Componisten

vanaf 1845

 

 

Alphonse Jean Hasselmans (Luik, België, 5 maart 1845 – Parijs, 19 maart 1912) was de zoon van componist, dirigent, violist en harpist Joseph Hasselmans (1814–1902). Alphonse studeerde eerst harp bij zijn vader aan het Conservatorium Straatsburg en daarna bij Ange-Conrad Prumier in Parijs. Eenmaal afgestudeerd werd hij harpist in het Théâtre de la Monnaie in Brussel. Maar al gauw volgden, dankzij zijn succesvolle soloconcerten, benoemingen aan orkesten in Parijs. Hij volgde zijn leraar Prumier op als hoofddocent harp aan het conservatorium van Parijs. Hij was de leraar van de belangrijkste Franse harpisten van de 20ste eeuw, zoals Henriette Renie, Marcel Tournier, Carlos Salzedo, Marcel Grandjany, Lily Laskine, en Pierre Jamet.

Zijn dochter, Marguerite Hasselmans (1876–1947), die lange tijd een relatie met Gabriel Fauré had, was concertpianist. Zijn zoon Louis Hasselmans (1878–1957) was operadirigent en muziekdocent in de Verenigde Staten.

Alphonse Hasselmans componeerde

     54 solowerken voor harp

- Trois Préludes opus. 5

- Gitana opus 21,

- concertétude La Source (de bron), opus 44, zijn beroemdste solostuk

 

Gabriel Urbain Fauré (Pamiers, Ariège, Midi-Pyrénées, Frankrijk, 12 mei 1845 – Parijs, 4 november 1924) was de vijfde zoon en de jo ngste van zes kinderen van onderwijzer Toussaint-Honoré Fauré (1810–1885) en Marie-Antoinette-Hélène Lalène-Laprade (1809–1887). Het was een cultureel belangstellend, maar niet speciaal muzikaal gezin. Op zijn negende ging Gabriel Fauré naar de École de Musique Classique et Religieuse in Parijs, waar hij werd opgeleid tot kerkorganist en koormeester. Hij kreeg er les van Clément Loret: orgel, Louis Dietsch: harmonieleer, Xavier Wackenthaler: contrapunt en Louis Niedermeyer: piano. Toen Louis Niedermeyer overleed in maart 1861, nam Camille Saint-Saëns de pianiolessen over. Het was Fauré’s favoriete leraar. Ze bleven hun hele leven goede vrienden.

Een maal afgestudeerd voorzag Gabriel Fauré in zijn onderhoud als organist en muziekdocent. Zijn eerste betrekking was in januari 1866: organist aan de kerk van Saint-Sauveur, in Rennes in Bretagne. In 1870 werd hij assistent organist aan de kerk Notre-Dame de Clignancourt, in het noorden van Parijs. Bij de uitbraak van de Frans-Pruisische oorlog in 1870 ging Gabriel Fauré vrijwillig in het leger. Hij vocht stevig mee en kreeg na afloop een Croix de Guerre.

Na Frankrijks nederlaag tegen de Pruisen was het voor Gabriel Fauré wat minder prettig in Parijs en daarom ging hij in Zwitserland lesgeven aan École Niedermeyer. In october 1871 kwam hij weer terug naar Parijsen werd daar koormeester aan de Église Saint-Sulpice onder Charles-Marie Widor. Hij was medeorichter van de Société Nationale de Musique, om nieuwe Franse muziek te promoten. In 1874 werd hij er de secretaris van en in hetzelfde jaar werd hij ook organist van de Église de la Madeleine, als opvolger van Camille Saint-Saëns. In 1877 raakte Gabriel Fauré erg verliefd op Marianne, de dochter van Pauline Viardot. Ze waren ook een poosje verloofd, maar om onduidelijke redenen maakte Marianne het uit.

In 1883 trouwde Gabriel Fauré met beeldhouwersdochter Marie Fremiet. Ze kregen twee zoons, Emmanuel Fauré-Fremiet (*1883) werd een internationaal vermaarde bioloog, Philippe (*1889) werd schrijver. Gabriel Fauré was extreem aantrekkelijk voor vrouwen en dat leverde nogal wat relaties buiten zijn huwelijk op, de langste, tot het einde van zijn leven met pianiste Marguerite Hasselmans, de dochter van Alphonse Hasselmans.

In 1892 werd Gabriel Fauré inspecteur van de conservatoria in de Franse provincies. In 1896 werd hij docent compositie aan het conservatorium van Parijs. Hij leidde er onder meer Maurice Ravel, Florent Schmitt, Charles Koechlin, Louis Aubert, Jean Roger-Ducasse, George Enescu, Paul Ladmirault, Alfredo Casella en Nadia Boulanger op.

