Componisten

vanaf 1800

 

Joseph Nowakowski (Mniszek, bij Radom, Polen, 16 september 1800 – Warschau, 27 augustus 1865) leerde muziektheorie, piano, hoorn en trombone op de Cisterciënzer school in Wąchock. Hij zong ook in de kapel van Wąchock en die van Radom en had lessen in Ciepielów, in de buurt van Opatów, het landgoed van Joachim Karczewski. Aan het conservatorium van Warschau studeerde hij van 1821 tot 1826 compositie bij Elsner en piano bij Wilhelm Würfel en werd bevriend met Frederic Chopin. In 1833 maakte hij een concertreis door Duitsland, Frankrijk en Italië, en werd hij in Parijs benoemd tot lid van Société Académique des Enfants d’Apollon. Joseph Nowakowski ging in Warschau wonen, waar hij privé pianolessen gaf en doceerde aan het Aleksandryjski Institute voor jongedames van 1840 tot 1844 en aan het Muziekinstituut van 1861 tot 1864. In 1860 werd hij lid van de Muziekvereniging Lemberg.

Joseph Nowakowski componeerde

     7 orkestwerken

     3 kamermuziekwerken

- pianokwintet, opus 10, 1833

- pianokwintet, opus 17, 1857

     1 koorwerk

     liederen

     pianowerken

- 12 etudes, opus 25, opgedragen aan Frederic Chopin

- polonaises

- quadrille

- ballades

- 60 mazurka's

- methode voor piano, 1847, gereviseerd in 1850

 

August Eduard Grell (Berlijn, 6 november 1800 – Steglitz, 10 augustus 1886 werd op Poststraβe 12, dichtbij de Nicolaikerk in Berlijn geboren. Zijn vader was geheimschrijver van de koning en een kundig organist van de Parochiekerk. Na les van zijn vader kreeg Eduard Grell les van Karl Kaufmann en Karl Nikolaus Türrschmiedt.

Op 16-jarige leeftijd nam Eduard Grell het muziekdirectie werk over aan de Nicolaikerk van zijn overleden orgelleraar Johann Georg Gottlieb Lehmann. Daarnaast bleef hij viool studeren en bezocht het Gymnasium zum Grauen Kloster. Eduard Grell studeerde compositie bij Carl Friedrich Zelter en Carl Friedrich Rungenhagen en na 1817, toen hij de school had afgemaakt bij  Michael Gotthardt Fischer in Erfurt.

Von 1841 bis 1886 war er doceerde hij muziek aan de Preußischen Akademie der Künste in Berlijn. In maart 1853 wird hij daar directeur van de Zangacademie. Daarnaast was hij Koninklijk Hof-Dom-organist.

Eduard Grell heeft zich stevig ingezet voor het opnieuw uitvoeren van „oude“ muziek: a cappella werken van Palestrina, oratoria van George Frederic Handel in originele bezetting. 17 december 1857 zorgde hij voor de eerste heropvoering van het Weihnachtsoratorium ná Johann Sebastian Bachs dood.

Eduard Grell is begraven op het Friedrichswerderschen kerkhof in Berlijn

Eduard Grell componeerde

     talloze koorwerken a cappella

Gnädig und barmherzig voor mannenkoor, achtstimmig

mis, 16-stemmig, in de stijl van Palestrina, 1861

     6 zangspelen,

     talloze cantates,

     4 oratoria

     1 opera

     3 symfonieën

     3 strijkkwartetten

     1 pianotrio

     1 cellosonate

     werken voor piano

     orgelwerken

 

Sir John Goss (Fareham, 27 december 1800 – Brixton, Zuid-Londen, 10 mei 1880) was de zoon van Joseph Goss, organist van de Fareham Parish Church in Hampshire.

Op 11-jarige leeftijd werd John Goss koorknaap in de Chapel Royal, Londen. Toen zijn stem brak in 1816 werd hij leerling van Thomas Attwood, organist van de St Paul's Cathedral. Hij leerde van hem orgel spelen, compositie en orkestratie. Na een korte periode als koorlid in een operagezelschap werd John Gossin 1821 organist in de Stockwell Chapel (later bekend als St. Andrew’s kerk), in zuid Londen. Dat jaar trouwde hij ook. In 1825 werd hij benoemd als organist van St Luke's in Chelsea en in 1838 van de St Paul's Cathedral

Van 1827 tot 1874 was John Goss professor harmonieleer aan de Royal Academy of Music. Hij gaf ook les aan de St Paul’s. Zijn bekendste leerling aan de St Paul’s was John Stainer, die hem daar als organist opvolgde. In 1870 ging John Goss’ gezondheidsterk achteruit. In 1872 besloot hij zijn positie als organist op te geven en door te geven aan zijn leerling John Stainer. Hij stierf thuis in Brixton, zuid Londen op de leeftijd van 79 jaar. Hij werd begraven op Kensal Green cemetery.

John Goss componeerde

     6 liederen voor meer stemmen

     1 madrigaal

     45 anthems

- Have mercy upon me, O God, 1833

- Praise my Soul, the King of Heaven

- See, Amid the Winter's Snow.

- O Saviour of the World, 1869

     1 requiem

     1 Magnificat en Nunc Dimittis

     2 Te Deums

     6 Services

     1 Begrafenisservice

     2 ouvertures,

     1 theatermuziekwerk

 

Johannes Bernardus van Bree (Amsterdam, 29 januari 1801 – Amsterdam, 14 februari 1857) kreeg zijn eerste vioollessen van zijn vader Frans van Bree en leerde zihzelf pianospelen. Rond 1812 vertrok het gezin naar Leeuwarden, waar vader Van Bree een betrekking als muziekmeester had aangenomen. De functie van "muziekmeester" bestond uit het geven van muziek- en dansles en stemmen van piano's. Johannes Bernardus hielp zijn vader als pianostemmer en begeleider van danslessen. Rond 1815 werd hij door baron C. E. Collot d’Escury aangesteld als muziekleraar van zijn kinderen bij hem thuis te Minnertsga bij Franeker.

In 1820 keerde Johannes Van Bree terug naar Amsterdam, waar hij viool- en pianolessen ging geven en optrad als virtuoos vioolsolist. Intussen kreeg hij theorieles van Johan George Bertelman. Hij werd violist in het orkest van de Fransche Schouwburg; korte tijd later in dat van Felix Meritis, waar hij al gauw optrad als plaatsvervangend concertmeester en als solist.

In 1827 trouwde hij met Anna Maria Maaskamp, die 13 weken later stierf. In 1831 hertrouwde hij met Johanna Catharina Uitenbroek.

In 1830 werd Johannes van Bree directeur van Felix Meritis, de belangrijkste concertinstelling van het land. Zodoende werd hij de dominerende figuur in het Amsterdamse muziekleven. In 1838 formeerde hij een strijkkwartet onder de naam "Amsterdamsche Quartetvereeniging". Zelf speelde hij eerste viool.  In 1840 werd Van Bree dirigent van de stadsschouwburg, maar een jaar later werd de Nationale Opera opgeheven en legde hij zijn functie weer neer.

Samen met enkele anderen had hij toen echter de Maatschappij Caecilia opgericht (januari 1841), een beroepsorkest dat tweemaal per jaar een zorgvuldig voorbereid concert gaf, dat als hoogtepunt van het Nederlandse muziekleven werd gezien. Ook was hij dirigent van verschillende koren, waaronder het koor van de Mozes en Aäronkerk, destijds het beste koor van Amsterdam.

In 1848 leidde Van Bree de eerste complete uitvoering van de negende symfonie van Ludwig van Beethoven bij Felix Meritis, in 1853 was het de beurt aan de Missa Solemnis in de Mozes- en Aäronkerk. Hij leidde tevens de eerste uitvoeringen in Nederland van de Symphonie fantastique van Hector Berlioz (1855) en de Faust-ouverture van Richard Wagner (1856).

In 1853 werd hij directeur van de muziekschool van Toonkunst en gaf hij daar theorie, viool, piano en zang. Hij had herhaaldelijk met gezondheidsproblemen te kampen, en in het najaar van 1856 moest hij al zijn werkzaamheden staken. Richard Hol volgde hem op bij Toonkunst, Bunte bij Caecilia, J.M. Coenen bij Felix Meritis, H.J.J. van Bree bij het Mozes- en Aäronkoor, en Frans Coenen in de Amsterdamsche Quartetvereeniging.

In 1842 werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw.

Johannes van Bree componeerde 200 werken, waaronder

     2 opera’s

- Saffo, 1834

- Le Bandit, 1835,

     2 zangspelen

- Neem u in acht, 1826

     1 ballet

     16 orkestwerken

     1 werk voor harmonieorkest

     4 werken voor solisten, koor en orkest

     5 missen  en 1 Requiem voor koor en orgel

     7 kamermuziekwerken

- Allegro voor 4 strijkkwartetten in d kleine terts, 1845

     patriottische liederen, 1830, tijdens de Belgische Opstand; het leverde hem de titel “nationaal componist” op.

     5 (series) pianowerken

     Six Walses  pour la Guitarre, 1818, 6 walsen voor gitaar, in een Schotse stijl in 2/4 maat.

 

Adolf Fredrik Lindblad (1 februari 1801, Skänninge, Zweden – 23 augustus 1878, Linköping) was de onwettige zoon van Martha Helena Friberg, de 17jarige dochter van de herbergier van de herberg op het centrale plein van Skänninge. Hij werd toevertrouwd aan de zorg van koopman Carl Jacob Lindblad, een aangetrouwde oom van zijn moeder. Hij kreeg de achternaam van zijn ”stiefvader”.

Adolf Fredrik Lindblad studeerde muziek bij J.C.F. Haeffner aan de Universiteit van Uppsala. Hij trouwde met Sophie Kernell. Van 1827 tot 1861 gaf Adolf Fredrik Lindblad les aan een muziekschool in Stockholm. Hij gaf onder mee les aan de latere koning Oscar I en diens kinderen.

Adolf Fredrik Lindblad was de mentor en de minnaar van Jenny Lind, "De Zweedse Nachtegaal”. Zijn genegenheid voor Jenny Lind was zo overduidelijk, dat zijn vrouw, Sophie, aanbood van hem te scheiden, zodat hij met Jenny kon trouwen. Adolf  Fredrik Lindblad deed het niet.

Adolf Fredrik Lindblad componeerde

     215 liederen voor solozang en piano

- En sommarafton (een zomeravond)

- Svanvits sång (de zwanenzang), op tekst van Per Daniel Amadeus Atterbom, 1822

- Der schlummernde Amor (de sluimerende liefde)

     duetten, trio’s en kwartetten voor zangstemmen

     1 opera

     orkestwerken

     kamermuziekwerken

 

Jan Křtitel Václav Kalivoda (Johann Baptist Wenzel Kalliwoda) (Praag, Tsjechië, toen Bohemen, 21 februari 1801 - Karlsruhe, Duitsland, 3 december 1866) was de zoon van Anton Kalivoda uit Moravië (nu Tsjechië) en Theresia Kolni uit Hongarije. In 1811, 10 jaar oud, ging hij naar het pas opgerichte Praags conservatorium, waar hij viool bij Bedrich Vilem Pixis en muziektheorie en compositie bij Bedřich Dionýsius Weber (1766-1824) studeerde. Op 14-jarige leeftijd maakte hij zijn debuut als vioolsolist. In 1816 verliet hij het conservatorium met een prachtig getuigschrift, waarmee hij direct werd aangenomen als violist bij het Stavoshe Theater orkester, van de Opera van Praag, dat onder leiding stond van Carl Maria von Weber.

In 1821 trouwde hij met zangeres Therese Brunetti (1803-1892); zij kregen acht kinderen.

Concertreizen brachten hem 1821 en 1822 naar Linz en München.

In 1822 werd hij als opvolger van Conradin Kreutzer hofkapelmeester, vioolsolist, dirigent van de hofopera en leraar van de kinderen bij vorst Karel Egon II van Fürstenberg en zijn zonen in Donaueschingen. Onder zijn leiding ontwikkelde het orkest een hoog spel- en uitvoeringsniveau. Uit dankbaarheid kreeg hij van zijn werkgever een Stradivarius cadeau en mocht hij vaak concertreizen door Europa maken.

In 1866 ging Jan Václav Kalivoda met pensioen. Hij vertrok naar Karlsruhe en overleed daar korte tijd daarna aan het gevolg van hartklachten. In Karlsruhe bevindt zich aan het woonhuis Amalienstraße 39, waar hij het laatst woonde, een gedenksteen. In de kasteeltuin van slot Donaueschingen liet de Heer van Fürstenberg een gedenkteken oprichten.

Zijn zoon Wilhelm Kalliwoda (1827-1893) werd ook componist en was kapelmeester aan het hof van de Groothertog van Baden in Karlsruhe.

Jan Václav Kalivoda componeerde 500 werken, waaronder

     3 opera's

     2 theatermuziekwerken

     11 missen

     7 requiems

     6 Te Deums

     20 kerkliederen voor diverse bezettingen

     15 feestcantates, hymnes en Nieuwjaarsliederen

     7 symfonieën

- Symfonie nr. 1 in f kleine terts, opus 7, 1824. Het thema van het derde deel: Menuet,  duikt later prominent op in het Scherzo van de vierde symfonie van Robert Schumann

     24 orkestouvertures

     40 concerten

- Concertino voor viool en orkest nr. 1 in E grote terts, opus 15, 1829 

- Introductie en variaties  voor klarinet en orkest in Bes grote terts, opus 128, 1844 

     8 andere orkestwerken

     4 (series) werken voor harmonieorkest

     60 koorwerken,

     100 (series) kamermuziekwerken

     150 liederen

     3 (series) werken voorpiano vierhandig

     100 (series) werken voor piano solo en harmonium

 

Gustav Albert Lortzing (Berlijn, 23 oktober 1801 – 21 januari 1851) was de zoon van leerhandelaar Johann Gottlieb Lortzing en Charlotte Sophie. Zij richtten het Berlijnse Theatergezelschap Urania op en maakten van hun hobby hun beroep. Ze deden de zaak aan de kant en trokken als acteurs heel Duitsland door.

