Componisten

vanaf 1840

 

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski (Votkinsk, 7 mei 1840 – Sint-Petersburg, 6 november 1893) groeide op in een welgestelde familie. Hij kreeg op zijn vijfde jaar zijn eerste pianoles. Zijn moeder stierf aan cholera toen hij 14 jaar oud was, die klap kwam hij nooit helemaal te boven. Hij ging in eerse instantie rechten studeren en woerd ambtenaar, maar de muziek trok en dus ging hij toch maar muziek studeren aan het Conservatorium van Sint-Petersburg. Na zijn afstuderen in 1865 werd hij leraar aan datzelfde conservatorium. Een rijke bewonderaarster, gravin Nadesjda Filaretovna von Meck, bood hem in 1877 de mogelijkheid zijn leven helemaal aan het componeren te wijden. Jarenlang onderhielden zij een innige briefwisseling (1200 brieven!), maar Tsjaikovski heeft haar nooit willen ontmoeten. In 1890 zette de gravin haar financiële steun om onduidelijke redenen stop. Een theorie is dat zij zich niet kon verenigen met zijn seksuele geaardheid. Pjotr Iljitsj Tsjaikovsky trouwde met  Antonia Miliukova, maar dat hwelijk hield maar een paar dagen stand. Hij kan daarna twee jaar niet componeren, zo emotioneel was hij ingestort. 

Tsjaikovski reisde veel, werd overal geëerd, maar was een eenzelvig en eenzaam mens. Hij overleed op 53-jarige leeftijd aan cholera. Er wordt echter steeds weer aan deze doodsoorzaak getwijfeld. Het gerucht dat hij zelfmoord gepleegd zou hebben door vergiftiging, is erg hardnekkig. Zijn broer Modest, die een biografie over hem uitbracht en ook zelf homoseksueel was, zou hebben getracht dit geheim te houden. Dat is niet zo onwaarschijnlijk, hoewel Modest vrij openlijk homo was en homoseksualiteit rond 1900 lang niet zo'n groot probleem was als in de Stalinistische tijd.

De muziek van Pjotr Iljitsj Tsjaikovsky is in 787 films gebruikt, waaronder Des hommes et des dieux, Black Swan, De Simpsons.

Pjotr Iljitsj Tsjaikovski componeerde

     10 opera's,

- De  Maagd van Orleans, (Orleanskaja deva) opera in vier bedrijven en 6 scenes, 1879, libretto van de componist, gebaseerd op De  Maagd van Orleans van Friedrich Schiller, Jeanne d’Arc van Jules Barbier, het libretto van Auguste Mermet voor zijn eigen opera en de de biografie van Jeanne d’Arc door Henri Wallon. Tsjaikovsky heeft dus alles over Jeanne d’Arc nagelezen. De opera is opgedragen aan dirigent  Eduard Nápravník. Het is naar inhoud en vorm een Franse Grand opéra.

- Mazeppa (eigenlijk Mazepa), opera in drie bedrijven, zes scenes,  libretto Victor Burenin, gebaseerd op Pushkin’s gedicht Poltava, 1883. Een bloeddorstig verhaal over liefdeswaanzin, politieke achtervolging, executies en wraakmoord. Marya (sopraan) is verliefd op kozakkenhoofdman Mazeppa (bariton), terwijl zijn rivaal Andrei (tenor), weer zwaar verliefd is op Marya, die hij als vanaf zijn vroege jeugd kent. Marya kiest voor Mazeppa. In een verwoestende oorlog met rare politieke spelletjes loopt alles zo verkeerd, dat Marya haar verstand verliest, door Mazeppa verlaen worden en aan het eind van de opera een wiegelied zingt met de stervende Andrei in aan armen.

- Vakula de Smit, opus 14, in 1885 gereviseerd als Cherevichki (pantoffeltjes), gebaseerd op een verhaal van Gogol, genoot Tskaikovsky’s voorkeur boven zijn andere opera’s. Een miskend meesterwerk dat er op wacht ontdekt te worden. DVD  The Royal Opera Chorus, Orchestra of the Royal Opera House onder leiding van Alexander Polianichko; regie: Francesca Zambello; Opus Arte OA 0137 D.   

- Jevgeni Onjegin, opus 24, 1878, opera in 3 aktes (7 scenes),  Tsjaikowski’s meest meeslepende opera, naar een versroman van Poesjkin. Fijnzinnige poëzie en grote menselijkheid; Tatjana, een tienermeisje droomt van liefde, denkt haar in de eerste de beste man te vinden die ze tegenkomt, en krijgt een figuurlijke klap in haar gezicht. Zij wordt volwassen, trouwt met een prins - en ziedaar, de man die haar ooit afwees. Kleine/grote drama's, liefde, vriendschap en verraad. De wals waar de tweede, en de polonaise waar de derde akte mee begint worden vaak afzonderlijk van de opera op concerten door orkesten uitgevoerd. De tweede scène van de eerste akte begint met een indrukwekkende briefscene van Tatjana.

- Pikovaya dama  (Schoppenvrouw; Pique Dame), opus 68, 1890, libretto geschreven door Tsjaikowsky’s broer Modest; zijn beste opera. Officier Hermann (tenor) is verliefd op Lisa (sopraan), die echter verloofd is met vorst Jeletzky (bariton). Behalve dat Hermann Lisa van vorst Jeletzky wil afpakken, wil hij ook achter het geheim komen, waarmee de oma van Lisa, de gravin (mezzosopraan) altijd alle kaartspelen wint. Het loopt dus verkeerd met Hermann af.

- Iolant(h)a, opera in twee bedrijven; 1891, libretto naar de vertaling van Vladimir Rafailovich Zotov (1821–1896) van het drama König Renes Tochter (1846) van Henrik Hertz (1798–1870). Hoofdpersonen zijn Jolanta (sopraan), de blinde dochter van René (bas), koning van Provence van 1443 tot 1480, en Graaf Vaudémont, Bourgondische ridder, haar geliefde (tenor). Robert (bariton), hertog van Bourgondië, aan wie Jolanta was toegezegd, maar die verliefd geworden is op gravin Mathilda. Hij zingt aan het begin van de derde scene dan ook de mooiste aria van de opera: Kto možet stravni’sya (wie kan vergeleken worden met mijn Mathilda?) De opera begint trouwens met een arioso van de blinde Jolanta, die je ook niet onberoerd laat en eindigt met een mooi slotduet van Jolanta en Vaudémont. Nog belangrijke rollen voor Ibn Hakia (bariton), een Moorse arts, en Martha (alt), Jolanta's dienstmeisje.

     3 balletten, de één nog mooier dan de ander

- Het Zwanenmeer, opus 20,1877, hét ballet der balletten, met Odette als witte en Odile als zwarte zwaan, soms gedanst door één ballerina; in vier bedrijven wordt het verhaal verteld van de tragische liefde tussen prins Siegfried en zwanenkoningin Odette. Het mooiste ballet ooit.

- De Schone Slaapster (Doornroosje), opus 66 (1890)

- De Notenkraker, opus 71, 1891 – 1892, libretto  Marius Petipa en Ivan Vsevolosjki, gebaseerd op Alexandre Dumas' versie van Ernst Hoffmanns sprookje De notenkraker en de muizenkoning. Het verhaal speelt zich af op het kerstfeest van de familie Staalboom. Vandaar dat het ballet ook nu vaak rond Kerst wordt uitgevoerd. Dochtertje Clara krijgt een magische notenkrakerpop cadeau op kerstavond van de raadselachtige heer Drosselmeyer. Wanneer Clara slaapt komt de pop komt om middernacht tot leven, maar wordt meteen aangevallen door een horde muizen. Als Clara hem redt doorhet gooien van haar pantoffel, neemt de Notenkraker haar mee op een magische reis. Van het een komt het ander. Een tijdloos sprookje.

Het ballet heeft 23 nummers, verdeeld over twee bedrijven. Het derde nummer uit het tweede bedrijf nr. is een "divertissement" (nr. 15 - 20) dat uit 6 onderdelen bestaat:

nr. 15. "le café" (Arabische dans);

nr. 17. "Trépak" (Russische dans)

nr. 20. Bloemenwals

     25 werken voor koor, ook met solisten en orkest

- Liturgie van St. Johannes Chrysostomos, opus 41 (1878), omvangrijk

- Russische Vespers, opus 52 (1881 - 1882)

- 9 liturgische koorwerken (zonder opusnummer), 1885

- 1, 2, 3. Cheruvimskaja pesn ("lied van de Cherubijnen") in drie versies: homofoon, polyfoon en neumatisch

     8 symfonieën

- Symfonie nr. 1 in g kleine terts, opus 13 ("Winterdagdromen"), 1866; Reis door het besneeuwde Russchische landschap; winterse taferelen uit zijn jeugd;

- Symfonie nr. 2 in c kleine terts, opus. 17 (Klein-Russische), 1872, herzien 1880, veel couleur locale, Oekraïense volksmuziek

- Symfonie nr. 3 in D grote terts, opus 29, 1875, opgedragen aan Vladimir Shilovsky, op wiens landgoed in Ussovo Tsjaikovski het werk componeerde. Wordt wel de “Poolse symfonie” genoemd vanwege de tempoaanduiding Tempo di Polacca van het laatste deel. Het derde deel Andante elegiaco is van een vervoerende schoonheid.

- Symfonie nr. 4 in f kleine terts, opus 36, 1878. "De inleiding is tevens de kern van de hele symfonie. Zij bevat de hoofdgedachte. Deze stelt het noodlot voor, een macht die als het zwaard van Damocles voortdurend boven ons hoofd zweeft", aldus de componist zelf.

- Manfred-symfonie (zonder nummer), in b kleine terts, opus 58, 1885, een programmatische symfonie, gebaseerd op het gedicht “Manfred” van Lord Byron (1817); in de epiloog moet er een orgel aan te pas komen, reden dat de symfonie niet zo vaak wordt uitgevoerd

- Symfonie nr. 5 in e kleine terts, opus 64 (1888). En cyclische symfonie, met een terugkerend hoofdthema ("noodlotsmotief"), dat in alle delen is terug te vinden. Het thema is ontleend aan een passage uit Glinka’s opera “Een leven voor de tsaar”, een passage die de woorden gebruikt “wentel niet in verdriet”. Verpletterend werk, melancholisch maar even zo goed energiek, frivool en triomfantelijk.    

- Symfonie nr. 6 in b klein, opus 74 (Pathétique; "Patetisjeskaja" staat er boven de partituur, dat betekent "gevoelvol") (1893), Tsjaikovsky's zwanenzang, magistrale dramatiek. Het eindigt, geheel tegen alle symfonische tradities in met een langzaam deel: Adagio lamentoso; Tsjaikovski noemde het laatste deel zelf een "requiem" en dat is het ook. 

     13 concerten en concertante werken

- Pianoconcert nr. 1 in bes kleine terts, opus 23, 1875, een hoogtepunt van de Romantiek. Een onverwoestbare partituur; overweldigende openingsakkoorden, het middendeel Andantino simplice is van een ontroerende naïviteit. Het toendertijd populaire liedje Il faut s'amuser, danser et rire is er in verwerkt. Zijn vriend Nikolaj Rubinstein zei na het voorspelen van het eerste deel: "Een slecht werk, een prul, afgezaagd." en zijn broer Anton vond het waardeloos en onspeelbaar. Tsjaikovsky veranderde terecht geen noot aan het intens expressieve stuk. Pas in 2015 verscheen een uitgave van de originele, niet door anderen bewerkte partituur.

- Sérénade Mélancolique in bes kleine terts, opus 26, voor viool en orkest, 1875.

- Rococovariaties voor cello en orkest, 1876, opus 33, geschreven voor en mee door de Duitse cellist Wilhelm Fitzenhagen. Een hoogromantisch-neoclassicistisch werk, geïnspireerd door Mozart, enorm charmant. Een origineel thema, gecomponeerd in rococo-stijl,

- Valse-Scherzo, opus. 34, voor viool en orkest, 1877

- Élégie pour violoncelle et orchestre, opus 24, 1878, een zwaarmoedig en emotioneel werk

- Vioolconcert in D grote terts, opus 35,1878, behoort tot het ijzeren repertoire, een van de moeilijkste stukken voor viool, opgedragen aan de beroemde violist Leopold Auer, die het weigerde te spelen: te moeilijk. Verfijnd elegant klassiek meesterwerk.  Het tweede deel van het driedelige concert is een sprookjesachtig Andante canzonetta.

- Valse-Scherzo in C grote terts voor viool en orkest, opus 34, 1878

- Pianoconcerto nr. 2 in G grote terts, opus 44, 1880, opgedragen aan Nikolai Rubinstein. Het eerste deel van het driedelige concerto: Allegro brillante e molto vivace is een buitengewoon uitgebreid deel met drie solocadensen. Het tweede deel is een wonderlijk Andante non troppo waarin soloviool en solocello de hoofdrol spelen.

- Pezzo capriccioso in b kleine terts, opus 62, voor cello en orkest, augustus 1887, opgedragen aan Anatoly Brandukov. Tschaikovsky maakte ook een arrangement voor cello en piano.

     4 orkestsuites

- Suite nr. 4 in G grote terts, opus 61 (Mozartiana), 1887, een eerbetoon aan Wolfang Aamadeus Mozart op de 100ste verjaardag van diens opera Don Giovanni. De suite bestaat uit vier orkestraties van pianowerken van Mozart.

     23 symfonische gedichten en andere orkestmuziek

- Romeo en Juliet, ouverture naar Shakespeare, 1869, herzien in 1870 en 1880, een ongeëvenaard kunstwerkje.

- Francesca da Rimini, Symfonische fantasie naar Dante, opus 32, herfst 1876, opgedragen aan zijn vriend en leerling Sergei Taneyev. Een symfonische interpretatie van het tragische verhaal van Francesca da Rimini, een schoonheid, door Dante onsterfelijk vereeuwigd in zijn Divina Commedia. In de vijfde canto van het Inferno ontmoet Dante de schaduw van Francesca da Rimini, een adelijke dame die verliefd werd op de broer van haar wrede echtgenoot. Het liefdepaar werd ontdekt en vermoord door de echtgenoot. Voor straf zitten ze nu in hel gevangen in een woeste storm die door de tweede cirkel van de hel rondraast, zodat ze nooit meer de grond zullen raken.

- Ouverture 1812, opus 49, 1880, weergave van de slag om Borodino tussen Russische en Franse troepen van Napoleon, die eindigde met een Russische overwinning, met echte kanonschoten, het meest uitgevoerde werk van Tsjaikovski.

