Componisten
vanaf 1790

 

C. Eugène Roy (Lons-Le-Saunier, Jura, Frankrijk, omstreeks 1790 – Marseille, 1827) was een beroemde flageoletvirtuoos die tussen 1800 – 1830 door heel Europa reisde en her en der concerten gaf.  C. Eugène Roy woonde een poos in Lyon en vanaf omstreeks 1819 in Parijs, waar hij als trompettist en flageoletspeler in militaire en operaorkesten in zijn onderhoud voorzag. In de jaren 1822 -1824 moet hij in de Nederlanden zijn  geweest. Een kwitantie van 18 maart 1823, waarin hij de verkoop van een door hem geschreven muziekboek regelt, ligt in het stadsarchief van Aalst. Er zijn ook berichten dat hij in Turnhout en Luik is geweest.

C. Eugène Roy componeerde

     duo’s voor trompetten

     werken voor trompet en piano

     1 trompetmethode

     werken voor flageolet

- 24 Kleine Duos für 2 Flageolette, 1819

- RECUEIL des plus beaux Airs de Rossini arrangés pour deux Flageolets (Stukken uit opera's van Rossini, ingericht voor 2 flageoletten), 1819
 

Louis Joseph Ferdinand Hérold (Parijs, 28 januari 1791 – Thernes, 19 januari 1833) was het enig kind van pianist en componist François-Joseph Hérold en Jeanne-Gabrielle Pascal. Hij was de kleinzoon van de organist Nicolas Hérold. Op zesjarige leeftijd had hij les op het Hix Instituut en muziektheorieles van François-Joseph Fétis. Zeven jaar oud componeerde hij al enkele pianostukken.

In 1802 overleed zijn vader, in ging hij piano studeren aan het conservatorium bij Louis Adam, viool bij Rudolphe Kreutzer, compositie bij Étienne Nicolas Méhul en harmonieleer bij Charles Simon Catel. In deze tijd ontwikkelde hij zich als piano- en vioolvirtuoos.

Met een cantate behaalde Ferdinand Hérold in 1812 de Prix de Rome. De geldelijke toelage, daaraan verbonden, stelde hem in staat naar Italië te gaan. In 1815 verhuisde hij om gezondheidsredenen van Rome naar Napels waar hij onder meer les gaf aan de dochters van koning Joachim Murat. Nadat de koning was geëxecuteerd was Hérold gedwongen Italië te verlaten. Hij ging naar Oostenrijk waar hij in Wenen twee maanden in dienst was van prins Metternich en les in compositie kreeg van Antonio Salieri. Via München en Zwitserland keerde hij terug naar Parijs.

In 1821 werd hij assistent aan de Theâtre Italien en reisde naar Italië om zangers te werven. Op 3 november 1828 werd hij onderscheiden met het Legioen van Eer. In 1833 stierf Ferdinand Hérold aan tuberculose, waar hij al langere tijd aan leed.

Hérold werd begraven op het Cimetière du Père Lachaise in Parijs. Zijn geboortehuis staat op de Rue Hérold 10. Deze straat werd in 1881 naar hem vernoemd.

Ferdinand Hérold componeerde

     30 opera’s

- La gioventù di Enrico Quinto, 1815, zijn eerste opera.

- Charles de France, 1816 voor het huwelijk van de hertog van Berry.

- Les Rosières, 1816,  opgedragen aan zijn vriend en leraar Méhul.

- Zampa, 1831  de eerste opera waar een orgel in wordt voorgeschreven, zijn beroemdste opera, die nog steeds wordt uitgevoerd.

- Le Pre aux Clercs, 1832, libretto F.A.E. de Planard, naar Prosper Mérimée, werd in 1871 in Parijs voor de duizendste keer opgevoerd, en daarna nog 600 keer. Marguerite de Valois (mezzosopraan), de vrouw van de protestantse Henrik IV, maar ook de zus van de katholieke koning Hendrik IV, en haar hofdame Isabelle de Montal (sopraan) zitten gemangeld tussen de ruzieënde koningen. Isabelle wordt gedwongen te rouwen met de onbesuisde graaf de Comminges (bariton), maar ze houdt van baron de Mergy (tenor), met wie ze in het geheim trouwt en weet de ontkomen naar Parijs.

     5 toneelmuziekwerken

     6 balletten

- La fille mal gardée

     2 symfonieën

     4 pianoconcerten, mooie concerten, liggen dicht tegen Chopin aan; CD Angélique Pondepeyre met het WDR Rundfunkorchesgter Köln onder leiding van Conrad van Alphen Talent DOM 3810 20+21.

- concert nr. 1,in E grote terts, voor piano en orkest, op. 25, 1810

- concert nr. 2 in Es grote terts, voor piano en orkest, op. 26, 1811

- concert nr. 3 in A grote terts, voor piano en orkest, 1813, vioolsolo in het langzame deel

- concert nr. 4 in e kleine terts, voor piano en orkest, 1813

     2 ouvertures

     16 kamermuziekwerken

     10 cantates

- Ariane, lyrische scene voor sopraan en orkest, 1811

- Mademoiselle de la Vallière,1812, voor de Prix de Rome

     7 liederen voor zangstem(men) en orkest of piano

     40 (series) pianowerken

 

Carl Czerny (Wenen, 21 februari 1791 — Wenen, 15 juli 1857) werd geboren in een muzikale Tsjechische familie. Zijn grootvader was violist, zijn vader, Wenzel Czerny. hoboïst,organist en pianist. Carl Czerny was een wonderkind, dat op driejarige leeftijd begon piano te spelen en vanaf zijn zevende jaar componeerde. Hij kreeg aanvankelijk pianoles van zijn vader, een bekende pianovirtuoos. Carl Czerny was op tienjarige leeftijd al een briljante pianist, en daarom wilde Ludwig van Beethoven hem wel les geven. Beethoven onderwees hem drie jaar lang. Czerny studeerde verder bij Muzio Clementi, Johann Nepomuk Hummel en Antonio Salieri.

Vanaf zijn 15de jaar gaf Carl Czerny met goed gevolg zelf les: zo’n 12 lessen per dag in de huizen van de Weense adel.

Hij was de leraar van Franz Liszt  vanaf diens 9de jaar. Carl Czerny was nooit getrouwd en had geen diepgaande relaties. Zijn familie bestond uit zijn ouders, zijn leerlingen en zijn ontelbare katten, hij had er een stuk of negen.

Carl Czerny schreef meer dan 1000 composities, waarvan de pedagogische werken "Schule der Geläufigkeit" en "Schule der linken Hand", en talrijke etudes ook tegenwoordig nog bij het piano-onderwijs gebruikt worden. Hij was een van eerste componisten die het woord ”etude” voor studiemateriaal gebruikte. Zijn tijdgenoot John Field noemde hem "een wandelende inktpot", omdat hij zo snel componeerde. Carl Czerny had de gewoonte om aan vier of vijf composities tegelijk te werken, zodat hij pas een volgeschreven bladzijde hoefde om te slaan als de inkt droog was. Na zijn overlijden liet Czerny meer dan honderdduizend Oostenrijkse Guldens na (een arbeider verdiende in die tijd nog geen 10 gulden per week). Het geld ging naar liefdadigheids- en kunstinstellingen. 

Carl Czerny componeerde 2000 werken, waaronder

     6 symfonieën

- Symfonie nr. 1 in c kleine terts, opus 780

     pianoconcerten

- Grand Concerto in F grote terts, opus 28, opgedragen aan Johann Nepomuk Hummel

- pianoconcert nr. 1, in a kleine terts, opus 214, 1830, opgedragen aan Monsieur Amédée Méreaux

     rondo's voor piano en orkest

- Rondo brillant in Bes grote terts, opus 233 voor piano en orkest

     andere concerten

     11 missen

     requiems

     20 tot 40 strijkkwartetten, helemaal niet slecht, maar worden nooit uitgevoerd, voor een deel nog verborgen.

- strijkkwartet in d kleine terts

- strijkkwartet in a kleine terts

- strijkkwartet in D grote terts, 1851

- strijkkwartet in e Kleine terts

     sonates

     andere kamermuziek

     talloze pianowerken

- etudes

× Die Kunst der Fingerfertigkeit, opus 740, 50 etudes in 6 boeken, 1844

- nocturnes

× Nocturne Brilliant naar "Das waren mir selige Tage", opus.71 - voor piano 4-handig

× Grand Nocturne Brilliant voor piano 4-handig, opus 165

× Le Golfe de Naples, Tableau Nocturne or Fantasie Pittoresque, opus 253

× 8 Nocturnes opus 368,

× 8 Nocturnes opus 604

× Nocturne La Reine opus 647

- variaties

× Variaties op een thema van Rode "La Ricordanza", opus 33, omstreeks 1820

 

Jan (Johann) Václav Hugo Voříšek (Woržischek) (Vamberk, Bohemen, nu Tsjechië, 11 mei 1791 – Wenen, 19 november 1825) was de jongste zoon van Václav František Voříšek (1749–1815), schooldirecteur, koorleider en organist. Jan Václav Voříšek kreeg vanaf zijn 3de jaar pianolessen van zijn vader en later ook orgel en viool. Als wonderkind gaf hij al pianooptredens in Boheemse steden vanaf zijn 9de jaar en componeerde hij vanaf zijn 10de.  Door hulp van zijn vader kreeg Jan Václav Voříšek een studiebeurs, waarmee hij van 1810 tot 1813 aan de Karelsuniversiteit in  Praag filosofie en piano kon studeren, onder meer bij Václav Jan Tomášek.

Op zijn 22ste trok hij naar Wenen, waar hij rechten studeerde en bij Johann Nepomuk Hummel pianoles had. In 1814 begon hij met het componeren. Hij kwam regelmatig in de kring van componisten en muzikanten rond Ludwig van Beethoven  en kwam zo in contact met Louis SpohrIsaak-Ignaz Moscheles, Johann Nepomuk Hummel en Franz Schubert. Met Franz Schubert werd Jan Václav Voříšek goed bevriend. In 1818 werd hij lid en dirigent van de Weense Gesellschaft der Musikfreunde.

In 1821 was Jan Václav Voříšek in de rechten afgestudeerd en kreeg een betrekking als advocaat aan de militaire rechtbank. Een jaar later kon hij tweede hoforganist worden, en legde hij zijn rechtbankwerk weer neer. In 1824 werd Jan Václav Voříšek eerste hoforganist. Hij ging ook aan de stedelijke muziekschool pianolessen geven. In 1825 overleed hij op 34-jarige leeftijd aan tuberculose. Hij werd, net als Ludwig van Beethovenen zijn vriend Franz Schubert, begraven op de Währinger begraafplaats, sinds 1925 het “Franz Schubertpark” in Wenen.

Hij  was één van de 50 componisten die een variatie op “de wals” van Anton Diabelli voor de Vaterländischer Künstlerverein schreven.

Jan Václav Voříšek componeerde

     1 symfonie in D grote terts, 1823, fraai overgangswerk tussen klassiek en romantiek

     6 andere orkestwerken

     1 mis

     3 andere kerkelijke werken

     3 wereldlijke cantates

     6 kamermuziekwerken

     21 liederen voor zangstem en piano

     18 (series) pianowerken.

- Stammbuchblatt in A grote terts, 1817

- Fantaisie in C grote terts, opus 12; 1817, veelkleurig andante gecombineerd met een briljant allegro.

- 12 Rhapsodieën, opus1, 1818, expressieve scherzo-achtige muziek met gedurfde harmonische en ritmische vondsen.

- 6 Impromptus, opus 7; 1820, Jan Václav Voříšek was de eerste componist die impromptu's schreef, de uitvinder ervan zogezegd. Lyrische, gevoelige stukken.

- Sonata quasi una fantasia in bes kleine terts, opus 20, 1824, een meesterwerk.

.

Franz Xaver Wolfgang Mozart ("W.A. Mozart Sohn"; Wenen, 26 juli 1791 – Karlsbad, 29 juli 1844) was het zesde en laatste kind van het echtpaar Mozart-Weber en samen met zijn broer Carl Thomas Mozart het enige dat de volwassen leeftijd zou bereiken. Hij werd vier maanden voor de dood van zijn vader Wolfgang Amadeus geboren.

In zijn tweede levensjaar kreeg hij van zijn moeder Constanze de naam Wolfgang Amadé II. Hij groeide op in Praag onder de zorgen van Franz Xaver Niemetschek, de latere hoogleraar filosofie aan de Karelsuniversiteit. Op zijn vijfde jaar trad Franz Xaver voor het eerst als zangertje op. Vanaf 1798, het jaar waarin Niemetschek de eerste, door Constanze geautoriseerde Mozartbiografie publiceerde, volgde Wolfgang junior muzieklessen bij Georg Vogler, Antonio Salieri, en Johann Nepomuk Hummel.

Net als zijn vader begon Franz Xaver Mozart op jonge leeftijd muziekwerken te componeren. Zijn opus 1 werd gepubliceerd in Wenen in 1802, een pianokwartet in g-klein. Franz Xaver was toen elf jaar oud.

Hij werd muziekleraar en kapelmeester te Lemberg (Lviv) en spoorde Ludwig von Köchel aan een catalogus samen te stellen van het oeuvre van Wolfgang Amadeus Mozart. Ondertussen had hij een langdurige affaire met de moeder van een leerlingen. Hij trok zelfs bij haar in en dat de rijke, oude echtgenoot er ook woonde leek geen bezwaar. In 1838 vestigde Franz Xaver zich te Wenen. Hij werd benoemd tot ere-Kapellmeister van het Mozarteum, dat in oktober 1841 zijn deuren opende te Salzburg.

Franz Xaver Mozart was een van de 50 componisten die een variatie schreven over een thema van Anton Diabelli voor deel II van de  Vaterländischer Künstlerverein, 1824. Zijn hele leven bleef hij "de zoon van". Zelf kreeg hij geen kinderen.

Franz Xaver Mozart componeerde

     2 pianoconcerten

- pianoconcert nr 1 in C grote terts, opus 14, 1809

- pianoconcert nr 2 in Es grote terts, opus 25, 1818

     14 andere orkestwerken

     5 werken voor zangstemmen, koor en orkest

     14 (series) kamermuziekwerken

- Variaties over een thema uit “Aline, Reine de Golconde” (opera van Henri Montan Berton) voor flageolet en piano in G grote terts. FXWM VI:12

     4 (series) werken voor koor

     8 (series) liederen voor zangstem en piano, aardige, keurige muziek.

     10 variatiewerken voor piano

- Variaties over een thema uit “Aline, Reine de Golconde” (opera van Henri Montan Berton), opus 3 FXWM VII:3

     31 andere (series) werken voor piano

- Polonaises Melancholique opus 17, 1 - 6, 1815

- Polonaises Melancholique opus 22, 1 - 4, 1818

www.mozart-sohn.de

 

Giacomo Meyerbeer, geboren als Jakob Liebmann Meyer Beer (Tasdorf nu: Fredersdorf-Vogelsdorf bij Berlijn, 5 september 1791 ‒ Parijs, 2 mei 1864)  was zoon van de Joodse bankier Juda Herz Beer en Amalie Beer (geboren Malka Lipmann Meyer Wulff). Zijn broers waren de zakenman en amateurastronoom Wilhelm Beer en de schrijver Michael Beer. Jakob werd al jong als pianist opgeleid door Franz Seraphinus Lauska en Muzio Clementi. Hij begon als muzikant op te treden op zijn negende.

Later studeerde hij bij kapelmeester B. A. Weber, Carl Friedrich Zelter en vanaf 1810 bij abbé Vogler in Darmstadt, waar Carl Maria von Weber bij hem in de klas zat. Hij componeerde in die tijd verschillende religieuze composities en cantates, zoals Gott und die Natur. Vanaf 1810 signeerde hij met 'Meyerbeer'.

In 1813 trok hij naar Wenen om tien maanden te studeren bij Antonio Salieri.

In 1814 trok Giacomo Meyerbeer naar Parijs en tegen het eind van 1815 naar Italië.

Terug in Parijs in 1824 ging Giacomo Meyerbeer samenwerken met de Franse librettist Eugène Scribe.

In 1842 werd Giacomo Meyerbeer door de koning van Pruisen als hoofddirigent aangesteld in opvolging van Spontini, met de verplichting om vier maanden per jaar de Berlijnse opera te leiden. In de praktijk was dit een erefunctie en Meyerbeer schonk zijn loon aan de kapel.

Toen hij in Parijs de première van zijn twintig jaar oude maar nog niet opgevoerde opera L'Africaine voorbereidde, stierf Giacomo Meyerbeer onverwachts. Zijn lichaam werd – zoals bij testament bepaald – bijgezet op het Joods kerkhof aan de Schönhauser Allee te Berlijn.

Giacomo Meyerbeers testament bepaalde ook dat zijn aanzienlijke nalatenschap werd nagelaten aan minder fortuinlijke kunstenaars. De Meyerbeer Stichting zou elke twee jaar een wedstrijd organiseren voor veelbelovende Duitse componisten, met als inzet een beurs voor een studieverblijf van zes maanden in Italië en de Duitse steden Wenen, München, en Dresden.

Hector Berlioz zei over Giacomo Meyerbeer  dat hij niet alleen het geluk had talent te hebben, maar ook het talent om geluk te hebben.

Giacomo Meyerbeer componeerde

     16 opera’s

Iephthas Gelübde,1812, libretto Aloys Wilhelm Schreiber, zijn eerste opera

Wirth und Gast, of Aus Scherz Ernst, Lustspiel in 2 bedrijven, libretto Johann Gottfried Wohlbrück, zijn tweede opera, 6 januari 1813, in 1814 uitgevoerd als Die beiden Kalifen, in 1820 als Alimelek. Irene (sopraan), de nicht van Kalief Harun al Rachid (bas) begint in het eerste bedrijf meteen maar met een mooie arietta: nr. 2  Nun in die Dämm’rung Stille.

