Componisten

vanaf 1780

 

Franz Joseph Clement (Wenen, 18 november 1780 – 3 november 1842) was de zoon van een violist in de privékapel van Ferdinand Philipp Graf von Harsch zu Almedingen (1704–1792). Franz kreeg van zijn vierde tot zijn zevende les van zijn vader en daarna van violist Kurzweil dem Älteren. Franz Clement was vanaf jongs een uitermate getalenteerde violist en gaf vanaf zijn negende jaar virtuoze showuitvoeringen waarbij hij vioolsonates op één snaar speelde, terwijl hij de viool ondersteboven hield en dergelijke trucjes. Onder begeleiding van zijn vader maakte hij concertreizen door Europa. Zo speelde hij op 7 juli 1791 in Oxford, toen de Universiteit daar aan Joseph Haydn een eredoctoraat uitreikte.

Ludwig van Beethoven leerde hem in 1794 kennen, toen hij in Wenen een optreden van het toen 14-jarige wonderkind bezocht. Ze werden goede vrienden. Vanaf 1802 werd Franz Clement concertmeester in het Theater an der Wien.

Op 7 april 1805 dirigeerde Ludwig van Beethoven bij een benefietconcert in Theater an der Wien zijn Eroica symphony en gaf Franz Clement de première van zijn eigen vioolconcert in D grote terts. Franz Clement speelde ook de première van Ludwig van Beethovens vioolconcert in D grote terts op 23 december 1806. Hij was ook een begaafde pianist. Franz Clement was getrouwd met Kunigunde Theresia. Zij overleed in 1831. Op het Währinger Ortsfriedhof (Schubertpark) in Wenen is nog een grafsteen van hem terug te vinden.

Franz Clement componeerde

     6 vioolconcerten

- vioolconcerto in D grote terts, 1805, model voor het vioolconcert van Beethoven

     7 andere orkestwerken

     werken voor viool en piano

     20 werken voor viool solo

     1 offertorium

     piano arrangementen van grote werken van tijdgenoten

 

Conradin (Conrad) Kreutzer (Kreuzer) (Meßkirch, Baden, Duitsland, 22 november 1780 – Riga, 14 december 1849) kreeg zijn eerste muzieklessen van koorleider Johann B. Rieger van Meßkirch. Op de kloosterschool van de Benedictijnenabdij in Zwiefalten studeerde  Conrad Kreuzer muziektheorie en orgel bij componist Pater Ernest Weinrauch, en daarnaast klarinet, piano, hobo en viool.  In 1796 ging hij wegens oorlogsomstandigheden verder aan de kloosterschool van de  Premonstratenzers in Schussenried bij organist Wilhelm Hanser . Vanaf  1799 studeerde Conrad Kreuzer op wense van zijn vader rechtsgeleerdheid aan de  Albert Ludwigs Universiteit in Freiburg im Breisgau. Nadat zijn vader overleed veranderde hij zijn naam in Conradin en hield zich alleeen nog met muziek bezig. In 1804 verhuisde Conradin Kreutzer naar Wenen, waar hij bij Johann Georg Albrechtsberger studeerde en kenn is maakte met Joseph Haydn. Bij zijn werk als  muziekleraar en muzikant zette hij zich in  voor een nieuw, orkestraal klinkend toetseninstrument, het "Panmelodicon", een soort technisch verder ontwikkeld draaiorgel

In 1812 behaalden zijn opera’s succes en werd  Conradin Kreutzer als opvolger van Franz Danzi  benoemd als kapelmeester aan het hof van koning Frederik I van Württemberg in Stuttgart.  Van 1818 tot 1821 was hij kapelmeester in Schaffhausen Donaueschingen aan het hof van Karel Egon II van Fürstenberg, van 1822 tot 1827 kapelmeester aan  het Kärntnertortheater, van 1833 tot 1836 en van  aan de Weense hofopera.

Conradin Kreutzer was getrouwd met zangeres Anna Huber. In 1820 kregen ze een dochter: Cäcilie, die oiok zangers werd. In Keulen kreeg Conradin Kreutzer zijn laatste vaste aanstelling als kapelmeester en muziekdirecteur van 1840 tot 1842

Uit een tweede huwelijk met zangeres Anna Speil von Ostheim werd Marie Kreutzer (1828-1888) geboren, uiteraard ontwikkelde zich ook tot zangeres. Tijdens een concertreis met zijn dochter kreeg hij in Riga een beroerte, waaraan hij overleed.  Conradin Kreutzer ligt begraven bij de Sint Franciscus kerk in Riga.

Conradin Kreutzer  was één van de 50 componisten die een Variatie op een wals van Anton Diabelli schreven voor het Tweede Deel van de Vaterländischer Künstlerverein in 1824.

Conradin Kreutzer componeerde

     30 opera’s

- Das Nachtlager in Granada, 1834

     14 Singspiele

     6 operettes

     8 orkestwerken

     1 werk voor harmonieorkest

     1 oratorium

     6 missen

     1 Te Deum

     9 koorwerken a cappella

- Das ist der Tag des Herrn voor mannenkoor

     3 werken voor koor en piano of orkest

     19 (series) liederen

- Neun Wanderlieder,  1818 , voor hoge zangstem en piano, opus 34 op tekst van Johann Ludwig Uhland

     18 (series) kamermuziekwerken

- Septet voor blazers en strijkers, Op. 62, voor klarinet, hoorn, fagot, viool, altviool, cello en contrabas.

- Trio, voor csakan (stokfluit), altviool en gitaar, behoorlijk Biedermeier

     4 (series) pianowerken

 

Johann Martin Friedrich Nisle (Neuwied, Rheinland-Pfalz, Duitsland, 18 december 1780 – 1873) kwam uit een familie van componisten en muzikanten. Zijn vader, Johannes Nisle (1735- 1788), was hoornspeler aan het hof van Oettingen-Wallerstein. Met zijn oudere broer Christian David Nisle (1772 – ná 1839) vormde Martin Nisle een hoornduo. Ze reisden het hele land door en speelden ook vaak trioconcerten met hun vader. Johann Friedrich Nisle studeerde bij H.C. Koch in Rudolstadt compositie en piano, en daarna aan de Universiteit van Rostock. In 1806 ging Martin Nisle naar Wenen.

Tot 1809 werkte hij samen met zijn broer Christian David in dienst van een of ander prins von Vegh (??) in Vereb in Hongarije. Daarna was hij tot ongeveer 1818 in Catania, Sicilië. In Catania gaf Johann Friedrich Nisle les, componeerde en stichtte er een muziekschool. In 1821 kwam Martin Nisle weer in Duitsland terug, speelde altviool en hoorn aan het hof van Stuttgart tot 1824, en bracht perioden door in Zwitserland, Berlijn, Bunzlau en andere plekken. Hij wordt soms verward met andere familieleden Nisle.

Johann Friedrich Nisle componeerde

     1 sinfonia

     1 ander orkestwerk

     1 cantate

- Octet in D grote terts voor fluit, klarinet, twee hoorns, twee violen, altviool, cello en contrabas.

- Septet in Es grote terts voor fluit, klarinet, hoorn, fagot, twee altviolen, cello en contrabas, omstreeks 1820.

- Quintet in C voor fluit, hoorn, viool, altviool en cello, opus 26

     4 (series) pianowerken

     liederen voor zangstem en piano

 

Anton Heberle (*Hongarije (?) omstreels 1780 – ??) speelde voor het eerst tijdens en concert op 18 februari 1807 in Pest (de andere helft van Boedapest) op een “stokfluit” (csakan). In concertaankondigingen wordt hij vanaf 1810 als uitvinder van het instrument betiteld, maar dat zal niet waar zijn. Van 1807 tot 1811 leefde hij in Wenen. Vanaf 1812 was hij weer in Hongarije en vanaf 1813 was hij lid van de Vrijmetselaarsloge in Ljubljana

Anton Heberle componeerde

     Orkestwerken

- Concertino in Es grote terts, 1807 voor csakan, viool, altviool en cello

     Kamermuziekwerken met csakan

     Solowerken voor csakan

- Sonate brilliante, 1810

 

Mauro Giuseppe Sergio Pantaleo Giuliani (Bisceglie, Italië, 27 juli 1781 – Napels, 8 mei 1829) verhuisde in zijn eerste levensjaar al naar Barletta,  waar hij al vroeg begon eerst cello en daarna gitaar te studeren.

Hij trouwde met Maria Giuseppe del Monaco. Zij kregen een zoon: Michael, geboren in Barletta in 1801. In 1806 verhuisde Mario Giuliani in zijn eentje naar Wenen, waar hij een relatie kreeg met een zekere Fräulein Willmuth, die hem in 1807 een dochter schonk: Maria.

In Wenen ontwikkelde Mauro Giuliani zich tot een virtuoos muzikant en een begaafde componist. Hij ga de gitaar een nieuwe plaats in de context van de Europese muziek.

In 1815 gaf hij met Johann Nepomuk Hummel , de the violist Joseph Mayseder en de cellist Joseph Merk een serie kamerconcerten in de botanische tuinen van het Paleis Schönbrunn, die de "Dukaten Concerte" werden genoemd omdatg een toegangskaartje 1 dukaat kostte.

Mauro Giulini gaf ook les, onder zijn talloze studenten waren Bobrowicz en Horetzky.

In 1819 keerde Giuliani terug naar Italië. Daar vestigde hij zich na een oponthoud in Triëst en Venetië in Rome. Samen met zijn dochter Emilia, die in 1813 geboren was.

In juli 1823 verhuisde hij naar Napels, waar zijn (ernstig zieke) vader woonde.  In Napels gaf hij vaak concerten samen met zijn dochter Emilia, die zich tot een begaafde gitariste had ontwikkeld.