Vanaf  zijn twaalfde jaar trad Albert ook mee op. Ondertussen studeerde hij compositie bij de direkteur van de Sing-Akademie: Carl Friedrich Rungenhagen

30 januari 1824 trouwde Albert Lortzing met de actrice Rosina Regina Ahles. Ze kregen elf kinderen. Vanaf herfst 1826 hoorde het jonge echtpaar bij het Hoftheater in Detmold. In 1826 werd Albert Lortzing lid van de vrijmetselaarsloge Zur Beständigkeit und Eintracht in Aken

Op 3 november 1833 gaven de jonge  Lortzings hun eerste optreden in het Leipziger Stadttheater  Albert Lortzing werd in Leipzig lid van de kunstclub Tunnel über der Pleisse en sloot zich in 1834 saan bij de Leipziger vrijmetselaarsloge Balduin zur Linde.

In 1844 werd Lortzing Kapellmeister aan het Stadttheater Leipzig.

Tussen  1845 und 1847 werkte Lortzing als Kapellmeister aan het Theater an der Wien. In 1848 raakte hij zijn betrekking kwijt en moest, om zijn met zijn grote gezin te overleven weer als acteur aan het werk. In 1850 werd hij in Berlijn Kapellmeister aan het nieuwe Friedrich-Wilhelmstädtischen Theater.

Op 21 januari 1851 overleed Albert Lortzing, overwerkt en onder de geldschulden. In de dierentuin van Berlijn is na zijn dood een standbeeld voor hem opgericht.

Gustav Albert Lortzing componeerde

     14 opera’s

- Zar und Zimmermann, 1837

- Regina, opera in drie bedrijven, libretto van de componist, 1848, maar pas  21 maart 1899 voor het eerst opgevoerd. Het verhaal speelt zich af in een fabriek. Stakingen en romantische ontwikkelingen met een ontvoerde verloofde en haar bevrijding. Hoofdpersonen: Regina (sopraan), dochter van de Simon (bas) , de fabriekseigenaar. Stefan (bariton), werkbaas, onweerstaanbare slechterik, Richard (tenor), werkinspecteur, de verliefde romaticus; mooie grande finale "Jauchtzet den Stunden des Festes entgegen".

     1 oratorium

 

Vincenzo Salvatore Carmelo Francesco Bellini (Catania, 3 november 1801  ̶  Puteaux, 23 september 1835) studeerde compositie aan het conservatorium van Napels bij Nicola Antonio Zingarelli.

In 1827 ging zijn derde opera Il Pirata in première in het Teatro alla Scala te Milaan.

In 1829 volgde de vijfde opera La Straniera, ook in het Teatro alla Scala: Ook deze opera kende nog tijdens Bellini's leven uitvoeringen in Londen, Parijs en New York. Nauwelijks een jaar later ging zijn zesde opera in première, ditmaal in Venetië: I Capuleti e i Montecchi

Vincenzo Bellini stierf op jonge leeftijd onder raadselachtige omstandigheden, wellicht aan een dysenterie in een villa in Puteaux, eigendom van de heer Levy, een welgestelde en gehuwde Joodse handelaar uit Londen, die er de tijd met zijn Franse maitresse, juffrouw Olivier, doorbracht. De componist werd begraven op begraafplaats Père Lachaise te Parijs. Zijn overblijfselen zijn verplaatst naar de kathedraal van Catania in 1876. Het Museo Belliniano, gevestigd in Palazzo Gravina Cruyllas in Catania, bewaart herinneringen en partituren.

Er is een film door Carmine Gallone over het leven van Bellini “verzonnen”: Dvd Casta Diva, Berl Canto Society D0410, 1954

Vincenzo Bellini componeerde

     10 opera’s

- Adelson e Salvini, opera semi-seria in drie bedrijven, libretto Andrea Leone Tottola, gebaseerd op de roman uit 1772 Épreuves du Sentiment van François-Thomas-Marie de Baculard d'Arnaud, 1825, Bellini’s eerste opera, nog met gesproken dialogen.  In de eerste acte is “Dopo l'oscuro nembo” een onwaarschijnlijk mooie aria van sopraan Nelly, een jonge wees en de verloofde van Lord Adelson (bariton). De vriend van Adelson: Salvini (tenor) is hevig verliefd op Nelly, terwijl de jonge Ierse vrouw Fanny (alt) weer een behoorlijk oogje heeft op Salvini. Dat kan dus niet goed gaan. Gelukkig is er ook nog een buffo-bas: Bonifcio, de knecht van Salvini, om de humor er een beetje in te houden. 

- Il Pirata, 1827. Libretto van Felice Romani, gebaseerd op een toneelstuk van de Ierse schrijver R.C. Maturin: Bertram, The Castle of St. Aldobrando. één van Bellini's mooiste opera's. Sterke laatste scène. Tweede acte begint met een prachtig openingskoor: Che rechi tu.

- La Straniera, 1829. Libretto van Felice Romani naar Vicomte d'Arlincourts roman L'Étrangère.

- I Capuleti e i Montecchi, 1830. Libretto van Felice Romani naar een eerste versie van het Romeo en Julia-verhaal geschreven voor een andere componist: Vaccai.

- La sonnambula, (De slaapwandelaarster), opera semiseria in twee bedrijven, libretto  Felice Romani, naar een ballet-pantomime door Eugène Scribe,  6 maart 1831.  De titelrol van hoofdrolspeelster Amina (sopraan) is berucht vanwege zijn moeilijkheid

- Norma, december 1831. Libretto van Felice Romani naar de gelijknamige tragedie van L.A. Soumet, de meest gespeelde van Bellini’s werken. De beroemde aria "Casta Diva" is een hoogtepunt van deze liefdesopera over de Gallische priesteres Norma (sopraan). De titelheldin heeft een verhouding met en twee kinderen bij de Romeinse bevelhebber Pollione (tenor). Een reden voor haar om te proberen de vrede te bewaren. Pollione ruilt haar echter in voor haar jongere collega Adalgisa (sopraan).

- Beatrice Di Tenda, 1833. Libretto van Felice Romani.

- I puritani, januari 1835. Libretto van Graaf Pepoli.

Het verhaal speelt tijdens de burgeroorlog in Engeland. De opera bevat ongeëvenaard mooie delen. Hoofdpersoon is Elvira (sopraan).

     36 religieuze werken voor zangstem(men) en orkest

     1 cantate

- Torna, vezzosa Fille, voor tenor en orkest

     7 sinfonia’s

     1 hoboconcert

     8 aria’s

     18 liederen of liedbundels

     6 werken voor pianoforte

     1 sonate voor orgel

 

Charles Auguste de Bériot (Leuven, 20 februari 1802 – Brussel, 8 april 1870) verhuisde in 1810 naar Frankrijk, waar hij viool studeerde bij Jean-François Tiby. Hij kreeg een betrekking als kamerviolist  bij koning Karel X van Frankrijk en bij Koning Willem I van Nederland. Charles August de Bériot speelde even goed viool als piano en toerde de hele wereld rond om concerten te geven tot aan China toe.

Charles Auguste de Bériot  leefde een tijdlang samen met operazangeres Maria Malibran. Hun zoon Charles-Wilfrid de Bériot (1833 geboren) werd een bekende pianoleraar. In 1836 toen Maria Malibran eindelijk toestemming kreeg haar vorige huwelijk te beëindigen, trouwden ze. Felix Mendelssohn schreef een aria als huwelijkscadeau. In datzelfde jaar viel Maria Malibran van een paard en overleed aan de verwondingen.

In 1841 hertrouwde Auguste de Bériot met de Oostenrijkse  pianiste Marie Huber. Vanaf  1843 was Auguste de Bériot hoofddocent viool aan het Brussels conservatorium waar hij de Belgische vioolschool vorm gaf. Hij overleed blind in 1870 en werd begraven op de begraafplaats van Laken.  Bekende leerlingen van hem waren Hubert Léonard, Henri Vieuxtemps en Heinrich Wilhelm Ernst. In Leuven is een straat naam hem vernoemd.

Charles Auguste de Bériot componeerde

     10 vioolconcerten

     andere werken voor viool en orkest

“Scene de Ballet”, opus 100

     werken voor viool solo.

     kamermuziek

     pianowerken

 

Charles Louis Hanssens (Charles Hanssens "le jeune") (Gent, België, 12 juli 1802 - Brussel, 8 april 1871) was de zoon van Joseph Hanssens, dirigent van de Opera van Gent en de neef van Charles Louis Joseph Hanssens (Charles Hanssens "l'ainé"), dirigent van de Brusselse Munt. Omstreeks 1812 werd Joseph Hanssens benoemd tot dirigent van het operagezelschap in Amsterdam en verhuisde het gezin daarheen. De jonge Charles kreeg muziekonderwijs van zijn vader en speelde als tienjarige al cello in het opera-orkest. Toen Joseph Hanssens in 1816 overleed was Charles op zichzelf aangewezen. Componeren leerde hij uit de leerboeken van Antonín Rejcha.

In 1821, op negentienjarige leeftijd, trouwde hij met de Amsterdamse Jacqueline de Vries. Het echtpaar kreeg vijf kinderen, van wie er vier jong stierven. In 1825 kreeg hij een conflict met de Amsterdamse opera over het honorarium voor zijn opera-ballet La fête du temple. Hij vertrok naar de Muntschouwburg in Brussel om er solocellist te worden bij zijn oom, Charles Hanssens "l'ainé". In 1828 werd hij benoemd tot docent harmonieleer en compositie aan de Koninklijke Muziekschool in Brussel, in 1827 opgericht door koning Willem I der Nederlanden. De cellist Adrien François Servais was een leerling. Na de Belgische Revolutie van 1830 werd Charles Hanssens vanwege zijn Nederlandse connecties gewantrouwd. Hij vluchtte naar Parijs en - toen hij daar vastliep – daarna naar Den Haag, waar hij de Franse Opera dirigeerde. Hij gaf ook compositieles aan de Koninklijke Muziekschool, onder meer aan Johannes Verhulst. Hij bracht Johannes Verhulst in contact met Felix Mendelssohn Bartholdy, zodat die daar verder kon studeren.

Toen Charles Hanssens in 1837 zijn Requiem schreef ter herdenking van de Belgische slachtoffers van de revolutie, was de beschuldiging van orangisme van de baan en kon hij op voorspraak van de invloedrijke François-Joseph Fétis terugkeren naar België. Hij vestigde zich in Gent, waar hij van 1838 tot 1844 dirigent was van de Casinoconcerten en de symfonieën van Beethoven promootte. Daar ging hij mee verder toen hij in 1844 benoemd werd tot directeur van de Grande Harmonie in Brussel. Vanaf 1847 leidde hij ook de opera in de Munt. Charles Hanssens heeft ook een pensioenfonds voor musici opgericht, de Association des Artistes-musiciens.

Charles Hanssens componeerde

     8 opera’s

     15 balletten

     oratoria

     missen

     1 requiem

     1 Te Deum

     cantates 

     koorwerken

     9 symfonieën

     26 orkestouvertures

     5 concerten 

- Concertino nr.1 voor klarinet en groot orkest

- Concertino nr.2 voor klarinet en groot orkest kamermuziekwerken

     andere orkestwerken

- Solo voor clarinet met orkest 
- Fantaisie voor viool en klarinet en groot orkest 
- Concertstuk voor hobo, klarinet en orkest

     kamermuziekwerken 

 

Henri Herz (Wenen, Oostenrijk, 6 januari 1803 – Parijs, 5 januari 1888) werd geboren als Heinrich. Hij was van Joodse afkomst, maar wilde dat niet weten, ook toen was er al een behoorlijke antisemitische tendens. Als kind kreeg hij eerst les van zijn vader en later in Koblenz van de organist Daniel Hünten. Vanaf 19 april 1816 ging hij naar het Conservatorium van Parijs, veranderde zijn naam in Henri en studeerde piano bij Louis-Barthélémy Pradher , harmonieleer bij Victor Dourlen en compositie bij Anton Reicha. Zijn broer Jacques Herz (1794-1880) had ook aan het conservatorium gestudeerd en was net als Henri pianist en pianoleraar geworden.

Henri Herz “trouwde” met Esther “Thérèse Lachmann”, markiezin van Païva, een Franse courtisane van Russische fkomst, bekend als “La Païva’’. Echt getrouwd waren ze niet, haar eerdere huwelijk was nooit officieel ontbonden. Ze hadden in elk geval een dochter samen. De salon van “La Païva’’ werd bezocht door allerlei muzikale en andere grootheden. Haar utigaven ruïneerden Henri Herz, zodat hij, om zijn financiële middelen uit te breiden naar Amerika reisde. Terwijl hij weg was, en Thérèse geld over de balk bleef gooien, zette de familie Herz haar gefrustreerd het huis uit. Ze vertrok naar Engeland, waar ze de ene na de andere rijke edelman om haar mooie vingertjes wond.

