Componisten

vanaf 1770

 

Ferdinando Maria Meinrado Francesco Pascale Rosario Carulli (Napels, Italië, 9 februari 1770 - Parijs, 17 februari 1841) was de zoon van Michele Carulli, secretaris van de Rechtbank in Napels. Ferdinando kreeg celloles en studeerde muziektheorie bij een rooms-Katholieke priester. Toen hij twintig jaar was, ontdekte Ferdinando Carulli de gitaar, hij ontwikkelde er zijn eigen stijl op en werd een veelgevraagd gitaarvirtuoos. In 1801 trouwde hij met Marie-JosephineBoyer. Ze kregen een zoon: Gustavo Carulli (1801-1876)

Ferdinando Carulli gaf concerten in heel Italië, en trok via Wenen in 1808 naar Parijs, waar hij in de Salons triomfen vierde en een veelgevraagd gitaarleraar was. In 1810 leerde hij Filippo Gragnani kennen. Zij werden levenslang vrienden.

Met de Franse gitaarbouwer Pierre René Lacote ontwikkelde hij in december 1826 de tiensnarige "Decacorde", een gitaar met tien snaren, vijf bestemd om op de gebruikelijke wijze met de linkerhand te bespelen, de overige vijf die 'open' gespeeld moeten worden. Exemplaren van de Décacorde zijn bewaard in Europese musea (onder andere Brussel en Parijs), het instrument is nooit aangeslagen.

Ferdinando Carulli componeerde

     400 werken, die vrijwel allemaal een gitaar centraal hebben staan.

     3 gitaarconcerten

     3 werken voor gitaar en groot ensemble

     20 trio’s voor gitaar en twee violen; gitaar, fluit en viool; 3 gitaren

     76 duo’s voor twee gitaren

     68 duo’s voor gitaar en viool

     40 duo’s voor fluit en gitaar

     45 duo’s voor piano en gitaar

     15 andere duo’s

     71 (series)  werken voor gitaar solo

     1 pianowerk

     12 pedagogische werken

- Complete methode voor gitaar (Méthode complète pour guitare ou lyre), op. 27, 1810, op. 27, tot vandaag de dag nog gebruikt.

- Méthode pour le Décacorde

 

Johann Christian Heinrich Rinck (Elgersburg, Duitsland, 18 februari 1770 - Darmstadt, 7 augustus 1846) was afkomstig uit een lerarenfamilie. Vanaf 1786 kreeg hij orgel- en compositielessen bij Johann Christian Kittel (1732-1809) in Erfurt. Hij werd in 1790 stadsorganist in Gießen en in 1803 "Universiteitsmuziekdirecteur".

In 1805 vertrok hij naar Darmstadt en werd cantor en organist aan de stadskerk. Later kwam hij in dienst als hoforganist en kamermusicus bij groothertog Lodewijk I van Hessen-Darmstadt. Daarnaast Verder werkte Christian Heinrich Rinck als muziekleraar aan het "Paedagogium", dat later het Ludwig-Georgs-Gymnasium werd, en als muziekcriticus. Adolf Friedrich Hesse en Georg Vierling waren leerlingen van hem. In 1840 werd hij eredoctor aan de Justus Liebig Universiteit in Gießen.

Christian Heinrich Rinck componeerde

     1 werk voor mannenkoor en harmonieorkest

     1 mis

     11 cantates, motetten en andere gewijde muziekwerken

     7 (series) kamermuziekwerken

     6 liederen voor zangstem en orgel

     10 (series) orgelwerken

- "Praktische Orgelschule", opus 55, een vooraanstaande methode tot in de 20e eeuw in zes delen

- Concert in F groot, voor orgel solo

     9 (series) pianowerken

- Variaties over ‘Ah! vous dirai-je, Maman’, opus 90

 

Antonín (Antoine-Joseph, Anton)  Reicha (Rejcha) (Praag, 26 februari 1770 - Parijs, 28 mei 1836) verloor 10 maanden oud vader Simon, stadmuzikant in Praag. Zijn moeder had geen interesse in zijn opvoeding, Daarom vluchtte Anton Reicha op 11-jarige leeftijd weg van huis, eerst naar zijn grootvader in Klatovy en vervolgens naar een kinderloze oom in Wallerstein die hem als kind adopteerde.

In 1785 kwam hij als violist bij het orkest van de Keulse keurvorst in Bonn.De jonge Ludwig van Beethoven was er altviolist en organist. Ze ontwikkelden een levenslange vriendschap en studeerden compositie bij Christian Gottlob Neefe. Anton Reicha begon ook een studie aan de Universiteit van Bonn.

In 1794 werd het muziekensemble ten gevolge van de verwikkelingen rond de Franse Revolutie opgeheven en vertrok Anton Reicha naar Hamburg.

In Hamburg gaf Anton Reicha privélessen. Eind 1799 vertrok hij naar Parijs, en van 1802 tot 1808 woonde Anton Reicha in Wenen. Hij schaafde zijn componeertechniek bij bij Johann Albrechtsberger en Antonio Salieri.

Hij vertrok in 1808 naar Parijs.In 1818 kreeg hij een docentschap aan de “École royale de Musique”, het Parijse conservatorium.

Anton Reicha trouwde in 1818 in Parijs met Française Virginie Enaust. Ze kregen twee dochters. In 1829 kreeg Anton Reicha het Franse staatsburgerschap. In 1831 werd hij ridder in het Légiond’honneur. Tot zijn leerlingen behoorden de componisten FranzLiszt, Charles Gounod, Cesar Franck, Hector Berlioz, George Onslow en musicoloog Edmond de Coussemaker.

Antonín Reicha componeerde

     14 opera’s

     12 symfonieën

     6 concerten

     12 ouvertures

     14 andere  orkestwerken

     2 series werken voor harmonie-orkest

     1 mis

     1 oratorium

     13 andere werken voor koor en orkest

     6 werken voor zangstem(men) en orkest

     24 blaaskwintetten voor fluit, hobo, klarinet, hoorn en fagot

- Zes Blaaskwintetten, opus 88: in e, Es, G, d, Bes en F, 1817

+ blaaskwintet opus 88 nr. 2 in e kleine terts, hoog niveau, hoort bij zijn beste werk

     61 andere (series) kamermuziekwerken

- Grand Trio voor fluit, viool en cello, vóór 1815

     7 werken voor koor en orgel of piano

     7 koorwerken a cappella

     12 (series) liederen voor zangstem en piano

     1 orgelwerk

     40 (series) pianowerken

36 Fugues, opus 36, 1803, een nieuwe manier van fuga’s componeren;

 

Jeremias Friedrich Witt (Niederstetten, Württemberg, Duitsland, 8 november 1770 - Würzburg, 3 januari 1836) was de zesde van acht kinderen van cantor en griffier Johann Caspar Witt. Zijn vader stierf toen Friedrich 2 jaar oud was, en zijn moeder hertrouwde met de opvolger van zijn vader en kreeg daar toen nog vier kinderen van. Oktober 1789 werd Friedrich Witt, op zijn 19de, cellist in het hoforkest van Oettingen-Wallerstein. Van 1796 tot 1802 maakte Friedrich Witt met de klarinettist Joseph Beer (1770-1819), een collega in de hofkapel, concertreizen door heel Duitsland. In 1802 kreeg hij een aanstelling als Hofkapellmeister bij de Prins van Würzburg.

In 1803 trouwde Friedrich Witt met een rijke burgerdochter van de stad en bleef tot zijn dood in Würzburg actief, vanaf 1814 als Kapellmeister aan het theater.

Friedrich Witt overleed in 1803 aan een longembolie.

Stephen Fisher stelde een thematische index van Friedrich Witt's symfonieën samen.

Friedrich Witt componeerde

     4 opera's en theaterwerken

Palma, 1804

Das Fischerweib, 1806

     23 Symfonieën

- Symfonie in C grote terts, Jena symfonie, in 1909 in de Universiteitsbibliotheek van Jena ontdekt door musicoloog Fritz Stein en door hem Ludwig van Beethoven toegeschreven, onder meer omdat op de stem voor de tweede viool gerschreven stond "par Louis van Beethoven". Pas in 1968 werd ontdekt dat het een werk van Friedrich Witt was.

     6 concerto's

     8 werken voor harmonieorkest

     7 missen

     1 requiem

     6 cantates en oratoria

     14 kamermuziekwerken

- septet in F grote terts voor strijkkwartet, klarinet, hoorn en fagot, 1797

- kwartet in F grote terts voor fagot, viool, altviool en cello, 1797

- kwartet in Es grote terts voor  hoorn, viool, altviool en cello, 1814

     2 (series) werken voor piano

 

Ludwig van Beethoven (Bonn, 17 december 1770 - Wenen, 26 maart 1827) was de zoon van de Rijnlandse tenorzanger Johann van Beethoven en zijn echtgenote Magdelena Keverich. Zijn grootvader, Lodewijk (of Lodewyck) van Beethoven, kwam uit Mechelen en vestigde zich in 1733 in Bonn. Deze afkomst verklaart het Nederlandse voorvoegsel van in zijn naam. De naam Beethoven zou afgeleid zijn van de landstreek Betuwe. Een andere mogelijkheid is dat hij afgeleid is van het knolgewas biet: "Biethoven". Grootvader en vader werkten beiden aan het hof van keurvorst Maximiliaan Friedrich in Bonn.

In 1777 ging Ludwig van Beethoven naar het zogenaamde Tirocinium, een lagere school waar Latijn werd onderwezen. De schoolgang duurde tot 1781. Hij genoot verder geen algemeen vormend onderwijs meer. Alle tijd werd aan de muziek besteed, omdat zijn vader, een hopeloze alcoholist,  hem vruchteloos tot een wonderkind probeerde op te kweken.

Beethoven nam in 1779 in Bonn lessen bij Christian Gottlob Neefe, een hoforganist, die hem in contact bracht met de werken van Johann Sebastian Bach, Joseph Haydn en Wolfgang Amadeus Mozart. Op elfjarige leeftijd kon Ludwig van Beethoven Das wohltemperierte Klavier van Johann Sebastian Bach bijna in zijn geheel uit zijn hoofd spelen en schreef hij zijn eerste composities. Op twaalfjarige leeftijd kon Ludwig van Beethoven al invallen voor Christian Gottlob Neefe als organist en theaterkapelmeester. In 1781 bezocht Ludwig van Beethoven met zijn moeder Rotterdam en Den Haag, waar hij optrad o.a. voor Erfstadhouder Prins Willem V van Oranje-Nassau en diens hofentourage.

Ludwig van Beethovens’ moeder overleed op 17 juli 1787. Op 20 november 1789 verliet Ludwig van Beethovens vader het hoforkest van de opvolger van keurvorst Maximiliaan Friedrich: Max Franz. In de praktijk verzorgde Ludwig van Beethoven zijn broers vanaf ongeveer 17-jarige leeftijd.

In 1792 vestigde Ludwig van Beethoven zich vol ambitie in Wenen. Tussen 1792 en 1794 nam hij lessen bij Joseph Haydn. Maar tussen de twee boterde het niet erg.Op 18 december 1792 overleed Ludwig van Beethovens vader.

Joseph Haydn was verbaasd over de 'woede' in Beethovens muziek en deed zelfs een poging om de publicatie van een van diens eerste pianotrio's tegen te houden. Beethoven vond dat hij te weinig leerde bij Joseph Haydn en nam in het geheim les bij de componist Johann Schenk, die een betere leraar bleek, omdat deze fouten uit het werk van Beethoven haalde die Joseph Haydn - mogelijk uit gebrek aan interesse - over het hoofd had gezien. Dit zou kunnen suggereren dat Joseph Haydn toentertijd de grootte van Beethovens talent niet juist had ingeschat.

Op 6 oktober 1802 schreef hij zijn 'Heiligenstädter Testament', een testament voor zijn twee broers, Carl en Johann, waarin hij zijn wanhoop over zijn toenemende doofheid, waarvan de eerste symptomen in 1801 zichtbaar werden, uitsprak. Hij schreef onder andere dat hij als dove musicus eigenlijk niet meer wilde leven, maar zich verplicht voelde toch in leven te blijven, om zodoende de wereld van zijn composities te laten genieten. Rond 1819 was Ludwig van Beethoven volledig doof.

In de periode van juni tot en met oktober 1803 schreef Ludwig van Beethoven de Eroïca, zijn derde symfonie, die hij aan Napoleon opdroeg. Toen Ludwig van Beethoven in 1804 hoorde dat Napoleon zich tot keizer had laten uitroepen, kraste hij de naam van Napoleon zo heftig van het titelblad dat op die plek een gat achterbleef (zie afbeelding) en hij veranderde de opdracht in Sinfonia Eroica, composta per festeggiare il sovvenire di un grand' Uomo ("Heroïsche symfonie, gecomponeerd om de herinnering aan een groot Man te vieren").

In mei 1810 leerde Ludwig van Beethoven Bettina, Franz en Antonie Brentano kennen, die op hun beurt bevriend waren met Johann Wolfgang von Goethe. Deze stelde via Bettina Brentano voor Ludwig van Beethoven te ontmoeten, waarin Ludwig van Beethoven toestemde. Later dat jaar componeerde hij drie liederen op teksten van Goethe, opus 83. Op 12 april 1811 schreef Beethoven voor het eerst aan Goethe en liet hem weten dat hij een exemplaar kreeg van de Egmont-muziek. In juni 1812 vertrok Beethoven naar een kuuroord in Teplitz, bij Karlsbad. Terwijl Beethoven hier verbleef, schreef hij een hartstochtelijke brief aan een anonieme vrouw: de Unsterbliche Geliebte.

In 1813 stelde Ludwig van Beethovens broer Carl een verklaring op dat, mocht hij komen te overlijden (vanwege zijn ernstige tering), hij Ludwig van Beethoven wilde zien als voogd van zijn zoon Karl. Na het overlijden van zijn broer op 15 november 1815 ontvlamde een bittere strijd om het voogdijschap van Karl.

In de periode hierna verergerden de diverse kwalen van Ludwig van Beethoven. Zijn muziekproductie nam in kwantiteit sterk af, maar hij werkte aan enkele van zijn grootste werken, zoals de Missasolemnis en de eerste twee van zijn late pianosonates. Rond februari 1824 was eindelijk zijn negende symfonie klaar. Bij de première ervan was Ludwig van Beethoven zo slecht van gehoor, dat een van de solisten, de alt Caroline Unger, hem na afloop naar het publiek moest draaien zodat hij kon zien dat het publiek voor hem applaudisseerde. Zwaar geëmotioneerd nam hij de eerbetuigingen in ontvangst, wat tot nog geestdriftiger toejuichingen leidde.

