Componisten

vanaf 1810

 

Ole Bull (Bergen, 5 februari 1810 – Lysøen, 17 augustus 1880) leerde al jong klassieke muziek waarderen. Zijn vader zag liever een zoon die theologie studeerde. Als autodidact werd hij toch een virtuoos violist. Op vijfjarige leeftijd speelde hij al alle stukjes op de viool, die hij zijn moeder had horen spelen. Op 9-jarige leeftijd speelde hij de eerste viool in het theaterorkest van Bergen  In 1829 maakte hij kennis met Louis Spohr in Kassel en in 1832 gaf hij in Parijs zijn eerste concert. Hij trouwde in 1836 met Alexandrine Félicie Villeminot. Ze kregen zes kinderen, waarvan er maar twee Ole Bull overleefden. Alexandrine stierf in 1862.

In 1843 vertrok hij naar de Verenigde Staten, maar hij richtte wel in 1850 nog het Noorse Theater op in Bergen.

In 1852 richtte hij een kolonie op in Pennsylvania in de VS onder de naam Oleana of New Norway. Hij hoopte hier het leven voor de Noren makkelijker te maken, waar ze samen konden leven in harmonie en de Noorse tradities konden doorgeven in een nieuwe omgeving. Het project mislukte. Binnen binnen twee jaar waren de meeste kolonisten uitgeweken naar andere gebieden.

Gedesillusioneerd ging hij terug naar de muziek, waar zijn reputatie snel hersteld was. In de zomer van 1864 was hij de mentor van de jonge Edvard Grieg. In 1868 ontmoett Ole Bull Sarah Chapman Thorp, de dochter van een welgestelde houthandelaar. Ze trouwden (hij 60 jaar, zij 20) in 1870 en kregen één dochter.

Hij overleed in 1880 op het eiland Lysøen, nabij Bergen, Noorwegen aan kanker.

Ole Bull componeerde

     4 vioolconcerten

- Cantabile doloroso e Rondo giocoso, 1873 een intrigerend werk

     10 werken  voor  viool solo of viool en piano

     1 werk voor zang en piano

     1 strijkkwartet

 

Norbert Burgmüller (Düsseldorf, Duitsland, 8 februari 1810 – Aken, 7 mei 1836) was de jongste zoon van August Burgmüller, theaterdirigent en Therese von Zandt, zangeres en pianolerares. Zijn broer Friedrich was ook componist, voornamelijk van pianowerken. Na de dood van August in 1824 kwam de familie in financiële problemen, maar gelukkig werden ze ondersteund door graaf Franz von Nesselrode-Ehreshoven. Daardoor had Norbert Burgmüller de gelegenheid te studeren in Kassel bij Louis Spohr en diens leerling Moritz Hauptmann. Na zijn studie bleef Norbert Burgmüller in Kassel wonen en gaf pianoles. Hij verloofde zich met Sophia Roland. In 1830 verbrak Sophia de relatie tot groot verdriet van Norbert. Hij kreeg aanvallen van epilepsie en ontwikkelde een drankprobleem.

In 1830 keerde Norbert Burgmüller terug naar Düsseldorf. In 1833 sloot hij vriendschap met Felix Mendelssohn en verloofde zich opnieuw, met Josephine Collin, maar weer liep de relatie stuk. Nadat Mendelssohn in 1835 naar Leipzig was vertrokken, raakte Norbert Burgmüller bevriend met Carl Immermann en Christian Dietrich Grabbe en maakte hij plannen om zijn broer Friedrich achterna te gaan naar Parijs. In 1836 ging hij op uitnodiging van een vriend naar de geneeskundige baden in Aken, waar hij op mysterieuze wijze stierf. Misschien door een epileptische aanval, of misschien door zelfmoord.

Norbert Burgmüller componeerde

     1 (onvolotooide) opera

- Dionys, opus 5, opera naar Schiller's ballade "Die Bürgschaft", 1834, alleen de ouverture is bewaard gebleven

     5 (series) orkestwerken

- 4 Entr'actes, opus 17, 1828, geen idee waarvoor en waarin, charmant, intiem, kamermuzikaal karakter;

- Piano Concerto in fis kleine terts, opus 1, 1829, met allerlei nieuwigheden: trombones in  het orkest, een cellosolo in het tweede deel, geen cadensen, wijst naar leeftijdgenoot Chopin.

     6 kamermuziekwerken

     5 (series) liederen

     5 pianowerken

 

Frédéric François (Fryderyk Franciszek) Chopin (Żelazowa Wola, Hertogdom Warschau, 22 februari? (doopdatum: 1 maart) 1810 - Parijs, 17 oktober 1849) was zoon van de Poolse Justyna Krzyżanowska en de Franse Nicolas Chopin, die op 16-jarige leeftijd naar Polen was uitgeweken. Vanaf zijn vierde kreeg het wonderkind Fryderyc Chopin pianoles.

Op zevenjarige leeftijd gaf hij zijn eerste composities uit: een polonaise in g kleine terts en een polonaise in Bes grote terts.

Op zijn achtste jaar gaf hij zijn eerste openbare concert in het huidige presidentieel paleis in Warschau. De directeur van het conservatorium nam hem vanaf dat moment onder zijn hoede. 

Op zijn 19de maakte hij zijn eerste buitenlandse concertreis, naar Wenen. In November 1830, twintig jaar oud, vertrok hij definitief naar het buitenland als gevolg van de onderdrukking ten gevolge van de Novemberopstand in Polen (1830-1831) tegen het bewind van Tsaar Alexander I van Rusland. Hij reisde eerst weer naar Wenen, later naar Parijs.

Vanaf zijn 21ste leefde Frédéric Chopin in Parijs een geriefelijk leven als componist en pianoleraar. Hij gaf weinig concerten en nam nog les bij meesterpianist Frédéric Kalkbrenner. In Frankrijk gebruikte hij de Franse versies van zijn naam en nam uiteindelijk (1835) het Frans staatsburgerschap aan om te voorkomen dat hij afhankelijk zou zijn van documenten van het Russisch Keizerrijk.

Na een aantal mislukte romantische avonturen met Poolse vrouwen, had hij tussen 1837 en 1847 een stormachtige relatie met de Franse schrijfster George Sand (Aurore Dudevant), een excentrieke schrijfster van naam, die in mannenkleren rond liep en sigaren en pijp rookte. Aanvankelijk gelukkig, schreef ze in mei 1846 aan een vriend, dat zij van de acht jaar dat ze met Frédéric Chopin had samengeleefd, er zeven jaar als maagd had doorgebracht. In 1846 brachten ze samen nog een gelukkige laatste zomer door op haar landgoed in Nohant. Daarna was het afgelopen. Frédéric Chopins toch al slechte gezondheid verslechterde uiteindelijk en in 1849 stierf hij in Parijs 39 jaar oud aan tuberculose. Hij werd begraven op het kerkhof Père Lachaise in Parijs, met uitzondering van zijn hart: Poolse onderzoekers wilden zijn hart analyseren om uit te sluiten dat hij niet stierf aan een erfelijke longziekte. Nabestaanden van de componist gingen daar niet mee akkoord en nu is het hart, verpakt in alcohol, ingemetseld in een pilaar in de Kerk van het Heilige Kruis in Warschau.

Zijn oeuvre bestaat bijna geheel uit composities voor piano solo. Chopin bouwde diverse muzikale vormen verder uit zoals de ballade en het scherzo en vernieuwde oude vormen als de pianosonate, wals, nocturne, etude, impromptu en prelude.

Frédéric Chopin componeerde

     1 ballet

- Les Sylphides is een kort ballet blanc (puur ballet, zonder verhaal). De choreografie was van Michel Fokine, de muziek van Frédéric Chopin, georkestreerd door Alexander Glazunov.

     2 pianoconcerten

- Concert voor Piano en Orkest nr.1 in e kleine terts, Opus 11, 1830. Vierdelig concert meteen overzichtelijke, ordelijke orkestpartij. Heroïsch openingsdeel Allegro maestoso, gevolgd door een prachtig poëtisch Larghetto. Opzwepend slotdeel Allegro marziale animato, geïnspireerd op Poolse volksmuziek.

- Concert voor Piano en Orkest nr.2 in f kleine terts,  Opus 21, 1830, in feite Chopins éérste pianoconcert. In het middendeel Larghetto is het heimwee van Chopin naar Polen goed voelbaar.

     3 andere werken voor piano en orkest

- Variaties op "La ci darem la mano" uit de Opera "Don Giovanni" van Mozart in Bes grote terts, opus 2, 1827

- Fantasie op Poolse melodieën, opus 13, 1828. Commentaar van Robert Schumann: "Hoed af, mijne heren, een genie!

- Andante spianato et Grande polonaise brillante in Es grote terts, opus 22, 1834.  De Grande polonaise brillante voor piano en orkest was eerst gecomponeerd, in 1831. In 1834 schreef, Chopin er een inleidend Andante spianato in G grote terts voor piano solo bij en verbond hij de twee werken met een fanfareachtige sequens. Het werk is opgedragen aan Madame d’Este. Het hele werk wordt ook wel alleen op piano uitgevoerrd.

     10 kamermuziekwerken

- Introduction and Polonaise brillante in C grote terts, opus 3, voor cello en piano, tussen 20 en 28 oktober 1829 opgedragen aan de Oosterijkse cellist Joseph Merk

- Variaties over een Thema van Rossini in E grote terts, B. 9, 1824, voor fluit en piano, over het thema van de laatste aria uit “La Cenerentola”

- Grand Duo concertant in E gtote terts, B. 70, voor piano en cello, eschreven samen met cellist  Auguste Franchomme in 1832, gebaseerd op theams uit de opera Robert le diable van Giacomo Meyerbeer.

- Cellosonata in g klein, opus. 65, 1846, opgedragen aan August Franchomme, die het ook speelde tijdens Chopins laatste openbare concert. Het derde deel van de vierdelige sonate: Largo, lyrische dialogen in een afgewogen afwisseling.

     19 liederen voor zangstem en piano

     werken voor piano solo

- 27 etudes

+ 12 etudes opus 10, 1829-1833, opgedragen aan Franz Liszt

nr. 4 in cis kleine terts, snelle lichtvoetigheid;

+ 12 etudes opus 25, 1837 opgedragen aan de maîtresse van Franz Liszt, Marie d'Agoult.

+ Trois Nouvelles Études, 1840

- 4 impromptu’s

+ Fantaisie-Impromptu in cis kleine terts, opus postuum 66, 1834, opgedragen aan Julian Fontana; de melodie van het langzame middendeel van het driedelige werk werd gebruikt in het populaire lied I'm Always Chasing Rainbows en toegepast in minstens drie films.

+ Impromptu nr. 1 in As grote terts, opus 29, 1837. Het middendeel van het driedelige werk staat in f kleine terts. Een perpetuum mobile in triolen begeleidt het werk.

+ Impromptu nr. 2 in Fis grote terts, opus 36, 1839 De dolcissimo melodie blijft het het werk steeds aanwezig en de  tonaliteit is onbestemd;

+ Impromptu nr. 3 in Ges grote terts, opus 51, februari 1843, geschreven in 12/8 maatsoort

- 69 mazurka’s

+ 5 mazurka’s, opus 7,  1830 – 1832.

- nr. 1 (mazurka nr 5), in Bes grote terts.

- nr. 2 (mazurka nr 6), in a kleine terts.

- nr. 4 (mazurka nr 8), in As groe terts, oorspronkelijk al gecomponeerd in 1824, hiervoor gereviseerd.

+ 4 mazurkas opus 30, 1837

- nr. 4 (mazurka nr. 21) in cis klein, snoert de keel

+ 3 mazurka’s opus 59, nr. 36 – 38, in a kleine terts, As grote terts en fis kleine terts, juli 1845

+ 3 mazurka’s opus 63, nr. 39 – 41, in B grote terts, F kleine terts en cis kleine terts, herfst1846

- 21 nocturnes, korte stukken, tussen 1827 en 1846, gebaseerd op de door de Ierse componist John Field ontwikkelde nocturnevorm; fijnzinnig, onvervalst romantisch werk. Er zijn er verscheidene gearrangeerd voor viool en piano.

+ 3 nocturnes opus 9, 1830 - 1832, opgedragen aan Madame Camille Pleyel

- nocturne nr. 1, opus 9 nr. 1, in bes kleine terts

- nocturne nr. 2, opus 9 nr. 2 in Es grote terts,1830, zijn populairste nocturne, zelfs zijn beroemdste werk, te horen in films, series en computerspellen. De Engele Rockband Muse bewerkte het in 2009 in "United States of Eurasia"

- nocturne nr. 3, opus 9 nr. 3 in B grote terts

+ 3 nocturnes opus 15, 1833

- nocturne nr. 4, opus 15 nr. 1 in F grote terts, door cellist  Auguste Franchomme gearrangeerd voor cello en piano.

- nocturne nr. 6, opus 15 nr. 3 in g kleine terts.

+ 2 nocturnes opus 27

- nocturne nr. 7, opus 27 nr. 1 in cis kleine terts, 1835

- nocturne nr. 8, opus 27 nr. 2 in Des grote terts, 1836

+ 2 nocturnes opus 32

- nocturne nr. 10, opus 32 nr. 2 in As grote terts, 1837

+ 2 nocturnes opus 48

- nocturne nr. 14, opus 48 nr. 2 in fis kleine terts, 1841

+ 2 nocturnes opus 55, opgedragen aan Mademoiselle J. W. Stirling

- nocturne nr. 15 in f kleine terts, opus 55 nr. 1, 1844 

+ 2 nocturnes opus 62

- nocturne nr. 17 in B grote terts, opus  62, nr.1, 1846

- nocturne nr. 18 in E grote terts, opus  62, nr.2, 1846, één van Chopins laatste werken

+ 2 nocturnes postuum, zonder opusnummer

- nocturne nr. 20 in cis kleine terts, opus postuum 1 nr. 16,  1830  

- 27 preludes

+ 24 Preludes, opus 28, 1939, een mijlpaal in de klassieke muziek. Een soort “wohltemperiertes klavier” (alle toonsoorten worden systematisch gebruikt) van de Romantiek.

- prelude nr. 15 in Des grote terts, "regendruppelprelude". Chopin schreef de preludes in de winter van 1938/1939, die hij met George Sand op Mallorca doorbracht. In deze prelude verwekte hij het zachtjes tikken van de regendruppels op de Mallorcaanse dakpannen.

- prelude nr. 17 in As grote terts: Allegretton

+ prelude in cis kleine terts, 1841, opus 45

+ prelude in As grote terts, 1834, postuum uitgegeven in 1918; opgedragen aan Pierre Wolff

- 3 sonates

- pianosonata nr. 1 in c kleine terts, opus 4, 1828, opgedragen aan Józef Elsner, waarbij Frederic Chopin toen nog studeerde. De sonate werd pas postuum in 1851 uitgegeven. Een behoorlijk onderschatte sonate, wordt weinig uitgevoerd en is Chopins minst opgenomen werk

- pianosonata nr. 2 in bes kleine terts, opus 35, 1839. Van het begin tot het einde is er in het vierdelige werk een dramatische lijn aanwezig, mede dankzij thematische verbindingen. Het derde deel, de Marche funèbre, was al vóór 1837 gecomponeerd. Die Marche funèbre is erg bekend geworden. Hij werd gebruikt bij de begrafenissen van John F. Kennedy en van de de Sovjet leiders als Leonid Brezhnev. De Engelse componist Edward Elgar heeft er in 1933 een orkestversie in d kleine terts van gemaakt. Meesterlijk werk.

- pianosonata nr. 3 in b kleine terts, opus.58, 1844, opgedragen aan gravin Emilie de Perthuis. Muzikaal en technisch één van Copins lastigste composities.

- 20 walsen

+ 3 Walsen, opus 64, 1847

- wals opus 64 nr. 1,  “Le petit chien", zo genoemd omdat Chopin de opdracht kreeg een stuk over een hondje te schrijven, werd later de Minutenwals genoemd, omdat het mogelijk was het werk in 1 minuut te spelen (de vraag is, of er met die snelheid nog iets van het hondje overblijft).

- Waltz in cis kleine terts, opus 64, nr. 2, opgedragen aan Madame Nathaniel de Rothschild, een intieme compositie. In georkestreerde vorm maakt het deel uit van het ballet Les Sylphides

- 4 scherzi

+ Scherzo nr. 1 in b kleine terts, opus 20, 1832, opgedragen aan zijn vriend Thomas Albrecht. Vanwege de Pools-Russische oorlog verbleef Frederic Chopin in Wenen, voelde hij zich niet gelukkig en heeft het werk een donkere, dramatische uitstraling.

+ Scherzo nr. 2 in bes kleine terts, opus 31 1837, opgedragen aan Gravin Adèle Fürstenstein. Het werk werd gebuikt in de Woody Woodpecker tekenfilm “Musical Moments".

+ Scherzo nr. 3, opus 39, in cis kleine terts, 1839;

- 5 rondo’s

- 4 ballades

+ Ballade nr. 1 in g kleine terts, opus 23, 1831, na zijn vlucht uit Polen in Wenen gecomponeerd.

+ Ballade nr. 2 in F grote terts, opus 38, 1839

+ Ballade nr. 3 in As grote terts, opus 47, 1841

+ Ballade nr. 4 in f kleine terts, opus 52, in 1842 in Parijs en Nohant, gereviseerd in 1843, opgedragen aan Barones Rothschild, de vrouw van Nathaniel de Rothschild.

- 23 polonaises, waarvan 7 verloren zijn gegaan

+ polonaise nr. 5  in fis kleine terts, 1841, opus  44 opgedragen aan Madame la Princesse Charles de Beauveau, geboren de Komar, de “tragische polonaise”.

+ polonaise nr. 6 in As grote terts, opus 53 (Polonaise héroïque), 1842, één van Copins meest bewonderde composities, vraagt een grote virtusoiteit van de speler, buitengewoon lastig.

+ polonaise nr. 7  in As grote terts, opus 61, Polonaise-Fantasie, 1846, opgedragen aan Madame A. Veyret. Monumentaal.

- 10 variatiewerken, waarvan 3 verloren zijn gegaan

+ Variations brillantes in Bes grote terts over "Je vends des scapulaires" een aria uit de opera Ludovic van Ferdinand Hérold, opus 12, 1833

- 6 andere werken voor piano solo

+ Fantaisie in fis kleine terts, opus 49, 1841.

+ Berceuse in Des grote terts, opus 57, 1844, een wiegelied, variaties op een thema in Des grote terts; elegant en delicaat.

+ Barcarole in Fis grote terts, opus 60, zomer 1846, in het ritme en de stemming van de barcarolle.

     1 variatie werk voor piano vierhandig

     1 rondo in C groot, opus 73 voor 2 piano’s, 1828

 

Félicien-César David (Cadenet, Vaucluse, Frankrijk, 13 april 1810 – Saint-Germain-en-Laye, 29 augustus 1876). Zijn moeder stierf vlak na zijn geboorte. Félicien David leerde muziek van zijn vader, een begaafde amateur violist, vanaf zijn vijfde jaar. Op zijn zesde stierf zijn vader en bleef Félicien David als wees achter. Gelukkig had hij een mooie stem en kon hij daarom als koorknaap studeren aan de kerk van Saint-Sauveur in Aix-en-Provence. Al snel componeerde Félicien David motetten, gezangen en een strijkkwartet. Op zijn vijftiende ging Félicien David literatuur studeren aan een Jezuïetenschool, een studie die hij op zijn 18de weer inruilde tegen muziekstudie.