Henri Herz was mede-eigenaar van de pianowerkplaats Henri Klepfer et Cie. in Parijs. De samenwerking was niet optimaal en daarom richtte Henri Herz in 1830 zijn eigen pianofabriek in Parijs op, die uitgroeide tot een van de belangrijkste pianoproducenten in Frankrijk.. In 1838 bouwde hij samen met zijn broer aan de rue de la Victoire de Salle des Concerts Herz, gebruikt voor uitvoeringen van Hector Berlioz en Jacques Offenbach. In 1867 vond in het gebouw de internationale converentie van de organisatie Anti-Slavery International plaats. In 1874 werd het ngebouw afgebroken. Van 1842 tot 1874 gaf Henri Herz les aan het Conservatorium van Parijs.

Henri Herz schreef in 1866 een boek over zijn concertpraktijkervaringen: Mes voyages en Amérique. Het werd veel gelezen en in het Engels vertaald.

Henri Herz componeerde

     8 pianoconcerten

- pianoconcerto nr. 2 in c kleine terts, opus 74, 1834, melodieuze en verfrissende pianopartijn, kleurrijke orkestrate. Lieftallig glanzend tweede deel.

     3 andere weken voor piano en orkest

-Grande Polonaise briljante voor piano en orkest, opus 30

     170 (series) pianowerken

     12 (series werken voor piano vierhandig of voor twee piano’s

     7 kamermuziekwerken

     6 liederen

 

Johann Petzmayer (Zistersdorf, Niederösterreich, 18 maart 1803 – München, 29 december 1884) groeide in Wenen op als zoon van een herbergier. Hij leerde eerst viool spelen en begon op zijn 16de met citer. In 1823  vond hij de strijkciter uit waar hij in Oostenrijk en Duitsland een beroemd instrumentalist mee werd.

 Johann Petzmayer componeerde

     citerwerken

- wals “Nijlvaart”

     liederen 

 

Franz Paul Lachner (Rain am Lech, Duitsland, 2 april 1803 – München, 20 januari 1890) werd geboren in een muzikaal gezin. Zijn vader Anton Lachner was organist en van hem kreeg hij zijn eerste muziekles. Tijdens zijn schooltijd op het gymnasium in Neuburg an der Donau kreeg hij les in compositie bij Franz Xaver Eisenhofer (1783-1855). Na de dood van zijn vader in 1822 ging hij naar München en studeerde daar verder bij Caspar Ett. Voor zijn levensonderhoud gaf hij ook zelf muziekles en speelde viool, cello, hoorn en contrabas in verschillende orkesten in München.

In 1823 werd Franz Lachner organist aan de Lutherse stadkerk in Wenen. Daar studeerde hij muziektheorie en contrapunt bij Simon Sechter en Abbé Maximilian Stadler en directie bij hofkapelmeester Joseph Weigl. Hij raakte bevriend met Franz Schubert.

In 1826 werd Franz Lachner tweede dirigent en vanaf 1828 chef-dirigent van het orkest aan het Kärntnertortheater in Wenen. Van 1834 tot 1836 dirigent van het orkest aan het hof in Mannheim. In 1836 ging hij terug naar München en werd dirigent van de hofopera, de Musikalische Akademie en de koninklijke vocaalkapel. In 1853 werd hij met de Beierse Maximiliaansorde voor Wetenschap en Kunst onderscheiden. Toen de koning Lodewijk II van Beieren in 1864 Richard Wagner naar München haalde, nam diens vriend en leerling Hans von Bülow de werkzaamheden van Franz Lachner over

In zijn geboortestad Rain werd een straat, het gebroeders Lachner museum en de gebroeders-Lachner-middelschool naar hem vernoemd. In 1883 werd Franz Lachner ereburger van de stad München. Zijn broers Ignaz Lachner (1807-1895), Vinzenz Lachner (1811-1893) en Theodor Lachner (1795-1877) waren ook componisten.

Franz Lachner componeerde 200 werken:

     4 opera’s 

- Catarina Cornaro, Königin von Cypern, opus 71, opera in 4 bedrijven, 3 december 1841, libretto Alois Joseph Büssel, naar een eerder libretto van Jules Henri Vernoy Marquis de Saint-Georges: “La reine de Chypre”

     4 toneelmuziekwerken

     1 cantate 

 Die vier Menschenalter, opus 31, tekst: Johann Gabriel Seidl

     1 oratorium

     8 missen

     1 requiem

     talloze kleinere religieuze werken

     8 symfonieën

     4 concerten

     7 orkestsuites

     7 werken voor harmonieorkest

     15 (series) koorwerken, a cappella of met  begeleiding van instrument(en)

     27 (series) liederen

- Sängerfahrt : zestien liederen naar gedichten van Heinrich Heine, opus 33, 1832 

nr. 6.  Im Mai (Im wunderschönen Monat Mai)

     34 kamermuziekwerken

- nonet, voor 2 trompetten, 4 hoorns en 3 trombones

     18 (series) pianowerken

     4 orgelwerken

 

Adolphe Charles Adam (Parijs, 24 juli 1803 – 3 mei 1856) zijn vader, de Elzasser Johann Ludwig Adam (1758 — 1848), was componist, pianist en pianoleraar aan het Conservatorium van Parijs. Adolphe Charles mocht in eerste instantie geen muziek studeren van zijn vader, maar deed dat stiekem toch onder hoede van een begaafde vriend. Toen Aldolphe 17 jaar was, draaide zijn vader bij en kreeg hij een opleiding aan het Conservatoire national supérieur de musique van Parijs. Hij studeerde orgel en harmonium bij François-Adrien Boieldieu en speelde triangel in het conservatoriumorkest.

In 1847 richtte hij het Théâtre National op, het vierde operahuis in Parijs, in 1948 moest het met grote schulden al weer gesloten worden. Hij was vanaf 1849 docent compositie aan het Conservatoire national supérieur de musique te Parijs. Delibes was een van zijn leerlingen.

Adolphe Adam overleed in Parijs op 52-jarige leeftijd. Hij is begraven op de Montmartre begraafplaats.

Adolphe Adam componeerde

     36 opera’s comique

- Le postillon de Lonjumeau (De postbode van Lonjumeau), opéra-comique in drie bedrijven, libretto Adolphe von Ribbing en Léon Lévy, 13 oktober 1836, Adams' bekendste opera. Aan het begin van het eerste bedrijf zingt de net met herbergierster Madeleine (coloratuursopraan)   getrouwde postbode Chapelou (tenor) temidden van zijn vrienden het beroemd geworden Ronde du postillon: Ah mes amis, qu'il était beau, le postillon de Lonjumeau, een historisch lastige aria, die een hoge D5 vraagt aan het eind.

     3 opera’s dramatique

     1 operette

     19 vaudevilles

     14 balletten

Giselle, libretto Theophile Gautier en Jules-Henri Vernoy de Saint-Georges, geïnspireerd door de legende van de Willi's uit De l'Allemagne van Heinrich Heine, première 28 juni 1841. Giselle gaat over heftige emoties – liefde, bedrog, wraak - maar ook over niet kunnen of mogen kiezen. Hoofdrol: de jonge boerin Giselle die verliefd wordt op de adelijke Albrecht. De verhouding loopt mis en Giselle sterft van verdriet. Ná haar begrafenis roept Myrtha, koningin van de Willi’s, geesten van bedrogen vrouwen die 's nachts elke man die ze in het bos tegenkomen laten dansen tot hij doodvalt, op om Albrecht dat lot te laten ondergaan. Giselles liefde voor Albrecht redt hem.

     3 toneelmuziekwerken

     liederen

kerstlied "Minuit, chrétiens" ,1847,  op tekst van Placide Cappeau (1808–1877)  1847, als "O Holy Night" uitgegroeid tot een bekende Christmas Carol

 

Louis Hector Berlioz (La Côte-Saint-André, 11 december 1803 ̶ Parijs, 8 maart 1869) was componist, muziekcriticus en dirigent. Zijn vader, plattelandsdokter, gaf hem zijn eerste muzieklessen. Zijn eerste echte muzikale ervaring was toen hij, 12 jaar oud tijdens de eerste communie het meisjeskoor hoorde zingen. Datzelfde jaar werd hij verliefd op een meisje uit de streek, Estelle Duboeuf. Zij zou later opnieuw een rol in zijn leven spelen.

In Parijs aan het conservatorium kreeg hij les van Jean-François Lesueur en Antonin Reicha. Hij werd hopeloos verliefd op de Ierse toneelspeelster en Shakespeare-vertolkster Harriet Smithson. Zijn passie voor haar inspireerde hem in 1830 tot het schrijven van zijn Symphonie fantastique en een vervolg daarop, Lélio ou le retour à la vie.

In 1830 won Berlioz de Prix de Rome en hij bleef daar aansluitend anderhalf jaar. De herinneringen aan Italië kwamen hem van pas toen hij een paar jaar later zijn symfonie met altviool Harold in Italië schreef.

Na veel avontuurlijke verwikkelingen huwde hij in 1833 Harriet Smithson. Zij kregen een zoon, Louis, maar het huwelijk liep op een mislukking uit. Nadat Harriet een been had gebroken kwam het nooit meer goed met haar carrière. Bovendien was ze erg jaloers van aard, en in haar frustratie greep zij steeds vaker naar de fles. Haar gezondheid ging zienderogen achteruit.

Berlioz ontwikkelde zich ondertussen tot een van de beste dirigenten van zijn tijd en wist in zijn onderhoud te voorzien door het schrijven van muziekkritieken. Later verdiende hij een klein vast inkomen als bibliothecaris van het Conservatoire in Parijs.

Een grote staatsopdracht kreeg Berlioz in 1837: een grootschalig requiem schrijven. De uitvoering in de Invalides werd een groot succes. Maar zijn eerste opera, Benvenuto Cellini in 1838 draaide vanwege het onconventionele karakter uit op een groot fiasco. Berlioz kreeg hierna in de Parijse opera geen voet meer aan de grond.

Vanaf 1843 oogstte Berlioz meer waardering in het buitenland dan in Frankrijk. Dankzij zijn vriend Franz Liszt werden veel van zijn werken in Weimar uitgevoerd, en uit Baden-Baden kwam de opdracht om de opera Béatrice et Bénédict te schrijven.

In 1854 stierf Harriet en nog hetzelfde jaar hertrouwde Berlioz met de middelmatige zangeres Marie Recio, met wie hij al enige tijd een relatie onderhield. Zij stierf op haar beurt in 1862. Een jeugddroom kwam uit, toen hij van 1856 tot 1858 de grote opera Les Troyens componeerde, die hij echter nooit in zijn geheel opgevoerd heeft gekregen.

De laatste jaren van zijn leven, geplaagd door een darmziekte, putte hij zijn grootste geluk uit het hernieuwde contact met zijn jeugdliefde Estelle en met zijn zoon, die matroos geworden was. Toen deze in 1867 op Cuba stierf, was Hector Berlioz gebroken en wachtte hij alleen nog maar op de dood. Hij stierf in het bijzijn van enkele vrienden. Hij ligt begraven op het kerkhof van Montmartre.

Hector Berlioz schreef

     3 opera's.

- Benvenuto Cellini, opera in twee bedrijven, 10 september 1838, libretto Léon de Wailly en Henri Auguste Barbier, losjes gebaseerd op de herinneringen van de Florentijnse beeldhouwer Benvenuto Cellini. De ouverture wordt nogal eens afzonderlijk uitgevoerd, de opera is technisch erg veeleisend.

- Les Troyens, 1856-1858, gebaseerd op de Aeneis van Vergilius. Geniale magistrale opera, in 2003 mooi op DVD gezet door John Eliot Gardiner. Hoofdrol uiteraard voor Énée (Aeneas), Trojaanse held, zoon van Venus en Anchises (tenor).

     1 concertopera

- La damnation de Faust, opus 24 (1846)

     4 symfonieën

- Symphonie fantastique (Épisode de la vie d'un artiste) (1830). Berlioz' beroemdste compositie. Berlioz componeerde zijn onbeantwoorde liefde voor Harriët Smithson van zich af. Het werk was baanbrekend omdat er een uitgebreid geschreven programma aan ten grondslag lag, omdat de instrumentatie vernieuwend was en omdat er een nieuw soort expressie uit sprak. Ook de vorm is ongebruikelijke omdat de symfonie vijf in plaats van de conventionele vier delen omvat. In het eerste deel van deze programmasymphonie: Reveries, Passions ziet een muzikant voor het eerst een volmaakte vrouw. Zij wordt verbeeld door een idée fixe, een leidmotiefje, dat steeds terugkomt. De emoties die de ontmoeting met de vrouw met zich meebrengen, worden helemaal in muziek uitgewerkt. In het tweede deel: Un bal  gaat het feestgewoel als een sensuele droom voorbij, met onderhuidse spanning. Het derde deel: Scene du champs heeft een landelijk karakter, de althobo vervult een glansrol. In het vierde deel: Marche au supplice, neemt de desolate muzikant zijn toevlucht tot verdovende middelen, met ls resultaat een angstdroom over een trage mars naar het schavot. Aan het slot: Songe d'une nuit de Sabbath een terechtstelling en heksensabbath compleet met klokgebeier en krijsende klarinetten. Alle remmen gaan los.

