3 Pruisische kwartetten, de nummers 21–23 (K 575, 589, 590), 1789–90, opgedragen aan Friedrich Wilhelm II, koning van Pruisen, die zelf cello speelde. De kwartetten hebben dan ook buitengewoon prominente en zangerige cellopartijen

- strijkkwartet nr. 21 in D grote terts, K 575, juni 1789, “het viooltje”.

- strijkkwartet nr. 22 in Bes grote terts, K 589, 1790

- strijkkwartet nr. 23 in F grote terts, K 590, 1790

6 strijkkwintetten, voor twee violen, twee altviolen en cello, de mooiste stukken uit zijn hele repertoire.

- strijkkwintet nr.1 in Bes grote terts KV 174
- strijkkwintet nr.2  in c klein e terts, KV 406, een wonder op zich; emotioneel geladen

- strijkkwintet nr.3 in C grote terts , KV 515 (19 april 1787)
- strijkkwintet nr.4 in g kleine terts, KV 516 (16 mei 1787), tegenhangers waar alles in zit: diepte, hoogte, evenwicht;

- strijkkwintet nr.5  in D grote terts KV 593
- strijkkwintet nr.6 in Es grote terts KV 614, hemelse muziek

CD: The Nash Ensemble: Mozart, String Quintets, Hyperion (3-cd)

- Adagio and Fugue in c kleine terts, voor twee violen, altviool. cello en contrabas, KV 546, 1788, geïnspireerd door het contrapunt van Johann Sebastian Bach.

36 vioolsonates

- 6 vioolsonates nr. 5 t/m nr. 10, opus 3, KV 10-15, voor klavecimbel, met begeleiding van viool (of fluit) en cello. Eind 1764 in Londen, tijdens de grote reis van Mozarts gezin door Europa. Koningin Charlotte van Engeland bestelde ze op 25 oktober 1764 en de werken werden op 18 januari 1765 aan haar opgedragen.

× vioolsonata nr. 5 in Bes grote terts, KV 10, 1764

× vioolsonata nr. 9 in C grote terts, KV 14, 1764

- 6 vioolsonates nr. 11 t/m nr. 16, KV 26-31, schreef Mozart in 1766 tijdens zijn verblijf in Den Haag voor prinses Caroline van Nassau-Weilburg, de zuster van stadhouder Willem V, vingeroefeningen;

× vioolsonata nr. 15 in F grote terts, KV 30, 1766, prachtig Adagio

- 6 vioolsonates nr. 18 t/m nr. 23,  KV 301-306, Mannheim,1778, nog wel een hoofdrol voor de piano, maar viool heeft een bijna evenwaardige rol. De sonates zijn opgedragen aan Maria Elisabeth, keurvorstin van de Palatinate (Palz) en daarom wel aangeduid als de "Palatine Sonatas".

× vioolsonata nr. 18 in G grote terts  (K 301) maart 1778

× vioolsonate nr, 21 in e kleine terts, KV 304, Mozart schreef het stuk naar aanleiding van het plotse overlijden van zijn moeder en zowel de stille weemoed als de woede om het fundamentele verlies zijn prominent aanwezig. Een zeldzaam smartelijk werk.

× vioolsonata nr. 22 in A grote terts ,  K 305 (293d), 1778.

× vioolsonate nr. 23 in D grote terts, K. 306, 1778

- vioolsonata nr. 24 in F grote terts, K 376, 1781, ook wel gespeeld door andere instrumentalisten zoals hobo.

- vioolsonate nr. 26 in Bes grote terts, K. 378/317d, 1779

- vioolsonate nr. 27 in G grote terts, K. 379/373a,1781 Het thema van het tweede deel”: Andante Cantabile met variaties is gerelateerd aan de Canon in d kleine terts van Johann Pachelbel.

- vioolsonata nr. 28 in Es grote terts, K 380, de piano overheerst de viool nog.

- vioolsonate nr. 32 in Bes grote terts, K 254, 21 april 1784, geschreven voor de  virtuoze violiste Regina Strinasacchi uit Mantua. De vioolpartij is eindelijk volstrekt evenwaardig aan de pianopartij. 

- vioolsonate nr. 33 in Es grote terts, K 481, 12 december 1785. Volwassen sonate.

2 variatiewerken voor viool en piano

- 6 Variaties in g kleine terts over "Hélas, j'ai perdu mon amant", K 360, K⁶ 374b, juni 1781

3 strijktrio’s

- 6  Preludes voor fuga’s van Johann Sebastian en Wilhem Friedemann Bach voor viool, altviool en cello, KV 404a, 1782

- Divertimento in Es, KV 563, 1788, opgedragen aan Michael Puchberg, een collega vrijmetselaar, waar Mozart geld van had geleend. Bij de première in Dresden, 13 april 1789, speelde Mozart zèlf altviool

6 pianotrio’s

trio in Es grote terts ( Kegelstatt-Trio ), K 498 voor piano, klarinet en altviool  (Wenen, 27 juli 1786, onder het kegelen, als hij niet ande beurt was componeerde hij vrolijk verder), de pianopartij schreef Mozart voor zijn leerling Franziska von Jacquin.