Félicien David kreeg werk in het theaterorkest van Aix. In 1829 werd hij maître de chapelle aan de Saint-Sauveur. Daarnaast studeerde hij nog contrapunt bij Millaul en Fétisen en orgel bij Benoist aan het Conservatorium van Parijs. Na zijn studie sloot Félicien David zich aan bij de sekte van Saint-Simon, een beweging, die gelijkheid voor allen nastreefde en waar hij nogal wat voor componeerde. De beweging werd 1832 verboden en viel toen uit elkaar, en Félicien David trok met een groepje vrienden naar het Midden-Oosten. Félicien David bleef meer dan twee jaar in Caïro in Egypte, waar hij muziekles gaf en de woestijn verkende. En uitbraak van de pest dreef hem in 1835 via Genua en Marseille terug naar Parijs. Félicien David kreeg in 1862 een Légion d'honneur in 1862 en een staatspensioen.

Félicien David componeerde

     6 opera’s

- Christophe Colomb, 1847,

- La perle du Brésil, 1851,

- Herculanum, 1859, opera in vier bedrijven, libretto Joseph Méry en Térence Hadot. Het epische verhaal is gesitueerd in het jaar 79 in Herculanum, een stad in de buurt van Pompeï aan de voet van de Vesuvius. Koningin Olympia koestert een verboden liefde voor de christenslaaf Hélios, die voor haar zijn geliefde geloofsgenote Lilia verraadt. Lilia op haar beurt wordt weer begeerd door Olympia's broer Nicanor. Gelukkig stlet de uitbarsting van de Vesuvius orde op zaken.

- Lalla-Roukh, opéra comique in twee bedrijven, 12 mei 1862, libretto Michel Carré en Hippolyte Lucas, gebaseerd op het gedicht Lalla-Roukh van Thomas Moore uit 1817. Hoofdpersoon is de Mongoolse prinses Lalla-Roukh (“Tulpwangetje”, sopraan). Onderweg naar Nourredin, koning van Samarkand, waarmee Lalla-Roukh zou trouwen, ontmoet ze de minstreel Feramoz (tenor), die zo’n indruk op haar maakt, dat ze besluit van haar huwelijk met koning Nourreddin af te zien. Uiteindelijk blijken de minstreel en de koning dezelfde persoon, zodat alles blij en gelukkig eindigt.

     1 theatermuziekwerk

     4 oratoria en odes

- Moïse au Sinaï, 1846,

- Eden, 1848.

     7 orkestwerken

- Le désert, ode-symfonie, libretto Auguste Colin voor tenor, mannenkoor, vrouwenkoor, verteller en orkest, 1844; de voorttrekkende karavaan is hoorbaar in vurig, pakkende ritmes en in harmonieën die verwijzen naar exotische oorden. Pure schoonheid in tekst en muziek.

     6 motetten

     24 strijkkwintetten

     24 andere kamermuziekwerken

     30 werken voor (mannen)koor en piano

     30 werken voor mannenkoor a cappella

     50 (serires) pianowerken

     60 liederen voor zangstem en piano, waarvan de helft ook werd georkestreerd

 

Hans Christian Lumbye (Kopenhagen, 2 mei 1810 – 20 maart 1874) studeerde muziek in Randers en Odense, en speelde op 14-jarige leeftijd al trompet in een militair harmonieorkest. In 1829 werd hij benoemd in het orkest van de Cavalerie in Kopenhagen. Vanaf dat hij in 1839 walsen van Johann Strauss had gehoord, ging hij in de geest van Johann Strauss componeren, wat hem de bijnaam “Strauss van het Noorden” bezorgde. Van 1843 tot 1872 werkte hij als muziekdirecteur en huiscomponist van de Tivoli Tuinen in Kopenhagen. Onder de Denen was hij zo populair dat ze Johan Strauss jr. aanduidden als de “Lumbye van het Zuiden”.

Zijn zonen Carl Christian (9 Juli  1841 -10  augustus 1911) en Georg August (26 augustus 1843 - 1922), en zijn kleinzoon Georg Høeberg waren ook bekende Deense musici.

Hans Christian Lumbye componeerde

     walsen

     polka’s

     mazurka’s

     galops

- Champagne Galop, begint met de “plop” van een champagnekurk

- Copenhagen Steam Railway Galop, geeft natuurgetrouw de geluiden van een trein, optrekkend vanuit een station en remmend voor de volgende halteplaats weer.

     pianowerken

     4 orkestwerken

     balletmuziek

 

Robert (Alexander) Schumann (Zwickau, 8 juni 1810 – Endenich (bij Bonn), 29 juli 1856) werd geboren in Zwickau, Hauptmarkt 5, als het vijfde kind van August Schumann, boekhandelaar en uitgever, en Christiane. Robert had een zuster Emilie (geboren 1796) en drie broers, Eduard (geboren 1799), Carl (geboren 1801) en Julius (geboren 1805). Op zevenjarige leeftijd kreeg Robert Schumann zijn eerste pianoles. Zijn ouders steunden  de muzikale ambities van hun zoon, zij kochten zelfs een vleugel voor hem.

Tot zijn achttiende ging Robert naar het lyceum van zijn geboortestad. Op twaalfjarige leeftijd schreef hij zijn eerste composities, de Psalm 150 en de Ouverture met koor voor solisten, koor en orkest met obligate pianopartij. In 1826 pleegde zijn zusje Emilie zelfmoord, enkele weken later overleed ook zijn vader. Naar de wens van zijn moeder ging Robert Schumann eerst rechtswetenschap in Leipzig en Heidelberg. Het bijwonen van een concert van Niccolò Paganini in Frankfurt am Main gaf de doorslag zich helemaal aan de muziek te wijden.

Robert Schumann studeerde piano bij de Friedrich Wieck. Een chronische peesschede-onsteking in zijn rechterhand, door hem zelf veroorzaakt in een poging de spanwijdte van zijn vingers te vergroten,  verhinderde hem een loopbaan als pianovirtuoos of concertpianist te beginnen.

Evenals de andere studenten ging Robert Schumann te Leipzig bij Wieck inwonen.

Zo maakte hij kennis met Wiecks dochter Clara.

Bij Heinrich Dorn in Leipzig studeerde hij in 1831 muziektheorie.

In 1833 vormde Robert Schuman de Davidsbund, een kring van fictieve levende en al overleden kunstenaars met als schuispatroon de Bijbelse koning David. Zin eerste muzikale essay, dat in december 1833 verscheen heette dan ook Der Davidsbündler.  

Samen met Clara Wieck en een paar andere kunstenaars richtte hij in 1834 het Neue Zeitschrift für Musik op. Vanaf 1835 nam Schumann de volledige leiding op zich. Het tijdschrift werd in Duitsland het vooraanstaande medium op muziekgebied. In dit blad schreef hij zijn artikelen onder verschillende Davidsbündler pseudoniemen. Eusebius was bezonnen en fijngevoelig, Florestan sterk, inspirerend en enthousiast, Meister Raro evenwichtig en verzoenend. 

Robert Schumann voelde zich sterk tot Clara Wieck aangetrokken. Vader Wieck had Schumann verboden Clara te ontmoeten en ging met haar op concertreis. Maar in Robert Schumanns werken uit deze tijd blijft Clara aanwezig. In 1837 verloofde het paar zich tegen de wil van vader Wieck. De intriges van Wieck leidden bij Robert Schumann tot een zenuwcrisis en aanvallen van zwaarmoedigheid.

Via de rechtbank werd de toestemming voor het huwelijk geforceerd. Het paar kon op 12 september 1840, daags voor de 21e verjaardag van  Clara , in de dorpskerk van Schönefeld trouwen. Nog in datzelfde jaar werd Robert Schumann door de Universiteit van Jena tot eredoctor benoemd en maakte hij kennis met Franz Liszt.

De eerste huwelijksjaren waren de gelukkigste van Robert Schumanns leven. Het echtpaar bleef tot 1844 in Leipzig wonen.

Robert Schumann schreef tot 1839 uitsluitend pianomuziek. Toen ontstonden de grote pianocycli, waarmee hij beroemd zou worden. 1840 was voor Robert Schumann het jaar van de liederencycli het wordt wel zijn "Liederjahr" genoemd: hij schreef 138 liederen, waaronder Liederkreis, opus 39, Frauenliebe und -leben, opus 42 en Dichterliebe, opus 48. Pas na het huwelijk werd de breedte van het compositorisch oeuvre vergroot. In 1841 ontstond de Symfonie Nr. 1 in Bes-groot, de zogenaamde "Lentesymfonie (Frühlingssinfonie)", opus 38. De première in het Gewandhaus te Leipzig onder leiding van Felix Mendelssohn-Bartholdy was een van de grootste successen in Robert Schumanns carrière.

1842 werd het jaar van de kamermuziek van Robert Schumann met de Drie strijkkwartetten,

In 1844 vertrok het echtpaar Schumann naar Dresden. In deze tijd had hij verscheidene ontmoetingen met Richard Wagner. In 1847 werd hij dirigent van het koor Liedertafel in Dresden. Het jaar 1848, met de Europese revoluties, werd een van de productiefste van Schumann: hij voltooide zijn opera Genoveva, begon met het schrijven van de muziek voor het toneelstuk Manfred van Lord George Gordon Byron en voltooide het derde deel van de Scènes uit Faust van Johann Wolfgang von Goethe. Schumann ergerde zich aan de muzikale smaak van het conservatieve Dresdener publiek. Daarom nam hij in 1850 het aanbod van Ferdinand Hiller aan om hem als zijn opvolger als stedelijke muziekdirecteur in Düsseldorf voor te dragen.

In Düsseldorf was Robert Schumann verantwoordelijk voor de abonnementsconcerten van de Städtische Allgemeine Musikverein, de repetities van de verschillende koren en adviseur voor bijzondere muzikale festiviteiten in twee Rooms-Katholieke kerken. Het eerste concert, waarop Clara als soliste optrad, was een overweldigend succes. In 1851 voerde een "gemoderniseerde" versie van de Johannes Passion van Johann Sebastian Bach uit met toegevoegde partijen, om de dramatische kant van de muziek te versterken en met piano als continuo-instrument. Robert Schumanns zwijgzaamheid, sterke bijziendheid, die in die tijd met een bril niet te verhelpen was, zijn zachte stem en onvoldoende pedagogische vaardigheid om orkestleden te motiveren, leidden echter tot een gebrekkige discipline in het orkest.

In november 1853 werd hem meegedeeld dat hij uitsluitend nog eigen werk kon dirigeren: een regelrecht ontslag. Robert Schumann kreeg steeds meer last van gehoorshallucinaties, die gepaard gingen met depressies en angstvisioenen, de gevolgen van syfilis. Enkele maanden later sprong hij tijdens het plaatselijke carnavalsfeest in een vlaag van innerlijke verscheurdheid in de Rijn maar werd gered door een Hollandse schipper. Hij werd ontoerekeningsvatbaar verklaard en op eigen verzoek in een inrichting voor geesteszieken in Endenich (nabij Bonn) opgenomen. Daar woonde hij tot zijn overlijden bijna helemaal geïsoleerd. De jonge Johannes Brahms kwam af en toe bij hem op bezoek. Clara zag hioj twee dagen voor zijn dood nog een keer terug.

Robert Schumann componeerde

     2 opera’s

- Genoveva, opus 81, opera in 4 bedrijven, libretto Robert Reinick en de componist, 25 juni 1850. Het verhaal is gebaseerd op de geschiedenis van Genevieve van Brabant, een Middeleeuwse legende, ook weer gedeeltelijk gebaseerd op het leven van Marie of Brabant, de vrouw van Lodewijk II, Hertog van Beieren in de 13de eeuw. Boordevol wonderschone muziek.

     toneelmuziek

- Manfred. Dramatisches Gedicht in drei Abtheitungen, 1848, gebaseerd op het gedicht van Lord Byron, bestaat uit een ouverture, een entracte, melodrama’s, diverse solo’s en koren.

De Manfred Ouverture wordt hiervan vrijwel uitsluitend uitgevoerd.

     3 oratoria

- Der Rose Pilgerfahrt (De pelgrimstocht van de roos), opus 112, voor solisten, koor en orkest, 1851, sprookje naar een gedicht van Heinrich Moritz Horn

- Scenes from Goethe's Faust, oratorium in drie bedrijven, 1842–1853, WoO 3 voor 7 solisten (meestal worden er 8 ingezet, vanwege de vele rolverdubbelingen), gemengd koor, jongenskoor en orkest op de tekst van het dramatische gedicht van  Johann Wolfgang von Goethe;  een  mengeling van oratorium, opera en cantate;  Belangrijke rollen voor Faust (bariton), Gretchen (sopraan) en Pater Profundus (bas). Een goed zingend koor is wezenlijk.   

- Das Paradies und die Peri, oratorium voor solisten, koor en orkest, opus 50, 1843, gebaseerd op de  vertelling Lalla-Rookh van Thomas Moore.

     1 mis

     2 requiems

- Requiem für Mignon uit Goethes Wilhelm Meister opus 98b voor solisten, koor en orkest, 1849

- Requiem voor solisten, koor en orkest opus 148, 1852

     9 andere werken voor (solisten), koor en orkest

- Nachtlied voor koor en orkest, opus 108, 1849

     5 symfonieën

- symfonie in g kleine terts ("Zwickau"), WoO 29, ontvoltooide beginnerssymfonie, 1833, vernoemd naar Schumanns' geboortestad

- symfonie nr. 1 in Bes grote terts, opus 38,  „Frühlingssinfonie“ (Lentesymfonie), 1841, in 4 dagen gecomponeerd, op grond van een kort gedicht van Adolf Böttger.

- symfonie nr. 2 in C grote terts,  opus 61, 1847, eigenlijk zijn derde

- symfonie nr. 3 Rheinische” in Es grote terts, Op. 97, 1850, die laatste symfonie die Schumann heeft gecomponeerd.

- symfonie nr. 4 in d kleine terts, opus 120, 1841, dus eigenlijk zijn tweede, maar toen ontevreden terzijde gelegd, gereviseerd 1851. Bruisend. 

     7 concerten

- konzertstück voor vier hoorns en orkest, opus 86, 1849

- introduction en allegro appassionato voor piano en orkest, opus 92, 1849, juweel

- pianoconcert in a klein,  opus 54, 1845, een beroemd romantisch concert, model voor het pianoconcert  in a klein van Edvard Grieg. Een groot meesterwerk door de onvergetelijke melodiek en de sublieme verhevenheid van piano- en orkestklank. Ode aan Clara, die ook de wereldpremière speelde

- celloconcerto in a klein, opus 129, 1850, vooral het sonore middendeel is een wonder van schoonheid. Mateloos ontroerend. Schumann verwerkte in het concert de initialen van zijn vrouw Clara Schumann-Wieck

- phantasie in C grote terts voor viool en orkest, opus 131, 1853, erg populair bij violist Joseph Joachim

- introductie en concert-allegro voor piano en orkest, opus 134, 1853, ook een juweel

- vioolconcert in d kleine terts,  WoO 23, 1853, complex concert; Joseph Joachim voor wie het werk was gecomponeerd, bepaalde in zijn testament dat het werk niet meer gespeeld of uitgegeven mocht worden. In 1937 gaf uitgever Schott het in overleg met de erven Joachim toch uit. In 1937 werd het vioolconcert ook voor het eerst uitgevoerd. Het tweede deel van het driedelige werk: Langsam, in Bes grote terts is van een onsterfelijke schoonheid, volgens sommigen het mooiste Adagio dat er bestaat. Benjamin Britten maakte in 1958 een arrangement van het Adagio: “Elegy for Orchestra”, ook heel prachtig.   

     7 ouvertures

- Ouverture, Scherzo und Finale in E groot, opus 52, 1841, werd door Robert Schumann oorspronkelijk gezien als zijn 2de symfonie.  

- Ouverture Manfred. 1848. De ouverture van de toneelmuziek bij  "Manfred" van Lord Byron

     3 andere werken voor orkest

     3 strijkkwartetten, gloedvol, rijkgeschakeerde klankkleuren; opgedragen aan Felix Mendelssohn

- Strijkkwartet opus 41 nr. 1 in a kleine terts, 1842, met een lyrisch en zangerig Andante, gepassioneerd en energiek Presto.

- Strijkkwartet opus 41 nr. 2 in F grote terts, 1842

- Strijkkwartet opus 41 nr. 3 in A grote terts, 1842

     pianokwartet in Es grote terts, opus 47, "dem Grafen Mathieu Wielhorsky gewidmet", je smelt bijna van ontroering bij het Andante Cantabile;

     pianokwintet in Es grote terts,  opus 44,  gecomponeerd voor de verjaardag van  Clara, deel 2 In modo d'una marcia. Un poco largamente, uitgespreid staccato over de volle breedte, deel 3 Scherzo: Molto vivace,  stuwend, deel 4 Allegro ma non troppo, eindigt met een gepassioneerde fuga.

     14 sonates, trio’s en andere kamermuziekwerken

- Fantasiestücke voor piano trio, opus 88, 1842, een voorstudie voor een pianotrio;

- pianotrio nr. 1 in d kleine terts, opus 63,  1847, eenzaamheid, wellicht Schumanns beste kamermuziekwerk;

- pianotrio nr. 2 in F grote terts, opus 80,  1847, zonnig.

- Adagio en Allegro voor hoorn en piano, opus 70, 1849, de allereerste compositie expliciet voor ventielhoorn, hoewel Schumann aangaf dat de hoornpartij ook door een viool of cello kon worden gespeeld.

- Drei Fantasiestücke voor  klarinet en piano, opus 73, 1849, met de aantekening, dat de klarinetpartij ook door viool of cello kan worden gespeeld; liederen zonder woorden.

- Drei Romanzen (Drie romances) voor hobo (of viool) en piano,  opus 94, tussen 7 en 12 december 1849, opgedragen aan zijn vrouw Clara. Schumann.

- Fünf Stücke im Volkston voor piano and cello, opus 102, 1849, extravert en fris;

- pianotrio nr. 3 in g kleine terts, opus 110,  1851, soms wanhopig, in het Scherzo komt het thema van de 4de symfonie voor; gekwelde maar gepassioneerde atmosfeer;

- vioolsonate nr. 1 in a kleine terts, opus 105, 1851

- Märchenbilder (sprookjesbeelden) voor altviool en piano, opus 113,1851, opgedragen aan de Duitse violist en dirigent Wilhelm Joseph von Wasielewski.

- vioolsonate nr. 2 in d kleine terts, opus 121, 1851

- Märchenerzählungen, opus 132, vier stukken voor klarinet, altviool en piano, waarschijnlijk 1853

- F-A-E Sonata, vierdelig werk voor viool en piano, ontstaan door samenwerking van Robert Schumann, Johannes Brahms, en  Schumann's leerling Albert Dietrich, oktober 1853. Het idee was van Robert Schumann en bedoeld als cadeautje voor de violist Joseph Joachim, die als persoonlijk motto had  "Frei aber einsam" ("vrij maar alleen") De delen van de compositie zijn alle vier gebaseerd op de noten F-A-E, als een muzikaal cryptogram. Het eerste deel is van Albert Dietrich, de delen 2 en 4 zijn van  Robert Schumann en deel 3 is van  Johannes Brahms.