Mauro Giulianischreef 184 werken:

     3 concerten voor gitaar en orkest

     15 kamermuziekwerken met gitaar

     10 werken voor gitaar en piano

     1 werk voor zangstem, ander instrument en gitaar

     7 werken voor zangstem en gitaar

     15 werken voor twee gitaren

     133 werken voor gitaar solo

- Sonata, opus 15, omstreeks 1812

     arrangementen voor gitaar solo:

Semiramide, een gitaararrangement  van de hele opera van Gioacchino Rossini uit 1823

 

Anton Diabelli (Mattsee, Oostenrijk, 6 september 1781 – Wenen, 7 april 1858) was de zoon van Nikolaus Dämon (wat hij later Italianiseerde naar Diabelli) en Regina Moser. Zijn vader gaf hem de eerste zang-, piano- en orgellessen. Op zevenjarige leeftijd werd Anton Diabelli koorknaap in het Klooster Michalbeuern. Daar kreeg hij een grondige muzikale opleiding, die hij aan het Benediktijner Gymnasium in Salzburg voortzette. In 1796 ging hij naar het Wilhelmsgymnasium in München, om naar wense van zijn ouders, priester te worden. Om zijn theologische studies af te ronden, trad hij in 1800 in het Cisterciënzerklooster Raitenhaslach in als monnik. Ondertussen componeerde hij vrolijk verder, daarin begeleid door Michael Haydn. In 1803 gaf Anton Diabelli zijn priesterplannen op en besloot hij zich volledig aan de muziek te wijden. Hij verhuisde naar Wenen om piano- en gitaarles te gaan geven en werd goede vrienden met Joseph Haydn en Ludwig van Beethoven.

In 1818 zette Anton Diabelli (met zakenpartner Pietro Cappi) in 1818 een muziekuitgeverij op.

De firma Cappi & Diabelli (vanaf 1824 Diabelli & Co.) werd bekend door uitgaven van eenvoudige zettingen van populaire stukken, die amateurs thuis konden spelen. De zaak hield zich ook bezig met serieuze uitgaven, zoals de eerste uitgaven van werken van Franz Schubert.

In 1819 besloot Diabelli boek met variaties op een door hem zelf gecomponieerde wals te publiceren, waarbij hij de wals als uitgangspunt gaf aan een aantal vooraanstaande, vooral Oostenrijkse, componisten om er een variatie op te maken op die wals. Vijftig componisten reageerden met variaties, waaronder Schubert, de negenjarige Franz Liszt en Johann Nepomuk HummelCarl Czerny schreef een coda schrijven, en het geheel werd als "Vaterländische Künstlerverein" gepubliceerd.

Beethoven leverde notabene 33 variaties. Deze werden als zelfstandig werk gepubliceerd in 1824. Deze variatieserie (Diabelli Variaties) is een belangrijk pianowerk van Beethoven, de grootste variatiecyclus van zijn tijd.

In 1851 trok Diabelli zich terug uit zijn uitgeverij.en legde die in de handen van Carl Anton Spina. Na Diabelli's  overlijden in 1858 ging Spina door met uitgeven en publiceerde veel muziek van Johann Strauss II en Josef Strauss. In 1872 werd het bedrijf overgenomen door Friedrich Schreiber, om in 1876 te fuseren met de uitgeverij van August Cranz, die het bedrijf in 1879 kocht en het onder zijn eigen naam voortzette.

Diabelli overleed in Wenen op 76-jarige leeftijd als gevolg van ouderdomsdementie. Hij werd op de Sint Marxer Begraafplaats in Wenen begraven. In 1894 werd de Diabelligasse in Wien-Hietzing naar hem vernoemd.

Anton Diabelli componeerde

     1 operette

- Adam in der Klemme

     5 missen

- Pastorale mis in F grote terts, voor solisten, koor en orkest, opus 147

     1 cantate

     4 motetten

     1 werk voor mannenkoor en orkest

     13 (series) gitaarwerken.

- Apollo am Damentoilette : leichte und angenehme Melodien für eine Guitarre,  12 gitaarwerkjes

     5 werken voor twee gitaren

     1 werk voor drie gitaren

     4 werken voor gitaar en piano

- „Grande Sonate Brillante pour le Piano-Forte et Guitare“, opus 102

     kamermuziekwerken met gitaar

- Galante Potpourris beliebter und neuester Melodien, zum Hausgebrauch leicht gesetzt für Flöte und Gitarre,  een serie uitgave, waarvan de bekendste: 

Pot-pourri aus Beethoven's beliebtesten Werken, voor fluit en gitaar, 1817

- Notturno in As grote terts, voor 2 csakans (!) en gitaar, opus 123, 1821,

     8 (series) liederen voor zangstem en gitaar of piano

- Neueste Sammlung komischer Theatergesänge, 425 liederen, duetten en quotlibets voor zangstem(men) en piano, 1842

     8 (series) pianowerken voor twee handen

- Sonatas opus 24, opus 32, opus 33, opus 37, opus 38, opus 54, opus 58, opus 60 en opus 73, het echte werk, stevig en volwassen

- Melodische Übungsstücke, opus149

- L’ami des enfants; 6 sonatines faciles, opus 163

     13 (series pianowerken voor vier handen, erg gewaardeerd door amateurpianisten

 

Jan George Bertelman  (Amsterdam, 21 januari 1782 – Amsterdam, 25 januari1854) kreeg vanaf zijn 7de jaar vioolles van C. Ranitz. Hij studeerde later bij Jan Daniël Brachthuyser (*1769), een blinde organist van de  Nieuwe Kerk in  Amsterdam. Hij bouwde een loopbaan op als docent viool, piano en zang. Hij gaf onder meer les aan de Koninklijke Muziekschool in Amsterdam. Tot zijn leerlingen behoorden onder anderen Johannes van Bree en Richard Hol.  Jan George Bertelman was getrouwd  met Dorothea Christina Kathman. Zij kregen vijf kinderen, waaronder Johannes Jacobus Bertelman werd kunstschilder en stadstekenmeester te Gouda  en was daar medeoprichter van het Goudse museum (het latere Catharina Gasthuis).

Jan George Bertelman werd voor zijn werk geridderd in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

Jan George Bertelman componeerde

     operettes

     concerto’s

     religieuze werken

- Requiem voor 'drie mannenstemmen met orgel-acompagnement;

- Missa voor vier stemmen en orkest;

     cantates

- ouverture en zangen voor het feest van het vijf-en-twintigjarig bestaan van het Kon. Ned. Instituut

- De slag bij Nieuwpoort (cantate),

- Ouverture en Cantate ter gelegenheid van het vijftigjarig bestaan der Maatschappij Felix Meritis

     kamermuziekwerken

     kinderliederen

     liedzettingen

 

Daniel-François-Esprit Auber (Caen, Normandië , Ftrankrijk, 29 januari 1782 – Parijs, 13 mei 1871) was de zoon van kunstschilder, amateurmuzikant en  drukwerkverkoper. Hij componeerde op zijn 11de al romances, maar streefde niettemin vanaf zijn 20ste als kantoorbediende in Londen een zakelijke carrière na. Na gedwongen terugkeer in verband met de Vrede van Amiens naar  zijn vaderland in 1804 ging hij zich toch maar volledig aan de muziek wijden.

In 1842 volgde Daniël Aubert Cherubini op als directeur van het Conservatorium in Parijs.

Daniël Auber overleefde de Duitse overwinning van Parijs, maar stierf tijdens de machtsovername van de Parijse Commune op 12 of 13 mei 1871

De "Rue Auber" loopt vandaag de dag naar het Parijse Operagebouw en het dichtsbijzijnde  RERstation heet ook "Aubert".

Daniel Auber componeerde

     48 opera's

- La Muette de Portici (De Stomme van Portici), grand opéra, 1828 heeft als onderwerp de de revolutie te Napels in 1647, maar de artistieke vonk ervan ontstak, toen de opera in Brussel werd uitgevoerd op 24 agustus 1830, ter gelegenheid van de verjaardag van Koning Willem I,   het politieke buskruit  waarvan de ontploffing leidde tot de Belgische Opstand in 1830. De rellen die tijdens en na de uitvoering uitbraken leidden tot het ontstaan van België. 

- Fra Diavolo (Broeder Duivel), 1830, opéra comique

- Le cheval de bronze (het bronzen paardje), opéra comique, 23 maart 1835, libretto Eugène Scribe. . In 1837 heeft Daniël Auber de opera omgewerkt naar een opera-ballet. De ouverture is een van Auber’s populairste ouvertures en dan ook vrijwel het enige wat nog van de opera wordt uitgevoerd.

- La Part du diable, 16 januari 1843, libretto Eugène Scribe. De beroemde castraat Farinelli speelt hier ook een rol in.

     1 ballet

     1 mis

     54 motetten en misdelen

     16 wereldlijke cantate en (series) liederen

     5 celloconcerten

     6 andere (series) orkestwerken

     6 kamermuziekwerken

 

John Field (Dublin, Ierland, 26 juli 1782 – Moskou, Rusland, 23 januari 1837) werd in Golden Lane in Dublin geboren als oudste zoon van violist Robert Field, die in theaters in Dublin werkte. Hij studeerde in eerste instantie bij zijn vader en opa (organist John Field) en daarna bij Tommaso Giordani, die ervoor zorgde dat hij zijn eerste optredens kreeg in drie "Spiritual Concerts" in 1792.

Het gezin Field verhuisde in 1793 naar Londen, waar John Field negen jaar lang les kreeg van Muzio Clementi. In ruil voor de lessen moet John Field verkoper in de pianowinkel van Muzio Clementi werken. Ook publiceerde Muzio Clementi een aantal van de werken van John Field anoniem. John Field leerde ook vioolspelen.