2 duo's voor viool en altviool, KV 423-424, 1783, daarmee hielp hij Michaël Haydn een opdracht van de aartsbisschop van Salburg voor het schrijven van 6 sonates  af te maken.

Duo in G grote terts, K 423, extraverte sfeer, korte melodische lijnen

Duo in Bes grote terts, K 424, lyrisch, lange melodische lijnen, symfonishe opzet.

12 andere kamermuziekwerken

sextet „Ein musikalischer Spaß“, voor 2 violen, altviool, contrabas en 2 hoorns,  KV522,   1787; de bijnamen „Dorpsmuzikantensextet“ of „Boerensymfonie“, die het stuk ná de dood van de componist kreeg, zijn alleen maar verwarrend, het is meer een schertsstuk over onvolkomen dillettant-componisten uit Mozarts omgeving.

- Adagio en Rondo voor glasharmonica, fluit, hobo, altviool en cello, 23 mei 1791, K 617

- Adagio in C grote terts voor glasharmonica 1791, K 617a

klarinetkwintet in A grote terts voor 2 violen, altviool, cello en bassetklarinet,  KV 581, 1789 gecomponeerd voor zijn vriend, de klarinettist  Anton Stadler. Mozart noemde het werk dan ook zelf “Stadler’s Quintet”, een favoriet kamermuziekwerk, prachtstuk, in het langzame tweede deel versmelten blaas- en strijkwerk optimaal en ontstaat een haast etherische klank. Er is een Grande Sonate voor klarinet (of viool) en piano van het klarinetkwintet afgeleid, maar of dat arrangement van Mozart zelf is, is onduidelijk. 

hobokwartet in F grote terts, K 370, 1781, voor hobo, viool, altviool en cello, geschreven voor de hoboïst Friedrich Ramm, een goede vriend van Mozart.

4 fluitkwartetten voor dwarsfluit, viool, altviool en cello; prachtige afwisselende muziek:

- fluitkwartet nr. 1 in D grote terts, KV 285; schoonheid van de bovenste plank; prachtig Adagio.

- fluitkwartet nr. 2 in G grote terts KV 285a;

- fluitkwartet nr. 3 in C grote terts KV 285b;

- fluitkwartet nr. 4 in A grote terts, KV 298;

2 pianokwartetten

- pianokwartet nr. 1 in g kleine terts, K 478, het eerste ooit gecomponeerde pianokwartet. De pianopartij kan ook nog op een klavecimbel gespeeld worden

- pianokwartet nr. 2 in Es grote terts,  K 493, 1786, in opdracht van muziekuitgever Franz Anton Hoffmeister

     17 kerksonates (epistelsonates) voor twee violen, orgel en bas

- Epistelsonate nr. 17 in C grote terts, KV 336, 1780

     30 liederen

- 5 solfeggio’s voor onbegeleide zangstem, 1782, K 393; K⁶.385, oefeningen geschreven voor Constanze.

nr. 2 Adagio

- "Das Veilchen" ("het viooltje"), K 476, voor zangstem en piano, op een gedicht van Johann Wolfgang von Goethe, 8 juni 1785;

- "Abendempfindung an Laura", K 523, onbekende tekstdichter, 24 juni 1787

     pianowerken

18  pianosonates

- Pianosonate nr. 2 in F grote terts, KV 280, 1775, het Adagio is net een zangerige aria, vreselijk mooi.

- pianosonata nr. 3 in Bes grote terts, K 281, (189f), 1774, een van de meest virtuoze stukken, door Mozart ooit gecomponeerd;

- Pianosonate nr. 4 in Es grote terts, KV 282, 1774, opgetogen openingsdeel

- Pianosonata nr. 5 in G grote terts, K 283 (189h), 1774;

- Pianosonata nr. 6 in D grote terts, K 284 (205b) , 1775, het laatste (derde) deel: Tema con variazione, een finale met twaalf variaties, maakt de sonate behoorlijk lang.

- Pianosonate nr. 7 in C grote terts, KV 309, november 1777. Het tweede deel van de driedelige sonate “Andante un poco Adagio” is een "portret" van zijn leerling Rose Cannabich, de 13-jarige dochter van kapelmeester Christian Cannabich van het orkest in Mannheim.

- Pianosonate nr. 8 in a kleine terts, K310 ; K⁶300d, 1778, toen Mozart in Parijs verbleef. 

- Pianosonate nr. 9 in D grote terts, KV 311, 1777

- Pianosonata nr. 10 in C grote terts, K 330, 1783, de eerste sonate in de cyclus K330-332, één van Mozarts populairste sonates. Mooi gevoelig andante cantabile. Het originele manuscript wordt bewaard in Jagiellonian bibliotheek in Krakau.

- Pianosonate nr. 11 in A grote terts, KV 331, 1783. Het derde deel: Alla Turca, allegretto (ook wel Rondo alla Turca, of Turkse Mars) is erg populair geworden.