Romilda e Constanza, opera in 2 aktes, 1817, libretto Gaetano Rossi 

Emma di Resburgo, 1819, libretto Gaetano Rossi, naar Leone Andrea Tottola en Jean Nicolas Bouilly

La Semiramide riconosciuta, 1819, libretto Gaetano Rossi, naar Pietro Metastasio 

Margherita d'Anjou, 1820, opera in 2 aktes, libretto Felice Romani, naar Réné-Charles Guilbert de Pixérécourt. Margherita d'Anjou (sopraan)si is de weduwe van de verdreven en vermoorde koning Henry VI (1462)

L'esule di Granata,opera in 2 aktes, 1822, libretto Felice Romani

Il crociato in Egitto, opera in 2 aktes, 1824, libretto Gaetano Rossi. De kruisridder Armando (soprano castrato, tegenwoordig vaak een countertenor) leeft onder de valse naam Elmireno in Egytpe aan het hof vande Sultan van Damietto Aladino (bas). Hij is stiekem getrouwd met Palmide (sopraan), de docher van de sultan, die zich ook nog eens tot het Christendom, heeft bekeerd. Waneer Armando’s voormalige verloofde Felicia (alt), als man verkleed en zijn oom Adriano (tenor) hem in Egypte ontmaskeren, worden alle christenen meteen maar ter dood veroordeeld. Omdat blijkt dat in Armando het leven van de sultan gered heeft, sluit hij uiteindelijk vrede met de christenen. In het tweede bedrijf zingt Palmide de aria nr. 10 Tutti qui parla ognor … D’una madre disperata    

Robert le Diable, 1831, grand opéra in vijf bedrijven,  libretto Eugène Scribe,  een groot succes. CD Brilliant Classics 94604, drie uur plezier. Robert (tenor) is de zoon van een sterfelijke vrouw en de duivel. De duivel ("Betram", bas-bariton) zet alles op alles om Roberts ziel in zijn macht te krijgen, wat uiteindelijk niet lukt. Beruchte scene van een nachtelijke orgie met uit hun graven opgestane nonnen en opgetrommelde demonen. Belanrijke rollen: Isabelle, prinses van Sicilië (sopraan); Alice, Roberts zus (sopraan) Raimbaut, een minstreel (tenor). Aan het eind van het vierde bedrijf verklaart Isabella haar liefde aan Robert met "Robert, toi que j'aime" zielsontroerende aria, een melodie met persoonlijkheid.

Les Huguenots,  libretto Eugène Scribe, 1836, een daverend succes in heel Europa. Het verhaal speelt zich af in de context van de Bartholomeusnacht, 23 op 24 augustus 1572 waarin in Parijs 3000 protestanten werden vermoord door katholieken. De protestantse Raoul (dramatische tenor) is verliefd op de katholieke Valentine (sopraan), die beloofd is aan de katholieke Comté de Nivers (bariton), zijn vijand. Belangrijke rollen ook voor Marguerite de Valois, koningin van Navarra (sopraan) en haar soubrette Urbain (sopraan). Aan het begin van het tweede bedrijf zingt koningin Marguerite de dromerige, maar virtuoze pastorale  "Oh beau pays de la Touraine".

- Ein Feldlager in Schlesien, Singspiel in 3 bedrijven, libretto Scribe, vertaald door L. Rellstab en C. Birch-Pfeiffer, 7 december 1844

Le prophète, 1849, opera in 5 bedrijven, libretto Eugène Scribe, over het leven van de doopsgezinde Jan van Leiden. Zijn moeder Fidès,  speelt een indrukwekkende rol.  

L'étoile du nord 1854,

Dinorah, ou le pardon de Ploërmel 1859, opéra-comique in 3 aktes, libretto Michel Carré en Meyerbeer zelf, naar Jules Barbier. Hoofdpersoon is het boerenmeisje Dinorah (coloratuursopraan), gek geworden nadat op haar huwelijksdag haar bruidegom, geitenherder Hoël (bariton), in een plotseling opstekende storm verdween. De opera wordt zelden meer uitgevoerd, nog wel vaak gezongen wordt het eenzijdige schaduwduet tussen Dinorah en haar schaduw, de virtuoze sopraanaria “Ombra leggiera

- L'Africaine (De Afrikaanse) grand opera, het laatste werk van Giacomo Meyerbeer, 28 april 1865, libretto  Eugène Scribe over verzonnen gebeurtenissen in het leven van  hoofdpersoon Vasco da Gama (tenor).

     6 toneelmuziekwerken

     28 cantates, odes en gelegenheidswerken met koor, solisten en orkest

- Gli Amori di Teolinda, 1816, cantate voor sopraan, klarinet, mannenkoor en orkest, libretto Gaetano Rossi, met een fantastisch duet tussen de sopraan en de klarinet: "Diceva un giorno"

     15 (series) religieuze werken

     7 orkestwerken

     6 werken voor harmonieorkest

     5 werken voor zangstemmen, koor en/of orkest

     1 klarinetkwintet

     58 (series) liederen

http://www.meyerbeer.com

 

Gioacchino Antonio Rossini (Pesaro, 29 februari 1792 ‒ Passy, Parijs, 13 november 1868), een schrikkelkind dus. Hij speelde op zesjarige leeftijd triangel in zijn vaders muziekensemble. Zijn vader, Giuseppe was hoornist en inspecteur van slachthuizen. Zijn moeder, bakkersdochter Anna, was operazangeres. Toen het gezin zich vestigde in Lugo, een plaats tussen Ravenna en Bologna, leerde Gioacchino Rossini de welgestelde familie Mallerbi kennen. Hij was er kind aan huis en studeerde er dagelijks op het klavecimbel.  Domheer Mallerbi  had werken van Haydn en Mozart in zijn bibliotheek. Gioacchino Rossini ontwikkelde daardoor een diepe liefde en bewondering voor beide componisten. In Bologna kreeg “il Tedeschino” (vanwege zijn liefde voor Mozart) les van Giuseppe Prinetti, die toonladders speelde met twee vingers, bijverdiende als bierverkoper en staande in slaap kon vallen. Op zijn 14de begeleidde Gioacchino Rossini de recitatieven in het operatheater op de piano en zong hij in de kerk. Op het Liceo Musicale in Bologna studeerde hij compositie bij Padro Mettei. In 1815 kreeg hij een aanstelling in het San Carlotheater in Napels. Daar had hij een uitstekend orkest en koor. Hij werkte daar met de sopraan Isabella Colbran, waar hij talloze aria's voor zou schrijven.  In 1822 trouwde Gioacchino Rossini met de 7 jaar oudere Isabella Colbran. In 1824 vestigde hij zich in Parijs en leidde aldaar het Théâtre Italien. Hij werd benoemd tot "Compositeur du Roi" en "Inspecteur du chant de France" tegen een vorstelijk salaris. Na 1829 componeerde hij alleen nog maar geestelijke muziek en pianowerken. Zijn luiheid was spreekwoordelijk. Als hij, liggend op bed, aan het componeren was en de bladzij waar hij mee bezig was viel op de grond, schreef hij het stuk liever opnieuw dan dat hij opstond om het op te rapen.

In 1837 scheidde hij van Isabella Colbran. Hij kreeg een nieuwe relatie met het fraaie model Olympe Pélisier, met wie hij in 1846 in het huwelijk trad. Vanaf 1850 kreeg hij problemen met zijn gezondheid. Hij leed aan depressies, blaas- en darmaandoeningen Hij stierf in zijn landhuis in Passy op vrijdag 13 november 1868, 76 jaar oud. Hij werd begraven op de Père Lachaise begraafplaats in Parijs. In 1887 werden zijn overblijfselen overgebracht naar de Basilica di Santa Croce in Florence, op verzoek van de Italiaanse regering. Zijn lichaam kreeg een plaats naast Michelangelo en Danto. Een vijfhonderdkoppig koor zong zijn gebed uit de opera Mosè in Egitto.

“De Italiaanse Mozart” was de populairste operacomponist ooit uit de geschiedenis.Heinrich Heine noemde hem bewonderend "De zwaan van Pesaro". En de schrijver Stendhal: "Napoleon is dood, maar een een nieuwe veroveraar heeft reeds zijn opwachting gemaakt"   

Trivia: Rossini hield nogal van lekker eten. Hij gaf een ingrediëntenvoorkeur op aan zijn favoriet chef-kok Auguste Escoffier in Parijs. Tijdens het bereiden van het vlees riep Rossini naar de chef-kok: "Tournez-moi le dos", omdat hij het vlees graag wat doorbakken had. Het resultaat was zo goed dat Auguste Escoffier het als "Tournedos Rossini" in het menu opnam. Er zijn nog steeds recepten van het gerecht te krijgen.

Gioacchino Rossini schreef

     40 opera’s

- La cambiale di matrimonio (het huwelijkscontract), farsa comica (komische opera) in één bedrijf, libretto Gaetano Rossi, e november 1810, gebaseerd op het gelijknamige toneelstuk van Camillo Federici uit 1791 en een bestaand libretto van Giuseppe Checcherini voor Carlo Coccia’s opera ui 1807: Il matrimonio per lettera di cambio. Gioacchino Rossini  was net 18 jaar oud toen hij de opera schreef, het was zijn eerste professionele opera. De ouverture wordt in het moerne concertrepertoire nog veelvuldig uitgevoerd.

- Demetrio e Polibio, dramma serio in 2 bedrijven, libretto Vincenzina Vigano-Mombelli, mogelijk naar Metastasio, 1809

- L'inganno felice (de gelukkige tegenslag) farsa in één bedrijf, libretto Giuseppe Maria Foppa,  8 januari 1812.

- Ciro in Babilonia, ossia La caduta di Baldassare, dramma con cori in 2 bedrijven, libretto Francesco Aventi, naar het bijbelboek Daniël, 14 maart 1812; Koning Belzassar van Babel heeft koningn Cyrus van Perzië verslagen en voert zijn mooie vrouw Amira mee naar Babel om met haar te trouwen.

Dat weigert zij uiteraard. Cyrus raakt zelf ook gevangen. Voordat ze beiden een kopje kleiner worden gemaakt verschijnen de geheimzinnige tekens “Mene, mene, tekel, ufarsin” op de wand. uiteindelijk loopt alles goed af. Mooi werk!

- La scala di seta (De zijden ladder), farsa comica in één akte, libretto Giuseppe Maria Foppa, 1812; de ouverture wordt vaak uitgevoerd.  In de opera zelf laat Gioacchino Rossini de bruidegom tijdens zijn ja-woord symbolisch de hoorns opzetten door het koper een fortissimo-fanfare voor te schrijven. Je hebt gevoel voor humor of je hebt het niet.

- L’occasione fa il ladro, ossia Il cambio della valigia  (De gelegenheid maakt de dief of de verwisseling van de koffer), burletta per musica of farsa  in één akte, libretto Luigi Prividali, gebaseerd op Le prétendu sans le savoir, ou L’occasion fait le larron, een toneelstuk van  Eugène Scribe, 1812. In de opera zelf laat

- La pietra del paragone (de toetssteen), 1812. De intenties van de drie huwelijkskandidates van de rijke graaf Asdrubale (bas) worden hier getoetst. De toetssteen wordt gevormd door een nepfaillisement en een verkleedpartij. Clarice (alt) is de uiteindelijke gelukkige, tot groot verdriet van haar aanbidder Giacondo  (tenor). Ook hier is het ongelijk  verdeeld in de wereld.

- Il signor Bruschino, ossia Il figlio per azzardo (Signor Bruschino, of de zoon   bij toeval), operaklucht in één bedrijf,  libretto Giuseppe Maria Foppa, 27 januari 1813, gebaseerd op het toneelstuk Le fils par hasard, ou ruse et folie van Alissan de Chazet en E.T.M. Ourry. Ruikeluisdochter Sofia (sopraan) is verliefd op Florville (tenor). Haar leraar en voogd Gaudenzio (bas) is al jaren gebrouilleerd met de familie van Florville. en wil een andere huwelijkscandidaat: signor Bruschino (tenor). Signor Bruschino kan onderweg naar Sofia zijn restaurantrekeningen niet betalen en wordt gevangen gezet. Florville maakt van de gelegenheid dankbaar gebruik door net te doen of hij de komende Signor Bruschino is. Dat kan natuurlijk niet goed gaan. Alles meesterlijk op muziek gezet. De opera heeft een brilliante, unieke ouverture, waarin de violisten ritmisch met hun strijkstokken ten de metalen kaarsenstandaard (tegenwoordig de muziekstandaards) moeten tikken.

-Tancredi, opera seria in  twee bedrijven, libretto Gaetano Rossi en Luigi Lechi , 6 februari 1813, gebaseerd op Voltaires toneelstuk Tancrède (1759) en een episode uit Gerusalemme liberata van Tasso. De ouverture is overgenomen van La pietra del paragone uit 1812, en is een regelmatig onderdeel van het concertrepertoire. Tancredi, een verbannen Syracusische soldaat wordt gezongen door een alt of mezzosopraan. Hij is hevig verliefd op Amenaide (sopraan), de dochter van een adellijke familie. Incognito komt hij op Syracuse terug, bereid om leven voor zijn liefde te geven. Uit spijt voor zijn verwaarlozing van Amenaïde en het verdriet dat hij haar bezorgd heeft zingt hij in het eerste bedrijf, scene 2: virtuoos en spannend Di tanti palpiti, di tante pene ("na zulke hartkloppingen, zo’n kwelling”). Omdat Amenaide weigert met de haar toegewezen adellijke Orbazzano te trouwen, wordt ze in het tweede bedrijf gevangen gezet, zingt een indrukwekkende kerkerscene  „Di mia vita infelice“ – „No, che il morir non è“. Wanneer Tancrdedi haar uiteindelijk weet te bevrijden, wantrouwen ze elkaar aanvankelijk in het ontroerende duet: L'asciami: non t'escolto (“laat me gaan; ik luister niet naar je”). Uiteindelijk komt alles goed.

- L'Italiana in Algeri, 1813 opera seria in twee acten, een groot succes. Het verhaal speelt zich in eerste instantie af in het paleis van Mustafa (bas) de bey van Algiers, en als karakter een über-macho. Zijn vrouw Elvira (sopraan) beklaagt zich tegenover haar slavin Zulma (mezzosopraan) dat haar echtgenoot Mustafà niet meer van haar houdt. Dat klopt, Mustafà wil een keer een Italiaanse vrouw. Dat komt mooi uit, want een schip heeft schipbreuk geleden tijdens een storm, maar de passagiers, waaronder Isabella (alt) en haar aanbidder Taddeo (bas), zijn veilig aan land gekomen. Mustafa’s slaaf Lindoro (tenor) en Isabella zijn ondertussen verliefd op elkaar. Dat vraagt om problemen die prachtig in de opera worden verwerkt en opgelost.

De cavatina's Cruda sorte! ("Isabella"s aria") ;en Per lui che adoro, waar Isabella respectievelijk in het eerste en tweede bedrijf mee begint zijn juweeltjes.

- Aureliano in Palmira, dramma serio in twee bedrijven, 26 december 1813, libretto "G. F. R.": Giuseppe Felice Romani, òf Gian Francesco Romanelli,  gebaseerd op het libretto van Gaetano Sertor  voor Pasquale Anfossi's 1789 opera Zenobia in Palmira. Een verhaal van liefde en oorlog in Rome tussen keizer Aureliano (tenor), de mooie Zenobia, koningin van Palmyra (sopraan) en Arsace, prins van Perzië (alto castrato, de enige rol voor een castraat, dien Rossini schreef); alles wordt bekroond met een algemene verzoening. Het mooist zijn de koren uit het tweede bedrijf. Het koor van herders en herderinnen: “O care selva” en het slotkoor “Torni sereno a splendere all'Asia afflitta il dì”.

- Sigismondo, ‘dramma' in twee bedrijven, libretto Giuseppe Maria Foppa, 1814. De opera was geen succes en Rossini hergebruikte de muziek later in zijn opera’s Elisabetta, regina d'Inghilterra, The Barber of Seville, en Adina. Het verhaal van en ten onrecht beschuldigde en verstoten echtgenote Aldimira (sopraan)die van de dood gered wordt en uiteindelijk, van alle schuld vrijgepleit, met haar echtgenoot Sigismondo, koning van Polen (mezzosopraan, travestierol of countertenor) opnieuw verenigd wordt, was niet nieuw. Belangrijke rol voor Anagilda (sopraan), zus van premier en booswicht Ladislao (tenor). Ulderico, koning van Bohemen en Pools edelman Zenovito worden doorgaans door dezelfde bas vertolkt. 

- Il Turco in Italia, 1814, opera in twee bedrijven, libretto Felice Romani, bewerking van een libretto Caterino Mazzolà voor de gelijknamige opera van Franz Seydelmann in 1788. Geestig met een serieuze ondertoon, enkele maanden geschreven ná Mozarts "Cosi fan tutte"; dat gegeven is onmiddelijk door Rossini omarmd. Dichter Prosdocimo (bariton) is op zoek naar een verhaal voor zijn eerstvolgende toneelstuk. In een zigeunerkamp bij Napels treft hij Zaïda (mezzosopraan), die gevlucht is uit de harme van de Turkse prins Selim (bas). Hij heeft haar van ontrouw beschuldigd en ter dood veroordeeld, vandaar. Dan zijn er hoofdrollen voor Don Geronio (bas) en zijn overspelige vrouw Fiorilla (sopraan). Zij houdt er een jongere liefde op na, de zelfingenomen Narcisso (tenor). Als Selim ook nog in het kamp aankom t om zijn vrouw terug te halen, is de set compleet. Prosdocimo manipuleert er lustig op los, sticht verwarring, jut geliefden tegen elkaar op, brengt liefjes weer bij elkaar en uiteindelijk komt alles op zijn pootjes terecht en kan Prosdocimo zijn toneelstuk gaan schrijven. Schitterende muziek. 

- Elisabetta, regina d'Inghilterra, dramma per musica in twee akten, 1815, libretto Giovanni Schmidt naar het toneelstuk The Page of Leicester van Carlo Federici. Hierin zong Isabella Colbran de leidende partij, schreef Rossini de versieringen allemaal voor het eerst helemaal uit en werden de recitativi secci vervangen door recitatieven, begeleid door een strijkkwartet.