In 1802 nam Muzio Clementi John Field mee op een Europese tournee, langs Parijs, Wenen, waar John Field een kort cursus contrapunt volgde bij  Johann Georg Albrechtsberger, en Sint-Petersburg. John Field bleef in Sint Petersburg in 1803 bij zijn nieuwe Russische broodheer, Generaal Marklovsky, toen Clementi terugkeerde naar Londen.

John Field had veel optredens in huizen van Russische aristocraten in veel steden. Hij gaf daarnaast ook steeds meer les aan vele rijke leerlingen, en hij trouwde in 1810 met een van hen, de Française Adelaide Percheron, en ging met haar wonen in Moskou. In 1812 kwam hij terug in Sint Petersburg, waar hun eerste kind werd geboren in 1815. In 1817 was zijn roem als componist en leraar, van onder andere Michail Glinka, op het hoogste punt. In 1819 werd zijn tweede zoon geboren, maar kort daarna kwam het tot een echtscheiding met Adelaide.

In 1821 verhuisde Field weer naar Moskou, en raakt aan de drank, wat hem zijn reputatie kostte en de bijnaam 'Dronken John' opleverde. In 1831 keerde John Field met darmkanker naar Londen terug, waar hij gedeeltelijk succesvol werd geopereerd.

In 1833 maakte hij weer een uitgebreide concertreis door Europa. In het voorjaar van 1834 arriveerde hij doodziek in Napels. Hij was niet in staat te spelen en onderging  zeven maanden lang verschillende  operaties in ziekenhuizen. Oude Russische vrienden (de Rakhmanovs) redden hem uit deze situatie, en keerden met hem terug naar Moskou in 1835, waar hij voldoende hersteld nog drie concerten gaf, en tijdelijk bij Carl Czerny te gast was. In 1837 overleed hij aan de gevolgen van zijn voortslepende ziekte in Moskou. Toen hem op zijn sterfbed gevraagd werd welke religie hij aanhing zei John Field: ”Ik ben geen Calvinist maar een Clavecinist”. 

John Field was de schepper van de Nocturne als muziekgenre.

In Dublin is in zijn geboortestraat Golden Lane een herinneringsplaquette. 

De werken van John Field zijn in 1961 gecatalogiseerd door Cecil Hopkinson en voorzien van een H–nummer.  

John Field  componeerde

     7 pianoconcerten

     2 andere werken voor piano en orkest

     4 kamermuziekwerken

     2 liederen voor zangstem en piano

     pianowerken

- 18 nocturnes

- 4 sonates

- 4 fantasieën

- 6 variatiewerken

- 5 rondo’s

- 6 etudes

- 9 (series) dansen

 

Jacques Féréol Mazas (Lavaur, Frankrijk, 23 september 1782 – Bordeaux, 25 augustus 1849 was een briljante leerling van Pierre Baillot aan het Conservatorium in Parijs, waar hij vanaf 1802 les had.  In 1808 speelde hij een een vioolconcert van Auber, dan aan hem opgedragen was. Hij trad van 1811 tot 1829  als virtuoos vioolsolist in heel Europa op. In 1831 werd hij benoemd als eerste violist aan het Thater van het Koninklijk Paleis. Engie tijd later werd hij concertdirecteur in Orléans, waar hij in het Opéra Comiquetheater dirigeerde. Van 1837 tot 1841 was Jacques Féréol Mazas directeur van het conservatorium in Cambrai.

Jacques Féréol Mazas componeerde

     2 opera’s

     2 cantates

     8 concerten voor viool of altviool

     kamermuziekwerken

- Petit duos pour deux violons opus 38, aangename, gezellige muziek

- Le Songe, Elégie over La Favorita by Donizetti, opus 92, voor altviool en piano

     liederen

     solowerken voor viool en altviool

     een methode voor viool en een methode voor altviool

 

Niccolò Paganini (Genua, 27 oktober 1782 – Nice, 27 mei 1840) werd geborden in Genua als derde van zes kinderen van mandolinespeler Antonio Paganini en Teresa Boccardio. Zijn vader leerde hem op vijfjarige leeftijd mandoline spelen en op zevenjarige leeftijd viool.  Op elfjarige leeftijd trad  hij voor het eerst op als violist. Al jong was Niccolò Paganini  de belangrijkste broodwinner van het gezin.

In 1801, op 18-jarige leeftijd werd Nicolo Paganini aangesteld als eerste violist van de Republiek Lucca. Toen Lucca door de Fransen werd veroverd in 1805 werd hij violist en muziekdirecteur aan het hof van Elisa Baciocchi, Napoleons zus, en regentes van Lucca. Hij gaf ook vioolles aan haar echtgenoot Felice. In 1807 werd  Elisa Baciocchi Groothertogin van Toscane en verhuisde het hof naar Florence. Tijden een concert in de Scala van Milaan in 1813 brak zijn roem nationaal en internationaal door.

In Milaan kreeg Niccolò Paganini een relatie met de zangeres Antonia Bianci. Ze gaven samen overal In Italië concerten. Op 23 juli 1825 kregen ze In Palermo een zoon: Achilles Cyrus Alexander, die daar in de San Bartolomeokerk werd gedoopt. Hun relatie eindigde in1828. Achilles bleef bij zijn vader en vergezelde hem op zijn reizen. Want vanaf 1828 reisde hij door heel Europa om overal concerten te geven.

Gedurende zijn hele leven was Paganini eigenlijk chronisch ziek. Een syphilis-infectie, al vóór 1822, behandeld met kwik en  opium leidde tot ernstige lichamelijke en geestelijke gezondheidsproblemen. Een mysterieuze ziekte heeft voor nog meer mystificatie rondom zijn persoon gezorgd. Hij leed aan het Marfan syndroom, daardoor had hij zeer lange vingers.

In 1834 werd hij in Parijs behandeld voor longtuberculose.

In september 1834 zette Paganini een punt achter zijn carrière en keerde terug naar Genua. Hij besteedde zijn tijd aan het publiceren van zijn  composities en zijn vioolmethodiek. Hij gaf ook les.

In 1835 kwam hij in Parma in dienst van Groothertogin Marie Louise van Oostenrijk, de tweede vrouw van Napoleon. Zijn opdracht om haar orkest te reorganiseren mislukte om dat hij op slechte voet kwam te staan met de andere muzikanten. En poging om in 1836 in Parijs een casino te beginnen, mislukte ook jammerlijk.                                                                                

Met kerst 1838 vertrok hij uit Parijs naar Nice, waar hij zwaar ziek werd. Hij weigerde van de plaatselijke priester het Laatste Sacrament en stierf in mei op 57jarige leeftijd aan inwendige bloedingen, zonder geestelijke bijstand.

Door deze omstandigheden: lange, smalle, spookachtige gestalte, wassen gezicht, lang zwart haar,  en door de legendevorming dat Paganini een 'duivelsviolist' was (hij zou een verbond met de duivel hebben gesloten; hij zou op kerkhoven spelen voor de doden; hij zou zijn gezicht wit schminken voor concertoptredens) was, werd een katholieke begrafenis in Genua geweigerd. Het duurde vier jaar en speciale Pauselijke toestemming voor het lichaam naar Genua kon worden gebracht, maar het mocht daar nog steeds niet worden begraven. Zijn resten werden tenslotte in 1876 op een begraafplaats in Parma ondergebracht. In 1896 kreeg hij daar een nieuw, net graf op het Cimitera Vigatto.

Paganini was in het bezit van een groot aantal prachtige instrumenten. Als teenager in Livorno, leende een gegoede handelaar: Livron, hem  een Guarneri-viool voor een concert.

Livron was zo onder de indruk van Paganini’s spel, dat hij het instrument niet meer terug wilde hebben. Deze bijzondere viool werd bekend onder de naam Il Cannone Guarnerius. "Ik laat mijn instrument  na aan de stad Genua, waar het voor altijd bewaard moet bljven"  staat in Paganini's testament.  Het is te bewonderen in Palazzo Tursi in Via Garibaldi in Genua, waar een uitgebreide Paganini-collectie is opgebouwd.

Maria Moretti en Anna Sorrento hebben een catalogus van Paganini's werken opgesteld en aan de werken een MS nummer toegekend

Niccolò Paganini componeerde

     6 vioolconcerten

- Vioolconcert nr. 1, opus 6, waarschijnlijk tussen 1817 en 1818. Het concerto is geschreven in Es grote terts, maar de solopartij in D grote terts, met aanwijzingen voor de violist om een scordatura (verstemming) van een halve tton omhoog toe te passen. Daardoor zijn bepaalde effecten mogelijk, die bij een normale stemming niet mogelijk zouden zijn. Onuitputtelijke klankschakeringen.

- Vioolconcert nr.2 in b kleine terts, opus 7, 1826. Paganini-virtuositeit: met de razendsnelle loopjes, dubbeltrillers en duizelingwekkende greepwisselingen moet de violist koordansen op zijn viool. Het derde deel heeft als bijnaam: “La Campanella" of "La Clochette" vanwege de kleine bel waarvan Paganini het gebruik voorschrijft bij elke herhaling van het rondothema. Het belkarakter wordt zowel in het orkest als in de solopartij geïmiteerd. Het hele deel heeft een charmante swingende zigeunerkleur. Franz Liszt baseerde er zijn Étude S.140 nr.3 "La campanella" op en Johann Strauss seniorWalzer à la Paganini”,  opus 11.

     30 concertstukken voor viool en orkest,

- I Palpiti, opus 13,  (Introductie en Variaties over 'Di tanti palpiti' uit Rossini’s opera Tancredi), 1819

- Sonata "a Preghiera" (Mozes Fantasie), MS 23, 1819, variaties voor de vierde snaar op het thema  "Dal tuo stellato soglio" uit de opera Mosè in Egitto (Mozes in Egypte) van Rossini; spetterend moeilijk.