- Pianosonate nr. 12 in F grote terts, KV 332, 1783, prachtig tweede deel

- Pianosonate nr. 13 in Bes grote terts, KV 333, 1783, één van Mozarts' mooiste pianosonates.

- Pianosonate nr. 14 in c kleine terts, KV 457, 1784. De tweede van de twee sonates die Mozart in kleine terts schreef.

- Pianosonate nr. 16 in C grote terts, KV 545 "Sonata facile" of "Sonata semplice" als bijnaam. In het begin van het eerste deel “Allegro” komt de bekendste “Albertijnse bas” (basmotief laag-hoog-midden-hoog bijv. c-g-e-g, in eindeloze afwisseling en herhaling) van de muziekgeschiedenis voor.

- Pianosonate nr. 17 in Bes grote terts, KV 570, 1789

- Pianosonata nr. 18 in D grote terts K 576, 1789, gecomponeerd als deel van een serie van zes sonates voor Prinses Friederike van Pruisen.

4 fantasieën

- fantasie nr. 1 met fuga in C grote terts, K 394, geïnspireerd door de preludia’s en fuga’s van Bach

- fantasie nr. 2 in c kleine terts, K 396/385f, fragment van een vioolsonate, Wenen, najaar 1782. Maximilian Stadler maakte er later een complete pianofantasie van, opgedragen aan Constanze Mozart.

- fantasie nr. 3 in d kleine terts, K 397, begonnen 1782, door Mozarts’ vroege dood onvoltooid gebleven en afgemaakt door August Eberhard Müller, een van Mozarts’ bewonderaars.

- fantasie nr. 4 in c kleine terts, K 475, 20 mei 1785. Een noodlotoperaatje met alle noodzakelijke ingrediënten, geschreven voor zijn leerlinge Therese von Trattern. Als opus 11 in 1785 samen gepubliceerd met Pianosonate nr. 14 in c kleine terts.

3 rondo’s

- Rondo nr. 1 in D grote terts, K 485

- Rondo nr. 3 in a kleine terts, K 511

16 variatiewerken

- 7 Variaties in D grote terts over "Willem van Nassau", K 25, 1766

- 6 Variaties in G grote terts over "Mio caro Adone" uit de opera "La fiera di Venezia" van Antonio Salieri, K 180, 1773, elegant.

- 9 Variaties in C grote terts over de arietta "Lison dormait" uit the opera "Julie" van Nicolas Dezède, K 264, 1778, toen Mozart zich in Parijs ophield.

- 12 variaties in Es grote terts over de Romance "Je suis Lindor" uit "Le Barbier de Seville" van Pierre Beaumarchais, muziek van Antoine-Laurent Baudron, K 354, 1778,

- Twaalf variaties over “Ah vous dirai-je, Maman", K 265/300e, 1781 of 1782). Het Franse melodietje van “Altijd is Kortjakje ziek” dook voor het eerst in 1761 op.

- 10 Variaties in G grote terts over de aria "Unser dummer Pöbel meint" uit "La rencontre imprévue" van Christoph Willibald Gluck, K. 455, omstreeks 1784. Tschaikovsky orkestreerde de variaties in 1887 als laatste deel van zijn orkestsuite “Mozartiana”.

- 8 Variaties in F grote terts over de aria "Ein Weib ist das herrlichste Ding" uit het Singspiel "Der dumme Gartner" van Benedikt Schack, KV 613, 1791

15 (series) andere werkjes voor piano solo

- Nannerl Notenbuch, boek waarin Leopold Mozart van 1759 tot ongeveer 1764 52 stukken voor zijn dochter Maria Anna Mozart ('Nannerl'), om piano te leren spelen. Wolfgang Amadeus schreef er ook 12 stukjes in, zijn eerste composities die opgeschreven werden.

× nr. 20. Allegro in C grote terts KV 9a (K 5a), vermoedelijk 1764

- Het Schetsboek van Londen  (Duits: Londoner Skizzenbuch), K15 a–ss (Anh. 109b), een serie van  43 stukjes en schetsen van Mozart, toen hij tussen 1764 and 1765 in Londen was.

× K 15u – Siciliano in d kleine terts voor piano

- Klavierstück in F (werk in F grote terts voor piano), K 33B, begin oktober 1766; Mozart schreef het op de rug van een circulaire van het  Zürcher Musikkollegium, gedateerd 30 September 1766; de autograaf van het 26 maten tellende levendige werkje werd pas in 1942 ontdekt.

- Allegro van een sonate in g kleine terts, K. 312, authenticitvoltooid door musicoloog–pianist Robert Levin.

- Suite in C grote terts, K 399, 1782, in de stijl van G.F. Händel.

- Allegro in Bes, K. 400, onvoltooid, afgemaakt door de Oostenrijkse componist Maximilian Stadler

- Kleine Gigue in G grote terts, K 574, Leipzig16 mei 1789, nauw verwant aan Handel's Gigue van de Suite nr. 8 in f kleine terts, HWV 433. Pyotr Ilyich Tchaikovsky baseerde de opening van zijn orkestsuite Mozartiana op dit werkje.