- Il barbiere di Siviglia, 1816, opera buffa; gebaseerd op een roman van Beaumarchais (1775), Rossini’s beroemdste werk, lichtvoetige muziek, onderhoudend verhaal. Hoodpersoon is de mooie Rosina (alt), een jonge vrouw die precies weet wat ze wil; alleen zitten bepaalde mannen haar dwars en dat laat ze niet over haar kant gaan. Graaf Almaviva (tenor) probeert haar met behulp van kapper Figaro (bariton) voor zich te winnen. Hij moet daarbij wel verschillende vermommingen toepassen om haar voogd, in wiens huis Rosina woont, de oude dokter Bartolo (bas), om de tuin te leiden. Zo doet hij zich voor als muziekleraar, die Rosina les komt geven, omdat haar echte muziekleraar Don Basilio (bas) ziek zou zijn geworden. De oude gouvernante Berta (sopraan) voorziet alles van het nodige komische commentaar. Rosina begint de eerste scene meteen met een virtuoze  cavatina: "Una voce poco fa" ("een stem kort geleden"), een veel op concoursen gezongen aria. Er zitten een paar alternatieve aria's in de opera, die dus wel of niet gezongen kunnen worden, zoals halverwege de tweede akte de aria van Rosina meteen na een vreselijk onweer "Ah, s'è ver, in tal momento". En de virtuoze aria van graaf Almaviva aan het eind waarin hij alles opheldert: "Cessa di piu resistere", schreef Rossini in een latere versie om voor Rosina. Beide versies worden uitgevoerd.     

- La gazzetta, ossia Il matrimonio per concorso, opera buffa in twee akten, libretto Giuseppe Palomba, naar  Il matrimonio per concorso (1763) van Carlo Goldoni, 1816; In 2012 is in  Palermo een kwintet uit de eerste akte teruggevonden.

- Otello, de climax van zijn serieuze opera’s,1816. Otello (tenor), een Afrikaner in dienst van Adrianus is in het geheim getrouwd met Desdemona (sopraan), de dochter  van zijn vijand Elmiro (bas). De aria Assisa a' pie d'un salice ("Gezeten aan de voet van een wilg"), de laatste solo van Desdemona, hoort tot de meest expressieve stukken die Rossini schreef voor sopraan. Hartverscheurende verstilde melancholie.

Uit de muziek van Otello is het beroemde kattenduet afgeleid: "Duetto buffo di due gatti", voor twee sopranen, met als enige tekst het woordje “miau”; de compilatie uit 1825 is volgens huidige musicologen niet van Rossini zelf, maar van de Engelse componist Robert Lucas Pearsall, die het duet onder het pseudoniem G. Berthold in omloop bracht. 

- La Cenerentola, ossia La bontà in trionfo (Assepoester, ofwel De Goedheid Overwint), dramma giocoso in twee bedrijven, libretto Jacopo Ferretti, gebaseerd op het sprookje Cendrillon van CharlesPerrault, 25 januari 1817. De lichte, energieke, ouverture wordt vaak als apart orkeststuk uitgevoerd. Centrale bekende aria: "Nacqui all'affannoNon piu mesta" – Angelina (Assepoester, mezzosopraan) aan het eind van het tweede bedrijf, waarin ze uitweidt over haar ellendige verleden en hoe haar lot veranderd is. Ontroerende eenvoud en weemoed. Daarna volgt de briljante Rondo finale "Non piu mesta".

- La gazza ladra (De stelende ekster) semiseria, libretto Giovanni Gherardini naar La pie voleuse ou La Servante de Palaiseau van Théodore Badouin d'Aubigny en Louis-Charles Caigniez,  31 maart 1817. Rossini bleef daarna reviseren tot 1866 toe. Dienstmeisje Ninetta  (sopraan) hoopt te trouwen met soldaat Giannetto (tenor),  die terugkeert van de oorlog. Ze probeert haar vader Fernando Villabella (bariton), een gedeserterde soldaat, in het geheim onderdak te bieden. Ondertussen maakt burgemeester Gottardo (bas) avances naar haar. Een verdwenen lepel en het feit dat straatventer Isacco (tenor) een zilverstuk van Ninetta heeft gekocht, zorgen dat ervoor dat Ninetta wordt beschuldigd en in het gevang raakt. Ze wordt ter dood veroordeeld. Op het laatste nippertje wordt ze gered van de dood doordat blijkt dat de lepel gestolen is door een ekster. Hit uit de eerste akte: nr. 8 terzetto van Ninetta, Fernando en Gottardo “Siamo soli”. Een vernuftige opera, waarvan meestal alleen de ouverture wordt gespeeld.  

- Armida, dramma per musica in drie bedrijven, libretto Giovanni Schmidt, gebaseerd op Gerusalemme liberata van Torquato Tasso, 11 november 1817.

- Adelaide di Borgogna, ossia Ottone, re d'Italia, dramma in twee bedrijven, libretto Giovanni Schmidt, 27 december 1817

- Mosè in Egitto (Mozes in Egypte), opera in drie bedrijven, libretto Andrea Leone Tottola, 5 maart 1818,  gebaseerd op het toneelstuk L'Osiride van Francesco Ringhieri uit 1760. In 1827 reviseerde Gioacchino Rossini de opera onder een nieuwe titel: Moïse et Pharaon, ou Le passage de la Mer Rouge (Mozes en Farao, of de doortocht door de Rode Zee) Het Franse libretto werd door Luigi Balocchi en Victor-Joseph Étienne de Jouy uitgebreid naar vier bedrijven.

- Eduardo e Cristina,  dramma in twee bedrijven, libretto Giovanni Schmidt, 24 April 1819

- Ermione, azione tragica (tragische opera) in twee bedrijven, 1819, libretto Andrea Leone Tottola, gebaseerd op het toneelstuk Andromaque van Jean Racine.

- La donna del lago (De vrouwe van het meer), libretto Andrea Leone Tottola, gebaseerd op een gedicht van Walter Scott. Bij de premiere in Napels op 24 oktober 1819 werd de hoofdrol van Elena (sopraan), de dame van het meer, gezongen door Isabella Colbran. De laatste aria van Elena, als uiteindelijk alles goed afloopt: het rondo  "Tanti affetti in tal momento!", heeft delicate coloraturen.

-Maometto II (of Maometto secondo) ,1820, opera in twee bedrijven, libretto Cesare della Valle, gebaseerd op het toneelstuk Anna Erizo van de librettist.

 - Matilde di Shabran, ossia Bellezza e cuor di ferro; Matilde van Shabran, of Schoonheid en een hart van steen), een melodramma giocoso in twee bedrijven, libretto Jacopo Ferretti naar François-Benoît Hoffman’s libretto voor Méhuls Euphrosine (1790, Paris) en J. M. Boutet de Monvel's toneelstuk, 1821. De première werd gedirigeerd door Niccoló Paganini, na afloop brak er een straatgevecht uit tussen bewonderaars van Rossini en verafschuwerts. Indrukwekkend virtuoos slotrondo.

- Semiramide, opera in twee bedrijven, libretto Gaetano Rossi, gebaseerd op Voltaire's tragedie Semiramis, die op haar beurt weer was gebaseerd op de legende van Semiramis van Babel, 1823. Het verhaal van een Assyrische koningin (Semiramide, sopraan), die haar man heeft vermoord en later verliefd wordt op haar doodgewaande zoon (Arsace, contralto). Er is natuurlijk een schurk: prins Assur (bas).  Een meesterwerk!  In zijn langste opera cultiveert Rossini het belacanto op een sublieme manier. De ouverture wordt nogal eens apart als orkestwerk uitgevoerd.

- Il viaggio a Reims, ossia L'albergo del giglio d'oro, dramma giocoso in 3 akten, libretto Luigi Balocchi, gebaseerd op Corinne, ou L'Italie van Mme de Staël, 1825, Rossini’s laatste opera in het Italiaans, daarna heeft hij alleen nog maar in het Frans geschreven. Een van zijn beste werken met 12 hoofdrollen en 6 bijrollen. Een internationaal gezelschap heeft zich verzameld in het hotel van madame Cortese (sopraan) om door te reizen naar Reims om de kroning van Karel X bij te wonen. De 10 dames en heren die achter elkaar langzamerhand binnenkomen blijken druk bezig met elkaar te flirten en ruzie te maken. Elegante jonge weduwe Gravin Folleville  (sopraan) krijgt een zenuwcrisis wanneer er een probleem is met haar bagage. De Spaanse admiraal Alvaro (bas), die verliefd op haar is, probeert haar uit de brand te helpen. Kunstkenner Don Profondo (bas buffo) inventariseert de kostbare bezittingen van zijn reisgenoten. De Russische generaal Libenskof  (tenor} is verliefd op de Poolse weduwe Markiezin Melibea. Er loopt ook nog een knappe jonge Franse officier Chevalier Belfiore (tenor), een Duitse majoor Baron Trombonok (bas buffo) en een Engelse kolonel Lord Sidney (bas) rond. Na veel verwikkelingen blijkt dat de reis niet door kan gaan omdat er geen vervoer beschikbaar is. In een groots ensemble bezingen de reizigers hun lot. Dan komt er een brief uit Parijs: de koning zal daar na de plechtigheid uit Reims terugkeren en er staan grootse feesten op stapel. De gravin biedt allen gastvrij onderdak aan in haar Parijse huis. De beroemde dichteres Corinna (sopraan) improviseert op het thema 'Karel de Tiende, Koning van Frankrijk'. Als finale klinkt een gezamenlijke lofzang op de nieuwe koning.

- Le siège de Corinthe (De overwinning van Corinthe), opera in drie acten, Frans libretto Luigi Balocchi en Alexandre Soumet, 1826, gebaseerd op een omwerking van Rossini’s opera uit 1820 voor Napels, Maometto II, met een libretto van Cesaredella Valle

- Moïse et Pharaon, 1827, zie Mosè in Egitto, 1818

- Le comte Ory,  komische opera, 1828, frans libretto van Eugène Scribe en Charles-Gaspard Delestre-Poirson aangepast van een comedie die ze al in 1817 hadden geschreven. Fijne partituur. Het verhaal speelt zich rond 1200 af in en bij het kasteel Formotiers. Graaf Ory (tenor) is verliefd op Gravin Adèle (coloratuur sopraan) en daar bemoeien zich nog een hoop andere mensen mee.  

- Guillaume Tell, 1829, zijn laatste grote theaterstuk, een briljant werk, waarvan alleen de ouverture vandaag de dag uitentreuren wordt uitgevoerd. Terwijl het toch een interessante grand opéra is met een indrukwekkend slotensemble. Grote rollen zijn, behalve voor vrijeidsstrijder Guillaume Tell (bariton), weggelegd voor Arnold (tenor), zoon van de Zwitserse leider Melcthal (bas), die Mathilde (een Oostenrijkse prinses, sopraan) van de verdrinking heeft gered en toen ook maar verliefd op haar geworden is. Gessler (bas), de Oostenrijkse gouverneur van de kantons van Uri en Swyz, is de slechterik, gehaat door de Zwitsers. Jemmy, de zoon van Willem Tell, van wiens hoofd de appel wordt geschoten, wordt gezongen door een sopraan. Hedwige, de vrouw van Willem, mezzosopraan, laat zich ook niet onbetuigd.  Er komen ook nog een visser Ruodi (tenor) en een boodschapper Walther Fürst (bas, doorgaans een dubbelrol) voorbij.

     3 missen

- Messa di Milano,  1808

- Messa di Gloria, negendelige mis, gecomponeerd voor de aartsbroederschap van Sint Lodewijk in Napels, 24 maart 1820

- Petite Messe Solennelle, 1863 voor twaalf zangers, twee piano's en harmonium, een absoluut meesterwerk, geschreven voor een huisconcert van graaf Michel-Frédéric Pillet-Will en zijn vrouw Louise in Parijs. Kort voor zijn dood heeft Rossini in 1867 nog een orkestratie nagelaten, omdat hij niet wilde dat "muzikale vernieuwers" "met een saxofoon of een of ander monstrueus orkest het opus zouden bederven. Aan het eind van de oorspronkelijke partituur schreef Rossini: "Lieve heer, hier is hij, klaar, deze kleine armzalige mis. Heb ik nu gewijde muziek geschreven of is het heiligschennis? Ik ben geboren voor de opera buffa, zoals u weet. Niet veel techniek, een klein beetje hart, dat is het wel. Wees gezegend en gun mij het paradijs." Prachtig werk.

 4.  Gloria:  Domine Deus - tenor solo, smeuïg, maar vorstelijk

 5.  Gloria: Qui tollis peccata mundi - duet voor sopraan en alt, wonderschoon

11.  Preludio religioso (tijdens het offertorium) - piano en harmonium solo, ingetogen;

13.  O salutaris hostia - sopraan solo, indrukwekkend

14.  Agnus Dei – alt en koor, ontroerend en emotioneel

     een Stabat mater, 1841. Dit werk was het eerste belangrijke na een zwijgperiode van twaalf jaar; tijdens een reis naar Spanje in 1831 kreeg hij van Fernandez Varela de opdracht om de Stabat mater tekst op muziek te zetten.

Rossini voltooide het werk half en vroeg zijn vriend Giovanni Tadolini om het af te maken. Zo geschiedde, maar onder druk van zijn Parijse uitgever besloot Rossini tien jaar later toch om het aandeel van Tadolini door eigen muziek te vervangen. Deze eindversie werd op 7 januari 1842 met groot succes in Parijs uitgevoerd. Het is een nogal extrovert, briljant werk dat een paar prachtige vocale momenten biedt, met name de melodisch weelderige tenoraria ‘Cujus animam’, het onbegeleide kwartet ‘Quando corpus morietur’ en de sopraanaria ‘Inflammatus’.

     18 cantates;

- Il pianto d'Armonia sulla morte d’Orfeo ontving de prijs van het Conservatorium van Bologna, 1808

- Giovanna d'Arco, 1832, gereviseerd in 1852

     15 orkestwerken

- Andante e Tema con variazioni in Es grote terts, 1828,

     4 sinfonia’s

     11 (series) kamermuziekwerken

- zes sonate a quattro (1804, 12 jaar oud!)

- prélude, thema en variaties voor hoorn en piano, authenticiteit onduidelijk

     17 (series) liederen voor zangstem(men) en orkest of instrument(en)

- Les soirées musicales, 1835, 12 liederen

nr. 5. “l' invito" (Bolero)

nr. 8. “La Danza”,1835 een Napoletaanse aanstekelijke tarantella, tekst graaf Carlo Pepoli. Franz Liszt arrangeerde het voor piano, Frédéric Chopin gebruikte het lied als inspiratie voor zijn Tarantelle in As, opus 43 en Ottorino Respighi gebruikte het in zijn La Boutique fantasque.

     20 (series) pianowerken

14 delen Péchés de vieillesse ("zonden van de ouderdom"), voor een groot deel óók met liederen voor één of twee zangstemmen

deel III. Morceaux réservés

nr. 3 Tirana pour deux voix (‘Les amants de Séville’), tekst Pacini, voor alt, tenor en piano, luchtig

deel V. Album pour les enfants adolescents

nr. 8 Prelude convulsif

deel VI. Album pour les enfants dégourdis

nr. 12 Un enterrrement en Carnaval. Verbeelding van een begrafenisstoet tijdens carnaval.

deel VIII, Album de château

nr. 5 Prélude prétentieux, hommage aan Bachs fugakunst, en aan zichzelf

nr. 7 Valse anti-dansante, benenbrekend

nr. 9 Tarantelle pur sang (avec traversée de la procession), een onwelvoeglijke volksdans wordt ruw onderbroken door overstekenede geestelijke in processie

nr 10. Un rêve, loopt op een nachtmerrie uit.

 

Anton Bernhard Fürstenau (Münster, Duitsland, 20 oktober 1792 - Dresden, 18 november 1852) kreeg zijn eerste fluitlessen van zijn vader, de fluitist Kaspar Fürstenau (1772-1819), zijn eerste fluitlessen. Anton Bernard trad voor het eerst op toen hij zeven jaar oud was. Toen hij twaalf was werd hij muzikant in het hoforkest in Oldenburg. Hij maakte concertreizen met zijn vader naar onder andere Berlijn, München, Kopenhagen, Sint-Petersburg, Wenen en in 1815 naar Praag, waar hij Carl Maria von Weber leerde kennen, met wie hij tot zijn dood bevriend bleef.

In 1817 werd Anton Bernard Fürstenau fluitist van het Stadsorkest van Frankfurt am Main, hij kreeg daar ook compositieles van Johannes Vollweiler. In 1819 Anton Bernard werd hij lid van het hoforkest in Dresden, dat onder leiding stond van Carl Maria von Weber. Daarnaast ondernam hij weer concertreizen, in 1826 samen met de zwaar zieke Carl Maria von Weber naar London, die daar overleed.

Anton Bernard Fürstenau was een veelgevraagde fluitleraar. Hij gaf ook les aan zijn zoon Moritz Fürstenau (1824-1889), die hij later doorstuurde naar Theobald Böhm in München.

Anton Bernard Fürstenau componeerde

     12 fluitconcerten

- fluitconcert nr. 8, opus 84, “in Form einer Gesangsszene”, 1830

     2 concerten  voor 2 fluiten

     12 andere werken voor orkest en fluit of twee fluiten

     34 kamermuziekwerken met fluit

     4 (series) liederen, voor zangstem, (fluit) en piano

- Liebesruf , opus 141, voor sopraan, fluit en piano, tekst Hans-Georg Kriete, goed gecomponeerd

     8 (series) etudes voor fluit.

 

Anna Gertrude Elizabeth van den Bergh, (Mülheim a/d Rijn, Duitsland, gedoopt in Keulen, 21 januari 1793 – Den Haag 10 september 1840) was de oudste dochter van de Nederlandse boer Henderik van den Bergh en de Duitse Maria Theresia Leydel , die op 7 mei 1792 op hun woonscheepje in de Rijn bij Keulen door een rooms-katholieke priester waren getrouwd. Op jonge leeftijd bleek Gertrude van den Bergh al behoorlijk muzikaal. Vanaf haar zesde kreeg ze pianolesen. Als jong meisje trad ze onder veel bijval in Duitsland op. In 1802, als zij 9 jaar oud is, vermeldt de catalogus van de Berlijnse muziekuitgeverij Hummel een klavecimbelsonate van haar.