- Harold en Italie,  symfonie en quatre parties avec un alto principal, opus 16, 1834 geschreven op verzoek van Paganini, die een perfecte altviool had, een Stradivarius, maar vond dat er geen geschikte muziek was, om die altviool mooi te laten uitkomen. Omdat Berlioz er uiteindelijk toch een orkeststuk van maakte, waarin de altviool alleen maar een rol speelde, dus geen altvioolconcert, was Paganini zwaar teleurgesteld, er zaten te veel rusten in de altvioolpartij, hij wees het resoluut van de hand. Op zijn sterfbed kwam hij daar overigens nog een keer van terug. Ondertussen is het wel een hyperoriginele symfonie voor altviool en orkest.

- Roméo et Juliette, symphonie dramatique, voor alt, tenor bas, koor en orkest, opus 17, H. 79;  24 november 1839, libretto Émile Deschamps, gebaseerd op Shakespeare’s toneelstuk Romeo and Juliet; één van Berlioz’s beste werken. In de concertzaal wordt vaak alleen een instrumentaal uittreksel van de symfonie uitgevoerd. Omdat alleen de rivaliserende families en commentaren gezongen optreden en Romeo en Juliet  zelf alleen instrumentaal worden verklankt, is het orkest erg belangrijk voor het hartverscheurende drama. Deel III, scene 6, die zich in de graftombe van de Capilets afspeelt en waar Julia's uitzinnige vreugde omslaat in wanhoop, doet de adem stokken.

     10 concertouvertures

- Les francs-juges, opus 3, 1826, de ouverture van zijn eerste, onuitgevoerde opera. Een stuwend jeugdwerk.

- Intrata di Rob Roy Macgregor (Rob Roy Overture), 1831, geïnspireerd door Walter Scott’s roman Rob Roy. Berlioz vond het zelf niet zo'n goede compositie. De klagelijke melodie voor Engelse Hoorn, wordt later prominent gebruikt in de symfonie Harold en Italie.

- Benvenuto Cellini, 1838,  ouverture voor de gelijknamige opera, véél vaker uitgevoerd dan de opera zelf.

- Le Carnaval Romain, ouverture pour orchestre, opus 9, 1843, gebaseerd op thema's uit Berlioz' opera Benvenuto Cellini. Eén van de scenes, waar Berlioz zich op baseerde, speelt zich af tijdens het carnaval. Het werk bevat een beroemde solo voor de "Engelse hoorn", een althobo; 

- Le Corsaire (De Zeerover), 1844, naar Byron’s gedicht "The Corsair".

     1 ander orkestwerk

- Romance: Rêverie et caprice, voor viool en orkest. 1842;

     1 oratorium

- L'enfance du Christ, opus 25, 1854, Trilogie sacrée, driedelig oratorium gebaseerd op de vlucht van de Heilige Familie naar Egypte (Mattheüs 2:13) libretto van Berlioz zelf. Hector Berlioz gebruikte hiervoor een eerder werk: La fuite en Egypte, dat hij in 1850 had geschreven. Een hoogtepunt is het eind van het eerste deel: Scene 6: Engelenkoor dat “Joseph! Marie!" zingt, náást het podium, het liefst in een ander vertrek. Prachtig werk. Er komt ook nog een mooi trio voor 2 fluiten en harp in voor, deel drie, scene 7, dat nogal eens apart wordt uitgevoerd

     1 mis

- Messe solennelle, 1824

     1 requiem

Deze Grande Messe des Morts, opus 5, 1837, vereist een zeer grote bezetting met twee omvangrijke koren op het podium, vier extra koperensembles en zestien pauken. De massale passages worden afgewisseld door uiterst verstilde momenten. Bijzonder in dit quadrofonische werk is de bewuste toepassing van ruimtelijke klankwerking; de kopergroepen staan bijvoorbeeld verspreid opgesteld in de hoeken van de kerk. Berlioz spreekt in dit verband zelf van "architecturale muziek". Kippenvelmuziek.

     1 Te Deum

     4 cantates.

- Herminie, scène lyrique, H 29, 1828, tekst van Pierre-Ange Vieillard, voor sopraan en orkest. fascinerend werk, gecomponeerd om de Prix de Rome te winnen, wat niet lukte

- La mort de Cléopâtre ("De dood van Cleopatra") , H 36, 1829, voor sopraan en orkest, tekst Pierre-Ange Vieillard, ook gecomponeerd om de Prix de Rome te winnen, wat hier ook niet lukte, niettemin een overrompelende cantate;

     32 (series) liederen voor zang en piano,

- Les nuits d'été, 6 liederen op teksten van Théophile Gautier1841, door Berlioz georkestreerd in 1856. Erg mooi.

1. Villanelle, een topper;

3. Sur les lagunes

- La mort d'Ophélie, ballade naar Shakespeare voor zangstem en piano, H 92, 1842

- La Captive, tekst Victor Hugo, door Hector Berlioz  geschreven nadat hij eindelijk bij zijn vierde poging de prix de Rome had gewonnen

www.hberlioz.com

 

Johann Baptist Strauss sr, (Leopoldstadt bij Wenen, 14 maart 1804 – Wenen, 25 september 1849) was de zoon van Franz Borgias Strauss, een herbergier. Zijn moeder overleed toen hij zeven was, zijn vader verdronk (zelfmoord?) toen hij 12 jaar was. Terwijl Johann Strauss in zijn onderhoud voorzag door te werken bij boekbinder Johann Lichtscheidl, nam hij viool- en altviool- en directieles bij Johann Polischansky

Johann Strauss begon zijn muzikale carrière bij het orkest van Ignaz Michaël Palmer. Toen hij 15 was, mocht hij meespelen in het orkest van de in Wenen in die tijd zeer populaire Joseph Lanner. Joseph Lanner had zoveel succes dat hij vanwege zijn vele optredens zich verplicht zag om zijn orkest in tweeën te splitsen. Johann kreeg de opdracht om het tweede orkest te dirigeren. In 1825 begon Johann Strauss zijn eigen orkest.

In datzelfde jaar 1825 trouwde Johann strauss met Maria Anna  Strein in de Parijse kerk van Liechtenstein. Het was een tamelijk ongelukkig huwelijk door Strauss’ voortdurende afwezigheid in verband met zijn concertreizen. Uiteindelijk leidde dat tot een scheiding, ook al omdat Johann vanaf 1834 een minnares had, bij wie hij zes kinderen verwekte, en daar ook niet geheimzinnig over deed.

Strauss overleed in Wenen aan roodvonk, besmet door een van zijn onwettige kinderen. Hij ligt begraven in een eregraf op het Zentralfriedhof in Wenen.

Johann Strauss had drie zonen, die zelf ook componist werden: Johann (de Walskoning), Josef en Eduard.

Johann Strauss sr. componeerde 251 werken:

     152 walsen

Lorelei Rheinklänge, Op. 154, zijn beroemdste wals

     18 marsen

- Freiheits-Marsch, opus 226, ??, fris werk

- Radetzkymars, gecomponeerd voor Josef Radetzky, graaf von Radet, opus 228 (1848). Toen de 82-jarige Radetzky de Slag bij Custoza gewonnen had, marcheerden zijn soldaten terug naar Wenen en zongen daarbij het Tinerl-lied. Strauss hoorde dit en verwerkte het lied en het marstempo in de Radetzkymars. Omdat de generaal een republikein was, ontstond er zo’n deining, dat Johann Strauss zelfs een tijdlang Wenen ontvlucht is. De Wiener Philharmoniker sluiten traditioneel hun nieuwjaarsconcert af met de Radetzkymars, waarbij het publiek tijdens het rondo de maat klapt.

     polka’s

     quadrille’s

     andere vormen

- Seufzer-Galoppe, opus 9, 1828

- Sperl-Galopp, opus 42, 1830

 

Salomon Sulzer (Hohenems, Vorarlberg, Oostenrijk, 30 maart 1804 – Wenen, 17 januari 1890) werd opgeleid voor het Joodse cantoraat door de cantors van Endingen (Zwitserland) en Karlsruhe en daarna door Salomon Eichberg, cantor in Hohenems en Düsseldorf. In 1820 werd Salomon Sulzer aangesteld als cantor in Hohenems.

In 1826 werd hij benoemd tot hoofdcantor in Wenen.

Daarnaast was Salomon Sulzer docent aan het keizerlijke conservatorium in Wenen, ridder in de orde van  Francis Joseph I en maestro van de Accademia Nazionale di Santa Cecilia in Rome. Wereldwijd wordt hij gezien als vernieuwer van synagogale muziek, hij werd de “vader van het moderne cantoraat” genoemd.

Salomon Sulzer componeerde

     muzikale synagogale diensten met cantorrecitatieven, koorkoralen en responsen

2 delen Shir Tziyyon" (1840-1865)

     liederen voor de Sabbathschool

 1 deeltje Duda'im";

"Zwanzig Gesänge für den Israelitischen Gottesdienst" (1892),

 

Louise Farrenc (Parijs, 31 mei 1804 – 15 september 1875) werd geboren als Jeanne-Louise Dumont, dochter van beeldhouwer Jacques-Edme Dumont, en zus van Auguste Dumont. Ze woonden in het Maison de la Sorbonne, een kunstenaarskolonie in het hartje van Parijs.

Jeanne-Louise Dumont begon al jong piano te studeren bij haar tante Senora Soria, een voormalige student van Muzio Clementi, maar toen haar talent voor professioneel pianiste duidelijk werd, kreeg ze pianolessen van Ignaz Moscheles en Johann Nepomuk Hummel en compositie bij Anton Reicha. Tijdens haar studies en muzikale bezigheden ontmoetten ze de 10 jaar oudere fluitstudent, Aristide Farrenc. Ze trouwden in 1821. Aristide begon een uitgeverij in Parijs: Éditions Farrenc, 40 jaar lang dé muziekuitgever in Frankrijk.

Louise studeerde vrolijk verder bij Anton Reicha. Na de voleinding na haar opleiding begon ze een concertcarrière, die haar grote populariteit bezorgde

In 1842 werd Louise Farrenc aangesteld als docent piano aan het Conservatorium Parijs. Ze zou die functie 30 jaar volhouden.

Louise Farrenc componeerde

     7 orkestwerken

- 2 ouvertures

- 3 symfonieën

+ 3de symfonie, opus 36

     13 kamermuziekwerken, haar beste werken, kwalitatief net zo goed als die van haar bekende mannelijke tijdgenoten

- 1 nonet voor blazers en strijkers, opus 38, de première, waar onder meer de beroemde violist Joseph Joachim aan deelnam, was een doorlaand succes

- 2 pianokwintetten, opus 30 en opus 31

- 1 sextet voor piano en blazers, opus 40, werkelijk schitterend;

- 2 pianotrio’s opus 33 en 34

- trio voor klarinet, cello en piano, opus 44

- trio voor fluit, cello en piano, opus 45

- sonate voor cello en piano, opus 46

     3 koorwerken

     7 werken voor zangstem en begeleiding

     33 werken of series werken voor piano solo

 

Michail Ivanovitsj Glinka (Novospasskoje (gouvernement Smolensk), 1 juni 1804 – Berlijn, 15 februari 1857) was de zoon van een rijke landeigenaar, In 1817 werd Michail Glinka naar school in Sint-Petersburg werd gestuurd, waar hij een jaar pianoles kreeg van de Ierse John Field, die zich in 1803 in Sint-Petersburg had gevestigd. Hij leerde er ook viool spelen en muziektheorie. Van 1824 tot 1828 werkte hij, naar wens van zijn vader op het ministerie van Communicatie.

In 1828 nam Michail Glinka ontslag, omdat hij liever met muziek bezig was. Van 1830 tot 1833 studeerde hij in Milaan bij zanger en componist Basili en daarna in Wenen en Berlijn bij Siegfried Dehn. Voor het overlijden van zijn vader keerde hij naar Sint Petersburg terug, en bleef daarna in Rusland wonen, hoewel hij veelvuldig door Europa reisde

Tijdens een bezoek aan Berlijn in 1856 - 1857 is hij daar overleden.

Men noemt Michail Glinka wel de vader van de Russische muziek, omdat hij opera’s componeerde met Russische thema’s, en een voorbeeld was voor na hem komende Russische componisten.

Michail Glinka componeerde

     5 opera’s

- Een leven voor de Tsaar,  1836, opera in vijf aktes, libretto Baron Georgij Fjodorovitsj von Rozen, met toevoegingen van Vladimir Sollogub en Vasilij Žukovskij

- Roeslan en Ljoedmila, 1842, libretto Valerian Širkov, Mykola Markevyč, Kukol'nik, Michail Gedeonov en de componist  naar een gedicht van Aleksandr Poesjkin. Hoofdrollen zijn voor Lyudmila (sopraan), de dochter van Svetozar (bas), die gaat trouwen met Ruslan (bas), een Kievse ridder.

     4 toneelmuziekwerken

     3 symfonieën

     4 ouvertures

     4 andere orkestwerken

- Valse-Fantaisie in b kleine terts voor orkest, 1839, 1856, oorspronkelijk voor piano gecomponeerd, georkestreerd in 1856

     2 werken  voor koor en orkest

     4 kerkmuziekwerken voor zangstemmen

     1 cantate

     7 werken voor zangstem(men). (koor) en orkest

     8 kamermuziekwerken

- Trio Pathétique in d kleine terts, 1832 voor klarinet, fagot en piano     

     50 pianowerken of series pianowerken

- Motif de chant national,  C groot,  1835 was onder de titel Patriottisch lied van 1990 tot 2001 het volkslied van de Russische Federatie.