- Modulerende Prelude in F grote terts / C grote terts, KV 624 Anh. C 15.11

- Ouverture tot „Die Entführung aus dem Serail“ eigen pianozetting van Wolfgang Amadeus

6 sonates voor piano 4-handig

- pianosonata vierhandig in F grote terts, K 497

- sonata in D grote terts, K 381 / 123a, geschreven voor zichzelf en zijn zus Nannerl. Echte kamermuzieK

- 3 andere werkjes voor piano vierhandig

2 werken voor 2 piano's

- Sonata voor twee piano’s in D grote terts, K 448, 1781, geschreven voor een uitvoering met zijn leerling, pianiste Josephine von Aurnhammer; heerlijk ongecompliceerd, monumentaal werK

- Fugue in c kleine terts, K 426, 1788 gearrangeerd voor strijkkwintet als K 546

     8 orgelwerken

- Fantasia in f kleine terts voor een orgel-uurwerk, K 608, 1791

 

Johann (Jean, Giovanni) Christoph (Christoforo) Vogel (Fogel) (Neurenberg, Duitsland, gedoopt 18 maart 1756 – Parijs, 28 juni 1788) was de zoon van een viool- en luitenbouwer in Neurenberg. Zijn eerste vioollessen kreeg Johann Christoph Vogel van Georg Wilhelm Gruber. Op 17-jarige leeftijd ging hij naar Regensburg, waar hij lid werd van de hofkapel van de vorst Thurn und Taxis en leerling van muziektheoreticus Joseph Riegel.

In 1776 vertrok Johann Christoph Vogel op 20-jarige leeftijd naar Parijs en kreeg een baan als tweede hoornist in het orkest van het hof van de hertog van Montmorency en wat later in het orkest van de hertog van Valentinois.

Op 28 juni 1788 overleed hij onverwachts. Zijn kleinzoon was de componist Charles-Louis-Adolphe Vogel (1808-1892).

Johann Christoph Vogel componeerde

     2 opera’s

- La toison d'or, 1781, libretto Philippe Desriaux, wilde emoties;

- Démophon, 1788, libretto Philippe Desriaux

     1 oratorium

Jephté

     4 concertante symfonieën

     11 concerten

     1 werk voor harmonieorkest

     6 kwartetten voor viool, hoorn, fagot en cello

     30 kwartetten voor klarinet en strijkers

     27 andere kamermuziekwerken

 

Thomas (Tom) Linley junior (Abbey Green, Bath, Somerset, Engeland 7 mei 1756 – Lincolnshire, 5 augustus 1778) was het derde kind en de tweede zoon van componist, klavecinist en zangleraar Thomas Linley senior en Mary Johnson. Hij gaf concerten vanaf zijn 7de jaar, kreeg vanaf dat moment les van William Boyce en reisde op zijn 12de, in 1768, naar Italië, om daar tot 1771 bij Nardini in Florence viool en compositie te studeren. In 1770 ontmoette hij daar Wolfgang Amadeus Mozart. Beide 14–jarige jongens werden goede vrienden.

Tom Linley verdronk op zijn 22ste doordat de boot waarop hij voer tijdens een storm omsloeg, toen hij logeerde op het Grimsthorpe kateel in Lincolnshire bij zijn zus Mary. Hij is begraven in de Edenham parochiekerk. In Engeland is hij bekend onder de bijnaam "English Mozart".

In 1809 zijn veel werken van Tom Linley bij de grote Drury-Lanebrand verloren gegaan.

Tom Linley componeerde

     4 theatermuziekwerken

     1 anthem

     2 odes

     13 madrigalen, cantates, glees en elegiën

     20 vioolconcerten,omstreeks 1775 waarvan 1,  in F grote terts, bewaard

     7 vioolsonates,  waarvan 1, in A grote terts, 1768, bewaard

     liederen

 

Nicolas-Joseph  Hüllmandel (Hullmandel), (Straatsburg, Elzas, Frankrijk, 23 mei 1756 - London, 19 december 1823) was de zoon van Marie-Anne Diel and Michel Hüllmandel, violist aaan de kathedraal van Straatsburg. In 1771 was Nicolas-Joseph (daar heette hij James Nicolas) Hüllmandel in Londen in dienst van de Graaf van Guines. In 1775 reisde hij door Italië en in 1776 ging hij in Parijs wonen. Hij was daar onder meer een befaamd glasharmonicaspeler en trouwde met Camille Aurore Ducazan, nicht van het hoofd financieën en schatkistbewaker.

Tijdens de Franse Revolutie vlichtten Nicolas-Joseph Hüllmandel en zijn vrouw naar Londen.

Zijn zoon Charles Joseph ( London, 15 juni 1789 - 15 november 1850) werd leidinggevend op het gebied van lithografie; hij schreef verschillende boeken over steendruk en ontwikkelde een kleurendruktechniek: lithotint, en gaf ook muziek uit. Zijn dochter Adelaide Charlotte Evalina trouwde met bloemenschilder Bartholomew in 1827 en publiceerde een muziekopleidingsmethode voor kinderen;

Nicolas-Joseph Hüllmandel componeerde

     26 sonates voor klavecimbel/piano (en viool, meestal ad libitum)

     3 adere series klavecimbel/piano werken

     3 (series) kamermuziekwerken met  klavecimbel/piano

 

Joseph Martin Kraus (Miltenberg am Main, Duitsland, 20 juni 1756 - Stockholm, Zweden,15 december 1792) was de zoon van gemeentesecretaris Joseph Bernhard Kraus (1724-1810) en Anna Dorothea Schmidt (1733-1804). Joseph had 13 broertjes en zusjes, waarvan 7 in hun kindertijd overleden.