Later studeerde zij compositie bij Johann Burgmüller en piano bij Ferdinand Ries. In juli 1809 maakten Gertrude en haar twee jaar jongere zusje Sophia een concerttournee door Nederland, georganiseerd door hun vader.

Het gezin Van den Bergh is waarschijnlijk vóór 1813 in Den Haag komen wonen. Sindsdien speelde Gertrude weinig meer in het openbaar; maar  gaf zij alleen nog uitvoeringen in informele kring. Al in 1818 speelde zij de muziek van Johann Sebastian Bach, die toen zelden meer werd uitgevoerd. Hiermee liep zij vooruit op de Bach-renaissance. Musici als Felix Mendelssohn, Louis Spohr, Ignaz Moscheles en Friedrich Kalkbrenner bezochten haar wanneer zij in Nederland waren. Johann Nepomuk. Hummel droeg in 1824 zijn Trois amusements en forme des caprices, opus 105 aan haar op. Van 1819 tot 1821 leidde zij het eerste gemengde koor van Den Haag, en daarna de Zangvereeniging, die onder haar leiding tot 1837 of 1838 heeft bestaan. Gertrude Van den Bergh richtte ook het Haagse dames-‘Zanggenootschap’ op. Het koor was een van de sterren op het door haar georganiseerde Haags Muziekfeest in 1834.   

In 1830 nodigde de zojuist opgerichte Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst dertien prominente Europese musici uit, onder wie Gertrude Van den Bergh, om toe te treden als lid van verdienste. Officieel werden vrouwen pas in 1835 toegelaten tot deze vereniging, maar voor Gertrude Van den Bergh werd kennelijk een uitzondering gemaakt. Het tweede vrouwelijke lid van verdienste werd pas in 1854 benoemd: Clara Schumann-Wieck, en het derde in 1899: Sophia Offermans-ten Hove.

Gertrude van den Bergh, die altijd ongetrouwd is gebleven en met haar moeder in de Haagse Wagenstraat woonde, moest in haar eigen levensonderhoud voorzien. Hiertoe gaf zij ‘van de vroege morgen tot de late namiddag’ zang- en pianoles aan leden van de aristocratie, onder wie Anna Paulowna, gemalin van koning Willem II en leden van de Deense Koninklijke familie. Ook gaf zij tweemaal in de week algemene muziekleer aan welgestelde jongedames. Zij en gebruikte hiervoor het door haar rond 1830 geschreven instructieboek Principes de musique. Aan het einde van haar leven, in 1836 en 1837) studeerde Gertrude van den Bergh nog contrapunt bij Carel Ferdinand Hommert (1811–1838) en na diens dood bij Alfred Julius Becher (1803–1848). In 1840, pas 47 jaar oud, overleed Gertrude van den Bergh aan borstkanker. Onder veel eerbetoon werd zij in Den Haag begraven. Aan het graf zong een mannenkoor, begeleid door de Koninklijke Hofkapel, een koraal dat de dirigent, haar collega Johann Heinrich Lübeck, speciaal voor deze uitvaart gecomponeerd had.

Gertrude van den Bergh componeerde preludes, fuga’s, fantasieën en een strijkkwartet die nooit zijn uitgegeven en verloren gegaan. Overgebleven zijn

     1 pianoconcert

     6 pianowerken

- 12 variaties op ‘Ein Mädchen oder Weibchen’ uit Mozarts opera Die Zauberflöte. Omstreeks 1820

- rondeau pour le pianoforte, 1820, een bravourestuk

- Lied für Pianoforte

- Toch Oranje

 

Eugène Walckiers (Avesnes-sur-Helpe, Frans-Vlaanderen  22 juli 1793 – Parijs, 1 september 1866 studeerde dwarsfluit bij Jean-Louis Tulou en harmonieleer en compositie bij Anton Reicha in Parijs. Hij werkte als militairmuzikant en als muziekleraar

Eugène Walckiers schreef

     1 mis

     2 motetten

     1 fluitconcertino

     2 kwintetten voor dwarsfluit en strijkers

     3 pianokwintetten

     4 strijkkwintetten

     3 fluitkwartetten

     4 kwartetten voor dwarsfluit en strijkers

     5 blaaskwartetten

     1 strijkkwartet

     7 fluittrio’s

     7 pianotrio’s met dwarsfluit en een ander instrument>

     1 strijktrio

     40 duo’s voor twee dwarsfluiten

     61 duo’s voor dwarsfluit en piano

- Sonate voor piano en fluit nr.1 opus 89

- Sonate voor piano en fluit nr.2 opus 92

- Sonate voor piano en fluit nr.3 opus 98

- Sonate voor piano en fluit nr.4 opus 109

- Sonate voor piano en fluit nr.5

     12 andere duo’s

     19 solowerken voor dwarsfluit

     113 duo’s met dwarsfluit

     1 chanson

 

Johann Ludwig Friedrich Glück (Oberensingen, Nürtingen, Duitsland, 23 september 1793 – Schornbach,  1 oktober 1840) was de zoon van de plaatselijke predikant Jakob Johann Glück. Friedrich Glück ging naar de kloosterschool in Maulbronn en van 1809 tot 1813 naaer het Tübinger Stift, een studiehuis van de evangelisch Lutherse kerk in Württemberg. Zijn gevoeligheid voor muziek viel op. Met drie vrienden vormde Friedrich Glück een zangkwartet, waar hij zelf de composities voor schreef. Na de studie maakten de vrienden een reis door Italië.

Friedrich Glück werd in 1818 predikant in Aichtal-Neuenhaus, in 1825 garnizoenspredikant op de Hohenasperg en in1829 predikant in Schornbach (nu een stadsdeel van Schorndorf). Daar bleef hij tot zijn dood.

In zijn predikantswoning in Schornbach is in de vloer bij de ingang van het huis een gedenksteen aangebracht met een beschrijving van zijn leven en werk.

Friedrich Glück componeerde en schreef

     liederen

- In einem kühlen Grunde, gedicht van Joseph von Eichendorff, 1814, zijn meest bekende lied.

 

Theobald Böhm (Boehm) (München, Beieren, Duitsland, 9 april 1794 – 25 november 1881) leerde het vak goudsmid van zijn vader Karl Friedrich Böhm. Op zijn 14de was hij al een volleerd goudsmid en juwelier. Hij leerde zichzelf eerst flageolet en daarna fluit spelen met een eenkleppige traverso. Van 1810 tot 1812 kreeg hij les van fluitist Johann Nepomuk Capeller, toen kon die hem niets meer leren. In 1818 werd Theobald Böhm benoemd tot eerste fluitist van het orkest van het Koninklijk Isartor-theater in München. Vanaf zijn 14de bouwde Theobald Böhm zelf ook fluiten. In 1810 maakte hij een kopie van een vierkleppige fluit van de Dresdener fluitbouwer Grenser. In 1823 richtte hij de fluitbouwwerkplaats Böhm & Grève op in München. Overdag bouwde hij fluiten en ’s avonds speelde hij in het orkest.

In 1832  bouwden Böhm en Grève een ringkleppenfluit, een nieuw model fluit met grotere toongaten. Omdat het lastiger was deze toongaten goed af te sluiten met de vingers dan de traditionele toongaten voegde ze ringvormige brillen toe om het sluiten van de toongaten te vergemakkelijken. Het instrument had nog steeds de conische boring (naar de voet taps toelopend) zoals bij een traverso. In deze tijd ontwikkelde Theobald Böhm met zijn vriend Karl Emil von Schafhäutl, natuurkundige, een nieuwe smeltmethodes voor ijzererts, die hij liet patenteren. In de jaren volgden nog andere uitvindingen op dit gebied.

In 1846-47 studeerde Theobald Böhm akoestiek aan de Universiteit van München. Dat leidde tot een compleet nieuw fluitontwerp. De klankkwaliteit was maatgevend en niet de beperkingen van de traditionele grepen. Theobald Böhm maakte de toongaten groter, zette ze op een andere plaats en voegde kleppen toe met polsters eronder om de toongaten af te sluiten. De kleppen werden (net als eerder de ringen) opengehouden door een kleppensysteem met veren. De boring van de fluit werd cilindrisch. Materialen: tropisch hardhout, zilver, goud, nikkel en koper.

Theobald Böhm schreef er in 1847een boek over: Über den Flötenbau ("Over de fluitbouw") en in 1871 Die Flöte und das Flötenspiel ("De fluit en het fluitspel").

De Böhmfluit onderging nog een aantal kleine veranderingen, maar is in essentie de moderne dwarsfluit zoals die ook tegenwoordig wordt bespeeld. Böhms kleppensysteem werd later gebruikt voor andere houtblaasinstrumenten.

Theobald Böhm componeerde

     werken voor fluit en orkest

     Concertante opus 7 voor twee fluiten en orkest, omstreeks 1825

     36 (series) werken voor fluit en piano, waarvan 20 ook met een bewerking voor orkest

- Rondo à la Tarantella voor fluit en piano, opus 34, 1857

- Larghetto voor fluit en piano, opus 35, in As grote terts, 1857, opgedragen aan fluitist Louis Dorus

- 24 etuden voor fluit en piano, opus 37, 1858

     werken voor fluit solo

     28 bewerkingen voor 1 of twee fluiten in C

     26 bewerkingen voor een altfluit in G

 

Ignaz Moscheles (Praag, 23 mei 1794 – Leipzig, 10 maart 1870) werd geboren in Praag en  studeerde daar aan het Conservatorium. Later in Wenen studeerde hij bij Johann Albrechtsberger (1736-1809) en Antonio Salieri (1750-1825). Rond 1810 kwam hij in Wenen in contact met Ludwig van Beethoven en hij speelde onder meer mee in de première van Ludwig van Beethovens Wellingtons Sieg. Hij maakte ook een transcriptie voor pianoforte van de ouverture van Ludwig van Beethovens opera Fidelio en kreeg grote bekendheid in Weense muzikale kringen.

Van 1816 tot 1821 reisde hij door Europa en trad op in Dresden, Amsterdam, Brussel, Parijs en Londen.

In 1821 vestigde hij zich in Londen waar zowel zijn klaviertechniek als zijn composities een hoogtepunt bereikten.

In 1846 nam hij op uitnodiging van zijn vriend Felix Mendelssohn-Bartholdy de leiding aan van de piano-afdeling aan de Hochschule für Musik und Theater "Felix Mendelssohn Bartholdy".

Ignaz Moscheles componeerde

     20 orkestwerken

- symfonie in C groot,  Op. 81

- 8 pianoconcerti

     3 werken voor twee piano’s

     17 werken of series werken voor piano vierhandig

     115 werken of series werken voor pianosolo

- Grosse Sonata für das Pianoforte, opus 41, een briljant werk

- studiewerken voor piano.

     24 kamermuziekwerken

     8 liederen of series liederen voor zangstem en piano

 

Heinrich August Marschner (Zittau, Duitsland, 16 augustus 1795 – Hannover, 16 december 1861), was de zoon van een arbeider uit Böhmen. Hij heeft les gehad van de Thomascantor Johann Gottfried Schicht en begon al jong te componeren.

In 1817 werd hij muziekleraar van Graaf Zichy in Preßburg. In 1821 trok Heinrich Marschner naar Dresden, waar hij vanaf 1824 muziekdirecteur van de opera was.  Heinrich Marschner trouwde met de operazangeres  Marianne Wohlbrück (1805–1854).

In 1831 werd  Heinrich Marschner  Hofkapellmeister van de Opera in Hannover. Hij bleef daar tot zijn dood. Zijn begraafplaats bevindt zich op het Neustädter Kerkhof.  In de Georgstraße in Hannover bevindt zich een gedenkteken.

Heinrich Marschner componeerde

     19 opera’s

- Heinrich IV. und D’Aubigné, 1820

- Lucretia, 1822

- Singspiel Der Holzdieb, 1725

- Der Vampyr (1828), libretto  August Wilhelm Wohlbrück

- Der Templer und die Jüdin (1829), libretto  August Wilhelm Wohlbrück

- Hans Heiling (1833), libretto Philipp Eduard Devrient,  zijn belangrijkste werk, een sleutelwerk van de Duitse romantische opera. Antonín Dvořák  gebruikte een melodie hieruit in zijn symfonie Uit de nieuwe Wereld

     4 toneelmuziekwerken

     balladen

"Die Monduhr" (c. 1839).

     liederen

     kamermuziek

7 pianotrio’s

     koorwerken

     cantates

Klänge aus Osten ,1842.

     gitaarwerken

Bagatelles, 1814

 

Giuseppe Saverio Raffaele Mercadante (Altamura, bij Bari, 17 september 1795 – Napels, 17 december 1870) was een onecht kind. Zijn ouders, de adellijke Giuseppe Orazio Mercadante en dienstmeid Rosa Bia trouwden niet. Inplaats daarvan werd geadopteerd door zijn vader als vondeling.In 1806 kreeg zijn vader, na de Franse bezetting, een administratreve baan in Napels. Saverio Mercadante had van zijn halfbroer gitaar en klarinet leren spelen, en in Napels kon hij in 1808 naar het conservatorium van San Sebastiano. Hij studerde er viool, fluit, zang, basso continuo bij Agostino Furno en contrapunt bij Giacomo Tritto. In 1813 dirigeerde hij het conservatoriumorkest en had hij zijn huidige bekendste werk gecomponeerd: het fluitconcert in e kleine terts. Vanaf dat jaar tot 1817 kreeg hij compositieles van de directeur van het Constervatorium: Nicola Antonio Zingarelli,

Vanaf het moment at hij zijn conservatoriumstudie had afgerond was hij zo populair als componist en orkestleider, dat hij ervan kon leven.

in 1825 accepteerde Saverio Mercadante het aanbod om als muziekdirecteur aan de Italiaanse Opera in Madrid te gaan werken. Op 1 januari 1828 werd hij directeur van het theater San Carlos in Madrid. Omdat hij in de koop van dat jaar de Spaanse Burgeroorlog en de sluiting van het theater zag aankomen, vertrok hij met een paar Portugese zangers naar Cadiz, waar een rijke zakenman zijn operaprodukties ondersteunde.

Daarna reisde hij behoorlijk heen en weer in Italië en Frankrijk om zijn opera’s te promoten en uit te voeren. Tijdens één van de repetities ontmoette hij  Sofia Gambaro (1812–98), waar hij op 9 juli 1832 mee trouwde. Hij besloot dat het nu tijd was voor een stabiel inkomen en een huisje- boompje- beestje leven en vestigde zich in 1833 tot 1840 met zijn vrouw, twee zoons en dochter in Novara, waar hij  Pietro Generali opvolgde als maestro di cappella aan de kathedraal. In 1840 werd hij benoemd als directeur van het conservatorium in Napels, dus dat werd verhuizen. I.  In 1833 werd hij als opvolger van Pietro Generali kapelmeester aan de dom van Novara.

In 1840 volgde hij Nicola Antonio Zingarelli op als directeur van het Conservatorio di San Pietro a Majella di Napoli. Hij wist het conservatorium administratief en muzikaal behoorlijk bij de tijd te brengen met aandacht voor instrumentale muziek en buitenlandse componisten.

In 1844 kreeg hij er de baan van muziekdirecteur aan de San Carlo bij.

Uit waardering voor zijn muzikale werkzaamheden werd hij tot ridder geslagen door Fernando II en in 1852 werd hij benoemd tot inspecteur van de kon inklijke militaire orkesten, waar hij ook verschillende werken (“Fantasia’s”, een soort symfonieën voor harmonieorkest) voor schreef.

In 1862 kreeg Saverio Mercadante een herseninfarct, waardoor hij compleet blind werd. Hij gaf zijn betrekking aan de San Carlo op, maar bleef in naam directeur van het conservatorium, waar zijn collega Carlo Conti eigenlijk al het werk deed. Hij concentreerde zich op compositielesgeven door zijn studenten nieuwe werken te dicteren. In 1869 kreeg hij een tweede herseninfarct, waarvan hij niet meer herstelde, maar na een korte ziekteperiode overleed.

Saverio Mercadante componeerde

     60 opera’s

- Don Chisciotte alle nozze di Gamacio, komische eenakter, 1830, libretto Steffano Ferrero naar het boek van Miguel de Cervantes Saavedra. Hoofdrolspelers zijn de geliefden Chiteria en Basilio, die er door list en tussenkomst van Don Quichotte er in slagen een paar te worden.

- Il giuramento (Amore e dovere), opera in drie bedrijven, 1837, libretto Gaetano Rossi naar Victor Hugo’s  “Angelo, tyran de Padoue”

     2 toneelmuziekwerken

     7 balletten

     1 mis

     22 motetten, cantates en liederen met orkest

     60 symfonieën en fantasia's

     20 concerten

- Concerto nr. 2 in e kleine terts, opus 57, voor fluit en strijkorkest, 1814, het laatste deel: Rondo russo, is in een ingekorte versie in Nederland populair geworden door fluitiste Berdien Stenberg

     25 andere orkestwerken

     70 kamermuziekwerken

     70 (series) liederen voor zangstem(men) en piano

     65 werken voor een instrument solo

 

Nikolaos Halikiopoulos Mantzaros (Italiaans: Niccoló Calichiopoulo Manzaro) (Corfu, Griekenland, 26 oktober 1795 – 12 april 1872) kwam uit de families van Italiaanse edelen, die de “Libro d’Oro” vormden en de zeggenschap hadden over de “Ionische eilanden”, waaronder Corfu.  

Nikolaos Mantzaros kreeg pianoles van Stefano Pojago, vioolles van diens broer Gerolamo Pojago uit Ancona, muzikanten aan het San Giacomotheater op Corfu, en muziektheorie en compositie van zekere ridder Barbati, vermoedelijk een politieke vluchteling uit Napels.

Nikolaos Mantzaros was vanaf  1819 in Italië, waar hij door de steden Venetië, Bologna, Milaan en Napels trok en de Milaanse componist Niccolo Antonio Zingarelli ontmoette.