Van 1903 tot 1921 schreef Gabriel Fauré muziekrecensies voor Le Figaro.

In 1905 werd Gabriel Fauré directeur van het Conservatorium. Hij verbeterde de lespraktijk en de administratie aanzienlijk. In 1909 richtten een aantal jonge componisten onder leiding van Maurice Ravel en Charles Koechlin de Société Musicale Indépendante op, omdat ze de Société Nationale de Musique, in die tijd onder leiding van Vincent d’Indy, een reactionaire organisatie vonden. Gabriël Fauré werd voorzitter van de nieuwe organisatie, maar bleef ook lid van de oude. Hij wist altijd met iedereen goede vrienden te blijven.

Vanaf 1911ontwikkelde Gabriël Fauré serieuze problemen met zijn gehoor. De populariteit van zijn werk nam in die tijd juist toe, ook in Engeland en Amerika.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog bleef Gabriël Fauré in Frankrijk, waar hij niet meeging in de poging van Camille Saint-Saëns en een aantal collega’s om alle Duitse muziek te boycotten. Gabriel Fauré wilde geen nationalisme in muziek herkennen. In 1920 trok hij zich wegens toenemende doofheid van het Conservatorium terug. In dat jaar ontving hij het Grootkruis van het Legioen van Eer.

De laatste jaren van zijn leven leed hij onder een slechte gezondheid, onder meer veroorzaakt door zwaar roken. 4 november 1924 overleed hij aan een longontsteking. Hij kreeg een staatsbegrafenis in de Église de la Madeleine en werd begraven op de Passy begraafplaats in Parijs. Henri Rabaud nam zijn functies aan het conservatorium over.

Gabriel Fauré componeerde

     2 opera’s

     2 toneelmuziekwerken

- Pelléas et Mélisande, theatermuziek bij  Maurice Maeterlincks’ toneelwerk met dezelfde titel, 1898. Fauré was de eerste van vier componisten die geïnspireerd werden door Maeterlincks’drama.  Debussy, Schönberg en Sibelius zouden volgen.

     11 werken voor orkest

- Pavane opus 50 (1887)

- Pelléas et Mélisande, opus 80, vierdelige suite afgeleid van de theatermuziek bij het toneelstuk van Maurice Maeterlinck, 1898, zijdezacht;

derde deel: Sicilienne (allegro molto moderato), innemend.

- Shylock, opus 57, orkestsuite, 1889

- Masques et bergamasques, opus 112, een twintigste-eeuwse hommage aan de wereld van de galante feesten in de achttiende eeuw, 1919; van de de acht delen waren er zeven al eerder door Fauré gecomponeerd in een ander verband.

De vierdelige suite met orkestdelen die van het werk is afgeleid is één van Fauré's populairste werken gebleven.  

     1 werk voor harmonieorkest

     24 kamermuziekwerken, behoorlijk de moeite waard:

- Vioolsonata nr.1 in A grote terts, opus 13, 1876,

- Romance in Bes groot voor viool en piano, opus 28 1877

- Pianokwartet nr.1 in c klein 1879, opus 15

- Berceuse (wiegelied) voor viool en piano, opus 16, 1879

- Elégie voor cello en piano, opus 24 1880, prachtig; schitterend in zijn eenvoud, geschreven voor zijn gestorven vriend. .

- Papillon voor cello en piano, opus 77 vóór 1885

- Pianokwartet nr.2, g klein1886, opus 45

- Romance voor cello en piano , opus 69, 1894, beweeglijk.

- Pianokwintet nr.1 in d klein, opus 89 1895, sereen, maar met gedrevenheid.

- Andante voor viool en piano, opus 75, 1897

- Sicilienne voor cello en piano, opus 78, 1898 (uit theatermuziek bij Pelléas et Mélisande)

- Fantaisie voor fluit en piano, opus 79, 1898

- Morceau de concours voor fluit en piano, 1898, een lange cantilene zoals alleen Fauré die kan schrijven.

- Morceau de lecture, voor viool en piano, 1903

- Sérénade voor cello en piano, opus 98, 1908

- Vioolsonata nr.2 in e kleine terts, opus 108, 1917

- Cellosonata nr.1 in d klein, opus 109, 1917

- Cellosonata nr. 2 in g klein, opus 117, 1921

- Pianokwintet nr. 2 in c klein, opus 115, 1921

- Piano Trio in d klein, opus 120, 1923, oorspronkelijk met klarinet en cello, later definitief viool en cello.