In 1824 liet zijn neef Karl weten dat hij de inmiddels gestarte universitaire opleiding filologie wilde verruilen voor een militaire loopbaan. In april 1825 startte hij eerst nog een handelsopleiding aan het Polytechnische Institut. In juli 1826 besloot Karl zelfmoord te plegen, een voornemen dat - na een eerste verhinderde poging - mislukt werd uitgevoerd op 30 juli: de eerste kogel miste en de tweede verwondde hem slechts. Hij werd naar zijn moeder gebracht waar zijn wonden werden behandeld.

In december 1826 kreeg Ludwig van Beethoven een zware longontsteking na een overnachting in een ijskoude dorpsherberg, op de terugweg van zijn broer Johann in Gneixendorf naar Wenen. Op 4 of 5 december van dat jaar componeerde Ludwig van Beethoven zijn laatste voltooide werk: Wir irren allesamt, WoO 198. Vanaf 10 december nam zijn gezondheid een laatste, slechte wending. 26 maart 1827 overleed hij. Op 29 maart vond in de Alser Kirche onder grote publieke belangstelling de uitvaartdienst plaats. De lijkrede, geschreven door Grillparzer, werd uitgesproken door de acteur Heinrich Anschütz. Ludwig van Beethoven werd begraven op het Währinger Friedhof. In 1888 werd zijn stoffelijk overschot opgegraven en overgebracht naar het Zentralfriedhof in Wenen. Het geboortehuis van Ludwig van Beethoven, Bonngasse 19-26 in Bonn bevat de grootste Beehovencollectie ter wereld. Elk jaar vindt er in september in zijn geboorteplaats Bonn een Beethovenfest Bonn plaats. Dit jaar van 8 september tot 1 oktober 2017. 

Ludwig van Beethoven componeerde

     1 opera:

- Fidelio oder Die Eheliche Liebe, opus 72 (1805) , libretto Joseph Sonnleithner op basis van Jean-Nicolas Builly: Léonore, ou  l’amour conjugal

     1 ballet

- Die Geschöpfe des Prometheus, opus 43 in C grote terts; 1801, choreografie Salvatore Viganò. 18-delig ballet over de scheppingen van de mythologische titaan Prometheus. Beethoven baseerde het vierde deel van zijn Eroica Symfonie en zijn Eroica Variaties op het laatste deel van dit muziekstuk. De ouverture wordt vaak als zelfstandig werk uitgevoerd.

     2 missen

- Mis in C grote terts, opus 86, 1807, in opdracht van Prins Nikolaus Esterházy. De prins vond hem niet goed, omdat hij niet van Haydn was. Ook vroeger waren er al merkwaardige opvattingen.

- Missa Solemnis, opus 123,1823,een grootschalige mis voor solisten, koor en orkest, een complex en technisch moeilijk werk, dat Beethoven als zijn belangrijkste compositie beschouwde. De meest complexe mis, ooit geschreven. Wonderen van symfonische verbeelding. Het werk werd in eerste instantie geschreven voor de installatie van Beethovens leerling en beschermheer aartshertog Rudolf van Oostenrijk tot aatsbisschop van Olomouc in Moravië. Afwisselend een meditatie en een vulkaanuitbarsting. Niet echt geschikt voor een liturgische uitvoering.

     8 koorwerken met solisten en orkest

- Christus am Ölberge, oratorium voor solisten, koor en orkest, opus 85, 1804

- Meeresstille und glückliche Fahrt (“rustige zee en een voorspoedige reis”), cantate voor koor en orkest, opus 112, 1815,  gebaseerd op gedichten van Johann Wolfgang von Goethe, aan wie het werk ook opgedragen is

- Der glorreiche Augenblick, cantate voor vier solisten, koor en orkest, opus 136, 1814, in opdracht van de stad Wenen, voor een Europese top in Wenen na de val van Napoleon

     9 symfonieën:

- 1ste Symphonie in C grote terts, opus 21, 1800, een transparant werk. De symfonie begint met een dominantseptiemaccoord op C, heel ongebruikelijk, iedereen viel erover, maar Beethoven doet het nog een keer als het beginaccoord van de balletouverture Die Geschöpfe des Prometheus. Een statement: ik ben een onafhankelijk persoon en ik doe wat ik wil. De symfonie bouwt qua vorm voort op de vierdelige late symfonieën van Joseph Haydn. in het hallucinerend snelle Menuetto steekt Ludwig nog wel even zijnrevolutionaire vuist op.

- 2de Symfonie in D grote terts, opus 36, 1802, opgedragen aan  Prins Lichnowsky.

- 3e Symfonie in Es grote tets,  opus 55, "Eroïca", 1803/1804 geschreven ter ere van Napoleon Bonaparte, en daarom in eerste instantie Bonapartesymfonie genoemd. Toen Napoleon zichzelf tot keizer van Frankrijk uitriep, was Beethoven daarover zo woedend, dat hij die naam uit het titelblad wegkraste en er “Eroïca” van maakte. De eerste echt romantische symfonie: individuele spraak en uitdrukking; persoonlijke dramatiek gaat een rol spelen. Beethoven gaat de toenmalige perken ruimschoots te buiten en overtreed de toenmalige conventies.

- 4e Symfoniein Es grote terts, opus 60, 1806, opgedragen aan Graaf Franz von Oppersdorff, die zo onder de indruk was van Beethovens symfonienr. 2 in D groot, dat hij Beethoven 350 florijn (toen een aanzienlijk bedrag) aanbood om voor hem een nieuwe symfonie te componeren. Beethoven was op dat momenteregast op het buitenverblijf van prins Lichnowsky in de buurt van Troppau in Silezië, twegenwoordig Tsechië, en kun daar rustig werken. Stralend werk.  Uitspraken: Robert Schumann: “een slank Grieks meisje tussen twee Noorse Reuzen", refererend aan de Derde en de Vijfde symfonieën, beide met een fenomenale reputatie. Hector Berlioz over het tweede deel Adagio: "Dit stuk kan niet van een mes zijn. De muziek is hemels en moet geschreven zijn door Aartsengel Michaël"

- 5de Symphonie in  c kleine terts, opus 67, 1808, één van de populairste en bekendste en meest gespeelde  composities uit de geschiedenis van de klassieke muziek. De symfonie begint met een dubbel vier noten 'kort-kort-kort-lang' leidmotief, het kloppen aan de deur van het noodlot, het bekendste motief uit de hele muziekgeschiedenis. Er zijn dus allerlei nieuwe bewerkingen van dit eerste deel in andere muziekstijlen (disco, rock en roll, uitvoeringen in films en op televisie (Wie is de mol?)). En prachtig dramatisch werk, ondanks dat de sonatevorm hier perfect wordt toegepast. Luidruchtige finale.

- 6e Symfonie in F grote terts,  "Pastorale" opus 68, 1802 - 1808. Het is een voorbeeld van programmamuziek; een pastorale. Typerend zijn gebruik van de toonsoort F-groot: van oudsher de toonsoort van de pastorale. De symfonie bestaat uit vijf delen, waarvan de drie laatste in elkaar overgaan. Door de beschrijvingen ontstaat het beeld van een picknick die door een onweer onderbroken wordt.

-7e Symfonie in A grote terts,  opus 92, 1812, werd voor het eerst uitgevoerd in Wenen op 8 december 1813 tijdens een benefietconcert voor de soldaten die gewond waren geraakt tijdens de Slag van Hanau . Beethoven dirigeerde het stuk zelf; Louis Spohr was een van de violisten. De compositie werd goed ontvangen, het betoverende allegretto moest zelfs herhaald worden.

- 8ste Symfonie in F grote terts,  opus 93, Wenen, 1813; een pittige “Mozart”-symphonie; kan het niet winnen van zijn uitbundiger swingende  tweelingbroer, de zevende,

- 9de Symfonie in d kleine terts, opus 125, 1824, een hoogtepunt in het landschap van de (klassieke) muziek. Ludwig van Beethoven voltooide deze symfonie toen hij volledig doof was. De symfonie wordt de "Koorsymfonie" genoemd. Ook al naar aanleiding van Beethovens eigen oorspronkelijke titel: "Sinfonie mit Schlusschor über Schillers Ode 'An die Freude' für großes Orchester, 4 Solo und 4 Chorstimmen componiert und seiner Majestät dem König von Preußen Friedrich Wilhelm III in tiefster Ehrfurcht zugeeignet von Ludwig van Beethoven, 125 tes Werk". De ode "An die Freude" is een gedicht van de Duitse dichter Friedrich von Schiller uit 1785, waaruit. Beethoven overnam in het laatste deel van de symfonie. De muziek werd in 1972 op uitnodiging van de Raad van Europa door Herbert von Karajan van nieuwe arrangementen voorzien voor gebruik als Europees volkslied. Alle instrumenten komen in de symfonie aan de beurt, in het tweede deel is er een solo voor  pauken, voor het eerst in de muziekgeschiedenis.

     12 ouvertures en vergelijkbare muziekwerken voor orkest

- Ouverture van het ballet Die Geschöpfe des Prometheus, opus 43 in C grote terts; 1801,

- Leonore II, ouverture in C grote terts, opus 72a, 1805, ouverture voor de opera Fidelio-

- Leonore III, ouverture in C grote terts,  opus 72b, 1806,   ouverture voor de opera Fidelio, de grootste, ook figuurlijk van de vier ouvertures bij de opera. Een indrukwekkend werk.

- Coriolan, ouverture in c kleine terts, opus 62, 1807, bij het gelijknamige theaterdrama van Heinrich Joseph von Collin;

- Leonore I, ouverture in C grote terts,  opus 138, 1808, ouverture voor de opera Fidelio;

- Egmont, opus 84, 1810, deel van de toneelmuziek voor de gelijknamige tragedie van Goethe. Daarnaast heeft Beethoven nog negen andere delen gecomponeerd voor dit toneelstuk, in die 9 delen bezingt Klärchen haar liefde voor Egmont.

- König Stephan, opus 117, 1811, ouverture in Es grote terts. en negen vocale delen. Het werk refereert aan koning Stephan I, grondlegger van het koninkrijk Hongarije in het jaar 1000.

- Die Ruinen von Athen, opus 113, 1811 geschreven voor de ingebruikname van de het theater   van (Buda)Pest, als begeleiding voor een gelijknamig theaterstuk van August von Kotzebue; de “Turkse Mars”uit deze ouverture is een eigen beroemd leven gaan leiden, onder meer door transcripties van Franz Liszt en Anton Rubinstein.

- Wellingtons Sieg of die Schlacht bei Vittoria (De overwinning  van Wellington of De Slag bij Victoria), opus 91, 1813,  klein orkestwerk om de overwinning van de Hertog van Wellington op Napoleons leger in Spanje op 21 juni 1813 te gedenken, opgedragen aan George IV van het United Kingdom.

- Fidelio, ouverture in E grote terts, opus 72c, 1814, ouverture voor de opera Fidelio.

- Zur Namensfeier (Onomastica), opus 115, 1815, ouverture in C grote terts, geschreven voor de verjaardag van Frans I, koning van Frankrijk.

- Die Weihe des Hauses, opus 124, 1822, geschreven als begeleiding voor het theaterstuk Die Ruinen von Athen van August von Kotzebue, maar deze keer ter gelegenheid van de heropening van het Theater in de Josephstadt, een district van Wenen.

     9 pianoconcerten en/of werken voor piano en orkest

- 0de pianoconcert in Es grote terts, componeerde hij op dertienjarige leeftijd in Bonn

- Rondo voor piano en orkest in Bes grote terts, WoO 6, 1793, oorspronkelijk bedoeld als laatste deel voor het tweede pianoconcert

- Pianoconcert nr. 1 in C grote terts, opus 15, 1797

- Pianoconcert nr. 2 in Bes grote terts, opus 19, 1789

- Pianoconcert nr. 3 in c kleine terts, opus 37, 1800,  opgedragen aan LouisFerdinandvanPruisen, een Pruisisch generaal en componist. Symfonisch, groots en indrukwekkend. Een zeker verwantschap met het pianoconcert in c kleine terts nr. 24 van Wolfgang Amadeus Mozart. Beethovens eigen première van het stuk verliep chaotisch. Het werk was in zijn hoofd af, maar niet op papier. Zijn bladomslaander zag tot zijn verbijstering veel lege pagina's Wanner moest hij omslaan?

- Pianoconcert nr. 4 in G-grote terts, opus 58, 1805, door Beethoven zelf  voor het eerst gespeeld tijdens bij een privaat concert in maart 1807 ten paleize van Beethovens broodheer, prins Franz Joseph Maximilian vonLobkowitz. De openbare première  vond plaats op 22 december 1808 in Wenen in het Theaterander Wien, waarin Beethoven weer zelf soleerde. Recensie in de Allgemeine Musikalische Zeitung: "het meest bewonderenswaardige, eigenaardige, artistieke en complexe concert is dat Beethoven ooit vervaardigde". Het stuk raakte in de vergetelheid en werd in 1836 herontdekt door Felix Mendelssohn. Eén van zijn meest poëtische werken.

- Fantasie in c kleine terts voor piano, koor en orkest, opus 80, 1808, een voorstudie voor de finale van de negende symfonie  .

- Pianoconcert nr. 5 in Es grote terts opus 73, 1811, ”Keizersconcert, opgedragen aan Rudolf vanOostenrijk, de mecenas en leerling van Beethoven. Door zijn toenemende doofheid heeft Beethoven het zelf nooit uitgevoerd. Heroïsch.

- Pianoconcert nr. 6, mogelijkheid A: bewerking van het  Vioolconcert in D grote terts, opus 61, en daarom maar opus 61A,  gemaakt rond 1810 na overleg met Muzio Clementi en met instemming en inbreng van Beethoven zelf. Alleen de linkerhand van de piano is in dit concert nieuw. Voor de rechterhand is de bestaande vioolpartij in gebracht en de orkestpartijen zijn intact gelaten.

Pianoconcert nr. 6, mogelijkheid B: pianoconcerto in D grote terts, Hess 15, een nooit afgemaakt piano concerto, waarvan 70 bladzijden schetsen van het eerste deel en een begin van een volledige partituur uit 1815 bewaard gebleven zijn.