- vioolsonate nr. 3 in a kleine terts, opus WoO 27, 1853

- sprookjesvertellingen, voor klarinet, altviool en piano, opus 132, 1853, bloedmooi!

     12 (series) koorwerken

- Vier doppelchörige Gesänge, voor grote koren, opus141, 1849

     48 (series) liederen voor zangstemmen en piano (ook vierhandig)

- Liederkreis, opus 24, liedcyclus op 9 gedichten van Heinrich Heine, 1840; zijn eerste liedcyclus

- Myrthen  opus 25, 26 liederen, op teksten van verschillende dichters, 1840, door Schumann opgedragen “aan zijn geliefde bruid”; muzikaal huwelijkscadeau

- Liederkreis, opus 39, 1840, 12 liederen, de teksten zijn afkomstig van Joseph Eichendorff’s  gedichtenbundel  Intermezzo. Het is een van de belangrijkste liederen cycli uit de 19de eeuw.

nr 1. In der Fremde; aangrijpend

nr 4. Die Stille

nr 5. Mondnacht

- Frauenliebe und -leben (Liefde en leven van een vrouw), opus 42, 1840, gedichtencyclus van Adelbert von Chamisso, geschreven in 1830. De gedichten beschrijven de weg van een vrouwenliefde voor haar man, vanuit haar gezichtspunt, van de eerste ontmoeting via het huwelijk naar zijn dood, en daarna. Schumann schreef zijn zetting van de gedichten in 1840, een jaar waarin hij 168 liederen schreef, waaronder nog vier cycli, daarom wordt 1840 wel “het jaar van het lied” genoemd.

- Dichterliebe, opus 48, 1840, de bekendste liedcyclus van Robert Schumann. 16 liederen op teksten van het "Lyrisches Intermezzo"  van Heinrich Heine; opgedragen aan sopraan Wilhelmine Schröder-Devrient.

nr  7. Ich grolle niet, hoorbaar ingehouden woede.

nr 10. Hör' ich das Liedchen klingen, ogenschijnlijke eenvoud.

nr 11. Ein Jüngling liebt eïn Mädchen.

nr 12. Am Leuchtenden Sommermorgen.  

nr 13. Ich hab' im Traum geweinet.  

- Romanzen und Balladen, deel III, opus 53, drie (series) liederen, 1840, voor zangstem en piano

nr .3 Der arme Peter, cyclus op 3 gedichten van Herman Heine

- Spanisches Liederspiel,  opus 74, 3 sololiederen, 5 duetten, 2 kwartetten, 1849

- Lieder und Gesänge aus 'Wilhelm Meister', opus 98a, 1849, liedcyclus van 10 liederen op tekst van Johann Wolgang von Goethe   

nr. 9. An die Türen will ich schleichen

- Lieder und Gesänge aus 'Wilhelm Meister', opus 98a, 1849, teksten Johann Wolfgang von Goethe

nr 3. Nur wer die Sehnsucht kennt. Overtuigende eenvoud

- Minnespiel, opus 101, 3 sololiederen, 2 duetten, 2 kwartetten, 1849

- 5 Lieder und Gesänge, opus 127, 1851

nr 2. Dein Angesicht

- Spanische Liebeslieder, opus 138, 1849; prachtige liefdesliederen.

- Ballade "Der Handschuh", in D grote en d kleine terts, opus 87, 1850, tekst Friedrich Schiller.

- Sechs Gesänge, opus 89, 1850

nr  1. Es stürmet am Abendhimmel, een bijna expressionistisch werk.

- 6 Gedichte und Requiem, opus 90, 1850

     42 pianowerken of series pianowerken

- Variaties over de naam "Abegg" in F grote terts, thema met variaties, opus 1, 1830, opgedragen aan Pauline von Abegg, die Robert Schumann ontmoette toen hij 20 jaar was. De eerste vijf noten van het thema zijn A-Bes-E-G-G (de B in Duitsland is onze Bes)

- Papillons, opus 2, pianosuite, 1831. Het werk verbeeldt een gemaskerd bal (met de Venetiaanse vlindermaskers), geïnspireerd door Jean Paul's roman  “Flegeljahre”.

- Allegro in b kleine terts, opus 8, 1831

- Toccata in C grote terts, opus 7, 1832

- Carnaval, opus 9, 1835, ondertiteld Scènes mignonnes sur quatre notes (kleine scenes over vier noten). Cyclus van 21 stukjes, die elk een gemaskerd personage uitbeelden tijdens een carnavalsfeest. De  vier noten waar het om gaat zijn A, Es, C en B (Duits: H); waar je ASCH van kunt maken, de stad waar Schumanns’ toenmalige verloofde, Ernestine von Fricken, was geboren.

- Grand Sonata nr. 1 in fis kleine terts, opus 11, 1835

- Novelletten, opus 21, cyclus van 8 stukken, februai 1838; poëtische ontboezemingen;

- Fantasie in C grote terts, opus 17, 1836, hij noemde de drie delen toen "Ruine, Siegesbogen und Sternbild". Gereviseerd in 1839, en toen opgedragen aan Franz Liszt met "normale" temponamen.  Eén van Schumann’s beste pianowerken, een pianomonument van de vroege romantiek.

- Pianosonate nr. 2 in g kleine terts, opus 22, 1831 tot 1838, afwisselende en virtuose sonate, wordt vaak uitgevoerd. Op Clara Schumanns verzoek heeft Robert de originele finale "Presto passionato" vervangen door een minder lastig te spelen deel "Rondo presto".

- pianosonate nr. 3 in f kleine terts opus 14  (concert zonder orkest) 1836, gereviseerd in 1850 en 1853.

- Davidsbündlertänze, opus 6, een serie van 18 stukken, muzikale dialogen over eigentijdse muziek tussen Schumann’s Davidsbündler karakters Florestan (driftige motionele doener) en Eusebius (lyrische fijnzinnige poëet), 1837. "Zoals deze muziek is, zo ben ik", schreef Robert Schumann in 1838 aan zijn vrouw Clara.

- Fantasiestücke, opus 12,1837, 8 stukken voor piano, geïnspireerd op de collectie novellen Fantasiestücke  in Callots Manier van zijn favoriete schrijver  E.T.A. Hoffmann, en opgedragen aan juffrouw Anna Robena Laidlaw (1819–1901), een gecompliceerde en aantrekkelijke18-jarige Schotse pianiste met wie Schumann een kortstondige flirt had.

nr. 1 "Des Abends" in Des grote terts, dromerig

nr. 3 "Warum"

nr. 5 "In der Nacht" in f kleine terts.

nr. 6 "Fabel" in C grote terts

- Études Symphoniques, opus 13, 1837 een verzameling van twaalf etudes,  begonnen als een reeks variaties; 9 etudes zijn van de variaties overgebleven, 2 losse etuden zijn toegevoegd en het geheel sluit af met een variatie op een geheel ander thema van Heinrich Marschner.

- Kinderszenen,  opus 15, dertien muziekstukken waarin Schumann zijn jeugdherinneringen verbeeldt, 1838.

nr. 1 " Von fremden Ländern und Menschen" in G grote terts

nr. 2 "Bittendes Kind" in D grote terts

nr. 7 "Träumerei" in F grote terts, heel veel uitgevoerd miniatuurtje

nr. 12 “Kind im Einschlummern” (in slaap vallend kind) in e kleine terts.

- Kreisleriana, opus 16, 8-delige serie fantasieën, april 1838, opgedragen aan Frederic Chopin, een erg dramatisch werk, één van Schumanns’ beste composities. Het programma is gebaseerd op het karakter Johannes Kreisler uit werken van E.T.A. Hoffmann. Schumann gebruikte materiaal uit het laatste deel "Schnell und spielend" voor het vierde deel van zijn eerste symfonie.

- Fantasie in C grote terts, opus 17, 1836, gereviseerd in 1839, opgedragen aan Franz Liszt. Het driedelige werkt begint met Durchaus fantastisch und leidenschaftlich vorzutragen; Im Legenden-Ton, ongebreidelde romantische oprispingen, daarna volgt deel twee: Mäßig. Durchaus energisch, bruisende energie, en tot slot Langsam getragen. Durchweg leise zu halten, Innig liedachtig.

- Humoreske in Bes grote terts, opus 20, 1839, opgedragen aan Julie von Webenau.

- Faschingsschwank aus Wien (Carnaval Scenes uit Wenen), opus 26, 1839. In het woord ´Faschingsschwank" komen de letters ASCH SCHA in die volgorde voor en Schumann gebruikt dat melodische lijntje regelmatig in het werk.

- Drie Romances, opus 28, 1839

- Arabeske in C grote terts, opus 18, 1839, opgedragen aan Majorin Friederike Serre auf Maxen

- Vier Fugen, opus 72, 1845, samen met de "orgelwerken" uit hetzelfde jaar diepgaande contrapuntsstudies.

- Bilder aus Osten (Plaatjes uit het Oosten), opus 66, 6 Impromptus voor piano 4-handig, 1848

- Album für die Jugend, opus 68, 1848, gecomponeerd voor zijn drie dochters. 43 stukjes van 1 minuut lang, met een karakteristieke titel, makkelijke te spelen maar van een hoge artistieke waarde.

- Waldszenen, opus 82 (1848-49) negen korte stukjes in dezelfde stijl als de “Kinderszenen”. De serie is opgedragen aan de jongedame Anette Preußer.

nr. 7 "Vogel als Prophet", is nogal beroemd geworden, en wordt vaak apart uitgevoerd.

- Zwölf Klavierstücke zu vier Händen für kleine und große Kinder opus. 85, 1849

nr. 8 "Croatenmarsch"

nr. 11 "Gespenstermärchen" (spokensprookje), fantastisch.

nr. 12 "Abendlied", is veelvuldig voor meer dan 20 verschillende bezettingen gearrangeerd

nr. 13 "Der Dichter spricht", laatste deel, nieuw hoogtepunt van muzikale retoriek

- Bunte Blätter, 14 pianostukken, opus 99, 1850

- Drei Fantasiestücke, opus 111, 1851

- Gesänge der Frühe (ochtendliederen), opus 133, compositie in vijf delen, oktober 1853, één van Schumann's laatste composities, op gedragen aan de dichtster Bettina von Arnim.

- Geistervariationen (Spookvariaties), of Thema en Variaties in Es grote terts, WoO 24, 1854, Robert Schumann’s laatste pianowerk. Onstaan rondom zijn zelfmoordpoging, die volgde op dromen, waarop hij werd toegesproken door engelen die veranderden in duivels. Wisselvallig werk dus.

     3 series orgelwerken

      - 4 Skizzen für Orgel oder Pedalklavier, opus 58, 1845; Georges Bizet maakt een omwerking voor piano vierhandig

- 5 Etuden in kanonischer Form für Orgel oder Pedalklavier, opus 56, 1845

- Sechs Fugen über den Namen: Bach, voor orgel, pedaalpiano, of harmonium, opus. 60, 1845, zijn naderhand ook georkestreerd.

 

Alicia Ann Scott (Berwickshire, Schotland, 24 juni 1810 – 12 maart 1900) was de oudste dochter van John Spottiswoode en zijn vrouw Helen Wauchope. Op 16 maart 1836 trouwde Alicia Spottiswoode met Lord John Douglas Scott, een zoon van de 4de Hertog van Buccleuch en heette sinds haar huwelijk  Lady John Scott. Lord Scott overleed in 1860. Alicia Scott bestudeerde de traditioneel Schotse taal, geschiedenis en cultuur en schreef een aantal Schotse liederen.

Alicia Scott (Lady John Scott) componeerde

     liederen

- Annie Laurie, een Schotse ballade op de woorden van een 17de-eeuwse dichter, William Douglas, hiermee is Alicia Scott bekend geworden; de ballade is georkestreerd in 1944 door Dmitri Sjostakovitsj

- "Douglas"

- "Durrisdeer".

 

Samuel Sebastian Wesley (Londen, 14 augustus 1810 – 19 april 1876) was het oudste kind van het tweede gezin van componist Samuel Wesley en Sarah Sutter, nadat Samuel gescheiden was van zijn vrouw Charlotte. Zijn tweede naam had Samuel Sebastian te danken aan de vurige bewondering die zijn vader voor Johann Sebastian Bach had.

Als kind zong  Samuel Sebastian Wesley in het koor van de Chapel Royal. In 1832 werd hij aangesteld als organist in de Hereford Cathedral. Drie jaar later verhuisde hij naar de Exeter Cathedral en daarna had hij achtereenvolgens betrekkingen aan de  Leeds Parish Church, Winchester Cathedral en de Gloucester Cathedral.

Samuel Sebastian Wesley componeerde vrijwel uitsluitend kerkmuziek

     220 hymns en  anthems

- The Wilderness (1832)

- Blessed be the God and Father (1834)

- Wash me throughly (1840)

- Thou wilt keep him in perfect peace (1850)

- Ascribe unto the Lord (1851)

- Praise the Lord, O my soul (1861), met het bekende onderdeel: Lead me Lord

     22 religieuze en wereldlijke liederen

     6 Services

Service in E groot.

     15 koorwerken

     4 orkestwerken

     17 orgelwerken

     10 pianowerken

 

Samuel de Lange sr. (Rotterdam, 9 juni 1811 – 15 mei 1884) werd vanaf zijn tiende jaar opgeleid tot pianist, organist en componist door H.F. Pruys (orgel), J.B. Bremer sr. (orgel en piano), W.C. Mühlenfeldt (piano) en C.F. Hommert (theorie). Nadat De Lange een paar jaar hulporganist was geweest van de Lutherse Kerk, werd hij in 1833 benoemd tot organist van de Waalse Kerk in de Hoogstraat, in 1854 van de Zuiderkerk aan de Glashaven en in 1864 van de Grote of St-Laurenskerk.

Tot aan zijn dood in 1884 is hij organist van de Laurenskerk in Rotterdam gebleven. Daarnaast was hij muziekleraar aan de muziekschool van Toonkunst en stadsbeiaardier.

Samuel de Lange sr. was getrouwd met Johanna Molijn. Ze kregen vier zoons en drie dochters. Eén zoon en één dochter overleden al op jonge leeftijd. Samuel de Lange trad als pianist en kamermusicus geregeld op voor de vereniging "Eruditio Musica", soms ook samen met zijn twee zonen, Daniël de Lange en Samuel de Lange jr., die beroemde musici werden, en ook componeerden. Hij bracht hen op jonge leeftijd de beginselen van het muziekonderwijs bij, onder andere door de eerste 8 maten van de Toccata van Johann Sebastian Bach in hun kinderkamer op te hangen.

 Na het overlijden van Johanna Molijn hertrouwde Samuel de Lange sr. met Jacoba Molijn.

In 1870 was hij initiatiefnemer van de Bach-vereeniging, die toen in Rotterdam werd opgericht. In 1877 benoemde Koning Willem III hem, op voordracht van de hervormde Rotterdamse organisten, tot Ridder in de Orde van de Eikenkroon.

Samuel de Lange sr. componeerde

     orgelwerken

- 4 orgelsonates, zijn belangrijkste werken, worden momenteel nog regelmatig uitgevoerd

Fantasie Sonate IV in F

     pianowerken

     liederen

     koorwerken

www.stichtingdelange.nl

 

Charles Louis Ambroise Thomas (Metz, Frankrijk, 5 augustus 1811 – Parijs, 12 februari 1896) was zoon van de violist van het theaterorkest van Metz, Jean-Baptiste-Martin Thomas en een zangeres, beiden ook muziekdocent. Ambroise Thomas leerde van zijn vader en moeder de muziek tegelijk met lopen en praten en kon op zijn tiende al prima viool en piano spelen. Zijn vader overleed in 1823, waarbij het gezin zonder inkomsten achterbleef. Zijn oudere broer Charles ging daarom naar Parijs, waar hij cellist werd in het Opera–orkest. Daardoor kon Ambroise Thomas in 1828 een studie aan het Conservatoire national supérieur de musique in Parijs beginnen bij Jean-François Lesueur, terwijl hij privé pianoles kreeg van Frédéric Kalkbrenner. In 1832 won hij de Prix de Rome won met zijn cantate Hermann et Ketty, waardoor hij drie jaar in Italië in la Villa Medicis kon studeren. Weer terug in Parijs, 1835, wijdde hij zich volledig aan het componeren en vond in 1837 de première plaats van zijn eerste opera La Double Echelle.

In 1856 werd hij professor aan het Conservatorium, waar hij onder andere Jules Massenet les gaf.

Na als vrijwilliger in de Frans-Pruisische oorlog van 1870 meegevochten te hebben, volgde hij in 1871 Daniel Auber op als directeur van het Parijse Conservatoire national supérieur de musique. Deze post bekleedde hij tot zijn dood in 1896. In mei 1894 kreeg Ambroise Thomas als eerste muzikant ooit het Grootkruis van het Legioen van Eer.

Ambroise Thomas componeerde

     20 opera’s

- Hamlet, opera in 5 aktes, 9 maart 1868, libretto Jules Barbier en Michel Florentin Carré, naar het drama van William Shakespeare

     3 balletten

     2 misssen

     1 requiem

     8 motetten

     12 cantates en concertaria’s

     4 orkestwerken

     2 werken voor harmonie–orkest

     14 koorwerken

     10 kamermuziekwerken

     30 (series) liederen

     16 (series) pianowerken

     6 (series) orgelwerken

 

August Gottfried Ritter (Erfurt, 25 augustus1811 – Maagdenburg, 26 augustus 1885) was zoon van een meelhandelaar. Van de organist van de Augustijner Kerk van Erfurt kreeg hij orgel- en pianoles. In 1831 werd August Gottfried Ritter organist aan de Andreaskerk en leraar aan de Andreasschool. In 1834 kon hij met een ministerieel stipendium piano en compositie studeren bij Ludwig Berger, directie bij Karl Friedrich Rungenhagen en orgel bij August Wilhelm Bach in Berlijn. In 1844 werd hij organist aan de kathedraal in Merseburg, in 1847 verhuisde hij naar Maagdenburg om daar organist van de kathedraal te worden. August Gottfried Ritter was de medeschepper, samen met Felix Mendelssohn Bartholdy van de Romantische orgelsonate. Vanaf 1845 was hij medewerker van de Nederlandse Vereniging tot bevordering van de Toonkunst.

August Gottfried Ritter componeerde

     orkestwerken

     kamermuziekwerken

     vocale werken

     orgelwerken

- 4 orgelsonates

+ eerste orgelsonate in d kleine terts, opus 11, omstreeks 1845

+ derde orgelsonata in a kleine terts, opus 23, opgedragen aan Franz Liszt, omstreeks 1855, overdonderend, je gelooft je oren niet.

- 12 koraalpreludes

- fuga's

- karakterstukken

     pianowerken

- 4 pianosonates

 

 

Franz (Ferenc(z) Liszt Raiding, 22 oktober 1811 – Bayreuth, 31 juli 1886) werd op 22 oktober 1811 geboren aan het hof van prins Nicholaas Joseph Esterházy in Raiding (Hongaars: Doborján), in het toenmalige Koninkrijk Hongarije (thans deelstaat Burgenland in Oostenrijk). Hij was het enige kind van Ádám Liszt, telg uit een Duits geslacht, en Maria Anna Lager.