- Striijkkwartet in e klein, opus 121, 1924

     12 religieuze koorwerken

- Super flumina Babylonis, voor gemengd koor en orkest, 1863

- Cantique de Jean Racine, opus 11 voor gemengd koor en piano of orgel, 1865, afstudeeropdracht, won de eerste prijs, toen de 19-jarige Fauré slaagde op de École Niedermeyer.

- Messe de Requiem opus 48, 1890,  voor sopraan, bariton, gemengd koor en orkest, 1888, een indrukwekkend expressief werk. Een buitengewoon intiem Requiem, dat niet de verschrikkingen van het laatste oordeel uitbeeldt, maar een wiegelied van de dood is. Een Dies irae komt er dan ook niet in voor, wel een intiem gebed: Pie Jesu en een rechtstreeks naar de hemel leidend slotdeel: In Paradisum. Het Pie Jesu is een genrestukje geworden dat vaak apart en gearrangeerd wordt uitgevoerd.   

     3 wereldlijke koorwerken

     30 (series) liederen voor zangstem en piano

- Trois mélodies, opus 7, drie liederen voor zangstem en piano

+ Après un rêve, opus 7, nr. 1, 1878 één van Fauré’s populairste vocale werken, een Italiaans anoniem gedicht, in het Frans vertaald door Romain Bussine, wordt ook vaak instrumentaal gebracht, bijvoorbeeld door cello of viool en piano.

+ Hymne, opus 7, nr. 2, 1871

+ Barcarolle, opus 7, nr. 3, 1877

- Vier liederen, opus 39, 1884

nr. 4. Les roses d’Ispahan, licht geparfumeerd

- Cinq mélodies "de Venise",  op teksten van Verlaine, 1891

nr  2. En sourdine; fraai lied.

- La bonne chanson, opus 61, een liedcyclus van negen liederen uit de gelijknamig bundel van Paul Verlaine, 1894.

- La chanson d'Ève, opus 95, liedcyclus van tien liederen voor zangstem en piano,1910, gebaseerd op de gelijknamige dichtbundel van Charles van Lerberghe. Fauré’s langste liedcyclus.

     11 (series) pianowerken

- Ballade, opus 19, 1879, spannende opbouw; er is ook een versie met orkest.

- Romances sans paroles, opus 17, 1863.

- Dolly Suite, opus 56, voor piano vierhandig, tussen 1893 and 1896, zesdelige suite, geschreven voor Hélène Bardac, de dochter van zangeres Emma Bardac, waar Fauré een landurige relatie mee had. In 1906 maakte Henri Rabaud een orkestversie.

1. Berceuse, het bekendste deeltje van de suite, op allerlei manieren gearrangeerd

6. Le pas Espagnol, knettert

- Thème et variations in cis kleine terts, opus 73, 1895, zijn meest uitgebreide pianocompositie.

- 13 nocturnes 

+ nocturne nr 6 in Des grote terts, opus 63, 1894, opgedragen aan Eugène d'Eichthal, juweeltje, hoort bij het mooiste dat sinds Chopin voor de piano is gecomponeerd.

+ nocturne nr 7 in cis kleine terts, opus 74, 1898, de “Engelse nocturne”, gecomponeerd toen Fauré in Engeland was en opgedragen aan pianiste Adela Maddison.

- 13 barcarolles

- Huit Pièces Brèves, opus 84

- 9 preludes, opus 103, 1910, fascinerend, verrassende expressiviteit.

- Masques et bergamasques, opus 112, pianistisch knap geschreven en aanstekelijke niemandallen.

     1 werk voor cello solo

     2 werken voor harp solo

- Impromptu nr.  6, opus  86, 1904

 

Luigi Denza (Castellammare di Stabia, bij Napels, 24 februari 1846 – Londen, Engeland, 26 januari 1922), studeerde muziek bij Saverio Mercadante en Paolo Serrao aan het Conservatorium San Pietro a Majella in Napels. In 1898 werd hij zangdocent aan de Royal Academy of Music in Londen.

Luigi Denza componeerde

     1 opera,

- Wallenstein, opera in 4 bedrijven, libretto A. Bruner naar Schiller’s trilogie, 1876.