- La Séparation, Nocturne in f kleine terts, 1839

- Tarantella over het Russische volkslied "Во поле береза стояла" (in het veld stond een berkenboom), in a kleine terts,  1843,

- Groeten aan mijn geboorteland, 1847

1. Souvenir d'une Mazurka in Bes grote terts

2. Barcarolle in G grote terts

3. Gebed in A grote terts

4. Variaties op een Schots thema

     45 liederen of series liederen voor zangstem en piano

 

Sir Julius Benedict (Stuttgart, Duitsland, 27 november 1804 – Londen, Engeland, 5 juni 1885) was de zoon van de Joodse bankier Moritz Benedict (1772–1852). Hij leerde muziek en componeren van Ludwig Abeille in Stuttgart, Johann Nepomuk Hummel in Weimar en van Carl Maria Weber in Dresden. In 1821 leerde hij in Berlijn Felix Mendelssohn Bartholdy kennen, zij zouden hun hele leven bevriend blijven. Carl Maria Weber stelde hem op 5 oktober 1823 in Wenen aan Ludwig van Beethoven voor. In dat jaar kreeg Julius Benedict een aanstelling als Kapellmeister aan het Kärnthnerthor Theater in Wenen, in 1825 volgde een aanstelling als Kapellmeister aan het San Carlo Theater in Napels. Daar gaf Julius Benedict ook pianoles aan het jonge wonderkind Theodor Döhler.

Omdat de opera’s, die hijzelf componeerde in Italië geen succes hadden, vertrok Julius Benedict in 1835 naar Parijs en op advies van Maria Malibran reisde hij door naar Londen, waar hij voor de rest van zijn leven bleef. In 1836 werd hij daar leider van een operagezelschap aan het Lyceum Theatre, en in 1838 dirigent van de Engelse opera aan het Koninklijk Drury Lane Theater in de jaren dat Michael William Balfe’s opera’s ongemeen populair waren. In 1850 maakte Julius Benedict een uitstapje als begeleider van de destijds beroemde operazangeres Jenny Lind naar Amerika. Hij werkte daar ook als dirigent en pianobegeleider.

Na zijn terugkomst in 1852 werd hij dirigent aan Her Majesty’s Theatre, Drury Lane, en de Harmonic Union. In 1871 werd Julius Benedict geridderd en mocht zich voortaan “Sir” noemen.

Julius Benedict dirigeerde elk Norwich Festival van 1845 tot 1878, en de Liverpool Philharmonic Society's concerts from late 1875 to 1880. Vanaf het begin was hij begeleider en dirigent van de populaire Maandag Concerten in Londen, die 3 januari 1859 in de St. James Hall in Londen elke maandag 40 jaar lang gehouden zouden worden.

Julius Benedict componeerde

     7 opera’s

     1 operette

     1 theatermuziekwerk

     1 oratorium

     5 cantates

     1 scene voor alt en orkest

     15 orkestwerken

     11 vier en vijfstemmige partsongs

     18 duetten en trio’s voor zangstemmen

     5 kamermuziekwerken

     1 scene voor zangstem en piano

     99 liederen

     6 (series) pianowerken

 

Karl Friedrich Curschmann (Berlijn, Duitsland, 21 juni 1805 – Langfuhr, bij Danzig, 24 augustus 1841) Zijn zangtalent werd al ontdekt toen hij naar het gymnasium ging, maar hij ging toch maar rechten studeren in Berlijn en in Göttingen. In 1824 stopte hij daarmee en besloot zich aan de muziek te wijden. Hij ging naar Kassel en studeerde daar bij Louis Spohr en Moritz Hauptmann, vooral kerkmuziek. In 1828 kwam hij in Berlijn terug. Vanaf 1837 leefde Karl Friedrich Curschmann daar samen met zangeres Rose Behrend, dochter van een Deense zakenman. Op een gegeven moment zijn ze toch maar getrouwd. Karl Friedrich Curschmann speelde een belangrijke rol in het muzikale leven in Berlijn en was bevriend met Eduard Grell, de directeur van de Berlijnse Zangacademie. Hij overleed onverwacht aan een blindedarmontsteking.

Karl Friedrich Curschmann componeerde

     1 operette

- Abdul und Errinieh oder Toten, 1828.

     3 kerkelijke werken voor zangstem(men) en instrumenten

     5 wereldlijke werken voor 2 tot vijf stemmen en instrumenten

     83 liederen, op teksten van Johann Wolfgang von Goethe, Friedrich Schiller, Heinrich Heine en Friedrich Rückert.

     1 pianowerk

 

Claude Antoine Jean Georges Napoléon Coste (Amondans, bij Besançon, Frankrijk, 27 juni 1805 – 14 januari, 1883) was de zoon van een legerkapitein en fervent Bonapartisch patriot, die daarom zijn zoon naar de Keizer vernoemde. In 1809 vestigde het gezin zich in Ornans, in 1815 in Valenciennes. Napoléon Coste leerde vanaf zijn zesde jaar gitaar spelen van zijn moeder Anne-Pierrette Dénéria, een begaafde gitariste. Als teenager war hij al gitaarleraar en gaf hij overal concerten in zijn streek, de Franche-Comté. In 1829, 24 jaar oud, vertroki hij naar Parijs, waar hij gitaar, solfège, harmonieleer en contrapunt studeerde bij Fernando Sor.

Napoléon Coste brak tengevolge van een val van de trap zijn arm in 1863, waardoor er een einde kwam aan zijn carrière als virtuoos gitarist. Hij bleef wel lesgeven en componeren.

Napoléon Coste was lid van de vrijmetselaarsloge Les Frères Unis Inséparables.

Napoléon Coste had een aparte voorkeur voor het spelen op een zevensnarige gitaar.

Napoléon Coste componeerde

     13 kamermuziekwerken (meestal met gitaar, soms ook met zangstem)

     52 (series) gitaarwerken

- Souvenirs - Sept morceaux épisodiques:

nr.1 La Vallée d'Ornans,  opus 17

nr.2 Les Bords du Rhin, opus 18

nr.3 Delfzil, opus 19
nr.4 Le Zuyderzée, opus 20 
nr.5 Les Cloches, opus 21  

nr.6 Meulan opus 22  
nr.7 Les soirées d'Auteuil,  opus 23 

- Fantaisie Symphonique , opus.28b : 

- trilogie Le Passage des Alpes, opus 27, 28a en 40)

     talloze transcripties van klassieke werken van ander componisten voor/met gitaar

- Adelaïde, lied van Ludwig van Beethoven,  opus 46, voor gitaar en (alt)viool, een tweede versie voor gitaar en zangstem. 

 

Antoni Josep (José) Mateu Brocà i Codina (Reus, Baix Camp, Spanje, 21 september 1805 – Barcelona, 3 februari 1882) kwam uit een welgestelde familie. Zijn vader was notaris. Een andere notaris in Reus, Jaume Baiges, was een gepassioneerd gitarist en gaf die passie door aan Josep Broca. Josep Brocà kreeg les van de priester Josep Casas en muzikant Dionisio Aguado. In 1833 moest Josep Broca in militaire dienst. In 1836 werd hij bevorderd tot kapitein van de Infanterie. 2 april 1839 raakte hij geblesseerd bij de slag in Biosca tijdens de Eerste Carlistenoorlog, een Spaanse burgeroorlog. Na zijn herstel werd hij gitarist en gitaardocent in Barcelona, waar hij onder meer les gaf aan Josep Ferrer i Esteve.

1870 kreeg hij een beroerte, waardoor hij noet meer kon spelen. 20 oktober 1875 trouwde hij nog wel met Carme Romeu i Vila uit zijn gevoorteplaats Reus. 7 jaar later overleed hij.

Josep Broca componeerde

     23 gitaarwerken.

 

Fanny Cäcilie Mendelssohn (Hamburg, 14 november 1805 – 14 mei 1847), later Fanny Hensel, de zus van Felix Mendelssohn was de oudste van vier kinderen. Haar grootvader was de filosoof Mozes Mendelssohn, haar moeder was Lea Salomon. Als kind toonde ze al een opmerkelijke muzikale begaafdheid en begon ze al te componeren, eigenlijk alles uit zichzelf en van haar broer Felix geleerd.

In 1829, na enkele jaren hofmakerij, trouwde Fanny met de schilder Wilhelm Hensel en het jaar daana kreeg zij haar enige kind: Sebastian Ludwig Felix Hensel.

Fanny Hensel stierf in Berlijn in 1847 aan de complicaties van een beroerte, gekregen tijdens een repetitie van een van de cantates, van haar broer: Die erste Walpurgisnacht. Felix zelf stierf zes maanden later door dezelfde oorzaak, een familiekwaal, niet nadat hij ter herinnering aan zijn zuster eerst het Strijkkwartet no. 6 in f klein had geschreven.

Fanny Mendelssohn componeerde 466 werken

     1 orkestwerk

     7 kamermuziekwerken

- pianokwartet in As, 1823

- strijkwartet in Es, 1834

- pianotrio opus 11, 1847, een juweeltje; als derde deel in plaarts van een Scherzo een “Lied ohne Worter”; spitsvondige modulaties

     28 koorwerken a cappella

     12 trio’s voor zangstemmen

     250 liederen

     125 pianowerken

- Andante con moto in E grote terts, 1825

- 28 "Lieder ohne Worte, 1846 - 1850

- Pastorella in A grote terts, 1848

 

Juan Crisóstomo Jacobo Antonio de Arriaga y Balzola (Bilbao, Spanje, Baskenland, 27 januari 1806 – Parijs, 17 januari 1826) kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn vader Juan Simón de Arriaga y Uriézaga, organist in de kerk van het dorp Berriatua. Vioolles kreeg hij van Faustino Sanz, violist van het orkest van de Santiagokathedraal.

Juan Arriaga was was net als Wolgang Amadeus Mozart en Felix Mendelssohn een bijzonder vroegrijp wonderkind en schreef al op dertienjarige leeftijd een kleine opera: Los esclavos felices (De gelukkige slaven), die in 1820 in Bilbao met veel succes werd opgevoerd.

Juan Arriaga begon zijn muziekstudies in 1821 aan het Conservatoire national supérieur de musique in Parijs: viool bij Pierre Marie François de Sales Baillot, compositie bij François-Joseph Fétis, conrapunt bij Luigi Cherubini.

Juan Arriaga overleed, nauwelijks twintig jaar oud, aan tuberculose. Door zijn talentvolle composities, die uitmunten in mooi contrapunt, had hij zich al de bijnaam "Spaanse Mozart" verworven.

De grootste schouwburg van Bilbao draagt zijn naam en in de patio van het Museo de Bellas Artes in Bilbao bevindt zich het Monumento Arriaga.

Juan Arriaga componeerde

     6 orkestwerken

- Symfonie in D groot, zijn bekendste werk, bewonderenswaardig

     1 werk voor banda

     1 koorwerk

     2 werken voor zangstem en orkest

     6 cantates

     1 mis

     3 motetten

     1 opera

     9 kamermuziekwerken

- strijkkwartet nr. 1 in d kleine terts, 1823

- strijkkwartet nr. 2 in A grote terts, 1823

- strijkkwartet nr. 3 in Es grote terts, 1823

     1 pianowerk

 

Caspar Joseph (Johann Kaspar) Mertz (Pressburg, Oostenrijk (nu Bratislava), 17 augustus 1806 – Wenen, 14. Oktober 1856) groeide in een armoedig gezin op. Als twaalfjarige gaf hij al gitaar- en fluitles. Vanaf 1840 woonde Caspar Joseph Mertz in Wenen.

In Dresden leerde Caspar Joseph Mertz de pianiste Josephine Plantin kennen, waarmee hij in december 1842 trouwde.

Omdat gitaar in Wenen niet echt een populair instrument was waar je de kost mee kon verdienen, moest Caspar Joseph Mertz, om niet in armoede te vervallen, ook wel citer- en fluitles blijven geven.

In 1846 werd Caspar Joseph Mertz ernstig ziek. In 1856 overleed hij vermoedelijk aan een overdosis strychnine. Het leven was hem toch al tamelijk ondraaglijk geworden. Josephine Mertz verkocht zijn manuscripten en instrumenten. Talrijke werken kwamen zo in het bezit van de Zweedse ingenieur Carl Oscar Boije af Gennäs, die het materiaal na zijn dood aan de Zweedse Staats Muziekbibliotheek vermaakte.

Caspar Joseph Mertz componeerde

     13 werken voor twee gitaren, geschreven voor een gewone gitaar en een hogere "tertsgitaar"

- 3 Trauerlieder (Nänien)

- Unruhe

- Ständchen

- La Rage, Grande Fantaisie concertante

- Barcarole

- Wasserfahrt am Traunsee

     1 werk voor gitaar en mandoline

     18 werken voor gitaar solo

Opern-Revue, opus 8, nrs. 1-33. gitaarweergave van “Der fliegende Hollander” van Wagner

6 Schubertliederen, ("Lob der Tranen, Ständschen, Die Post"), 1845

 

Johann Friedrich Franz Burgmüller, (Regensburg, Duitsland, 4 december 1806 – Parijs, 13 februar1 1874) werd geboren in een muzikantengezin. Zijn vader August Burgmüller was dirigent en muziektheaterdirecteur in Weimar en andere Zuidduitse muziekcentra. Zijn jongere broer was de componist Norbert Burgmüller, een wonderkind. Friedrich Burgmüller studeerde bij Ludwig Spohr en Moritz Hauptmann.

In 1832 verhuisde Friedrich Burgmüller naar Parijs. Hij zou er de rest van zijn leven blijven.