     3 strijkwartetten, opus 1a MS 20, 1815-1818, overromantisch

     15 kwartetten voor viool, gitaar, altviool en cello

     18 (series) werken voor viool en gitaar, waaronder 72 sonatas

- Grande Sonata in A grote terts, MS 3, 1804 voor gitaar en viool (facultatief), Paganini’s bekendste “gitaarwerk”

- Cantabile, opus 17, MS 109, voor viool en gitaar òf piano

- Cantabile e Valtz, opus 19, MS 45, 1824

- Centone di Sonate, 18 sonates voor viool en gitaar, opus 64, MS 112, omstreeks 1828,.

     3 concertante duetten voor viool en fagot, opus MS 130, omstreek 1800, in 1990 ontdekt in de erfenis van  Ernesto Camillo Sivori. Zijn erfgenamen bewaren de partituur in een privécollectie in Genua. Virtuoos werk, geschreven in de Italiaanse operastijl.

     9 (series) werken voor viool solo

- 24 capricio's voor viool, opus 1, 1820, zijn bekendste werken, een ultieme" test voor elke violist door de extreme moeilijkheidsgraad van de stukken. Ze zijn gebaseerd op de wonderbaarlijke cadenza-achtige caprices uit de twaalf vioolconcerten van Pietro Locatelli die zijn L'Arte de Violino, opus 3 vormden. Duivelse streeksoorten, linkerhand-pizzicato, flageoletten, instrumentimitaties, ultieme lakmoesproef voor de viooltechniek van de violist.

Uiteraard konden andere instrumentalisten het niet laten de caprices voor hun eigen instrument te bewerken, er is zelfs een serie blokfluittranscripties.

- Nel cor più non mi sento, Introductie en variaties in G groot, opus 38, MS 44, 1827, over de aria "Nel cor più non mi sento" uit de opera La molinara (1788) van Giovanni Paisiello. Duizelingwekkend.

     39 (series) gitaarwerken

- 43 Ghiribizzi (fantasieën); MS 43, 1820, intieme werkjes

     diverse arrangementen voor viool

 

Antoine Benoit Tranquille Berbiguier (Caderousse, Frankrijk, 21 december 1782 - Pontlevoy, 20 januari 1835) leerde zichzelf al jong dwarsfluit, viool en cello spelen. Zijn ouders wilden dat hij rechten ging studeren, maar daar had hij helemaal geen zin in. In 1805, toen hij 23 jaar was, ontsnapte hij van huis om tegen de wil van het gezin in fluit te gaan studeren. Hij studeerde aan het Conservatoire Nationale de Musique in Parijs fluit bij Johann Georg Wunderlich en harmonieleer bij Henri Montan Berton.

In 1813 nam hij dienst in het leger, hij bracht het in 1819 tot luitenant, en trok zich toen uit het leger terug. Hij vestigde zich in Parijs als fluitvirtuoos en componist. In 1830 ging Benoit Tranquille Berbiguier in Pontlevoy wonen.

Benoit Tranquille Berbiguier componeerde

     11 fluitconcerten

     2 concertante symfonieën voor twee fluiten en orkest

     talloze duetten voor fluit en cello, omdat zijn vriend Pierre-Louis Hus-Desforges cellist was

     7 grote fluitsonaten

     15 (series) fluitduetten

- 10 petits Duos faciles, opus 142

     andere kamermuziekwerken

- Plaisir d’amour,  fantasie en variaties voor fluit en piano, opus 19

- Trio's voor drie fluiten, opus 62, de moeite waard

     18 exercisis pour la flûte traversière, een begrip voor elke fluitstudent

     30 grote preludes en cadensen voor fluit solo, opus 140

     andere solowerken voor fluit

     2 fluitmethodes

 

Erik Gustaf Geijer (Ransäter, Värmland , Zweden, 12 januari 1783 – Stockholm , 23 april 1847) werd  geboren  op Geijersgården, zijn familie landhuis. Hij studeerde aan  de Universiteit van Uppsala. Hij werd daar professor geschiedenis vanaf 1817 en rector vanaf 1822. 

Erik Gustaf Geijer componeerde

     10 kamermuziekwerken

     8 pianowerken

     21 (series) liederen voor zangstem en piano

     6 duetten voor zangstemmen

     4 terzetten voor zangstemmen

     5 werken voor gemengd koor

     4 werken voor mannenkoor

 

Louis Spohr (eigenlijk: Ludewig Spohr) (Braunschweig, 5 april 1784 ‒ Kassel, 22 oktober 1859) was het eerste kind van Dr. Karl Heinrich Spohr (1756-1843), die in 1786 als natuurkundige overgeplaatst werd naar Seesen vlakbij de Harz, en Ernestine Henke (1763-1840). Hij groeide op in Seesen, waar hij ook zijn eerste muzieklessen kreeg. Op 12-jarige leeftijd ging hij naar Braunschweig, waar hij vioolles kreeg van Kunisch en later Maucourt. Van de organist Hartung kreeg hij korte tijd lessen in compositie, harmonie en contrapunt. In 1799 werd hij door Hertog Karel Willem Ferdinand van Brunswijk in de hofkapel opgenomen. In 1802 en 1803 reisde hij samen met de violist Franz Eck naar Sint-Petersburg reizen.

Tijdens deze reis begon hij ook te componeren. Zijn eerste eigen concertreis maakte hij in 1804 en 1805 door Midden-Duitsland. Vanaf deze reis had hij een grote naam als vioolvirtuoos en componist. Van 1805 tot 1812 was Spohr concertmeester en dirigent van de hofkapel in Gotha bij de hertog August van Saksen-Gotha-Altenburg. Hier werd hij verliefd op de harpiste Dorette Scheidler, waar hij in 1806 mee trouwde en die hem tot talrijke werken voor viool en harp inspireerde. In deze tijd vallen zijn eerste successen in de organisatie van muziekfeesten in Bad Frankenhausen/Kyffhäuser in 1811 en 1812, waar hij ook als dirigent werkte en zijn Symfonie Nr. 1 in Es-groot, opus 20 (1810) en zijn oratorium Das jüngste Gericht (1812) onder zijn leiding in première gingen. Spohr was een van de eerste dirigenten die een dirigeerstok  gebruikte ter hand nam. In die tijd zagen sommige spelers in een orkest dat angstig aan, bang als ze waren voor agressie van de dirigent.

In 1813 en 1814 was Louis Spohr  dirigent was van het orkest aan het Theater an der Wien,  een hoogtepunt in zijn leven. Een grote concertreis door Duitsland en Zwitserland naar Italië, met als hoogtepunt de première van zijn Concert Nr. 8 in a-klein, voor viool en orkest, opus 47 (1816) in het Teatro alla Scala in Milaan, bezorgde hem als vioolvirtuoos internationale faam.

Aan het einde van het jaar 1817 werd hij dirigent aan de opera in Frankfurt am Main en van het orkest van de Frankfurter Museumsgesellschaft. Verschillen van inzicht met de directeur van de opera dwongen hem ertoe na drie jaar met deze werkzaamheden te stoppen. Na concertreizen naar België (1820), Londen (1820) en Parijs (1820/1821) kwam hij in 1822 op advies van Carl Maria von Weber als kapelmeester aan het hof van keurvorst Willem II van Hessen-Kassel in Kassel. Hier  kreeg hij een aanstelling voor het leven kreeg en  zette hij zijn vakbekwaamheid als dirigent, musicus en componist wist in, om het aanzien van het hof, het hoforkest en ook van zichzelf als componist in Duitsland zeer hoog op te werken.

Hij bracht de opera van Kassel op een ongekend niveau.

Vanaf 1830 beleefde Spohr vele persoonlijke tegenvallers en problemen in zijn beroep. Zijn echtgenote Dorette overleed in 1834. Door een tweede huwelijk met Marianne Pfeiffer in 1836 versterkte hij zijn binding aan de stad Kassel. In 1857 ging hij met pensioen.

De stad Kassel heeft een Spohrmuseum ingericht en er bestaat ook een Spohr Society. Hij is ereburger van de stad Kassel. De stad Braunschweig kent twee naar Spohr benoemde muziekprijzen.

Louis Spohr componeerde

     10 opera’s

- Faust, 1816

- Jessonda, 1823

- Der Matrose, 1838, de Ouverture voor orkest WoO.7, "Der Matrose", wordt nogal eens apart uitgevoerd

     5 toneelmuziekwerken

     10 symfonieën

- symfonie nr. 4 in F grote terts, opus 86 (1834/35), een vierdelig symfonisch gedicht , gebaseerd op Die weihe der Töne van dichter Carl Pfeiffer; een langdradig gedicht, maar best wel een interessante symfonie.

- Symfonie nr. 5 in c kleine terts, opus 102, 1837, het eerste deel is een omwerking van de orkestfantasie in c kleine terts over Ernst Raupachs Toneelstuk "Die Tochter der Luft", WoO 6, 1836

- symfonie nr. 7 "Irdisches und Göttliches im Menschenleben" in C grote terts, opus 121, 1841

- symfonie nr. 9 "Die Jahreszeiten" in b kleine terts, opus 143, 1850, leuk en onderhoudend, betere muziek

     30  concerten

- vioolconcert Nr. 7 in e-klein, opus 38 (1814), heel geraffineerd geschreven, mooi concert;

- vioolconcert Nr. 8 in a-klein, opus 47 (1816)

- klarinetconcert nr. 1 in c kleine terts, opus 26, 1808 met een Mozartiaans Adagio

- klarinetconcert nr. 2 in Es grote terts, opus 57, 1810

- klarinetconcert nr. 3 in f kleine terts, WoO 19, 1821

- klarinetconcert nr. 4 in e kleine terts, WoO 20, 1828, met een kwikzilveren Allegro.