     500 liederen

- Funiculì, Funiculà (tekst Peppino Turco), 1880, het bekendste Napolitaanse lied ooit, over de “funiculare”, een tandradbaan langs de Vesuvius; Richard Strauss verwerkte het lied in 1887 als “volkslied” in zijn symfonie “Aus Italien”. HIj was in de veronderstelling dat het een traditionele Italiaanse volksmelodie was. Luigi Denza eiste voor de rechtbank dat er rechten moesten worden betaald. Ook Nikolaj Rimski-Korsakow en Arnold Schoenberg gebruikten de melodie

- "Luna fedel",

- "Occhi di fata",

- "Se"

 

Sir Francesco Paolo Tosti (Ortona a Mare, provincie Chieti, 9 april 1846 – Rome, 2 december 1916) studeerde vanaf 1858 aan het Conservatorio di San Pietro a Majella di Napoli in Napels compositie bij Giuseppe Saverio Mercadante.

In 1866 studeerde hij af en werd dirigent van kleine operatheaters in Ortona a Mare en in Ancona. Later werd hij zangleraar van de prinses Margaretha van Savoye (1851-1926), die later Koningin van Italië werd.

In 1875 ging hij naar Londen. In 1894 werd hij tot professor aan de Royal Academy of Music in Londen aangesteld. Als zangleraar van de koninklijke familie werd hij door Koningin Victoria van het Verenigd Koninkrijk in het Buckingham Palace gehaald en hij werd in 1908 geadeld. In 1912 kwam hij weer naar Italië terug. Hij was bevriend met Enrico Caruso.

Francesco Paolo Tosti componeerde

     500 liederen met pianobegeleiding

- Non m’ama più; 1874

- Ideale; tekst Carmelo Errico, 1882

- L’ultima canzone; tekst Francesco Cimmino, 1905

- Marechiare; tekst  Salvatore Di Giacomo

- Vorrei morire; tekst Leonardo Maria Cognetti

 

Riccardo Eugenio (Richard) Drigo (Padua, 30 juni 1846 – 1 oktober 1930) was de zoon van Silvio Drigo, een advocaat. Zijn moeder, een Lupati van adel, was actief in de politiek.

Op vijfjarige leeftijd kreeg Riccardo Drigo zijn eerst pianolessen van een familievriend, de Hongaar Antonio Jorich. 10 jaar oud, was hij een lokale beroemdheid als pianist. Op het conservatorium van Venetië studeerde hij bij Antonio Buzzolla. In 1864 studeerde Riccardo Drigo af aan het conservatorium en kreeg hij werk als repetitie-pianist aan het Garibaldi Theater in Padua. De ervaringen die hij daar mee op deed leidden al gauw tot werkzaamheden als operadirigent.

In 1878 was de directeur van de St. Petersburg Imperial Theaters, Baron Karl Karlovich Kister, bij een uivoering van Donizetti's L'elisir d'amore onder Drigo’s dierctie. Kister was zo onder de indruk dat hij Riccardo Drigo een conract van een half jaar aanbood om in de Sint Petersburg de Keizerlijke Italiaanse Opera te dirigeren. Hij zou er tot 1919 blijven, wel met de toestemming om elk jaar drie maanden in Italië te dirigeren. Riccardo Drigo werd nauw bevriend met collega Anton Rubinstein, ze konden samen tot diep in de nacht piano blijven spelen.

In 1886 werd Riccardo Drigo belast met het componeren en dirigeren van de balletten in de Keizerlijke Sint Petersburg Theaters. Hij werkte daarbij veel samen met de balletmeesters Lev Ivanov en Marius Pepita.

In 1889 nam Riccardo Drigo zijn intrek in het Sint Petersburg Grand Hotel, hij zou er 30 jaar blijven wonen. In deze tijd ontwikkelde hij een nauwe vriendschap met Pyotr Ilyich Tchaikovsky, die bezig was met het componeren van het ballet Doornroosje voor Marius Petipa. Riccardo Drigo dirgieerde talloze uitvoeringen van Doornroosje en ook van de Notenkraker. Na Tschakowski’s dood reviseerde Drigo het ballet Het Zwanenmeer. Het ging 27 januari 1895 in het Mariinsky Theater in première met de Prima ballerina assoluta Pierina Legnani in de duo-rol van Odette/Odile. Drigo’s versie van Tchaikovsky’s partituur is de definitieve editie van het Zwanenmeer gebleven, en wordt nog steeds overal op de wereld zo uitgevoerd.

In het voorjaar van 1902 werden Drigo en een groep dansers van het Keizerlijk Ballet uitgenodigd door Raoul Gunsbourg, directeur van de Opéra de Monte-Carlo om een ballet in Monte Carlo neer de zetten. Riccardo Drigo componeerde het ballet-divertissement La Côte d'Azur, op een libretto van Prins Albert I.