Op zevenjarige leeftijd kon hij lezen en schrijven (zowel brieven als muziek) en op negenjarige leeftijd gaf hij zijn eerste concert in Sopron, een groot succes werd.

Carl Czerny, een vooraanstaand componist en leerling van Ludwig van Beethoven, wilde graag aan het verzoek om onderricht gehoor geven - de jonge Franz zou er zelfs niets voor hoeven te betalen. Dit deed zijn vader Ádám besluiten zijn werk (hij was cellist in het plaatselijk orkest en diende aan voornoemd hof: 'manager' over prins Nicolaas Jozef Esterházy's kudde van 4000 schapen) neer te leggen en naar Wenen te verhuizen om zich geheel te kunnen richten op de muzikale ontwikkeling van zijn zoon. Het heeft maar 18 maanden geduurd. Ook heeft Liszt nog een korte tijd onderricht in compositie gehad van Antonio Salieri.

In september 1823 verhuisde de familie naar Parijs zodat Liszt aldaar verder studeren kon. Hij werd echter niet tot het conservatorium in Parijs toegelaten op grond van het feit dat hij buitenlander was. Het vermoeden bestaat dat de oprichter en directeur van het Parijse conservatorium, Luigi Cherubini een hekel had aan wonderkinderen. Franz Liszt kreeg - buiten het conservatorium om - theorieles van Anton Reicha en Ferdinando Paër. Parijs bleef voor hem als pianovirtuoos het centrum waar hij speelde en componeerde. Direct was hij populair en verkeerde in hogere kringen. ".

Op 28 augustus 1827 kwam zijn vader, waaraan hij zo veel te danken had, ten gevolge van buiktyfus te overlijden. Voor de jonge Franz was dit een enorme klap. Ook zijn mislukte relatie met een van zijn pupillen, Caroline de Saint-Cricq - dit overigens buiten zijn en haar toedoen - maakte het er allemaal niet beter opus Al spoedig maakten depressies zich meester van hem. Gelijkertijd begon hij de interesse in de muziek te verliezen. Naast een zenuwinzinking werd hij ernstig ziek, maar herstelde hiervan. Het was in deze tijd dat hij zich ging verdiepen in literatuur en religie, wat zijn composities in latere tijd diepgaand beïnvloed heeft. Het enige dat hij in deze tijd gecomponeerd heeft, is de Grande Fantaisie sur la Tyrolienne (1829), een transcriptie van Daniël Aubers opera "La Fiancée", die opgedragen werd aan Frederic Chopin.

Bij het uitbreken van de (Franse) Revolutie van 1830 stortte Franz Liszt zich weer op de muziek, als of hij door het gebulder van de kanonnen wakker geschud was. Tussen 1830 en 1832 ontmoette hij onder andere Hector Berlioz, Frederic Chopin en Niccolò Paganini die invloed hadden op Liszts leven als musicus (zowel op poëtisch, lyrisch als virtuoos vlak). Daarnaast ontmoette hij schrijvers, filosofen en andere intellectuelen, waaronder Victor Hugo en George Sand.

Van 1833 tot 1844 had Liszt een liaison met schrijfster Marie Catherine Sophie de Flavigny, gravin d’Agoult - meer bekend onder haar pseudoniem "Daniel Stern". Zij schonk hem twee dochters, Blandine en Cosima, en een zoon, Daniël die al op jonge leeftijd overleed. Dochter Blandine, Liszts eerste kind, trouwde later in een vooraanstaand Frans geslacht; dochter Cosima (1837-1930) trouwde met Richard Wagner, die al twee kinderen bij haar verwekt had, toen zij nog getrouwd was met Hans von Bülow. Naast liefde bood de relatie met Marie d’Agoult Liszt ook financiële zekerheid en een vaste verblijfplaats. Aan de relatie kwam in 1844 een einde, onder andere vanwege zijn vaak langdurige afwezigheid en het openlijk flirten met andere vrouwen. In deze periode componeerde hij zijn befaamde Études d'ExécutionTranscendante, Grandes Etudes de Paganini en twee van de drie suites Années de Pèlerinage.

Op 31 maart 1837 organiseerde prinses Christina Begiojoso-Trivulso in haar woning aan de rue d'Anjou als afsluiting van een liefdadigheidsbazaar een pianistenwedstrijd tussen Franz Liszt en Sigismond Thalberg. Het pianoduel eindigde onbeslist. De gastvrouw formuleerde: "Thalberg est le premier pianist du monde, Liszt est le seul." In Parijs inroduceert Franz Liszt in 1839 het fenomeen "recital".

In 1842 werd Franz Liszt aangesteld als Hofkapellmeister in Weimar.

In 1842 reisde Liszt ook, met zijn vleugel van Boisselot & Fils over de Waal naar Rotterdam voor een concert. Ter hoogte van Zaltbommel hoorde hij het carillon van de Gasthuistoren. Hij liet de boot afmeren en beklom de kerktoren om in stil te luisten naar het spel van stadsbeiaardier Carolus Leenhoff. Leenhoff nodigde hem thuis uit voor een lunch. Zijn 13-jarige dochter Suzanne bleek een goede pianiste te zijn. Liszt voeg haar een van zijn eigen composities te spelen. Dat was te moeilijk voor haar, waarop de componist zelf achter de piano kroop en een privé-concert gaf. In Parijs deed hij een goed woordje voor Suzanne, die daar later een succesvolle pianiste werd en trouwde met een zoon van de schilder Manet. In dat jaar 1842 gaf Franz Liszt ook een concert in Utrecht in de schouwburg op het Vredenburg met de beroemde Italiaanse tenor Giovanni Battista Rubini en diens leerlinge "Mademoiselle" Ostergard. Hij logeerde in het Hôtel des Pays -Bas aan het Janskerkhof in Utrecht.

In 1847 leerde Franz Liszt hij tijdens een concertreis in Rusland prinses Carolyne zu Sayn - Wittgenstein kennen. Van een huwelijk kwam het niet, daar de katholieke kerk de ontbinding van het huwelijk tussen prinses Carolyne en haar echtgenoot, prins Nicholas zu Sayn - Wittgenstein verbood. Ze bleven slechts vrienden. In 1848 vestigde hij zich in Weimar, waar hij als dirigent actief was en componeerde.

Liszt werd op 30 oktober 1859 door keizer Frans Jozef I van Oostenrijk in de adelstand verheven, als Franz Ritter von Liszt. In 1875 werd hij voorzitter van de landelijke muziekacademie te Boedapest, thans de vermaarde Ferenc Liszt Academie.

Vlak voor zijn overlijden werd hij, na een zeer succesvol concerttournee door Engeland en Frankrijk, verkouden, hetgeen spoedig overging in een longontsteking. Hiervan zou hij niet meer herstellen. Na dagen aan bed te zijn gebonden, overleed hij op 31 juli 1886, in het bijzijn van enkele van zijn pupillen, op 74-jarige leeftijd te Bayreuth en werd aldaar op 3 augustus begraven.

Humphrey Searle heeft in 1966 een catalogus van de werken van Liszt opgesteld: The Music of Liszt, De werken van Franz Liszt kregen van daaruit een S-nummer. Aanvullingen van Sharon Winklhofer en Leslie Howard.

Sinds 1986 wordt elke drie jaar in Utrecht het Internationaal Franz Liszt Pianoconcours georganiseerd op dezelfde plek waar Franz Liszt in 1842 een concert gaf: Tivoli-Vredenburg. In 2014 van 26 oktober t/m 8 november.

Franz Liszt componeerde

     1 opera

- Don Sanche, ou Le château de l'amour (Don Sanche, of het kasteel van de Liefde), opera in 1 akte, 1825, libretto Théaulon en de Rancé, gebaseerd op een verhaal van Jean - Pierre Claris de Florian. De eerste uitvoering was in Zaal Le Peletier in de Parijse Opera, Daar werd ook de partituur opgeslagen. In 1873 brandde Zaal Le Peletier volledig uit. 30 jaar lang dacht iedereen dat het werk verloren was gegaan. In 1903 werd het teruggevonden door scholier Jean Chantavoine in Paleis Garnier. De eerste uitvoering daarna was in 1977.

     13 symfonische gedichten

- Les Préludes, poème symphonique nr. 3, 1848, S 97, illustreert de ontwikkeling van een man van zijn jeugd tot volwassenheid. Franz Liszt gaf het werk vier episodes: 1. Oorsprong van het leven. Liefde. 2. Storm. 3. Ontsnapping en overgave aan het landelijke leven. 4. Strijd en overwinning.

- Orpheus, poème symphonique nr. 4, 1854, S 98, geïnspireerd op de Griekse held Orpheus. Twee harpen beelden Orpheus’ luit uit.

- Hamlet, poème symphonique nr. 10, 1858, S104

- Von der Wiege bis zum Grabe,  Poème symphonique nr. 13, S 107, 1882

     4 pianoconcerten

- pianoconcerto nr. 1 in Es groot, S 124, 1830-1849

- pianoconcerto nr. 2 in A groot, S 125, eerste aanzet 1840, vierde revisie 1861

     7 andere werken voor piano en orkest

- Totentanz: Paraphrase on Dies irae, S 126, 1849, een symfonisch werk voor piano en orkest, gebaseerd op de Gregoriaanse  Dies Irae-melodie, maar daarnaast  ook voorzien van gedurfde stilistische vernieuwingen.

- Malédiction, concert in e kleine terts voor piano en strijkorkest, 1833, S121, een veelheid aan karakters en stemmingen, die langskomen.    

     23 andere werken voor orkest

- Eine Faust Symphonie in drei Charakterbildern (naar Goethe), 1857, S 108, onomstreden meesterwerk. Een "literaire symfonie" zogezegd, driedelig met een finale voor tenor en mannenkoor. Franz Liszt portretteert Faust zelf in het eerste deel, de onschuldige Gretchen in het tweede deel met eigen thema's en vormt in het derde deel de duivelse Mefisto door vervormde thema's van de anderen. En dan creëert hij door middel van een muzikale verstrengeling van de thema's het verband tussen de drie personen. De jubelzang aan het eind klinkt dan een beetje schaapachtig.

- Eine Symphonie zu Dante’s Divina Commedia, S 109, 1856, programma symfonie over Dante Alighieri' s reis door vagevuur en hel, zoals beschreven in la Divina Commedia,  voor vrouwenkoor en orkest, opgedragen aan Richard Wagner.

- 6 Hongaarse rapsodieën, S 359, 1860, orkestversies van 6 van de 19 rapsodieën, S 244, die Liszt tussen 1846 en 1886 voor piano had gecomponeerd, respectievelijk de nrs. 14, 12, 6, 2, 5 en 9. Verwarrend, want als een orkest Hongaarse Rapsodie nr. 2 uitvoert is het dan de originele nr. 2 of  de originele nr.12? Vermoedelijk de originele nr. 2 in kleine terts, want dat is Liszts’ beroemdste Hongaarse Rapsodie.

- Mephistowals 1, "de dans in het dorpscafé", 1862, S 110/2, later gearrangeerd voor piano, S 514, tweehandig en S 599/2 vierhandig. De populairste van de 4 mephistowalsen

- Mephistowals 2, 1881, S 111, later gearrangeerd voor piano, S 515, tweehandig en S 600, vierhandig

     2 oratoria

- De legende van  Sint Elisabeth, 1862, S 2

- Christus, S 3, 1866, met de traditionele geschiedenis van Jezus Christus vanaf zijn geboorte tot zijn lijden en opstanding. Liszt gebruikt als tekst voornamelijk Bijbelteksten, wat dat betreft herinnert het werk sterk aan de Messiah van George Frideric Handel.

     3 missen

     60 andere religieuze werken voor koor en orkest of piano/orgel

- Via crucis (Die 14 Stationen des Kreuzwegs) voor gemengd koor, solisten en orgel, harmonium of piano,  gewijd aan de veertien kruiswegstaties. Het is een van de laatste werken van Liszt, S 53, 1879. Een werk van grote verstilling dat het de grenzen van de gangbare tonaliteit opzoekt. Liszt zelf had de bedoeling om het werk in het Colosseum uit te voeren, voorzien van harmonium-begeleiding. Door Franz Liszt gearrangeerd voor piano solo in solo piano, 1879, S.504a

     15 kamermuziekwerken

- Duo (Sonata) – over Poolse thema’s, S 127, 1832–35; voor viool en piano

- Grand duo concertant sur la romance de M. Lafont "Le Marin", S 128, 1849; voor viool en piano

- Rapsodie hongroise nr. 12, 1850 – 1859, S 379a 

- Die drei Zigeuner,  S.383, arrangement voor viool en piano van het lied op tekst van Lenau S. 374, 1864

- Epithalam zu Eduard Reményis Vermählungsfeier, S 129, 1872; voor viool en piano

- Élégie nr 1, S 130, 1874, voor viool en piano

- Élégie nr. 2, S 131, 1877; voor viool of cello en piano

- Romance oubliée, S 132, voor piano en altviool, 1880 ook in bewerkingen voor viool en cello

- Die Zelle im Nonnenwerth, omstreeks 1880 – 1886, S 382. 

- La lugubre gondola, 1883, S 134, voor piano en viool of cello, geschreven met betrekking op de dood van Richard Wagner, Liszt componeerde ook een versie voor piano, S 200.

- Tristia, arrangement voor pianotrio van het pianowerk “Vallée d'Obermann” S 160/6,  (1880–1886 ?)

     72 (series) liederen voor zangstem en piano

- Die Loreley,  S 273, tekst Heinrich Heine, 1841, gereviseerd in 1856, opgedragen aan Gravin Marie d'Agoult

- Comment, disaient-ils (Hoe dan, zeggen ze), S276, tekst Victor Hugo, 1842, voor sopraan of tenor en piano

- O ! quand je dors (O! als ik slaap) S 282, tekst Victor Hugo, 1842, voor sopraan of tenor en piano

- Enfant, si j’étais roi, (Kind, als ik koning was) S 283, tekst Victor Hugo, 1844, voor sopraan of tenor en piano

- S'il est un charmant gazon (Als er een groen grasveld is), S 284, tekst Victor Hugo, 1844, voor sopraan of tenor en piano

- Was Liebe sei,  S 288,  tekst Charlotte von Hagn 1843, gereviseerd in 1855 en nog eens in 1879, opgedragen aan Groothertogin Sophie of Weimar

- Die todte Nachtigall,  S 291, tekst Philipp Kaufmann, 1843, gereviseerd in 1878, opgedragen aan Groothertogin Sophie of Weimar

- 3 Sonetti del Petrarca, S 270, 1846, 3 liederen op tekst van Francesco Petrarca (1304–1374), 2e versie 1854

- Kling leise, mein Lied, S 301, 1848, tekst Johann Nordmann (= Johann Rumpelmeyer, 1820–1887), voor tenor en piano

- Es muss ein wunderbares sein,  S 314, tekst Redwitz, 1852

- Ich Scheide,  S 319, tekst August Heinrich Hoffmann von Fallersleben, 1860

- Gebet, S 331,  tekst Friedrich Bodenstedt, 1878,

- Einst, S 332, tekst Friedrich Bodenstedt,1878,

- Des tages laute stimmen schweigen,  S 337, tekst Ferdinand von Saar, 1880, opgedragen aan Prinses Marie von Hohenlohe

     160 uiteenlopende (series) werken voor piano solo

- 12 Soirées Musicales, 1837, S 424, gebaseerd op het gelijknamige stuk van Rossini.

  9. La danza (“Tarantella Napolitana”)

- Grandes études de Paganini, 6 études, 1838, gereviseerd in 1851, S 141, opgedragen aan Clara Schumann, alle zes gebaseerd op composities van Niccolò Paganini voor viool, horen bij de technisch lastigste werken uit de pianoliteratuur.

Etude nr. 3 in gis klein, La Campanella

- Années de Pèlerinage (Pelgrimsjaren), drie suites, 1837-1877, S 160 t/m 163, meesterwerken uit het pianistische oeuvre;

Première année: Suisse (Eerste jaar: Zwitserland); 1848-1854, S 160

nr. 3 Vallée d'Obermann, geïnspireerd door de gelijknamige roman van Senancour. Beroemd werk.

Deuxième année: Italie (Tweede jaar: Italië); 1837-1849, S 161

supplement: Venezia e Napoli, 1859, S 162

nr. 3 Tarantella,

Troisième année: 1867, 1872, 1877, S 163

nr. 4 Jeux d'eaux à la Villa d'Este

- Études d'exécution transcendante, drie versies, 1824, 1838, 1851 (respectievelijk S 136, S 137 en S139); een serie van twaalf virtuoze concert - etudes voor solopiano. Het complete werk werd in 1851 opgedragen aan Carl Czerny en een jaar later gepubliceerd. Niet de etudes zelf zijn transcendentaal in de zin van bovenzinnelijk, maar de uitvoering ("exécution") ervan.

étude nr. 1 in C grote terts: "Preludio", presto;

étude nr. 2 in a kleine terts, molto vivace;

étude nr. 3 in F grote terts: "Paysage", poco adagio;

étude nr. 4 in d kleine terts: "Mazeppa", allegro; legendarische etude

étude nr. 5 in Bes grote terts: " Feux Follets", allegretto; technisch het meest ingewikkeld en veeleisend.

étude nr. 6 in g kleine terts: "Vision", lento;

étude nr. 7 in Es grote terts: "Eroica", veel bravoure maar niet lastiger te spelen dan de anderen.

étude nr. 8 in c kleine terts: "Wilde Jagd", presto furioso;

étude nr. 9 in As grote terts:  "Ricordanza" , delicaat vingerwerk;

étude nr. 10 in f kleine terts, allegro agitato;

étude nr. 11 in Des grote terts: "Harmonies du Soir", andantino;

étude nr. 12 in bes kleine terts: "Chasse-Neige", andante con moto.

- Réminiscences de Robert le diable: Valse infernale, S 413, 1841, gebaseerd op de Valse infernale (Act III, No.10) en het Air de ballet (Act III, No.15) uit de opera Robert le diable van Giacomo Meyerbeer

- Réminiscences de Don Juan, S. 418 operafantasie op thema’s van Mozart's Don Giovanni. Pianotechnisch extreem lastig. 1841, versie voor twee piano’s, S 656, 1877. Betekenisvol werk.

- Romancero espagnol, S695c, 1845, opgedragen aan koningin Isabella II van Spanje.

- Sonetti del Petrarca, S 270, 1ste versie 1846, 2de versie 1882

- 19 Rhapsodies hongroises, S.244, 1846-1853, 1882, 1885; Liszt bewerkte een aantal voor orkest (S. 359) en voor twee piano's, S 621

rhapsodie nr. 2 in cis kleine terts, opgedragen aan graaf László Teleki,  gebruikt als soundtrack voor de Tom & Jerry film “The Cat Concerto”;

rhapsodie nr.6, een van de bekendere rhapsodien

rhapsodie nr.10, ook een bekende

rhapsodie nr.12, in cis kleine terts, opgedragen aan Joseph Joachim.

rhapsodie nr.15 “Racoczy March"

- Trois études de concert,  S.144, 1848, opgedragen aan zijn oom Eduard Liszt. De Italiaanse ondertitels zijn aan latere uitgaven toegevoegd.