Vanaf 1826  was hij op Corfu  aan het werk als muziektheoreticus, componist en muziekdocent. Hij stichtte er het eerste Griekse conservatorium en vormde in 1840 de Philharmonische Vereniging, waar hij van 1841 tot zijn dood artistiek directeur van bleef. Hij vervulde ook enkele politieke–  en bestuursfuncties op de Ionische eilanden.

Nikolaos Mantzaros componeerde

     14 theatermuziekwerken

- Don Crepuscolo,1815, komische éénakter, de eerste opera–achtige compositie in Griekenland

- Aria Greca, 1827, de eerste Griekse concertaria

     4 missen

     1 Te Deum

     18 sinfonia’s voor orkest in pianopartituur

     24 ouvertures voor orkest

     5 werken voor harmonieorkest

     15 werken voor 2 tot 6 stemmen en piano of andere instrumenten

     54 liederen

- Ýmnos eis tīn Eleutherían, (lied voor de vrijheid), 24 coupletten, op tekst  van zijn vriend Dionysios Solomos. De eerste twee coupletten werden op 4 augustus 1865 door koning Georg I tot het Griekse Volkslied verklaard.  

     16 pianowerken 

 

Johann Caspar (Kaspar,  Gaspard) Kummer (Erlau, Duitsland, 10 december 1795 – Coburg, 31 mei 1870) kreeg toen hij tien jaar werd, een klein fluitje cadeau en was meteen verkocht voor de muziek. Hij volgde een opleiding voor stadsmuzikant, waarbij hij viool, hoorn, trompet, klarinet, fagot, hobo, cello en contrabas leerde spelen. Hij leerde zichzelf dwarsfluit en studeerde bij de cantor van Schleusingen Gottlob Abraham Stäps muziektheorie. Vanaf 1835 werkte Caspar Kummer als fluitist in de slotkapel van de Hertog van Saksen-Coburg en Gotha in Coburg. Vanaf 1854 had hij de leiding over de kapel.

Leerlingen van Caspar Kummer waren Wilhelm Popp Friedrich Kiel (1838-39) en Felix Draeseke (1850-1852). In november 1968 kreeg hij een beroerte, waarvan hij weer genas. Twee jaar later kreeg hij er weer een, die hem fataal werd. 

Caspar Kummer componeerde praktisch uitsluitend voor dwarsfluit

     4 fluitconcerten

     18 duo’s

- Drei leichte duo’s voor twee dwarsfluiten, opus 146

     11 trio’s

     9 kwartetten

     liederen

 

Giovanni Pacini (Catania, Sicilië, Italië, 2 februari 1796 – Pescia,  Toscane, 6 december 1867) was de zoon van operazanger, bas Luigi Pacini, van Toscaanse afkomst. Het gezin was toevallig in Catania, toen Giovanni geboren werd. Giovannio Pacini studeerde vanaf zijn 12de jaar zang en contrapunt in Bologna en vanaf zijn 13de compositie in Venetië. Hij componeerde zijn eerste opera Don Pomponio  toen hij 17 jaar oud was. Hoewel Giovanni Pacini prima opera’s componeerde kon hij niet wedijveren met Gioacchino Rossini, Vincenzo Bellini en Gaetano Donizetti. In 1822 kreeg hij een aanstelling als Maestro di cappella bij de Hertogin van Lucca, Maria Louise Bourbon. Hij vestigde zich in Viareggio, de haven van het hertogdom Lucca.

In deze jaren ontwikkelde Giovanni Pacini een relatie met de zus van Napoleon, prinses Pauline Borghese. Dat liep allemaal nogal uit de hand en Giovanni Pacini ontsnapte aan de verwikkelingen door in 1825 in Napels  te trouwen met de Napelse Adelaide Castelli. Ze kregen twee dochters Giovannina en Amacilia, en een zoon, Luigi. Bij de geboorte van Luigi in 1828 stierf Adelaïde. Giovanni Pacini kreeg daarna een relatie met de rijke Russische gravin Giulia Samoilov, die zijn twee dochters adopteerde. Hij trouwde, terwijl hij zijn relatie met gravin Samoilov aanhield,  ondertussen ook nog met de in die tijd beroemde sopraan Mariette Albini. Ze kregen drie kinderen, waarvan slechts één meisje, Giulia, in leven bleef.

Giovanni Pacini richtte in Viareggio een muzieklyceum en een klein orkest op, waaraan hij zelf leiding gaf en dat hij zelf dirigeerde. Het muzieklyceum werd een groot succes. In 1842 kwam er een groter en uitgebreider muzieklyceum in Lucca, waar  Giovanni Pacini directeur en docent compositie werd. Het werd een beroemd conservatorium, waar onder meer Giacomo Puccini werd opgeleid. Het bestaat nog steeds en heet tegenwoordig conservatorium Luigi Boccherini. In 1857 ging  Giovanni Pacini in Pesci wonen, een mooi stadje 20 kilometer van Luca. In 1849 was zijn tweede vrouw overleden en in 1865 trouwde hij voor de derde keer in Pesci met Marianna Scoti. Zij kregen drie kinderen: Isabella, Luigi en Paolina. Twee jaar na zijn huwelijk overleed Giovanni Pacini. Hij werd begraven in de parochiekerk van de Heilige Bartolomeo en Andrea in Pesci. Zijn laatste vrouw Marianna Scoti zorgde voor de posthume uitgave van zijn werken en de publicatie van zijn autiobiografie “Le mie memorie artistiche” (mijn herinneringen als kunstenaar).

Giovanni Pacini componeerde

     74 opera’s

- Saffo, 29 november 1840, libretto Salvatore Cammarano, zijn  eerste opera die een doorslaand succes werd, een meesterwerk.

- Stella di Napoli, dramma lirico in drie bedrijven, libretto Salvadore Cammarano, 11 december 1845, met de prachtige aria ‘Ove t’aggiri, o barbaro”

     6 oratoria

     4 missen

     3 requiems

     20 cantates

     vesperpsalmen en motetten

     1 symfonie

     veel kamermuiziekwerken

 

Franz Adolf Berwald (Stockholm, 23 juli 1796 – 3 april 1868) werd geboren in een Zweeds muzikantengezin van Duitse herkomst. Zijn vader Christian Friedrich Georg Berwald (1740-1825) was leerling van Franz Benda te Berlijn en violist in de kapel van het Koninklijke Huis te Stockholm. Franz Berwald ontving de eerste vioollessen bij zijn vader en studeerde compositie bij Édouard Dupuy. Van 1821 tot 1828 was hij met twee onderbrekingen violist (later altviolist) in de kapel van het Koninklijk Theater.

In 1841 ging hij naar Wenen en trouwde daar met Mathilde Scherer. Hij schreef hij er zijn bekendste werken.

Na zijn terugkeer in Stockholm in 1842 heeft hij 15 jaar moeten wachten op een baan in het Zweedse muziekonderwijs. In deze periode was hij directeur van een glasfabriek en schreef vooral veel kamermuziek. In 1864 werd hij lid van de Koninklijke muziekacademie en in 1866 werd hij drager van de Nordstjärneorden (Orde van de Poolster) als erkenning van zijn muzikale prestaties. In 1867, één jaar voor zijn dood, werd hij na veel tegenwerking professor voor compositie. Pas na persoonlijk ingrijpen van de Zweedse koninklijke familie werd deze benoeming bekrachtigd. De belangrijkste Zweedse componist van de  19de eeuw kreeg te laat erkenning: aan de vele opdrachten voor composities die hij nu kreeg, kon hij door zijn dood ten gevolge van longontsteking niet meer voldoen.

Franz Berwald componeerde

     4 symfonieën

     5 concerten

- Konzertstück in F grote terts voor fagot en orkest, 1827

     6 andere orkestwerken

     1 werk voor harmonieorkest

     3 cantates

     3 opera’s

     3 operettes

     5 pianotrio’s

     2 pianokwintetten

     3 strijkkwartetten

     5 andere kamermuziekwerken

- septet in Bes grote terts voor klarinet, hiirn, fagot, viool, altviool, cello en contrabas, 1817, gereviseerd in 1828 

- kwartet in Es grote terts voor piano, klarinet, hoorn en fagot, 1819, geniaal muziekwerkje

     7 werken voor koor

·       11 (series) liederen voor zangstem en piano

- Dröm, tekst: Ludwig Uhland (1833)

- Des Mädchens Klage, tekst: Friedrich Schiller.

 

Johann Carl Gottfried(Carl) Loewe (Löbejün (Saksen), 30 november 1796 ‒ Kiel, 20 april 1869) kreeg zijn  eerste muzieklessen van zijn vader. Als koorknaap zong hij eerst in Köthen, daarna in Halle, waar hij naar het gymnasium ging. Getroffen door zijn  mooie stem, bezorgde Madame de Staël hem een toelage van van Jerôme Bonaparte, toen koning van Westfalen, wat het Carl Loewe mogelijk maakte zich verder in muziek te ontwikkelen en vanaf 1817 theologie te gaan studeren aan de universiteit van Halle. Vanaf 1814 was hij al organist aan de St. Markuskerk in Halle. In die periode ontmoette hij onder andere Carl Maria von Weber en in Weimar in 1820 Goethe. Dit inspireerde hem tot het componeren van ballades en andere liederen op teksten van bijvoorbeeld Goethe, Herder en Uhland.

In 1820 verhuisde Carl Loewe naar Stettin in Pruisen (nu Szczecin in Polen), waar hij werkte als organist en muziekdocent aan de school.

In 1821 trouwde hij met Julie von Jacob, die stierf in1823. Zijn tweede vrouw, Auguste Lange, was een voortreffelijke zangeres. Samen zongen ze met veel succes in Carl Loewes oratoriumuitvoeringen.

 In zijn latere leven werd Carl Loewe vooral een beroemde tenorzanger. Hij maakte verschillen tournee’s als zanger in de 40-er en 5-er jaren van de 19de eeuw en bezocht daarbij onde meer  Engeland, Frankrijk, Zweden en Norwegen. Hij sierf in Kiel aan een beroerte op 20 April 1869.

Carl  Loewe componeerde

     2 symphonieën

     2 pianoconcerten

     1 ander werk voor okest

     2 opera’s

     17 oratoria voor soli, koor en orkest

     koorballades

     cantates

     4 strijkkwartetten

     1 pianotrio

     1 werk voor clarinet en piano

     1 werk voor viool en piano

     8 werken voor piano solo

     1 werk voor piano vierhandig

     295 liederen of series liederen 

3 Balladen, opus 1, 1818

3. Erlkönig, naar Goethe,

3 Balladen, opus 2

2. Herr Oluf, tekst Johann Gottfried Herder, einde lijkt sterk op het eind van Erlkönig van Franz Schubert

 

Franz Peter Schubert (Wenen, 31 januari 1797 ‒ 19 november 1828) werd geboren in Himmelpfortgrund, een buitenwijk van Wenen, tegenwoordig Wien-Alsergrund, aan de Nussdorfers Strasse, als zoon van een onderwijzer, die het met de zorg voor negentien kinderen uit twee huwelijken niet breed had. Toen hij acht jaar was begon zijn vader hem vioollessen te geven en zond hij de kleine Franz voor zanglessen naar Michael Holzer. Franz zong zo mooi, dat hij werd aangenomen als 'Sängerknabe' bij de Weense hofkapel. Hij kreeg les aan het Convict, de zangersschool van het keizerlijk hof. Hier kreeg hij onder meer les in harmonie van Antonio Salieri, die daar hofkapelmeester was. Ook nadat hij inmiddels de baard in de keel had gekregen en het internaat verliet, waar hij overigens wel had mogen blijven, heeft Antonio Salieri Franz nog jarenlang kosteloos les gegeven. Op twaalfjarige leeftijd werd hij eerste violist en plaatsvervangend dirigent van het schoolorkest.  Om de militaire dienst te ontlopen, werd hij hulponderwijzer aan de school van zijn vader.

Op 19 oktober 1814 schreef hij 'Gretchen am Spinnrade', waarna zijn compositorische vermogen zich geheel ontwikkelde  in 1815, het vruchtbaarste jaar van zijn leven: Vier opera's, twee symfonieën, 144 liederen - waaronder 'Erlkönig' en 'Heidenröslein' -, twee Missen, een strijkkwartet en twee pianosonates, waren het resultaat.

In de herfst van 1817 was de wettelijke termijn voorbij dat Schubert onder de wapenen geroepen kon worden. Dadelijk nam hij ontslag als hulponderwijzer. Hij moest nu in zijn onderhoud voorzien met het geven van muzieklessen. In de zomer van dat jaar en in 1824 ging hij met de familie van graaf Johann Karl Esterházy als pianoleraar mee naar hun landgoed in Hongarije. Aldaar genoot hij van de weinige zorgeloze maanden die zijn leven heeft gekend.

Eenmaal terug in Wenen woonde hij afwisselend bij vrienden. Zo woone hij van 1818 tot 1829 samen met dichter Johann Mayrhofer boven een tabakswinkel in Wenen. De eigenares omschreef hen als "twee onpraktische heren".  Hij componeerde dagelijks van 's morgens zes tot 's middags een uur, zonder een pauze in te lassen. Hij zette 47 gedichten van Johann Mayrofer op muziek. De dichter zelf zei dat hij zijn gedichten zelf pas kon waarderen als Schubert ze op muziek had gezet. 's Avonds trof Franz Schubert zijn vrienden in het café. In 1820 werd voor het eerst een Singspiel van Schubert opgevoerd: 'Die Zwillingsbrüder'. Men riep enthousiast om de componist, maar Schubert weigerde te verschijnen omdat hij zo armoedig gekleed was.

In 1821 zorgde zijn vriend Ignaz Sonnleithner dat er een uitgave gereed kwam van een serie van zeventien afleveringen met liederen van Schubert, tegen intekening. 'Erlkonig' verscheen als opus 1, zes jaar nadat het gecomponeerd was. De opbrengst zorgde ervoor dat Schubert zijn schulden kon afbetalen. Met bevriende intellectuelen en kunstenaars organiseerde Franz Schubert "Schubertiades", bijeenkomsten waarbij muziek, werd gemaakt en flink gediscussieerd.

Op een minder gelukkig ogenblik was Schubert zo onverstandig aan de uitgever die de administratie van de liederen verzorgde, alle eigendomsrechten voor 800 gulden te verkopen, terwijl de opbrengst in twee jaar tweeduizend gulden had bedragen.

Schubert werd ernstig ziek (waarschijnlijk syfilis) als gevolg van het feit dat hij publieke vrouwen begon op te zoeken. Uit deze tijd stamt zijn 'Rosamunde' muziek en de liederencyclus 'Die schöne Müllerin'. Het grootste gedeelte hiervan werd in het ziekenhuis geschreven.

In 1824 huurde Schubert voor het eerst van zijn leven een eigen kamer, waardoor hij nog krapper in zijn financiën kwam te zitten. In 1825 werd hem een betrekking als tweede hoforganist aangeboden. Schubert sloeg het af met de mededeling: ' De staat moet mij onderhouden, zodat ik vrij en zorgeloos kan componeren'. Er werd nu geregeld werk van hem gedrukt, zij het tegen heel erg lage honoraria.

Na de begrafenis van Ludwig van Beethoven met vrienden te hebben bijgewoond, gingen hij en zijn gezelschap naar het café. Bij de eerste dronk zei hij: 'Op hem, die wij juist begraven hebben', bij de tweede: 'Op hem, die de volgende zal zijn'. Uit de liederencyclus 'Die Winterreise' die rond deze tijd geschreven is, spreekt doodsverlangen.

De armoede die Schubert moest verduren werd steeds ondraaglijker. Wanneer hij zondags zijn ouders bezocht, bedelde hij bij zijn stiefmoeder om wat geld om te kunnen eten. Op 26 maart 1828 gaf Schubert op eigen risico een concert waar alleen werken van hem werden gespeeld. Het succes was groot. Van de opbrengst kocht Schubert een piano nadat hij zo'n instrument jarenlang had moeten huren. Ook betaalde hij weer schulden af.

Op 4 november 1828 ging Schubert naar Sechter om zich in te laten schrijven als leerling in streng contrapunt, al voelde hij zich ziek. Een week later bleek hij tyfus te hebben, waaraan hij na een zware doodstrijd op 31-jarige leeftijd overleed. Grillparzer, een bekend Oostenrijks dichter uit die tijd, stelde zijn grafschrift op: 'De dood begroef hier een rijk bezit, doch nog schoner verwachtingen'.

Franz Schubert was een fenomenale liedkunsternaar. Pas onder zijn handen groeide de liedkunst uit tot een volwaardig muziekgenre. Hij componeerde meer dan 600 liederen. De pianopartij is niet zoals voorheen, harmonische begeleiding, maar ondersteunt, illustreert en intensiveert de betekenis van de tekst met toonsoortwisselingen en harmonische kleuringen in dialoog met de vocale partij.

Otto Erich Deutsch heeft al het werk van Schubert in 1978 chronologisch geordend volgens D- nummer.

Franz Schubert componeerde 988 werken

     17 opera’s

- Die Zwillingsbrüder, D 647, 1820, Posse mit Gesang, libretto Georg Ernst von Hofmann naar Les deux Valentins

- Die Zauberharfe, D 644,  Melodrama in drie Aktes, libretto Georg von Hofmann, 9 augustus 1820. De tekst is verloren gegaan, alleen de ouverture wordt nog vaak als concertstuk uitgevoerd.

- "Fierabras", opera in drie bedrijven voor drie sopranen, drie tenoren, drie bassen, bariton, spreker, gemengd koor en orkest, libretto Josef Kupelwieser D 796, 1822

     1 theatermuziekwerk

- Rosamunde, opus 26, D 797, 1823, gecomponeerd voor het toneelstuk Rosamunde, Fürstin von Zypern van Helmina von Chézy. het toneelstuk is roemloos verdwenen, maar delen van de muziek (in totaal een ouverture en tien nummers) van Schubert zijn tot zijn beroemdste stukken gaan horen. Er zijn ook een balletmuziek nr. 1 en een balletmuziek nr. 2 uit afgeleid. 

nr. 3b. "Der Vollmond strahlt auf Bergehöh’n"

     10 symfonieën

- symfonie nr. 1 in D grote terts, D 82, 1813, toen Schubert net 16 jaar oud was, jeugdige overmoed; 

- symfonie nr. 2 in Bes grote terts, D 125, 1815, ook licht en sprankelend.