Omdat de Eerste Wereldoorlog uitbrak toen Riccardo Drigo in 1914 op vakantie in Italië was, kon hij twee jaar lang niet terug naar Rusland. Terug in Petrograd was de situatie daar politiek zo gewijzigd, dat normaal werken vrijwel onmogelijk was. Een emotioneel afscheid van het voormalige keizerlijke Mariinsky Theatre kon niet uitblijven, in 1919 kwam Riccardo Grico met alleen zijn collectie partituren bij zich in Italië terug.

In 1920 kreeg Riccardo Drigo een betrekking als maestro di cappella in het Teatro Garibaldi in Padua, zijn geboorteplaats, waar hij 1 oktober 1930 op 84-jarige leeftijd overleed.

Riccardo Drigo componeerde

     4 opera’s

- Flaffy Raffles, 1926

- Il garofano bianco, 1929

     11 balletten

- Le Talisman, choreografie Marius Petipa 1889

- La Flûte magique,  choreografie Lev Ivanov, 1893

- Le Réveil de Flore, choreografie Marius Petipa 1894

- Grand pièce d'occasion La Perle, gebaseerd op het danstableau La Pérégrina uit Verdi's opera Don Carlos, choreografie Marius Petipa, 1896

- Les Millions d’Arlequin (Harlequinade), choreografie Marius Petipa, 1900; een beroemd ballet met een Serenade, waarin een solo mandoline begeleid wordt|, met een Berceuse de La Columbine, speciaal geschreven voor de harpist Albert Zabel en de melodieuze Valse des alouettes.

- Côte d'Azur,  libretto Prins Albert I, 1902

- La Romance d'un Bouton de rose et d'un Papillon,  choreografie Marius Petipa, 1904

     missen

     liederen

- Notturno d'Amour voor  Beniamino Gigli, die er een wereldberoemde hit van maakte.

     80 aanvullende dansen bij bestaande balletten

- Le Corsaire Pas de Deux.

- La Esmeralda Pas de Deux.

- La Esmeralda Pas de Six.

- Diane and Actéon Pas de Deux.

- de Talisman Pas de Deux.

- de Harlequinade Pas de Deux.

- de Ocean and the Pearls Pas de Trois.

- Paquita Grand Pas Classique.

- La Fille mal gardée Pas de Deux.

     pianowerken

     7 revisies van partituren andere componisten

 

Zygmunt Noskowski (Warschau, Polen, 2 mei 1846 – 23 juli 1909) kreeg zijn opleiding viool en compositie bij Stanisław Moniuszko aan het Conservatorium van Warschau. Hij werkte als leraar aan een blindeninstituut in Warschau en vond een notenschrift voor blinden uit. Van 1864 tot 1867 studeerde hij daarna in Berlijn bij Friedrich Kiel. Na een jarenlange betrekking als stedelijk muziekdirecteur in Konstanz kwam hij in 1880 naar Warschau terug, waar hij tot zijn dood bleef.

Zygmunt Noskowski werkte als componist, docent, dirigent en journalist. Hij was hoofd van de Warschause Muziek Sociëteit van 1880 tot 1902. Hij doceerde aan het Conservatorium van Warschau. Leerlingen van hem waren Mieczysław Karłowicz, Ludomir Różycki, Grzegorz Fitelberg, Apolinary Szeluto en Karol Szymanowski.

Zygmunt Noskowski componeerde

     3 opera’s

     1 ballet

     verschillende operettes

     11 cantates

     vocale religieuze  werken

     orkestmuziek

- De Steppe, symphonisch gedicht, opus 66, 1896, zeer de moeite waard.

     kamermuziekwerken

     pianowerken

     150 liederen

        

Alexander Andreyevich Archangelsky, (Staroye Tezikovo, Penza, Rusland, 23 oktober 1846 – 16 November 1924, Praag).

Alexander Archangelsky componeerde

     Russische kerkmuziek

- Hospodie Oeslisjie (psalm 102)

- Vjeroejoe (Credo)

- Vespers, niet echt de moeite waard.

 

Carl Krill (Keulen 1846 – Apeldoorn 1927) studeerde in Keulen conservatorium piano bij Isodor Seiss en harmonie en compositieleer bij Ferdinand Hiller.

Carl Kill vestigde zich in Nederland, trouwde en kreeg 9 kinderen
Vanaf 1871 woonde en werkte hij in Zeist als pianoleraar en directeur en dirigent van de afdeling Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst.

Carl Krill verhuisde naar Utrecht. In de jaren 1894-1896 was hij dirigent van het Utrechts Studenten Orchest.

Zijn gehele archief bevindt zich bij zijn achterkleindochter Margaret Krill (musicus en musicoloog).