     11 ouvertures

     7 andere orkestwerken

- Notturno in C grote terts,  voor blaasorkest,  opus 34, 1815, opgedragen aan Günther Friedrich Carl, Vorst van Schwarzburg-Sondershausen

- Festmarsch in D grote terts, 1825,  WoO 3

- Introduzione in D grote terts, WoO5

     1 werk voor harmonieorkest

     4 oratoria

- Die letzten Dinge (1825/26)

- Des Heilands letzte Stunden (1834/35)

     1 mis

     1 cantate

     3 psalmen voor koor

     30 strijkkwartetten

     7 strijkkwintetten

     20 andere kamermuziekwerken

- Großes Nonett in F-groot, voor blazers (dwarsfluit, hobo, klarinet, fagot en hoorn) en strijkers (viool, altviool, cello en contrabas), opus 31, 1813,

- oktet in E-groot, opus 32, 1814

     4 series liederen voor zang en instrumenten

     2 harpwerken

- Fantasia pour la harpe composée et dédié à son epouse in c-klein, opus 35, 1807

- Variaties op Mehuls aria “Je suis encore dans mon printemps in F-groot, opus 36, 1807

 

Dionisio Aguado y García (Madrid, Spanje, 8 april 1784 – 29 december 1849) studeerde bij Miguel García. Na de Franse invasie in Spanje door Napoleon tijdens de nasleep daarvan, trok Dionisio Aquado zich met zijn familie in 1803 terug in het dorp  Fuenlabrada, waar hij lesgaf en zijn gitaartechnieken volmaakte. In 1824 overleed zijn moeder, reden voor Dionisio Aquado om in 1825 naar Parijs te gaan. Hij werd daar goede vrienden werd met Fernando Sor, die daarvan getuigenis gaf met het gitaarduo Les Deux Amis("De Twee Vrienden"), waarvan de ene stem "Sor" heet en de de andere "Aguado."

Aguado kwam terug in Madrid in 1837 en overleed daar op de leeftijd van 65 jaar.

Dionisio Aguado componeerde

     25 (series)gitaarwerken

- Trois Rondos Brillants, opus 2,

- Le Menuet Affandangado, opus 15,

- Le Fandango Varie, opus 16,

     3 gitaarleergangen met speelwaanwijzingen

- Escuela de Guitarra, 1825,

- Nuovo Método para Guitarra, 1843

 

André George Louis Onslow (Clermont-Ferrand, 27 juli 1784 – 3 oktober 1853) was de zoon van een Engelse vader, die zijn land na een familieschandaal had verlaten, en een Franse moeder. Het aristocratische gezin moest in 1797, vanwege de Franse Revolutie, het land ontvluchten en kwam via Rotterdam en Hamburg in Londen uit, waar George pianolessen volgde bij Johann Baptist Cramer en Jan Ladislav Dussek. De ballingschap van zijn vader eindigde in 1804, maar de jonge Onslow bleef daarna nog twee jaar rondreizen door Duitsland en Oostenrijk

Na terugkeer in Frankrijk, in 1808 nam George Onslow  les bij Anton Reicha in Parijs.

In 1829 werd Onslow bij een ongeluk tijdens de jacht doof aan één oor. Van toen af trok hij zich terug in zijn landhuis in de Auvergne en vertoonde zich alleen nog in Parijs bij officiële gelegenheden of om nieuwe werken te presenteren. In 1842 werd hij als opvolger van de overleden Luigi Cherubini verkozen tot voorzitter van de Académie des Beaux-Arts. Dat was opmerkelijk voor een kamermuziekspecialist in het operagezinde Frankrijk.

In zijn laatste jaren werd Onslow gekweld door depressies en zelftwijfel. In 1850 schreef hij zijn laatste werk, een pianotrio. Drie jaar later stierf hij op 69-jarige leeftijd in zijn geboorte- en woonplaats Clermont-Ferrand in de Auvergne.

George Onslow componeerde

     36 strijkkwartetten

- 3 strijkkwartetten opus 8, omstreeks 1812

+ Strijkkwartet opus 8 nr. 1 in c kleine terts, in het Adagio is goed te hoorde, dat George Onslow zelf de cello beheerste.

- 3 strijkkwartetten opus 9; omstreeks 1812

- 3 strijkkwartetten opus 10, omstreeks 1812

+ Strijkkwartet opus 10 nr. 3 in A grote terts, in het Menuet komt een volksliedje uit de Auivergne tevoorschijn.

- 3 strijkkwartetten opus 21, 1822

     34 strijkkwintetten

     13 andere kamermuziekwerken

- Blaaskwintet, opus 81, 1850

     4 symfonieën

     4 opera’s

     koorwerken

     pianowerken

 

Ferdinand Ries (Bonn, 28 november 1784 - Frankfurt am Main, 13 januari 1838) was de zoon van de violist Franz Anton Ries (1755-1846), een vriend en vioolleraar van Beethoven.  Ferdinand kreeg ook les van zijn vader, studeerde daarna in een tijdje in München en ging rond 1803 naar Wenen, waar Beethoven hem drie jaar pianoles gaf. Bij Johann Albrechtsberger volgde Ries compositielessen..

Dankzij de invloed van Beethoven kreeg Ries aanstellingen als pianist bij adellijke families in Baden en Silezië. Tussen 1809 en 1813 toerde hij als concertpianist doorheen Europa, tot hij zich vestigde in Londen. Hij bleef daar elf jaar, en trouwde er met Harriet Mangeon.

In 1824 keerde Ferdinand Ries terug naar Duitsland, waar hij muzikaal actief bleef als componist en dirigent. Hij was tussen 1825 en 1837 acht maal leider van het belangrijke Niederrheinisches Musikfest. In 1834 werd hij benoemd tot leider van het stedelijk symfonieorkest en de Singakademie in Aken.

Ferdinand Ries componeerde

     4 opera's

     2 oratoria

- „Der Sieg des Glaubens“, Oratorium in twee bedrijven voor soli, koor en orkest, libretto, Johann Baptist Rousseau, opus 157, 1829; kundig libretto; hoogdravende romantiek;

- Die Könige in Israel, Oratorium in twee bedrijven voor solisten, koor en orkest, opus. 186, tekst W. Smets, 1837. Over de conflicten tussen de Outestamentische koningen Saul en David, de vriendschap van David met Sauls' zoon Jonathan, en de veldslagen tussen de Israëlieten en de Filistijnen (wat dat betreft is er nog niet veel veranderderd). Prachtig getoonzet.

     2 cantates

     1 requiem, 1815, onvoltooid, alleen de delen Requiem en Dies irae.

     6 ander vocale werken voor zangstem(men), (koor) en orkest of instrumenten

     8 symfonieën

     4 concertouverturen

- Ouverture tot Schillers treurspel "Don Carlos", opus 94, 1815 

- Ouverture tot Schillers treurspel "Die Braut von Messina", opus 162, 1829 

- Ouvertüre „L’Apparition“, WoO 61, 1836

     1 vioolconcert

     9 pianoconcerten

- Concerto nr. 2 voor piano en orkest in Es grote terts opus 42, 1811, tal van harmonische verrassingen;

- Concerto nr. 9 voor piano en orkest in g kleine terts opus 177, 1833, grote zelfverzekerdheid en subtiliteit;

     7 andere werken voor piano en orkest

- Rondeau brillant, opus 144, 1825, virtuoos

     kamermuziekwerken

26 strijkkwartetten,

20 quintetten, sextetten, septetten en octetten

Sextett voor pianoforte en harp, klarinet, hoorn, fagot en contrabas / ook uitgegeven als Quintett voor pianoforte en harp, viool, altviool en violoncello in g kleine terts opus 142, 1814 

- Grande Cello Sonata, opus 34, voor cello of hoorn en piano, 1811. opgedragen aan Madame Serina  née Dellevie. Fantastische sonate, mooi uitgewerkt.

- Suite voor hoorn of viool en piano nr. 3 in G grote terts, opus 34/5, 1870 (het vijfde deel "Perpetuum Mobile" is een genrestuk voor violisten geworden en wordt doorgaans apart uitgevoerd)

- Symfonie nr. 3, :"Eroica" van Beethoven, gearangeerd  voor pianokwartet: piano, viool, altviool, cello

     34 (series) liederen

     140 werken of series werken voor piano

14 pianosonates

     36 liederen of series liederen voor zangstem(men) en piano

www.ferdinand-ries.de

 

Ernest  (Ernst, Ernesto) Krähmer (Dresden, 30 maart 1785 – Wenen, 16 januari 1837) leerde als kind verschillende blaasinstrumenten bespelen. Vanaf 1806 studeerde Ernest Krähmer intensief muziek op het Militair Instituur  in Annaburg. In 1810 kwam hij, 15 jaar oud, terug bij zijn ouders in dresden en kreeg daar drie jaar hobolessen van musici uit het hoforkest. In 1814 moest Ernest Krähmer in militaire dienst, maar werd daaruit ontslagen, toen hij bij zware marsen een longonsteking opliep. In februari 1815 kreeg hij een baan als hoboïst bij het Koninklijk Opera Orkest in Wenen en in september 1822 werd hij aangesteld als hof- en kamermusicus. Ernest Krähmer was beroemd om zijn hobo- en csákánspel.

In 1815 trouwde Ernest Krähmer met klarinettiste Caroline Schleicher. Zij gaven samen veel concerten en kregen twee kinderen: cellist Ernst en pianist Carl.

Ernest  Krähmer componeerde

     kamermuziekwerken, vooral voor het instrument csakan.