Il lamento

La leggierezza

Un sospiro, étude nr. 39, in Des grote terts, en studie in handoverslag en arpeggio’s. De muziek werd gebruikt in de film Letter from an Unknown Woman, 1948, Max Ophül, in de biografische Lisztfilm Song Without End, 1960 en in de film The Green Hornet, 2011.

- Consolations (Six penseés poétiques), S 172, 1849–50

consolation nr. 3

- Harmonies poétiques et religieuses, een cyclus van 10 pianowerken (1847, S172a,  tweede versie 1852, S 173) gecompleteerd in Woronińce, het landhuis van Liszt’s vriendin prinses Caroline von Sayn-Wittgenstein; een klaagzang op het neerslaan van de Hongaarse  revolutie door het Oostenrijkse koningshuis.

3. Bénédiction de Dieu dans la solitude (1847), ook heel populair bij organisten;

5. Funérailles (oktober 1849) is het bekendste van deze stukken en veel door pianisten  (en organisten) opgenomen.

9. Andante Lagrimoso

- Valse-Impromptu, S.213, wals in As grote terts, 1850?, met latere toevoegingen 1880

- Liebesträume, (notturni), 1850,  een serie van drie werken, S/G 541 gecomponeerd als liederen naar gedichten van Ludwig Uhland en Ferdinand Freiligrath . Liebestraum No. 3  is beroemd geworden, een buitengewoon geschikt concertstuk.

- Ballade nr. 2 in b klein, 1853,  S171, gebaseerd op de poëtische ballade Lenore van Gottfried August Bürger, een griezelvertelling, opgedragen aan graaf Carl Friedrich Wilhelm Emich, Prins van Leiningen

- Pianosonate in b klein, 1853, S 178, het langste pianowerk van Liszt, een monumentaal pianowerk, opgedragen aan Robert Schumann. Alle Liszt-emoties: bravoure, poëzie, drama, mysterie, demonie komen in de sonate bij elkaar, terwijl het werk toch buitengewoon organisch is gestructureerd. Groots wonderbaarlijk meesterwerk.

- Dante Sonate: "Après une Lecture du Dante: Fantasia Quasi Sonata", pianosonate in één deel(1849), in 1856 gepubliceerd als onderdeel van het 'tweede jaar' van de Années de Pèlerinage (S.158); de sonate is geïnspireerd door La divina comedia van Dante Alighieri. Het is een van de allerlastigte werken uit het pianorepertoire.  

- Variaties over “Weinen, Klagen, Sorgen, Zagen1859, S.179, gebaseerd op het openingskoor van cantate BWV  12 van Johann Sebastian Bach. Toen Liszt’s dochter  Blandine in 1862 stierf breidde hij de aanvankelijk wat beperkte Prelude uit tot een klaagzang  van 30 variaties. In 1863, toen hij in Rome vruchteloos het huwelijk van Carolyne trachtte te ontbinden, werkte hij het pianowerk om tot een indrukwekkend werk voor orgel.

- Odes funèbres,1860-1866, waarvan de tweede: La Notte, 1864, geschreven werd naar aanleiding van de dood van zijn dochter Blandine, een uitwerking is van “Il Penseroso” uit de Années de Pèlerinages

- 2 Légendes, S 175, 1863, geschreven toen Liszt een tijd in een klooster doorbracht; opgedragen aan zijn dochter Cosima von Bülow

nr. 1: St François d'Assise: la prédication aux oiseaux, S 175/1, gebaseerd op de religieuze geschiedenis van Franciscus van Assisi, die preekte voor de vogels.

nr. 2: St François de Paule: marchant sur les flots (Fransicus van Paola; wandelend over de golven), S 175/2

- Impromptu in Fis grote terts, 1872, S 191

- Via Crucis (De 14 staties langs de kruisweg) S 504a, 1879, arrangement voor piano van het werk voor koor, solisten en orgel S 53, ook 1879

- Wiegenlied (Chant du berceau), S 198, 1880

- Nuages gris S 199, 1881, een van Liszt’s meest gekwelde en experimentele werken.

- Mephistopolka, 1883, S 217

- Mephistowals 1, "de dans in het dorpscafé", 1862, S 514, arrangement van het orkestwerk S 110/2. De populairste van de 4 mephistowalsen

- Mephistowals 2, 1881, S 515, arrangement van het orkestwerk S 111

- Mephistowals 3, 1883, S 216

- Mephistowals 4, 1885, S 696

- Bagatelle sans tonalité, 1885, S 216a. manuscript: “Fourth Mephisto Walz” wellicht om de Mephistowals 4 te vervangen.

- La lugubre gondola, 1885, S 200, geschreven met betrekking op de dood van Richard Wagner, Liszt componeerde ook een versie voor cello of viool en piano, S 134

- Concerto Pathétique, 1886, S 258, voor twee piano's, een substantieel werk

- Liedbewerkingen

Buch der Lieder, deel 1,S 531 6 liedbewerkingen, nr. 1: Loreley, arrangement van zijn lied S 273

Die Loreley, tweede versie, S 532, 1861, met het "Tristan-accoord" vóórdat Wagner dat had toegepast.

     honderden bewerkingen van composities van andere componisten voor piano solo

- Vincenzo Bellini: + I Puritani. Introductie en Polonaise, S 391, 1840

+ Hexaméron, Morceau de concert, S 392, 1839 zes variaties op de “Mars van de Puriteinen” uit de opera “I Puritani” samen met een introductie, tussenspelen en een finale, totaal 9 delen. Opdracht van Prinses Cristina Trivulzio Belgiojoso, die Franz Liszt dwong om met vijf vrienden een serie variaties over de melodie te schrijven. Liszt kreeg Frédéric Chopin, Carl Czerny, Henri Herz, Johann Peter Pixis en Sigismond Thalberg zo ver. Frans Liszt componeerde zelf de tweede variatie en rondde ook alles af. Hij maakte ook een arrangement van het stuk voor piano en orkest (S 365b) en een arrangement voor twee piano’s, S 654

- Charles Gounod:  + Valse de l'opéra Faust, S 407, 1861

- Paganini:             +  Grande Fantaisie de bravoure sur La Clochette, S 420, 1834

- Giuseppe Verdi:   + Rigoletto: Paraphrase de Concert,  S 434,  1859

+ Miserere du Trovatore  S 433, 1860

+ Aida: Danza sacra e duetto finale, S 436, 1877

- Wagner:              + Spinnerlied aus Der fliegende Holländer,   S 440, 1860

+ Ballade aus Der fliegende Holländer, S 441, 1872

+ Ouverture Tannhäuser; concertparaphrase, S 442, 1848, stralend klatergoud

+ Isoldes Liebestod aus Tristan und Isolde  S 447, 1867, gereviseerd 1875

- Johann Sebastian Bach:

+ Sechs Praeludien und Fugen für Orgel S 462, 1850

- Beethoven           + Pianobewerkingen van alle Symfonieën van Ludwig van Beethoven, 1864, S 464. Virtuoze bewerkingen met schitterende pianoeffecten, die ook nog recht doen aan de originele composities. Klinken buitengewoon indrukwekkend.

- Franz Schubert:   + Ave Maria  (Ellens dritter Gesang) S 557d

+ 12 Lieder,  S 558, 1838; gereviseerd in 1876, opgedragen aan de gravin d'Aragon

2. Auf dem Wasser zu singen

3. Du bist die Ruh

4. Erlkönig

+ Schwanengesang, 14 transcripties van  liederen, S 560, 1839

+ Winterreise, S 561,  12 transcripties naar Schuberts’ liedcyclus, 1839

1. Gute Nacht

+ 6 Melodien S 563 “, 1844

2. Des Mädchens Klage

5. Ungeduld

- Saint Saëns:        + Danse macabre, opus. 40, S 555, 1876

     30 orgelwerken, waaronder 20 bewerkingen

- Fantasie en Fuga over het koraal "Ad nos, ad salutarem undam", S 259, winter 1850, gebaseerd op een koraal in de eerste acte van Giacomo Meyerbeer's opera Le prophète. Het werk is dan ook opgedragen aan Meyerbeer. Een kolossaal werk; De profeet van Meyerbeer is Jan van Leiden, die in 1543 een kortstondige theocratie vestigde in Munster en daarna werd terechtgesteld. Het thema is het koraal "Naar ons, naar het heilzame water", een oproep tot wederdoop.

- Fantasie und Fuge über das Thema B-A-C-H, S 260/1/2; eerste, 1855, en tweede, 1870, versie voor orgel; S.529/1/2; eerste en tweede versie, gearrangeerd voor piano; opgedragen aan Alexander Winterberger;

- Einleitung, Fuge & Magnificat aus der Symphonie Dante’s zu Divina Commedia, 1860, S 672b, omwerking van het orkestwerk S 109; een Helle- en Vagevuurdeel, met als epiloog, bij wijze van Paradijs, een zetting van het Magnificat.

- Évocation à la Chapelle Sixtine, 1862, S.658, omwerking voor orgel van het miserere van Gregorio Allegri.

- Variationen über 'Weinen, Klagen, Sorgen, Zagen' (van Bach BWV 12), 1863, S 673, omwerking van de klaagzang  van 30 variaties op het openingskoor van  cantate  BWV  12 van Johann Sebastian Bach, voor piano, S 179, omgewerkt toen Liszt in Rome vruchteloos het huwelijk van  Carolyne trachtte te ontbinden.

- 2 Préludes uit opus 28 (Nos. 4, 9) van Frederic Chopin, S 662, 1863

- Adagio uit Bachs’ Vioolsonate nr. 4, BWV1017, S 661, 1864

 

Dominique-François-Xavier Boisselot (Montpellier, Frankrijk, 3 december 1811 — Parijs, 8 april 1893) was een zoon van Jean-Louis Boisselot. In 1823 vestigde de familie zich in Marseille en daar leerde Xavier de eerste beginselen van muziek. In 1830 verhuisde hij naar Parijs en studeerde daar aan het conservatorium harmonieleer en contrapunt bij François-Joseph Fétis, en compositie bij Jean-François Le Sueur. Hij trouwde met de tweede dochter van zijn leraar: Louise Eugénie Félicité Lesueur (1808 - 1884) op 17 oktober 1833,

Na de dood van zijn broer Louis Constantin in 1850 voelde Xavier Boisselot zich verplicht om de muziekuitgeverij en muziekbouwwerkplaatsen van zijn vader in Marseille en Barcelona voort te zetten. De piano’s die in zijn werkplaats gebouwd werden kregen menige prijs en hoorden onder de beste van Europa.

Foute financiële investeringen en de Barcelonabrand van 1855 brachtten de firma in moeilijkheden. Xavier Boisselot trok zich in 1855 terug en droeg het bestuur van de bedrijven over aan zijn neef Franz Boisselot (1845-1902), die bevriend was met Franz Liszt (bezat een Boisselotvleugel) en het bedrijf weer tot voorspoed bracht met een produktie van 600 tot 800 piano's per jaar, voornamelijk voor de exportmarkt. In 1867 werd Dominique Boisselot aangesteld tot inspecteur-generaal van de muziekscholen en muziektheaters in Marseille.

Xavier Boisselot componeerde

     2 opera’s

- Ne touchez pas à la reine, opera comique in 3 akten, libretto by Eugène Scribe and Gustave Vaëz 

     cantates

- Velleda, 1834, Prix de Rome in 1836,

     pianowerken

 

Friedrich Adolf Ferdinand Freiherr von Flotow, (Landgoed Teutendorf (nu: Sanitz), Duitsland, 27 april 1812 – Darmstadt, 24 januari 1883) was de tweede van vier kinderen van de Pruisische adellijke ritmeester Wilhelm von Flotow, amateurfluitist, en Caroline Sophie Rahel von Böckmann (1792–1862), amateurzangeres en –pianiste. Zijn ouders wilden dat hij de muziek er ook “bij zou doen” en wilden dat hij koos voor een ambassadeursloopbaan. Hij kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn ouders, van muziekleraren in Lübchin en Lüdershagen en van organist Thiem in Güstrow.

Friedrich von Flotow sloeg de wens van zijn ouders om rechtskundige, ambtenaar of diplomaat te worden in de wind en vertrok naar Parijs om musicus te worden. Hij studeerde daar compositie bij Antonín Rejcha en piano bij Johann Peter Pixis. De onlusten van de Julirevolutie noodzaakten Friedrich von Flotow terug te keren op het landgoed van zijn ouders in Duitsland. In 1831 ging hij terug naar Parijs om verder te studeren. Na de revolutie in 1848 kwam naar Mecklenburg terug en bekommerde zich naast het componeren ook om het landgoed van zijn ouders, want zijn vader was intussen overleden.

Op 21 augustus 1849 trouwde Friedrich Von Flotow met de 19-jarige Elisabeth von Zadow. Zij overleed twee jaar later in 1851. In November 1855 trouwde hij opnieuw met danseres Anna Theen (1833-1872). Ze kregen drie kinderen: Wilhelm (1855-1872), Friedrich (1857-1918) en Karoline (1851-1864).

Van 1855 tot 1863 was Friedrich Von Flotow directeur van het hoftheater in Schwerin . Daarna ging hij voor een langere tijd weer naar Parijs. In 1868 scheidde het echtpaar en 9 augustus 1868 trouwde Friedrich Von Flotow met de zuster van zijn ex-vrouw: Rosina Theen (1846-1925). Ze gingen op hun landgoed Reichenau vlak bij Wenen wonen en kregen nog een dochter. In zijn laatste levensjaren pendelde hij tussen Parijs, Wenen en Italië. Zijn gezichtsvermogen verminderde snel. Het laatste jaar van zijn leven bracht door bij zijn zuster het landgoed Heiligenkreuzberg in Darmstadt. Enkele dagen voor zijn overlijden schreef hij nog het lied Der blinde Musikant. Friedrich Von Flotow is op het Oude Kerkhof in Darmstadt begraven.

Van het omvangrijke oeuvre van Friedrich Von Flotow is het grootste deel in de Tweede Wereldoorlog door een brand in het archief van uitgever Bote & Bock in Berlijn verloren gegaan. Overgebleven manuscripten worden bewaard in het privé Flotow-archief in Darmstadt.

De muziekschool van de Landkreis Bad Doberan draagt zijn naam: Kreismusikschule "Friedrich von Flotow".

Friedrich Von Flotow componeerde

     30 opera's,

Martha of "De markt van Richmond", romantische komische opera in 4 aktes, 25 november 1847, libretto Friedrich Wilhelm Riese, gebaseerd op een verhaal van Jules-Henri Vernoy de Saint-Georges.verfilmd in 1916, zijn bekendste opera. De opera is een bewerking van het eerder gecomponeerde ballet Lady Henriette ou "La servante de Greenwich"

1 operette

     1 toneelmuziekwerk

     4 balletten

- Lady Henriette ou "La servante de Greenwich", ballet in 3 bedrijven, waarvan het tweede en derde bedrijf door andere componisten zijn geschreven, 21 februari 1844, libretto Jules-Henri Vernoy de Saint-Georges, naar het muziektheaterwerk La Comtesse d'Egmont van Joseph Mazili.

     4 orkestwerken

     1 werk voor harmonie-orkest

     2 missen

     2 werken voor koor en begeleiding

     6 (series) kamermuziekwerken,

     5 (series)  liederen voor zangstem en orkest of piano

     3 (series) pianowerken

 

Emilie (Luise Friederika) Mayer (Friedland, Mecklenburg, Duitsland, 14 mei 1812 - Berlijn, 10 april 1883) was het derde kind en de oudste dochter van de welgestelde apotheker August Friedrich Mayer (1777–1840) en Henrietta Carolina. Twee broers van Emilie werden apotheker in Stettin.

Emilie kreeg als 5-jarige haar eerste pianolessen van een plaatselijke organist uit Friedland. In 1840 benam haar vader zich het leven. In 1841 verhuisde Emilie Mayer daarop naar Stettin, waar ze muziekles kreeg van Carl Loewe en zich helemaal in de muziek stortte. In 1847 verhuisde Emilie Mayer naar Berlijn, waar ze contrapunt studeerde bij Adolph Bernhard Marx en instrumentatie bij Wilhelm Wieprecht. Emilie Mayer bleef haar hele leven ongetrouwd. In Berlijn had ze een eigen, open groot huis waar ze concerten organiseerde en contacten onderhield met de notabelen en aristocraten. Emilie Mayer beeldhouwde ook. Emilie Mayer kreeg een ridderorde van Koningin Elisabeth van Pruisen. Emilie Mayer is op het Drieëenheidskerkhof in Berlin-Kreuzberg begraven. Haar graf is vandaag de dag niet meer terug te vinden.

Emilie Mayer componeerde

     1 opera (Singspiel)

     8 symfonieën

     15 ouvertüres

     1 pianoconcert

     40 kamermuziekwerken

- Strijkkwartet in Bes grote terts, 1855, interessant, uitstekend werk

     koorwerken

     7 (series) liederen

     13 (series) pianowerken

 

Heinrich Wilhelm Ernst (Brno, Moravië, 8 juni 1812 – Nice, 8 oktober 1865) was een wonderkind van Moravisch–Joodse afkomst, dat op zijn negende met de vioolstudie begon. In 1825 ging hij naar het Conservatorium in Wenen, waar hij viool studeerde bij Joseph Böhm en Joseph Mayseder en compositie bij Ignaz von Seyfried.

In 1828 hoorde hij Niccolò Paganini bij verschillende concerten en was diep onder de indruk. Hij maakte ook contact met de grootmeester en Paganini adviseerde hem niet in een of ander hoforkest te gaan spelen, maar zich als solist verder te ontwikkelen.

In jaren daarna probeerde Heinrich Wilhelm Ernst zoveel mogelijk de techniek van  Paganini onder de knie te krijgen door hem bij concerten en repetities op de voet te volgen.

Heinrich Wilhelm Ernst speelde ook altviool. Hij voerde de altvioolpartij van Harold en Italie van Hector Berlioz talloze malen uit, iets wat Paganini  altijd geweigerd had. Heinrich Wilhelm Ernst was bevriend met Hector Berlioz en Felix Mendelssohn.

Heinrich Wilhelm Ernst speelde bij voorkeur op violen van Antonio Stradivari. Hij had een instrument uit 1726 (dat heet tegenwoordig "Ernst/Plotenyi") en een uit 1709 ("Lady Hallé/Ernst").

Na 1844 woonde hij hoofdzakelijk in Engeland. Hij werd er lid van de Beethoven Quartet Society in Londen, waar hij voornamelijk strijkkwartetten van Beethoven speelde met Joseph Joachim, Henryk Wieniawski en Carlo Alfredo Piatti.

Vanaf 1862 leed hij in toenemende mate aan zenuwpijn, waardoor hij niet meer kon spelen. De laatste zeven jaren van zijn leven leefde hij teruggetrokken in Nice, waar hij voornamelijk nog componeerde. Hij overleed er in 1865 onder armoedige omstandigheden. Johann Strauß senior heeft het werk Erinnerung an Ernst, oder Der Karneval von Venedig aan hem opgedragen. In zijn goede dagen was hij een hogelijk gewaardeerde muzikant, een superieure violist die gezien werd als de opvolger van Paganini.