In 1761 verhuisde de familie naar Buchen (Odenwald) in Baden-Württemberg, waar vader Joseph Bernhard Kraus rentmeester werd. Als jong kind kreeg Joseph Kraus al piano- en vioollessen.

In 1768 begon Joseph Kraus een opleiding in Mannheim aan het Jezuïetengymnasium. Hij kreeg daar stevig muziek- en vioolles van de paters Alexander Keck en Anton Klein

In 1773 vertrok Joseph Kraus naar Mainz om daar filosofie en literatuur te studeren. Nog datzelfde jaar verwisselde hij de universiteit van Mai.enstudie stak hij veel tijd in muziek, en leerde componeren.

In november 1775 werd Joseph Kraus teruggeroepen naar Buchen, omdat zijn vader verdacht werd van corruptie en er een proces tegen hem was aangespannen. Joseph Kraus kon de periode dat het proces liep niet terug naar de universiteit.

Een jaar later mocht Joseph Kraus zijn studie weer hervatten. Dat deed hij in Göttingen. Maar vanwege het verloop van het proces van zijn vader voelde Joseph Kraus er weinig voor in Duitsland te blijven. Hij was goede vrienden geworden met de Zweedse collega-student Carl Stridsberg, die hem overhaalde mee te gaan naar Zweden. In april 1778 verliet Joseph Kraus Göttingen en kwam drie maanden later in Stockholm aan.

In Stockholm leefde Joseph Kraus in bittere armoede. Na drie jaar later, na de opvoering van zijn opera Proserpina voor Gustaaf III, kreeg Kraus een aanstelling als tweede kapelmeester van het hoforkest.

Vanaf 1782 tot 1786 reisde Joseph Kraus door heel Europa, waarbij hij kennis maakte met veel grote componisten. Hij werd lid van dezelfde vrijmetselaarsloge als Wolfgang Amadeus Mozart.

In 1787 werd Joseph Kraus benoemd tot Ordinarie Capellmästere en lid van de Kungliga Musikaliska Akademien. Zijn opdrachten waren: componeren van nieuwe muziek en de reorganisatie van het muziek- en theaterwezen in Stockholm.

Op 16 maart 1792 werd koning Gustaaf III tijdens een gemaskerd bal in de opera in Stockholm, in aanwezigheid van Joseph Kraus neergeschoten en overleed enkele weken later aan zijn verwondingen. De organisatorische verantwoordelijkheden en de emotionele schok van de koningsmoord vergden van Joseph Kraus, die al sinds zijn studententijd leed aan tuberculose, veel energie, waaardoor hij nog geen jaar later, op 15 december 1792, overleed hij aan de gevolgen van zijn ziekte.

Bertil H. von Boer maakte in 1988 een "Systematisch-thematisches Werkverzeichnis". Vanaf die tijd hebben de werken van Joseph Kraus een VB nummer

Joseph Kraus componeerde

     13 opera’s

- Aeneas in Cartago eller Dido och Aeneas, 1792, VB 23

     4 balletten

     1 mis

     2 requiems,

- Requiem in d kleine terts, 1775, VB 1

     2 oratoria

- Der Tod Jesu, 1777

     11 motetten

     8 cantates

     28 concertaria’s

     14 symfonieën

- Sinfonie in C-Dur ‘Violino obligato’, 1780, VB 138

- Sinfonie in c kleine terts  ‘Symphonie funèbre’, 1792,  VB 148 bij het opbaren van de  vermoorde koning Gustav III

     4 concerten

     Rijksdagmuziek, gecomponeerd voor de opening van de Zweedse Rijksdag, 1789, VB 154

     10 strijkkwartetten

     7 sonaten

     2 andere kamermuziekwerken

- fluitkwintet in D grote terts, opus 7, 1787, VB 188, beroemd geworden onconventioneel werk

     49 (series) liederen

     8 pianowerken

     5 orgelwerken

 

Paul Wranitzky (Pavel Vranický, Vranitzký) (Neureisch (Nová Říše), Moravië, 30 december 1756 – Wenen, 26 september 1808) kreeg zijn basisopleiding mèt les in viool orgel en zang aan het gymnasium van de Jezuïeten in Jihlavy. Van 1770 tot 1772 studeerde hij taalkunde, retoriek, poëzie en Latijn en vanaf 1772 aan de universiteit van Olomouc, filosofie, theologie en geneeskunde. Daarna studeerde hij in 1783 Wenen bij de componist en kapelmeester van het hof van Zweden: Johann Martin Kraus.