Carl Krill componeerde:

     1 orkestwerk

     4 kamermuziekwerken

- pianotrio in einem Satz, opus 23, 1878, opgedragen aan Koning Willem III, virtuoos en aangenaam

     15 (series) pianowerken

- Sechs Skizen, opus 8, voor piano 4 handig

     18 (series)liederen voor zangstem(men) en piano

     1 koorwerk

- Jung Sigurd, ballade voor solisten, koor en orkest (piano), 1888

 

Gabriel Verdalle (1847? – 1915 ?) was harpist van L’Opéra de Paris

Gabriel Verdalle componeerde 87 werken

     werken voor harp

- 2de impromptu in A groot, opgedragen aan mevrouw Effie Douglas-Putnam, een juweeltje.

     andere kamermuziekwerken

 

Carl Joachim Andersen (Kopenhagen, Denemarken, 29 april 1847 - Bagsværd bij Kopenhagen, 7 mei 1909) Andersen was de zoon van fluitist Christian Joachim Andersen (geboren in 1816). Net zoals zijn jongere broer Vigo (1852-1895, ook fluitist) kreeg hij les van zijn vader. Al als kind speelde hij met succes in het Deens theater Casino, begeleid door de jonge harpist Frantz Pønitz. Vanaf zijn 13de jaar tot het jaar 1868 was hij de eerste fluitist in het orkest van Kopenhagen onder leiding van Niels Gade.

In 1869 kwam hij in dienst van het Koninklijke Deense Hofkapel als fluitist. In 1878 reisde hij naar Sint-Petersburg waar hij in dienst kwam van het Sint-Petersburg Philharmonisch Orkest. In 1881 ging hij naar Berlijn, waar hij solofluitist werd in het orkest van Bilse. In 1882 was Joachim Andersen medeoprichter van het uit leden van het orkest van Bilse gevormde nieuwe orkest. Hij werd dan ook de eerste solofluitist van dit orkest. In Berlijn speelde hij ook bij de Koninklijke Duitse Opera. Joachim Andersen ging ook steeds meer dirigeren. Zo leidde hij acht jaar lang de zomeruitvoeringen van de Berliner Philharmoniker in Scheveningen.

Als gevolg van een verlamming van zijn tong hield in 1893 zijn werk als fluitist op. Joachim Andersen keerde terug naar Kopenhagen en ging daar componeren en dirigeren. In 1897 richtte hij een orkestschool op, waar hij leider en dirigent was. Joachim Andersen was een zeer gewaardeerde docent en dirigent. In 1905 werd hij door de Deense koning Christiaan IX van Denemarken tot ridder geslagen in de Orde van de Dannebrog.

Joachim Andersen componeerde

     Dansen

     Marsen

- Eremars voor koning Christian X (Kong Christian X honnørmarch)

     67 werken voor fluit solo en fluit met piano

- 8 delen fluitetudes op het hoogste niveau, worden nog steeds veel gebruikt.

- Acht miniaturen, opus 55, voor fluit en piano, concrete schilderstukjes

- Fünf leichtere Stücke,  opus 56, voor fluit en piano, voor wie de miniaturen te lastig vindt

     pianowerken

 

Ignacio Cervantes Kawanagh (Havana, Cuba, 31 juli 1847 – 29 April 1905) werd als wonderkind opgeleid door pianist Juan Miguel Joval, daarna door componist Nicolás Ruiz Espadero in 1859, and door de Amerikaanse componist Louis Moreau Gottschalk. Gottschalk moedigde Cervantes aan om te gaan studeren aan het Conservatoire de Paris (1866–1870) bij Antoine François Marmontel en Charles-Valentin Alkan. Daar won hij eerste prijzen in compositie (1866) en harmonie (1867).

Zijn dochter María Cervantes (1885–1981), werd een bekende pianiste, componiste en zangeres.

Ignatio Cervantes componeerde

     3 opera’s

- Maledetto, 1895

     2 zarzuela’s

     orkestwerken

- Scherzo cappricioso, 1885,

     kamermuziekwerken

     vele pianowerken

- 41 Danzas Cubanas

- Fusión de Almas,  geschreven voor zijn dochter Maria.

 

Guido Papini (Camaiore, in de buurt van Lucca, Italië 1 augustus 1847 – Londen, 3 oktober  1912) studeerde viool bij Ferdinando Giorgetti aan het Muziekinstituut in Florence. Vanaf zijn 13de jaar trad hij met succes op. Guido Papini was hofviolist van de Koningin van Italië en kreeg in Lissabon het Kruis van Verdienste. Vanaf  1874 woonde hij in Engeland, waar hij altviool speelde in strijkkwartetten en veelvuldig optrad als vioolsolist bij concerten van symfonieorkesten.