- Capriccio Italien, opus 45, een fantasie voor orkest, 1880, geïnspireerd door een reis die Tschaikovsky naar Rome maakte. Tschaikowsky maakte bij de compositie gebruik van Italiaanse volks- en straatliederen. In zijn hotel hoorde hij steeds een trompetsignaal, gespeeld door een Italiaans Cavalerieregiment. Dat signaal gebruikte hij ook. In 1965 breidde trompettist Nini Rosso dat motief uit tot een instrumentaal popnummer: “Il Silenzio”. Dat werd in veel landen, waaronder Nederland in 1965 een nummer 1 hit.

- Serenade voor strijkers in C grote terts, opus 48, 1880, een onovertroffen prachtig werk

     11 kamermuziekwerken 

- Strijkkwartet nr. 1 in D grote terts - opus 11, februari 1871. Het melancholische tweede deel, Andante cantabile, gebaseerd op een volksliedje dat Pjotr Iljitsj door een huisschilder hoorde fluiten in het huis van zijn zus in Kamenka, is een beroemd muziekstuk op zich geworden, dat onder andere de auteur Leo Tolstoy tot tranen roerde; vaak uitgevoerd in een arrangement voor strijkorkest.

- Strijkkwartet nr. 2 in F grote terts, opus 22, januari 1874, Tschaikovsky zelf vond het zo’n beetje zijn beste werk.

- Strijkkwartet nr. 3 in es kleine terts, opus 30, 1876, geschreven ter herinnering aan de Tsjechische violist en componist Ferdinand Laub, die in 1875 overleden was. Emotioneel en sterk melancholisch werk. Gevoelens van verlatenheid, dood èn de viering van het leven doortrekken het werk;

- Souvenir d’un lieu cher (herinnering aan een geliefde plek) , opus 42, voor viool en piano, 1878, driedelig werk. De "geliefde plek" was het landgoed van gravin von Meck, Tsjaikowky's weldoenster, waar hij paddenstoelen plukte, verborgen wouden ontdekte en dat verwerkte in zijn muziek.

deel 1. Meditation, ook veelvuldig georkestreerd uitgevoerd.

- pianotrio in a kleine terts, opus 50, 1882, "In memory of a great artist", met betrekking tot Nikolai Rubinstein, zijn trouwe vriend en mentor, die 23 maart 1881 was overleden.

- vier Romanische stukken (Romantické kusy) voor viool en piano, opus 75, B. 150, januari 1887, arrangementen van een eerdere compositie:  Miniatures ( Drobnosti) voor twee violen en altviool, opus 75a, B. 149

 - Souvenir de Florence voor strijksextet, opus 70, 1890, gereviseerd 1892, ook bewerkt voor strijkorkest

     13 bundels met liederen

- 6 romances voor zangstem en piano, opus 6, 1869;

nr. 6: Net, tol'ko tot, kto znal (niets dan het eenzame hart) een melancholieke zetting  van Lev Mei’s gedicht “Het lied van de harpspeler ”The Harpist's Song," dat weer was vertaald uit Wilhelm Meisters Lehrjahre van Goethe. Het lied is opgedragen aan Alina Khvostova.

- 6 Liederen, opus 16, 1872

nr. 1: Wiegelied, hier heeft Rachmaninov in 1941 een aansprekend piano-arrangement van gemaakt

- 6 romances voor zangstem en piano, opus 38, 1878;

nr. 1: Don Juan's Serenade

- 16 kinderliederen, opus 54, 1883, voor kinderkoor en piano. Juweeltjes! Het vijfde lied "Legende" was het uitgangspunt van Anton Arensky’s Variaties over een Thema van Tsjaikovski, opus 35a

- Achttien romances over de gedichten van Rathaus, opus 73, 1893

     18 (series) pianowerken

- Pianosonata in nr. 2 in cis kleine terts, opus posthuum 80, 1865; het derde deel van de sonate heeft Tsjaikovsky omgewerkt tot het Scherzo van zijn 1ste symfonie in G grote terts, opus 13. Tijdens zijn leven heeft hij de pianosonate nooit uitgegeven, die is pas in 1900 gepubliceerd. Een soort concert voor piano solo

- 6 stukken, opus. 19, 1873

4. nocturne in cis kleine terts, heeft Tschaikovsky ook gearrangeerd voor cello en orkest;

6. thema en variaties in F grote terts, wordt vaak apart  uitgevoerd

- Les Saisons ("de Seizoenen"), opus 37a, TH 135, twaalf korte karakterstukken, elk heeft betrekking op een volgende maand in het jaar, geschreven in opdracht van de uitgever van het Petersburger muziekmagazine Nouvellist Nikolay Matveyevich Bernard. In 1876 schreef Tschaikovsky voor elke maand een muzikale column. Verschillende componisten hebben de werkjes later georkestreerd. Kwetsbare sfeerschilderingen.

10. oktober herfstlied (Automn Song) in d kleine terts; melancholiek hoogtepunt.

- Grande Sonata in G grote terts, opus 37, TH 139, 1878, vierdelige sonate, opgedragen aan Karl Klindworth. Zelden uitgevoerd meesterwerk

- 12 stukken van gemiddelde moeilijkheid, opus 40, 1878

- Album pour enfants, opus 39, 24 stukjes voor piano, 1878, door Rostilav Dubinsky van het Borodinkwartet voor strijkkwartet bewerkt.

3. mama

4. playing hobby-horses

7. the sick doll

- 18 Morceaux for piano, opus 72, 1892. 9 van deze stukjes werden gearrangeerd tot een cello concerto door de cellist Gaspar Cassadó.

5. méditation, Andante mosso, in D grote terts, opgedragen aan Vasily Safonov. Geladen 

     25 (series) arrangementen.

 

Sir John Stainer (Southwark, Londen, 6 juni 1840 – Verona, 31 maart 1901), achtste van negen kinderen van meubelmaker William Stainer en Ann Collier. William Stainer speelde als amateurmusicus piano, viool en fluit. Hij bouwde een klein kamerorgeltje, waarop de vroegrijpe John hem op zijn viool begeleidde. John Stainer speelde op zijn zevende jaar op het orgel al fuga’s van Johann Sebastian Bach. Als tienjarige zong hij in het koor van St Paul's Cathedral in Londen. Op zijn 16e werd hij benoemd tot organist van St. Michael's College in Tenbury.

In 1860 werd hij organist van Magdalen College in Oxford. Daar studeerde hij muziek bij John Goss (1800-1880), die hij in 1872 opvolgde als op als organist van St. Paul's Cathedral.

In 1866 richtte hij de Oxford Philharmonic Society op. In 1876 werd hij organist en in 1881 directeur van de National Training School of Music. Als kind had John Stainer bij een ongeluk het zicht van één oog verloren. Zijn toenemende slecht zicht was de reden dat hij in 1888 besloot als organist van de St Pauls Cathedral met pensioen te gaan. Voor al zijn muzikale verdiensten werd hij dat jaar geridderd door Queen Victoria van het Verenigd Koninkrijk. In 1889 werd hij nog hoogleraar in de muziek aan Universiteit van Oxford.

Stainer overleed op vakantie in Verona aan een hartstilstand op 31 maart 1901. Hij werd begraven op 6 april bij St. Cross Church in Oxford en de straten waren vol met rouwende mensen.

Nogal wat van zijn werken zijn bewerkt voor harmonie- en fanfare-orkest.

Stainer leverde ook een blijvende bijdrage aan kerstmuziek met zijn verzameling Christmas Carols New and Old (1871).

John Stainer componeerde

     3 oratoria

- the Sevenfold Amen, 1873

- The Crucifixion, 1887

     44 anthems

     18 services

     168 hymns,

- "Cross of Jesus", 1887 uit oratorium The Crucifixion

- "All for Jesus", 1887 uit oratorium The Crucifixion

- "Love Divine".

     Kerstliedzettingen: “Christmas Carols, New and Old”, 1871

- "What Child Is This"

- "God Rest Ye Merry Gentlemen"

- "Good King Wenceslas"

- "The First Nowell"

- "I Saw Three Ships"

     madrigalen

     partsongs

     kamermuziek

     orgelwerken

 

Samuel de Lange jr. (Rotterdam, 22 oktober 1840 ‒ Stuttgart, 7 juli 1911) was de oudste zoon van componist Samuel de Lange sr. en de oudere broer van componist Daniël de Lange. Samuel de Lange jr. studeerde orgel bij Alexander Winterberger, piano bij Karol Mikulien compositie bij Johannes Verhulst en Berthold Damcke.

Als tienerpianist toerde hij met de cellovirtuoos Adrien François Servais en zijn broer Daniël de Lange door Oost-Europa. Van 1860 tot 1863 was hij pianodocent aan het conservatorium van Lemberg (tegenwoordig Lviv) in Oekraïne. Daarna keerde hij terug naar Rotterdam. Hij trouwde in 1869 met Aafje van Oordt. In 1874 vertrokken zij naar Basel en vervolgens naar Parijs, en daarna ook nog naar Keulen en Den Haag om zich uiteindelijk in 1893 te vestigen in Stuttgart, waar Samuel docent orgel, muziektheorie en compositie aan het Conservatorium werd, en in 1900 directeur.

Samuel de Lange jr. stierf op 70-jarige leeftijd in zijn woonplaats Stuttgart.

Samuel de Lange jr.componeerde 800 werken, waaronder in elk geval

     10 concerten

     2 andere orkestwerken

     17 werken voor koor,  (solisten) en orkest

     3 werken voor zangstem en orkest

     26 werken voor koor met instrument(en)

     21 koorwerken a cappella

     13 strijkkwartetten

     23 andere kamermuziekwerken

     35 (series) liederen voor zangstem(men) en piano of een ander instrument

- 6 Lieder, opus 26, 1878,

5. Ein Fichtenbaum steht einsam

- Liederblüthen, opus 84, 1902, voor hoge stem en piano, tekst: Wera Hertogin van Württemberg. 8 liederen

3. Frühlingsnacht

     80 (series) orgelwerken, opname complete orgelwerken: Gerben Budding LG Organ Classics 20150604-1/9

- Sonate I über „aus tiefer Not“, opus 5

- Sonate II über Luthers Choral „Ein’ feste Burg ist unser Gott“ opus 8

- Praeludium und Fuge, opus 9:

- Leichtere Orgelstücke,  opus 56, in drie boeken

- 24 Präludien, opus 60

- Tägliche Übungen im Pedalspiel,opus 78, oefenboek voor het pedaalspel voor organisten.

     20 pianowerken

www.stichtingdelange.nl

 

François Borne (Montpellier, Frankrijk, 1840 – Toulouse, 1920) was fluitist aan het Grand Théâtre de Bordeaux en fluitdocent aan het conservatorium van Toulouse. Samen met fluitenbouwer Djalma Julliot verbeterde hij het kleppenmechanisme van de Böhmfluit.

François Borne componeerde

     fluitwerken

- Fantaisie brillante sur L'Africaine de Meyerbeer, voor fluit en piano of orkest, 1885.

- Fantaisie brillante naar motieven uit Bizets Opera Carmen voor fluit en piano

 

Alexis Emmanuel Chabrier (Ambert (Puy-de-Dôme), 18 januari 1841 ‒ Parijs, 13 september 1894) was zoon van de advocaat Jean Chabrier. Op 6-jarige leeftijd kreeg hij pianoles bij Manuel Zaporta. In 1851 vertrok de familie naar Clermont-Ferrand. Daar kreeg Emmanuel Chabrier vioolles bij Alexandre Tarnowski. In 1856 ging de familie naar Parijs en Emmanuel studeerde daar hij piano bij Édouard Wolff, harmonieleer bij Richard Hammer en compositie bij Théophile Semet en Aristide Hignard.

In 1873 huwde hij Marie Alice Dejean. Hij schreef zijn eerste orkestwerken en had succes met zijn opera's L'Étoile in 1877 en Une éducation manquée in 1879. In 1881 ontstonden zijn tien Pièces pittoresques, die een groot succes werden. In aansluiting op een concertreis naar Spanje ontstond de orkestrhapsodie España, zijn bekendste werk.

Vanaf 1883 componeerde hij voornamelijk in La Membrolle-sur-Choisille (Touraine), waar zijn Trois Valses romantiques voor piano ontstonden. Zijn bewondering voor Richard Wagner had invloed op zijn in 1886 gecreëerde opera Gwendoline. Als gevolg van verschillende ziekten, financiële problemen en de teleurstelling over het geringe succes van zijn toneelwerken, nam zijn motivatie om te componeren af. Zijn laatste opera Briséïs bleef onvoltooid. Chabrier overleed op 53-jarige leeftijd na een lang ziekbed. Hij werd begraven op de begraafplaats van Montparnasse.

Emmanuel Chabrier componeerde

     8 opera’s

- L'étoile, opéra bouffe in 3 actes, libretto Eugène Leterrier en Albert Vanloo, 28 November 1877

- Le roi malgré lui, opéra comique in 3 actes, libretto  Émile de Najac en Paul Burani, gereviseerd door Jean Richepin, naar Marguerite-Louise Virginie Ancelot's  (1792–1875) gelijknamige vaudeville, 18 mei 1887

     1 schouwspel

     3 operettes

     5 werken voor orkest

- Larghetto voor hoorn en orkest, 1875

- España, rapsodie voor orkest, 1883, het beroemdste orkestwerk van Emmanuel Chabrier, geschreven nadat hij met zijn vrouw een lange reis door Spanje had gemaakt, opgedragen aan dirigent Charles Lamoureux. Razend virtuoos orkestwerk, dat voorbij is voor je het weet. Briljant. Emile Waldteufel arrangeerde het ook nog tot een wals.

     13 vocale muziekwerken

- À la musique voor solo sopraan, vrouwenkoor en orkest of piano, 1891, op tekst van dichter en toneelschrijver Edmond Rostand, geschreven als een huisinwijdingsgeschenk voor Jules Griset, industrieel een begaafd amateurcellist. Een favoriet werk van Claude Debussy.

     7 werken voor piano solo

 

Viktor Ernst Nessler (Neßler) (Baldenheim, Elzas, Duitsland, 28 januari 1841 – Straatsburg, 28 april 1890) was de zoon van predikant Carl Ferdinand Nessler en Wilhelmine Kampmann. Op wens van zijn vader studeerde hij evangelisch-Lutherse theologie aan de Universiteit van Straatsburg. Ondertussen studeerde hij privé compositie bij Th. Stern. Dat compositie studeren en in de paktijk brengen ging prima. Zijn opera Fleurette deed het uitstekend. Victor Nessler gaf daarom zijn theologiestudie op, zijn professoren op de Universiteit vonden al dat gedoe met muziek toch maar niks en wilden hem liever weg hebben. Hij verhuisde naar Leipzig en studeerde daar bij Moritz Hauptmann. In 1867 was de première van de romantische sprookjesopera Dornröschens Brautfahrt (Doornroosjes huwelijksreis). In 1870 werd Victor Nessler koorleider aan het stedelijk theater te Leipzig en in 1878 kapelmeester aan het Carola-theater. Verder was hij dirigent van de Leipziger zangersbond, een mannenkoor. Op 19 maart 1879 was de première van de opera Der Rattenfänger von Hameln (De rattenvanger van Hamelen) en op 4 mei 1884 die van zijn opera Der Trompeter von Säckingen.