     1 tripelconcert voor viool, cello en piano; een elegant concert

     1 hoboconcert in F grote terts (fragment), Hess 12

     1 vioolconcert

- vioolconcert in D grote terts, Opus 61, 1806, hèt concert onder de vioolconcerten, een schitterend concert, dat Beethoven later omgewerkt heeft tot zijn 6de pianoconcert. De viool zweeft in een ongebruikelijk hoge ligging tussen hemel en aarde.

     2 romances voor viool en orkest, nr. 1 in G grote terts, opus 40; nr. 2 in F grote terts, opus 50, wondermooi; 

     3 strijkkwintetten

- Strijkkwintet nr. 1, opus 4, 1794

- Strijkkwintet nr. 2,  opus. 29 in C grote terts, 1801, bijnaam:  “De Storm”, bewerking van het octet voor blazers, opus 103, een intiem gedragen Adagio, verdr zit er ook behoorlijk wat humor in het werk.

- Strijkkwintet nr. 3, opus 104 in c kleine terts, 1817, bewerking van het pianotrio opus 1 nr. 3

     16 strijkkwartetten

-6 strijkkwartetten opus 18, 1800, toen Beethoven al tegen de 30 liep, maar nog stevig onder de invloed van Haydn stond.

+ Strijkkwartet nr. 3 in D grote terts,  opus 18 nr. 3, tussen 1798 en1800, het eerste strijkkwartet dat Beethoven componeerde, een vriendelijk, zangerig werk;  

+ Strijkkwartet nr. 1 in F grote terts, opus 18, nr. 1, tussen 1798 en 1800, in feite het tweede strijkkwartet dat Beethoven componeerde;

+ Strijkkwartet nr. 2 in G grote terts opus 18, nr. 2, tussen 1798 en 1800, zijn derde strijkkwartet

+ Strijkkwartet nr. 4 in c kleine terts, opus 18, nr. 4, heeft een lichtheid waardoor het lijkt alsof je met je schepnetje achter de vlinders aanzit zonder iets te vangen.

+ Strijkkwartet nr. 5 in A grote terts, opus 18, nr. 5, tussen 1798 en1800, gemodelleerd naar Mozarts strijkkwartet in A grote terts K 464.

+ Strijkkwartet nr 6 in Bes grote terts, opus 18 nr. 6, tussen 1798 en1800. Het laatste deel Adagio-Allegretto quasi allegro met de aantekening "Questo pezzo si deve trattare colla più gran delicatezza" ("Dit stuk moet zo fijnzinnig mogelijk worden gespeeld”) is het hoogtepunt van heel opus 18.

- 3 strijkkwartetten opus 59, 1806, opgedragen aan Graaf Rasumovsky

+ Strijkkwartet nr. 7 in F grote terts, opus 59, nr. 1

+ Strijkkwartet nr. 8 in e kleine terts, opus. 59, nr. 2

+ Strijkkwartet nr. 9 in C grote terts, opus 59, nr. 3

- Strijkkwartet nr. 10 in Es grote terts, opus 74, 1809 bijgenaamd  "Harp", vanwge de pizzicato gedeelten in het eerste Allegro.

- Strijkkwartet nr. 11 in f kleine terts, opus 95, 1810, gewoonlijk aangeduid  met "Serioso", naar aanleiding van het opschrift "Quartetto Serioso"

- Strijkkwartet nr. 12 in Es grote terts, opus 127, 1825, de eerste van de “late kwartetten”, vijf kwartetten waarmee Beethoven een hoogtepunt bereikt. Opgedragen aan Vorst Nicolaus von Galatzin, die in 1822 een verzoek aan Beethoven deed om 1 tot 3 kwartetten voor hem te schrijven.

- Strijkkwartet Nr. 13 in Bes grote terts, opus 130, ongebruikelijk zesdelig, eindigde oorspronkelijk met een Große Fuge waarin het  motief G-Gis-F’-E’  domineert. Dit motief komt voor in alle drie Galitzin-kwartetten. Omdat het publiek de fuga niet waardeerde en hij technisch buitengewoon veel van de muzikanten vraagt, verving Beethoven hem door een nieuwe finale: Allegro; en gaf de fuga apart uit als opus 133.  Het vijfde deel van het zesdelige kwartet is de Cavatina, een gevoelig innig deel, waaraan Beethoven zelf erg gehecht was, zijn enige compositie waar hij naar eigen zeggen tot tranen toe geroerd werd. Het tweede deel presto was weer het andere uiterste.

- Strijkkwartet nr. 14 in cis kleine terts, opus 131,  1826, opgedragen aan Joseph von Stutterheim (een Moravische veldmaarschalk, die Beethovens neef in de dienst had opgenomen).

De Galitzin-kwartetten 15, 13 en 14 worden door hun thematische samenhang ook wel aangeduid als de ABC-kwartetten.- Strijkkwartet nr. 14 is daarvan dus het C-kwartet. Franz Schubert verzuchtte na het horen van dit strijkkwartet: "Wat kun je hierna nog componeren?"

- Strijkkwartet nr. 15 in a kleine terts, opus 132, 1825, opgedragen aan graaf Nicolai Galitzin, net als de strijkkwartetten opus 127 en 130. Het is het 15de strijkkwartet dat uitgegeven is, maar het 13de dat Beethoven heeft gecomponeerd.

- “Große Fuge”(grote fuga), opus 133, 1825,  een ééndelige compositie voor strijkkwartet, een massieve dubbelfuga, oorspronkelijk bedoeld als slotdeel voor het strijkkwartet nr. 13 in Bes grote terts, maar vervangen door een nieuwe finale. Beethoven publiceerde de Grosse Fuge zelf apart. Het is de grootste en moeilijkst te spelen werk van alle strijkkwartetdelen van Beethoven.  De fuga is ook voor piano vierhandig uitgegeven als opus 134.

- Strijkkwartet nr. 16 in F grote terts, opus 135, oktober 1826, het laatste werk dat Beethoven geschreven heeft, op het laatste deel van strijkkwartet opus 130 na, geschreven als vervanging van de Grote Fuga. Opereert op het hoogste niveau. Het langzame deel geeft een vergezicht in het hiernamaals.

     14 pianotrio's

- pianotrio in Es grote terts, WoO 38, 1791

- pianotrio’s opus 1, voor het eerst uitgevoerd in 1793 in het huis van Prins Lichnovsky, aan wie ze ook zijn opgedragen.

pianotrio nr. 1 opus1 nr. 1 in Es groot

pianotrio nr. 2 opus1 nr. 2 in G groot

pianotrio nr. 3 opus1 nr. 3 in c klein, later omgewerkt in het c klein strijkkwintet opus 104;

- pianotrio nr. 4 in Bes grote terts, opus 11,1797 voor piano, klarinet en cello, opgedragen aan Hertogin Maria Wilhelmine von Thun. Bijnaam: "Gassenhauer Trio", vanwege het derde deel, dat negen keer varieert over de melodie Pria ch'io l'impegno" uit de vrolijke opera “L'amor marinaro ossia Il corsaro” van Joseph Weigl,  wat in die tijd in alle straatjes (“Gassen”) van Wenen gezongen werd. Een "Gassenhauer" was een “schlager”.

- pianotrio nr. 5 opus 70 nr. 1 in D grote terts, het “Geistertrio“ (“Geest-trio), 1809, de bijnaam komt van Beethovens leerling Carl Czerny, die in 1842 schreef, dat hij zich bij de inzet van het zeer langzame tweede deel “Largo”  aan het optreden van de Geest in Shakespeares Hamlet herinnerd voelde.

- pianotrio nr. 6 in Es grote terts, opus  70 nr. 2, 1809

- pianotrionr. 7 (? de nummering is niet gestandaardiseerd) in Bes grote terts, opus. 97, voor piano, viool en cello, 1811, opgedragen aan aartshertog Rudolf van Oostenrijk, vriend en compositiestudent van Beethoven. Het vierdelige trio heeft daardoor de bijnaam “Aartshertogtrio” gekregen.

deel 3. Andante cantabile ma però con moto. Poco piu adagio. Zangerig, van een weldadige schoonheid

- pianotrio nr. 10: Variaties op een oorspronkelijk thema in Es, voor viool, cello en piano, 1792

     7 andere trio's

- strijktrio nr. 1 in Es grote terts, opus 3, 1794;

- strijktrio nr. 2 in D grote terts, opus 8, "Serenade", 1797; in 1803 arrangeerde Beethoven het werk als Notturno voor altviool en piano, opus 42.

- strijktrio nr. 3 in G grote terts, opus 9 nr. 1, 1798

- strijktrio nr. 4 in D grote terts, opus 9 nr. 2, 1798

- strijktrio nr. 5 in C grote terts, opus 9 nr. 3, 1798

- Een deel in As voor Strijktrio,  Hess 28

- serenade opus 25 voor fluit, viool en altviool in D groot, 1796, een vermakelijk en onderhoudend werk.

     14 kamermuziekwerken met blaasinstrumenten

- rondino voor hobo’s, klarinetten, hoorns en fagotten in Es grote terts, WoO 25, 1792

- octet in Es grote terts, opus 102, voor twee hobo’s, twee klarinetten, twee fagotten en twee hoorns, 1792 in Bonn voordat Beethoven in Wenen ging wonen. Hij werkte het in 1795 om als zijn eerste Strijkkwintet, opus 4.

- kwintet in Es grote terts, voor piano, hobo, klarinet, hoorn en fagot, opus 16, 1796, later gearrangeerd voor pianokwartet opus 16b.

- Hoorn Sonata in F grote terts (Sonate pour le Forte-Piano avec un Cor ou Violoncelle), opus 17, 1800, gecomponeerd voor de virtuoze hoornspeler Giovanni Punto. De sonate kan dus ook duidelijk op cello gespeeld worden. Imposant begin.

- septet  in Es groot, Opus 20, 1800, "Der Kaiserin Maria Theresia gewidmet", voor klarinet, hoorn, fagot, viool, altviool,  cello en contrabas. Eén van Beethovens meest succesvolle en populaire werken.

     10 vioolsonates, vanaf de eerste sonate zijn piano- en vioolpartij volstrekt gelijkwaardig.

- vioolsonata opus 12 nr.1 in D grote terts, 1797, opgedragen aan Antonio Salieri, één van Beethovens’mentors. Deel 4: Rondo: Allegro, sprankelende joie de vivre.

- vioolsonate opus 12 nr. 2 in A grote terts, opgedragen aan Antonio Salieri, 1798;

- vioolsonata nr. 3 ,opus 12 nr.3,  1798, opgedragen aan Antonio Salieri.

- vioolsonate nr. 4  in a klein, opus 23, 1801, opgedragen aan Graaf Moritz von Fries; fraai geprononceerde fuga in deel 2;

- vioolsonate nr. 5 in F grote terts, opus 24, bijnaam „Frühlingssonate“ later door anderen toegevoegd, 1801, opgedragen aan Graaf Moritz von Fries. Voor het eerst stapt Beethoven in een vioolsonate van de concertante driedelige naar de symfonische 4-delige vorm.

- vioolsonata nr. 6 in A grote terts, opus 30 nr.1, 1802, opgedragen aan Tsaar Alexander I van Rusland.

- vioolsonata nr. 7, opus 30 nr. 2  in c kleine terts, 1802, opgedragen aan Tsaar Alexander I van Rusland;

- vioolsonate nr. 8 in G grote terts, opus 30 nr. 3, 1802, opgedragen aan Tsaar Alexander I van Rusland.

- vioolsonate nr. 9 in A grote terts, opus. 47 (Kreutzer Sonate), 1803 opgedragen violist Rudolphe Kreutzer. De sonate (per il Pianoforte ed un  Violino obligato) was oorspronkelijk opgedragen aan de violist George Augustus Polgreen  (1779 - 1860). De Pools/Westindische virtuoos bestempelde het werk als bijna onspeelbaar, maar speelde wel samen met Beethoven de première van het stuk. Na de uitvoering, toen de twee wat aan het drinken waren, beledigde Polgreen een vriendin van Beethoven, waarop Beethoven woedend de oorspronkelijke opdracht aan Polgreen verwijderde en een nieuwe opdracht aan Kreutzer boven het stuk schreef. Kreutzer speelde de sonate nooit omdat hij hem "technisch onspeelbaar" vond. Vier delen: adagio sostenuto - presto - andantecon variazioni - finale, presto. Volledige gelijkwaardigheid van beide instrumenten, complexe virtuositeit, symfonische impact, in het openingsdeel creëren alle kleurschakeringen een orkestraal effect. Zo'n sonate was er nog niet eerder. 

- vioolsonate nr.10, opus 96, 1805, opgedragen aan Beethovens leerling Aartshertog Rudolph Johannes Joseph Rainier van Oostenrijk, die ook de eerste uitvoering verzorgde, samen met de violist Pierre Rode. Beethovens lieflijkste vioolsonate, die met een markante triller begint.

     5 cellosonates

- cellosonate nr. 1 in F grote terts, opus 5 nr. 1

- cellosonate nr. 2 in g kleine terts, opus 5 nr. 2, beide geschreven in 1796, in Berlijn, waar Beethoven de Koning van Pruisen ontmoette, Frederik Willem II, een goede cellist, aan wie de sonates zijn opgedragen. Het Adagio sostenuto ed espressivo waar de sonate mee begint heeft een adembenemend mooie melodie.

- cellosonata nr. 3 in A grote terts, opus 69 was written, 1808, opgedragen aan baron Ignaz von Gleichenstein, de eerste cellosonate in de muziekgeschiedenis, waarbij beide instrumenten even belangrijke partijen hebben

- cellosonata nr.4 in C grote terts, opus102 nr.1, 1815, bijna ondraaglijk gecomprimeerde passie, met sonate 5 opgedragen aan Hertogin Maria von Erdödy, een goede vriendin en vertrouwelinge van Beethoven.

- cellosonata nr. 5 in D grote terts, opus 102, nr. 2, 1815. Kenmerkend voor Beethovens laatste werken zijn de fuga’s in de slotdelen, zo ook hier. De fuga is het toonbeeld van complexiteit en tegendraadsheid.