- symfonie nr. 3 in D grote terts, D 200, 19 juli 1815, een paar maanden na zijn 18de verjaardag.

- symfonie nr. 4 in c kleine terts, de "tragische", april 1816. De titel “de tragische” is door Schubert zelf toegevoegd. De reden daarvan is onbekend. Het is wel één van de twee symfonieën in kleine terts (de andere is de symfonie nr. 8), maar hij eindigt wel onbekommerd in C grote terts.

 -symfonie nr. 5 in Bes grote terts, D 485, 1816. Een “Mozart”-symfonie. Zangerig.

- symfonie nr. 6 in C grote terts, D 589, februari 1818. Bijnaam: “de kleine C groot” in onderscheid met de de negende symfonie, ook in C grote terts; kaleidoscopisch; "kleine" grootse symfonie, begint met maestueuze accoorden vol licht en schaduw en eindigt met opera-achtig brio.

- symfonie nr. 7  in Egrote terts, D 729, 1821, is er niet. Er zijn alleen onvoltooide schetsen. Die bevatten van de vierdelige symfonie 1340 maten, en van 950 daarvan is nog pas één notenbalk ingevuld. Uit de georkestreerde 110 maten blijkt dat Schubert een groot orkest in gedachten had met 3 trombones en 4 hoorns. Onder meer de Britse musicoloog  Brian Newbould reconstrueerde een "Zevende symfonie", die ook wel wordt uitgevoerd.   

- symfonie nr. 8  in b kleine terts, D 759, “Die Unvollendete”, 1822,  een ongeëvenaard tweedelig meesterwerk dat Schubert nooit heeft kunnen òf willen afmaken. Onwaarschijnlijk mooi; de thema's worden door de houtblazers gedomineerd. De symfonie is de laatste decennia door wel 8 componisen "voltooid", de ene voltooiing klinkt nog beroerder dan de andere. Vandaar de uitspraak: "hoe meer Schuberts "Onvoltooide' wordt voltooid, des te onvoltooider wordt het werk".

- symfonie nr. 9 in C grote terts, D 944, 1840,  bekend als “de Grote”, in tegenstelling tot "de kleine" C-groot symfonie nr. 6. Schuberts beste werk voor orkest, rijk van melodie en kleur, een van zijn meest vernieuwende werken.

- symfonie nr. 10 in D grote terts, D 936a, november 1828,  een onvoltooid werk dat overleefde als fragmentarische pianoschetsen. Pas teruggevonden in  de 70-er jaren van de 20ste eeuw, is de symfonie georkestreerd door  Brian Newbould. De compositie Rendering van Luciano Berio, 1990, is ook gebaseerd op de schetsen voor deze symfonie.

     10 ouverturen

- Ouverture zu "Der Teufel als Hydraulicus", D 4, 1811 (omstreeks)

- Ouverture in D-groot, D 2a, 1812 ?

- Ouverture in D-groot, D 12,  1812 (omstreeks)

- Ouverture in D-groot, D 26, 1812

- Ouverture in Bes-groot, D 470, 1816

- Ouverture in D-groot, D 556, 1817

- Ouverture in D-groot, D 590 “im Italienische Stil“, 1817, in navolging van de ouvertures van Gioacchino Rossini

- Ouverture in C-groot, opus 170, D 591 “im Italienische Stil“, 1817, sprankelend

- Ouverture in e-klein, D 648, 1819

- Ouverture zu "Die Zauberharfe", D 644, opera, waarvan de tekst verloren is gegaan.

- Ouverture zu "Rosamunde, Fürstin von Zypern", D 732, 1822

- Ouverture zu "Alfonso und Estrella", op. 69 nr. 1, D 759A, 1822

     8 andere orkestwerken

- Rondo voor viool en strijkers in a kleine terts, D 438, 1816.

      7 missen,

- Mis nr. 2 in G grote terts, D 167, 1815, de bekendste van Schuberts drie “kleine” missen, in minder dan een week gecomponeerd.

- Mis nr. 5 in As grote terts, D 678, 1822, gereviseerd in 1826, missa solemnis voor alt, tenor, bas, koor en orkest.

- Mis nr. 6 in Es grote terts, D 950, voor vijf solisten, gemengd koor en orkest, missa solemnis, juli 1828. De mis werd pas ná Schuberts dood uitgevoerd, op 15 november 1829, onder directie van Franz’ broer Ferdinand Schubert.   

     1 oratorium

- Lazarus, oder die Feier der Auferstehung, tekst  August Hermann Niemeyer, 1820??, D 689, hoofdrollen voor Lazarus, zijn zusters en zijn vrienden; één koorfragment.

     19 andere religieuze werken

     6 werken voor koor en orkest.

     3 liederen voor zangstem en orkest

     2 octetten

- blaasoctet, D 72, 1813

- octet in F grote terts, D. 803, 1824, voor klarinet, fagot, hoor, twee violen, altviool, cello en contrabas, besteld door graaf Ferdinand Troyer, amateurklarinettist, drie graag een werk wilde equivalent aan het septet opus 20 van Beethoven.

     1 pianokwintet

- pianokwintet in A grote terts, Forellenkwintet (D 667), 1819,  voor piano, viool, altviool, cello en  contrabas. In het vierde deel van het vijfdelige kwintet (Thema mit Variationen: Andantino) gebruikt Schubert zijn lied "Die Forelle"(opus 32, D 550, 1817) als basis van de variaties.

     strijkkwintet in C groot D 956, opus posthuum 163, adembenemend mooi topwerk uit de muziekliteratuur, 1828, twee maanden voor zijn dood geschreven, een werk dat elk superlatief overstijgt. Hoogtepunt uit de kamermuziek.

     24 strijkkwartetten,

- Ouverture in C kleine terts,  D8A, ná 1811, arrangement van de ouverture voor strijkkwintet D 8

- Strijkkwartet nr. 10 in Es grote terts, D 87, opus 125 nr. 1, 1813, vroeg licht werk, mijlpaal in de ontwikkeling.

- 5 Deutsche Tänze mit Coda en  7 Trios , D 90, 19 november 1813

- Strijkkwartet nr. 7,  D. 94, omstreeks 1814

- Strijkkwartet nr. 9 in g kleine terts, D 173,1815

- Strijkkwartet nr. 12, Quartettsatz in c kleine terts, D 703 december 1820. Alleen een eerste deel en 41 maten van het tweede deel, verder heeft Schubert het werk niet afgemaakt. Het prachtige Andante verwijnt in het niets, kwellend

- Strijkkwartet nr. 13 in a klein, “Rosamunde-kwartet”, D 804, opus 29, maart 1824. Het tweede deel, Andante, is gebaseerd op een thema uit de toneelmuziek bij “Rosamunde” in 1817

- Strijkkwartet nr. 14 in d kleine terts Der Tod und das Mädchen, D 810, 1824, genoemd naar het thema van het tweede deel, dat Schubert overnam van zijn gelijknamige lied, dat hij schreef in 1817 (D 531); door Gustav Mahler bewerkt voor strijkorkest.

- Strijkkwartet nr. 15 in G grote terts, D. 887, juni 1826. als opus 161 gepubliceerd in 1851. Veel lagen, knap geconstrueerd, prikkelende thema’s, meodieën vol kalme melancholie en plotseling uitbarstingen van levensvreugde.

    4 pianotrio's

- sonatensatz in Bes grote terts, opus 12, D 28, 1812, een muzikaal charmant werk, zeker voor een 15-jarige componist

- notturno in Es grote terts, opus 148, D 897, 1828, ééndelig Adagio werk voor  viool, cello en piano dat nogal eens wordt uitgevoerd, één van de allermooiste,  meest verlangende en allerfluweligste nocturnes, tijdloos, adembenemend mooi, niet van deze wereld.

- pianotrio nr. 1 in Bes grote terts, opus 99, D 898, 1828

- pianotrio nr. 2 in Es grote terts, opus 100, D 929, 1828

     2 strijktrio’s

- strijktrio in Bes, D 471, 1816

- strijktrio in Bes, D 581, 1817, vol humor, elegantie en melancholie

     6 sonates of werken voor viool en piano

- sonatine nr. 2  in a kleine terts, opus 137, D 385, 1816

- sonata in D grote terts, 1816, D 384, opus postuum 137 nr. 1, er zijn twee versies van het eerste deel,

- sonate in A grote terts, D 574, opus postuum  162, 1817, een streng thematische eenheid tussen de delen; het werk werd pas in 1851 uitgegeven, de uitgever voegde er het woord "Duo" aan toe, en sindsdien heet deze sonate wel de Duo Sonate.

- Rondo Brillant in b kleine terts, opus 70, D 895, 1826, opgewekt

- fantasie in C grote terts, opus 159, D 934, 1827, opent met een angstaanjagend lange noot, ook gearrangeerd voor viool en orkest

     arpeggionesonate  in a klein voor arpeggione en piano,  D 821. Een arpeggione is en kruising tussen een gitaar en een cello, een soort viola da gamba met gitaar-stemming.  Door Luigi Piavano bewerkt tot een soort celloconcert-met-strijkers.

     andere kamermuziekwerken

- Introductie en variaties over 'Trockne Blumen' voor fluit en piano, opus 160, D 802, januari 1824,  introductie, thema en 7 variaties over het 18de lied uit de zangcyclus “Die Schöne Müllerin", D 795, opgedragen aan zijn vriend, fluitist Ferdinand Bogner.

     27 (series) werken voor zangstem(men), (koor) en piano

- Duet "Licht und Liebe" ('Liebe ist ein süßes Licht') voor sopraan, tenor en piano, Nachtgesang, D 352, 1816

- Cantate Ständchen ("Zögernd leise, in des Dunkels nächt’ger Hülle”), D 920, voor alt, mannenkoor (TTBB) en piano juli 1827, tekst Franz Grillparzer (1791-1872), geschreven als bijdrage voor de verjaardag van Louise Gosmar (1803-1858); Schubert maakte ook een versie voor alt, vrouwenkoor (SSAA) en piano

     55 (series) werken voor mannenkoor a cappella

- 4 Gesänge für vier Männerstimmen, opus 17, D 983, 1822?

nr 4. Die Nacht ("Wie schön bist du") tekst Friedrich Wilhelm Krummacher (1796-1868)

     2 liederen voor zangstem, solo-instrument en piano 

- Auf dem Strom, D 943, 1828, gedicht van Ludwig Rellstab, voor tenor, hoorn en piano, een unieke combinatie in Schuberts werk

- Der Hirt auf dem Felsen, ("De herder op de rots"),  D 965, met klarinet

     567 liederen met pianobegeleiding, waarvan een aantal later mooi zijn georkestreerd, onder meer door Max Reger.

- "Gretchen am Spinnrade" (Greetje bij het spinnewiel), opus 2, D 118, 1814, gebaseerd op een tekst van Johann Wolfgang von Goethe's Faust. Schubert's eerste succesvolle lied.

- "Der Taucher" ('Wer wegt es, Rittersmann oder Knapp'), D 77, ballade voor bas en piano, twee versies: 1814 en 1815; in 2006 maakte de Deense componist Rasmussen een orkestratie.

- Erlkönig, opus 1, D 328, in g kleine terts, tekst Johann Wolfgang von Goethe, 1815, een buitengewoon dramatische lied, waarin vier personen: de verteller, de vader, het doodzieke kind en Erkönig, elk in een eigen stemligging optreden en de piano met snelle triolen het paard verbeeldt. Het indrukwekkendste lied ooit gecomponeerd. CD Matthias Goerne/Andreas Haefliger Harmonia Mundi HMC 902141.

- Minona oder die Kunde der Dogge, D. 152, 8 februari 1815, verhalend gedicht van Friedrich Anton Franz Bertrand;

- Nähe des Geliebten, D 162, tekst Johann Wolfgang von Goethe, 27 februari 1815, voor zangstem en piano.

- Vier Lieder, opus 3

× nr. 3, Heidenröslein, gedicht van Johann Wolfgang von Goethe D 257, 1815

- Drei Lieder, opus 7

× nr. 3, Der Tod und das Mädchen, D 531 op de tekst van het gelijknamige gedicht van Matthias Claudius, gebaseerd op het al sinds de 15de eeuw bekende onderwerp. De melodie gebruikte Schubert voor zijn het tweede deel van strijkkwartet nr. 14

- Drei Lieder, opus 57

× nr. 3, An den Mond, D 193, in f klein, tekst Ludwig Heinrich Christoph Hölty, 17 mei 1815

- Zwei Lieder, opus 22, november 1822? , teksten Matthäus von Collin

× nr. 1, Der Zwerg (De kabouter) opus 22, nr 1, D 771. De zanger moet met drie verschillende stemmen zingen: de dwerg, zijn bazin de Koningin, en de verteller, kleurrijk.

× nr. 2, Wehmut (Weemoed) opus 22, nr 2, D 772, opgedragen aan de dichter, indringend.

- Drei Lieder, opus 58

× nr. 1, Hektors Abschied, ("Hector's afscheid") D 312, tekst Friedrich Schiller, duet voor mezzosopraan en bariton, dat het afscheid van Hector van zijn vrouw Andromache (uit de Ilias van Homerus) beschrijft;

× nr. 3, Des Mädchens Klage, D 191, tekst Friedrich Schiller, 15 mei 1815

- An den Mond, D 259, in Es groot, tekst Johann Wolfgang von Goethe, 1815

- Die Bürgschaft, D 246, 1815, ballade van Friedrich von Schiller, idee afkomstig uit de middeleeuwse Latijnse verhalenverzameling Gesta Romanorum.

- Vijf Liederen, opus 5

× nr. 2,  "Nähe des Geliebten" ('Ich denke dein, wenn mir der Sonne Schimmer') voor zangstem en piano, D 162, 1815, tekst Johann Wolfgang von Goethe

× nr. 5, "Der König in Thule", tekst Johann Wolfgang von Goethe voor zangstem en piano, D 367, 1816

- Liedcyclus Gesänge des Harfners uit "Wilhelm Meister" van Wolfgang Goethe, D 478, aangrijpend, 1816

1. "Wer sich der Einsamkeit ergibt", Harfenspieler I,

2. "Wer nie sein Brot mit Tränen aß", Harfenspieler III, vroeger D 480,

3. "An die Türen will ich schleichen", Harfenspieler II, vroeger D 479,

- Erntelied, D 434, 1816, tekst Ludwig Christoph Heinrich Hölty

- Das Heimweh, D 456, 1816, tekst Theodor Hell (pseudoniem voor Karl Gottfried Winkler, 1775-1856)

- Der Wanderer, D 489, 1816, tweede versie als opus 4 nr. 1, D 493, 1821, naar een gedicht van Georg Philipp Schmidt (von Lübeck), indrukwekkend.

- "Die Forelle" opus 32, D 550. in d kleine terts, vroeg in 1817 voor zangstem en piano op een gedicht van Christian Friedrich Daniel Schubart uit 1783. Schubert reviseerde het werk 6 keer, met nauwelijks merkbare veranderingen. Het was in Schuberts tijd als een buitengewoon populair lied, wat er toe leidde dat hij een kamermuziekwerk maakte over de melodie: het forellenkwintet D 667

- Der Jüngling und der Tod, D 545, maart 1817, tekst Joseph von Spaun

- Vier lieder, opus 88

× nr. 4 "An die Musik" maart 1817, voor zangstem en piano, tekst Franz von Schober, D 547, met als laatste regel: “Du holde Kunst, ich danke dir”. Wat mij betreft mogen we dat voor de hele kunstproductie van Schubert uitspreken.

- Fahrt zum Hades, D 526, voor bas en piano, 1817, tekst Johann Mayrhofer (1787-1836, “ik kan mijn verzen pas waarderen, wanneer Schubert ze op muziek heeft gezet”), onheilspellend

- Die Geselligkeit (of: Lebenslust), voor vier zangstemmen, D 609, januari 1818

- An den Mond, D 296, in As groot, tekst Johann Wolfgang von Goethe, 1819

- Zwei Lieder, opus 36

× nr. 2 Nachtstück, D 672, 1819, weemoedig en desolaat;

- Liedstrofe uit “Die Götter Griechenlands" ['Schöne Welt, wo bist du?'] van Heinrich Schiller voor zangstem en piano, D 677, 1819, 2 versies

- Zwei Lieder, opus 14

× nr. 1 "Suleika I" ('Was bedeutet die Bewegung?') voor zangstem en piano, D 720, 1821

- Drei Lieder, opus 20

× nr. 1 "Sei mir gegrüßt", voor zangstem en piano, D 741, 1821

- Drei Lieder, opus 56

× nr. 1 Willkommen und Abschied, D 767, 1822.

- Geburtstaghymne (of: DesTages Weihe) voor vier zangstemmen, opus 146, D 763, 22 november 1822

- Lachen und Weinen (lachen en huilen), 1822, D 777, tekst uit Friedrich Rückert's bundel Östlichen Rosen (Rozen uit het Oosten) beïnvloed door de poëzie van de Perzische dichter Hafis.

- Der Musensohn (de zoon van de muzen), D.764, opus.92 nr.1, 1822, tekst Johann Wolfgang von Goethe, opgedragen aan Josephine von Frank.

- Viola ('Schneeglöcklein, o Schneeglöcklein'), D.786, opus postuum 123, maart 1823, tekst Franz von Schober (1796-1882), lang allegorisch lied voor zangstem en piano

- Vier Lieder, opus 59

× nr. 2 "Daß sie hier gewesen", voor zangstem en piano, D 775, 1823 ?

× nr. 3 "Du bist die Ruh", voor zangstem en piano, D 776, 1823

- Auf dem Wasser zu singen, opus 72, D 774, 1823, tekst Friedrich Leopold zu Stolberg-Stolberg

- Twee liederen opus 43

× Lied 2. Nacht und Träume, in Bes grote terts, voor zangstem en piano, tekst Matthäus von Collin, D. 827, 1823. Het lied heeft de aanduiding "Sehr langsam".