Na 1888 ging terug in naar Straatsburg. Samen met zijn echtgenote ligt hij begraven op de begraafplaats Saint-Gall de Strasbourg (Koenigshoffen).

Viktor Nessler componeerde

     11 opera’s

- Der Rattenfänger von Hameln, grote opera in 5 bedrijven, libretto Friedrich Hoffmann, naar het verhaal van Julius Wolff, 19 maart 1879

     1 werk voor solisten,  koor en orkest 

     4 werken voor harmonieorkest

     44 (series) koorwerken

     34 (series) liederen 

 

Giovanni Sgambati (Rome, 28 mei 1841 – 14 december 1914), zoon van een Italiaanse vader en een Engelse moeder,  kreeg al jong pianoles, en trad voor het eerst op toen hij zes jaar oud was. Toen zijn vader in 1849 overleed, kreeg hij een muziekopleiding in Trevi in Umbria.

In 1860 vestigde hij zich in Rome. Hij kreeg er onder meer les van Franz Liszt, die vanaf 1861 in Rome was. Giovano Sgambati was een trouwe discipel van Franz Liszt, richtte zich op de piano, en stelde zich ten doel de Duitse muziek van Franz Liszt en Richard Wagner in Italië te promoten.

In 1893 werd hij tot directeur Kunstzaken van de Società Filarmonica Romana benoemd.

Giovanni Sgambati componeerde

     6 orkestwerken

- Ouverture Cola di Rienzo, 1866

- Symfonie nr.1 in D grote terts, opus 11, 1881, best wel hele mooie muziek, CD Orchestra Sinfonica di Roma olv Francesco La Vecchia Naxos 8.573007

     1 pianoconcert

     6 liturgische muziekwerken

- Messa da Requiem, voor bariton, gemengd koor, orkest en orgel, opus 38, 1896, zijn belangrijkste werk

     12 kamermuziekwerken

- pianokwintet nr. 1 in f kleine terts, opus 4, 1866

- pianokwintet nr. 2 in Bes grote terts, opus 5, vóór 1876

- strijkkwartet in cis kleine terts, opus 12, 1882

- strijkkwartet in d kleine terts, opus 43, 1884

     12 (series) werken voor zangstem en piano

     20 (series) pianowerken

     1 orgelwerk

 

Daniël de Lange (Rotterdam, 11 juli 1841 – Point Loma, Californië, 30 januari 1918) was de zoon van organist Samuel de Lange senior en Johanna Molijn. Samen met zijn één jaar oudere broer Samuel kreeg hij de eerste lessen kerkmuziek, muziektheorie en orgel van zijn vader. Van 1851 tot 1854 studeerde Daniël de Lange op de Toonkunstmuziekschool te Rotterdam en kreeg hij les van Simon Ganz (violoncello) en Johannes Verhulst (theoretische vakken). In 1855 ging Daniël naar Brussel, om drie jaar cello te studeren bij Adrien François Servais (1807-1866), “de Paganini van de cello”. In Brussel studeerde  Daniël De Lange ook bij Berthold Damcke compositie en bij Jaak Lemmens orgel.

Toen hij 17 oud was maakte Daniël met zijn broer Samuel jr. als cello/pianoduo concertreizen door  Oostenrijk-Hongarije. In 1860 kregen ze een aanstelling aan het conservatorium van Lemberg (nu Lviv, Oekraïne), waar ze tot 1863 lesgaven.

In 1863 keerden de broers terug naar Rotterdam. Daniël werd benoemd tot celloleraar aan de muziekschool. In 1864 vertrok Daniël de Lange naar Parijs, waar hij werkte als organist en koordirigent. Ook gaf hij compositielessen.

Op 5 augustus 1869 trouwde Daniël de Lange met Alida (Lide) Maria Wihelmina van Oordt (zus van Aafje van Oordt, de vrouw van zijn broer  Samuel jr, die tijdens dezelfde ceremonie in het huwelijk traden). Uit dit huwelijk werden, behalve één dochter die jong overleed, twee zoons en drie dochters geboren.

Door de dreiging van de Frans-Duitse oorlog, keerde Daniël de Lange in 1870 terug naar Nederland en vestigde zich in Amsterdam. Hij ging lesgeven aan muziekschool te Amsterdam en stichtte in 1873 een muziekschool te Zaandam.

Vijf jaar lang was hij dirigent van het Amstels Mannenkoor en in 1875 richtte hij de Leidse afdeling van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst op. In 1878 was Daniël mede-oprichter (en later ook voorzitter) van de Nederlandsche Koorvereeniging.

Hij begon met het geven van muziekgeschiedenis-cursussen en van 1881 tot 1913 was hij bestuurslid van de Vereeniging voor Nederlandsche Muziekgeschiedenis.

In 1881 richtte hij een a- cappella-koor van solisten op (een noviteit), dat veel succes had in heel Europa.

Om het professionele muziekklimaat in Nederland naar een hoger plan te tillen, richtte Daniël De Lange in 1884 met F. Coenen en Julius Röntgen het Conservatorium van Amsterdam op. Zelf gaf hij er compositielessen, solfège en muziekgeschiedenis en in 1895 werd hij directeur.

Daniël de Lange was de eerste betaalde muziekcriticus van Nederland, bij “Het Nieuws van den Dag”.

Na het overlijden van Lide (28 april 1910) trouwde Daniël de Lange opnieuw op 6 juli 1911 met zangeres Anna Maria Gouda. Uit dit huwelijk werden geen kinderen geboren.

Daniël de Lange en Anna Maria Gouda raakten in toenemende mate geïnteresseerd in theosofie, wat erin resulteerde dat ze in 1914 vertrokken naar het hoofdkwartier van de theosofische gemeenschap in Amerika, Point Loma in Californië. Daniël de Lange werd daar directeur van het conservatorium. Hij schreef een boekje waarin hij zijn inzichten en ideeën uiteenzette: “Thoughts on Music”. Tot aan zijn dood in 1918 doceerde hij aan het Isis Conservatory of Music van de theosofische gemeenschap.

In 2004 won Jan Willem Terwen met zijn scriptie “Daniël de Lange en de Gamelan” de Jan Pieter Heye prijs.
In 2005 werd de Stichting De Lange opgericht, met het doel het cultureel erfgoed dat de broers De Lange nalieten onder de aandacht van het publiek te brengen en te stimuleren dat hun muziekwerken weer klinken.

Daniël de Lange componeerde

     1 muziektheaterwerk

- Lioba, dramatische scène, libretto Frederik van Eeden voor sopraan, tenor, bariton, vrouwenkoor en orkest, omstreeks 1905

     4 andere werken voor koor (solisten) en orkest

     5 orkestwerken.

- Symfonie in c kleine terts, opus 4, 1875

     3 kamermuziekwerken

     6 koorwerken met instrumenten

     28 koorwerken a cappella

- Requiem,  voor gemengd dubbelkoor en dubbel solistenkwartet (1867, gecomponeerd in Parijs, in 1993 teruggevonden)

     2 werken voor zangstem(men) en orkest

     7 liederen voor zangstem en instrumenten 

     37 liederen voor zangstem(men) en piano

     2 orgelwerken

     6 pianowerken

www.stichtingdelange.nl

 

Antonín Leopold Dvořák (Nelahozeves, 8 september 1841 – Praag, 1 mei 1904) was de zoon van František Dvořák, restauranthouder en slager en Anna Zděnková, dochter van een rentmeester. Hun huwelijk werd op 17 november 1840 voltrokken; Antonín was het eerste van negen kinderen.

Op 6-jarige leeftijd ging Antonin Dvořák naar school in Nelahozeves en kreeg hij van zijn leraar de eerste vioollessen. In 1853 vertrok hij naar Zlonice om Duits te leren. Bij Antonín Liehmann, de dirigent van het kerkkoor in Zlonice, kreeg hij piano- en orgelles. Hij speelde in het kleine orkest van zijn leraar mee en begon met componeren.

In de herfst van 1856 ging Dvořák naar Česká Kamenice, verbeterde zijn kennis van de Duitse taal en studeerde bij František Hancke. Vanaf oktober 1857 ging hij op de Duitstalige Praagse orgelschool en volgde hij algemeen openbaar onderwijs. Hij werd altviolist in het orkest van de Caeciliavereniging.                                                        

Vanaf de zomer van 1859 werkte hij als altviolist in het orkest van Karl Komzák, dat in cafés, op marktplaatsen en in kiosken ouvertures, dansen en potpourri's speelde. Vanaf 1862 speelde het orkest van Komzák in het nieuwe Praagse Interimtheater; geleidelijk aan ging het op in het operaorkest. In 1866 gingen Dvořáks opera's De Brandenburger in Bohemen en De verkochte bruid daar in première.

Vanaf 1865 gaf Dvořák naast zijn werk aan het theater geld ook pianolessen. Twee bekende leerlingen waren de zusters Josefina en Anna Čermáková. Dvořák werd verliefd op de toen zestienjarige Josefina, een verliefdheid die ongelukkig afliep: hij trouwde met de jongere Anna acht jaar later op 17 november 1873.

Om meer tijd voor het componeren te hebben, stopte hij als altviolist in het operaorkest.

Vanaf 1874 gaf Dvořák aan een privé-muziekschool muzieklessen en hij nam in februari een betrekking als organist aan in de kerk Sint Adalbert, die hij tot februari 1877 uitoefende. In 1874 diende hij bij de "Oostenrijkse commissie voor de kunst", waar ook de overbekende muziekcriticus Eduard Hanslick lid van was, een verzoek in voor een stipendium voor talentvolle, jonge kunstenaars zonder vermogen, die al eigen werken gepubliceerd hebben. Johannes Brahms was in hetzelfde jaar zijn voorspraak voor een vervolgstipendium voor de eenvoudige Moravische Duetten. Brahms deed ook een goed woord bij de muziekuitgever Fritz Simrock voor de publicatie van deze duetten. Vanaf 1878 geraakten de beide componisten innig bevriend.

In 1880 werd zijn 6de symfonie gepubliceerd, dat betekende een doorbraak voor de componist. Bovendien werd in dat jaar zijn dochter Anna geboren en kon het gezin Dvořák verhuizen naar een grotere woning in Praag.

Van 1892 tot 1895 onderbrak Dvořák zijn docentschap aan het Praags conservatorium (sinds 1891) en hij werd directeur van het door Jeanette Thurber gestichte National Conservatory in New York City. Het was zijn taak om in de Nieuwe Wereld de muziekcultuur uit het Oude land te bewaren. Hij was er niet gelukkig en werd verteerd door heimwee naar de oude wereld.

Antonín Dvořák overleed in Praag op 62-jarige leeftijd.

Antonín Dvořák componeerde

     11 Opera’s

- Alfred

- Dimitrij, 1882

- Rusalka, 1900, tsjechisch libretto van Jaroslav Kvapil, gebaseerd op sprookjes van Karel Jaromir Erben en Božena Němcová; een “zeemeermin”-verhaal. De waternimf Rusalka wordt verliefd op een menselijke prins. Om hem te bereiken sluit ze een pact met de heks Baba. Rusalka krijgt een menselijke gedaante, op voorwaarde dat ze haar stem opoffert. Rusalka's weemoedige lied uit het eerste bedrijf: “Lied aan de Maan” ("maanaria") waarin zij haar hart lucht  tegenover de volle maan die over het meer schijnt, hoort bij de mooiste bladzijden uit het operarepertoire. Het lied wordt ook vaak instrumentaal uitgevoerd.

     Oratoria

- Svatá Ludmila (De Heilige Ludmilla)¸ opus 71, 1886, voor het Leeds Festival

     2 missen

- Mis in D groot, opus 86, 1887, diep-mystieke sfeer.

     Requiem, opus 89, 1891, voor de stad Birmingham, sublieme synthese van klassiek en romantiek; veel afwisseling in het anderhalf uur durende werk. Het requiem opent met een kleinetertsenmotief, dat het hele werk door een rol blijft spelen. Mooie solokwartetten ("Domine Jesu Christe"); delicaat Agnus Dei.  In het “Hostias” een vrolijke koorfuga op de tekst ”Quam olim Abrahae”. 

·         cantates

- Stabat Mater, opus 58,1876, gereviseerd 1883, geschreven als reactie op het overlijden van zijn dochter Josefa, een prachtig tranendal.

- Svatební košile (De geestelijke bruid), 1884

     9 symfonieën

- Symfonie nr. 1 in c kleine terts, B 9, "De klokken van Zlonice" (Zlonické zvony), maart 1865. Het werk ging als vrij snel nadat het gecomponeerd was verloren, kwam pas weer een keer tevoorschijn in 1923 en werd voor het eerst in 1936 uitgevoerd.  

- Symfonie nr. 2 in Bes grote terts, opus 4, B 12, oktober 1865. Dvořák stuurde de partituur naar een boekbinder, maar kon de kosten niet betalen, waarop de boekbinder het maar liet liggen. Later gelukkig toch uitgegeven: boordevol rijkdom.

- Symfonie nr. 3 in Es grote terts, opus 10, B 34, 1872 ?, gereviseerd in 1889, openingsdeel is een juweeltje.

- Symfonie nr. 4 in d kleine terts, opus 13, B 41, maart 1874.

- Symfonie nr. 5 in F grote terts, opus 76, B 54, juli 1875, opgedragen aan dirigent Hans von Bülow, uit dank voor zijn inzet om de orkestwerken van Dvořák uit te voeren.

- symfonie nr. 6 in D grote terts, opus 60, B 112, 1880, opgedragen aan Hans Richter, dirigent van het Weens Filharmonisch Orkest. Veel invloed van Brahms, zowel in thematiek als in opbouw. Het traditionele Scherzo (deel 3) werd vervangen door een Furiant, een typisch Tsjechische dans; frisse ritmes, scherpe accenten; de eerse symfonie van Dvořák die gepubliceerd werd, een doorbraak voor de componist. Zorgeloze symfonie, waarin de vrolijkheid, de humor en de hartstocht van het Tsjechische volk leeft.