     3 variatiewerken voor cello en piano

- 12 Variaties over „Ein Mädchen oder Weibchen“ uit MozartsDie Zauberflöte“, opus 66, 1796

- 12 variaties in G op Händels "See, het Conqu'ring Hero comes" uit het oratorium "Judas Maccabeüs", WoO 45, 1797

- 7 variaties in Es op Mozarts "Bei Männern welche Liebe fühlen" uit de opera Die Zauberflöte, WoO 46, 1801

     10 andere (series) kamermuziekwerken

- Zes series variaties over volksliederen voor fluit en piano, opus 105, 1819

- Vijf stukken voor Flötenuhr (mechanisch orgel), WoO 33

- Sonatina voor mandoline en klavecimbel in c kleine terts, WoO 43a

- Sonatina voor mandoline en piano in C grote terts WoO 44a

- Andante and variaties in D grote terts, voor mandoline en klavecimbel, WoO 44b

     133 (series) liederen

- l'Adelaide, opus 46, 1795, gedicht van Friedrich von Matthisson. De smachtende ik-figuur ziet Adelaide overal om zich heen: in de sterren, in het water in de bloemetjes, juweel van een lied, zijn ook veel transcripties van gemaakt;

- An die Hoffnung ("Aan de hoop") in Es grote terts, opus 32, 1805, tekst Christoph August, opgedragen aan hertogin Josephine Deym (geboren Brunswijk)

- In questa tomba oscura (in deze donkere grafkelder), in As grote terts, WoO 133, 1807, tekst Giuseppe Carpani, opgedragen aan  Prins Lobkowitz.

- 6  Gesänge, opus 75, 1809

3. Aus Goethes Faust (Es war einmal ein König), in g kleine terts.

- Sehnsucht (Mainacht), laat 1815, WoO 146, tekst: Christian Ludwig Reissig.

- An die ferne Geliebte, liederencyclus van zes liederen, opus 98, tekst Alois Isidor Jeitteles, 1816; een pastoraal scala aan tinten en sferen; de eerste liederencyclus in de muziekgeschiedenis

- Resignation, WoO 149, winter 1817

- 25 Ierse liederen, WoO 152, folksongarrangementen voor pianotrio en zang

nr. 1. The Return to Ulster

nr. 11 Thou emblem of Faith (Upon returning a ring)

- 20 Ierse liederen, WoO 153, folksongarrangementen voor pianotrio en zang

     36 pianosonates,  allemaal volstrekt uniek. De verzameling is een monument dat zijns gelijke niet heeft.

- Drie vroege  "Kurfürstensonatas", WoO 47, 1783, gecomponeerd voor de keurvorst van Keulen, ze werden door hem niet uitgegeven.

nr. 1 in Es grote terts, WoO 47/1

nr. 2 in f kleine terts, WoO 47/2

nr. 3 in D grote terts, WoO 47/3

- Fantasiesonate in D grote terts, Deest 45, 1792, driedelige sonate, als schets in het “Kafkaschetsboek” uit het British Museum.

In het zogenaamde Kafka sketchbook, dat werd gepubliceerd in 1970 te Londen en waarín een groot aantal handschriften zijn gebundeld uit de periode 1786 tot 1799, bevinden zich ongeveer 500 fragmenten van werken die Beethoven ooit van plan was te voltooien. Het torso van de Fantasie Sonate in D (1100 maten muziek), door Beethoven gecomponeerd in 1792 -1793 en opgezet als een omvangrijke driedelige sonate in bevindt zich ook in het Kafka sketchbook; delen en thema’s eruit komen in latere werken van Beethoven weer terug. Cees Nieuwenhuizen reconstrueerde deze ‘Vroege pastorale’ tot een volwaardige driedelige sonate. Wereldpremière 21 oktober 2012 door Martin Oei in het Concertgebouw. CD ZEFIR RECORDS ZEF 9633. Zeer de moeite waard.

- Pianosonate nr. 1 in f kleine terts, opus 2 nr. 1, 1795, Beethovens eerste gepubliceerde pianosonate. Op 25-jarige leeftijd bracht Beethoven een eerste reeks van drie sonates (opus 2) uit, opgedragen aan zijn  leermeester Joseph Haydn. Ze werden gepubliceerd te Wenen in 1796.

- pianosonate nr. 2 in A grote terts, opus 2 nr. 2, 1795; feest van gratie en bevalligheid

- pianosonata nr. 3, opus 2 nr. 3 in C grote terts, , 1795,  de eerst virtuoze sonate van Beethoven.

- pianosonate nr. 4 in Es grote terts, opus 7, bijnaam Die verliebte komt niet van Beethoven zelf; het tweede deel Largo, con gran espressione is wonderbaarlijk grootschalig

- pianosonate nr. 5, opus 10 no. 1,  driedelig, 1798 opgedragen aan gravin Anna Margarete von Browne.

- pianosonate nr. 7, opus 10 no. 3, in D grote terts, vierdelig, 1798 opgedragen aan gravin Anna Margarete von Browne

- pianosonata nr. 8 in c klein, opus 13, Sonate Pathétique. De bijnaam komt van de componist zelf. De sonate werd in 1798 geschreven door de 27 jaar oude Beethoven, en in 1799 uitgegeven. Het werk werd opgedragen aan zijn vriend, Prins Karl von Lichnowsky.

- pianosonata nr. 9 in E groot, opus 14, nr. 1, 1798 , opgedragen  aan baronesse Josefa von Braun. In 1801 heeft Beethoven  het bewerkt tot een strijkkwartet.

- pianosonate nr. 10 in G grote terts, opus 14 nr. 2, 1799,  geschreven voor Josefa von Braun. Tweede deel Andante eindigt met een verrassend ppp-fff slot.

- pianosonate nr. 11 in Bes grote terte, opus 22, 1800.

- pianosonate nr. 12 in As grote terts, opus 26, opgedragen aan Karl Alois Johann-Nepomuk Vinzenz, 1801. Het derde deel ” Marcia funebre sulla morte d'un eroe: maestoso andante” werd in een bewerking uitgevoerd tijdens de begrafenis van Beethoven. Een dof, donker en ijzingwekkend muziekdeel, dart de toehoorder door merg en been gaat. De sonate kreeg daardoor de bijnaam “Dodenmars”.

- pianosonate nr. 13 in Es grote terts, opus 27 nr. 1, “quasi una Fantasia”, 1801.

- pianosonate nr. 14 in cis kleine terts, opus 27 nr. 2,  de Mondscheinsonate. Beethoven noemde het werk, net als de vorige een Sonata quasi una Fantasia. Het stuk werd opgedragen aan gravin Julie Guicciardi. De naam Mondscheinsonate is bedacht door dichter en muziekcriticus LudwigRellstab, toen hij in een boot zat, op een prachtige avond bij volle maan en heeft niks te maken heeft met deze pianosonate. Maar het zit nu, als met lijm, eraan vast. Het laatste (derde) deel heeft een virtuoze lichtheid.

- pianosonate nr. 15 in D grote terts, opus 28, “pastorale”, 1801. De bijnaam “pastorale” werd gegeven door uitgever A. Cranz; de herderlijke sfeer wordt opgeroepen door de serene sfeer en de ogenschijnlijk eenvoudige techniek zonder virtuoze passages.

- pianosonata nr.16 in G grote terts, opus 31 nr.1, 1802, in feite afgemaakt ná sonate nr. 17. De drie opus 31 sonates zijn de eerste voorbeelde van de nieuwe en onconventionele weg die Beethoven in zijn componeren inslaat. Een lichte, opgeruimde sonate met gevoel voor humor en ironie.

- pianosonate nr. 17 in d kleine terts, opus 31 nr. 2,1802. Het eerste deel Adagio-Allegro draait uit op een “storm”, waarna het onrustig blijft. Vandaar de bijnaam: “de storm”. Fraaie dreigende motieven.

- pianosonate nr. 18 in Es groot, opus 31 nr. 3, 1802.

- pianosonata nr. 19 in g kleine terts, opus 49 nr.1, tussen 1795 en 1798;

- pianosonata nr. 20 in G grote terts, opus 49 nr. 2, tussen 1795 en 1798;

Beide tweedelige sonates opus 49 zijn wat gemakkelijker sonates ("sonate facile") voor Beethovens vrienden en studenten. Ze zijn dan ook tegen Beethovens zin uitgegeven door zijn broer Caspar van Beethoven in 1805, zijn broer vond ze wel de moeite waard.

- pianosonate nr. 21 in C grote terts, opus 53, “Waldstein”, zomer 1804, genoemd naar Beethovens Weense mecenas en vriend Graaf Ferdinand Ernst Gabriel von Waldstein. De sonore openingsklanken leverden de sonate ook wel de bijnaam “De dageraad” op.

- pianosonate nr. 22 in F grote terts, op. 54, 1804. De sonate heeft slechts twee delen.

- pianosonata nr. 23 in f kleine terts, opus 57, Appassionata werd gecomponeerd in 1804 en 1805, en opgedragen aan graaf Franz vonBrunswick. De eerste uitgave werd gepubliceerd in februari 1807 in Wenen. De naam is in 1838  bedacht door de uitgever van een arrangement voor vier handen. De meest stormachtige sonate die Beethoven schreef vóór sonate nr. 29.

1. Allegro assai; Passie

2. Andante con moto; tedere aandacht

3. Allegro ma non troppo - Presto; parelend

- pianosonata nr. 24 in Fis grote terts, opus 78, bijgenaamd "À Thérèse", omdat de sonate is geschreven voor Gravin ThérèsevonBrunswick,1809.

- pianosonate nr. 26 in Es groot, opus. 81a, 1810, "Les Adieux".

- pianosonate nr. 27 in e kleine terts, opus. 90, 1814, geschreven voor Moritz von Lichnowsky.

- pianosonate nr. 28 in A groot, opus 101, de eerste van de serie pianosonates uit Beethovens “late periode”. 1816, opgedragen aan pianiste barones DorotheaErtmann. Beethoven gebruikte bij deze sonate voor het eerst het woord Hammerklavier om naar de piano te verwijzen. Het was de enige sonate die Beethoven ooit publiek zag worden uitgevoerd. De pianist was een amateur, een bankmedewerker.  

- pianosonate nr. 29 in Bes grote terts, op. 106, 1818. Het werk is bekend als de Große Sonate für das Hammerklavier of kortweg Hammerklavier; het is in muzikaal en technisch opzicht Beethovens moeilijkste pianowerk. Het gold als onspeelbaar en werd pas tientallen jaren na Beethovens dood voor het eerst door Franz Liszt in het openbaar gespeeld. In het derde deel van de vierdelige sonate Adagio Sostenuto staat de tijd even stil.

- pianosonate nr. 30, in E grote terts, opus 109, 1820, de eerste in de serie van de drie grote, en laatste sonates die Beethoven schreef. De gebruikelijke sonatevorm wordt losgelaten. In het eerste deel Vivace, ma non troppo. Sempre legato wisselen snel en langzaam elkaar af. Het tweede deel is een hartstochtelijk Prestissimo en het derde, laatste deel  Gesangvoll, mit innigster Empfindung ("Andante, molto cantabile ed espressivo") is een thema met zes daaropvolgende variaties.

- pianosonate nr.31, op.110 in As grote terts, 1821. de centrale pianosonate in een groep van drie (opus 109-110-111) die Beethoven schreef tussen 1820 en 1822, en de 31e van zijn gepubliceerde pianosonates. In het eerste deel verwerkt Beethoven het (Weense) volkliedje "Unsa Kätz häd Katzin ghabt". Het slotdeel, het derde, Finale heeft een twee keer terugkomend zwaarmoedig arioso dolente, beide keren gevolgd door een verschillende fuga.

- pianosonate nr. 32 in c-kleine terts, opus 111, de laatste van de serie van 32 sonates voor piano werd voltooid en uitgegeven in 1822. De sonate heeft twee delen, het laatste Arietta: Adagio molto, semplice e cantabile, straalt een rust en verstilling uit, die niet eerder bij Beethoven voorkwam. Adembenemende muziek. Wonderlijke ho ge en zachte filigraannootjes in de finale, die Beethoven zelf wellicht nooit meer heeft kunnen horen.

     22 variatiereeksen voor piano

- 24 variaties over Vencenzo Righini’s aria “Vieni amor”, WoO 65, vóór 1795

- 6 variaties over "Nel cor più non mi sento" uit Giovanni Paisiello's opera La Molinara, WoO 70, vóór 1795

- 8 variaties op "Une Fièvre Brûlante" uit de opera “Richard Leeuwenhard” van André Ernest Modeste Grétry', WoO72, 1795

- 12 variaties over de Russische dans uit Paul Wranitzky's ballet Das Waldmädchen, 1797, WoO 71; opgedragen aan gravin von Browne, geboren von Vietinghoff;

- 10 variaties op "La stessa, la stessissima" uit de opera Falstaff van Antonio Salieri, WoO73, 1799 opgedragen aan de Gravin Barbara Odescalchi (Keglevics)

- 15 variationen mit Fuge in Es, opus 35, 1802, op een thema uit het ballet "Die Geschöpfe des Prometheus"' en heten dan Prometheusvariaties en zijn daarnaast voorstudie voor zijn derde,  "Eroica"-symphonie; de variaties worden dan ook wel Eroïcavariaties genoemd; monumentale, intense muziek.

- 32 Variaties over een Eigen Thema in c kleine terts, WoO 80,1806. De variaties, steeds boven eenzelfde accoordenschema in de linkerhand, gebaseerd op een dalende chromatische bas, geeft een chaconne effect: Beethovens kijk op de barokke passacaglia;

- 33 veränderungen über einen Walzer von Diabelli, opus 120, 1823; met Bachs Goldberg-variaties het grootste variatiewerk uit de pianoliteratuur. Hans von Bülow: "Een replica van de hele klankwereld". De variaties hebben inderdaad een grote variatie: luchtigheid en lyriek (variatie 31: molto espressivoI) en virtuositeit (variaties 16 en 17) wisselen elkaar af. Als waarschuwing aan zijn uitgever om hem niet op te jagen citeert Beethoven de Leporella-aria uit Mozart Don Giovanni: "notte e giorno".  De variaties 24 (Fughetta) en 32 (Fuga) zijn een regelrecht eerbetoon aan Johann Sebastian Bach.   

     30 Bagatellen voor piano. Een bagatelle is, in Beethovens optiek, een soort kort karakterstuk. In de bagatellen experimenteert Beethoven compromisloos met vormen en motieven. Dat geeft meer verrassingen dan in de sonates.

- Presto,  WoO 52, in c kleine terts, 1795, gereviseerd 1798 en 1822

- Allegretto, WoO 53 in c kleine terts, 1797

- Zeven Bagatellen, opus 33, 1802.