Paul Wranitzky werd in 1784 benoemd als als muzikaal directeur bij Vorst Johann Baptist Esterházy en vanaf 1785 als directeur van het nieuw opgerichte orkest van het Kärtnerthortheater in Wenen. Paul Wranitzky was bevriend met Wolfgang Amadeus Mozart, Joseph Haydn en Ludwig van Beethoven, die een behoorlijke waardering voor zijn werk als componist en dirigent hadden. Wranitzky was secretaris van de Gesellschaft der Musikkünstler in Wenen en mede-initiator van de sociale hulpfonds Unterstützender Verein für Witwen und Weisen von Musikkünstlern.

Evenals Wolfgang Amadeus Mozart was Vranický lid van de Vrijmetselaar loge "Zur gekrönten Hoffnung" in Wenen.

Paul Wranitzky’s halfbroer Antonin was ook componist.

Paul Wranitzky componeerde

     10 opera's,

- Oberon, 1789, inspireerde Emanuel Schikaneder tot het schrijven van "Die Zauberflöte"

     11 balletten

     44 symfonieën,

- Krönungs Symphonie in C\grote terts, opus 19, voor vorst Franz II, 1792

     11 concerten

     andere orkestwerken

     30 strijktrio’s

- 3 strijktrio’s opus 3 D: Ensemble Cordia; Brilliant Classics 94339

- 6 strijktrio’s opus 17

     56 strijkkwarteten

     27 strijkkwintetten

3 strijkkwintetten opus 8

     6 strijksextetten

- strijksextet in G grote terts

     vele andere kamermuziekwerken

     1 mis

     1 cantate

     3 pianosonates

 

Ignaz Pleyel (Ruppersthal, Tulln, Oostenrijk, 18 juni 1757 – Parijs, 14 november 1831 was het achtste kind van schoolmeester Martin Pleyel en Anna Theresia Forster en had daarnaast nog negen half zusjes uit het tweede huwelijk van zijn vader met Maria Anna Placho. Zijn zusjes stierven allemaal als kind al aan difterie. Ignaz Pleyel was een leerling van Joseph Haydn, met wie hij zijn leven lang bevriend bleef. Van 1780-1789 reisde Ignaz Pleyel door Italië.

In 1783 vestigde Pleyel zich in Straatsburg. Hij verfranste zijn naam tot Ignace Pleyel en werd assistent van Kapellmeister František Xaver Richter aan de kathedraal van Straatsburg. In 1789 volgde hij Richter op als Kapellmeister.

In 1791 leidde de Franse Revolutie tot een stopzetting van concerteren, zowel in de kerk als in de concertzaal en vertrok naar Londen. Daar leidde hij de "Professional Concerts", georganiseerd door Wilhelm Cramer. Met zijn muzikale werkzaamheden verdiende Ingnaz Pleyel in Engeland een fortuin. In 1793 kwam hij daarmee terug naar Straatsburg en kocht daar in de buurt een kasteeltje. Dat leidde tot 7 rechtzittingen voor het Comité de salut public ("Comité van algemeen nut") wegens collaboratie met Koningsgezinden en had tot gevangenisstraf of de dood kunnen leiden. Ignaz Pleyel wist zich er uit te redden door een aantal nationalische composities ter ere van de Revolutie te schrijven. In 1795 verhuisde Ignaz Pleyel naar Parijs. In 1797 begon hij daar een muziekuitgeverij: "Maison Pleyel", dat onder meer een complete editie van de 83 strijkkwartetten van Joseph Haydn in 1801 publiceerde. Ook publiceerde hij de eerste zakpartituren. In 1807 begon Pleyel met de bouw van piano's. Hij trok zich in 1824 terug in de buurt van Parijs, waar hij in 1831 op 74-jarige leeftijd overleed. Pleyel werd begraven op het kerkhof Père-Lachaise in Parijs.

De firma Pleyel et Cie werd vanaf 1824 voortgezet door zijn oudste zoon Camille die in 1815 tot het bedrijf was toegetreden. Later nam de firma andere Franse pianobouwers over zoals Erard en Gaveau. Vanaf begin 2000 specialiseert men zich daar in kwaliteitsinstrumenten en kopieën van historische instrumenten. In 1927 opende de firma aan de rue du Faubourg-Saint Honoré in Parijs een eigen concertzaal, de "Salle Pleyel". Deze werd in 1934 overgenomen door Le Crédit Lyonnais en is nog steeds in gebruiK

In 1977 gaf Rita Benton een thematische catalogus uit van Ignace Pleyel’s werken. Zijn werken hebben daarin een Bennummer.