- symfonie nr. 7, 1885, voor Londen geschreven, dramatisch en expressief

- symfonie nr. 8 in G grote terts, opus 88, 1898, “de Engelse”, hoewel het een puur Boheems werk is met thema’s gebaseerd op Boheemse volksmuziek en door Antonin Dvorák geschreven in zijn tuinhuisje in Vysoká. De bijnaam komt vanwege de Engelse uitgever Novello; Dvoráks allermooiste symfonie; een rapsodie als openingsdeel, onvergetelijke melodieën, opzwepende ritmes en krachtige fanafares, natuurgeluiden, vogelgezang en een zorgeloze finale; één brok luistergenot;

- symfonie nr. 9 in e-klein "Uit de Nieuwe Wereld", opus 95, in Amerika geschreven, zijn populairste werk; onverwoestbaar; met persoonlijke indrukken van indiaanse volksmuziek en negro spirituals. Het tweede deel van de vierdelige symphonie: Largo, is heel bekend geworden. bij een groot publiek. Een leerling van Antonin Dvorak: William Arms Fisher (1861-1948), arrangeerde het Largo thema naar een spiritual en voegde er zelf zijn eigen woorden aan toe. Zo ontstond de spritual “Goin’ Home” en niet andersom, alsof Dvorak zijn (Boheemse) thema van een spiritual zou hebben afgeleid. De muziek is door diverse musici gearrangeerd voor orgel, piano en brassband en door gebruik in TV-reclames behoorlijk populair geworden .

     3 (of 4) concerten

- celloconcerto in A grote terts, B10, 1865, geschreven voor Ludevít Peer, maar liet het bij een pianopartituur. Componist Günter Raphael die het werk in de 1920-er jaren ontdekte, maakte er een niet zo'n geweldige orkeststratie bij. In de jaren 1970 maakte Bartok-specialist Jarmil Burghauser een nieuwe orkestratie, die momenteel het meest wordt gebruikt.

- concerto voor piano en orkest in g kleine terts, opus 33, 14 september 1876, het lelijke eendje onder de Romantische pianoconcerten. In onze tijd ontstaat er weer aandacht voor. Hartveroverend Andante sostenuto

- vioolconcert in a kleine terts, opus 53, B108, 1879, een belangrijk repertoirestuk, tranentrekkend mooi tweede deel: Adagio ma non troppo

- celloconcert in b kleine terts, opus 104 Dvoraks' laatste soloconcert geschreven in 1894 en 1895. Het werk droeg hij op aan bevriend cellist Hanuš Wihan. Dvorak werkte op dat moment in Amerika en het celloconcert reikhalst al weer terug naar Europa. Het mooiste celloconcert uit de Romantiek, onuitputtelijke rijkdom aan ideeën en een evenwichtige balans tussen soli en orkest. In het tweede deel heeft Dvořák de melodie van het lied "Lasst mich allein" verwerkt. Dvořák schreef het toen zijn schoonzus Josefina, op wie hij ooit stiekem verliefd was geweest, stervende was. Het was haar favoriete lied. Prachtige vioolsolo aan het slot van het werk. Toen Johannes Brahms de partituur inzag zei hij: "als ik geweten had, dat er voor dit instrument zoiets kon worden geschapen, had ik dat allang gedaan". Maar bij hem kwam het er nooit van.

     6 ouvertures

- Priroda, Zivot a Láska (“Natuur, leven en Liefde”), Natuurtrilogie, cyclus concertouvertures 1891

+ “In het rijk van de natuur”, opus 91, 1891

+ “Carnaval”, opus 92, 1891

+ ”Othello”, opus 93, 1892

     5 symphonische gedichten

- De middagheks (Tjechisch: Polednice), opus 108, B 196, symfonisch gedicht,1896, geïnspireerd door het gedicht Polednice van Karel Jaromír Erben over de middaggeest "Vrouw Middag" uit de Slavische mythologie.

     24 (series) andere orkestwerken

- romance in f klein voor viool en orkest, opus 11 (1873/1877), gebaseerd op het Andante con moto deel uit het strijkkwartet nr.5, opus 9. Wat sentimenteel, maar niettemin een meesterwerk.

- serenade voor Strijkers in E grote terts, opus 22, mei 1875, één van Dovraks’ tot op de dag van vandaag populairste orkestwerken.

- nocturne in B  grote terts voor strijkorkest, opus 40, B. 47, 1875

- Symphonische Variaties, opus 78, B 70, 1877, schitterend werk

- 3 Slavische Rapsodieën, opus 45, B 86, 1878   

- Slovanské tance (Slavische dansen), opus 46, 1878, een hit

- Tsjechische Suite in D grote terts, opus 39 B 93, 1879, vijfdelige orkestsuite

- Legenden, opus 59, B 122, cyclus van tien deeltjes, oorspronkelijk in 1881 gecomponeerd voor piano vierhandig en opgedragen aan muziekcriticus Eduard Hanslick, in hetzelfde jaar gearrangeerd voor orkest. Prachtige verzameling tafereeltjes, die zich kan meten met de Slavische dansen;

- Slovanské tance - (Slavische dansen), opus 72, 1886

- Suite A grote terts “Amerikaanse Suite, opus 98b, B 190, 1895, heel charmant, Indiaanse en Afro-Amerikaanse invloeden worden overgoten met een Boheems sausje.

     3 werken voor harmonieorkest

     3 koorwerken

     15 strijkkwartetten

- strijkkwartet nr 12 in F-groot, opus 96, 1893, bijnaam "American" een behoorlijk “Amerikaans” werk, hoogtepunt uit de 19de eeuwse strijkkwartetliteratuur, geliefd bij het publiek.

- cypressen voor strijkkwartet, B 152, 1887, arrangement van 12 stukken van de 18 liefdesliederen, B 11,

- strijkkwartet nr. 13 in G grote terts, opus 106, B 192, 1895, een hoogtepunt van Dvorak voor deze bezetting.

     40 andere kamermuziekwerken

- strijkkwintet nr. 1 in a kleine terts, opus 1, 1860.

- pianokwartet nr. 1 in D grote terts opus 23, B 53, 1875, voor viool, altviool, cello en piano

- pianotrio nr. 2 in g kleine terts, opus 26, B 56, voor viool, cello en piano, 1876

- strijkkwintet nr. 2 in G grote terts, opus 77, 1875 met een contrabas náást een strijkkwartetbezetting. Geeft een imposant, bijna orkestraal geluid.

- serenade opus 44, B 77, "blazersserenade", voor blaasinstrumenten, cello en contrabas in d kleine terts, 1878, in een “slavische stijl” gecomponeerd, evergreen van het blazersrepertoire.

- strijksextet in A grote terts, opus 48, B 80, voor twee violen, twee altviolen en twee celli, 1878.

- Mazurka in e kleine terts voor viool en piano, opus 49, B 89, 1879, ook gearrangeerd voor viool en orkest, B 90

- Pianotrio nr. 3 in f kleine terts, 1883, opus 65, B 130

- Romantické kusy (Romantische stukken), vier werken voor viool en piano, opus 75, B 150, januari 1887, een arrangement van zijn Drobnosti (miniaturen), trio voor twee violen en altviool, opus 75a, B 149.

- pianokwintet nr 2 in A groot, opus 81, 1887, een meesterwerkje, Dvoraks' geniaalste werk.

- pianokwartet nr.2 in Es grote terts, opus 87, 1889

- pianotrio nr. 4 in e kleine terts voor viool, cello en piano “Dumky”-trio, opus 90, B 166, 1891. Dumky is de meervoudsvorm van dumka, wat slaat op een epische ballade, doorgaans een klacht van een gevangene. In de 19de eeuw gebruikte Savische componisten de naam “Dumka” voor een zwaarmoedige compositie met wat positievere secties hier en daar erin. Dvorák bezingt in zes Dumka's, alle zes in een andere toonaard,  zijn liefde voor zijn Boheemse geboortegrond. In de tweede "Dumka": Poco Adagio (Vivace non troppo/Vivace) in cis kleine terts laat de piano de kerklokken luiden, terwijl de cello een hartverscheurende melodie inzet. Na een tijdje breekt de  viool de zwaarmoedige ban en ontketent met een vrolijk huppelend deuntje een circusachtig spektakel.

- Slavische dansen in a en g kleine terts, opus 46/3,8 B 172, 1891, voor cello en piano, arrangementen van de Slavische dansen opus 46, B. 78 voor piano vierhandig

- Waldesruhe (Silent Woods; stille bossen) , B 173, 1891, arrangement van het vijfde deel van de cyclus Ze Šumavy (Over het Boheemse Woud) opus 68/ B 133, 1883 voor pianovierhandig. De componist herschreef het ook voor cello en orkest, B. 182.

- Rondo in g kleine terts voor cello en piano, opus 94 , B 171, 1891, door Dvorak later ook georkestreerd .

- strijkkwintet nr. 3 in Es grote terts, “Amerikaans”, opus 97, met een tweede altviool, 1893. Gedrenkt in de inheems-Amerikaanse folklore.

     30 (series) liederen, voor zangstem(men) en piano

- cypressen voor zangstem en piano, B 11, 1865, 18 liefdesliederen op tekst van Gustav Pfleger Moravský

- Avondliederen (Večerní písně)voor zangstem en piano, opus 31, B 61, 1876, naar gedichten van Vítězslav Hálek

- Hymnus ad Laudus in festo Sanctae Trinitatis (Hymnus k Nejsvětější Trojici) voor zangstem en orgel, B 82, 1878, soms hartverscheurend mooi.

- Zigeunerlieder (Cigánské melodie) ,B 104, opus 55, 1880, 7 liederen naar gedichten van Adolf Heyduk;

4. Als die alte Mutter sang (Když mne stará matka zpívat; Songs My Mother Taught Me), Fritz Kreisler arrangeerde het lied voor viool en piano in 1914 en in die vorm is het door talloze artisten uitgevoerd en opgenomen.

- Vier Lieder, opus 82, B 157, 1888, gedichten van O. Malybrok-Stieler

1. Lasst mich allein, het lievelingslied van Dvoraks schoonzus, van wie hij veel hield. Hij heeft het daarom verwerkt in zijn celloconcert.

- Biblické Písně (Tien Bijbelse liederenen), opus 99, 1894. Een liedcyclus gebaseerd op verschillende psalmen uit de Tsjechische Bijbel van Kralice.

     2 (series) liederen, voor zangstem en orkest

     28 pianowerken

- Dumka, opus 35, B 64 in d kleine terts, omstreeks 1877, opgedragen aan Olga Hoppe

- Dumka en Furiant,  opus 12, omstreeks 1880

- 8 walsen, opus 54, B 101, 1880, georkestreerd door Jarmil Burghauser.

- Humoresques,  opus 101, B 187, 8-delige pianocyclus, zomer 1894. De zevende Humoresque (Poco lento e grazioso) is waarschijnlijk het beroemdste pianowerkje ooit ná Beethoven's Für Elise. Gearrangeerd voor allerlei instrumenten, koor, en als lied met diverse teksten. 

     4 (series) werken voor piano vierhandig

- From the Bohemian Forest (Ze Šumavy), opus 68,  B 133 , 1884, 6 werken voor piano 4–handig, gecomponeerd op verzoek van Fritz Simrock. Later georkestreerd door Henk de Vlieger;

5. Silent Woods (Klid; Waldesruhe) Antonin Dvořák maakte op 28 December 1891 een arrangement voor cello en piano van het vijfde deel als afscheid van een concerttournee in Amerika. Het arrangement werd zó populair dat Dvořák een nieuw arrangement maakte voor cello en orkest op 28 oktober 1893.

 

Max (Ritter) von Weinzierl (Bergstadl, bij Chüttenhofen, Bohemen, 16 september 1841 – Mödling, bij Wenen, 10 juli 1898) kreeg zijn eerse muzieklessen op het gymnasium van Praag. Van 1858 tot 1860 liep hij stage op een landgoed van de familie Schwarzenberg. Van 1860 tot 1864 studeerde Max von Weinzierl cello en piano aan het Conservatorium in Wenen. Zijn inkomsten kreeg hij als privéleraar en vanaf 1868 als dirigent van een veelvoud van koren en muziekverenigingen.

Max von Weinzierl kreeg een erebegraafplaats heeft op het Zentralfriedhof in Wenen.

Max von Weinzierl componeerde 340 werken

     4 operettes

     7 volkse theaterwerken

     1 oratorium

     1 oratorium

     missen

     series werken voor mannenkoren, vrouwenkoren en gemengde koren

     kamermuziekwerken

- Nachtstück voor 4 altviolen, opus 34, 1883, opgedragen aan zijn vriend Dr. Wenzel Sedlitzky

     series liederen voor zangstem(men) en piano

 

Enrico Giuseppe Giovanni Arrigo” Boito (Padua, Italië, 24 februari 1842 – Milaan, 10 juni 1918) was de zoon van miniatuurschilder Silvestro Boito en de Poolse gravin Józefina Radolińska. Zijn oudere broer Camillo Boito werd een bekende architect, ingenieur, kunbstrecensent, kunsthistoiricus en romanschrijver. Arrigo Boito componeerde op zijn negende jaar al een polka, gebaseerd op La donna è mobile uit La Rigoletto van Giuseppe Verdi. In 1853 ging Arrigo Boito naar het Conservatoriium "Giuseppe Verdi" in Milaan, waar hij viool, piano en compositie studeerde bij Alberto Mazzucato. Hij werd er vrienden met medestudent Franco Faccio. Na hun afstuderen in 1861 vertrokken Boito en Faccio in Parijs, waar zij Gioacchino Rossini en Giuseppe Verdi ontmoetten. Arrigo Boito schreef er meteen maar de tekst voor Giuseppe Verdi's Hymne der Naties. Arrigo Boito reisde daarna nog door Engeland, Polen (zijn moeder was van Poolse afkomst) en Duitsland, waarna hij in november 1862 weer in Milaan terugkwam.

Hij sloot zich aan bij de revolutionaire intellectuelenbeweging Scapigliatura, en schreef libretto’s.

In 1866 nam Arrigo Boito, weer samen met Franco Faccio, als vrijwilliger dienst in de Zeven Weken Oorlog tegen de Oostenrijk, waarna Venetië bij Italië werd gevoegd.

Tussen 1887 en 1894 had hij een geheime affaire met actrice Eleonora Duse. Daarna bleef Eleonora platonisch bevriend met de totaal onzelfzuchtige, prettig intelligente, Arrigo Boito tot zijn dood. Hun jarenlange omvangrijke briefwisseling is bewaard gebleven. Ze noemde hem “il santo” (de heilige). Mooie titel voor een atheïst.

In 1889 werd Arrigo Boito als opvolger van Giovanni Bottesini directeur van het Conservatorium van Parma, en hij bleef dat tot 1897. In 1893 kreeg hij een eredoctoraat van de Universiteit van Cambridge.