- Die schöne Müllerin, opus 25, een cyclus van 24 gedichten, geschreven door Wilhelm Müller, D. 795, 1823.

× nr. 2. Wohin? (waarheen? moet de zoekende zwerver)

× nr. 4. Danksagung an den Bach (dankzegging aan de beek, die hem goede raad influistert)

× nr. 6. Der Neugierige (de nieuwsgierige)

× nr. 9. Des Müllers Blumen (de bloemen van de molenaar, vergeetmijnietjes uiteraard, die de dichter wil planten onder het raam van zijn geliefde)

× nr. 14. Der Jäger (de jager)

× nr. 16. Die liebe Farbe (de mooie kleur)

× nr. 18 Trockne Blumen (droge bloemen), fantasie over wat er gebeurt als de jongen sterft

× nr. 20 Des Baches Wiegenlied (het wiegelied van de beek), troostlied voor een dode, innig;

- Vier lieder, opus 96

× nr. 3 Wanderers Nachtlied (2), ("nachtlied van de wandelaar 2"): "Über allen Gipfeln ist Ruh" D 768, 1824, tekst Johann Wolfgang von Goethe

- Abendstern ('Was weilst du einsam an dem Himmel') in a kleine terts, D 806, 1824, tekst Johann Baptist Mayrhofer (1787-1836); ook onaards mooi;

- Sieben Gesänge aus Walter Scotts 'Fräulein vom See', opus 52, 1825, naar gedichten uit Walter Scott’s epische gedichtencyclus “The Lady of the Lake” (1810), opgedragen aan gravin Sophie von Weissenwolf. Duitse vertaling van Adam Storck (1780–1822). De beeldschone heldin van het verhalende gedicht is Ellen Douglas, waaraan Schubert drie liederen wijdt:

× Lied 1. Ellens Gesang I. D 837

× Lied 2. Ellens Gesang II. D 838

× Lied 6. Ellens Gesang III. Hymne an die Jungfrau, D 839. Begint met de woorden Ave Maria. Wordt daarom nog vaker gezongen met een aanpassing van de Roomskatholieke Ave Maria tekst, en het lied is daarom vooral bekend geworden als "Schubert's Ave Maria", populair bij bruiloften en begrafenissen. Er bestaan allerlei arrangementen. Franz Liszt arrangeerde al drie versies voor piano

- "Totengräbers Heimweh" ('O Menschheit, o Leben, was soll’s?'), D 842, 1825

- Twee liederen opus 93

× Lied 2. "Auf der Bruck", D 853, voor zangstem en piano, tekst Enst Schulze, (1789-1817), 1825.

- Der liebliche Stern, D.861, voor zangstem en piano, tekst Ernst Schulze, december 1825

- Drie liederen, opus posthuum 101

× Lied 1. "Im Frühling" (“In de lente”: 'Still sitz’ ich an des Hügels Hang') D 882, in a kleine terts, voor zangstem en piano, 1826, 2de versie, tekst Ernst Schulze

- Vier lieder. opus 105, 1726

× Lied 4. "Sehnsucht" (“Verlangen") D 879, voor zangstem en piano, maart 1826,  tekst Johann Gabriel Seidl

- Vier lieder. opus 106, 1727

× Lied 4, An Sylvia, D 891, 1826, tekst William Shakespeare, Duitse vertaling Eduard von Bauernfeld

- Winterreise , opus 89, een cyclus van 24 gedichten, geschreven door Wilhelm Müller, D 911, 1827, indrukwekkend, het mooiste werk van de componist; een tijdloos testament van het menselijk bestaan; het hele leven komt langs: emoties, herinneringen, associaties van een mens, die zich afgezonderd voelt van de wereld door verbroken liefdesgeluk en tegenslag. Aan het slot onmoet hij een lierdraaier: een andere eenling?, een dichterlijke vriend in wording? een voorbode van de dood? Poëtische rondreis door het landschap van de dood

× Lied 1. Gute nacht, intiem en kwetsbaar. Bedroefd en een beetje sarcastisch neemt de reiziger afscheid van zijn geliefde en de liefde in het algemeen. 

× Lied 3. Gefronene Tränen (bevroren tranen),

× Lied 4. Erstarrung (verstarring),

× Lied 5. Der Lindenbaum, bezonkenheid,

× Lied 6. Wasserflut; dynamiekverschillen aan het slot;

× Lied 7. Auf dem Flusse (aan de rivier), onontkoombare melancholie

× Lied 9. Irrlicht (dwaallicht)

× Lied 13. Die Post, zet in de met klanken van een posthoorn. Nog éénmaal denkt de reiziger aan zijn lief, dan zal hij de herinneringen aan haar vergeten

× Lied 15. Die Krähe (de kraai), kille, bittere spanning

× Lied 20. Der Wegweiser (de handwijzer)

× Lied 21. Das Wirtshaus (de herberg)

× Lied 24. Der Leiermann (de speelman), prachtig desolaat en mat, ontroering ten top

- "Des Fischers Liebesglück", voor zangstem en piano, D 933, 1827

- Vier liederen met refrein, opus 95, D 866, 1828?

× nr. 2. Bei dir allein

- Die Sterne, D 939, opus 96 nr.1, 1828, gedicht van Karl Gottfried von Leitner

- Der Tanz, voor vier zangstemmen, D 826, 1828

- Der Winterabend (“'Es ist so still, so heimlich um mich”), D.938, 1828

- Schwanengezang, D 957, 1828, 7 gedichten van Ludwig Rellstab, 6 van Heinrich Heine en Die Taubenpost van Johann Gabriel Seidl als appendix; allemaal geniaal getoonzet. De verzameling is ná Schuberts dood door een uitgever bij elkaar geveegd.

× nr. 2. Kriegers Ahnung, Ludwig Rellstab, een soldaat op kamp met zijn kameraden, zingt hoe hij zijn geliefde mist.

× nr. 4. Ständchen, Ludwig Rellstab, Schubert maakt goud van het rijmelarijtje

× nr. 13. Der Doppelgänger, Heinrich Heine, koude rillingen, huiveringwekkend.

- Herbst, D 945, 28 april 1828, tekst Ludwig Rellstab; het lied is door Schubert opgetekend in een album van Heinrich Panofka, een beroepsviolist, die Schubert de laatste jaren van zijn leven als kennis bezocht. “ter vriendelijke herinnering” heeft Schubert er nog bijgeschreven. Het lied past uitstekend bij de Rellstab-liederen van de “Zwanenzang”, maar wordt (te) weinig uitgevoerd.

     2 liederen voor zangstem en ander(e) solo-instrument(en) dan piano 

     36 solo zangstukken

     werken voor piano solo

21 pianosonates

- pianosonata nr. 2 in C grote terts, D 279, september 1815

- pianosonata nr. 4  in a kleine terts,  A D 537, maart 1817, bijzonder en bij momenten raadselachtig.

- pianosonata nr. 13 in A grote terts, D 664, opus 120, zomer 1819, opgedragen aan pianiste Josephine von Koller uit Steyr in Noordoostenrijk, onbezorgde sonate.

- pianosonata nr. 14 in a kleine terts, opus 143, D 784, februari 1823,  hier en daar een diep tragisch werk

- pianosonata nr. 15 in C grote terts, D 840, bijgenaamd Relique,  vanuit de foute gedachte dat het Schuberts laatste werk was, terwijl het werk in werkelijkheid in april 1825 werd gecomponeerd. Alleen de eerste twee delen zijn volledig afgecomponeerd. Veel andere componisten/pianisten hebben voorstellen gecomponeerd ter voltooiing.

- pianosonata nr. 16 in a  kleine terts, opus 42, D 845, mei 1825, mooi en genuanceerd van opbouw. De doorwerking van het openingsdeel: een schier eindeloze stroom modulaties;

- pianosonata nr. 17 in D grote terts,D 850, opus 53, bekend als de Gasteiner, werd gecomponeerd in augustus 1825, toen Schubert verbleef in Bad Gastein.

- pianosonata nr. 18 in G grote terts, D. 894, Opus 78, 1826, bekend als de “Fantaisie”, een titel die uitgever Tobias Haslinger gaf aan het eerste deel van het werk, een vredige sonate, volgens Schumann zijn meest volmaakte in vorm en inhoud.

- pianosonate nr. 19 in c kleine terts, D 958, september 1828, de eerste van de serie van de drie laatste sonates voor piano, die Schubert schreef. Deze sonates horen bij de belangrijkste meesterwerken van de componist.

- pianosonate nr. 20 in A grote terts, opus postuum, D 959, geschreven in de laatste maanden van Schubert's leven tussen lente en herfst 1828, tien jaar na zijn dood gepubliceerd, lang genegeerd en pas in de laatste jaren van de twintigste eeuw herkend als meesterwerk. De sonate vormt een trilogie met de voorafgaande en de volgende, rijkgeschakeerd in kleur en dynamiek. Statige accoorden aan het begin, imponerende zuilen van de tempel.

- pianosonate nr. 21 in Bes grote terts, D 960, 1828, Schuberts laatste pianosonate; onheilspellende gevoelens; hèt hoogtepunt uit het pianorepertoire van Schubert.

5 fantasieën

- Fantasie in C-groot - Wanderfantasie, opus 15, D 760, 1722; Schuberts technisch meest veeleisende pianowerk. Elk van de vier delen begint met een melodie uit het lied "Der Wanderer", 1816, het tweede deel: Adagio, borduurt daar helemaal op door.

6 moments musicaux, D 780 (opus. 94) , 1824, fameus, intiem karakter, harmonische wandeltochten;

11 impromptu's

- 4 impromptu's, opus 90, D 899, 1827

- 4 impromptu's,  opus postuum 142, D 935, 1827

- Drei Klavierstücke, D 946, mei 1828, een half jaar voor Schuberts overlijden. Ze zijn opgezet als een derde set van vier impromptu's, maar het bleef bij drie. Ze zijn uitgegeven door Johannes Brahms. Weense melancholie en schwung ten top

55 (series) dansen, bij elkaar meer dan 400, al tijdens zijn leven soms verschenen in bewerkingen voor fluit of viool en gitaar   

- 12 Ländler voor piano, omstreeks 1815, D 681

- 8  Ländler in Bes grote terts voor piano, D 378, 1816; het grootste deel overgenomen van de 11  Ländler in Bes grote terts voor viool, D 374)

- 2 Ländler in Es grote terts voor piano, 1816? D 980B

- Duitse Dans met 2 Trios en 2 Ländler, D 618, 1818

- 2 Ländler in Des grote terts voor piano, fragment, vóór 1821, D 980C,

- Twaalf Duitse Dansen (Ländler), opus 171, D 790, 1823, ontroerend lief.

- Zestien Duitse dansen en twee Écossaises, opus 33, D 783, 1824;

- Zes Duitse Dansen, D 820, 1824, intieme mijmeringen vol sympathieke eenvoud

- 34 Valses Sentimentales, opus 50,  D 779, 1825

- 16 Ländler en 2 Écossaises for piano, Wiener Damen-Ländler D 734, 1826, gepubliceerd als opus 67

- 6 Ländler voor piano , compositiedatum onbekend, komen ook voor als “6 Duitse Dansen”,  D 970

- 12 Valses Nobles, Op. 77, D 969, 1827

andere stukjes

- Adagio in G grote terts, D.178, 1815

- Hongaarse melodie in b kleine terts, D 817, 1824

- Allegretto in c kleine terts, 1827, D 915

     35 (series) werken voor piano vierhandig

- Trois Marches Militaires, opus 51, D. 733, 1818 (?),  werken in marsvorm voor piano

+ marche militaire nr. 1 in D grote terts, één van Schuberts beroemdste melodieën, gearrangeerd voor alle denkbare instrumentencombinaties

- Deux Marches Caractéristiques in C grote terts, opus postuum 121, D 968B

- 4 polonaises, opus 75, D 599, 1818

- Sonata in C grote terts, Grand Duo, opus postuum 140, D 812, 1824, een tot pianosonate geperste symfonie.

- Acht variaties op een eigen thema in As grote terts, D 813, 1824, oorspronkelijk gepubliceerd als opus 35, extreem hoge kwaliteit

- 6 polonaises, opus 61, D 824, 1826

- Divertissement sur des motifs originaux français in e kleine terts,  D 823, 1827, driedelig

+ deel 1 Marche Brillante, opus 63;

+ deel 2 Andantino varié, opus 84/1

+ deel 3 Rondeau brillant, opus 84/2, ingehouden dynamiek 

- 4 fantasieën

+ Fantasia in f kleine terts, opus postuum 103, D 940, 1828, één van Schuberts belangrijkste pianocomposities, opgedragen aan zijn leerling Karoline Esterházy. Schitterend werk, intens en met soms vlijmende weemoed. Een bergbeek, inclusiefveranderingen van stroming en landschap.

- Allegro in a kleine terts voor twee piano’s, 1828, D 947, opus postuum 144, de titel ” Lebensstürme” is door de uitgever toegevoegd. 

- Rondo in A grote terts voor piano vierhandig, Grand Rondeau, 1828, opus 107, D 951, innerlijke schoonheid, één en al verrukking met parelende discantloopjes.

- Fuga in e kleine terts voor orgel of piano vierhandig, opus postuum 152, D 952, 1828.

- Introductie, vier Variaties op een eigen thema en Finale in Bes grote terts, opus postuum 82/2,  D 986A (vroeger D 603)

 

Friedrich August Kummer (Meiningen, Duitsland, 5 augustus 1797 – Dresden, 22 augustus 1879) was de zoon van hoboïst Friedrich August Kummer senior en Dorothea Wagner. In 1798 kreeg senior een baan als hoboïst aan de hofkapel in Dresden, dus verhuisde het gezin daarheen. omdat zijn vader daar als hoboïst kon gaan werken. Friedrich August junior begon ook maar met hobo, maar had meer interesse in cello en studeerde dat instrument bij Friedrich Dotzauer en Bernhard Romberg.

In 1814 werd hij hoboïst in de kapel in Dresden, omdat daar geen vacatures voor cellisten waren, maar in datzelfde jaar kon hij overstappen naar de baan van cellist van het Koninklijk Opera Huis dat in die tijd onder leiding stond van Carl Maria von Weber. In 1817 werd hij cellist in de hofkapel en in 1850 eerste cellist met als titel „Königlich-sächsischer Kammervirtuose“ als opvolger van Friedrich Dotzauer. Zelf ging hij daar in 1864 met pensioen. Vanaf de oprichting van het conservatorium in Dresden in 1856 werkte daar hij als cellodocent tot zijn dood in 1879. Hij werd op de Oudkatholieke begraafplaats begraven.

Friedrich August Kummer componeerde 400 werken

     werken voor cello en orkest, virtuoos werk

     200 entr’actes voor het hoftheater in Dresden

     kamermuziekwerken met cello

- 25 duo’s voor 2 cello’s

     werken voor cello solo

- Concertino en forme d’une scène chantante in d kleine terts, opus 73

- Violoncelloschule für den ersten Unterricht, opus 60, 1839, tot op de dag van vandaag nog populair

 

Gaetano Domenico Maria Donizetti (Bergamo, 29 november 1797 – 8 april 1848) werd geboren in het Borgo Canale (het lagere gedeelte) van Bergamo, uit een eenvoudige familie. Gaetano Donizetti kreeg een uitstekende opleiding van Johann Simon Mayr (1763-1845), kapelmeester in Bergamo. Daarna had hij in Bologna op het Liceo Filarmonico les van Mattei Stanislao. Zijn gemak van componeren was voor het hectische operabedrijf, zeker in het toenmalige Italië dat in elke provincieplaats operagezelschappen met premières kende, een geweldig voordeel. Hij werkte gedisciplineerd in een strak schema en zo haalde hij de deadlines.

Vanaf 1818 begon hij opera's te schrijven. Zijn eerste opera Enrico di Borgogna had succes in Venetië. En daarna werd hij in Italië steeds vaker uitgevoerd.

Op 1 juni 1828 trouwde Donizetti in Rome met Virginia Vaselli, een zuster van zijn beste vriend “Toto” Vaselli. Zij kregen 3 kinderen die evenwel allen vlak na of voor de geboorte zijn overleden. Een diepe crisis volgde toen hij ook zijn jonge vrouw verloor in haar derde kraambed (juli 1837).

Anna Bolena (Milaan, 1830) was de doorbraak en ook de eerste opera in zijn uitgerijpte stijl: niet langer (zoals bij Rossini) ironie en geestigheid maar Romantische passie en pijn: Anna Bolena kan men typeren als de eerste belangrijke Romantische Italiaanse opera.

L'elisir d'amore (Milaan, 1832) was het tweede uiterst succesvolle meesterwerk: de eerste belangrijke komische opera in de Romantiek. Donizetti kreeg functies in Napels  op bestuurlijk vlak en als docent harmonieleer.

In 1835  koos hij voor "Lucia di Lammermoor" als script. De première (met zeer goede solisten) was een fabuleus succes in september 1835.

In 1838 presenteerde Gaetano Donizetti zich in Parijs, waar hij van 1838 tot 1840 verbleef.

Na verschillende opera's, bracht hij voor Rossini zijn Stabat Mater in Bologna op de planken. Rossini gaf uit dank Donizetti diamanten manchetknopen cadeau en een aanbevelingsbrief aan graaf Metternich te Wenen. Voor Wenen componeerde Donizetti Linda di Chamonix (1842). Het hof in Wenen bood hem een functie aan als kapelmeester met het recht elk jaar 6 maanden in het buitenland door te brengen. Donizetti accepteerde gretig, wat hem door patriottische Italianen verweten is: in hun ogen was Oostenrijk een bezettende macht.

Terug in Parijs werd Donizetti erg ziek. Geconsulteerde artsen stelden de diagnose cerebro-spinale syfilis. Hij werd langzamerhand een schim van zichzelf. Vanaf 1845 was hij te ziek om zelfstandig naar Italië te reizen. In februari 1846 werd hij opgenomen in een kliniek in Ivry, in de nabijheid van Parijs. De Fransen hebben een tijd de wens van de familie en vrienden om Donizetti terug te laten keren naar Italië geblokkeerd. Onder Oostenrijkse politieke druk kon Donizetti op 19 september 1847 Parijs verlaten, als een dement, verlamd en incontinent wrak.