- concertpolonaise, opus 5

- bravourvasriationen over Himmel’s lied “An Alexis send ich dich voor csakan en strijkers of pian, opus 7, 1825

- 6 walzen met coda, opus 11, voor csakan en piano  

- Variations Brilliantes, opus 18, 8-delige variatiesuite voor csakan en piano  

- Rondeau Hongrois, opus 28, voor csakan en gitaar, 1830

- Duo Concertant voor csakan en pianoforte opus 16

- Originalstücke, opus 25, 10 stukken voor twee csakans, kan ook op twee blokfluiten

- 100 Solostücke voor de Csakan in alle grote en kleine tertstoonladders, opus 31, 1837

- Introductie, thema en variaties op een eigen thema, opus 32, voor csakan solo

- Rondeau "la Tyroliene, opus 35, voor csakan en piano, 1830

     werken voor csakan solo

- Introductie en variaties, opus 15,

- 3 Original-Thema's mit leichten & fortschreitenden Variationen, opus 24, omstreeks 1830

 

Friedrich Wilhelm Kalkbrenner (in een koets onderweg tussen Kassel en Berlijn, 7 november 1785 – Enghien-les-Bains (bij Parijs), 10 juni 1849) was was de zoon van Christian Kalkbrenner (1755-1806), Joods musicus uit Kassel. Friedrich Kalkbrenner studeerde aan het Parijse Conservatorium en speelde al snel in het openbaar. Van 1814 tot 1823 was hij uitvoerend musicus en docent in Londen. Hij vestigde zich daarna definitief in Parijs.

Kalkbrenner werd medebestuurslid van de Parijse pianofabriek van Pleyel & Co, en verdiende veel geld door de combinatie van zijn uitvoerend-musicusschap en de handel in instrumenten. Hij had een gelukkig huwelijk met een veel jongere Franse rijke erfdochter, die afstamde van de adel uit het Oude Regime.

Friedrich Kalkbrenner was een van de 50 componisten die een variatie schreven over een thema van Anton Diabelli voor deel II van de  Vaterländischer Künstlerverein, 1824.

Friedrich Kalkbrenner componeerde

     3 opera’s

     1 cantate

     1 Stabat Mater

     6 pianoconcerten

- pianoconcerto nr. 2, opus 85

- Adagio ed Allegro di bravura, opus 102

- pianoconcerto nr. 3, opus 107, best wel moeilijke concerten, en mooi gecomponeerd

     9 andere orkestwerken

     22 kamermuziekwerken

- pianotrio nr. 2, opus 14

     200 pianowerken

 

Friedrich Daniel Rudolph Kuhlau (Frederick Kulav) (Uelzen, Beneden-Saksen, Duitsland, 11 september 1786 – Lyngbye, Denemarken, 12 maart1832) was een zoon van een militaire hoboïst. De familie verhuisde in 1793 naar Lüneburg. Drie jaar later verloor hij daar, zeven jaar oud zijn rechteroog, doordat hij op het ijs uitgleed en viel. Zijn ouders zorgden ervoor dat hij pianoles kreeg. Omstreeks 1802/1803 vertrok hij naar Hamburg en werd daar opgeleid door de stadcantor Christian Friedrich Gottlieb Schwencke. Toen Hamburg in 1810 door Napoleon veroverd werd vluchtte Friedrich Kuhlau naar Kopenhagen om niet in het leger te hoeven dienen. Friedrich Kuhlau werkte in Denemarken als als pianoleraar en componist. In 1813 werd hij tot Deen genaturaliseerd en lid van de hofkapel. In 1816/1817 was hij koorleider in het koninklijk theater. In 1818 werd hij aangesteld als hofcomponist.

Het leven viel Friedrich Kuhlau niet gemakkelijk. Hij leed aan ziekte, drankzucht en financiële problemen en kreeg als gevolg van een brand in zijn woonhuis in 1831 een zware longziekte waaraan hij een jaar later overleed Friedrich Kuhlau is begraven op de Assistẹns Kirkegård in Lyngby.

Dan Fog stelde in 1977 een bibliografische catalogus samen Hij gaf de werken van Friedrich Kuhlau een DF nummer

Friedrich Kuhlau componeerde 232 werken

     4 opera’s

"Die Räuberberg" , WoO 129,  opera in drie bedrijven, libretto Adam Gottlob Oehlenschläger, 1813

     4 zangspelen

     2 theatermuziekwerken

- Elverhøj (Elvenheuvel), toneelmuziek bij een drama van Johann Ludwig Heiberg, 1828, ter gelegenheid van een huwelijk in het Deeense koningshuis werd meteen populair door ouverture en de koninklijke slotanthem Kong Christian stod ved høien Mast (Koning Christiaan stond bij torenhoge mast). Friedrich Kuhlau maakte in de muziek erg effectief gebruik van Deense en Zweedse volksliedjes. Het is het eerste echte Deense nationaal romantische muziekwerk en tot op de dag van vandaag in Denemarken populair. Gebruikt in de film Die Olsenbande sieht rot (1976),

     3 cantates

     3 orkestwerken

     2 werken voor harmonie-orkest

     4 (series) koorwerken

     30 (series) kamermuziekwerken met dwarsfluit

- 3 Trios voor drie dwarsfluiten, in D grote terts, g kleine terts en F grote terts, opus 13,  omstreeks 1814,

- 3 Grand Duos voor twee dwarsfluiten, opus 39, 1821, opgedragen aan Anton Bernard Fürstenau (1792 - 1852), de beroemdste fluitist uit zijn tijd.

- Trois Duos pour deux Flûtes,  opus 81

- 3 Trios voor 3 dwarsfluiten (e kleine terts, D grote terts, E grote terts), opus 86, 1827

- 3 Grands Duos Concertants voor 2 dwarsfluiten (A grote terts, g kleine terts, D grote terts), opus 87, 1827 

- 3 Duetten für zwei Flöten,opus 102

- 2 Klavierstücke mit Flöte, opus 112

     5 (series) andere kamermuziekwerken

- Andante en Polacca voor hoorn en piano,  WoO 189,

     2 (series) liederen

     20 sonates en sonatines voor piano

     16 variatiewerken voor piano

     16  (series) werken voor piano vierhandig

     70 andere (series) pianowerken

3 Rondos für Klavier, opus 109

     1 serie werken voor fluit solo

 

Carl Maria Friedrich Ernest von Weber  (Eutin, 18 november 1786 – Londen, 5 juni 1826) was de oudste van drie kinderen van Franz Anton von Weber en zijn tweede vrouw Genovefa Brenner. Carl Maria von Weber studeerde als kind muziek bij Heuschkel in Hildburghausen. In 1798 overleed zijn moeder. In datzelfde jaar vertrok Von Weber naar Salzburg om les te gaan krijgen van Johann Michael Haydn. Later volgde Von Weber nog muziekles in München bij de zanger Johann Evangelist Wallishauser en bij de organist J.N. Kalcher.

In 1800 verhuisde de familie Von Weber naar Freiberg in Saksen. Von Weber, toen 14 jaar oud, schreef daar de opera Das stumme Waldmädchen..Hij schreef ook recensies in de Leipziger Neue Zeitung.

In 1801 verhuisde de familie weer terug naar Salzburg. Von Weber ging daar studeren bij Joseph Haydn en bij Abbé Vogler. In 1803 verscheen Von Webers opera Peter Schmoll und seine Nachbarn, waarmee hij definitief zijn status als populair componist vestigde.

Op voordracht van Abbé Vogler werd Von Weber benoemd tot directeur van de Opera in Breslau. Niet veel later kreeg Von Weber een betrekking aan het hof van de keurvorst vanWürttemberg Frederik I.

In 1813 werd hij directeur van het Statentheater in Praag. Vanaf 1817 was hij directeur van de opera van Dresden. Von Weber werkte hard aan de erkenning van de Duitse opera, als reactie op de Italiaanse opera die Europa toen nog domineerde.

In 1821, bereikte Von Weber het hoogtepunt van zijn carrière met de voltooiing van zijn meesterwerk, de opera Der Freischütz. De compositie was muzikaal vernieuwend door het kwistig gebruik van meerdere lagen harmonieën en het gebruik van populaire thema's uit volksmuziek uit Centraal-Europa. Ook het script, waarin Lucifer zelf in een nachtelijk bos verscheen en het min of meer open einde (zowel muzikaal als wat verhaal betreft), was voor die tijd zeer vernieuwend. De opera had zijn première in Berlijn.

In 1824 kreeg Von Weber een uitnodiging van het operahuis Covent Garden in Londen om de opera Oberon  te componeren en te produceren. Von Weber nam de uitnodiging aan en vertrok in 1826 naar Engeland om de opera af te maken en aanwezig te zijn bij de uitvoering. Hij leed toen al aan tuberculose en in de nacht van 4 op 5 juni overleed hij in Londen aan deze ziekte. Aanvankelijk werd hij begraven in Londen, maar achttien jaar later werden zijn resten opgegraven en herbegraven in Dresden.

Een complete chronologische catalogus van Webers’ meer dan 300 werken werd samengesteld door  Friedrich Wilhelm Jähns en gepubliceerd in 1871. De werken van Weber hebben daarin een J. nummer.

Carl Maria von Weber componeerde

     10 opera’s

- Silvana, J. 87, 16 september 1810, libretto Franz Carl Hiemer , bewerking van de eerdere onsuccesvolle opera Das Waldmädchen. De muziek gebruikte Weber later voor de populaire Zeven variations op een thema uit Silvana voor klarinet en piano, opus 33.

- Der Freischütz, opus 77, romantische opera in drie bedrijven, libretto Johann Friedrich Kind,  juni 1821. Met twee sopranen: Agatha, de hoofdpersoon, dochter van de erfvorst en Ännchen, haar nichtje; smoorverliefde maar twijfelmoedige jager verpandt zijn ziel aan de duivel in ruil voor vrijkogels die alles raken.