Zijn 16 operalibretti, onder meer voor Giuseppe Verdi’s opera’s Otello en Falstaff schreef hij meestal onder het pseudoniem Tobia Gorrio. Toen Giuseppe Verdi in 1901 overleed, zat Arrigo Boito de laatste uren van zijn leven naast zijn bed.

Arrigo Boito werd zelf begraven in Milaan op de Monumentale Begraafplaats.

In 1948 is er een herdenkingsconcert voor hem gegeven in de Scala van Milaan onder leiding van Arthur Toscanini. Het concert is nogal primitief opgenomen en later ook nog op CD uitgebracht.

Arrigo Boito schreef

     2 opera’s

- Mefistofele, eigen libretto, gebaseerd op Goethe's Faust, 5 maart 1868. De Italianen vonden de opera veel te Wagneriaans, bij de opvoeringen braken rellen en opstootjes en na twee uitvoeringen verhinderde de politie verdere optredens. Op het moment is het nog het enige werk van Arrigo Boito dat wordt uitgevoerd. De Proloog, die zich in de hemel afspeelt, wordt nogal eens in een orkestzetting apart uitgevoerd.

     5 andere werken voor zanger(s) en instrumenten

 

Carl Joseph (Karl) Millöcker (Wenen 29 april 1842 – Baden, bij Wenen, 31 december 1899), zoon van gouddelver Carl Franz Millöcker en Maria Laber,  begon al jong met fluit spelen. Hij kreeg les op het Conservatorium van het Gesellschaft der Musikfreunde in Wenen (tegenwoordig Universität für Musik und darstellende Kunst Wien). 16 jaar oud werd hij fluitist  in het Theater in der Josefstadt onder Franz von Suppé.

In 1864 werd Carl Millöcker Theaterkapellmeister in Graz en in 1866 kreeg hij dezelfde functie aan het Harmonietheater in Wenen.

In 1869 werd hij benoemd als  2de  Kapellmeister aan het Theater an der Wien. Deze betrekking hield hij tot het succes van de Bettelstudenten het hem vanaf 1883 mogelijk maakte van zijn composities te leven. Carl Millöcker leefde eerst samen en trouwde later met Caroline Hofschneider.

Carl Millöcker,  Franz von Suppé en Johann Strauss jr. zijn de belangrijkste componisten van de klassieke Weense operette.

Carl Millöcker componeerde

     18 operettes

- Der Bettelstudent , operette 1882, libretto Friedrich Zell en Richard Genée. Het verhaal speelt zich af in 1704 in het Poolse Krakau. Bekende en geliefde melodieën uit deze operette zijn bijvoorbeeld: Ich hab' sie ja nur auf die Schulter geküsst en Ich hab' kein Geld, bin vogelfrei. In 1936 is Der Bettelstudent ook verfilmd; daarin trad onder meer Johan Heesters op.

     1 volks opera

     1 Singspiel

     40 toneelmuziekwerken

     90 liederen

     werken voor harmonieorkest

     pianowerken

     koorwerken

     kamermuziek

 

Jules Emile Frédéric Massenet (Montaud, 12 mei 1842 ‒ Parijs, 13 augustus 1912) werd als jongste van elf kinderen in de officiersfamilie van Alexis Massenet (1788-1863) en Adélaïde Royer de Marancour (1809-1875) geboren in Montaud bij Saint-Étienne. Zijn moeder, zelf een pianiste, gaf Jules pianoles. Op elfjarige leeftijd ging hij naar het Parijse Conservatoire National Supérieur de Musique en studeerde bij Adolphe Laurent piano, solfège bij Augustin Savard, harmonie bij Napoléon-Henri Reber, compositie bij Ambroise Thomas en Charles Gounod.

Van 1 oktober 1878 - 1896 was Massenet professor in compositie aan het Conservatoire de Paris.

In 1879 maakte hij reizen door Europa en Zuid-Amerika. In 1895 werd hij tot Commandeur de la Légion d'Honneur benoemd. In 1910 werd hij president van het Institut de France.

Jules Massenet overleed op 70-jarige leeftijd in Parijs.

Jules Massenet componeerde

     30 opera’s

- Hérodiade, opera in vier bedrijven, 19 december 1881, libretto Paul Milliet en Henri Grémont, gebaseerd op de roman Hérodias, 1877, van Gustave Flaubert hervertelling van de geschiedenis van Johannes de Doper (tenor), Salomé (sopraan), Herodes Antipas (bariton) en Herodias (mezzosopraan). In de eerste akte (nr. 8) zingt Herodias de aria "Venge moi d'une Supreme offense!", van ongekende schoonheid.

- Manon, opéra comique in vijf bedrijven, 1884; libretto Henri Meilhac and Philippe Gille, gebaseerd op de roman uit 1731 van Abbé Prévost L’histoire du chevalier des Grieux et de Manon Lescaut, 1884. Veruit Massenets’ populairste opera. Bekende aria van de betoverende Manon Lescaut (sopraan), de hoofdpersoon van het verhaal uit de tweede acte: "Adieu, notre petite table". Gepassioneerd liefdesduet aan het eind van het derde bedrijf tussen Des Grieux (tenor) en Manon: "Toi! Vous!... N'est-ce plus ma main".

- Le Cid, opera in vier bedrijven en tien scenes, libretto Louis Gallet Édouard Blau en Adolphe d'Ennery, gebaseerd op het gelijknamige toneeelstuk van Pierre Corneille, 30 november 1885. De balletsuite met verschillende Spaanse dansen uit de opera is een populair orkestwerk.

Bekende aria van hoofdpersoon Chimene (sopraan) uit het derde bedrijf: "Pleurez! pleurez mes yeux!", een wraakaria met altklarinet; En halverwege het derde bedrijf in scene 7 zingt Rodrique (tenor), de hoofdfiguur van de opera waar het allemaal om draait een gebed:"Ô souverain, ô juge, ô père".

- Le Mage, opera in vijf bedrijven, libretto Jean Richepin, 16 maart 1891, behandelt een fictieve episode uit het ontstaan van het zoroastrisme, ongeveer 2500 jaar voor Christus.

- Werther, opera in vier bedrijven, libretto Édouard Blau, Paul Milliet en Georges Hartmann, 1892, gebaseerd op de Duitse roman Die Leiden des jungen Werthers van Johann Wolfgang von Goethe, , die zich inleeft in de getormenteerde ziel van een jonge dichter. De gevoelige jonge Werther (tenor) houdt van Charlotte (mezzosopraan). Die trouwt met Albert (bariton), omdat ze dat haar moeder op het sterfbed beloofd heeft (beloof nooit iets aan een sterfbed!). Werther blijft contact met Charlotte zoeken en de gevoelens blijken wederzijds. Charlotte kan aan haar situatie als getrouwde vrouw niets veranderen. Werther pleegt daarom zelfmoord. Charlotte ziet het aankomen en komt nog net op tijd om hem haar liefde te verklaren en voor het eerst en het laatst te kussen. Halverwege het derde bedrijf zingt Werther de smachtende aria: "Pourqoui me reveiller".

- Thaïs opera in drie bedrijven, libretto Louis Gallet gebaseerd op de roman Thaïs van Anatole France. 1894. De entr'acte voor viool en orkest Méditation, gespeeld tussen de scenes van het tweede bedrijf is een veelgespeeld concertstuk, beroemder geworden dan de hele opera.

- Cendrillon (Assepoester), opera in vier bedrijven, 1895 geschreven aan de hand van het klassieke sprookje. De rol van de prins (prince charmant) wordt vertolkt door een sopraan.

- Sapho, pièce lyrique (lyrisch stuk) in vijf bedrijven, 27 november 1897, libretto Henri Cain en Arthur Bernède, gebaseerd op de roman Sapho van Alphonse Daudet.

- Grisélidis, conte lyrique (lyrische vertelling) in drie bedrijven en een voorspel, 1902, libretto Armand Silvestre en Eugène Morand, gebaseerd op het gelijknamige toneelstuk van beide schrijvers, wat weer gebaseerd was op de vertelling van Griselda uit de Decamerone van Boccaccio.

- Don Quichotte, comédie-héroïque in vijf bedrijven, 1904; libretto Henri Caïn, indirect gebaseerd op de roman Don Quixote van Miguel de Cervantes. De Interlude voor het vijfde bedrijf: La tristesse de Dulcinee, is ook als apart instrumentaal stuk bekend geworden en wordt vaak uitgevoerd in een arrangement voor cello en piano.

- Chérubin, opera (Comédie chantée) in drie actes, libretto Francis de Croisset en Henri Cain naar Croisset's gelijknamige toneelstuk; 14 februari 1905; het verhaal speelt zich af vlak ná de bruiloft van Figaro en verbeeldt festiviteiten bij Chérubin's eerste militaire opdracht en 17de verjaardag. Bekende aria uit de derde acte van L'Ensoleillad (sopraan), een Spaanse danseres, uitgenodigd op het feest: "Vive amour qui rêve, embrasse, et fuit" ("Lang leve de liefde, die droomt, omhelst en wegvlucht")

- Thérèse, opera in 2 bedrijven, libretto Jules Claretie, 7 februari 1907.

     3 operettes

     15 toneelmuziekwerken;

     3 balletten

     1 symphonie (1870);

     zeven suites voor orkest

- Scènes Alsaciennes,

- Scènes Pittoresques,

- Scènes Napolitaines

- Scènes de Féerie

     15 andere orkestwerken

- pianoconcert

     4 werken voor harmonieorkest

     4 oratoria

     1 mis

     1 requiem

     3 werken voor koor en orkest

     4 cantates

- Louise de Mézières (1861)

- David Rizzio (1863), goed voor Prix de Rome.

     1 motet

     82 liederen

- Rêvons, c'est l'heure, tekst Paul Verlaine,  voor sopraan, bariton en piano, 1871

     10 (series) pianowerken, veelzijdig: CD Stefan Irmer MDG 618 17929-2

- Grande Fantaisie de concert sur le “Pardon de Ploërmel” (1861),

- Dix Pièces de Genre, opus 10, 1866

nr. 5. Élegie.  In 1872 incorporeerde Jules Massenet de Élegie in toneelmuziek bij Les Erinnyes (De Furies), van Leconte de Lisle. De droevige melodie voor met sordino gedempte cello werd buitengewoon populair en gearrangeerd voor allerlei ensembles en instrumenten. Op een bepaald moment werd de Élegie voorzien van de tekst “O doux printemps d’autrefois” van Louis Gallet (1698?-1757).

- Improvisations : 20 pièces pour le piano, 3 delen (1866) (alleen de eerste 7 werken zijn uitgegeven)

- Deux pièces pour piano (1907) : Papillons noirs ; Papillons blancs

 

Sir Arthur Seymour Sullivan (Lambeth, Londen, 13 mei 1842 – 22 november 1900) was de zoon van van Thomas Sullivan (1805-1866) militair orkestleider en muziekdocent, van Ierse afkomst en Mary Clementina Coghlan (1811-1882), van Ierse en Italiaanse afkomst. Arthur Sullivan componeerde zijn eerste anthem “By the waters of Babylon" toen hij acht jaar was. Hij was solist als jongenssopraan in het jongenskoor van de Chapel Royal,  en bespeelde elk blaasinstrument uit het fanfareorkest.

In 1855, 13 jaar oud, werden zijn composities en arrangementen al gepubliceerd. 14 jaar oud ging hij studeren aan de Royal Academy of Music, piano bij William Sterndale Bennett, theoretische vakken bij John Goss. In 1858 kreeg hij toestemming om zijn studies aan het Conservatorium Leipzig voort te zetten. Arthur Sullivan studeerde daar compositie bij Julius Rietz, contrapunt bij Moritz Hauptmann en Ernst Richter en piano bij Louis Plaidy en Ignaz Moscheles. Om in zijn onderhoud te voorzien werkte hij als kerkorganist en muziekleraar.

Tijdens de drie jaar dat Arthur Sullivan in Leipzig studeerde, werd hij bevriend met componist Franz Liszt, zanger Carl Rosa en violist Joseph Joachim. In 1861 kwam hij weer in Engeland terug.

In 1871 werkte hij voor het eerst met tekstschrijver William Schwenck Gilbert wat leidde tot een gezamenlijke produktie van 12 opera’s, die wel “Savoy-opera’s” werden genoemd, omdat ze allemaal werden uitgevoerd in het  Savoy-theater.

Arthur Sullivan is nooit getrouwd maar had diverse serieuze relaties, het langst met Mary Frances ("Fanny") Ronalds, getrouwd en moeder van twee kinderen.    

Arthur Sullivan stierf, 58 jaar oud, op 22 november 1900 in zijn flat in Londen aan een hartaanval.  Op bevel van koningin Victoria werd hij begraven in de St Pauls kathedraal. In het Victoria Embankment Park is tot zijn nagedachtenis een monument van een huilende Muze geplaatst. Arthur Sullivan werd gezien als de uitmuntendste Britse componist van de 19de eeuw. Zijn komische opera’s stonden model voor de musicals uit de twintigste eeuw. 

Arthur Sullivan componeerde

     23 operas,

- Cox and Box. komische opera in één acte, 1866,

- Thespis,  eerste opera met libretto van William Schwenck Gilbert, 1871

- Trial by Jury, opera in één acte, libretto W.S. Gilbert, 1875

- H.M.S. Pinafore, komische opera in twee bedrijven, libretto W.S. Gilbert, 1878, een international sensatie. Josephine (sopraan), de dochter van marinekapitein Corcoran (lyrische bariton) wordt verliefd op Ralph (tenor), een gewone zeeman uit de lagere klasse, terwijl haar vader haar wil laten trouwen met de First Lord of the Admiralty (komosche bariton); de minister die het bevel voert over de Royal Navy. Net als bij de meeste Gilbert en Sullivanopera's wordt alles dramatisch omgegooid door een verrassende wending tegen het einde. Kostelijke en vermakelijke muziek maar hier en daar ook behoorlijk lyrisch.  

- The Pirates of Penzance,  libretto W.S. Gilbert, 1879

- Patience,  libretto W.S. Gilbert, 1881.

- Iol anthe, 1882, libretto van William Schwenck Gilbert

- The Mikado, 1885, libretto van William Schwenck Gilbert

- The Yeomen of the Guard, 1888, libretto van William Schwenck Gilbert

- The Gondoliers, 1889, libretto van William Schwenck Gilbert

- Ivanhoe, 1891, Arthur Sullivans enige serieuze opera, gebaseerd op Walter Scott's roman,

     13 grote orkestwerken,

- Overture di Ballo, 1870

     6 koorwerken

- Festival Te Deum, 1872

     2 oratoria,

- The Light of the World, 1873,

     2 balletten

- Victoria and Merrie England, 1897

     7 theatermuziekwerken

     72 hymns

     25 andere kerkelijke werken

- "Onward Christian Soldiers", 1871, Sullivan noemde de hymn "St. Getrude", naar de vrouw van een vriend.