Heinrich Wilhelm Ernst componeerde 26 (series) werken voor viool, waarvan in elk geval

     14 (series) werken voor viool en orkest

     2 (series) werken voor viool en piano

     2 (series) werken voor viool solo

- Grand Caprice „Der Erlkönig“, voor viool solo opus 26,  variaties op de liedzetting van Franz Schubert. Grootse dramatiek, maar technisch hondsmoeilijk, werd zijn beremdste werk.  

 

Jean-Baptiste Singelée (Brussel, België, 25 september 1812 - Oostende, 29 september 1875) kreeg in eerste instantie vioolles van zijn broer Charles, die violist was. Vanaf 1928 studeerde Jean-Baptiste Singelée aan de Koninklijke muziekschool van Brussel, waar hij in 1829 al een eerste prijs viool behaalde. Hij reisde daarop naar Parijs waar hij aan het werk ging bij de orkesten van het Théâtre Nautique en de Opéra-Comique. Van 1839 tot 1855 was hij als violist-solist verbonden aan de Koninklijke Muntschouwburg in Brussel waar hij vanaf 1849 ook orkestmeester was van het Orchestre de Vaudeville.

Zijn adoptiedochter Louisa (1844-1886) werd door hem opgeleid als violiste en zangeres en met haar ondernam hij een concertreis door Frankrijk, waar hij ook een tijdlang dirigent was van het theater van Marseille. In 1858 keerde hij terug naar België om er dirigent te worden van het casino en het theater in Gent. In 1868 vertrok hij naar Antwerpen, waar hij het orkest van het theater onder zijn hoede kreeg. In Brussel werd hij vervolgens tweede dirigent van De Munt, eerste dirigent Ch.-L. Hanssens opvolgde na diens dood in 1869 en er bleef tot in 1872. Hij dirigeerde ook enkele jaren de concerten van de “Association des artistes musiciens de Bruxelles” en bij het Kursaalorkest in Oostende was hij eerste dirigent van 1867 tot 1875.

Jean-Baptiste Singelée componeerde

     2 balletten

- Arsène ou la Baguette magique, 1845

     2 vioolconcerti

     andere orkestwerken

     kamermuziekwerken

- fantasieën voor viool en piano

- 1ste saxofoonkwartet, opus 53, 1858, het eerst saxofoonkwartetwerk ooit; Jean-Baptiste Singelée was een jeugdvriend van Adolphe Sax;

- “Grand quatuor concertant”, opus79, voor saxofoonkwartet

- concerten voor saxofoon en piano

     solowerken voor saxofoon

 

Johannes Gijsbertus Bastiaans (Wilp, 31 oktober 1812 - Haarlem, 16 februari 1875) werd geboren op Hervormingsdag. Zijn vader, "rentenier" van beroep, was toen 52 jaar oud, zijn moeder 21. Johannes Gijsbertus kreeg vanaf zijn tiende orgelles in Deventer van de Duitse muzikanten Georg Wilhelm Rönner en Engelbert Biermann. Toen zijn vader overleed werd een oom voogd over de zeven kinderen. Oom vond dat Johannes Gijsbertus maar horlogemaker moest worden. In 1832, 20 jaar oud vestigde Johan Gijsbert Bastiaans zich in Rotterdam, voorzag met horloges repareren in zijn levensonderhoud en ging weer muziek studeren bij Carl Ferdinand Hommert, die hem harmonie- en contrapuntlessen gaf en liet kennismaken met de werken van Johann Sebastian Bach.

Dat was reden voor Johan Gijsbert om naar Duitsland te trekken, waar hij les kreeg aan de muziekschool van Friedrich Schneider in Dessau. In 1836 vetrok Johan Gijsbert Bastiaans naar Leipzig. Hij studeerde voor kerkmusicus bij Carl Ferdinand Becker en Felix Mendelssohn-Bartholdy. In 1838 kwam hij naar Nederland terug om in 1839 organist van de doopsgezinde gemeente in Deventer te worden. In 1840 werd hij organist aan de Zuiderkerk in Amsterdam en van 1858 tot 1878 was hij stadsorganist aan de Grote of Sint-Bavokerk en stadsbeiaardier in Haarlem. Zijn zoon Jan Bastiaans volgde hem na zijn dood als stadsorganist van Haarlem op.

Johannes Gijsbertus Bastiaans was één van de drijvende krachten achter de groeiende aandacht voor J.S. Bach in Nederland.

Johannes Gijsbertus Bastiaans componeerde 32 dikke delen muziek

     kerkliederen

- 9 liedboekliederen

lied 14: De Heer is mijn Herder

lied 462: Ontwaakt, gij die slaapt

- Beveel gerust uw wegen

     14 banden orgelwerken

- Fantasiesonate in c  kleine terts over “ Jesu, meine Freude”

- Fantasiesonate in Bes grote terts over “ Wien Neerlands bloed”, 1849

     pianowerken

     koorwerken

     kamermuziek

 

Alexander Sergeyevich Dargomyzhsky ( (14 februari 1813 – 17 januari, 1869) werd opgevoed in St. Petersburg. Hij was ambtenaar totdat hij in 1834 Michail Glinka ontmoette en besloot zich volledig aan het componeren te wijden. Hij ligt begraven in het Alexander Nevsky klooster in Sint  Petersburg

Alexander Dargomyzhsky componeerde

     opera’s

- Esmeralda, 1839, libretto van Alexander Dargomyzhsky, gebaseerd op de klokkeluider van de Notre Dame van Victor Hugo

- Rusalka, 1856; gebaseerd op Pushkin

- The Stone Guest, 1869 , zijn beroemdste werk, gebaseerd op de legende van Don Juan, zoals beschreven door Pushkin

     100 liederen

     werken voor piano solo

     3 orkestwerken

 

Wilhelm Richard Wagner (Leipzig, 22 mei 1813 – Venetië, 13 februari 1883) was de zoon van Karl Friedrich Wilhelm Wagner, klerk bij de politie, en  Johanna Rosine Pätz. Zijn vader overleed toen Richard vijf maanden oud was. Moeder en de kinderen verhuisden naar Dresden, waar de weduwe Wagner hertrouwde met toneelspeler en schilder Ludwig Geyer. Na diens overlijden keerde het gezin terug naar Leipzig. In 1831 schreef Richard Wagner zich in aan de Universiteit van Leipzig om muziek te studeren. In 1833 werd Richard Wagner benoemd tot koormeester aan het theater van Würzburg en in hetzelfde jaar had hij zijn eerste opera, die Feeën, af met daarin duidelijke invloeden van Carl Maria von Weber.

Hij trouwde met de actrice Minna Planer in 1836.Het jaar daarop verhuisden zij naar Riga waar hij dirigent van de opera werd. Minna had een korte rampzalige verhouding met een legerofficier. Door schuldeisers op de hielen gezeten vluchtten ze in 1839 via Noorwegen en Londen naar Parijs. De lange stormachtige zeereis was een inspiratie voor de opera Der Fliegende Holländer die hij in 1841 schreef. De Wagners woonden ook twee en een half jaar in Parijs, waar hij geld verdiende met het schrijven van artikelen en het bewerken van opera's van anderen. In de herfst van 1840 schreef Wagner Rienzi.

In 1842 verhuisden de Wagners voor een periode van zes jaar naar Dresden, waar Richard Kapellmeister (operadirigent) werd. De première van Rienzi vond in 1842 plaats in Dresden. Dit werd één van de grootste triomfen in Wagners leven en legde de grondslag voor zijn beroemdheid. Richard was echter zeer politiek actief en had connecties met revolutionairen en anarchisten, waaronder Michail Bakoenin.

In het jaar 1848, waarin het overal in Europa gistte en de revolutie voortdurend op uitbreken stond, was hij politiek actief zodat hij, toen de oude staatsorde uiteindelijk toch weer de overhand kreeg, moest vluchten omdat er een arrestatiebevel tegen hem was uitgevaardigd.

Hij zocht asiel in Zwitserland, waar Mathilde Wesendonck, een vurig bewonderaarster, die gehuwd was met een rijke mecenas en industrieel, hem hulp schonk. Zij was zijn muze bij het schrijven van Tristan und Isolde en de Wesendonck-Lieder. Er was sprake van een platonische?) verhouding. In dezelfde tijd werkte hij aan de tekst en de muziek van Der Ring des Nibelungen. Twaalf jaar heeft hij in Zwitserland gewoond en hier zijn veel belangrijke werken (deels) ontstaan.

In 1862 vestigde Richard Wagner zich in Biebrich, waar hij aan Die Meistersinger werkte. Tegen het eind van dat jaar was hij evenwel in Wenen, waar hij tot begin 1864 is gebleven.

Uiteindelijk streek hij tegen het einde van zijn leven neer in het Noord-Beierse Bayreuth, waar hij met de steun van de Beierse koning en Wagnerliefhebber Ludwig II een operagebouw kon laten bouwen. In dit Festspielhaus, waar uitsluitend zijn eigen werk ten gehore  werd en wordt gebracht, bevindt het orkest zich onzichtbaar in een orkestbak onder het toneel.

25 Augustus 1870 trouwde Wagner uiteindelijk met Cosima, de dochter van Franz Liszt, 24 jaar jonger dan hij (hij was zelf van de generatie van Liszt), bij wie hij al twee dochters Isolde (1864) en Eva (1867) had, toen ze nog met dirigent en musicoloog Hans van Bülow was getrouwd. Ze kregen in 1869 nog een zoon, Siegfried Wagner. Siegfrieds zonen Wolfgang en Wieland Wagner hebben na hun oma Cosima nog decennialang de gang van zaken in Bayreuth bestierd. Wagners dochters werden na zijn dood beiden door Cosima's eerste echtgenoot, Hans von Bülow, erkend.

Wagner stierf aan een hartaanval na een ruzie met Cosima op 13 februari 1883 te Venetië. De componist werd begraven in de tuin achter het Haus Wahnfried,  Wagners woonhuis in Bayreuth op een daartoe door hemzelf uitgekozen plek.

Haus Wahnfried is thans een museum.

Wagner had veel oog voor zijn eigenbelang; hij was jaloers op zijn collega-componisten die (naar zijn mening onterecht) gemakkelijke successen behaalden. Hij ageerde sterk tegen Joden en heeft een lang antisemitisch artikel Das Judenthum in der Musik (1850) geschreven. Hij is een van de voorlopers van het antisemitisme zoals dat zich in de tweede helft van de negentiende en de eerste helft van de twintigste eeuw in Europa openbaarde. Wanneer hij iemand niet mocht, dan "concludeerde" hij dat diegene dan wel "dus" een Jood moest zijn, of toch anders mínstens diens móeder een Jodin. Zijn politieke geschriften zijn nauwelijks leesbaar. Wagner had grote invloed op koning Lodewijk II van Beieren, die hem in de loop der jaren (tot bezorgdheid van zijn ministers) veel geld ter beschikking heeft gesteld om zijn idealen te verwezenlijken. Adolf Hitler was een groot liefhebber van hem en bij zijn nazaten in de eerste helft van de twintigste eeuw kind aan huis was ('Oom Wolf' voor Wieland en Wolfgang). Zijn kleinzonen hebben hun eigen moeder, Winifred, uit hun huis verbannen, omdat die tot ver na de Tweede Wereldoorlog lovend over de Führer bleef spreken.

Richard Wagner componeerde

     14 opera’s

Zijn belangrijkste werken, die hij zelf liever als muziekdrama's aanduidde en waarvoor hij ook zelf de teksten (libretti) schreef. (Ook op letterkundig gebied had hij veel aanleg.) Hij streefde naar een Gesamtkunstwerk, de ideale vereniging van woord, muziek en toneelspel. Op den duur ontstonden daaruit zijn grootse muziekdrama's die uiteindelijk in een speciaal hiervoor gebouwd theater werden (en worden) opgevoerd in de Beierse stad Bayreuth. Jaarlijks worden de Bayreuther Festspiele gehouden. Wie een kaartje wil bemachtigen komt op een jarenlange wachtlijst. Als musicus te worden uitgenodigd daarbij te komen zingen of spelen wordt beschouwd als een grote eer;

- Die Feen, grote romantische opera in drie bedrijven, 1888, libretto naar La donna serpente van Carlo Gozzi, 1834

- Das Liebesverbot of Die Novize von Palermo, 1836, gereviseerd in 1840, grote komische opera in twee bedrijven, libretto naar 'Measure for Measure' van William Shakespeare.

- Rienzi, der Letzte der Tribunen, tragische grote opera in vijf bedrijven, 1842, gebaseerd op een roman van van Edward Bulwer-Lytton over Cola di Rienzo. Werk in de stijl van de Franse "grand opéra". De patriciërszoon Adriano Colonna houdt van Irene, zus van volkstribuun Rienzi. Wanneer tijdens een volksopstand de vader van Adriano wordt gedood, zweert Adriano wraak en zet de Romeinse burgers op tegen Rienzi. Uiteindelijk komt iedereen om. Er zijn ook nog mooie rollen voor de Pauselijke legaat Orvieto en een vrouwelijke vredesbode

- Der Fliegende Holländer , 1843, geschreven als een eenakter (dus zonder pauzes); Wagner wilde breken met de traditionele verdeling over aktes. Tegenwoordig vindt opvoering meestal plaats in drie aktes. Het is vooral dankzij deze opera dat de sage over het spookschip De Vliegende Hollander bekendheid heeft gekregen. Hoofdpersonen zijn Daland (bas), een Noorse zeeman, zijn dochter Senta (sopraan), die hij aan de “de Hollander” (bariton) uithuwelijkt; de stuurman (tenor) en Erik (tenor), een jager, die met Senta “verkering” heeft; De Hollander zingt in het eerste bedrijf, als hij aan land komt zijn eerste aria: "Die Frist ist um". Senta zingt in het tweede bedrijf een mooie Ballade met het Leitmotiv: het lied van de Hollander, hoe Satan hem hoorde vloeken en aan zijn woord hield. Zij verklaart dat zij hem zal redden met haar trouw.

- Tannhäuser (Tannhäuser und der Sängerkrieg auf Wartburg), romantische opera in drie aktes, 1845. Libretto, Wagner zelf, gebaseerd op het Duitse Sagenboek van Ludwig Bechstein: Die Mähr von dem Ritter Tannhäuser, Der Sängerkrieg auf der Wartburg en Die heilige Elisabeth. Veel sagen zijn rondom de Wartburg, een kasteel in Eisenach, ontstaan. Hoofdpersoon is Heinrich von Ofterdingen, die bekend werd als Tannhäuser in de gelijknamige sage. Thema is het probleem van minnezanger Tannhäuser (tenor), wiens behoefte zich over te geven aan zinnelijke lust hem in conflict brengt met zijn religieus ingestelde verstand. De innerlijke tweestrijd wordt belichaamd door de twee vrouwen die hij bemint. De zinnelijke liefde waar hij bij Venus (mezzosopraan) genoeg van krijgt, mist hij bij Elisabeth (sopraan), nicht van de landgraaf van Thuringen, Herman (bas). Er komen ook nog vier andere minnezangers in voor, waaronder Wolfram von Eschenbach (bariton) en een veelheid aan edelen, dienaren,dames, pelgrims, sirenen, nimfen en bacchanten. Belangrijke koorpartijen derhalve. In de derde acte, Scene II, zingt minnezanger Wolfram von Eschenbach als ode aan de Avondster de aria Wie Todesahnung Dämmrung deckt die Lande (als een voorspelling van de Dood, bedekt de schemering het land). Mooie ouverture, die nogal eens apart wordt uitgevoerd.

- Lohengrin, 1850, libretto ontleend aan het Parcival-epos van Wolfram von Eschenbach en de Middeleeuwse legenden van de Heilige Graal. Een kleine maar mooie rol is weggelegd voor de "Heerrufer" (bariton), heraut van Koning Heinrich der Vogler (bas). Naast de hoofdrollen voor prinses Elsa van Brabant (sopraan) en Lohengrin, Graalridder zoon van Parcival, (tenor) belangrijke rollen voor het slechterikkenduo de Brabantse graaf Friedrich van Telramund, (bariton) en zijn Friese echtgenote Ortrud (dramatische sopraan). Elsa zing in de tweede scene van het eerste bedrijf "Einsam in trüben Tagen".

- Tristan und Isolde, opera in drie aktes, 1859, libretto gebaseerd op een liefdesdrama van Gottfried von Straβburg. Hét romanisch muziekdrama van de negentiende eeuw. Het muziekdrama ontwikkelt zich vanuit één enkel akkoord, het Tristanakkoord, een verminderd septimeaccoord, dat direct in het begin van het mooie instrumentale voorspel te horen is. Isoldes Liebestod, de afsluiting van het laatste bedrijf, één van de mooiste muzikale monologen uit de opera-geschiedenis.

- Die Meistersinger von Nūrnberg, 1868, opera in drie aktes, tekst van Wagner zelf, gebaseerd op de geschiedenis van de Duitse minne- en meesterzangers zoals Hans Sachs en Walther von Solzing (heldentenor). Er moet natuurlijk ook liefde in voorkomen, zoals die tussen Walther en Eva (sopraan) de dochter van meesterzinger en goudsmid Veit Pogner (bas).

- Der Ring des Nibelungen, 1874, gebaseerd op het Middelhoogduitse Nibelungenlied en de Oudnoorse Völsunga - saga, het magnum opus van Richard Wagner. De cyclus (tetralogie) omvat 4 samenhangende werken, die eigenlijk ook achter elkaar moeten worden uitgevoerd:

Das Rheingold (vooravond), De dwerg Alberich (bas), die in een soort onderwereld een schrikbewind uitoefent over zijn broer Mime (tenor) en de andere nibelungen, smeedt de ring van het magische Rijngoud. De ring geeft onbegrensde macht. De goden hebben een kasteel laten bouwen door de reuzen Fasolt (bas) en Fafner (bas). Die willen de ring als betaling. Ze hebben de godin Freia (sopraan) als onderpand meegenomen. Freia's broers Froh (tenor) en Donner (bariton) proberen haar te bevrijden, maar oppergod Wotan (bariton) houdt hen tegen. De echtgenote van Wotan, Freia's zuster Fricka (sopraan) heeft het er niet gemakkelijk mee. De goden weten met een list de ring van Alberich te stelen, waarop die er een vloek over uitspreekt: dood en ellende voor de bezitter. Tegen het eind komt aardgodin-oermoerder Erda (alt) ook nog opdagen. En slechterik-god Loge (tenor) speelt ook af en toe een rol, waarbij hij steeds een heel herkenbaar dalend chromatisch Log-motief meeneemt. De reuzen weten beslag op de ring te leggen, Fafner slaat zijn broer Fasolt in een gevecht om dnes ring dood.

De opera begint met een instrumentale inleiding: "Auf dem Grunde des Rheines". Aan het eind is er een feestelijke intocht van de Goden over een regenboog in het net gbouwde Walhalla. Die intocht wordt ook wel als een apart concertstuk opgevoerd.  