Zijn dood in het huis van vrienden in Bergamo kwam op 8 april 1848. Zijn begrafenis was de grootste die Bergamo ooit zou zien. In 1875 werd hij herbegraven naast zijn goede vriend Johann Simon Mayr in de Pazzoli kapel. Wrang detail bij de herbegrafenis was, dat een deel van zijn schedel bleek te ontbreken (uiteindelijk teruggevonden bij de lijkschouwer). Ook het nagelaten werk (met name de onvoltooide Duc d'Albe) leverde nog een luidruchtig naspel op, toen een leerling van Donizetti in 1875 met een reconstructie kwam van Il Duca d'Alba.

Gaetano Donizetti componeerde

     75 opera's:

- Il giovedì grasso (“witte donderdag”), farsa, libretto Domenico Gilardoni,  naar de Franse komedies Monsieur de Pourceaugnac van Molière en Le nouveau Pourceaugnac van Charles-Gaspard Delestre-Poirson and Eugène Scribe, 26 februari 1829.

- Elisabetta al castello di Kenilworth, melodramma serio (tragische opera) in drie bedrijven, 6 juli 1829, libretto Andrea Leone Tottola naar Victor Hugo's toneelstuk Amy Robsart, 1828 en Eugene Scribe’s toneelstuk Leicester, die allebei weer gebaseerd zijn op Scott’s roman Kenilworth uit 1821. Aria uit de derde acte van sopraan Amelia, de geliefde van de graaf van Leicester: ´Par che mi dica ancora”.

- Anna Bolena, tragedia lirica in twee bedrijven; 1830, libretto Felice Romani naar Enrico VIII ossia Anna Bolena van Ippolito Pindemonte en Anna Bolena van Alessandro Pepoli,over Hendrik de Achtste met al zijn vrouwen. In het eerste bedrijf zingt Anna (sopraan) in de derde scene met het koor de cavatina "Come, innocente giovane".

- L'elisir d'amore, opera in twee bedrijven; 1832, libretto Felice Romani. Een van Donizetti's meest uitgevoerde opera's. Liefdesverhaal tussen een arme boer, Nemorino (tenor) en rijke landeigenaresse Adina (sopraan). Vooral de ontroerende tenoraria Una furtiva lagrima groeide los van de opera uit tot een klassieker. Veel gehoord is in het eerste bedrijf het duet russen Nemrino en kwakzalver Dulcamara: "Voglio dire, lo stupendo elisir". Ook mooi het duet in de 8ste scene van het eerste bedrijf tussen Nemorino en Adina: "Esulti pur la Barbara".

- Parisina d'Este, tragedia lirica in drie bedrijven, 17 maart 1833,  libretto Felice Romani naar Byron’s gedicht Parisina uit 1816 over de geschiedenis van de historische Parisina Malatesta (de dochter van Andrea Malatesta) en Niccolò III d'Este. Een uitvoering van deze opera in Rome is achtergrond van een sleutelscene in hoofdstuk 34 van de roman de graaf van Monte Christo van Alexandre Dumas.

- Lucrezia Borgia, melodramatische opera met een proloog en twee bedrijven, libretto Felice Romani naar het toneelstuk van Victor Hugo, naar het levensverhaal van de onwettige dochter van paus Alexander VI, 26 december 1833. Indrukwekkende aria's van Lucrezia (sopraan) aan het begin "Com'è bello", als ze haar inmiddels volwassen geworden, te vondeling gelegde zoon Gennaro voor het eerst ziet, en aan het eind de cavatina "Era desso il figlio mio", wanneer hij sterft.

- Rosmonda d'Inghilterra (Rosamund van England) melodramma in twee bedrijven, libretto Felice Romani, gebaseerd op de legende van Rosamund Clifford, de minnares van koning Henry II, 27 februari 1834. Acte 1 scene 5: zingt Rosmonda haar liefdesverdriet uit in de aria’s: Ancor non giunse… Perche non ho del vento… Torna, torna or caro oggetto.

- Maria Stuarda, opera in 2 aktes, 1834, libretto Giuseppe Bardari, naar het drama "Maria Stuart" van Friedrich von Schiller. Hoofdpersonen zijn de sopranen en tegenpolen koninginnen Elisabeth I en Maria Stuart. Mooi duet in de tweede scene van de tweede akte, als Giorgio Talbot, Earl of Shrewsbury (bas) Mary Stuart (sopraan) haar doodvonnis komt aanzeggen: Quando di luce rosea, il giorno a me splendea (bij hij opkomen van de zon, zag mijn leven er nog sprankelend uit). In de derde scene van de tweede acte zingt Mary Stuart met het koor een slotgebed: "Deh! Tu di un'umile pregheira". Spannende opera.

- Lucia di Lammermoor, dramma tragico, in drie bedrijven. libretto Salvatore Cammarano naar de historische roman The Bride of Lammermoor van Walter Scott; 1835. Over ontembare hartocht. Lucia wordt geconfronteerd met een verboden liefde: haar minnaae Edgardo (tenor) is de aartsvijand van haar broer Enrico (bas), een bloedvete en een gedwongen huwelijk. Dan moet je wel prooi worden van waanzin. Beroemd geworden uit deze opera is de "waanzinaria" in de tweede scene van het derde bedrijf: Il dolce suono mi colpì di sua voce! … Spargi d'amaro pianto.

- Il campanello di notte (de nachtbel), melodramma giocoso (vrolijke opera) in één bedrijf, 1 juni 1836, ibretto van de componist zelf naar Mathieu-Barthélemy Troin Brunswick en  Victor Lhérie’s vaudeville (populair muziektheater) La sonnette de nuit.

- Roberto Devereux, ossia Il conte di Essex, (Roberto Devereux, ofwel de Earl van Essex) tragedia lirica, (tragische opera dus), in drie bedrijven, libretto Salvadore Cammarano naar François Ancelot's treurspel Elisabeth d'Angleterre; 29 oktober 1837; de opera gaat over het leven van Roberto Devereux, Earl van Essex (tenor), een invloedrijk lid van het hof van koningin Elizabeth I van Engeland (sopraan). In scene 6 van het derde bedrijf zingt Elizabeth met het koor: E sara in questi orribili momenti.

- Poliuto, tragedia lirica, libretto Salvadore Cammarano, 1838, gebaseerd op Pierre Corneille's toneelstuk Polyeucte uit 1642. Het geeft het leven weer van de vroege Christelijke martelaar Sint Polyeuctus. De uitvoering werd door Koning Ferdinand II verboden, hij wilde geen Christelijke martelaars op het podium zien. Boos ging Donizetti toe naar Parijs, waar hij de opera herschreef als Les Martyrs, met een nieuw libretto van Eugene Scribe maar met behoud van 80% van de muziek. Zie voor het verhaal dus bij Les Martyrs, 1840. De oorspronkelijk opera is wel heel mooi verbeeld op DVD door het Glyndebourne Chorus en het Londoin Philharmonic Orchestra onder leiding van Enrique Mazzola, regie Marrianne Clément. Opus Arte OA1211D 

- Maria de Rudenz, dramma tragico in drie bedrijven, 30 januari 1838 libretto Salvadore Cammarano, gebaseerd op het verhaal La nonne sanglante van Auguste Anicet-Bourgeois en Julien de Mallian en , The Monk van Matthew Gregory Lewis. Een vrij ingewikkeld verhaal over twee vijandige broersen een heldin die vastbesloten is de minnaar die haar verliet en zijn nieuwe bruid te doden. Daarbij sterft ze twee keer.

- Gianni di Parigi, melodramma comico (opera buffa) in twee bedrijven, 1839, libretto Felice Romani, a eerder gebruikmt door andere operacomponisten, naar Jean de Paris, een opera uit 1812 van François-Adrien Boïeldieu op een libretto van Claude Godard d'Aucourt de Saint-Just

- Le duc d'Albe opera in drie bedrijven, 1839, Frans libretto van Eugène Scribe and Charles Duveyrier, bedoeld voor de Parijs Opéra. Omdat Rosine Stoltz, maîtresse van de directeur en hoofdrolspeler, de rol van Hélène niet leuk vond, legde Donizetti het werk half afgemaakt weg. 34 jaar na zijn dood maakte zijn leerling Matteo Salvi de opera af in een Italiaanse vertaling van Angelo Zanardini en als Il duca d'Alba werd de opera op 22 March 1882 in Rome voor het eerst uitgevoerd. De eertse uitvoering in Frankrijk was in mei 2012.

Hertog Alva (bariton) de bloedige afgezant van koning Philips, regeert over Vlaanderen met een ijzeren vuist. Hij heeft de graaf van Egmond laten onthoofden en Hélène, Egmonds dochter (sopraan) zweert wraak. Haar geliefde Henri de Bruges (tenor) blijkt in werkelijkheid de zoon van Alva te zijn, en als Hélène de tiran wil vermoorden, werpt hij zich tussenbeide. Henri dood, Hélène verbouwereerd en de naar Lissabon vertrekkende Alva wanhopig van verdriet. Einde opera.

- La fille du régiment (De dochter van het Regiment), opéra comique in twee bedrijven, libretto Jules-Henri Vernoy de Saint-Georges en Jean-François Bayard, 11 februari 1840, zijn eerste opera op een Franse tekst. Hoofdrol is voor Marie (coloratuursopraan) marketentster in het leger;

- Les Martyrs (De martelaren) grand opera in vier bedrijven, libretto Eugene Scribe, 10 April 1840, gebaseerd op het libretto van Salvadore Cammarano voor Donizetti’s opera Poliuto uit 1838, die nooit werd uitgevoerd, omdat Koning Ferdinand II geen Christelijke martelaars op het podium wilde zien. Het libretto was weer gebaseerd gebaseerd op Pierre Corneille's toneelstuk Polyeucte uit 1642. Het geeft het leven weer van de vroege Christelijke martelaar Sint Polyeuctus. een hartverscheurend verhaal.

Hoofdrollen: Polyeucte (tenor, een Romeinse bestuurder, bekeerd tot het Chistendom, zijn vrouw Pauline (sopraan), die als een leeuwin vecht voor het leven van haar echtgenoot. Sévère (bariton), Remeinse proconsul en doodgewaande eerdere geliefde van Pauline heeft ook een indrukwekkende rol. Polyeucte zingt in de eerste scene van het derde bedrijf de aria "Oui, j'irai dans leurs temples! Bientôt tu m'y verras" (Ja, ik ga naar hun tempels, je zult me daar gauw zien!) met een lange hoge E. Pauline zingt breekbaar: "Qu'ici ta main glacée" en hartverscheurend “Dieux immortels, témoins de mes justes alarmes / Je confie à vous seuls mes tourments et mes larmes" (onsterfelijke goden, getuigen van mijn hoop en vrees/ aan jullie aleen vertrouw ik mijn ellende en tranen), aan het begin van de derde acte voor haar ontmoeting met Sévère.

- La favorite, grand opera in vier bedrijven, libretto Alphonse Royer en Gustave Vaëz, gebaseerd op het toneelstuk Le comte de Comminges van Baculard d'Arnaud, 2 december 1840. Het verhaal omvat een driehoeksverhouding waarbij de Koning van  Castilië, Alfonso XI (bariton), zijn minnares (de “favoriete”) Leonora (mezzosopraan), en de hevig op haar verliefde edelman Fernando (tenor) bij betrokken zijn. In het eerste bedrijf zingt verliefde edelman Fernando (tenor) met als tegenspeler kloosteroverste Balthassar (bas) de cavatine "Un ange, une femme inconnue". In het derde bedrijf, scene 4 is de Air de Leonore: “O mon Fernand” een hoogtepunt.

- Linda di Chamounix, Melodramma in tre atti, Opera semiseria in drie bedrijven, libretto Gaetano Rossi, 1842. Het verhaal speelt zich omstreeks 1760 in Savoye en Parijs af. Hoofdpersone Linda (sopraan), een knap boerenmeisje zingt al in het begin verfijnd en fris O luce di quest anima over haar geheime liefde voor de burggraaf van Sirval, Karel II.

- Don Pasquale, opera buffa in drie aktes, libretto Giovanni Ruffini en de componist naar Angelo Anelli's libretto voor Stefano Pavesi's Ser Marc'Antonio, 1843. Hoofdpersonen zijn de jonge weduwe Norina (sopraan) en haar aanbidder Ernesto (tenor)

- Dom Sébastien, Roi de Portugal (Don Sebastiaan, Koning van Portugal), grand opera in vijf bedrijven, libretto Eugène Scribe, 13 november 1843, gebaseerd op Paul Foucher’s toneelstuk Don Sébastien de Portugal uit 1838. De laatste opera die Donizetti componeerde, voor hij ziek werd tengevolge van syfilis.

     3 oratoria

     28 cantates

- Aristea, azione pastorale (dus eigenlijk een mini-opera), libretto Giovanni Schmidt, voor drie vrouwenstemmen, drie mannenstemmen, koor en orkest, 30 mei 1823, geschreven voor de verjaardag van Ferdinand, koning van Sicilië; heerlijk niemendalletje met wonderschoon duet (nr. 4) voor de twee sopraanrollen Filinto en Chloe: “La bell’alma che nel petto”

     16 symfonieën

     9 soloconcerten

     5 werken voor harmonieorkest

     19 strijkkwartetten

     12 kamermuziekwerken

     193 liederen

- La mère et l’enfant, tekst A. Richomme, 1830, schrijnend minidrama.

     45 duetten

     22 werken voor piano solo

 

Engelbert Aigner (Wenen, Oostenrijk, 3 februari 1798  - 27 augustus 1866) woonde in Wenen in de  Landstraßer Hauptstraße op nummer 34.  Engelbert Aigner was leerling van Abbé Stadler. Tot 1837 was Engelbert Aigner balletdirigent van de hofopera.

Engelbert Aigner componeerde

     4 opera’s

     balletten

     1 mis

     1 requiem.

     motetten

     5 fluitkwartetten

- kwartet nr. 2 in Es grote terts, 1822

 

Johann Heinrich Lübeck (Alphen bij Wezel, Pruisen, Duitsland, 11 februari 1799 - Den Haag, 1 januari 1865) was de zoon van Jean Henri (Johann Heinrich) Lubeck, overleden vóór 1838, en Christine Steinhardt, afkomstig uit Wezel. Johann Heinrich Lübeck kreeg vioolles in de vioolschool van Spohr en Maurer en ontwikkelde zich tot een vioolvirtuoos. Hij was enige tijd als orkest-directeur te Dantzig en Koningsbergen werkzaam. In 1823 vestigde hij zich in Amsterdam waar hij als concertmeester en leraar een uitstekende naam verwierf. Toen op initiatief van koning Willem I in Den Haag de Koninklijke Muziekschool in 1827 werd opgericht, werd Johann Heinrich Lübeck daar als directeur benoemd en als dirigent van de Hofkapel en van alle andere belangrijke Haagse orkesten en koren. Hij bekleedde die functies tot zijn dood. Hij gaf onder andere pianoles en muzikale vorming aan Louise van Oranje Nassau (1828-1871). Johann Heinrich Lübeck was getrouwd met Maria Wilhelmina Seiffert, geboren Potsdam, overleden in Den Haag op 20 maart 1876. Hij had twee zonen: Louis en Ernst. In 1842 kreeg hij een ridderorde.

Johann Heinrich Lübeck componeerde

     concerten

     koorwerken met begeleiding van instrumenten

     kamermuziekwerken

- Hommage aux Amateurs du violon, drie driedelige duetten.

 

Jacques Fromental Halévy (Parijs, 27 mei 1799 ‒ Nice, 17 maart 1862) was de zoon van een zanger, Elie Halfon Halévy, secretaris van de Joodse gemeenschap in Parijs. Op 10-jarige leeftijd werd hij leerling van Luigi Cherubini aan het Conservatoire national supérieur de musique van Parijs. In 1827 werd voor het eerst in Parijs een werk van hem uitgevoerd: de opéra-comique L'artisan en werd hij benoemd tot leraar aan het conservatorium van Parijs. In 1836 werd hij gekozen tot lid van het Institut de France.

Halévy stierf teruggetrokken in Nice. Zijn laatste onvoltooide opera, Noé, werd afgemaakt door zijn voormalige leerling en schoonzoon Georges Bizet, die met zijn dochter Genevieve trouwde in 1869.  

Halévy’s twintig jaar jongere vrouw bloeide helemaal op na zijn dood en werd een begaafde beeldhouwster.

Fromental Halévy componeerde

     40 opera’s

- La juive, 1835, libretto van Eugène Scribe, een van de grootste grand opéra’s.

- Clari, opera semiseria in drie bedrijven, libretto Pietro Giannone,gebaseerd op een populaire roman, 19 december 1828.8.0pt; margin-left: 36.0pt; margin-top: 0; margin-bottom: 0">      5 werken voor zangstem(men) (en orgel)

     15 liederen voor zangstem en piano

     1 orkestouverture

     1 werk voor harmonieorkest

     3 werken voor piano

 

Lorenzo Weckbacher (???, 18de eeuw) was ooit kapelmeester van de de Koning van Pruisen.

In de bibliotheek van het Koninklijk Conservatorium Antwerpen is omstreeks 2010 een achttiende-eeuwse bundel manuscripten (370 pagina’s) gevonden, met fraaie kaft, en 16 composities van ene Lorenzo Weckbacher, die in de partituur geïdentificeerd wordt als ‘maître de chapelle de sa Majesté le Roi de Prusse’.

In de Fürst zu Bentheim-Tecklenburgische Musikbibliothek Rheda ligt nog één onvoltooid kwartet onder zijn naam. Verder weten we dus niets van hem af. Dus als er nog een siemand op een musicologische ontdekkingtocht wil gaan…

Lorenzo Weckbacher componeerde

     3 concerto’s

     2 orkestouvertures,

     8 kwartetten voor concerterend klavecimbel, twee violen en cello

     3 kwintetten