Friedrich Burgmüller componeerde

     pianowerken

ballades.

walsen

nocturnes.

polonaises

25 leichte etuden, opus 100, wordt nog steeds veel door pianoleraren aan hun leerlingen voorgeschreven;

     theaterwerken

     twee balletten

  La Péri,  het hoogtepunt van Friedrich Burgüllers oeuvre

Lady Harriet.

     balletdeel

Peasant Pas de Deux (Souvenirs de Ratisbonne) een toevoeging aan het ballet Giselle van Adolph Adam, is Friedrich Burgmüllers meest uitgevoerde werk.

 

Gilbert-Louis Duprez (Parijs, Frankrijk, 6 december 1806 – 23 september 1896) was de 13de van 22 kinderen van de Parijse Parfumeriehandelaar Nicolas-Marie Duprez en Julie Person. Hij studeerde aan het Koninklijke Alexandre-Étienne Choroninstituut zang, muziekheorie en compositie. Hij ontwikkelde zich tot operazanger en studeerde daar in Italië extra voor. Gilbert Duprez trouwde 27 februari 1827 in Parijs met zangeres Alexandrine Duperron (Nantes, 29 mei 1806 - Brussel, 29 februari 1872). Ze kregen een dochter en een zoon. Gilbert Duprez kon met zijn borststem een hoge “C“ zingen en dwong daar nogal bewondering mee af. Hij trad overal in Europa op en was van 1842 tot 1850 zangdocent aan het conservatorium van Parijs. In 1853 richtte hij zijn eigen zangschool op, waar zangeressen werden gevormd als zijn dochter Caroline Duprez, Marie Battu en Caroline Miolan-Carvalho.

Gilbert Duprez schreef enkele muziekpedagogische en autobiografische werken.

Gilbert Duprez componeerde

     8 opera’s

     1 operette

     1 oratorium

     7 (series) liederen

 

Adrien François Servais (Halle, België, 6 juni 1807 – 26 november 1866) "de Paganini van de cello" was de zoon van een schoenlapper. Zijn eerste muzieklessen kreeg hij van zijn vader, die koorzanger en violist was in de Sint-Martinuskerk te Halle.

François Servais vervolgde zijn opleiding aan de Koninklijke Muziekschool. Koning Leopold I stelde hem aan als solocellist. Tot 1866 ondernam Servais concertreizen in heel Europa. In 1837 was hij voor het eerst in Nederland. Tijdens een hofconcert in Den Haag werd hij zo bewonderd door Anna Paulowna, de prinses van Oranje, dat zij hem introduceerde bij haar broer, tsaar Nicolaas I. Servais vertrok in 1839 op concertreis naar Rusland, waar hij onder meer optrad voor de tsaar.

In Rusland leerde François Servais ook zijn vrouw kennen, Sophie Feygin. Het echtpaar liet te Halle een riante villa in Italiaanse stijl bouwen. Ze kregen zes kinderen. Na een concertreis naar Parijs werd hij daar in de pers "le Paganini du violoncelle" genoemd.

In 1848 werd François Servais cellodocent aan het Brusselse Conservatorium. In 1866 overleed hij op 59-jarige leeftijd.

François Servais componeerde

     18 orkestwerken

Concerto in b kleine terts,  opus  5 voor  cello en piano of orkest, 1847

Concerto Militaire, opus 18 voor  cello en piano of orkest, 1861.

     32 kamermuziekwerken

www.servais-vzw.org

 

Napoléon Henri Reber (Mulhouse, Elzas, Frankrijk, 1 oktober 1807 – Parijs, 24 november 1880) studeerde bij Anton Reicha en Jean François Lesueur.

In 1851 werd Napoléon Henri Reber docent harmonieleer aan het Conservatoire de Paris. In 1862 volgde hij Fromental Halévy op als docent compositie. Vanaf 1871 was hij muziekinspecteur van de conservatoria.

Napoléon Henri Reber componeerde

     4 symfonieën

symfonie nr. 4 in G grote terts, 1850

     1 ballet

     opera’s

     kamermuziek

     liederen

     arrangementen

Zijn arrangement of Frédéric Chopin's Marche Funèbre werd gespeeld tijdens de begrafenis van Chopin op de Père Lachaise Begraafplaats in Parijs op 30 oktober 1849.

 

Pierre Louis Philippe Dietsch (Dijon, Frankrijk, 17 maart 1808 – Parijs, 20 februari 1865) werd geboren in Dijon aan de rue Jean-Jacques Rousseau 38. Zijn vader, een kousenfabrikant kwam uit de Duitse stad Apolda, tussen Leipzig en Weimar, zijn moeder kwam uit Dijon.

Louis Dietsch was koorknaap in de kathedraal van Dijon en studeerde vanaf 1822 aan het Koninklijk Choron Instituut voor Klassieke en Religieuze Muziek in Parijs. In 1830 ging Louis Dietsch naar het Parijse conservatorium waar hij contrabas studeerde en contrapunt bij Anton Reicha. In 1831 trouwde Louis Dietsch met Pauline Sacré, met wie hij twee dochters kreeg.

Hij begon zijn werk als kapelmeester aan de Sint Eustatiuskerk van Parijs en als eerste contrabassist in het Théâtre Italien. In 1840 werd Louis Dietsch koormeester aan de Parijse Opera, in 1860 orkestleider. Nadat hij in 1863 bij de repetities van het Siciliaanse Vesper zo’n ruzie met componist Guiseppe Verdi maakte, dat die boos wegliep, werd Louis Dietsch bij de Opera ontslagen. Daarna was Louis Dietsch tot aan zijn dood docent aan de Niedermeyer school (de opvolger van het Choron Instituut). Gabriël Fauré was een leerling van hem. 30 april werd er een buste van hem ingemetseld in de gevel van zijn geboortehuis en in 1889 werd er een straat in Dijon naar Louis Dietsch vernoemd.

Louis Dietsch componeerde

     1 opera

- Le vaisseau fantôme, ou Le maudit des mers ("Het spookschip, of de Vervloekten van de Zee") 9 November 1842, libretto Paul Foucher en Henry Révoil, gebaseerd op Walter Scott'  The Pirate, Captain Marryat's The Phantom Ship en andere bronnen, zoals Wagners scenario voor de opera Der fliegende Holländer

     25 missen

     2 requiems

     1 Te Deum

     32 motetten

- Ave Maria van “Arcadelt”, losjes gearrangeerd van Jacques Arcadelts 'driedelige madrigaal "Nous voyons que les hommes". Louis Dietsch probeerde het als een originele “Arcadelt” aan de man te brengen. Hij was een soort muzikale Van Meegeren.

     4 boeken  religieuze liederen

·         2 series orgelwerken

 

Maria Malibran (María Felicia García Sitches, Rue de Condé 3, Parijs, Frankrijk, 24 maart 1808 - Manchester, 23 september 1836) was de dochter van de Andalusische tenor, componist en zangpedagoog Manuel del Pópulo Vicente García en sopraan Joaquina Sitches. Haar dertien jaar jongere zus Pauline Viardot-García werd componiste en zangeres en haar broer Manuel Patricio Rodríguez García was bariton en schreef een lesmethode voor zangers. Maria kreeg haar eerste zanglessen van haar vader, wat steeds tot stevige ruzies leidde tussen de twee krachtige ego’s. Vanaf haar vijfde trad ze in het operagezelschap van haar vader op.

Maria Malibran maakte op 11 juni 1825 op zeventienjarige leeftijd in Londen haar debuut als mezzosopraan Rosina in Il barbiere di Siviglia van Gioacchino Rossini. Haar loopbaan stond voor een deel in het teken van de stijgende populariteit van Gioacchino Rossini. Zij zong een aantal premières van zijn opera's. Na het sluiten van het operaseizoen in Europa in 1825, trok Manuel Garcia met zijn operagezelschap naar New York, waar Maria de de hoofdrollen zong in 8 opera’s

In New York trouwde de zeventienjarige Maria tegen de wil van haar ouders met de 45-jarige koopman Eugène Malibran. Ze dacht een rijk huwelijk te sluiten, probeerde aan haar tyrannieke vader te ontsnappen en wilde zich terugtrekken van het toneel, maar Eugène Malibran stond op de rand van een faillissement. Maria Malibran maakte zich onafhankelijk van haar echtgenoot door in Philadelphia en New York optredens te geven. In 1827, kwam zij alleen terug naar Parijs, waar Gioacchino Rossini haar loopbaan bevorderde.

Maria Malibran leefde in Parijs openlijk samen met haar nieuwe liefde, de Belgische violist Charles de Bériot. De hoge adel en de haute bourgeosie aanvaardden dat concubinaat niet en de daarvoor zo populaire Maria Malibran werd buitengesloten uit de kastelen en de grote salons. Maria Malibran week uit naar Londen.

In 1831 kwam Eugène Malibran naar Europa om een aandeel te verwerven in de inkomsten en bezittingen van zijn rijk geworden vrouw. Hij trof haar aan in gezelschap van een pasgeboren kind dat zijn naam droeg, maar niet door hem kon zijn verwekt: Charles-Wilfrid de Bériot, hij zou later een bekende pianopedagoog worden. Maria weigerde om haar echtgenoot geld te geven en om dat te bewerkstelligen, stopte zij met lesgeven en zingen. Daardoor kon hij het gewenste geld niet meer opeisen. Na 1832 trad ze niet meer in het openbaar op binnen de grenzen van Frankrijk. Maria Malibran maakte wel een tournee door Italië, want in het vaderland van de belcanto was ze ook als onafhankelijk denkende vrouw een gevierd zangeres. Haar onafhankelijkheid maakte haar tot een idool van de Italiaanse onafhankelijkheidsbeweging.

Maria Malibran droeg tijdens haar reizen mannenkleren en mende haar eigen koets. Zij nam risico's wanneer zij paarden mende of bereed.

In 1836 werd Malibrans huwelijk door tussenkomst van haar vriend Markies de la Fayette ontbonden. Zij hertrouwde met Charles de Bériot. Ludwig Mendelssohn schreef een speciale aria met vioolbegeleiding voor hun huwelijksdag.

In mei 1836 ontsnapte een varken aan een op straat werkende slager. Het angstige dier vluchtte onder de benen van het paardenspan van Maria de Bériot was. De paarden sloegen op hol en tijdens hun dolle vlucht werd de zwangere vrouw naar buiten geslingerd. Zij brak haar rechterpols en kneusde haar rechterarm. Op haar hoofd zat een kneuzing zo groot als een ei en een krantenverslag sprak van "interne verwondingen". Het muziekfestival van Manchester vond desondanks doorgang. La Malibran zong op twee opeenvolgende dagen vier rollen. In een brief naar huis schreef zij dat haar stem het begaf, maar dat ze de Engelsen hun zin zou geven.

Na een door Sir George Smart gedirigeerd concert van Madame Caradori-Allan op 23 september 1836, vroeg het publiek om een toegift. Maria Malibran zei "Het zal mijn dood worden", maar trad toch nog eens op om niet voor haar rivale onder te doen. Na afloop viel de zwangere zangeres bewusteloos neer. Zij moest van het toneel worden gedragen en overleed een week later op 28-jarige leeftijd. Bij haar begrafenis stonden er 50.000 mensen langs de weg. Haar lichaam is opgebaard in een mausoleum op de begraafplaats van Laken, ten Noorden van Brussel. Op de marmerplaat boven haar graf staat: „Schoonheid, Genie en Liefde waren de namen van deze vrouw”.

María Malibran was niet alleen maar een uitzonderlijke zangeres. Ze componeerde, speelde buitengewoon bekwaam piano en harp, schilderde, tekende, ontwierp en naaide voor een deel haar kostuums zelf. Daarnaast was ze een voortreffelijke auteur. Haar brieven zijn literaire kunstwerken.

Maria Malibran was een publieksidool en haar portret werd op sieraden, pijpenkoppen en portretbustes vereeuwigd. Tot 25 jaar na haar dood werden dergelijke Malibran-memorabilia gefabriceerd. Er zijn tal van schilderijen en prenten van haar. Ook haar doodsmasker van gips is bewaard gebleven.

In 2008 reisde de Italiaanse sopraan Cecilia Bartoli door Europa met een mobiel Malibran-museum. Zij verzamelde souvenirs en portretten en maakte een CD met aria's en liederen die ook door Malibran zijn gezongen. Er zijn vijf films en een opera over het leven van Maria Malibran gemaakt.

Maria Malibran componeerde

     49 liederen

- Chansonette ”Rataplan”

 

Auguste-Joseph Franchomme (Lille, Frankrijk, 10 april 1808 – Parijs, 21 januari 1884) was de zoon van muzikant Michel-Joseph Franchomme en Marie-Rose-Josèphe Lenfant. Auguste Franchomme studeerde cello aan het conservatorium van Lille bij M. Mas en Pierre Baumann, en daarna aan Conservatoire de Paris bij Jean-Henri Levasseur en Louis-Pierre Norblin

Auguste Franchomme speelde cello in verschillende orkesten en werd in 1828 solocellist aan de Sainte-Chapelle in Parijs. Auguste Franchomme richtte mede het Alard strijkkwartet op en was bevriend met vele componisten en musici waaronder Frederik Chopin, waar hij veel mee samenspeelde en ook samen mee componeerde.

In 1843 verkreeg hij de Duport Stradivarius van de zoon van Jean-Louis Duport voor het kapitale bedrag van 22.000 Franse francs. Hij was ook eigenaar van de De Munck Stradivarius uit 1730.

In 1846 werd hij hoofddocent cello aan het Parijse conservatorium. Auguste Franchomme was getrouwd met Amélie Pillot. Ze kregen een zoon en twee dochters.