Die Walküre (dag 1), Sieglinde en Siegmund, twee kinderen door oppergod Wotan bij een sterfelijke vrouw verwekt, zijn bij hun geboorte van elkaar gescheiden. Sieglinde (sopraan) moet tegen haar wil met de jager Hunding (bas) trouwen en woont in een jagershut. Siegmund (tenor) stormt op zekere dag de hut binnen en wordt halsoverkop verliefd op Sieglinde en vice versa. Hunding en Siegmund besluiten de volgende dag te duelleren en Siegmund brengt de nacht met Sieglinde door. Fricka, Wotans vrouw (mezzosopraan), vindt dat dat niet kan en dwingt Wotan (bariton) Hunding te steunen in het gevecht. Wotan geeft zijn dochter (hij heeft ondertussen ook nog even 9 Walküres verwekt),  de Walküre Brünnhilde (sopraan) opdracht die taak uit te voeren. Aan het begin van het tweede bedrijf  zoekt Brünnhilde Siegmund op en zingt een intense "Todesverkündigung". Na het gesprek daarover met Siegmund kiest ze toch voor Siegmund, trekt zich terug en Wotan moet zelf de klus klaren. Siegmund wordt gedood en Sieglinde is ondertussen in verwachting van Siegfried. Het derde bedrijf begint met de Walkürenritt, nogal eens als filmmuziek toegepast en daardoor bekend geworden. In scene 3, zingt Wotan een aria ten afscheid van Sieglinde: Leb'wohl, du kühnes, herrliches Kind! De wraakzuchtige Wotan verbant Brünnhilde uit het Walhalla, en laat haar in een diepe slaap vallen.

Siegfried (dag 2). Sieglinde sterft bij de geboorte van Siegfried (tenor), die wordt geadopteerd door de dwerg Mime (tenor), broer van Alberich. Hij voedt Siegfried op als held die de ring kan stelen van Fasold, die ondertussen de vorm van een draak heeft aangenomen. In de smederij van Mime, die in de eerste akte een zwaard voor Siegfried probeert te smeden, dat heel blijft, zingt Siegfried het "Schmiedelied". Siegfried krijgt de ring en doodt Mime. Hij bevrijdt de walkure Brünnhilde (sopraan) uit de aan haar door Wotan opgelegde betovering en de twee worden heftig verliefd. In de derde akte, wanneer Siegfried Brünnhilde ontdekt, zingt hij: "Selige Öde" .Daarop volgt het slotduet van Siegfried en Brünnhilde: het utlieme bekronende moment, ook muzikaal, dat een half uur duurt.

Götterdämmerung (dag 3). In dit laatste, vierenhalf uur durende, deel beweegt het drama zich langzaam maar zeker naar het onafwendbare einde. Het hele werk ademt de sfeer van dreiging en duisternis. Siegfried (tenor) is getrouwd met Brünnhilde (sopraan). Zij hebben de centrale rollen in deze opera. Siegfried vertrekt naar het hof van de Gibichungen (een soort voortijdige Bourgondiërs). Daar wachten hem koning Gunther (bariton), zijn zus Gutrune (sopraan) en hun halfbroer Hagen (bas). Hagen is de zoon van Alberich (bariton) en wil de ring teughalen. Hij weet Siegfried te doden, en zal hem op een brandstapel verbranden. Brünnhilde werpt zich ook op de brandstapel. De Rijnmaagden, bewakers van het Rijngoud, doen de Rijn overstromen en nemen Hagen en de ring mee de diepte van het water in, terwijl het Walhalla in vlammen opgaat. In het drama speelt ook nog Waltraute (mezzosopraan) Walkürezus van Brünnhilde een muzikaal mooie rol. In de derde schène van de derde akte zingt Brünnhilde indrukwekkend en ontroerend "Starke Scheite schichtet mir dort". Het feit dat Brünnhilde het laatste woord heeft heeft in de (Amerikaanse) sportwereld het gezegde opgeleverd: It ain't over till the fat lady sings (niet te vroeg juichen)

- Parsifal, 1882, de laatste opera van Wagner, libretto van hemzelf, gebaseerd op de versroman Parzival van Wolfram von Eschenbach. Een mengeling van christelijke, heidense en boeddhistische elementen, waarin de christelijke elementen de boventoon voeren. Reden waarom de Nazi's, toch heel gecharmeerd van de antisemiet Wagner, Parsifal in 1939 op de lijst van verboden werken plaatsten. Verhaal: Parsifal (tenor), zoon van graalridder Lohengrin, moet de speer waarmee Jezus aan het kruis gestoken is, terugbrengen. Daarvoor moet hij "rein" blijven. Kundry (mezzosopraan) wil hem verleiden en zo van zijn "reinheid" beroven. Daardoor wordt het oude Parzivalverhaal bij Wagner toch een beetje "Tristan en Isolde". Basbariton Klingsor speelt als magiër ook een rol, net als graalkoning Amfortas (bas-bariton) en bejaarde graalridder Gurnemanz (bas). In het tweede bedrijf wordt Parsifal verwelkomt door mooie sopraan zingende bloemenmeisjes.

     12 ouvertures voor orkest

     2 symfonieën

- Symfonie in C grote terts, 1832, van een beginnend componist die goed naar Beethoven heeft geluisterd

- Symfonie in E grote terts, 1834, bleef steken in schetsen, op verzoek van weduwe Cosima uitgewerkt door Felix Motti

     11 andere orkestwerken

- Siegfried-Idyll, symfonisch verjaardagsgedicht, in 1870 geschreven voor de verjaardag van zijn vrouw Cosima Liszt, haar eerste verjaardag als wettige echtgenote.

- Trauermusik naar thema’s uit Carl Maria von Webers Euryanthe, WWV 73, 1844, voor blazers

     8 werken voor harmonieorkest

- Huldigungsmarsch ("Geburtstagsgruß" voor Koning Lodewijk II van Beieren), 1864

- Kaisermarsch (met in het slotdeel de Luther-koraal "Eine feste Burg ist unser Gott"), 1871

     7 koorwerken

     3 werken voor kinderkoor (en orkest)

     24 liederen voor zangstem en piano

- 5 Wesendonck-Lieder,  liederencyclus voor vrouwenstem en piano, 1857, op vijf gedichten van Mathilde Wesendonck. Mathilde  Wesendonck was de vrouw van Wagners mecenas, de koopman Otto Wesendonck. De componist onderhield met haar een stormachtige liefdesaffaire. De liederen Im Treibhaus en Träume zijn voorstudies voor de opera Tristan und Isolde. Ter gelegenheid Mathildes 29e verjaardag in 1857 arrangeerde Wagner Träume voor viool en orkest. Dirigent Felix Mottl maakte later een orkestversie van de complete cyclus.

nr 3. Im Treibhaus; ondoorgrondelijke en mysterieuze klanken van het Wagneriaanse idioom

     12 sonates en andere werken voor piano solo

- Fantasia in fis kleine terts, 1831, WWV 22

- pianosonata in As, WWV 85, componeerde Richard Wagner in 1853 voor Mathilde Wesendonck.

- Elegie, in As grote terts, 1858, WWV 93

 

Giuseppe Fortunino Francesco Verdi (Le Roncole, 9 oktober 1813 – Milaan, 27 januari 1901) werd geboren in Le Roncole in het hertogdom Parma, toentertijd bezet door Napoleon. Zijn vader Carlo Verdi was herbergier en zijn moeder Luisa Ottini zijdespinster. Op tienjarige leeftijd kreeg de jonge Verdi een officiële aanstelling als organist van de kerk in Le Roncole. In 1824 verhuisde Verdi naar Busseto, hij begon daar in eerste instantie aan een opleiding tot priester op een middelbare school onder leiding van Jezuïeten, maar toen duidelijk werd dat muziek zijn ware roeping was, begon hij onder Maëstro Ferdinando Provesi muziek te studeren. Antonio Barezzi, een welvarende winkelier in Busseto met een grote passie voor muziek ontfermde zich zowel emotioneel als financieel over de jonge Verdi. Hij werd als een vader voor hem en bleef zijn hele leven een goede vriend en begunstiger. Op zijn 15de was hij de beste pianist van de provincie. Tussen zijn 13de en 18de jaar schreef Verdi honderden marsen en symfonieën voor kerken en academies en vijf of zes concerten met pianovariaties.

Op bijna achttienjarige leeftijd vertrok Verdi naar Milaan, om te gaan studeren aan het plaatselijke conservatorium dat later zijn naam zou dragen Conservatorio "Giuseppe Verdi". Hij werd niet toegelaten. De toelatingscommissie keurde zijn speeltechniek af, en was bang dat hij die vanwege zijn leeftijd niet meer zou kunnen afleren, daarnaast kwam hij ook niet uit Milaan zelf. Verdi nam privélessen in compositie en contrapunt bij de beste muziekleraar van Milaan Vincenzo Lavigna en deed daarnaast inspiratie op tijdens de vele operavoorstellingen in La Scala van o.a. Rossini, Bellini en Donizetti. Nadat hij zijn studie voltooid had in Milaan, keerde hij terug naar Busseto.

Als muziekmeester trouwde hij in 1836 met Margherita Barezzi, de dochter van zijn weldoener en vriend. Uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren die beide op zeer jonge leeftijd zouden overlijden.

Vlak na het overlijden van zijn dochtertje in 1838 trok Verdi met zijn vrouw en hun zoontje naar Milaan. Op 17 november 1839 werd de eerst opera van Verdi opgevoerd in La Scala: Oberto, Conte di San Bonafacio. Het werd redelijke succesvol ontvangen (14 opvoeringen) en de muziek uitgever Giovanni Ricordi, kocht de rechten van Oberto en gaf hem uit. Verdi’s vrouw overleed in 1840. Verdi was nog maar 27 jaar jong. De uitvoering van Nabucco in 1842 in La Scala werd een enorm succes en vestigde de naam van Verdi voorgoed tussen die van andere grote componisten. Een vooraanstaande zangeres uit die tijd: de sopraan Giuseppina Strepponi vertolkte de rol van Abigail. De zangeres zou Verdi's levensgezel worden, maar pas lang na de dood van zijn eerste vrouw trouwde hij met haar.

Verdi's werk bevatte vaak nauwelijks verholen steunbetuigingen aan het Italiaanse nationalisme. Van het "Koor van de Joodse slaven" (het Slavenkoor) uit Nabucco bijvoorbeeld, ook bekend als Va, Pensiero werd en wordt dikwijls beweerd dat het een goed Italiaans volkslied zou zijn.

De naam Verdi werd gebruikt als een acroniem van Vittorio Emanuele Re D'Italia (Victor Emanuel Koning van Italië). Partizanen begonnen een campagne om ervoor te zorgen dat deze koning van Sardinië Milaan kon heroveren, een campagne die vanwege de strikte Oostenrijkse censuur bekend stond als "Viva V.E.R.D.I." ("Leve V.E.R.D.I."). De componist was zich bewust van dit gebruik van zijn naam en wordt verondersteld dit te hebben goedgekeurd. Ook zijn werk I Lombardi verwijst naar politieke gebeurtenissen.

Verdi overleed in 1901 in Milaan aan een beroerte. Zijn begrafenis kende een enorme opkomst: Het Slavenkoor 'Va, Piensiero' werd door tienduizenden mensen gezongen in de straten tijdens zijn begrafenis. Ongeveer een kwart miljoen rouwenden betuigden hun respect aan Verdi, een van de belangrijkste vertegenwoordigers van de Italiaanse muziek.

Guiseppe Verdi componeerde:

     26 opera’s

- Oberto, conte di San Bonifacio, opera in 2 bedrijven, libretto Temistocle Solera, gereviseerde versie Antonio Piazza, 17 november 1839,

- Un giorno di regno, ossia il finto Stanislao (een koning voor een dag, of de vermeende Stanislaus) melodramma giocoso in twee bedrijven, 5 September 1840, libretto Felice Romani, gebaseerd op het toneelstuk Le faux Stanislas van Alexandre Vincent Pineu-Duval, 1808. De opera was een flop en Verdi wilde eigenlijk helemaal geen opera's meer schrijven, maar ná het succes van Nabucco in 1842 is hij er toch maar mee door gegaan. Alleen een komische opera, die moest wachten tot het einde van Verdi’s carrière: Falstaff

- Nabucco (Nebukadnezar), opera in vier bedrijven, 1842, libretto van Temistocle Solera, met het beroemde Slavenkoor (van gevangen Joden): "Va, pensiero sull'ali dorate" (Vlieg, gedachte, op gouden vleugels); Nebukadnezar staat op het punt Jeruzalem binnen te vallen. De Joden hebben zijn dochter Fenema gevangen genoemen om die uit te ruilen tegen vrede. Ismaele, neef van de Joodse koning is verliefd op haar, maar ook Abigaïle, vermeende oudste dochter van Nebukadnezar valt op Ismaele. Veel gedoe dus.

- I Lombardi alla Prima Crociata (De Lombardijnen op de Eerste Kruistocht), dramma lirico in vier bedrijven, libretto Temistocle Solera, gebaseerd op een verhalend gedicht van Tommaso Grossi, 11 februari 1843. Opgedragen Maria Luigia, de Habsburgse gravin van Parma, die een paar weken na de première overleed.

- Ernani, dramma lirico in vier bedrijven, libretto Francesco Maria Piave, gebaseerd op het toneelstuk “Hernani” van Victor Hugo, 9 maart 1844.

- I due Foscari (De twee Foscari’s), opera in 3 bedrijven, 3 november 1844, libretto Francesco Maria Piave naar George Gordon Lord Byron, "The two Foscari", tragedie (1821). Hoofdpersonen: Francesco Foscari (bariton), doge van Venetië en zijn zoon Jocopo Foscari (tenor).

- Giovanna d'Arco (Jeanne d'Arc), dramma lirico met een proloog en drie bedrijven, libretto Temistocle Solera, losjes gebaseerd op het toneelstuk Die Jungfrau von Orleans van Friedrich von Schiller, 15 februari 1845. Giacomo, vader van Giovanna, bariton, die stellig overtuigd van de schuld van zijn dochter haar aan de vijand overlevert; en er achter komt dat hij het helemaal verkeerd zag; Carlo VII, koning van Frankrijk, tenor, zingt meteen aan het begin van de proloog “Sotto una quercia parvemi” ("onder een eikenboom, lijkt me").

- Alzira, opera met een proloog en twee bedrijven, libretto Salvadore Cammarano, gebaseerd op het toneelstuk Alzire, ou les Américains van Voltaire, 12 augustus 1845; belangrijke aria: Alzira in het eerste bedrijf, scène 2:"Nell'astro più che fulgido".

- Attila, opera met een proloog en drie bedrijven, 1846, libretto van Temistocle Solera, gebaseerd op het toneelstuk Attila, König der Hunnen van Zacharias Werner. Aan het begin van het tweede bedrijf zingt Ezio (bariton), een Romeinse generaal: "Tregua e cogi".

- Macbeth, 14 maart 1847, libretto Francesco Maria Piave, gebaseerd op het gelijknamige toneelstuk van William Shakespeare. In 1865 kwam er een nieuwe versie met een herzien libretto van Andrea Maffei. Muzikaal expressief en krachtig, dramatisch onevenwichtig. In het orkest speelt de Engelse hoorn (althobo) een grote rol als donker klagend instrument. De schurk uit het verhaal is veldheer en latere koning van Schotland Macbeth (bariton), de held de zoon van de door MacBeth vermoorde koning Duncan: Macduff (tenor). Bekende scene: 1ste acte scene 2: "briefscene" Lady Macbeth (sopraan) ontvangt een brief van haar man, die ze voorleest en laat volgen door een cavatina en een aria.

- I masnadieri (De rovers), opera in vier bedrijven, libretto Andrea Maffei, gebaseerd op Die Räuber van Friedrich von Schiller, 22 juli 1847. In de derde acte, scene 2 zingt hoofdpersoon Carlo (tenor) indrukwekkend: "Destatevi, o pietre... Giuri ognun questo canuto". Ook een belangrijke rol voor generaal Banco (bas), de rechterhand en concurrent van MacBeth, hij wil hem dan ook zo snel mogelijk uit de weg ruimen.

- Il corsaro (de boekanier), opera in 3 bedrijven, 25 oktober 1848, libretto Francesco Maria Piave, naar Lord Byron, "The Corsair", gedicht (1814).

- Luisa Miller, opera in drie bedrijven, 1849, libretto Salvatore Cammarano, gebaseerd op de tragedie Kabale und Liebe van Friedrich von Schiller; .

- Rigoletto, opera in drie bedrijven, 1851, libretto van Francesco Maria Piave; Bekend: de ballata van de hertog van Mantua (il Duca, tenor) meteen bij de introductie: Questa o quella"; een van de beroemdste sopraanaria's uit de operageschiedenis is de aria van onschuldige dochter Gilda, acte 1, scene 2: "Caro nome"'. Ook bekend het duet waarin (de voor haar onbekende) hertog aan Gilda zijn liefde verklaart: "È il sol dell'anima" (Liefde is de zonneschijn van de ziel). Dan nog de de boze aria van hofnar Rigoletto (bariton) in de tweede akte, scene 9: "Cortigiani, vil razza dannata"; de aria van de hertog van Mantua aan het begin van het derde bedrijf: La donna è mobile (vrouwen zijn wispelturig) is de beroemdste aria uit de opera.

- La Traviata, opera in drie bedrijven, 1853, libretto van Francesco Maria Piave, gebaseerd op de roman La dame aux camélias uit 1848 van Alexandre Dumas. Hoofdrol: Violetta (sopraan), een bekende en rijke courtisane, die een feest geeft ter ere van haar verjaardag. Passie, noodlot, ware liefde en een jammerlijk einde. Belangrijke hoofdfiguren: Alfredo Germont (tenor), de vriend van Violetta, en zijn vader Giorgio Germont (bariton). Mooi duet halverwege de eerste akte tussen Alfredo en Violetta: Un dì, felice, eterea – "een dag, gelukkig en hemels"). Bejubelde aria van Violetta aan het eind van het eerste bedrijf: "Sempre libera" (altijd vrij). Aan het begin van het derde bedrijf, wanneer duidelijk is dat Violetta vanwege haar tuberculose niet lang meer zal leven zijngt ze: "Addio, del passato bei sogni ridenti", een Italiaanse opera-spiritual

- Il Trovatore ("de troubadour"), opera in vier bedrijven; 1853, libretto Salvatore Cammarano, gebaseerd op de tragedie El Trovador van Antonio Garcia Gutièrrez. In de tweede scene van acte 2 zingt graaf Luna (bariton) zijn liefde uit voor Leonora (sopraan), gravin van Sargosto: “Il balen del suo sorriso” (Het licht van haar glimlach). In de derde scene is hij ook indrukwekkend in “Qual suono!... oh ciel...”. Hoofdpersoon is de troubadour Manrico (tenor). Hij zingt in de derde acte, scene twee indrukwekkend, met een hoge c in de aria: "Di quella pira" (van die brandstapel). En Leonora zingt aan het begin van het vierde bedrijf: "D'amor sull'ali rosee vanne, sospir dolente" (op de roze vleugels van liefde).

- Les vêpres siciliennes, opera in vijf bedrijven, 1855, Frans libretto van Charles Duveyrier en Eugène Scribe naar hun werk Le duc d'Albe, gebaseerd op een historische gebeurtenis: de Siciliaanse Vespers in 1282. Van de opera werd al in hetzelfde jaar 1855 een Italiaanse versie gemaakt: I vespri siciliani. Hoofdpersoon is Guy de Montfort (bariton), Gouverneur van Sicilië onder Charles d'Anjou, Koning van Napels, genadeloze tiran en liefhebbende vader. Daarnaast zijn er hoofdrollen voor Henri (tenor), een jonge Siciliaan, hertogin Hélène (sopraan), zuster van hertog Frederick van Oostenrijk en Jean Procida (bas), een Siciliaanse arts. De koren spelen een belangrijke rol.