     21 partsongs voor doorgaans vier stemmen

     85 liederen

- The Window, or The Songs of the Wrens (1871), op gedichten van Tennyson

- "The Lost Chord”, 1877, poëzie van Adelaide Anne Procter, geschreven naar aanleiding van de dood van zijn broer Frederik, Sullivans’ bekendste lied.

     5 kamermuziekwerken.

     6 (series)pianowerken.

 

Karl (of Carl) Johann Adam Zeller (St. Peter in der Au, bij Steyr, Neder-Oostenrijk, 19 juni 1842 – Baden (bij Wenen), 17 augustus 1898), was het muzikale talent als erfgoed meegegeven; zijn overgrootvader en zijn grootvader waren muziekleraren. Zijn vroeg overleden vader was medicus. Op 11-jarige leeftijd werd hij als zanger in de keizerlijke hofkapel in Wenen opgenomen. Hij had een goede stem en was al spoedig de lieveling van de Hertoginnen. Later ging hij op het gymnasium, studeerde rechten en werd opgeroepen voor de militaire dienst.

In de vrije tijd componeerde hij. Zijn eerst werk was de opera comique Jacond, die al bij de première in het Theater an der Wien in 1876 groot succes oogstte. Zellers muzikale loopbaan bracht hem al gauw van de opera naar de operette.

In zijn geboorteplaats werd een Zeller-museum opgericht.

Carl Zeller componeerde

     2 opera’s

     5 operettes

- Der Vogelhändler, 1891, een van de bekendste operettes aller tijden, libretto Moritz West en Ludwig Held

     liederen

     koorwerken

 

Gustave (Léon) Huberti (Brussel, België, 14 april 1843 – Schaarbeek, 28 juni 1910) studeerde aan het Conservatorium van Brussel, waar hij in 1858 prijzen behaalde voor piano, orgel, harmonie en kamermuziek. In 1865 won hij de Prix de Rome en kon daardoor drie jaar lang door Italië en Duitsland reizen. Tijdens zijn loopbaan ging Huberti aan de slag als componist, muziekcriticus, pedagoog en inspecteur van de muziekeducatie van de stedelijke scholen van Antwerpen. Ook was hij directeur van de muziekacademies van Bergen en Sint-Joost-ten-Node en gaf hij harmonieles aan het Brusselse Conservatorium. Rond het jaar 1876 werd Huberti aangesteld als eerste dirigent bij het Grand Théâtre te Gent en werd hij professor harmonie en contrapunt aan het Antwerpse Conservatorium. In 1884 kreeg hij het leiderschap over de Gentse opera in handen.

Gustave Huberti componeerde

     4 oratoria,

     2 cantates

     5 orkestwerken

     80 liederen,

- “Wanderlieder”, omstreeks 1867,  cyclus op teksten van Johann Uhland, opgedragen aan zijn Emiel Blauwaert

     koorwerken,

     talloze pianowerken

 

Carl Michael Ziehrer (Wenen, 2 mei 1843 – 14 november 1922) leerde bij zijn vader het beroep van hoedemaker. Hij speelde ook piano, waarvoor hij bij Simon Sechter muziekles had, en schreef op 19-jarige leeftijd zijn eerste kleine composities.

In 1863 werd Carl Zieher kapelmeester van een militair muziekkorps in Wenen.

In 1865 engageerde het Weense tuinbouwgezelschap voor de bloemen zalen, waar hij als zogenoemde Ballregent werkzaam was en meerdere nieuwe composities van hem in première gingen. Hij werd in november 1867 benoemd tot kapelmeester van het arbeiders-opleidingsproject. In 1870 kreeg hij zijn eerste eigen orkest en tijdens de Wereldtentoonstelling in 1873 had hij opnieuw een eigen groot orkest; in deze tijd was hij ook uitgever van de Deutsche Musikzeitung. In 1873 werd hij militair kapelmeester bij de kapel van het West-Hongaarse Infanterie Regiment Nr. 76 van Franz Freiherr von John, in Eisenstadt.

Hij trouwde met de operettezangeres Marianne Edelmann, die hij bij optredens in Berlijn had leren kennen.

In 1885 werd hij kapelmeester van de kapel van het Weense huisregiment, de Hoch- und Deutschmeister Nr. 4.

Het hoogtepunt van zijn carrière was ongetwijfeld de benoeming tot Hofballmusikdirektor in 1907. Hij was na Johann Strauß (vader), Johann Strauß (Sohn) en Eduard Strauß de vierde en laatste met deze titel. Tijdens de Eerste Wereldoorlog verloor hij zijn hele vermogen en leefde de laatste jaren in armoede.

Carl Michael Ziehrer componeerde 600 werken

     120 walsen

- Wiener Bürger, wals, opus 419, 1890

     polka’s

     polka-mazurka’s

     70 marsen

     22  operettes.

 

Heinrich Picot de Peccaduc, Freiherr von Herzogenberg (Graz, Oostenrijk 10 juni 1843 – Wiesbaden, 9 oktober 1900), bekend als Heinrich von Herzogenberg, stamde af van een Franse adellijke familie, die tijdens de Franse Revolutie naar Oostenrijk was uitgeweken.

Heinrich von Herzogenberg werd opgeleid op een Jezuïetenschool in Feldkirch. Daarna ging hij rechten, filosofie en politieke wetenschappen studeren aan de universiteit van Wenen. In de praktijk van het leven hield hij zich voornamelijk met muziek bezig en woonde hij tot 1864 de compositielessen van Felix Otto Dessoff bij.

In 1866 trouwde huwde Heinrich von Herzogenberg met Elisabet von Stockhausen, een pianoleerling van Johannes Brahms, een van de meest capabele pianisten van haar tijd. Clara Schumann en Johannes Brahms vroegen haar om advies, ze begeleidde de violist Joseph Joachim. Tot 1872 woonden Heinrich en Elisabeth in Graz, daarna verhuisden ze naar Leipzig.

In 1874 stichtte Heinrich von Herzogenberg, samen met de Bachgeleerde Philipp Spitta, de Leipziger Bach-Verein, die zich bezighield met het herstel van Johann Sebastian Bachs cantates. Von Herzogenberg was er 10 jaar lang de artistieke directeur van. In deze tijd was Ethel Smyth een van zijn compositieleerlingen. Vanaf 1885 was hij docent compositie aan de Hochschule für Musik in Berlijn. Hij overleed plotseling op de leeftijd van 57 jaar. Zijn laatste jaren was hij gekluisterd aan een rolstoel als gevolg van necrose van de gewrichten. Johan Wagenaar was een van zijn leerlingen.

Heinrich von Herzogenberg componeerde

     3 oratoria 

- Die Passion, oratorium voor Witte Donderdag en Goede Vrijdag, opus 93, voor solisten, koor en orkest, 1896, tweedelige passie, gebaseerd op het Johannesevangelie. De solisten zingen alleen recitatieven. He koor heeft een groot aandeel

     31 (series) koorwerken a cappella / met instrumenten 

- mis in e kleine terts voor solisten, koor en orkest, opus 87

     4 symfonieën

     3 andere orkestwerken

     23 kamermuziekwerken

- twee strijktrio's opus 27 nr. 1 in A, 1879 en nr. 2 in F

     13 series gezangen voor meerdere stemmen en piano

     8 series liederen voor zangstem en piano

     26 (series) pianowerken

·      5 orgelwerken

 

 

Edvard Hagerup Grieg (Bergen, 15 juni 1843 ‒ aldaar, 4 september 1907) zag het daglicht in een muzikale familie. Zijn moeder, Gesine Judith Hagerup († 1875), was zeer artistiek (had ook piano en zang gestudeerd), zijn vader, Alexander Grieg († 1875), koopman en Brits diplomaat te Bergen, musiceerde in zijn vrije tijd. Edvard Grieg had een broer (John) en drie zussen, die ook muzikaal begaafd waren.

Op 6-jarige leeftijd kreeg Edvard Grieg les van zijn moeder in piano en theorie. Zij was een strenge lerares, maar Grieg was haar daarvoor later dankbaar. Op tienjarige leeftijd leerde hij voor het eerst volksmuziek kennen, wat grote invloed zou hebben op zijn latere leven. Zijn eerste compositie Variaties op een Duitse melodie voor piano, schreef hij op twaalfjarige leeftijd. Hij nam het werk mee naar school, maar werd ervoor gestraft, en het manuscript werd verbrand. Edvard Grieg had geen prettige schoolperiode: hij spijbelde vaak en werd ook gepest.

In 1858 leerde Edvard Grieg de vioolvirtuoos Ole Bull kennen, die zijn familie weet te overtuigen hem aan het Conservatorium te Leipzig te laten studeren. Edvard Grieg werd er opgeleid tot een uitstekend pianist. In 1860 moest hij het conservatorium verlaten vanwege een ernstige vorm van pleuritis, waardoor zijn rechterlong zodanig aangetast raakte, dat deze niet meer functioneerde. Als gevolg hiervan had hij zijn leven lang ademhalingsproblemen. Hij verliet het conservatorium zonder zijn studie af te ronden.

Op 11 juni 1867 trouwde Edvard Grieg met zijn nicht Nina Hagerup (1845-1935), een begaafde zangeres en een kundig pianiste. Nog voor zijn huwelijk had Edvard Grieg het verzoek gekregen het symfonieorkest "De Philharmonie" te dirigeren, naar aanleiding van een concert met violist Normann. Dankzij deze uitnodiging had hij nu voldoende financiële middelen om een gezin te stichten en te onderhouden. Daarnaast bleef hij privéles geven en componeren.

In 1869 kwam Edvard en Nina's enige kind, Alexandra, op de leeftijd van slechts één jaar te overlijden. In hetzelfde jaar kreeg Nina een miskraam; voor hen beiden een enorme klap.

Tussen 1865 en 1866 kwam Edvard Grieg vaak in contact met de toneelschrijver Henrik Ibsen, voor wie hij liederen op diens teksten componeerde. In 1874 schreef Edvard Grieg Peer Gynt, voor een drama van Ibsen, waardoor hun vriendschap nog inniger werd. Na een jaar was het werk klaar. Op 24 februari 1876 vond de première plaats. Edvard Grieg vond het niet geslaagd, toch zou het enorm populair worden.

Vanaf 1877 zonderde Edvard  Grieg zich af in de bergen, waar hij veel inspiratie opdeed. Dit hield hij enkele jaren vol, maar na enige tijd verloor hij zijn interesse in de omgeving en raakten zijn ideeën uitgeput.

In 1885 verhuisden Edvard Grieg en zijn vrouw naar Bergen, om zijn zwakke gezondheid. Daarin kwam nu verbetering. Hij liet er een huis bouwen, dat de naam Troldhaugen kreeg. Uiteindelijk werd zijn leven een strijd tegen zijn ziekte. In de tuin bij Troldhaugen had hij een speciaal componeerhuisje, waar hij zich kon terugtrekken in stilte omdat zijn overgevoelige oren vrouwenstemmen bijvoorbeeld al niet konden verdragen.

In 1903 kreeg Edvard Grieg een borstbeeld en een stapel gelukwensen voor zijn verjaardag. Hij bleef ook naar het buitenland gaan voor concerten, maar dat nam gestaag af. Zijn vrouw zorgde al die tijd voor hem.

In 1905 gaf Edvard Grieg ter gelegenheid van de onafhankelijkheid van Noorwegen een concert voor de koning van Noorwegen, Haakon VII. Zijn laatste werk Fire salmer (Vier psalmen), gebaseerd op volksmuziek, heeft hij in de zomer-herfst van 1906 gecomponeerd. Op 3 september 1907 moest hij - direct na een concertreis door Engeland - worden opgenomen in het ziekenhuis te Bergen. Daar aangekomen zei hij: "Saa dette skulde bli min Bane" ("Dit zou dus mijn einde zijn").

In de morgen van 4 september 1907 stierf Edvard Grieg op 64-jarige leeftijd. De begrafenis vond op 9 september plaats. Het volk treurde en de begrafenisstoet in zijn woonplaats trok meer dan 50.000 mensen. Onder de klanken van zijn eigen treurmars voor Nordraak werd de kist ter crematie geleid. Zijn as en die van zijn vrouw werd bijgezet in een bergcrypte vlakbij zijn villa Troldhaugen. Hij liet nog 65.000 dollar na aan de stadsbibliotheek te Bergen, evenals andere nalatenschappen zoals composities en archivalia (brieven, handschriften, dagboeken en foto’s).

Edvard Grieg was goed bevriend met de Nederlandse componist Julius Röntgen. Van diens hand verscheen in 1930 een biografie, waarin uitgebreid wordt geciteerd uit hun correspondentie.

Edvard Grieg componeerde

     2 theatermuziekwerken

- Peer Gynt, theatermuziek, opus 23 ‒ bij het gelijknamig drama van Henrik Ibsen, 24 februari 1876. Henrik Ibsen had in eerste instantie een vertelling in dichtvorm  over de avonturen van Peer Gynt, geïnspireerd door Noorse sprookjes. Dat werkte hij later om tot een toneelwerk, waarvoor hij Edvard Grieg uitnodigde om de toneelmuziek te schrijven. De componist stelde er twee orkestsuites uit samen

     1 operafragment

     2 symfonieën

     3 cantates

     3 concertante werken

- Pianoconcerto in a kleine terts, opus 16, 1868, één van Griegs bekendste werken, Frans Liszt speelde het concert in 1870 als eerste, uit het manuscript. Grieg: "ik heb het nooit meer zo mooi gehoord". Toverachtige lyriek.

     15 andere orkestwerken

- Twee elegische melodieën, opus 34, 1880, voor strijkorkest, oorspronkelijk geschreven voor piano

nr. 1 Herzwunden

nr. 2 Letzter Frühling

- Noorse dansen, opus 35, 1881

- Holberg Suite, opus 40, meer precies “Uit Holbergs tijd”, suite in oude stijl, 1885, voor strijkorkest gearrangeerd vanuit het pianowerk. Een barokke danssuite in de stijl van Bach en Handel, gezien door een romantische bril.

- Suite nr. 1 uit "Peer Gynt", opus 46 (1875/1888) afgeleid uit de gelijknamige theatermuziek.

1. Morgenstemming

2. Åses dood

3. Anitras dans

4. In de hal van de Bergkoning

  Griegs Morgenstemning uit Suite nr. 1 uit "Peer Gynt", werd gespeeld tijdens de bijzetting van koningin Juliana der Nederlanden op het moment dat de kist met haar stoffelijk overschot afdaalde in de Delftse grafkelder.

- Suite nr. 2 uit "Peer Gynt", opus 55 (1875/1892)

- Symfonische dansen, opus 64, 1898.