Auguste Franchomme was de beroemdste cellist uit zijn tijd en werd in 1884 gedecoreerd met het Legioen van Eer.

De erfgenamen van Auguste Franchomme verkochten de Duport Stradivarius voor 40 000 francs aan Ebsworth Hill et Cie. Tot 27 april 2007 werd de Duport bespeeld door Mstislav Rostropovitsj.

Auguste Franchomme componeerde

     55 (series) werken voor cello

Twaalf Caprices, opus  7,

‒ Nocturne in e kleine terts,  opus 14 nr. 1 voor cello en piano

‒ cello concerto, opus. 33;

‒ Twaalf Études, opus 35,  eventueel met een tweede cello

 

Michael William Balfe (Dublin, Ierland, 15 mei 1808 – Hertfordshire, Engeland, 20 oktober 1870) werd geboren in Pitt Street Nr. 10 in Dublin. Hij was de zoon van dansmeester en violist William Balfe (1783–1823) en Catherine Ryan. Michael Balfe bleek al jong behoorlijk muzikaal. Hij kreeg les van zijn vader, en van componist William Rooke. Het gezin verhuisde naar Wexford waar Michael Balfe op zijn zesde viool speelde voor zijn vaders dansklassen en op zijn zevende al een polka componeerde.

Toen hij 9 was, gaf hij zijn eerste viooloptredens in het publiek en componeerde ook al behoorlijk. In 1823, na de dood van zijn vader, vertrok teenager Michael Balfe naar Londen, waar hij een benoeming kreeg als violist in het orkest van het Koninklijk Drury Lane Theater. Al vrij snel werd hij dirigent van het orkest. Ondertussen studeerde hij viool bij Charles Horn en compositie bij diens vader Karl Friedrich Horn, de organist van de St. George’s Chapel in Windsor.

Naast zijn bezigheden als violist en componist, streefde Michael Balfe een carrière na als operazanger. In Engeland wilde dat niet erg lukken, maar in 1825 nam graaf Mazzara hem mee naar Rome, waar hij hem voorstelde aan Luigi Cherubini. Michael Balfe componeerde het ballet La Perouse, werd bevriend met de Rossini 's, en trad in 1827 als Figaro op in De Barbier van Sevilla bij de Italiaanse opera in Parijs.

Michael Balfe bleef acht jaar in Italië als zanger en componist. Rond 1831 trouwde hij met de Oostenrijkse zangeres Lina Roser (1806–1888), die hij een keer in Bergamo was tegengekomen. Ze kregen twee zonen en twee dochters.

In mei 1835 kwam Michael Balfe met zijn vrouw en zijn eerste dochter in Londen. Hij had er behoorlijk succes met zijn opera’s.

Van 1846 tot 1852 was Michael Balfe aangesteld als muzikaal directeur en dirigent van de Italiaanse opera in Her Majesty's Theatre,

Hij ging in 1864 met pensioen en vestigde zich in Hertfordshire, waar hij het landhuis Rowney Abbey bezat. Hij overleed daar in 1870, en werd begraven op de Kensal Green Begraafplaats in Londen, naast zijn Ierse collga componist en vriend William Vincent Wallace. Er is daar een begrafenismonument voor hem opgericht. In 1882 is er een medaillonportret van hem onthuld in Westminster Abbey. In 1912 werd er een herinneringplaquette geplaatst aan de 12 Seymour Street, Marylebone in Londen, waar Michael Balfe heeft gewoond.

Michael Balfe componeerde

     29 operas.

- The Bohemian Girl, libretto Alfred Bunn, losjes gebaeerd op een verhaal van Cervantes: La Gitanilla, 27 november 1843. Satanella, or The Power of Love, opera in 4 bedrijven, libretto Augustus Harris en Edmund Falconer, 20 december 1858. Een niet zo griezelig griezelverhaal. Hoofdpersoon Satanella (sopraan), door pure liefde bevangen, verandert van een duivelin in een engel. Zingt de mooie aria “There’s a power” aan het eind van de eerste akte. Je zou verliefd op haar worden.

     2 cantatas

     4 motetten

     13 trio’s en 17 duetten voor zangers

     3 orkestwerken

symfonie, 1829.

     3 kamermuziekwerken

     250 liederen voor zangstem en piano

     3 pianowerken

 

Ernst Friedrich Eduard Richter (Großschönau, Duitsland, 24 oktober 1808 – Leipzig 9 april 1879) studeerde vanaf 1831 aanvankelijk Theologie in Leipzig, maar stapte al gauw over naar muziek.

In 1843 werd Richter leraar harmonieleer en compositie aan het Koninklijk conservatorium te Leipzig. Met Felix Mendelssohn Bartholdy en Robert Schumann was hij een van de eerste zes leraren met een vaste aanstelling van deze instelling.

Van 1843 tot 1847 leidde hij de Sing-Akademie van Leipzig, In 1851 werd  Ernst Friedrich Richter organist van de Petruskerk, in 1862 van de Nieuwe kerk en in 1863 van de Nicolaikerk op het nieuwe Ladegast-orgel. In 1868 volgde hij  Moritz Hauptmann (1792–1868) op als cantor van de Thomaskerk.

Richters voornaamste leerling was de muziekwetenschapper Hugo Riemann. Ernst Friedrich Richter was de vader van de pianist / componist Alfred Richter (1846–1919) en broer van de Bachonderzoeker Bernhard Friedrich Richter.

Ernst Friedrich Richter componeerde

     2 missen

     motetten

     psalmen

     1 Stabat mater

     oratoria

Christus der Erlöser, 1849

     cantates

Dithyrambe,  opus 48, 1859

     liederen

     pianowerken

     orgelwerken

     kamermuziekwerken

 

Jakob Ludwig Felix Mendelssohn Bartholdy (Hamburg, 3 februari 1809 ‒ Leipzig, 4 november 1847) werd geboren in een rijke Joodse familie. Zijn vader Abraham Mendelssohn was bankier en zijn grootvader was de Joods-Duitse filosoof Moses Mendelssohn (1729- 1786). In 1812 verhuisde de familie naar Berlijn. Op zesjarige leeftijd kreeg hij pianoles van zijn moeder en op zevenjarige leeftijd van Marie Bigot in Parijs.

In 1816 werd Felix Mendelssohn gedoopt in de Gereformeerde Kerk in Berlijn. In 1817 kreeg hij les in compositie van Carl Friedrich Zelter. Voordat hij dertien was had hij al verschillende composities op zijn naam, waaronder het pianokwartet opus 1. Hij componeerde zijn eerste symfonie op vijftienjarige leeftijd. Op zijn zeventiende componeerde hij de ouverture voor de Midzomernachtsdroom van Shakespeare. Zijn leraar Carl Friedrich Zelter had toegang tot de bibliotheek van prinses Anna Amalia van Pruisen, waar één of twee kopieën van Johann Sebastian Bachs' Matthäuspassie lagen opgeslagen. Op zijn 15de verjaardag kreeg Felix Mendelssohn van zijn grootmoeder Bella een handgeschreven kopie van de volledige partituur cadeau. Zes jaar later zong Felix Mendelssohn het eerste deel met een paar vrienden en kennissen door. Zijn vriend Eduard Devrient vond dat het absoluut moest worden uitgevoerd. Op 11 maart 1829 gaf Felix Mendelssohn met groot succes een uitvoering van de Matthäuspassion, de eerste uitvoering van dit werk sinds het overlijden van Johann Sebastian Bach. Felix Mendelssohn breidde het orkest voor de uitvoeringen behoorlijk uit, hij herorkestreerde, het is meer Mendelssohn dan Bach.

In 1835 werd  Felix  Mendelssohn  muziekdirecteur èn Kapellmeister van het Gewandhausorchester in Leipzig. Voor die tijd waren deze twee functies gescheiden. Hij kreeg ook de leiding van de opera in München en van het muziektijdschrift de Allgemeine musikalische Zeitung. In 1836 was Felix Mendelssohn op een vakantie in Scheveningen. Hij maakte een mooi tekening van de Kleine Groenmarkt in Den Haag.  

Tijdens een bezoek aan Frankfurt ontmoette hij Cécile Jeanrenaud, een nakomeling van een Franse Hugenotenfamilie, met wie hij op 28 maart 1837 trouwde. Ze kregen samen vijf kinderen. In september van hetzelfde jaar dirigeerde 1837 hij zijn oratorium Paulus op het Birmingham Festival. Hij reisde maar liefs tien keer naar Engeland, waar koningin Victoria en Prins Albert grote fans van hem waren. 

Felix Mendelssohns twee oratoria Paulus en Elias waren beïnvloed door de muziek van Johann Sebastian Bach, waar Mendelssohn dus al erg mee bezig was geweest.

In 1841 werd hij in Berlijn benoemd tot directeur van de muziekafdeling van de kunstacademie. Hier componeerde hij toneelmuziek voor stukken in het Grieks, Engels en Frans.

In 1842 werd  Felix  Mendelssohn als een der eersten opgenomen in de exclusieve Orde "Pour le Mérite". Eind 1842 richtte hij in Leipzig het conservatorium op. Hij gaf les in piano en compositie.

In 1847 overleed hij, op 4 november, slechts achtendertig jaar oud, zwaar overwerkt en geheel uitgeput, na een reeks hartinfarcten, een paar maanden na zijn zus Fanny.

De Nationaalsocialisten verboden  Felix Mendelssohns werk dat zij als "Joods", en daarom verwerpelijk, beschouwden.

Felix Mendelssohn componeerde

     6 opera’s

     1 operette

     3 oratoria

- Paulus, oratorium voor 2 sopranen, tenor, bariton, 2 bassen, gemengd koor en orkest, opus 36; tekst: Julius Schubring, 1836

- Elias (Elijah), oratorium voor 2 sopranen, alt, tenor, bas, groot gemengd koor en orkest, opus 70 - tekst: Julius Schubring, 1846; Mendelssohn voerde de Engelstalige première van het werk in 1846 uit met 125 orkestmusici en 271 koorleden. Tegenwoordig oen wet meestal met wat minder. De Bijbelse strijd tussen Jahweh en afgod Baäl ontketend noga wat natuurkracht, die in de muziek beeldend worden vormgegeven. Het koor uit het tweede bedrijf nr. 29 „Siehe, der Hüter Israels“ wordt nogal eens afzonderlijk uitgevoerd

     13 symfonieën voor strijkorkest, geschreven tussen 1821 en 1823, toen hij zo'n dertien jaar oud was

- symfonie nr. 7 in d kleine terts

- symfonie nr. 12 in g kleine terts

     5 symfonieën

- symfonie nr. 1 in c kleine terts, opus 11, 1824, toen de componist 15 jaar oud was. Het werk is opgedragen aan de Royal Philharmonic Society, die het werk 25 mei 1829 uitvoerde met Mendelssohn als dirigent.   

- symfonie nr. 2 in Bes grote terts, opus 52, "Lobgesang", 1840, Symfonie-cantate voor drie zangstemmen, gemengd koor, orgel en orkest, geschreven voor de viering van 400 jaar boekdrukkunst, samen met de Festgesang "Gutenberg Cantata". De 10-delige symfonie begint met een driedelige instrumentale sinfonia, gevolgd door 9 delen voor solisten, koor en orkest. Het geheel duurt 70 minuten. De cantatesymfonie doet verslag van de reis naar het donker, waaruit God de mens zal verlossen.

1. Sinfonia

2. Allegro moderato maestoso – Animato;  koor, sopraan en vrouwen koor zingen het Lutherlied "Alles, was Odem hat, lobe den Herrn!"

5. Andante twee sopranen en koor zingen Ich harrete des Herrn,

6. tenoraria, driedelig, op Bijbelteksten, de tekst uit Jesaja 21 in het Allegro Assai Agitato: "Hüter, ist die Nacht bald hin?", snijdt door de ziel

8. Koraal "Nun danket alle Gott" 

- symfonie nr. 3 in a kleine terts, opus 56, “Schotse”, schreef Mendelsohn toen hij in 1829 Edinburgh bezocht. De  symfonie is even melancholiek als onstuimig, een illuster Harry Potter-kasteel;

- symfonie nr. 4 in A grote terts, opus 90, 1833, bekend als de Italiaanse, is geïnspireerd door de kleur en de atmosfeer van Italië. "Dit is het vrolijkste wat ik ooit gecomponeerd heb", zei de componsit zelf. Dat is meteen te horen.

- symfonie nr. 5 in D grote terts/d kleine terts, opus 107, Reformatie Symfonie, 1830, ter gelegenheid van de 300ste verjaardag van de presentatie van de Augsburgse Confessie, een hoofddocument van het Lutheranisme, in juni 1530 aangeboden aan Keizer Karel V. Het werk werd pas uitgevoerd in 1832. Behalve de langzame introductie is het hele werk geschreven in d kleine terts.

     14 concerto’s

- pianoconcert in a kleine terts, 1822, geschreven, net 13 jaar oud, voor de Sontagsmusiken in zijn ouderlijk huis

- vioolconcert in d kleine terts, 1822, een geniaal jeugdwerk, licht en fleurig; in 1951 kreeg Yehudi Menuhin de partituur van een antiquair, die het ergens onder een oude stapel muziek had gevonden. Hij bracht het in première.

- dubbelconcert voor viool, piano en strijkorkest in d kleine terts, (1823), dat het een jeugdwerk is, valt er niet aan te ontdekken;

- concerto voor twee piano’s en strijkorkest in As grote terts, 12 november 1824, geschreven door Felix Mendelssohn, toen hij 15 jaar oud was. Het manuscript is pas in 1950 in de Berlijnse Staats Bibliotheek teruggevonden. Sinds die tijd wordt het weer uitgevoerd.