3. Allegretto in F grote terts, onverwachte modulaties.

- Lustig-Traurig, WoO 54, in C grote terts, 1802

- Allegretto, WoO 56, in C grote terts 1803, gereviseerd 1822

- Elf Bagatellen, opus 119, 1790 - 1820

- Bagatelle nr. 25, Poco moto, WoO 59in A kleine terts, "Für Elise", 1810. Beethovens absoluut beroemdste pianowerkje. En wie moet die Elise dan wel gewezen zijn? De Duitse Beethoven specialist Klaus Martin Kopitz (*1955)  gaat er van uit dat de bemerking ‘Für Elise am 27. April zur Erinnerung von L. v. Bthvn’ op het origninele muziekhandschrift slaat op Elisabeth Röckel, een 17-jarige zangeres met wie Beethoven goed bevriend was en op wie hij een oogje had. Elisabeth Röckel trouwde drie jaar later met Johann Nepomuk Hummel, ook een vriend van Beethoven, en werd in Wenen als “Elise” aangesproken.

- Ziemlich lebhaft, WoO 60  in Bes grote terts, 1818

- Bagatellen, opus 126, opgedragen aan zijn broer Johann van Beethoven, 1825, het laatste pianowerk dat Beethoven heeft geschreven. Het zijn er zes, en Beethoven vond het zelf het beste wat hij had geschreven.  

     10 andere (series) pianowerken

- La bataille de Bergen, sonate voor klavecimbel, piano, harp of orgel, die de slag bij Bergen beschrijft. Het werk is in 1776 op naam van Carl Philipp Emanuel Bach uitgegeven, maar kan volgens musicologen net zo goed van Johann Christian Bach, Carl Heinrich Graun, Brixi of Joseph Haydn zijn.

- Twee Preludes, door alle twaalf grote tertttoonladders, opus 39, 1789

- Andante Favori in F grote terts, 1805, was oorspronkelijk bedoeld als tweede deel voor de Waldsteinsonate, pianosonate nr. 21, opus 53, maar werd vervangen door een nieuw Adagio Molto, ook in F grote terts. Beethoven gaf het Andante Favori uit als los werk, WoO 57. De bijnaam Andante Favori is aan het werk gegeven door Karl Czerny. Omdat Beethoven het werk graag en vaak in het openbaar speelde, nam Czerny aan dat het een favoriet werk van Beethoven moest zijn.

- Fantasie in g kleine terts, opus 77, 1809

- Andante maestoso in C grote terts, november 1826,  Beethovens’ “laatste muzikale gedachte” gebaseerd op een schets voor een pianokwintet dat zij nog zou schrijven voor uitgever Anton Diabelli

- 2 sonatines,  in G frote terts en F grote terts, Anhang 5, authenticiteit niet zeker.   

- ‘Leichte Sonate’, twee stukken voor klavierinstrument, wellicht een Orphika, een klein klavichord WoO 51

www.lvbeethoven.com

 

Jean Baptiste Édouard Louis Camille Du Puy (Cormondrèche, Kanton Neuchâtel, Zwitserland, omstreeks 1770 – Zweden, 3 april 1822) Vanaf zijn vierde jaar groeide hij op bij een oom, die stadsmuzikant was in Geneve. Zijn oom zorgde er voor dat Edouard een muzikale opvoeding kreeg.

In 1784 stuurde hij Édouard Du Puy naar Parijs, waar hij piano studeerde bij Jan Ladislav Dussek en viool bij François Chabran.

In 1789 werd Édouard Du Puy benoemd als concertmeester aan het hof van Hendrik van Pruisen in Rheinsberg. Ondertussen studeerde hij daar harmonieleer bij Carl Friedrich Christian Fasch en verwekte ook nog een kind, waar hij later niet meer naar omkeek. In 1793 werd hij als concertmeester ontslagen en uit Rheinsberg verbannen, omdat hij een Zondagse kerkdienst verstoorde door met een paard de kerk binnen te rijden.

Édouard Du Puy maakte daarop maar een concertreis door heel Europa. Eenmaal in Stockholm werd hij benoemd als violist in de Koninklijke Kapel en aks zanger aan de Koninklijke Zweedse Opera. In die tijd ontwikkelde hij een relatie met balletdanseres Sophie Hagman, de officiële Koninklijke minnares van Prins Frederik Adolf van Zweden. Toen Édouard Du Puy in 1799 ook nog eens een lied voordroeg in de Opera dat de lof zong van Napoleon viel hij in ongenade bij koning Gustav IV Adolf, werd uit Zweden verbannen en zocht zijn toevlucht in Denemarken.

In Denemarken voorzag hij in zijn onderhoud door het geven van muziekles en het geven van concerten. Zijn talenten vielen op en hij werd al vrij snel concertmeester in de Koninklijke Kapel en vanaf 1802 zanger aan de Opera.

Bovendien werd hij lid van de vrijwillige Koninklijke garde (Livjægerkorpset), en werd bevorderd tot luitenant tijdens de Slag van Kopenhagen in 1807 tegen de Engelsen tijdens de Napoleontische oorlogen.

In 1803 trouwde hij met Anna Louise Frederikke Müller, de dochter van een kopergraveur, met wie Édouard Du Puy samen een muziekhandel dreef. Zijn huwelijk weerhield hem er niet van zich in allerlei amoureuze affaires te storten. Zo ook met zijn zangleerlinge Prinses Charlotte Frederica van Mecklenburg-Schwerin, de vrouw van kroonprins Christian VIII, en de moeder van koning Frederick VII van Denemarken. Het was wat onhandig dat hij heterdaad met haar in bed aangetroffen werd. Prins Christian scheidde van zijn vrouw en stuurde haar naar een paleis in Oost Jutland, waar ze verder wel een vrolijk leven leidde. Édouard Du Puy werd verbannen uit Denemarken, waar hij zijn gezin achterliet.

In Zweden was koning Gustav IV Adolf ondertussen bij een staatsgreep afgezet. De voormalige Franse maarschalk Jean-Baptiste Bernadotte werd in 1810 koning van Zweden als koning Karel XIV. Édouard Du Puy werd in 1812 herbenoemd als acteur en kapelmeester aan de opera. Hij werd ook lid van de Koninklijke Zweedse Muziekacademie

Édouard Du Puy overleed aan een beroerte. Hij werd begraven op de Johannes begraafplaats in Stockholm. Bij zijn begrafenis werd het Requiem van Mozart voor het eerst in Zweden uitgevoerd. De Koninklijke Zweedse Muziekacademie richtte in 1866 een monument voor hem op. In 1871 maakte choreograaf Augustus Bournonville ter ere van hem het ballet Livjægerne på Amager, over zijn leven en met gebruik van een aantal van zijn composities.

Édouard Du Puy componeerde

     24 theatermuziekwerken

     5 orkestwerken bij Staatsaangelegenheden

- Kroningsmuziek voor Karel XIV Johan, 1818

     10 concerten

- fagotconcert in c kleine terts

     8 kamermuziekwerken

- kwintet in a kleine terts voor fagot en strijkers

     12 pianowerken

     6 werken voor zangers

 

Johann Baptist Cramer (Mannheim, 24 februari 1771 - Londen, 16 april 1858) was de zoon van Wilhelm Cramer, succesvol violist van de Mannheimer Kapelle. Het gezin verhuisde naar Londen toen Cramer nog jong was. Cramer kreeg, samen met zijn broer Franz, vioolles van zijn vader.

Toen Johann Baptist meer belangstelling voor de piano bleek te hebben, kreeg hij les van J.D. Benser en vervolgens van Johann Samuel Schröter. Van 1782 tot 1784 kreeg hij les van Muzio Clementi. In 1785 kreeg hij les in compositie en theorie van Karl Friedrich Abel.

In 1800 verhuisde hij naar Londen, trouwde daar en schreef zijn eerste serie etudes voor de piano. In 1805 startte hij samen met Samuel Chappell een uitgeverij. Toen Chappell voor zichzelf begon, richtte Cramer in 1824 samen met Thomas Frederick Beale en Robert Addison de uitgeverij en pianomakerij J.B. Cramer & Co. op.

In 1829 trouwde hij opnieuw. In 1833 verliet hij J.B. Cramer & Co., in 1835 beëindigde hij zijn carrière als concertpianist met een afscheidsconcert.

Zijn broer Franz Cramer was van 1837 tot zijn dood in 1848 Master of the King’s Musick.

Johann Baptist Cramer componeerde

     9 pianoconcerten

     2 pianokwintetten

     200 pianosonates

     50 sonates voor een instrument met pianobegeleiding

     100 piano-etudes,

- Studio per il pianoforte, 2 delen, 1804 en 1810; 2 x 42 etuden die vandaag de dag nog van betekenis zijn en onmisbaar in het piano-onderwijs; charmante welluidendheid.

 

Bartolomeo Bortolazzi (Toscolano-Maderno bij het Gardameer, Italië, 3 maart 1772 – Parahiba do Sul, Brazilië, laat 1845 of vroeg 1846) was de zoon van papiermolenaar Domenico Bertolazzi. Het was de bedoeling dat Bartolomeo ook papiermaker zou worden, maar hij koos voor een avontuurlijker bestaan als acteur, zanger en muzikant. Met een gezelschap trok hij door Noord–Italië, Oostenrijk, Zwitserland en ZuidFrankrijk. In Trento ontmoette Bartolomeo Bortolazzi Margarita Leonardi, waar hij mee trouwde. Na de Franse Revolutie ging Bartolomeo Bortolazzi met zijn vrouw terug naar Toscolano, waar zij op 29 maart 1796, een zoon: Giacomo Giuseppe kregen. Later zouden er nog een dochter Theresa en een zoon Franz bijkomen. Omstreeks 1797 verhuisde het gezin naar Wenen, waar Bartolomeo Bortolazzi zich ontwikkelde tot een virtuoze en veelgevraagde mandolinespeler. In 1801, toen het gezin woonde aan de Walfischgasse 1087, werkte hij als muzikant aan het Burgtheater. Omstreeks 1805 verhuisde het gezin naar naar Engeland, en bleef daar omdat het publiek Bartolomeo Bortolazzi graag hoorde en zag spelen. Hij was ondertussen ook gitaar gaan studeren, binnen een jaar was hij er al een meester op. Hij gaf er ook les aan prinses Fredrika van Pruisen, Hertogin van York.

In 1809 vertrok hij met zijn gezin: vrouw, twee dochters en twee zonen naar Brazilië. Hij woonde daar Rio de Janeiro en Sao Paulo, en in de hooglanden en kustgebieden bij Rio de Janeiro. Zijn oudste zoon was daar ook bezig als acteur, zanger en gitarist.

Bartolomeo Bortolazzi componeerde

     (series) werken voor zangstem en gitaar

     werken voor piano en gitaar

     werken voor andere instrumenten en gitaar

     gitaarwerken

     mandolinewerken

     gitaarmethode, opus 21

     mandolinemethode, gereviseerd door Engelbert Röntgen, en vertaald in het Duits.  

 

Johann Wilhelm Wilms (Witzhelden bij Solingen, Duitsland, 30 maart 1772 -Amsterdam,19 juli 1847) kreeg piano- en compositieles van zijn vader, dorpsorganist, en zijn oudere broer Peter Johann. Johann Wilhelm Wilms leerde zichzelf fluit, piano en orgel spelen. Hij ging in 1791 op 19-jarige leeftijd naar Amsterdam, waar hij al snel bij verschillende orkesten als fluitist aan het werk kon. Hij maakte naam als pianovirtuoos en pianoleraar en nam muziektheorie en compositielessen bij Georg Casper Hodermann (1740-1802).

Johann Wilhelm Wilms gaf pianoles aan het Koninklijk Nederlandsch Instituut voor Wetenschappen.

In december 1805 trouwde Johann Wilhelm Wilms met Nicoletta Theodora Versteegh, de dochter van een rijke kunstverzamelaar.

In 1820 won hij een compositiewedstrijd van het Genootschap voor Schoone Kunsten in Gent met zijn zesde symfonie, opus 58.

Zijn vrouw stierf in de zomer van 1821, enkele weken na een miskraam. Het volgende jaar verloor hij een dochter van tweeënhalf jaar. Hij trok zich daarop terug uit het openbare muzikale leven, en werd in 1823 organist van de doopsgezinde gemeente “Het Lam” in Amsterdam. Vanaf 1845 verloor hij langzamerhand zijn gezichtsvermogen en moest hij zich als organist laten vervangen door een van zijn leerlingen.

Johann Wilhelm Wilms componeerde

     7 symfonieën

     4 ouvertures

     20 concerten

     12 (series) kamermuziekwerken

     cantates

     12 (series) pianowerken

- Variationen Vol. 4, met variaties over onder meer “Ik zag twee beren” en “Wien Neerlands bloed”

- Sonate a quatre mains pour pianoforte, opus 41, 1814

     liederen

- Wien Neêrlands bloed, patriottisch lied op teks van Hendrik Tollens, kreeg in 1815 de eerste prijs bij een prijsvraag voor een Nederlands Volkslied. Het werd het officiële Nederlands volkslied van 1817 tot 1932

 

Lucile-Angélique-Dorothée-Louise Grétry (Parijs, Frankrijk, 15 juli 1772 - maart 1790) was de tweede dochter van componist André Grétry en schilderes Jeanne-Marie Grandon. Zij was vernoemd naar de heldin van haar vaders tweede Parijse opera. Lucile werd opgeleid door haar vader in contrapunt en door Jean-François Tapray in harmonieleer. Haar vader introduceerde haar aan het hof van Versailles, waar ze kennis maakte met Marie-Antoinette.

Lucile Grétry was ongelukkig getrouwd en stierf aan tuberculose op haar 17de, ook haar twee zussen overleden daar jong aan.

Lucile Grétry componeerde

     2 opéras comiques voor het theater Comédie-Italienne

- Le mariage d’Antonio, 1786, gecomponeerd, toen zij 14 jaar oud was;

- Toinette et Louis, 1787

 

Antonio Casimir Cartellieri (Danzig, 27 september 1772 - Liebshausen, Bohemen, 2 september 1807)  was de zoon van Italiaan Antonio Maria Gaetano Cartellieri en de Letse Elisabeth Böhm, beiden operazangers. Antonio kreeg zijn eerste muzikale onderwijs van zijn ouders. Toen hij 13 jaar oud was, scheidden zijn ouders en verhuisde hij met zijn moeder naar Berlijn.

In 1791, 18 jaar oud werd Antonio Cartellieri hofcomponist en muziekdirecteur voor Graaf Oborsky in Polen. Toen Graaf Oborsky naar Wenen verhuisde ging Antonio Cartellieri daar muziektheorie en compositie studeren bij Johann Georg Albrechtsberger, Antonio Salieri en Ignaz von Seyfried.