Ignaz Pleyel componeerde

     2 opera’s

     14 concerten

- vioolconcert in D grote terts, 1788, Ben 103/103A, omstreeks 1786

- concerto voor klarinet, dwarsfluit of cello in C grote terts, Ben 106, 1797, briljant eerste deel

- fagotconcert in Bes grote terts, Ben 107, feestje vol kwinkslagen en brutale overdrijvingen

     41 symfonieën

- Symfonie concertante in Bes grote terts, Ben 112, 1791, concerterende viool en altviool

- Symfonie concertante in F grote terts, Ben 115, 1805, concertante fluit, hobo, hoorn en fagot

- Grande Symfonie in F grote terts, 'Symphonie Périodique', opus 27, Ben 140, 1789

- Symfonie concertante in F grote terts, Ben 113, 1792, concertante fluit, hobo en fagot

- Symphonie Concertante nr. 3 in A grote terts, opus 57, Ben 114, voor twee violen òf viool en concertante piano en orkest, 1792, omstreeks 1500 voor twee dwarsfluiten en orkest omgewerkt door Caspar Fürstenau

     21 andere orkestwerken

     70 strijkkwartetten

     166 kamermuziekwerken

     4 religieuze werken

     2 hymnes

     70 piano- en harpwerken

     12 liederen         

     32 zettingen van Schotse volksliederen

www.pleyel.at

 

François Devienne (Joinville (Haute-Marne), 31 januari 1759 – Charenton-Saint-Maurice, 5 september 1803) werd als veertiende kind van een zadelmaker geboren, en kreeg les van zijn oudste broer, die hem verschillende instrumenten leerde spelen. Hij werd een meesterlijke fluitist en fagottist. Op 10-jarige leeftijd schreef hij zijn eerste werken, die door het militaire muziekkorps van het Koninklijke Cavalerieregiment Royale des Cravates uitgevoerd werden waarvan hij lid was. Vanaf 1779 speelde Devienne in het orkest van de Parijse opera en een jaar later werd hij er eerste fluitist. In deze tijd studeerde hij fluit bij Félix Rault. Een tijd lang werkte hij ook als kamermusicus van de Kardinaal de Rohan en als lid van de Zwitserse Garde.

Vanaf 1789 speelde hij als fagottist in het orkest van het Théâtre de Monsieur in Parijs. Eveneens was hij in 1790 actief lid van het harmonieorkest van de Franse Garde Nationale.

Op muzikaal gebied deed hij uitgebreide studies en hij gaf concerten, maar deed ook werk voor de overheid. Hij was een van de belangrijkste personen van het Parijse muziekleven gedurende de tijd van de Franse revolutie. Na oprichting van het Conservatoire national supérieur de musique in Parijs in 1795 werd hij de eerste fluitdocent. Lijdend aan een zenuwkwaal kwam hij 1803 in de zenuwinrichting Asile de Charenton bij Parijs, waar op dat moment Markies de Sade ook verbleef. Hij overleed daar na drie maanden. Een en ander roept nog steeds vragen op. Devienne was vrijmetselaar, lid van de loge Olympique.

François Devienne componeerde

     12 opera’s

     7 concertante symfonieën

     13 fluitconcerten, melodische elegantie en gracieuze virtuositeit

- fluitconcert nr. 7 in e kleine terts, omstreeks 1787, wonder van gratie en reinheid; ademloos mooi Adagio;

     5 fagotconcerten,

     24 kwartetten

- 4 fluitkwartetten opus 66, omstreeks 1794

- 3 fagotkwartetten opus 73, omstreeks 1800

     46 trio's,

     147 duo's

     76 sonates.

     49 romances in 7 verzamelingen, voor zangstem, piano en fluit of viool ad libitum

- 18 romances d'Estelle, op tekst van Florian, best wel indrukwekkend

 

Johann Carl Friedrich Rellstab (Berlijn, 27 februari 1759 – 19 augustus 1813) studeerde klavecimbel bij Johann Friedrich Agricola en compositie bij Carl Friedrich Christian Fasch. Hij had zijn studie willen voortzetten bij Carl Philipp Emanuel Bach in Hamburg, maar in 1779 moest hij de drukkerij van zijn vader overnemen. Hij breidde de zaak uit met een muziekbibliotheek en een muziekuitgeverij, en later ook een instrumentenwerkplaats  en muziekhandel. 

Zijn zoon Ludwig Rellstab (1799–1860) was een bekende muziekcriticus en dichter, waarvan Franz Schubert enkele gedichten gebruikte voor zijn  Schwanengesang. Rellstab’s oudste dochter, Caroline Rellstab (1793–1813), was een zangeres, beroemd om haar buitengewone bereik tot f‴. Ze zong in Breslau vanaf 1811, en was vooral bekend van haar rol in Koningin van de Nacht in Wolfgang Amadeus Mozarts Die Zauberflöte.

Johann Carl Friedrich Rellstab componeerde

     1 Te Deum

     1 mis

     cantates

     liederen

     1 singspiel

     pianowerken

     1 orgelsonate

 

Maria Theresia Paradis (von Paradies) (Wenen, Oostenrijk, 15 mei 1759 – 1 februari 1824) was de dochter van Joseph Anton Paradis, keizerlijk secretaris voor handel en hofraadgever van keizerin Maria Theresa, naar wie hij zijn dochter vernoemde, en Maria Rosalia. Tussen haar derde en haar vijfde jaar werd Maria Theresia Paradis langzaam nagenoeg blind. In 1776 en 1777 werd ze behandeld door de beroemde arts Franz Anton Mesmer, wat een tijdelijke verbetering van haar zicht betekende. Daarna werd ze volledig blind.