     1 werk voor harmonie-orkest

     22 (series) koorwerken

- Negen liederen, opus 18, Noorse koorliederen

- 4 Psalmen naar oude Noorse Kerkliederen, opus 74, 1906, voor bariton en gemengd koor

1. Hvad est du dog skjøn, tekst Hans Adolf Brorson
4. Himmelen, tekst Laurentius Laurentii Laurinus

     72 (bundels) liederen voor zangstem(men) en piano (koor, orkest)

- Hjertets melodier (melodieën van uit het hart), opus 5, 1865, vier liederen op tekst van hans Christian Andersen  

3. Jeg elsker dig! (ik hou alleen van jou), intiem liefdeslied, warmbloedig

- Noorse volksliederen, EG 108, 1875, voor zangstem en piano, verzameling van  64 liederen.

- Sex Digte (Ibsensangene) (zes gedichten, op tekst van Henrik Ibsen, opus 25, 1876

2. En Svane ( een zwaan), sfeerplaatje om in te lijsten

- Ave, Maris Stella, EG 150, 1893 voor zangstem en piano, wordt meestal door koren uitgevoerd 

- Liederencyclus "Haugtussa" (het bergmeisje),  opus 67 – 8 liederen (en nog 12 andere, niet direct toegevoegd) op tekst van Arne Garborg, een meesterwerk, 1895-1898

1. Det syng (de verleiding)

8. Ved Gjætle-Bekken (bij het beekje Gjaetle)

     10 kamermuziekwerken

- vioolsonate nr. 1 in F grote terts, opus 8, 1865

- strijkkwartet in g kleine terts, opus 27,  1878, een avontuurlijk meesterwerk,  gecomponeerd in Lofthus, in de Noorse Hardangerregio, waar ze traditionele violen bouwen met extra resonerende snaren. De finale stroomt over van muzikale ideeën

- cellosonata in a kleine terts, opus 36, zijn langste kamermuziekwerk, 1883.

- vioolsonate nr. 3 in c kleine terts, opus 45, 1887

     12 (series) pianowerken

- Ballade in de vorm van variaties op een Noorse melodie in G , opus 24

- Holberg Suite, opus 40 , meer precies “Uit Holbergs tijd”, suite in oude stijl, 1884, ter gelegenheid van de 200-jarige geboortedag van de Deens-Noorse schrijver Ludvig Holberg.

- Lyrische Stukken, een serie van 66 kleine, soms middelgrote stukken, ze verschenen in 10 banden met tien opusnummers (tussen 1867 en 1901 gecomponeerd)

deel 3, opus 43, 1886; gepubl. 1887):

nr. 1, Sommerfugl (Vlinder)

deel 8, opus. 65, 1896

nr. 6  Trouwdag op Troldhaugen, geschreven als herinnering aan zijn 25ste trouwdag.

deel 9, opus. 68, 1898

nr. 4  Aften på Højfjeldet (Avond in de bergen)

nr. 5  Bådnlåt (Wiegelied)

nr. 6  Valse mélancolique (Melancholische wals)

 

Jules (Pierre-Julien) Deswert (de Swert) (Leuven, België, 15 augustus 1843 – Oostende, 24 februari 1891) was de zoon van de koormeeter van de Pietserskerk Herman Deswert en Jeanne-Katharina Van de Put. Hij was een wonderkind, dat zijn eerste muzieklessen kreeg van zijn vader. Vanaf zijn achtste trad hij in het publiek op. Adrien-François Servais  hoorde hem cello spelen en wilde hem graag als leerling op het conservatorium in Brussel. Van 1865 tot 1868 was Jules Deswert dirigent in Düsseldorf. In 1868 werd hij eerste cellist aan de Hofkapel in Weimar en in  1869 cellist in de Koninklijke Muziekkapel in Berlijn en leraar aan het conservatorium daar. Na 1873 ging hij weer vaker op tournee. Hij woonde in Wiesbaden en later in Leipzig.Hij speelde ook onder meer in een pianotrio met Clara Schumann.

In 1888 werd Jules Deswert conservatoriumdirecteur in Oostende, in opvolging van de overleden Joseph Michel. Hij doceerde ook aan conservatoria van Brugge en Gent. In zijn functie van conservatoriumdirecteur in Oostende was De Swert ook automatisch assistent-dirigent van het Kursaalorkest. Aan het conservatorium van Oostende richtte hij een klas voor kamermuziek op. Jules Deswert was getrouwd met Eugénie Van Haecht en na een echtscheiding met met Antoinette Bretenbach. In Oostende woonde hij aan het Wapenplein 18. Jules Deswert is begraven op de begraafplaats aan de Nieuwpoortsesteenweg in Oostende. Zijn opvolger in Oostende werd Léon Rinskopf.

Jules Deswert componeerde

     2 opera’s

     1 symfonie

     3 celloconcerti

     kamermuziekwerken met cello

- Pensée élégiaque, voor cellokwartet, opus 47, 1885, voor cello en piano, ter gelegenheid van het overlijden van de oudste zoon Thomas van zijn leraar Adrien-François Servais, ook gearrangeerd voor 4 cello’s, ingetogen.

       

Ján Levoslav Bella (Johann Leopold Bella) (Liptovský Mikuláš, Slowakije, toen Oostenrijk, 4 september 1843 – Bratislava, Slowakije, 25 mei 1936) groeide op in een Rooms-Katholiek gezin. Hij studeerde van 1853 tot 1859 piano, orgel, basso continuo, verschillende strijk- en blaasinstrumenten, compositie en directie bij Leopold Dvořák aan het gymnasium in Levoča. In 1859 ging hij naar een seminarie in Banská Bystrica en hield zich naast zijn theologiestudie daar bezig met het organiseren van muziekevenementen, dirigeren en componeren. Vana 1863 tot 1865 studeerde hij theologie aan de Universiteit van Wenen en daarnaast muziek bij Simon Sechter en Gottfried Preyer. Dirigeren en componeren bleef hij er naast doen. In 1865 ging hij terug naar Slowakije en aan het werk in Banská Bystrica.

In 1866 werd Ján Levoslav Bella tot priester gewijd en vanaf die tijd doceerde hij zang en muziek aan het seminarie van Banská Bystrica en was hij verantwoordelijk voor de muziek in de kathedraal. Van 1869 tot 1881 was hij stadsmuziekdirecteur in Kremnica. Hij gaf zijn priesterschap op in 1881, bekeerde zich tot het protestantisme trouwde en werd muziekdirecteur in Hermannstadt/Nagyszeben in toenmalig Hongarije, nu is dat Sibiu in Roemenië. Hij bleef daar tot 1921, was verantwoordelijk voor de muziek in de protestantse kerk daar, gaf les aan de middelbare school en dirigeerde de locale muziekgezelschappen en koren. In 1921 ging Ján Levoslav Bella met pensioen. Tot 1928 woonde hij in Wenen bij zijn dochter Augusta, toen verhuisde hij naar Bratislava, waar hij in 1936 overleed. In 1992 werd er in Banská Bystrica een Ján Levoslav Bella Conservatorium opgezet. De pianiste Dagmar Sturli-Bella is zijn kleindochter.

Ján Levoslav Bella componeerde

     1 opera

     1 muziektheaterwerk

     9 orkestwerken

- Koncertná skladba v uborskom stýle (Concertstuk in Hongaarse stijl), 1893

     14 werken voor solisten, koor en orkest

- Feestmis in Es grote terts voor vier solisten, gemengd koor en orkest, 1880

- Lobet den Herrn, alle Heiden, cantate voor sopraan, bas, gemengd koor, orgel en orkest, ná 1881

     25 werken voor zangstem(men) en orkest

- Deus meus, ad te luce vigilo, offertorium  voor sopraan en orkest 
- Heil’ge Nacht voor bas en orkest

- Bergglocke, Weihnacht auf dem Friedhof, voor sopraan en orkest, tekst dichter Michael Albert, geschreven ter nagedachtenis aan Bella’s dochtertje, dat op zevenjarige leeftijd stierf aan roodvonk, 1899

     12 werken voor koor en orkest

     72 werken voor koor a capella

     21 kamermuziekwerken

     72 werken voor koor a capella

     36 ( series) liederen en werken voor zangstem(men) en piano of instrumenten

     9 pianowerken

     7 (series) werken voor orgel of harmonium

     4 (series) volksliedbewerkingen

 

David Popper (Praag, Bohemen (nu Tsjechië), 9 december 1843 – Baden, 7 augustus 1913) was de zoon van een Praagse synagoge-cantor. Als 12-jarige deed hij aan het conservatorium van Praag toelating voor viool, maar hij werd toegelaten voor cello, omdat er een tekort aan cellostudenten was. Hij studeerde cello bij Julius Goltermann (1825–1876). Op 18-jarige leeftijd werd hij al eerste cellist van het Löwenberg hoforkest. Door tussenkomst van dirigent Hans von Bülow kreeg David Popper in 1868 een benoeming als kamermuziekvirtuoos aan het hof van Frederik Willem Constantijn van Hohenzollern-Hechingen in Löwenberg, maar na een jaar raakte hij de baan al weer kwijt door de dood van de prins. In 1872 werd David Popper eerste cellist van de Weense Staatsopera werd. In 1872 trouwde David Popper met pianiste Sophie Menter, een leerlinge van Franz Liszt. Ze kregen een dochter: Celeste (*1876). Na een aantal jaren beëindigde David Popper zijn werk bij de Staatsopera en ging hij samen met zijn vrouw in verschillende Europese landen concerten geven. In 1886 beëindigde David Popper en Sophie hun huwelijk. David Popper trouwde met de 23 jaar jongere Olga Löbl. In 1896 richtte hij met Jenő Hubay in Boedapest het Boedapest Quartet op. Vanaf 1896 gaf hij ook celloles aan het conservatorium in Boedapest. David Popper was een van de laatste cellisten die zonder staartpen speelden. David Popper overleed aan een hartinfarct.

Olga Popper kwam met veel andere familieleden in de gaskamers van de nazi’s om het leven.

David Popper componeerde

     4 celloconcerten

     andere werken voor cello en orkest

- Elfentanz, voor violoncello en orkest of piano, opus 39

     requiem voor drie cello's en orkest

     70 kamermuziekwerken.

- Tarantella,  voor cello en piano, opus 33

- Das Spinnrad oder Spinnlied voor violoncello en piano, opus 55

     werken voor cello solo

- Hogeschool voor cellospel, opus 73, een boek met 40 cello-etudes die door gevorderde cellostudenten over de hele wereld nog steeds gebruikt worden. 

 

Leander Schlegel (Oegstgeest, 2 februari 1844 – Overveen, 20 oktober 1913) was de derde zoon van dierkundige Hermann Schlegel. Op zesjarige leeftijd componeerde hij al pianostukjes. Vanaf zijn tiende jaar studeerde Leander Schlegel viool aan de Muziekschool te Leiden.

Aan de Koninklijke Muziekschool te ’s-Gravenhage studeerde Leander Schlegel van 1858-1860 en aan het  Conservatorium te Leipzig van 1861 tot 1863 viool, piano, orgel, cello, harmonie- en compositieleer.

Terug in Leiden werd Leander Schlegel leraar viool aan de Muziekschool.

In 1871 werd hij directeur Afdeling Haarlem van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst.

In 1898 stichtte hij in Haarlem een eigen muziekschool.

Leander Schlegel overleed op 20 oktober 1913 in zijn woonplaats Overveen en werd ter aarde besteld op de begraafplaats aan de Groenesteeg te Leiden.

Leander Schlegel componeerde

     3 orkestwerken

     18 (series pianowerken

     4 kamermuziekwerken

- Sonate in G grote terts voor piano en viool, opus 34, 1910, opgedragen aan Max Kalbeck

     9 (series) liederen voor zangstem(men) en piano

- Deutsche Liebeslieder, opus 20, Cyclus van 15 liederen voor zangstem en piano, opgedragen aan barones Anna van Asbeck-Kluit , 1900

www.leander-schlegel.nl

 

Charles–Marie Widor (Lyon, 21 februari 1844 – Parijs, 12 maart 1937) was de zoon van een organist in de kerk St-François-de-Sales. Zijn grootvader had als orgelbouwer bij de firma Callinet gewerkt. De kleine Charles-Marie kreeg orgelles van zijn vader en deed het zo goed, dat hij hem al mocht vervangen toen hij elf jaar was. In 1863 trok hij op aanraden van de Franse orgelbouwer Aristide Cavaillé-Coll naar Brussel om er bij Jacques-Nicolas Lemmens (1823-1881) te studeren.

Charles–Marie Widor studeerde in Brussel orgel bij Lemmens en compositie bij François-Joseph Fétis. In 1870 werd hij op 26-jarige leeftijd organist-titularis van de Saint-Sulpice waar hij Louis James Alfred Lefébure-Wely opvolgde na diens dood. Ook nam hij na de dood van César Franck in 1890 diens orgelklas aan Parijse conservatorium over en in 1896 de compositieklas. Leerlingen van Charles Marie Widor waren Louis Vierne (1870-1937), Charles Tournemire (1870-1939), Henri Mulet (1878-1967) en Marcel Dupré (1886-1971). De laatste volgde hem in 1934 op in de Saint-Sulpice.

Charles–Marie Widor componeerde

     10 orgelsymfonieën, een ‘nieuw’ soort orgelmuziek.

- Symphonie pour orgue nr. 4 in f kleine terts opus 13 nr. 4, 1872

- Symfonie voor orgel nr. 5 in f kleine terts, opus. 42, nr. 1,1879. Aan het vijfde deel “Toccata” wordt nogal een s gerefereerd als Widor’s Toccata,  na de toccata in d klein van Johann Sebastian Bach de meeste gespeelde orgeltoccata ooit

- Symphonie pour orgue nr. 6, opus. 42 nr. 2, 1879

- Symphonie pour orgue nr. 7 opus 42 nr. 3 in a kleine terts, 1885, gereviseerd 1918. Een prachtig 6-delig werk, hoort tot de top van het virtuoze orgelrepertoire.

- Symphonie pour orgue nr. 10 "Romane", opus 73, 1898, over het Gregoriaans paasgraduale "Haec dies". Het derde deel “Cantilene” 1898, over het Gregoriaanse thema "Victimae paschali laudes", is één van de “beroemdste” werken van Widor geworden; wordt vaak los uitgevoerd.  