In 1795 gaf Cartellieri een publiek concert, samen met Ludwig van Beethoven, gesponsord door Graaf Oborsky. Uitgevoerd werd Cartellieri’s oratorium Gioas re di Giuda en het was Beethovens eerste optreden in Wenen. Prins Joseph Franz Maximilian Lobkowicz was bij de toehoorders en zo onder de indruk, dat hij in 1796 Cartelliri benoemde als Kapellmeister, zangleraar en violist. Hij overleed in die dienst in Liebshausen op 34-jarige leeftijd.

Antonio Cartellieri componeerde

     7 opera’s

     3 oratoria

     2 cantates

     11 missen

     talloze motetten,offertori,  graduali en kleine geestelijke werken

     2 andere vocale werken

     talloze aria’s,  duetten, trio’s en kwartetten voor zangers met begeleiding

     4 symfonieën

     5 concerti

     1 pianowerk

     talloze kamermuziekwerken

 

Josef Triebensee (Trübensee) (Wittingau, nu Třeboň, Zuid-Bohemen, 21 november 1772 – Praag, 22 april 1846) was de zoon van hoboïst Georg Triebensee (28 juli 1746 – 14 januari 1813), afkomstig uit Silezië.

Josef Triebensee studeerde in Wenen compositie bij Johann Georg Albrechtsberger en bij Antonio Salieri. Toen hij 17 jaar was werd hij lid van het blazers-ensemble van de prinsen Liechtenstein op het jachtslot in Valtice in de buurt van Brno in Zuid-Moravië. In 1794 tot 1808 was hij kapelmeester van de uit acht leden bestaande “Harmoniemuziek” en het operaorkest van vorst Aloïs I van Liechtenstein. In 1816 werd hij kapelmeester van het Ständetheater (Stavovské divadlo) in Praag en daarmee opvolger van Carl Maria von Weber. 31 december 1836 ging hij daar met pensioen. Josef Triebensee was getrouwd met Maximiliane, de dochter van Johann Nepomuk Wendt.

Josef Triebensee componeerde

     11 opera’s

     11 vocale werken

     10 werken voor blaasensemble

     10 orkestwerken

     8 (series) kamermuziekwerken

     pianowerken

     6 arrangementen voor harmonieorkest

 

Nicolas (Nicolò) Isouard (Isoiar, de Malte) (Porto Salvo, Valletta, Malta, 16 mei 1773 – Parijs, 23 Maart 1818) was de zoon van een handelsreiziger. Hij kreeg de mogelijkheid in Parijs een opleiding aan het pensionaat Bertaud te volgen, een voorbereidende school voor een ingenieursstudie, waar hij ook pianoles kreeg. De Franse Revolutie in 1789 dwong hem Parijs weer te verlaten en terug te keren naar Malta. Daar werd hij door zijn vader in een handelskantoor aan het werk gezet. Ondertussen speelde hij veel piano en studeerde hij compositie bij Michel-Angelo Vella en contrapunt bij Francesco Azopardi. Naar Palermo gestuurd als assistenthandelaar, nam hij daar harmonielessen bij Giuseppe Amendola, en later in Napels compositielessen bij Nicola Sala en Pietro Alessandro Guglielmi. In juni 1794 werd zijn eerste gecomponeerde opera L’avviso ai maritati in Florence enthousiast onthaald en als snel in andere Europese steden met succes opgevoerd. Een reden voor Nicolas Isouard om de handel vaarwel te zeggen en zich aan de muziek te wijden. Hij gebruikte daarbij wel het pseudoniem Nicolò de Malte, om zijn familie niet in verlegenheid te brengen.

Vanaf 1795 was hij organist aan de San Giovanni de Gerusalemme in Valletta en kapelmeester van de kerk van de Johanniter orde San Giovanni di Malta. .

Na de Franse invasie in Malta in 1798 hielden zijn muzikale werkzaamheden daar op en werd hij secretaris van de gouverneur van het Franse garnizoen, Vaubois. In 1799 verhuisde hij naar Parijs, waar hij als componist werkte en bevriend raakte met collega Rodolphe Kreutzer. Ze werkten samen aan een aantal opera’s en Nicolas Isouard bracht, nog steeds onder het pseudoniem Nicolò de Malte succesvol zijn eigen opera’s uit.

In 1812 trouwde Nicolas Isouard met Claudine Berthault. Het echtpaar kreeg twee dochters, Sophie-Nicole (1809–?), die componist werd van romantische liederen, en Annette-Julie (1814–1876), ook pianist en componist. Nicolas Isouards broer Joseph (1794–1863) was zanger en operadirecteur, voordat hij inspecteur van historische monumenten in Rouaan werd. Nicolas Isouard overleed al op 44-jarige leeftijd en is begraven in de Notre-Dame-des-Victoires in Parijs. Een buste van de componist is geplaatst op een gevel van het Théâtre de l'Opéra-Comique en ook een op een gevel van Palais Garnier. Een van de belangrijke pleinen in Parijs is naar hem vernoemd. In 2002 is er in Malta een gedenkmunt van hem uitgegeven.

Musicoloog Richard Divall is op het moment (2017) bezig met een levensbeschrijving en een Volledige Thematische Catalogus van de werken van Nicolas Isouard.

Nicolas Isouard componeerde

     45 opera’s

- Cendrillon (“Assepoester”), opera comique in drie bedrijven, libretto Charles Guillaume Etienne, gevaseerd op het sprookje Assepoester van Charles Perrault, 22 februari 1810. Zijn bekendste opera, een succes in Europa totdat Rossini's opera over het Assepoesterthema, La Cenerentola in  1817 uitkwam.

     5 missen,

     30 motetten

     cantates

     duetten

 

Charles-Simon Catel (L'Aigle, Orne, Frankrijk, 10 juni 1773 - Parijs, 29 november 1830) kwam als 11-jarige naar Parijs om op de Ecole Royale de Chant et de Déclamation muziek te studeren bij Gobert en François-Joseph Gossec. In 1787 werd Charles-Simon Catel hulpleraar en muzikaal begeleider (accompagnist) aan de Parijse opera. In 1790 werd hij 2e dirigent van het Corps de musique de la Garde nationale de Paris.

In 1795 werd Charles-Simon Catel professor harmonieleer aan het pas opgerichte Conservatoire national supérieur de musique van Parijs. In 1810 werd Charles-Simon Catel inspecteur van het Conservatoire national supérieur de musique.

Charles-Simon Catel componeerde

     27 (series) werken voor harmonie-orkest

     10 opera’s

- Sémiramis, lyrische tragedie in aktes, 4 mei 1802, libretto Philippe Desriaux, naar Voltaire, een nèt-niet opera.

     1 ballet

     3 kamermuziekwerken

     3 werken voor zangstem(men) en orkest

 

Wenzel (Wenzeslav, Wenzeslaus) Matiegka (Choceň, Bohemen, nu Tsechië, 6 juli 1773 - Wenen, 19 januari 1830) begon als koorknaap in Kroměříž. In de 1780-er jaren studeerde hij in Praag rechten en muziek bij Abbé Josef Jelínek. Nadat hij een aantal jaren in dienst was van graaf Kinsky, was hij vanaf 1800 werkzaam als piano- en gitaarleraar in Wenen. In 1817 werd hij koorleider aan de Sint Leopold, in 1821 aan Sint Joseph. Wenzel Matiegka was getrouwd en had zes kinderen.

Wenzel Matiegka componeerde

     missen

     motetten

     kamermuziekwerken

- Notturno voor fluit, altviool en gitaar, opus 21, opgedragen aan graaf Esterhazy. FranzSchubert voegde een Cellostem toe en maakte er een kwartet van, zodat het werk lange tijd voor een compositie van Schubert gehouden werd.

- Notturno voor fluit, altviool en gitaar, opus 25, briljant kamermuziekwerk

     liederen

     33 (series) gitaarwerken

- 6 Sonates progressives, opus 31

 

Jacques-Pierre-Joseph Rode, (Bordeaux, Frankrijk, 16 februari 1774 - Château de Bourbon bij Damazan, 25 november 1830) kreeg vanaf 1780 zijn eerste vioollessen van André-Joseph Fauvel. Op zijn twaalfde was hij al een bekend violistje. In 1787 reisde hij naar Parijs, waar hij leerling werd van Fauvel en daarna van Viotti, die hem gratis les gaf en vanaf 1790 voor publiek liet optreden in het théâtre de Monsieur. Pierre Rode maakte concertreizen door door Europa en keerde in 1799 terug naar Parijs, waar hij solist werd aan de Opéra en docent aan het Parijse conservatorium, dat kort daarvoor was opgericht. Van 1801 tot 1803 werkte Pierre Rode als violist in de privékapel van Napoleon.

Tussen 1804 en 1809 woonde Perre Rode in Sint-Petersburg, waar hij violist was van tsaar Alexander I. Van 1809 tot 1811 verbleef hij in Moskou. In 1811 ging hij terug naar Parijs via Wenen waar Ludwig van Beethoven speciaal voor hem Sonate voor viool en piano nr 10 in G grote terts heeft geschreven. In 1813 vestigde hij zich in Berlijn, Hij verliet Berlijn weer in 1819.

Pierre Rode componeerde

een vioolmethode: “Méthode de violon du Conservatoire”, 1802, geschreven samen met Pierre Baillot en Rodolphe Kreutzer.

     13 “concertissimo’s”, vioolconcerten

- vioolconcert nr. 1 in d kleine terts, 1795

- vioolconcert nr. 5 in D grote terts, 1800

- vioolconcert nr. 9 in C grote terts,  opus 17, 1808

     32 kamermuziekwerken

     24 caprices in alle grote en kleine tertstoonsoorten, voor viool solo, 1813, toen hij in Berlijn woonde

     12 etudes  voor viool solo

 

Christoph(er) Ernst Friedrich Weyse (Altona, bij Hamburg, toen Denemarken, nu Duitsland, 5 maart 1774 - Kopenhagen, 8 oktober 1842. Op 15-jarige leeftijd werd Christoph Weyse naar zijn oom in Kopenhagen gestuurd om daar verder opgevoed te worden, hij is er nooit meer weggegaan. Hij studeerde der muziek bij Johann Abraham Peter Schulz.

In 1794 werd hij aangsteld tot organist aan de Gereformeerde kerk in Kopenhagen en vanaf 1801 tot aan zijn dood aan de Onze Lieve-Vrouwekerk (Vor Frue kirke).

In 1800 had hij een gepassioneerde liefdesaffaire met zijn mooie 18-jarige studente Julie Tutein. Haar vader maakte daar met harde hand een eind aan. Julie trouwde drie jaar laten met de rijke Nederlandse koopman H. Noltenius en Christoph Weyse was een paar jaar diep ongelukkig en bleef zijn leven lang ongetrouwd. In 1819 kreeg hij een aanstelling tot hofcomponist, met de verplichting om opera’s en cantates voor de Koninklijke Theater te schrijven.

Van 1825 tot aan zijn dood in 1842 woonde Christoph Weyse in de Kronprinsessegade nr. 32; Hans Christiaan Andersen kwam hem daar opzoeken.

Christoph Weyse was een gewaardeerd docent. Niels Gade en J.P.E. Hartmann waren leerlingen.

Christoph Weyse componeerde

     6 Singspiele

     2 toneelmuziekwerken

     7 symfonieën

     25 cantates

- passionskantate Almagt! Visdom! (Almacht! Wijsheid!), 1819

- paaskantate Hildig, Livets Morgenrød, 1821

     2 motetten

     100 koorwerken

     vele liederen voor zangstem(men) en piano

- "Katta Cavatina", oorsprong  van het Duetto buffo di due gatti, toegeschreven aan Rossini;

     Kerstliederen

     15 (series) pianowerken

     38 canons

     32 orgelpreludia
 

Václav Jan Křtitel (Johann Wenzel) Tomášek (Tomaschek) (Skuteč, Bohemen, 17 april 1774 – Praag, 3 april 1850) was de jongste van zes kinderen van linnenwever en amateurmuzikant Jakub Tomášek en Kateřina. Zijn eerste zang- en vioollessen kreeg hij van Pavel Josef Wolf, koorleider en organist in Chrudim. Hij ging naar school in het minoritenklooster Jihlavě.

Vanaf 1790 studeerde Tomášek met financiële steun van zijn broer Antonín in Praag rechten, filosofie en medicijnen (anatomie en chirurgie). Misschien kreeg hij in deze tijd ook pianolessen bij Jan Ladislav Dušek. In de familie van de graaf Jiří František Buquoy was hij 18 jaar lang pianoleraar op het slot "Červený Hrádek" in Jirkov.

In 1824 trouwde Václav Tomášek met Vilemína Ebertová en stichtte een eigen muziekschool, die zich in de eerste helft van de 19e eeuw ontwikkelde tot het muzikale centrum van Praag. Václav Tomášek was een gezien pianoleraar die door bijvoorbeeld Ludwig van Beethoven en muziekcriticus Eduard Hanslick hoog werd aangeslagen.

In 1844 publiceerde hij een in het Duits geschreven autobiografie.

Václav Tomášek woonde op de Tomášská Street nr. 15 in Praag. het gebouw draag een gedenksteen aan hem en het Tjechisch en het Duits.

In 1824 was hij één van de 50 componisten die een variatie componeerden op een wals van Anton Diabelli voor de Vaterländischer Künstlerverein.

Václav Tomášek componeerde

     2 opera’s

     5 theatermuziekwerken

     drie missen

     twee Requiems

     4 motetten

     5 (series) koorwerken

     8 orkestwerken

     40 (series) liederen

- 41 liederen op teksten van Goethe, opus 53 tot opus 61, 1815

- Erlkönig, opus 59 no. 1

     13 (series) pianowerken

     werken voor glasharmonica

     orgelwerken

 

Gaspare Luigi Pacifico Spontini (Maiolati, Ancona, Italië, 14 november 1774 – 24 januari 1851) werd, als zoon van een eenvoudig ambachtman, door zijn familie verplicht om geestelijke te worden, maar hij vluchtte naar Napels en volgde daar een conservatoriumopleiding aan het Conservatorio della Pietà de' Turchini. Hij besloot operacomponist te worden, maar omdat er daar in Italië al heel veel van waren, en je dus niet zo opviel, besloot hij in 1803 zich in Frankrijk te vestigen. In 1805 werd hij aangesteld als hofcomponist.