Van 1893 tot 1896 was Guido Papini viooldocent aan de Koninkelijk Ierse Muziekacademie in Dublin.

Guido Papini componeerde 200 werken, waaronder:

     2 concerten

     40 (series) kamermuziekwerken (meest voor viool en piano)

- kwartet voor vier altviolen

     4  (series) solowerken voor viool

- vioolmethode in 4 delen, opus 57

- L’archet: a Technical Work for the Practice of the Different Bowings Most in Use, opus 118

     8 transcripties (meest voor viool en piano)

 

Chiquinha (Francisca Edwiges Neves) Gonzaga (Rio de Janeiro, Brazilië, 17 october 1847 –  28 februari 1935) haar moeder was een mulattin, dochter van een slaaf, en haar vader José Neves Basileu Gonzaga, een rijke blanke officier. Chiguinha Gonzaga kreeg een goede schoolopleiding en studeerde piano in Rio de Janeiro bij José de Sousa Lobo en de Portugese pianist Napoleão dos Santos. In 1863, 16 jaar oud, trouwde Chiguinha Gonzaga met de rijke 8 jaar oudere marineambtenaar Jacinto Ribeiro do Amaral. Hij keurde haar muzikale carrière af, en ze scheidde van hem op haar 20ste, nadat ze haar tweede kind had gekregen. Ze was de eerste vrouw in Brazilië die een wettige scheiding voor elkaar kreeg.

Vanaf 1969 speelde Chiguinha Gonzaga als eerste vrouwelijk Braziliaanse muzikant piano in de   muziekgroep O Choro do Calado. Vanaf  1876 leefde ze een tijd samen met  ingenieur João Batista de Carvalho. Om haar kinderen te ondersteunen vond ze werk als pianolerares. Haar eerste operette  “A corte na roça”, uitgevoerd in het Teatro Príncipe Imperial op 17 januari 1885, leverde haar de bijnaaam ‘de vrouwelijke Offenbach” op. In 1885 dirigeerde Chiguinha Gonzaga als eerste vrouwelijke dirigent in Brazilië het theaterorkest en het harmonieorkest van de militaire politie. Vanaf 1899  trok de dan 52-jarige  Chiguinha Gonzaga op met de 16-jarige Portugees João Batista Fernandes Lage, die tot haar dood haar metgezel zou blijven.

Chiguinha Gonzaga componeerde

     77 operettes en theatermuziekwerken

- Zizinha maxixe, 1895. De Tango O Gaúcho hieruit, gebaseerd op de volksdans corta-jaca, werd een bestseller .

- Forrobodó, operette, 1912, kreeg 1500 uitvoeringen.

     57 walsen,

     34 polka’s

     42 tango’s

     andere dansen en marsen

- Ô abre-alas, 1899, prototype van de “carnavalsmars”, populair in de twintiger jaren

     140  liederen

     320 pianowerkjes

- Fado de Coimbra

www.chiquinhagonzaga.com

 

August Friedrich Martin Klughardt (Köthen, 30 november 1847 – Roßlau, 3 augustus 1902) kreeg op 10-jarige leeftijd piano- en muziektheorielessen bij Eduard Thiele in Dessau. Vanaf 1866 studeerde hij aan de Hochschule für Musik Carl Maria von Weber in Dresden.

Vanaf 1867 werkte hij respectievelijk als kapelmeester van het stedelijk theater in Poznań, het stedelijk theater Neustrelitz, het stedelijk theater Lübeck, het hoftheater Weimar (1869-1873) en in 1873 opnieuw in Neustrelitz. De samenwerking met Franz Liszt in Weimar was voor zijn muzikale ontwikkeling belangrijk. Vanaf 1880 was hij directeur aan het stedelijk theater in Neustrelitz.

In 1882 werd hij op aanbeveling van zijn oude leraar Thiele hofkapelmeester te Dessau. Hij hield deze functie tot zijn overlijden. Behalve Parsifal heeft hij alle muziektheaterwerken van Richard Wagner in Dessau uitgevoerd. Het leidde tot een samenwerking met de Festspielstad Bayreuth, waarbij musici en zangers werden uitgewisseld.

Met het plotselinge overlijden van Klughardt op 3 augustus 1902 kwam in Dessau een einde aan een tijdperk van meer dan 100 jaar waarin een componist als chef-dirigent het orkest leidde.