     4 andere orgelwerken

     35 pianowerken of series pianowerken

     26 kamermuziekwerken

- Sérénade opus 10, 1870 voor piano, fluit, viool, cello en harmonium

- pianotrio opus 19 voor piano, viool en cello, 1875

- Suite, opus 34, voor fluit en piano, 1877, opgedragen aan fluitist Paul Taffanel

- Soirs d'Alsace - 4 duos, opus 52 - viool, cello en piano, 1881,

- Suite, opus 76, 1903 voor viool en piano

- 4 Pièces - viool, cello en piano, 1890, meesterwerkjes:

1. Humoresque

2. Cantabile

3. Nocturne

4. Serenade

- Introduction et Rondo, opus 72  voor klarinet en piano, 1898, virtuoos imponerend

- Suite Florentine, 1920 voor viool en piano, revisie van Suite opus 76 uit 1903

     17 orkestwerken

     32 vocale werken

 

Pablo Martin Melitón de Sarasate y Navascués (Pamplona, 10 maart 1844 ‒ Biarritz, 20 september 1908) kreeg vanaf zijn vijfde jaar vioolles van zijn vader. Op 10-jarige leeftijd trad hij aan het Spaanse hof op tot groot genoegen van koningin Isabella II. Daarna studeerde hij aan het Parijse Conservatorium bij Jean-Delphin Alard. Hij was een virtuoos violist en toonde hoge begaafdheid op technisch gebied. Zijn voordracht was doorgaans ingetogen.

Vele componisten droegen werken aan De Sarasate op. Pablo de Sarasate overleed 20 september 1908 aan chronische bronchitis. Hij vermaakte zijn viool, gemaakt door Antonio Stradivari in 1724, aan het Musée de la Musique. De viool gaat sindsdien als Sarasate Stradivarius door het leven. Zijn tweede viool, de Boissier uit 1713, is nu eigendom van het Real Conservatorio Superior de Música, Madrid.

Pablo de Sarasate componeerde

     30 werken voor viool en orkest

- Concertfantasie over Der Freischutz, opus 14, 1874

- Zigeunerweisen (Aires Gitanos), opus 20, 1878

- Carmen Fantasie, Op. 25, 1883, fantasie voor viool en orkest op thema’s uit de opera Carmen van George Bizet (onder andere de Habanera "L'amour est un oiseau rebelle", één van De Sarasate’s beste werken.  

- Airs ecossais, opus 34, 1892

- Introduction et tarantelle, opus 43, 1899  

- L'Esprit Follet, opus 48,

- Jota de Pamplona, opus 50, 1904

- Fantasie over “Die Zauberflöte", opus 54, voor viool en orkest

     37 werken voor viool en piano

- Fantasie over “La forza del destino”, opus 1, voor viool en piano

- Fantasie over “Roméo et Juliette”, opus 5, voor viool en piano

- Sérénade Andalouse, opus 10.

- Fantasie over “Martha”, opus 19, voor viool en piano

- Fantasy on Don Giovanni, opus 51, 1874

- Jota de San Fermin, opus. 36, 1894

- Rêve, opus 53, 1909

 

Nikolaj Andrejevitsj Rimski-Korsakov (Tichvin, 18 maart 1844 ‒ landgoed Ljoebensk (bij Loega), 21 juni 1908) werd geboren in een adellijke familie en kreeg als onderdeel van zijn opvoeding muziekonderricht. Op twaalfjarige leeftijd werd hij lid van het zeekadettencorps en vanaf 1862 ging hij als marineofficier drie jaar op wereldreis. In 1861 leerde hij de componist Mili Balakirev kennen, die hem overhaalde een echte muziekstudie te gaan volgen.

Het succes van het symfonisch gedicht Sadko en zijn eerste opera Het meisje van Pskov waren voor Rimski-Korsakov aanleiding om de marine te verlaten. Hij werd inspecteur van de Russische marinierskapel (tot 1884) en in 1871 volgde een aanstelling als hoogleraar compositie en instrumentatie aan het conservatorium te Sint-Petersburg. Onder andere  Anatoli Ljadov, Anton Arenski, Aleksandr Glazoenov, Ottorino Respighi, Nikolaj Mjaskovski, zijn schoonzoon Maximilian Steinberg, Igor Stravinsky en Sergej Prokofjev behoorden tot zijn leerlingen .

Van 1874 tot 1881 was Rimski-Korsakov ook directeur en dirigent van de muziekschool, van 1883 tot 1894 plaatsvervangend directeur van de hofzangerskapel en van 1886 tot 1900 dirigent van de door de muziekuitgever Mitrofan Beljajev georganiseerde Russische Symfonieconcerten.

Hij was lid van het door Mili Balakirev opgerichte Machtige Hoopje van vijf nationalistische componisten en zette zich belangeloos voor zijn vrienden in.

Zo voltooide, bewerkte en instrumenteerde hij werken van Aleksandr Dargomyzjski (De stenen gast), Alexander Borodin (Vorst Igor) en Modest Moessorgski (Boris Godoenov, Nacht op de kale Berg).

Zijn werk aan het conservatorium moest hij in 1905 onderbreken, vanwege zijn sympathieën voor de revolutionaire studentenbeweging, maar in 1907 mocht hij weer in zijn oude aanstelling verderwerken.

Aan het eind van zijn leven leed Rimski-Korsakov aan angina pectoris. Hij overleed in Ljoebensk in 1908, en werd ter aarde besteld op de Tichvin-begraafplaats bij het Alexander Nevski Klooster in Sint-Petersburg.

Ook zijn kleinzoon Georg Michajlovitsj Rimski-Korsakov was componist.

Nikolaj Rimski-Korsakov componeerde

     15 opera’s

- Het Sneeuwmeisje (Snegurotschka), een voorjaarssprookje, opera met een proloog en 4 bedrijven, libretto, Rimsky-Korsakov zelf, naar het gelijknamige toneelstuk van Alexander Ostrovsky, 29 januari 1882. Voor Nikolai Rimsky-Korsakov bleef het zijn favoriete werk

- Mlada, opera-ballet in 4 bedrijven, 1890, libretto Viktor Krylov.

- Kerstavond, libretto Nikolai Rimsky-Korsakov, 1895, gebaseerd op het korte verhaal “Kerstavond" uit “Avonden op een boerderij bij Dinanaka” van Nikolay Gogol. 

- Sadko, 1896, opera in zeven scènes; libretto geschreven door de componist in samenwerking met Vladimir Belsky, Vladimir Stasov, en anderen, geïnspireerd op het gelijknamige Russiche gedicht.

- De Tsarenbruid, opera in 4 aktes, libretto Il'ja Tjumenev, naar Lev A. Mej, 1898. Tsaar Iwan IV (Iwan de verschrikkelijke, komt in de opera alleen virtueel voor) wil een nieuwe bruid uit de aristocratie en heeft zijn oog laten vallen op de mooie Marfa (sopraan). Zij wordt het slachtoffer van de jaloerse rivale Lyubasha (mezzosopraan). Grigory Gryaznoyis (bariton) een autoritaire "oprichnik", Ivan Sergeyevich Lïkov (tenor) de hoogste hofbeambte.

- De geschiedenis van Tsaar Saltan,1900, libretto V.I.Bielsi, gebaseerd op een vertelling van  Aleksandr Poesjkin. Deze muziek begeleidt een scène waarin de hoofdpersoon - een prins - in een hommel verandert. Het intermezzo De vlucht van de hommel is uitgegroeid  tot een zelfstandig stuk voor orkest.

- De Legende van de onzichtbare stad Kitezj en het meisje Fevronija, 1905, opera in 4 aktes, libretto Vladimir Belsky, gebaseerd op een combinatie van twee Russische legendes: die van Santa Fevroniya van Murom, en die van de stad Kitezh, die onzichtbaar werd, toen hij werd aangevallen door de tartaren. Een "liturgische opera", zinspelend op een eschatologisch verlossingsdrama in de trant van Parsival van Richard Wagner. Mooi koor- en orkestwerk. Af en toe goddelijke muziek; met zingende paradijsvogels, onwrikbare Tartaren, dansende beren en steden die verdwijnen in een magische gouden mist; onwezenlijkheid en realiteit gaan hand in hand: een groot glinsterend wonder. Hoofdrollen voor Fevronija (sopraan), een onbedorven natuurmeisje, en Prins Vsevolod Yuryevich (tenor), de zoon van Prins Yuri van Kitezh, die valt voor haar schoonheid, spirituele integriteit en liefde voor mensen en de natuur; ook nog een aparte rol voor Grishka Kuterma (tenor), de plaatstelijke dronkelap.

- De gouden haan, opera-ballet in drie bedrijven met een korte proloog en een  nog kortere epiloog; libretto  Vladimir Belsky, afgeleid van Alexander Pushkin's 1834 gedicht "Het verhaal van de gouden haan", wat op zijn beurt weer is gebaseerd op twee hoofdstukken van "Verhalen uit het Alhambra", door  Washington Irving, 1907. Vrijgezelle tsarina Shemakha (coloratuursopraan) organiseert voor zichzelf een huwelijk met sullige tsaar Dodon (bas), die ze makkelijk onder de duim denkt te kunnen houden. Soms loopt het leven echter anders dan je verwacht.

     2 toneelmuziekwerken

     3 symfonieën

- Symfonie nr. 1 in e kleine terts, opus  1, 1865, gereviseerd in  1884. Het vierdelige werk heeft een melancholisch tweede deel: Andante tranquillo

- Antar, oorspronkelijk Tweede symfonie, later symfonische suite, 1868, gereviseerd in 1875 en 1891, geïnspireerd door een Arabische vertelling van Sennkovsky. Antar, een mensenvijand, is verbannen naar de woestijn. Hij redt daar een gazelle van een grote roofvogel. Moe van dat gevecht valt hij in slaap en droomt dat hij in het paleis van de koningin van Palmyra is. De koningin, de fee Gul-Nazar blijkt de gazelle te zijn, die hij heeft gered. Zij geeft als beloning Antar toestemming drie van de grootste verlangens in het leven te vervullen: wraak, kracht en liefde. Antar aanvaard de gift en vraagt de koningin hem het leven te ontnemen, wanneer hij zich begint te vervelen bij zijn levensvervulling. Dan wordt hij verliefd op de koningin. Na enige tijd begint zijn passie hem te vervelen. De koningin neemt hem in haar armen en kust hem met zo’n gewelddadige kracht en woede, dat het leven uit hem wegebt. Het eerste deel van de “symfonie” vertelt het verhaal, de andere drie delen beschrijven elk een levensverlangen.

- Symfonie nr. 3 in C grote terts, opus 32, 1873, gereviseerd in 1886. Het vierdelige werk heeft als tweede deel een licht en energiek Scherzo in 5/4 maat.

     7 concerten

- pianoconcert in cis klein, opus 30, 1882

- Variaties over een thema van Glinka, 1878, voor hobo en harmonie-orkest in g kleine terts, gebaseerd op het lied “wat een jonge schoonheid” van Mikhail Glinka,  Introducie, thema, 12 variaties en finale.

     2 ouvertures

- Groot Russisch Paasfeest, Ouverture over liturgische thema's, opus 36, 1888

     8 suites

- Shéhérazade, symfonische suite, opus 35, 1888, betoverend werk, vol muzikaal oriëntalisme. Het verhaal van duizend en één nacht: een vrouw weet haar aangekondigde executie steeds weer uit te stellen door de sultan met haar vertelkunst te betoveren; briljante orkestratiekunst; verrukkelijk en altijd innemend;

- Kerstavond, orkestsuite uit de gelijknamige opera, 1904,

     9 andere orkestwerken

- Capriccio Espagnol, opus 34, 1887

     vijf werken voor harmonieorkest

     10 kamermuziekwerken

- Pianotrio in c klein, 1987, fraai zangerig derde deel: Adagio

- kwintet in Bes, voor fluit, klarinet, hoorn, fagot en piano, 1876

     7 vocale werken

     14 werken of series werken voor piano solo

 

Eugène Gigout (Nancy, 23 maart 1844 ‒ Parijs, 9 december 1925) heeft les gehad van Camille Saint-Saëns. Na zijn afstuderen was hij enige tijd assistent van Camille Saint-Saëns aan La Madeleine, maar in 1863 kreeg hij zijn eigen tribune in de Franse hoofdstad, in de St. Augustin. Daar bespeelde hij een bijzonder orgel van Peschard & Barker uit 1865, dat was uitgerust met elektrische tractuur, en dat in 1899 werd verwijderd bij een ingrijpende revisie door de firma Aristide Cavaillé-Coll.

Eugène Gigout componeerde

     24 orgelwerken of series orgelwerken (bij elkaar honderden werkjes)

     6 Pièces, 1881

- Grand choeur dialogué.

     Dix Pièces pour orgue,  1890   

- Toccata in b klein, Gigout’s meest bekende werk

 

Carl (Charles, Karl) Bohm (pseudoniem Henry Cooper) (11 september 1844 – 4 april 1920) was een componist van prima salonmuziek, waarvan zo goed als niets bekend is.

Carl Bohm componeerde meer dan driehonderd opusnummers, waarvan ik nagenoeg niets kan terugvinden:

     kamermuziekwerken

     liederen

- Still wie die Nacht, opus 326 nr. 27, zijn bekendste lied;

 

Claude Paul Taffanel (Bordeaux, 16 september 1844 ‒ Parijs, 22 november 1908) kreeg zijn eerste fluitlessen toen hij negen jaar oud was van zijn vader, muziekleraar in Bordeaux. Op zijn 10de gaf hij al zijn eerste concert in La Rochelle waar zijn vader kapelmeester was.

Vanaf zijn 14de studeerde hij aan het Conservatoire de Paris bij Louis Dorus. Hij studeerde in 1860 af en had toen al een aanstelling als fluitiost bij de Parijse Opéra-Comique en vanaf 1864 bij de Grande Opéra, waar hij in 1871 solofluitist werd. Tegelijkertijd was hij eerste fluitist van het Conservatoriumorkest. Paul Taffanel gaf concerten in heel Europa. In 1879 richtte Taffanel de Société de musique de chambre pour instruments à vent (“Genootschap voor kamermuziek met blaasinstrumenten”) op, waarmee hij muziek voor blazers van Mozart opnieuw onder de aandacht bracht en het schrijven van nieuwe composities voor blazers bevorderde. In 1890 werd hij operadirigent en in 1893 fluitdocent aan het Parijse conservatorium.

Paul Taffanel kreeg in 1901 een zenuwinzinking en overleed op 22 november 1908 in Parijs .

Paul Taffanel was de grondlegger van de Franse fluitschool die tot ver in de 20e eeuw wereldwijd toonaangevend was voor zowel de composities voor fluit als de uitvoeringspraktijk.

Paul Taffanel componeerde

     kamermuziekwerken

- kwintet voor blazers,  1878

- Fantasie over motieven uit Leo Delibes’Opera Jean de Nivelle,  voor fluit en piano

     werken voor fluit, 1881

- Méthode complète de flûte, na zijn dood afgemaakt zijn leerling Philippe Gaubert, een standaardmethode  voor dwarsfluit.