In juli 1810 trouwde Gaspare Spontini met Marie-Cathérine-Céleste Erard, de dochter van de pianobouwer en uitgever Jean-Baptiste Erard. Hij was al benoemd tot Muziekdirecteur van de opera aan het Theater van de Keizerin. In 1817 kreeg hij het Franse Staatsburgerschap en vanaf 1818 ontving hij een vast pensioen van de koning

Niettemin verliet Gaspare Spontini in 1819 Parijs en trad hij in dienst bij koning Frederik WillemIII van Pruisen. Hij leidde de opera van Berlijn en componeerde een groots Pruisisch volkslied, dat elk jaar op de verjaardag van de Koning werd uitgevoerd.

Het overlijden van de koning in 1840 betekende het einde van Spontini's Duitse loopbaan. Hij vestigde zich weer in Frankrijk.

De publieke smaak was daar ondertussen sterk veranderd, in de richting van Gioacchino Rossini en Meyerbeer.

In 1842 vestigde Gaspare Spontini zich in Rome, waar hij door de Paus benoemd werd tot Graaf van Sint Andrea. In 1850 trok hij zich terug in zijn geboorteplaats. Bij zijn dood schonk hij zijn hele fortuin aan goede doelen. In 1939 werd zijn geboorteplaats hernoemd in Maiolati Spontini.

Gaspare Spontini componeerde

     23 opera's

- I quadri parlanti, melodramma buffo, 1800. Lang verloren, in 2009 teruggevonden in kasteel d'Ursel in het Belgische Hingene.

- Gli amanti in cimento, o sia Il geloso audace, dramma per musica in twee bedrijven, libretto Giovanni Bertati, 3 november1801. Lang verloren, in 2009 teruggevonden in kasteel d'Ursel in het Belgische Hingene.

- Le metamorfosi di Pasquale, o sia Tutto è illusione nel mondo, farsa giocosa per musica (“vrolijk muzikaal verhaal”) in 1 bedrijf, libretto Giuseppe Foppa, carnaval 1802. Lang verloren, in 2009 teruggevonden in kasteel d'Ursel in het Belgische Hingene.

- La vestale, Tragédie lyrique in drie bedrijven, libretto d’Étienne de Jouy, 1807, over de Vestaalsemaagden, zijn bekendste en succesvolste opera. Bekende aria van Julia (sopraan),jonge priesteres van Vesta, uit de tweede acte: O nume, tutelar degli infelici, Spontini's meesterwerk

- Olympie, tragédie lyrique in 3 bedrijven, libretto, Joseph Marie Armand Michel Dieulafoy en Charles Brifaut, naar Voltaire; 22 december 1819; een tweede versie werd in het Duits omgewerkt door E. T. A. Hoffmann en 14 mei 1821 in Berlijn uitgevoerd

- Agnes von Hohenstaufen, opera in 2 aktes, 28 mei 1827, libretto Salomo Benjamin Ernst Raupach, betoverend mooie en melodische opera

     8 andere theaterwerken

     1 cantate

- L'Eccelsa Gara ("Het illustere debat"), 1805, opgedragen aan Joséphine de Beauharnais, ter gelegenheid van de zege van haar man, Napoleon Bonaparte, in de slag bij Austerlitz op 2 december 1805. Lang verloren, in 2009 teruggevonden in kasteel d'Ursel in het Belgische Hingene.

     5 orkestwerken

     4 werken voor harmonieorkest

     10 werken voor koor en piano, orgel, of orkest

     25 (series) solo-liederen en duetten 

     1 pianowerk

 

Sophia Giustina Dussek (geboren Corri, later Moralt) (Edinburgh, 1 mei 1775 – Londen, omstreeks 1831) kreeg zang- en pianoles van haar vader, componist, uitgever en impressario Domenico Corri. In 1788 verhuisde de familie naar Londen, daar studeerde Sophia zang bij Luigi Marchesi, Giuseppe Viganoni en Giambattista Cimador

In 1792 trouwde Sophia Corri met de componist Jan Ladislav Dussek. Hun dochter Olivia werd ook pianiste, harpiste en componiste. Direct na Jans dood in 1812, hertrouwde Sophia met de violist John Alvis Moralt. Het echtpaar woonde in Paddington, waar Sophia een muziekschool oprichtte.

Componist Natale Corri was een oom van haar en sopraan Fanny Corri-Paltoni een nicht.

Sophia Dussek componeerde

     harpwerken

- 6 sonates

sonate in c kleine terts

- 6 sonatines

- 6 boeken met “Favorite Airs”

- variatiewerken

     2 pianowerken

     3 kamermuziekwerken

- Introduction en Waltz voor harp en piano

 

Johann Anton André (Offenbach am Main, Duitsland, 6 oktober 1775, – 6 April 1842) was de zoon van muziekuitgever Johann André (1741–1799). Johann Anton kreeg viool- en pianoles van zijn vader en componeerde al stukjes vanaf dat hij zes jaar was. Van 1787 tot 1789 kreeg hij les van Ferdinand Fränzl, die met zijn zus getrouwd was, en tot 179, van diens vader Ignaz Fränz, violist en kapelmeester van de hofkapel in Mannheim. Daarna studeerde hij nog compositie in Mannheim bij Johann Georg Vollweiler. In het sterfjaar van zijn vader, 1799, kocht Johann Anton André de nalatenschap van Mozarts muziekwerken van diens weduwe Constanze voor 3150 gulden en nam die mee naar de muziekuitgeverij André in Offenbach. De collectie bevatte 270 autografen, waaronder opera’s, strijkkwartetten, strijkkwintetten, pianoconcerten en Eine Kleine Nachtmusik. Johann Anton zorgde voor goed voorbereide zorgvuldige en hoog gewaardeerde uitgaven van de werken, waarvan er 79 nog niet eerder uitgegeven waren. Het bezorgde hem de titel “vader van het Mozartonderzoek”. Hij werkte samen met hofmuzikant Franz Gleißner, die de nalatenschap van Mozart op orde bracht (de Gleißnerverzeichnis), en met Alois Senefelder, de uitvinder van de lithografie, waardoor betere en mooiere drukwerken mogelijk werden. Mozarts pianoconcerten waren vanaf 1800 de eerste lithografische muziekdrukken. Johann Anton André had vijftien kinderen. In 1839 deed hij de zaak over aan zijn zoon Johann August André (1817–1887). “Musikhaus André” bestaat nog steeds in Offenbach, en is nu een door de familie André beheerde muziekhandel in instrumenten en bladmuziek.

Johann Anton André componeerde

     2 opera’s

     1 mis

     1 cantate

     4 motetten

     8 symfonieën

     7 andere orkestwerken

     42 kamermuziekwerken

- Trio in G grote terts voor drie dwarsfluiten, opus 29, 1805

     9 (series) liederen voor koor

     48 liederen voor zangstem en piano

     30 pianowerken

     35 orgelwerken

     1 compositieleerboek

 

Bernhard Henrik Crusell (Uusikaupunki, vroeger Nystad, Finland, vroeger Zweden, 15 oktober 1775 - Stockholm, 28 juli 1838) werd in een familie van boekbinders geboren. Zijn opa, Bernhard Kruselius, had het vak boekbinder in Turku en Stockholm geleerd, en vestigde zich in Pori, waar hij negen kinderen kreeg, waaronder Jacob, die ook boekbinder werd. Jacob verhuisde naar Uusikaupunki, waar hij trouwde met Helena Ylander. Zij stierf kinderloos een jaar later, daarop trouwde Jacob met Margaretha Messman. Ze kregen 4 kinderen, waarvan alleen Bernhard overleefde. Toen Bernhard 8 jaar oud was, verhuisde de familie naar Nurmijärvi, ongeveer 30 kilometer te noorden van Helsinki. Op een klarinet van een vriendje leerde hij zichzelf op het gehoor spelen. Dat ging zo goed dat hij van een klarinettist uit de Nyland regimental band klarinetles kreeg. Dat verliep zo positief dat Bernard Crusell naar een baan als klarinettist in het het regimentsmuziekkorps van Sveaborg in Viapori, (nu: Suomenlinna) solliciteerde. Dat lukte: hij kreeg de baan. Na enige tijd werd hij vanwege zijn muzikale kwaliteiten dirigent van de regimentskapel. en hij vertrok 1791 met de kapel naar Stockholm, waar hij tot aan zijn dood zou blijven. Hij bleef zich Fin voelen, en liet dat ook aan iedereen merken.

In Stockholm kreeg hij les in muziektheorie van Daniel Britz en Georg J oseph Vogler. In 1798 ging hij naar Berlijn om nog beter klarinet te leren spelen en daar kreeg hij les van Franz Wilhelm Tausch. In Parijs volgde hij nog studies bij Henri Montan Berton (1767-1844), François-Joseph Gossec en Jean-Xavier Lefèvre (1763-1829). Van 1801 tot 1833 was hij eerste klarinettist van het Hovkapellet (Koninklijk Residentie Orkest) in Zweden.

Bernhard Crusell componeerde

     8 orkestwerken

     6 werken voor harmonie-orkest

     1 opera

- Den lilla slavinnan (het kleine slavenmeisje), 1824,  opera in 3 aktes, libretto René Charles Guilbert de Pixérécourt, in een vertalingvan U. E. Mannerhjerta en Gustaf Lagerbjelke

     7 kamermuziekwerken

     5 (series) liederen

     1 koorwerk

 

François-Adrien Boïeldieu (Rouen, 16 december 1775 - Jarcy, departement Seine et Oise (bij Parijs), 8 oktober1834) was de zoon van de secretaris van de Aartsbisschop van Rouen. François kreeg muziekles van de koorleider Urbain Cornonnier en de organist Charles Broche van de Kathedraal Notre-Dame te Rouen.. Op achtttienjarige leeftijd schreef hij zijn  eerste opéra comique: La fille coupable. Zijn tweede opera beleefde de première nog in Rouen, maar werd onmiddellijk daarna ook in Parijs en later in Sint-Petersburg uitgevoerd.

Boïeldieu vertrok naar Parijs en werd in 1796 leerling van Luigi Cherubini.

In 1804 werd hij benoemd als directeur van de Franse opera aan het Tsarenhof in Sint-Peterburg. In 1811 kwam hij weer terug naar Parijs, waar hij in 1815 hofcomponist werd. In 1817 werd François-Adrien Boïeldieu opvolger van Étienne Nicolas Méhul als compositiedocent aan het Conservatoire national supérieur de musique in Parijs. Vanwege zijn zwakke gezondheid was hij veel in zijn landhuis in Villeneuve-Saint-Georges, in het departement Val-de-Marne.

Door de Julirevolutie verloor Boïeldieu al zijn betrekkingen. Vlak daarna werd hij erg ziek en kreeg tuberculose, waaraan hij in 1834 overleed.

François-Adrien Boïeldieu componeerde

     3 orkestwerken

     38 opera’s

- Le calife de Bagdad (De kalief van Bagdad), opéra comique in één bedrijf, librettoy Claude de Saint-Just (Godard d'Aucourt), 16 september 1800. De overture met zijn geprononceerde “Oosterse” percussie wordt nogal eens apart uitgevoerd.

- La Dame Blanche (De witte dame), opera comique in drie aktes, 1825, libretto August Eugène Scribe, naar episodes uit maar liefst vijf romans van Sir Walter Scott. Een van de merkwaardigste romantische Franse opera's; bewonderd door Carl Maria von Weber, inspiratiebron voor Richard Wagners "Der Fliegende Holländer". Georges Brown (tenor), een jonge Engelse officier, zingt in scène 6 van het tweede bedrijf de cavatina “Viens gentile dame

- Les deux nuits, opera in drie aktes, 1829, libretto Jean-Nicolas Bouilly en August Eugène Scribe. Deze opera was ook een favoriet van Richard Wagner. Het bruidskoor uit Lohengrin heeft een behoorlijke verwantschap met het koor La belle nuit uit deze opera.

     liederen voor zangstem en piano

     16 zangcycli

     romancen

     7 kamermuziekwerken

     6 werken voor piano

     1werk voor harp

 

Hyacinthe Jadin (Versailles, 27 april 1776 - Parijs, 27 september 1800) ontwikkelde zich onder leiding van zijn leraar Nicolas Joseph Hüllmandel, op zijn beurt weer een leerling van Carl Philipp Emanuel Bach tot een virtuoos pianist ontwikkelde. In 1785 (9 jaar oud) publiceerde hij zijn eerste compositie in het Journal de Clavecin, een Rondo voor het Fortepiano, een instrument dat via Andreas Silbermann naar Frankrijk gekomen was en de plaatsvervanger van het klavecimbel werd. Op 13-jarige leeftijd speelde hij een concert met eigen composities bij de Concerts Spirituels. In 1794 publiceerde hij zijn eerste revolutie-muziek Hymne du Vingt-un Janvier, een ouverture voor 13 blazers voor de eerste herdenking van de executie van voormalige Koning Lodewijk de XVI. In 1795 werd hij professor voor de dames piano klas aan het nog jonge Conservatoire national supérieur de musique in Parijs. In 1799 werd hij vrijgesteld van de militaire dienst door Napoleon Bonaparte persoonlijk. Een jaar later op de 27 september 1800 overleed hij in Parijs.

Hyacinthe Jadin en zijn broer Louis Emmanuel Jadin behoorden tot de Franse revolutiecomponisten, die als mijlpaal voor de ontwikkeling van het harmonieorkest aan het eind van 18e eeuw kunnen worden beschouwd.

Hyacinthe Jadin componeerde

     3 pianoconcerten

     4 werken voor harmonieorkest

     3 opera’s

     4 liederen met begeleiding van piano, klavecimbel of harp

     12 strijkkwartetten

     9 sonates voor piano

     3 sonates voor piano en viool

     Een pianoduo voor vier handen

 

Joseph Küffner (Würzburg, Duitsland, 31 maart 1777 – 9 september 1856) was het vijfde kind van hofcomponist, kapelmeester en kamermusicus Wilhelm Joseph Küffner (1727-1797) en Katharina Wassmuth. Joseph Küffner leerde van zijn vader viool spelen. Hij studeerde filosofie en rechten de universiteit van het "Hochstift Würzburg", en studeerde tegelijkertijd viool bij hofkapelmeester Lorenz Schmitt. Vanaf 1786 speelde hij regelmatig viool in het hoforkest van de Groothertog van Würzburg. In 1797 overleed zijn vader en kreeg hij een contract als hulpmuzikant (substituut) bij het orkest. Het salaris dat daarvoor uitbetaald werd, was te weinig om normaal van te kunnen leven en voor zijn jongere broertjes en zusjes te zorgen en daarom verdiende Joseph Küffner bij als leraar Latijn, viool en piano en verzorgde hij privé optredens. In 1800 kreeg hij een vaste baan als hofmusicus met een salaris van 120 Gulden per jaar. In 1802 werd het Hochstift Würzburg door het keurvorstendom Beieren ingelijfd en werd Joseph Küffner uitgenodigd om de militaire muzikanten beter op te leiden. Vanaf 1803 was hij muziekdocent voor twee militaire kapellen. De muzikanten kregen een opleiding voor hun inzet bij militaire operaties (signalen, fanfares etc.), maar ook hun muzikaal niveau werd verbeterd, zodat zij in staat waren openbare concerten te verzorgen. Voor deze gelegenheden componeerde Joseph Küffner ook werken. In 1808 werd Joseph Küffner benoemd tot hof- en kamermuzikant en tot militaire muziekdirecteur. Hij kreeg ook de opdracht de militaire muziek te reformeren en reorganiseren.