- Simon Boccanegra, opera met proloog en drie bedrijven, 12 maart 1857, libretto van Francesco Maria Piave, gebaseerd op het toneelstuk Simón Bocanegra van Antonio García Gutiérrez. Een van de hoofdrolspelers, kanselier Paolo (bariton) maakt er in de finale van de eerste akte iets moois van bij het recitatief “Ecco la spada”.

- Aroldo, opera in vier bedrijven, libretto Francesco Maria Piave, gebaseerd op de opera Stiffelio, die zij samen eerder schreven, 16 augustus 1857. Belangrijke aria’s: 2de bedrijf, scene 4; Mina: “Ah, dagli scanni eterni” en een daaropvolgende Cabaletta.

- Un ballo in maschera (Een gemaskerd bal), opera in drie bedrijven, libretto Antonio Somma, 1859, gebaseerd op de moord op koning Gustaaf III van Zweden in 1792, een "Shakespeareaanse" opera met veel briljante momenten en de nodige ironie. Het verhaal van de moord op de Zweedse koning werd "vertaald" naar een moord op de gouverneur van Boston in Amerika. Tegenwoordig wordt het verhaal vaak weer terugvertaald en is de hoofdrolspeler Gustavo, de koning van Zweden in plaats van Riccardo, de graaf van Warwick en gouverneur van Boston. In beide gevallen een droomrol voor een tenor. Renato (bariton), secretaris van Gustavo en uiteindelijk zijn moordenaar. In de eerste scene van het derde bedrijf zingt Renato, die zijn vrouw Amelia (sopraan) verdenkt van overspel met Gustavo, ontroerend: "Eri tu che macchiavi quell'anima" (jij washet, die deze ziel bezoedelde). Belangrijke rollen voor de waarzegster Ulrica (alt), speelse en spontane page Oscar (sopraan), degelijke magistraat Silvano (bas) en de samenzweerderige graven Ribbing en Horn (beiden bas).

- La forza del destino (De kracht van het noodlot), 10 november 1862, revisie 1869, libretto Francesco Maria Piave, gebaseerd op het Spaanse drama Don Alvaro o La Fuerza de Sino (1835) van Ángel de Saavedra, hertog van Rivas en een scène uit Friedrich Schillers Wallensteins Lager. Hoofdpersoon: de jonge edelman Alvaro (tenor). Hij is veriefd op donna Leonora (sopraan), de dochter van de markies van Calatrava (bas). Voorspellende jonge zigeunerin Preziosilla (mezzosopraan) speelt ook een rol.

- Don Carlos, opera in vijf bedrijven, 1867, libretto van Camille du Locle en Joseph Méry, gebaseerd op het toneelstuk Don Carlos, Infant von Spanien van Friedrich Schiller. Hoofdpersonen zijn Don Carlos (tenor) , troonopvolger in Spanje, en zijn verloofde Elisabetta van Valois (sopraan). Andere rollen zijn er voor Rodrigo, markies van Posa (bariton), hofdame prinses Eboli (mezzosopraan); Koning Phiips II (bas)

- Aida, opera in vier akten, 24 december 1871; libretto Antonio Ghislanzoni, gebaseerd op een thema van François Auguste Ferdinand Mariette en een schets in het Frans van Camille du Locle. Aanleiding voor het schrijven van de opera was de opdracht voor een opera bij de opening van het nieuwe operagebouw van Caïro.

De opera wordt nog steeds regelmatig opgevoerd bij de piramides van Gizeh. Er waren nog geen ontdekkingen gedaan over hiëroglyfen of Toetachamon. Verdi ontwierp zo'n beetje zijn eigen antieke Egypte, een ander soort vocale muziek, minutieus gedetailleerd en heel secuur wat betreft intonatie.

Hoofdpersonen zijn Aïda (sopraan), een zelfbewuste slavin van prinses Amneris (mezzosopraan) en Radamès (tenor), legerkapitein. die een geheime liefdesrelatie met Aïda heeft, maar begeerd wordt door Amneris. Belangrijke rollen voor de farao van Egypte (bas), Amonasro, koning van Ethiopië (bariton) en hogepriester Ramfis (bas). Dan loopt er nog een bode (tenor) rond en is de stem van een hogepriesteres (sopraan) te horen. Meteen aan het begin in de eerste acte, de eerste scene zingt Radames een hele mooie door fluit, klarinet, fagot en celli omspeelde Scena e romanza: "Se quel guerrier io fossi!...Celeste Aida"; aan het eind van die scene zingt een twijfelende Aida: "Ritorna vincitor" (kom terug als overwinnaar); de tweede acte, tweede scene begint met een dans van kleine morenslaven "Ballabile", wordt vaak apart instrumentaal uitgevoerd; de tweede acte sluit met een spectaculaire scene waarin de kopersectie schittert in de "overwinningsmars" "Gloria all' Egito". In het derde bedrijf heeft Aïda een extreem lastige aria: O patria mia, waarin ze eigenlijk maar door één instrument wordt begeleid. In de 4de acte, scene 1, zingt Amneris "Io l'amo sempre" (ik houd nog steeds van hem) met een mooie basklarinetpartij.

- Otello, opera in vier akten, libretto Arrigo Boito, gebaseerd op het toneelstuk Othello van William Shakespeare, 1887. De jaloerse generaal Otello (tenor) is getrouwd met de mooie Desdemona (sopraan). De intrigant Jago (bariton) heeft een hekel aan Otello, en verzint een plan om hem te gronde te richten. Hij vertelt aan Otello dat Desdemona een affaire heeft met Cassio, kapitein van Otello (tenor). Intussen regelt hij alle "bewijzen". Overtuigd van de overspeligheid van zijn vrouw, wurgt Otello haar. Als de list van Jago eindelijk ontmaskerd wordt, slaat Otello de hand aan zichzelf. Emilia, vrouw van Jago, kamermeisje van Desdemona (sopraan) heeft ook een belangrijke rol, met mooie aria’s.

De opera begint op een stormachtige avond: de Cyprische bevolking wacht angstig op de komst van de nieuwe gouverneur: Otello, die in een verwoed gevecht met de Turkse vloot verwikkeld was. Hij wint het gevecht, de Turkse vloot is verslagen en bij aankomst zingt Otello met het koor: Esultate! L’orgoglio musulmano sepolto è in mar (Blijdschap! de tros van de muselmannen is begraven in zee). Aan het begin van het vierde bedrijf zingt Desdemona het "wilgenlied" van het dienstmeisje van haar moeder en een gebed Ave Maria. Behoorlijk indrukwekkend allemaal.

- Falstaff , komische opera, de laatste opera die Giuseppe Verdi componeerde, 1893, libretto Arrigo Boito, naar de toneelstukken The Merry Wives of Windsor en King Henry IV van William Shakespeare. Laatste woorden van de opera  (en van Verdi): “alles in de wereld is een grap".

     9 (series) liederen

- Sei Romanze, 1838

- Album di Sei Romanze, 1845, Luciano Berio heeft er in 1990 acht georkestreerd (Otto romanze, per tenore e orchestra)

nr. 5 Il Mistero,  tekst Felice Romani, suggestief en melodieus.

     Strijkkwartet in e kleine terts, voorjaar 1873, het enige overgebleven kamermuziekwerk van Verdi. Er is ook een versie voor strijkorkest van gemaakt; mooie zangerige lyrische passages

     Libera me voor de Messa per Rossini , 1869, mis ter herinnering aan Gioachino Rossini, gecomponeerd samen met 12 andere componisten, nooit uitgevoerd, later bewerkte Verdi het Libera me voor zijn Requiem. In 1970 werd de originele versie van de partituur teruggevonden, in 1988 voor het eerst uitgevoerd

     Pater Noster, 1873, voor 5 stemmig koor

     Messa da Requiem (1874), gecomponeerd bij het overlijden van de patriottische dichter Alessandro Manzoni, voor 4 solostemmen, koor en orkest. (Hans von Bülow: “een opera in kerkgewaad”). Persoonlijke ontboezeming over sterfelijkheid, barmhartigheid en eeuwigheid. 

     Ave Maria, 1880, voor sopraan en strijkers; Verdi wilde ermee onderstrepen dat Italië trots moest zijn op de verheven polyfonie van Palestrina; wordt ook wel door tenor gezongen.

     Zes andere religieuze werken

- Tantum Ergo in F grote terts voor tenor en orkest

     Quattro Pezzi Sacri, 1898, Verdi's zwanenzang, overrompelend mooi.

- Ave Maria, voor gemengd koor

- Stabat Mater, voor gemengd koor

- Laudi alla Vergine Maria, voor vrouwenkoor

- Te Deum voor dubbelkoor en orkest  

 

Henry Thomas Smart (Londen, 26 oktober 1813 – aldaar, 6 juli 1879) was de zoon van muziekuitgever, dirigent en violist Henry Smart, en een neef van dirigent en organist Sir George Thomas Smart. Henry Smart kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn vader en ging in Highgate naar school. Van jongs af was hij geïnteresseerd in orgelbouw en orgelmuziek. Hij bezocht in zijn vrije tijd regelmatig het orgelbouw-bedrijf Flight & Robson en volgde wetenschappelijke uiteenzettingen aan het Royal Institution, zodat hij al jong een diepgaand inzicht had in orgelmechaniek en orgelconstructie. In eerste instantie ging hij na zijn middelbare schooltijd rechten studeren, maar na vier jaar stopte hij daarmee en legde zich uitsluitend toe op muziek. Al snel was Henry Smart een van de bekendste organisten in Engeland.

Van 1831 tot 1836 was organist aan de parochiekerk in Blackburn, Lancashire. Van 1838 tot 1839 was hij in Londen organist aan St. Philips in de Regent Street. Van 1844 tot 1864 aan St. Lukes in de Old Street en van 1865 tot 1879 aan St. Pancras Church. Hij ontwierp als begaafd orgelkenner ook verschillende orgels voor kerken. Henry Smart was werkzaam als muziekcriticus voor het wekelijks tijdschrift The Atlas. De laatste 15 jaar van zijn leven was Henry Smart praktisch blind. Hij componeerde nog door zijn dochter Ellen de noten te dicteren.

Henry Smart componeerde

     1 opera

     1 oratorium

     3 cantates

     4 Services voor de eredienst

     16 liturgische koorwerken met begeleding van orgel en/of andere instrumenten

     23 anthems en kerkliederen

     1 andere werk voor zangstem en piano

     veel orgelwerken (meer dan 100)

- Koraal met variaties in Es grote terts

Henry Smart stelde 4 kerkliedbundels samen:

- Chorale Book, 1856, standaard voor hymnen-harmonisatie

- The Presbyterian Hymnal, 1875 .

- Psalms and Hymns for Divine Worship, 1867

- Hymn Book van de United Presbyterian Church of Scotland.

 

Charles-Valentin Alkan (Parijs, Frankrijk, 30 november 1813 — 20 maart 1888) werd geboren als Charles Henri Valentin Morhange, het tweede van zes kinderen van Alkan Morhange en Julie Abraham. Ze waren afkomstig uit een Joodse Ashkenazische gemeenschap bij Metz. Alkan Morhange was muzikant en eigenaar van een privémuziekschool in Le Marais, het Joodse kwartier in Parijs. Later gebruikte Charles-Valentin, net als zijn zus en zijn broers, die allemaal een muzikale carrière hadden, de voornaam van zijn vader als achternaam. Charles-Valentin Alkan was een wonderkind dat op zesjarige leeftijd piano en orgel studeerde aan het conservatorium van Parijs bij Joseph Zimmerman. Op zijn zevende kreeg hij een prijs voor solfège.

Als twintiger speelde Charles-Valentin Alkan pianoconcerten en gaf hij pianoles. Hij was bevriend met Franz Liszt, Frédéric Chopin, George Sand en Victor Hugo. Op zijn vierentwintigste was hij een van de grootste pianovirtuozen van zijn tijd.

In 1848 trok hij zich, zeer teleurgesteld omdat hij gepasseerd was bij de benoeming van de nieuwe directeur van het Conservatorium en bedroefd door de dood van zijn vriend Frédéric Chopin, uit het openbare leven terug, gaf hij slechts sporadisch een concert en bestudeerde, van Joodse afkomst zijnde, de Bijbel en de Talmoed. Charles-Valentin Alkan nam steeds precies om tien uur afscheid van zijn vrienden en woonde in een flat van twee verdiepingen om niet gestoord te worden door buren, en om ongewenste bezoekers te kunnen ontlopen. Vanaf deze tijd ontwikkelde hij een grote interesse voor pedaalpiano, waarvoor hij steeds meer componeerde.
Charles-Valentin Alkan was nooit getrouwd, maar had wel een briljante pianospelende zoon: Élie-Miriam Delaborde, die verschillende werken van hem heeft laten publiceren.

Charles-Valentin Alkan overleed op 74-jarige leeftijd te Parijs. Jarenlang ging het verhaal dat dat kwam omdat zijn boekenkast op hem viel omdat hij een exemplaar van de Talmoed van de bovenste plank wilde pakken. Later onderzoek ontkrachtte dat verhaal: Charles-Valentin Alkan was gevallen in de keuken, had geprobeerd zich op te trekken aan een paraplubak, maar die trok hij over zich heen.

Zo werd hij gevonden door een leerling, die hem samen met de conciërge naar zijn bed bracht, waarin hij die avond overleed. Hij werd werd begraven in aanwezigheid van een viertal vrienden.

Charles-Valentin Alkan componeerde:

     3 orkestwerken

     4 kamermuziekwerken

- 'Grand Duo' voor viool en piano, opus 21, 1842

     11 vocale werken

- 'Treurmars voor de dood van een papegaai” in c kleine terts, 1859, voor twee sopranen, tenor, bas, drie hobo’s en fagot

     80 (series) pianowerken, behoren tot de moeilijkste die ooit zijn geschreven, en worden betrekkelijk zelden uitgevoerd.

- Souvenirs. Trois morceaux dans le genre pathétique, opus 15, 1837

- 25 Préludes in alle grote en kleine tertstoonaarden voor orgel of piano, opus 31, 1844

- studies in alle grote tertstoonladders, opus 35, 1848

- studies in alle kleine tertstoonladders, opus 39, 1857, waarin

1. Comme le vent, Prestissimamente, in a kleine terts

2. En rythme molossique, Risoluto, in d kleine terts

3. Scherzo diabolico, Prestissimo, in g kleine terts

4-7. Symfonie voor solo-piano,

8-10. Concerto voor solo-piano,

11. Ouverture in b kleine terts

12. Le festin d’Esope, opus

- Sonatine pour piano in a kleine terts, opus 61, 1861

     5 (series) werken voor orgel of pedaalpiano

- Benedictus in d kleine terts voor pedaalpiano, opus 54, 1859

- 13 prières voor orgel of pedaalpiano, opus 64, 1866

- 'Bombardon Carillon'. 1872, voor vier voeten

 

Theodore (Theodor) Oesten (Berlijn, Duitsland, 31 december 1813 – 16 maart 1870) leerde blaas- en strijkinstrumenten bespelen van de stadmuzikant in Fürstenwalde, een klein stadje net buiten Berlijn. Toen hij negentien jaar was studeerde hij compositie bij Böhmer, Carl Friedrich Rungenhagen, Schneider en August Wilhelm Bach in Berlijn. Na zijn studie werkte hij in Berlijn als veelgevraagd pianoleraar. Theodore Oesten werd begraven op het Sophienkerkhof in Berlijn.

Zijn zoon Max werd ook componist.

Theodore Oesten componeerde

     vele (series) pianowerken

- Dolly's Dreaming and Awakening (popjes dromen en ontwaken), wiegelied, opus 202 nr 4.

- Les premières violettes, Rondo, 1843, succesvolle compositie, er zijn veel arrangementen van gemaakt

 

Joannes Josephus Viotta (Amsterdam, 14 januari 1814 – Amsterdam, 6 februari 1859) was de tweede zoon van 18 kinderen van Joseph Viotta, een Italiaan afkomstig uit Meina aan het Lago Maggiore, die zich in de Kalverstraat in Amsterdam als winkelier had gevestigd. Zij moeder was Gezina Christina Schuering. Joannes Josephus Viotta zong als koorknaap in de Jozefkerk. Hij studeerde geneeskunde in Leiden en trad ondertussen op als pianist, organist en zanger. In 1837 promoveerde hij tot doctor in de medicijnen op het proefschrift De voce sana et morbosa, waarin hij menselijke stem ontleedde in medisch en muzikaal opzicht. Na zijn promotie vestigde Viotta zich als arts te Amsterdam, en ontwikkelde zich tegelijkertijd tot een centrale figuur in de hoofdstedelijke muziekwereld. Hij was repetitor en later directeur van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst en werkte als muziekrecensent voor de Amsterdamsche Courant. Joannes Josephus Viotta was getrouwd met Helena Petronella Louise Gelissen. De jurist-musicus Henri Viotta was hun zoon.

Joannes Josephus Viotta componeerde

     2 orkestwerken

- symfonie, 1835, alsof het een onbekende symfonie van Schubert is

     3 missen

     1 requiem

     1 treurcantate bij het overlijden van collegacomponist Johannes van Bree

     8 motetten

     12 werken voor koor met orgel

     3 pianowerken

     volksliedjes, opgenomen in de populaire liedbundel Kun je nog zingen, zing dan mee, op teksten van Jan Pieter Heije.

- 'De kabels los, de zeilen op'

- De Zilvervloot

- 'Een karretje op een zandweg reed'

- 'Een lied, een lied, uw leven lang!'

- 'Een scheepje in de haven landt'

- 'Ferme jongens, stoere knapen'

- 'Heb je van de Zilveren vloot wel gehoord'

- 'Ik zing er al van een Ruiter koen, maar niet van een ruiter te paard'

- 'Recht-op van lijf, recht-op van ziel'

- 'Van mannen in oorlog, van mannen in vreê'

- 'Zie, de maan schijnt door de boomen'

- 'Zonneschijntje, morgenlicht! Als gij tintelt op de ramen'

 

Adolf von Henselt (Swabach, Beieren, 12 mei 1814 – Bad Warmbrunn, Silezië, 10 Oktober 1889) verhuisde op driejarige leeftijd met zijn familie naar München. Hij leerde toen ook maar meteen viool spelen en op zijn vijfde piano bij Josepha von Fladt. Met financiële hulp van koning Lodewijk I van Beieren ging hij studeren bij Johann Nepomuk Hummel in Weimar. In 1832 ging hij naar Wenen. Daar studeerde hij compositie bij Simon Sechter en had hij groot succes als concertpianist.

In 1837 ging Adolf von Hesselt wonen in Breslau, daar trouwde hij met Rosalie Vogel. In 1838 verhuisde hij naar Sint Petersburg, waar hij hofpianist werd en inspecteur van de muziekopleiding aan het Keizerlijk Vrouwen Opleidingsinstituut.

Adolf von Henselt componeerde

     60 (series) pianowerken

- Si oiseau j'étais

     concerten

- pianoconcert in f kleine terts

     kamermuziek

     liederen

www.henseltsociety.org