- Euryanthe,  "grote, heroïsche, romantische" opera, 25 oktober 1823, libretto Helmina von Chézy, gebaseerd op de 13de eeuwse "L'Histoire du très-noble et chevalereux prince Gérard, comte de Nevers et la très-virtueuse et très chaste princesse Euriant de Savoye, sa mye." Alleen de ouverture wordt vandaag de dag, en dan ook nog regelmatig, uitgevoerd.   

- Oberon, or The Elf King’s Oath,  romantische opoera in 3 bedrijven, libretto James Robinson Planche, gebaseerd op een Duits gedicht Oberon, van Christoph Martin Wieland, dat ook weer was gebaseerd op de verhalende romance Huon de Bordeaux, een Frans middeleeuws verhaal, 1826. De mooie ouverture wordt nogal eens apart als orkestwerk uitgevoerd.

     17 toneelmuziekwerken

- Preciosa, opus 78, J. 279, 1821; Muziek bij het gelijknamige toneelstuk van Pius Alexander Wolff naar Cervantes roman La Gitanilla; een Ouverture en 11 muzieknummers. De Ouverture wordt doorgaans apart uitgevoerd, het is een voortreffelijk voorbeeld van een Romantische concertouverture

     2 symfonieën, prachtig;

- Symfonie nr. 2 in C grote tets,  J. 51, 1813, kleurrijk

     15 concerten

- Concertino voor klarinet en orkest in Es grote terts, opus 26, J. 109, 3 april 1811, geschreven voor klarinettist Heinrich Bärmann.

- Andante e Rondo ungarese in c kleine terts, opus 35, voor altviool,  J.79, 1809,  of fagot, 1813,  J.158 en orkest

- Klarinetconcerto nr. 1 in f kleine terts, opus 73, J.114, 1811, geschreven voor de klarinettist Heinrich Bärmann; één brok romantiek, gloedvol en meeslepend;

- Klarinetconcert nr. 2 in Es grote terts, 1811, opus 74, J.118, ook geschreven voor de klarinettist Heinrich Bärmann

- Concerto voor fagot in F grote terts, opus 75, J. 127, 1811, gecomponeerd voor de Münchense hofmusicus Georg Friedrich Brandt, gereviseerd in 1822.

     2 ouvertures

     1 werk voor harmonieorkest

     3 missen

     3 koorwerken

     7 (series) kamermuziekwerken

- 6 sonates progressives voor viool en piano, in Fgrote terts, G grote terts, d kleine terts, Es grote tertst, Fgrote terts en C grote terts, opus 10, J.99-104, 1810, ondanks onverwachte details niet echt meesterwerken.

- 7 variaties op een thema uit Silvana, opus 33, J 128,  voor klarinet en piano, 1811.

- Grand Duo Concertant, opus 48, J 204, voor klarinet en piano, 1816. Virtuoos werk

- Piano Quartet in B flat major, opus 18 J.76, 1811; met een langzaam deel waarvoor je op het puntje van je stoel gaat zitten;

- klarinetkwintet in Bes grote terts, opus 34, J. 182, 1815

- Trio in g kleine terts voor piano, cello en dwarsfluit, opus 63, 1820, J. 259

     90 liederen

- 6 Lieder, opus 15, 1809; 6 humoristische lederen

nr. 5. Das Röschen (Ich sah ein Röschen am Wege steh’n), tekst Karl Müchler; de doornen krijgen al gauw een hoofdrol.

     23 (series) pianowerken

- Piano Sonata nr. 2 in As grote terts, opus 39, J 199, 1816

- Aufforderung zum Tanze: Rondo brillant in Des grote terts, opus. 65, J. 260; 1819; Door 15 componisten op allerlei manieren gearrangeerd; door Berlioz voor orkest in 1841

 

Iwan Müller (Reval (nu Tallinn), Estland, 3 december 1786 - Bückeburg, Duitsland, 4 februari 1854) werd in Reval, toen deel van het Russische keizerrijk uit Duitse ouders geboren. Nog voor zijn twintigste was hij klarinetvirtuoos in het hoforkest van de Russische tsaar in Sint-Petersburg.

Hij ontwikkelde de zogenaamde clarinette omnitonique, met een nieuw kleppenmechanisme en met 13 kleppen, die alle noten van de chromatische toonladder over vier en een half octaaf kon spelen.Ook ontwikkelde hij goede polsters die de toongaten perfekt afdichtten. Iwan Müller richtte in Parijs een fabriekje op om klarinetten te bouwen. Het Parijse Conservatoire wees zijn instrument in 1812 echter af en gaf de voorkeur aan de klarinet van Böhm. Iwan Müllers bedrijfje ging failliet, en hij begon een carrière als reizend virtuoos door Europa, waarbij hij zijn nieuwe klarinet bleef aanprijzen. Zo brak zijn uitvinding uiteindelijk toch door. Ze is verder ontwikkeld tot het Oehler-systeem dat in Duitsland het meest wordt gebruikt.

Müller is ook de uitvinder van de altklarinet. Müllers laatste aanstelling was als hofmuzikant van vorst George Willem van Schaumburg-Lippe in Bückeburg.

Iwan Müller componeerde

     klarinetconcerten

     kamermuziekwerken met klarinet. 

 

Maximilian Marcus Joseph Leidesdorf  (Wenen, 5 juli 1787 – Florence, 27 september 1840) was de zoon van geldwisselaar en groothandelaar Joseph Leidesdorfer en Anna  Israel Hönig von Hönigsberg   Maximiliaan Joseph Leidesdorf was van Joodse afkomst, maar werd katholiek. Hij kreeg les in basso continuo van J.G. Albrechtsberger, compositie van  Antonio Salieri en contrapunt van E. A. Förster. Bovendien studeerde hij piano en viool. Maximiliaan Joseph Leidesdorf ontwikkelde zich tot een virtuoze pianist en een constructieve componist. Daarnaast was hij een gewaardeerde piano- en gitaarleraar in Wenen 

In 1806 trouwde Maximiliaan Joseph Leidesdorf met Elisabeth Cremes (1790–1845);

Hij vestigde in 1822 met Ignaz Sauer de uitgeverij Sauer & Leidesdorf.  Maximiliaan Joseph Leidesdorf was één van de componisten die een variatie op de wals van Anton Diabelli in de  Vaterländischem Künstlerverein leverden. In 1828 verhuisde Maximiliaan Joseph Leidesdorf van Wenen naar Florence, waar hij professor aan het conservatorium werd en tot zijn dood bleef wonen. In 1835 werd zijn muziekuitgeverij overgenomen door Diabelli.

Maximilian Joseph Leidesdorf componeerde

     oratoria

     missen

     een requiem

     orkestwerken

     kamermuziekwerken

- Sonate voor hoorn  en piano in Es grote terts, 1824. Het tweede deel Narcia funenbre, somber, raakt.  

- Adagio en Rondo,  Trio voor csakan en twee Flauti d’amore (altdwarsfluiten)

     liederen

     talloze pianowerken

 

Alexander Aleksandrovich Alyabyev (Alabieff,  Aljabjew, Alabiev, Tobolsk, Siberië , Rusland, 15 augustus 1787 – Moskou, 6 maart 1851), kwam uit een rijke familie, zijn vader was gouverneur van Tobolsk, en was al jong met muziek bezig. Vanaf 1812  tot 1823 vocht hij als officier in het Russische leger in de Napoleontische Oorlog. Hij nam deel aan de verovering van de Russische strijdkrachten van Dresden en parijs en kreeg twee onderscheidingen.  Alexander Aljabjew ging ondertussen  in Sint Petersburg wonen. In 1823 verhuisde hij naar Moskou.

In februari 1825 werd hij, na een nacht kaarspelen en een mysterieuze dode, gearresteerd en beschuldigd van moord. Omdat er niks afdoende bewezen kon worden, werd  Alexander Alabieff  na drie jaar gevangenis verbannen naar zijn geboortestad Tobolsk. Vanaf 1831 was hij weer vrij om te gaan en te staan en woonde hij enkele jaren inj de Kaukasus, voordat hij naar Moskou terug ging, waar hij tot zijn dood bleef.

Alexander Aljabjew  componeerde

     5 opera's

     23 vaudevilles

     1 symfonie

     andere orkestwerken

     3 strijkkwartetten

     andere kamermuziekwerken

     koorwerken

     150 liederen

- Nightingale (Solovey), gebaseerd op een gedicht van Anton Delvig,  Alexander Aljabieffs 'beroemdste werkje, gecomponeerd in de gevangenis, 1825; heeft in Rusland de status van een volkslied. Michaël Glinka en Mily Balakirev schreven er pianovariaties over, Franz Liszt maakte er een transcriptie van en het was Tchaikovsky's favoriete liedje, omdat zijn moeder het vanaf zijn vroegste kinderjaren altijd voor hem zong.

 

Conrad Franz Xaver Gruber (Steinpoldsölde, Oostenrijk, 25 november 1787 – Hallein, 7 juni 1863) was de zoon van een linnenwever, geboren in Steinpoldsölde, Unterweitzberg Nr. 9. Tot zijn achttiende was Franz Gruber zelf ook wever. Hij volgde in 1805 een muzikale opleiding bij stads- en  kerkorganist Georg Hartdobler in Burghausen en voltooide in het jaar daarop zijn opleiding tot onderwijzer. Hij was onderwijzer op een lagere school in Amsdorf. Hij trouwde er met de weduwe Elisabeth Fischinger, die twee kinderen had, samen kregen ze er nog twee. Van 1816 tot 1829 was Franz Gruber naast zijn onderwijswerk organist in Oberndorf. In 1825 stierf Elisabeth en in 1826 hertrouwde Franz Gruber met zijn oudleerling Maria Breitfuß. Ze kregen 10 kinderen. Van zijn 12 kinderen werden er maar vier volwassen.