Joseph Küffner componeerde 360 werken, waaronder

     1 theatermuziekwerk

     7 symfonieën

     12 ander orkestwerken

     13 (series) werken voor harmonie-orkest

     80 (series) kamermuziekwerken

Trio in D grote terts, voor 3 dwarsfluiten, opus 34, 1815

     6 (series) pianowerken

     12 (series) werken voor 1 of meer gitaren

     2 (series) werken voor dwarsfluit

 

Giovanni Morandi (Pergola, 12 mei  1777 - Senigalia, 23 november 1856) was de zoon van componist Pietro Morandi (15 april 1745 - 8 december 1815). In 1804 trouwde hij met de beroemde sopraan Rosa (Paolina) Merolli, waar hij samen mee had gestudeerd.

Giovanni Morandi componeerde

     38 orgelwerken

 

William Russell, ( Londen, Engeland, 6 october 1777 - 21 november 1813). was de zoon van orgelbouwer en organist Hugh Russell. Vanaf zijn achtste jaar studeerde hij orgel bij William Cope, organist van de Southwark kathedraal, William Shrubsole en John Groombridge, organist van Hackney. Van 1797 tot 1800 studeerde William Russell compositie bij Samuel Arnold. Van 1789 tot 1793 was hij organist van de kapel in de Great Queen Street, Lincoln’s Inn Fields,

In 1798 werd William Rusellbenoemd tot organist van St Anne’s in Limehouse. Van 1800 tot 1804 was hij pianist and componist in het Sadler’s Wells Theatre. Op 1 April 1801 werd hij daarnaast benoemd tot organist van het Foundling Hospital.

William Russell stierf op de leeftijd van 36 jaar.

William Russellcomponeerde

     11 pantomimes

     2 oratoria

Job, 1814

     1 mis

     2 services

     antherms

     psalmen

     hymns

     3 odes

     7 glees

     3 orkestwerken

     27 orgelwerken

 

Luigi (Louis, Luis, Lodovico) Gianella, (Italië??, vóór 1778 – Parijs, omstreeks 1817) wordt voor het eerst genoemd in 1790, wanneer er in de Scala van Milaan twee balletten van hem worden uitgevoerd. ain het libretto van zijn cantate Arianna in Nass, in 1800 in Padua uitgevoerd, wordt hij omschreven als “Professore di flauto”. Aan het begin van de 19de eeuw verhuisde Luigi Gianella naar Parijs. Vanaf 1805 was hij lid van de vrijmetselaarsloge Anacreon.

Luigi Gianella componeerde

     2 opera’s

- L'officier cosaque, 1803, in Parijs

     3 balletten

- Idante ed Asseli ossia La sposa fedele, 11 augustus1790, Milaan, de Scala

- l'Argent fait tout, 11 augustus1790, Milaan, de Scala

     1 cantate

     3 fluitconcerten

- fluitconcert nr. 1 in d kleine terts

- concerto lugubre, januari 1801, ter gelegenheid van een treurdienst voor Domenico Cimarosa.

     40 (series) kamermuziekwerken met dwarsfluit(en)

- kwartet voor 4 fluiten in G grote terts, opus 52, mooi werk met als tweede deel een opmerkelijke variatie reeks over Nel cor più non mi sento (Andante) uit de opera La Molinara (1788) van Giovanni Paisiello.

     3 canzonettes

     romances  en aria’s voor zangstem en piano

 

Karl (Charles, Karol) Hieronymus Nicolaus Scholl (Żółkiew, Pools Galicië, nu Oekraïne, 8 januari 1778 – 1854) was de zoon van de kapelmeester van Vorst Radziwill. Hij kwam met zijn vader naar Wenen, waar hij aan de universiteit studeerde en vanaf 1790 ook zang, viool en fluit bij een zekere heer Kreith. In mei 1797 werd hij aangesteld als fluitist in het hoftheater, en dat bleef hij 42 jaar lang.

Karl Scholl componeerde 33 werken:

     orkestwerken

     orkestwerken met fluit

     kamermuziekwerken met fluit

- Quartetto voor czakan en strijktrio,  omstreeks 1813

- fantasie voor fluit en piano, opus 24, omstreeks 1830

- Introduction et variations Brillantes, opus 20

- Polonaise voor fluit en piano, opus 25, omstreeks 1830

     solowerken voor fluit

     pianowerken

 

Fernando Sor (gedoopt als Josep Ferran Sorts i Muntade, Barcelona, Spanje, 14 februari 1778 - Parijs, 8 juni 1839) kwam uit een welvarende familie van militairen en zou daar in principe ook in meegaan. Zijn vader nam hem echter mee naar de Italiaanse opera en daarop belsoot Fernando Sor' muziek te gaan studeren. Sors vader leerde hem gitaar spelen en Fernando Sor studeerde muziek aan de Escolania de Montserrat, de koorschool van het Benedictijnerklooster van Montserrat bij Barcelona.

In 1808, met de inval van Napoleon Bonaparte accepteerde Fernando Sor een baan bij de overheid. In 1813, toen de Fransen weer uit Spanje wegggingen, ging Fernando Sor met de andere "afrancesado's" uit vrees anders als "landverraders" mishandeld te worden, mee naar Parijs, om nooit meer in zijn vaderland terug te keren.

In 1815 verhuisde hij naar Londen, waar hij meer succes had in de muziek. In 1823 ging hij samen met ballerina Fèlicitè Hullen, die daar een prima ballerina wilde worden, naar Moskou. In 1827 vestigde hij zich opnieuw in Parijs.

Ferdinand Sor overleed aan keelkanker.

Hij ligt begraven op het kerkhof van Montmartre.

Fernando Sor componeerde

     2 opera's

     1 theatermuziekstuk

     9 balletten

- Cendrillon,  1822

     4 orkestwerken

     4 motetten

     3 wereldlijke cantates

     6 kamermuziekwerken

     58 liederen en aria's voor zangstem en piano of gitaar

     70 (series) gitaarwerken voor 1 of 2 gitaren

- Variations on a Theme of Mozart, opus 9, 1821, één van Fernando Sor's beroemdste gitaarwerken, opgedragen aan zijn broer Carlos.

- 12 Studies, eerste boek, opus 6, 1815, gewoon goede muziek

- Grand Solo (Sonata Prima) in D grote terts, opus 14, 1822

- 12 Studies, tweede boek, opus 29, 1827

- Mes Ennuis, opus 43 (“mijn treurige problemen”), 1831, 6 bagatelles, de titel zegt veel over zijn gemoedstoestand in die tijd.

     5 (series) werken voor harpgitaar

     7 (series) pianowerken

     37 (series) werken voor piano vierhandig

     een méthode voor gitaar

 

Sigismond Neukomm of Sigismund Ritter von Neukomm (na zijn benoeming tot Ridder van het Legioen van Eer, 21 januari 1815) (Salzburg, 10 juli 1778 ̶ Parijs, 3 april 1858). Zijn vader David Neukomm was schoolmeester en zijn moeder Cordula zong in de kerkdiensten. Sigismund was een leerling van Michael en Joseph Haydn. Hij was omstreeks 1800 piano- en zangleraar in Wenen. van 1804 tot 1809 was hij kapelmeester aan het St. Petersburg’s Duits theater. In 1809 streek hij neer in Parijs, wat voor de rest van zijn leven zo’n beetje zijn thuis zou blijven. In 1816 nam de Graaf van Luxemburg hem mee naar Brazilië, waar hij docent werd aan het hof van João VI van Portugal s in Rio de Janeiro. Die regeerde van daaruit, op de vlucht voor Napoleon sinds 1807, over Portugal en kolonieën. Vanaf 1821 was hij weer in Parijs, waar hij, terwijl hij ondertussen de hele wereld rondreisde, steeds weer terugkwam.

Sigismond Neukomm schreef

     10 opera’s

     4 toneelmuzieken

     8 oratoria

     48 missen

- Missa Solemnis, indrukwekkende mis, Choeur de Chambre de Namur, La Grande Ecurie en la Chambre du Roy onder leiding van Jean-Claude Malgoire K617 212

     2 requiems

- Messe de Requiem, 1813, op uitnodiging van de Franse diplomaat Talleyrand, ter herdenking van Lodewijk XVI, bij de Franse Revolutie in 1793 omgebracht. 

     een groot militair Te Deum

     2 symfonieën

     18 andere orkestwerken

     10 marsen voor harmonieorkest

     36 kamermuziekwerken

- klarinetkwintet "Schöne Minka", opus 8 in Bes groot voor klarinet en strijkkwartet, 1809, opgedragen aan Alexandre de Maryschfine; het derde deel van het vierdelige kwintet: Thème russe en een reeks variaties is gebaseerd op het Oekraïense volkslied “Schöne Minka

     meer dan 150 vierstemmige canons

     200 liederen

     125 werken voor harmonium

     20 werken voor piano

 

Johann Nepomuk Hummel (Presburg (Bratislava), 14 november 1778 - Weimar, 17 oktober 1837) was de zoon van Josef Hummel, directeur van de "Keizerlijke School voor Militaire Muziek" en dirigent van het theaterorkest. Als zevenjarige maakte hij zo'n verpletterende indruk op Wolfgang Amadeus Mozart, dat die spontaan besloot om Johann Nepomuk Hummel in huis te nemen. Van zijn zevende tot zijn negende kreeg hij les van Wolfgang Amadeus Mozart. Dat gebeurde wel op een chaotische manier, maar Wolfgang Amadeus Mozart maakte wel een vakman van hem en hij werd door Constanze behoorlijk vertroeteld. Het wonderkind gaf zijn eerste orkestuitvoering toen hij negen was.

Op twaalfjarige leeftijd gaf Johann Nepomuk Hummel concerten door heel Europa. In Londen kreeg hij vier jaar lang onderricht van Muzio Clementi. Na zijn terugkeer in Wenen kreeg hij compositielessen van Johann Albrechtsberger, Joseph Haydn en Antonio Salieri.

In 1804 volgde hij Joseph Haydn op als kapelmeester bij vorst Esterházy. Na zeven jaar werd hij daar ontslagen, omdat hij teveel elders bijkluste als muzikant. Johann Nepomuk Hummel en zijn vriend Ludwig van Beethoven werden allebei verliefd op zangeres Elisabeth Röckel. Johann Nepomuk Hummel won de strijd en in 1813 trouwde hij met haar.

In 1819 werd Johann Nepomuk Hummel hofkapelmeester in Weimar. HIj was in de jaren 1820 de meest gevraagde (en de duurste) pianoleraar in Europa en gaf onder andere les aan Carl Czerny die op zijn beurt Franz Liszt onderrichtte.

Johann Nepomuk Hummel was een van de 50 componisten die een variatie schreven over een thema van Anton Diabelli voor deel II van de  Vaterländischer Künstlerverein, 1824.

Johann Nepomuk Hummelcomponeerde

     18 (series) werken voor orkest

     22 concerten

- Concerto a Trombe Principale (Trompetconcert in E grote terts), WoO1, S 49, december 1803, geschreven voor de Weense trompetvirtuoos en uitvinder van de ventieltrompet Anton Weidinger. Het concert wordt vaak in Es grote terts uitgevoerd en ook zo aangekondigd, omdat die toonaard gemakkelijker ligt voor moderne Es- en Bestrompetten.

- pianoconcertino nr.  1 in G grote terts,opus73, 1816

- pianoconcerto nr. 2 in a kleine terts, opus 85, 1816. geschreven als demonstratie voor de virtusositeit van het instrument

- Oberons Zauberhorn voor piano en orkest, opus 116,

- "Le Retour à Londres", Rondo Brilliant in F grote terts voor piano en orkest, opus 127. Prachtig sombere inleiding.

     2 werken voor harmonieorkest

     5 missen

     1 oratorium

     4 andere religieuze werkenachtig

     13 cantates

     14 opera’s

     9 balletten

     11 (series) werken voor zangstem en piano,instrumenten of orkest

     21 kamermuziekwerken

- 3 sonatas voor piano en viool, opus 5, 1798

 sonate in F grote terts, opus 5 nr. 2

- Sonata voor fluit en piano in D grote terts, opus 50, omstreeks 1812

- Variaties voor cello en piano in d kleine terts, opus 54, omstreeks 1812

- Sonata voor fluit en piano in A grote terts, opus 64, 1815

- Septet voor piano, fluit, hobo, hoorn, altviool. cello en contrabas in d kleine terts, opus 74, 1816, Franz Liszt maakte er een pianobewerking van;

- Trio voor piano, fluit en cello (ook Adagio, Variaties en Rondo) in A grote terts, opus 78, omstreeks 1818. In feite een variatie werk over het Oekraïense volkslied “Schöne Minka”

- Kwintet voor piano, viool, altviool, cello en contrabas in es kleine terts, opus 87

- Septet Militaire in C grote terts, opus 114, 1829, voor piano, fluit, cello, contrabas, viool, trompet en klarinet.

     1 orgelwerk

     18 (series) pianowerken   

     1 werk voor mandoline en piano

     30 arrangementen

- Arrangementen van de Symphonieën 1 t/m 7 van Beethoven voor piano en strijkers, S131 t/m S 137

 

Nikolaus, Freiherr von Krufft (Wenen, 1 februari 1779 – 16 april 1818) studeerde van 1794 tot 1800 filosofie en rechten aan de Universiteit van Wenen en compositie bij Johann Albrechtsberger. Vanaf 1801 was Nikolaus von Krufft medewerker bij de geheime Hof- en Staatskanselier Klemens von Metternich. Hij begeleidde Metternich bij diens buitenlandse reizen en overlegsituaties

Nikolaus von Krufft componeerde

     6 sonates

- sonate voor hoorn en piano in E grote terts, 1814

- Sonate in F grote terts voor fagot en piano

- Sonate in bes kleine terts voor fagot en piano

     24 liederen