Maria Theresia Paradis kreeg een brede muzikale opleiding: muziektheorie en compositie van Carl Friberth, Antonio Salieri en Abbé Vogler, piano van Leopold Kozeluch en zang van Vincenzo Righini.

Vanaf 1775 trad Maria regelmatig op in de Weense salons en concertzalen. Ze bestelde in 1784 een pianoconcert bij Wolfgang Amadeus Mozart, dat werd nr. 18, KV 456. Ook bij ander componisten bestelde ze concerten. Maria Theresia Paradis had een buitengewoon goed geheugen, een uitzonderlijk goed muzikaal gehoor en een groot gevoel voor muziek. Ze speelde 60 pianoconcerten uit het hoofd en daarnaast een breed solorepertoire.

Vanaf 1783 maakte ze, begeleid door haar moeder en librettoschrijver en mantelzorger Johann Riedinger uitgebreide concertreizen door Duitsland, Zwitserland, Frankrijk en Engeland. Ze trad in 1783 14 keer op in Parijs, ook voor Lodewijk XVI en Marie Antoinette, Ze hielp daar de sociale regeringsambtenaar Valentin Haüy met het opzetten van de eerste school voor blinden.

In 1808 richtte ze in Wenen op haar huisadres in de Rothenturmstraße CN. 482 haar eigen muziekschool “Institut für musikalische Erziehung“ op, waar ze zang-, piano-, en muziektheorieles gaf aan jonge meisjes. Op zondag was er wekelijks een concertserie, verzorgd door de beste leerlingen. Maria Theresia Paradis ging daar mee tot haar dood door. Haar mantelzorger Johann Riedinger had een notenzetkast voor haar ontwikkeld, waarmee ze haar composities kon noteren. Voor haar correspondentie gebruikte ze een handdrukmachine, uitgevonden door Wolfgang von Kempelen, een soort grondslag voor het latere brailleschrift.

In de wijk Döbling in Wenen is de Paradisgasse naar haar vernoemd.

Maria Theresia Paradis componeerde

     5 opera’s

     3 cantates

     2 pianoconcerten

     2 kamermuziekwerk

- Sicilienne voor viool en piano is haar populairste werk, maar vermoedelijk niet door haar geschreven

     18 (series) liederen

     4 (series) pianowerken

 

Franz (František Vincenc) Krommer (Kramář) (Kamenice u Třebíče bij Jihlava, Moravië, 27 november 1759 – Wenen, 8 januari 1831) kreeg orgel- en vioolles van zijn oom Antonín Mátyás Kramář (1742-1804) in Turany vlak bij Brno. Vanaf 1785 studeerde hij verder in Wenen. Na zijn studie kwam František Kramář in Hongarije in dienst bij graaf Styrum zu Szimontorony. Van 1790 tot 1795 was hij koorleider aan de kathedraal Sint Petrus en Paulus van Pécs in Hongarije. Daarna was hij kapelmeester van het Antal Károlyi-regiment en bij vorst Grassalkowitsj. In 1810 ging František Kramář terug naar Wenen, waar hij werkte als muzikant (violist en blaasinstrumenten), componist, muziekdocent en balletkapelmeester aan het Weens hoftheater.

In 1818 werd František Kramář tot keizerlijke hofcomponist en hofkapelmeester aan het hof van de keizer van Oostenrijk benoemd. Keizer Frans I werd door Kramář begeleid op zijn reizen naar Italië en Frankrijk. In Wenen en in het buitenland werd de naam van de Tsjechische František Kramář in Franz Krommer veranderd.

De werken van Franz Krommer zijn gecatalogiseerd door Karel Padrta. Hij gaf ze een P nummer.  

Franz Krommer componeerde 300 werken

     4 missen

     4 andere religieuze werken

     12 symfonieën

- Symfonie nr. 1 in F grote terts, opus 12, 1800, klassieke symfonie

- Symfonie nr. 2 in D grote terts, opus 40, 1803, complexer, duisterder, verrassender

- Symfonie nr. 3 in D grote terts, opus 62, 1808, weer klassiek

     25 concerten

     63 werken blazers, meest suites

     79 strijkkwartetten

     35 strijkkwintetten

     116 andere kamermuziekwerken

- Kwartet nr. 6 in Bes grote terts, voor klarinet, viool, altviool en cello, opus 83, 1816

- Fluitkwintet in es grote terts, opus 66, P VII: 6

- Fluitkwintet in d kleine terts, opus 92, P VII: 7, voor fluit, viool, twee altviolen en cello

- Fluitkwintet in e kleine terts, opus 104, P VII: 10

- Kwintet in Bes grote terts voor klarinet, 2 violen, altviool en cello, opus 95, 1817

- fluitkwartet opus 90, voor fluit en strijkers, in C grote terts, P IX:15, 1820

- fluitkwartet opus 92, voor fluit en strijkers, in G grote terts, P IX:16

- fluitkwartet opus 93, voor fluit en strijkers,  in D grote terts, P IX:17, 1819

     42 (series) pianowerken