Franz  Gruber en zijn gezin verhuisden in 1833 naar Hallein in de deelstaat  Salzburg, waar Franz Gruber organist en dirigent van het kerkkoor werd. In zijn huis in Hallein is een Franz Xaver Gruber Museum is ingericht. Joseph Mohrs’ gitaar is er nog te bewonderen. Gruber’s graf is buiten het huis en in december versierd met een kerstboom.

Franz  Gruber  componeerde

     5 Latijnse missen

     39 Duitse missen

     3 Latijnse requiemmissen

     19 Duitse Requiemmissen

     40 motetten in Duits en Latijn

     17 Duitse kerkliederen

- Stille Nacht, het kerstlied-bij-uitstek , tekst Joseph Mohr, kerstavond 1818. Joseph Mohr, een jonge priester, schreef in 1816 de 6 coupletten van het originele Kerstlied. In 1817 werd hij als priester geplaatst in Oberndorf. Op 24 december 1818 logeerde hij bij Franz Gruber in Amsdorf en vroeg zijn vriend een melodie en gitaarbegeleiding toe te voegen, zodat het lied in de Kerstnachtmis gezongen kon worden. Karl Mauracher, orgelbouwer en – reparateur, kreeg, toen hij het orgel in de kerk in Oberndorf reviseerde een kopie van de compositie en zorgde ervoor dat het lied als “Tirools volkslied” zijn reis om de wereld begon. Twee zingende “Trapp”-families namen het lied op in hun repertoire en zorgden in  de 1830-er jaren voor een groeiende populariteit. Op het moment dat het lied beroemd was in heel Europa was Joseph Mohr in 1848 al straatarm overleden en de componist onbekend. Ondanks dat Franz Gruber zijn compositierechten verdedigde werd hij door velen niet geloofd.  De melodie zou van Haydn, Mozart of Beethoven zijn. In 2007 werd er een langverloren arrangement van “Stille Nacht” van Joseph Mohr ontdekt, waarop in de  rechterbovenhoek was geschreven “Melodie von Fr. Xav. Gruber”. Er zijn een groot aantal verhalen over de ontstaansgeschiedenis van “Stille nacht” die vermoedelijke allemaal op fantasie berusten. 

     17 Duitse series liederen voor  koor, eventueel met orgel of piano

     5 Ländler voor instrumenten

     talloze arrangementen

www.stillenacht.at

 

Franz Xaver Gebel (Fürstenau bij Breslau, Silezië, 1787 – Moskou, Rusland, 21 april of 3 mei 1843) werd in Wenen muzikaal gevormd door Abbé Vogler en Johann Georg Albrechtsberger. Vanaf 1810 was Franz Xaver Gebel  Kapellmeister aan het Leopoldstädter Theater. (Leopoldstad is een voorstad van Wenen) en vervolgens aan theaters in Pest en in Lemberg. In 1817 ging Franz Xaver Gebel  naar Moskou, waar hij als muziekleraar, organisator van kamemuziekconcerten, pianist en componist veel succes had.

Franz Xaver Gebel componeerde

     6 opera’s

     1 oratorium

     1 mis

     6 orkestwerken, waarvan 4 nog nooit teruggevonden symfonieën

     16 kamermuziekwerken

- strijkkwartet in D grote terts,  1817

- strijkkwartet in Es grote terts,  1840

     3 (series) liederen

     6 pianowerken

 

Johann Peter Pixis (Mannheim, Duitsland, 10 februari 1788 – Baden - Baden, 22 december 1874) was de zoon van de Mannheimer  organist Friedrich Wilhelm Pixis (1755-1805 en de broer van violist Friedrich Wilhelm Pixis. Vanaf zijn 9de  jaar trad Johann Peter als pianist met zijn drie jaar oudere broer overal in Europa op.

In Wenen had  Johann Peter Pixis les van  Johann Georg Albrechtsberger in de jaren 1807 en 1808. Hij bleef in Wenen tot 1823 en had daar contacten met Ludwig van Beethoven, Giacomo Meyerbeer en Franz Schubert. In 1825 verhuisde hij naar Parijs, waar hij  tot 1845 werkte als comcertpianist. In 1845 verhuisde hij naar Baden-Baden, waar hij pianoles gaf tot zijn dood.  Onder andee aan zijn adoptiefdochter, de operazangeres Francilla Pixis (1816-1845) en zijn  neef Theodor Pixis (1831-1856).

Johann Peter Pixis was een van de 50 componisten die een variatie schreven over een thema van Anton Diabelli voor deel II van de  Vaterländischer Künstlerverein, 1824.

Johann Peter Pixis componeerde

     talloze pianowerken

     8 pianotrio’s

     6 strijkkwarteten

     andere kamermuziekwerken

     3 opera’s

     1 operette

     3 orkestwerken

     2 pianoconcerten

     andere werken voor piano en orkest

 

Friedrich Ernst Fesca (Maagdenburg, Duitsland, 15 februari 1789 – Karlsruhe, 24  mei 1826 ) was de zoon van markmeester Johann Peter August Fesca, muziekliefhebber, die een groot aandeel had in de muzikale activiteiten in Maagdenburg, en van Marianne Podleska, leerlinge van Johann Adam Hiller.

Op 11-jarige leeftijd debuteerde Friedrich Fesca als vioolvirtuoos in zijn eigen vioolconcert. Vanaf dezelfde leeftijd kreeg hij theorieles van Johann Friedrich Zachariae, en later bij Friedrich Adolph Pitterlin.  (beides bestimmende Figuren im Magdeburger Musikleben). In 1805  studeerde Friedrich Fesca af in Leipzig bij Thomaskantor August Eberhard Müller,

Na een korte werkperiode als hofmuzikant bij Groothertog Peter Friedrich Ludwig von Oldenburg was Friedrich Fesca vanaf 1808 tot 1813 soloviolist bij de hofkapel van Koning Jérôme-Napoléon Bonaparte  in Kassel.  Omstreeks 1810 werden de eerste tekenen van een longziekte merkbaar, wat Friedrich Fesca bemoeilijkte in het openbaar op te treden, hij wijdde zich enkele jaren meer aan het componeren.

Friedrich Fesca trouwde in mei 1812 in Kassel met Charlotte Dingelstedt, de dochter van de hoornist Johann Heinrich Dingelstedt. Ze kregen vier zonen. In 1814 werd hij violist aan de Groothertogelijke Kapel in Karlsruhe, in 1815 werd hij daar concertmeester.

In 1826 overleed hij naar een lange lijdensweg.

Zijn tweede zoon Alexander Ernst Fesca (1820–1849) werd ook componist en overleed eveneens aan een longziekte.

Markus Frei-Hauenschild schreef een dissertatie over  Friedrich Fesca met een volledige  thematisch-bibliografisch werkoverzicht.

Friedrich Fesca componeerde

     2 opera’s

     3 symfonieën

     3 andere orkestwerken

     2 psalmen voor solisten, koor en orkest

     2 werken voor sopraansolist en orkest

     1 psalm voor vocaal kwartet en piano

     1 werk voor solisten en koor

     5 (series) koorwerken

     16 strijkkwartetten CD Diogenes Quartett CPO 777 482-2, alle 16 netjes opgenomen;

     4 strijkkwintetten

     4 fluitkwartetten

     5 andere kamermuziekwerken

     35 liederen voor zangstem(men) en piano

 

Philipp Friedrich Silcher (Schnait, Weinstadt, Baden-Württemberg, Duitsland, 27 juni 1789 – Tübingen, 26 augustus 1860) was een zoon van een onderwijzer, die de humanistische opvoedingsprincipes van Johann Heinrich Pestalozzi met graagte toepaste. Friedrich Silcher  studeerde pedagogie en behaalde in 1804 zijn pedagogiekdiploma. Eerste muzieklessen kreeg hij van Nikolaus Ferdinand Auberlen. Na een cursus in Ludwigsburg en een gesprek met Carl Maria von Weber wijdde hij zich geheel aan de muziek. In Stuttgart studeerde hij piano en compositie bij Conradin Kreutzer en Johann Nepomuk Hummel.

In 1817 kreeg Friedrich Silcher een aanstelling als muziekdirecteur aan de Eberhard-Karls-Universiteit in Tübingen. Deze functie behield hij tot 1860. Samen met de Zwitserse componist en muziekpedagoog Hans Georg Nägeli, die op zijn beurt een vriend van Pestalozzi was, richtte hij in Tübingen een academische zangvereniging (Akademische Liedertafel) op. In 1839 volgde nog de oprichting van een eigen oratoriumvereniging. Friedrich Silcher was in 1849 medeoprichter van de Schwäbische Sängerbund. had de overtuiging dat de hele bevolking een muzikale opvoeding moest genieten.

Friedrich Silcher trouwde met Luise Rosine Ensslin (Tübingen,  6 september 1804 - 17 juni 1871. Ze hadden twee dochters en een zoon. Friedrich Silcher is begraven op het oude stadskerkhof van Tübingen. Er zijn een wijnsoort en een asteroïde naar Friedrich Sicher vernoemd.  

Friedrich Silcher publiceerde een aantal standaardwerken over koormuziek

     een geschiedenis van de gereformeerde kerkzang, 1844 publiceerde hij.

     Gesangslehre,  1845

     Harmonie- und Kompositionslehre, 1851.  

Friedrich Silcher componeerde

     2 orkestwerken

320 liederen voor koor met of zonder pianobegeleiding

- Ännchen von Tharau 

- Der gute Kamerad

- oreley, zijn beroemdst en meest gezongen lied.

- 'Langs berg en dal klinkt hoorngeschal’ (bundel kun je nog zingen, zing dan mee)

- 'Natuur ligt in droomen verzonken' (bundel kun je nog zingen, zing dan mee)

- 'Zie de leliën op het veld'. (bundel kun je nog zingen, zing dan mee)

     koraalboeken voor kerkkoren

     motetten

     kamermuziekwerken

     orgelwerken

     pianowerken