- capriccio brilliant voor piano en orkest in B grote terts/ b kleine terts, opus 22, 1826

- pianoconcerto nr. 1 in g kleine terts, opus 25, 1831, charmant

- pianoconcerto nr. 2 in d kleine terts, opus 40, 1837

- vioolconcert in e-klein (opus 64, 1845), Mendelssohns’ laatste grote werk voor orkest. Een belangrijk werk voor het vioolrepertoire en een van de meest uitgevoerde concerten aller tijden.

     19 concertouvertures en andere orkestwerken

- Ouverture voor orkest in C  grote terts, opus  101, 1826, trompetouverture omdat de kopersectie van het orkest mooi werk levert;

- Ouverture & Theatermuziek bij  Shakespeare's "A Midsummer Night's Dream," opus  21 en  61.

De concertouverture in E grote terts, opus 21, schreef Felix Mendelssohn in 1826, de theatermuziek, voor de toneelspelproductie, opus 61, in 1842 in opdracht van Koning Frederik Willem IV van Pruisen; de wereldberoemde bruidsmars maakt deel uit van de theatermuziek, die, de ouverture inbegrepen uit 11 nummers bestaat. Vaak wordt door orkesten en suite van de 5 puur instrumentale nummers gespeeld. 

1.Ouvertüre: Allegro di molto

2.Elfendans: Allegro vivace

6. Notturno: Con moto tranquillo

7. Hochzeitsmarsch: Allegro vivace, deze "Bruiloftsmars" is zijn meest bekende werk.

8. Dans van de clowns (Bergamasca): Allegro di molto

- Die Hebriden, concertoverture opus 26, 1830, geïnspireerd door een grot: Fingal's Cave op Staffa, een eiland in de Hebriden archipel, aan de westkust van Schotland. De ouverture is opgedragen aan Koning Friedrich Wilhelm IV van Pruisen. Mendelssohn schreef het werk toen hij een tocht maakte door Engeland en Schotland.

- Meeresstille und glückliche Fahrt, Concertouverture, opus 27, 1832,  is gebaseerd op de gedichten Meeresstille en Glückliche Fahrt van  Johann Wolfgang von Goethe.

- Das Märchen von der schönen Melusine (hert sprookje van de mooie Melusine), opus 32, MWV P 12,  Concert-Ouvertüre,1833, naar aanleiding van de opera Melusina van Conradin Kreutzer. Echt schitterend.

- Ouverture voor het toneelstuk "Ruy Blas", opus 95, 1839; vurig en vitaal

     3 werken voor harmonie-orkest

     8 cantates

     18 toonzettingen van  psalmen

- Psalm 42, opus 42, psalmcantate voor solisten, koor en orkest, 7 delen; met een grootse fugatische finale brengt Mendelssohn een ode aan Bach

- Drie psalmen, opus 78, 1849, voor 8-stemmig dubbelkoor

3. Mein Gott, warum hast du mich verlassen (Psalm 22)

     7 andere (series) werken voor koor (solostemmen) en instrumenten

- Kirchenmusik, opus 23, drie motetten voor koor, solostemmen en orgel (of orkest), 1830

nr. 1, "Aus tiefer Not schrei ich zu dir", voor tenor, gemengd koor en orgel

nr. 3, "Mitten wir im Leben sind, tekst Maarten Luther, voor 8 stemmen a capella

- Drie motetten,  opus 39, voor vrouwenkoor en orgel,  1830

nr. 2 Laudate pueri

- Hör' mein Bitten, hymne voor sopraan solo, koor en orgel of orkest, 1844, libretto William Bartholomew (1793–1867), naar psalm 55

     15 andere (series)  werken voor (solostemmen en) koor a cappella

- Hora est, 1828, Antifoon en Responsorium voor 16 stemmen in vier koren, solo bariton en orgel ad libitum

- Sechs Sprüche zum Kirchenjahr, Op. 79, 1844, SSAATTBB

nr 2. Frohlocket, ihr Völker auf Erde

- Drie motetten, opus 69, 1847 voor koor a cappella

Magnificat, Op. 69 nr. 3

     1 strijkoctet

- Octet in Es grote terts, opus 20, 15 oktober 1825, toen de componist 16 jaar was. Verjaardagscadeau voor zijn vriend en vioolleraar Eduard Ritz (1802-1832); in 1832 licht gereviseerd.

     pianosextet in D groot, opus 110, voor piano, viool, wee altviolen, cello en bas, 1824

     1 strijksextet

     2 strijkkwintetten

- Strijkkwintet in Bes, opus 87, 1845

     7 strijkkwartetten

- strijkkwartet in Es grote terts, 1823

- strijkkwartet nr. 1 in Es grote terts, opus 12, 1829,

- strijkkwartet nr. 2 in a kleine terts, opus 13 (1827), het werk van een 18-jarige die onder de indruk is van Beethovens dood; de finale verwijst naar “Les Adieux”, Beethovens pianosonate nr. 26; uitdagend; prachtig intiem en breekbaar Adagio; elegant intermezzo;

- strijkkwartet nr. 3 in D grote terts, opus 44/1, 1838, lichtvoetig opgewekt en uitgebalanceerd; de vierdelige sonate heeft een zangerig derde deel: Adagio ma non troppo

- strijkkwartet nr. 4 in e kleine terts, opus 44/2, 1838.

- strijkkwartet nr. 5 in Es grote terts, opus 44/3, 1838, tamelijk onbekommerd.

- strijkkwartet nr. 6 in f kleine terts, opus 80, 1847, een emotioneel meesterwerk, reflecteert de dood van zijn zus Fanny. Geniale muziek die diep weet te raken.

- Vier stukken voor strijkkwartet, opus 81.

Fuga in Es grote terts, 1827, woest

Capriccio in e kleine terts, 1843

Andante sostenuto in E grote terts, 1847, roerend

Scherzo in a kleine terts, 1847.

     3 pianokwartetten

     2 concertstukken voor klarinet, bassethoorn en piano

- Konzertstück (Die Slag bij Praag) in f kleine terts, opus 113, 1833, voor klarinet, bassethoorn en piano; door Mendelssohn zelf ook georkestreerd;

- Konzertstück in  d kleine terts, opus 114, 1833, voor klarinet, bassethoorn en piano; georkestreerd door Carl Bärmann.

     3 pianotrio’s, waarvan de 2 "volwassen" echte juweeltjes, niets dan edelheid, zuiverheid en sprankeling.

- trio voor piano, viool en altviool in c kleine terts, 1820, toen hij elf jaar was.

- pianotrio nr. 1 in d kleine terts, opus 49, 1839 voor viool, cello en piano. Naast Mendelssohns’ octet opus 20 een van  zijn  beste en populairste kamermuziekstukken.  Springerig Scherzo en smeuïge finale. Mendelssohn het het trio in juli 1839 klaar, maar maakte in september een nieuwe versie. Beide versies zijn de moeite waard.  Zijn Engelse uitgever haalde hem in 1840 over, om de vioolpartij om te werken naar een dwarsfluitpartij. Die mogelijkheid is ook bewaard gebleven en toont Mendelssohn als een geniale arrangeur.

- pianotrio nr. 2 in c kleine terts, opus 66, 1845, voor viool cello en piano, opgedragen aan violist Louis Spohr. Ook een flitsend scherzo en een speelse finale.

     7 sonates

- Vioolsonate in f kleine terts, opus 4, 1825;

- Variations concertantes voor cello en piano, opus 17, 1829, Mendelssohn was 11 jaar oud, maar het werk steekt de variatiekunst van Beethoven naar de kroon;

- Cello Sonata nr. 1 in Bes groot, opus 45, 1838.

- Vioolsonate in F major, 1838

- Cello Sonata nr. 2 in D groot, opus 58, 1843, opgedragen aan de Russisch/Poolse cellist Graaf Mateusz Wielhorsky; een uiterst boeiend werk;

- Lied zonder woorden in D grote terts voor cello and piano, 1845, opus 109; Felix Mendelssohn schreef de werken voor zijn broer Paul, een begaafde cellist, die zou kiezen voor het bankiersvak;

     10 verzamelingen liederen voor twee tot vier zangstemmen

     11 verzamelingen liederen voor zang en piano

- Sechs Gesänge opus 34, 1832–1836

nr 2. Auf Flügeln des Gesanges, tekst Heinrich Heine

     8 boeken Lieder ohne Worte voor piano solo, elk boek steeds met 6 "liederen"

Lieder ohne Worte, boek II, opus 30, 1835, opgedragen aan Elise von Woringen.

1. Andante espressivo in Es grote terts

2. Allegro di molto van bes kleine terts naar Bes grote terts

3. Adagio non troppo in E gote terts

4. Agitato e con fuoco in b kleine terts

5. Andante grazioso in  D grote terts

6. Venetianisches Gondellied, Allegretto tranquillo in fis kleine terts

Lieder ohne Worte, boek III, opus 38, 1837, opgedragen aan Rosa von Woringen.

Lieder ohne Worte, boek V, opus 62, 1844, opgedragen aan Clara Schumann.

1. Andante espressivo in G grote terts

2. Allegro con fuoco in Bes grote terts

3. Andante maestoso in e kleine terts, "Trauermarsch"

4. Allegro con anima in G grote terts

5. Andante con moto in a kleine terts, "Venezianisches Gondellied"

6. Allegretto grazioso in A grote terts, "Frühlingslied", in Engeland gecomponeerd, toe hij logeerde bij familie van zijn vrouw Cécile

     7 "Lieder ohne Worte" zonder opusnummer 

+ Reiterlied, in d kleine terts, 1844     

     3 sonates voor piano solo

     12 andere werken voor piano

- Rondo capriccioso in E grote terts, opus. 14, 1824

- Scherzo in bes kleine terts, 1829

- Scherzo a capriccio in fis kleine terts, 1836

- Zes Preludes en Fuga’s, opus 35, 1837, preludes romantisch gelaagd, fuga's op Johann Sebastian Bach geïnspireerd.

1. Preludium en Fuga in e kleine terts

2. Praeludium II: Allegretto – Fuga II: Tranquillo e sempre legato (D grote terts)

5. Preludium en Fuga in f kleine terts. Fenomenale fuga

- 4 fantasia's

Fantasia in fis kleine terts, opus 28 ("Sonate écossaise")

- Variations sérieuses, opus 54, zeventien variaties over een thema in d kleine terts, 4 June 1841, geschreven als onderdeel van een fondswervingscampagne voor de oprichting van een standbeeld van  Ludwig van Beethoven in Bonn.

- Andante met variaties in Es grote terts,  opus 82, 1841

     62 werken voor orgel

- Passacaglia c kleine terts, 1823

- Drie Preludes en Fuga’s, opus 37, 1837

Prelude en fuga nr. 1 in c kleine terts

Prelude en fuga nr. 2 in G grote terts

Prelude en fuga nr. 3 in d kleine terts

- 6 orgelsonates,opus 65, 1845.

orgelsonate nr. 1 in f kleine terts

orgelsonate nr. 2 in c kleine terts

orgelsonate nr. 3 in A grote terts (gebaseerd op Luthers koraal Aus tiefer Not schrei ich zu dir)

orgelsonate nr. 4 in Bes grote terts

orgelsonate nr. 5 in D grote terts

orgelsonate nr. 6 in d kleine terts (gebaseerd op het Luther/Bach koraal Vater unser im Himmelreich, BWV 416)

     25 (series) transcripties en arrangementen van werken van andere componisten

- Johann Sebastian Bach: Matthäuspassion, 1829  

- George Frederic Handel: oratorium Israel in Egypt  in een Duitse vertaling, 1833. Als ouverture gebruikte Mendelssohn zijn eigen "Trompetouverture" en hij voegde fluiten en klarinetten toe aan het orkest.

 

Johann Benjamin Groß (Elbing (nu Elblag), Oostpruisen, Duitsland, 12 september 1809 – Sint Petersburg, 1 september 1848) was de zoon van beiaardier Georg G. Groß en Dorothea van Bergen. HIj kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn vader en volgde daarna in Berlijn een cello-opleiding bij kamermuzikant Ferdinand Hansmann,

In 1824 kreeg Johann Benjamin Groß een aanstelling in het Theaterorkest van Berlijn. In 1830 werd hij 1ste cellist van het Gewandhausorchester Leipzig. In 1833 was hij korte tijd cellist in het orkest van het theater in Maagdenburg. Zijn vriend, kunstmecenas Baron Karl Eduard von Liphart, nam hem mee naar Dorpat (tegenwoordig Tartu in Estland) om mee te spelen in zijn kwartetkapel.

In 1835 trouwde Johann Benjamin Groß met Catharina von Witte uit Reval (tegenwoordig Tallinn). Ze kregen drie dochters.

In hetzelfde jaar 1835 ging Johann Benjamin Groß naar Sint Petersburg en werd 1ste cellist van het Keizerlijke Hoforkest. Daarnaast werkte hij als celloleraar en als componist. Hij overleed in Sint Petersburg aan cholera.

In 2004 werd er voor het eerst weer werk van de lang vergeten componist uitgevoerd.

Johann Benjamin Groß componeerde

     6 werken voor cello en orkest

     2 (series) koorwerken

     8 (series) werken voor cello en piano

     5 (series) celloduetten

     9 andere kamermuziekwerken

     6 (series) liederen