August Klughardt componeerde

     4 opera's,

     5 symfonieën,

     4 concerten

     9 andere werken voor orkest

     2 oratoria,

     3 cantates

     3 koorwerken

     9 kamermuziekwerken

- Schilflieder, 5 fantasiestukken voor hobo, altviool en piano opus 28 - naar gedichten van Nikolaus Lenau, 1872

- Strijkkwartet in F grote terts, opus 42, omstreeks 1883

- Pianokwintet in g kleine terts, voor piano, 2 violen, altviool en cello, opus 43, omstreeks 1883

     2 series liederen

 

Henri (Marie-Eugène-Henri) (Fouques)-Duparc (Parijs, 21 januari 1848 –  Mont-de-Marsan, Landes, 12 februari 1933), studeerde als kind piano bij César Franck aan het Jezuïeten College in het Vaugirard district en was later een van de eerste compositieleerlingen van César Franck. Hij zat in militaire dienst tijdens de Frans-Pruissische Oorlog. Vlak daarna, op 9 november 1871 trouwde hij met de Schotse Ellen MacSwinney. In hetzelfde jaar richtte hij met zijn vrienden, waaronder Camille Saint-Saëns en Romain Bussine, de Société nationale de musique op, waarvan hij zelf secretaris werd.

Rond 1880 begon hij lichamelijk achteruit te gaan, vanwege een zenuwziekte ("neurasthenia"), die hem vanaf 1885 het componeren belemmerde en hem tot zijn dood in 1933 parten bleef spelen. Henri Duparc onderging in 1924 een operatie aan zijn oog wegens groene staar, die mislukte, waardoor hij gedeeltelijk blind werd. Henri Duparc is begraven op het kerkhof Père Lachaise in Parijs. Een plein in het 17e arrondissement in Parijs, nabij de 'Rue de Levis' is als eerbetoon naar hem vernoemd.

Henri Duparc componeerde

     1 opera

     1 motet

     orkestwerken

     1 kamermuziekwerk

     17 liederen voor zangstem en piano (sommige ook georkestreerd)

- Chanson triste , 1868, gedicht van Jean Lahor

- Romance de Mignon,  opus 2, nr. 3, 1869, Tekst Victor Wilder, gebaseerd op “Kennst du das Land” van Goethe, voor zangstem en piano

- L'Invitation au voyage, 1870, gedicht van Charles Baudelaire, fantastisch getoonzet

- Extase, 1874, gereviseerd 1884, tekst van Jean Lahor, over de bitterzoete troost van de dood

- Phidylé, 1889, tekst Leconte de Lisle (georkestreerd 1892)

     10 (series) pianowerken

 

Sir (Charles) Hubert (Hastings) Parry (Bournemouth, 27 februari 1848 – Knight’s Croft (Sussex),7 oktober 1918) stamde uit gegoede kringen. Hij was de jongste van zes kinderen van Thomas Gambier Parry (1816–1888), schilder en kunstverzamelaar, en Isabella Fynes-Clinton (1816–1848). Zijn moeder overleed twaalf dagen na zijn geboorte. Zijn  vader hertrouwde in  1851 en kreeg nog eens zes kinderen. Hubert Parry studeerde aan Exeter College te Oxford rechten en moderne geschiedenis. Van 1870 tot 1877 was hij verzekeringsadviseur bij Lloyd’s in Londen. In 1872 trouwde hij met Lady Elizabeth Maude Herbert (1851–1933). Ze kregen twee dochters. Hubert Parry bleef naast zijn verzekeringswerk muziek studeren: bij Henry Hugo Pierson  in Stuttgart en William Sterndale Bennett en de pianist Edward Dannreuther in Londen.

In 1884 werd Parry benoemd aan het Royal College of Music te Londen waar hij tot zijn dood bleef werken. Hij werd in 1895 directeur van het conservatorium. In 1900 werd hij hoogleraar muziek te Oxford. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was Hubert Parry voorzitter van de commissie Music in Wartime.

In de herfst van 1918, liep Hubert Parry de Spaanse Griep op tijdens de beruchte wereldwijde epidemie. Hij overleed, 70 jaar oud, op Knightscroft, Rustington, West Sussex. Hubert Parry is begraven in de St Paul’s kathedraal.

Hubert Parry componeerde

     9 toneelmuziekwerken

     3 oratoria

     9 services

     15 andere kerkelijke werken

- De Profundis, 1891, een zetting van Psalm 130 voor sopraan, 12 koorstemmen en orkest.

     11 anthems

- I was glad,  Coronation Anthem  (naar Psalm 122)

     20 orkestwerken

- pianoconcert, 1880

- Symfonische variaties, 1897

- Elegy for Brahms, 1897

- From Death to Life, symfonisch gedicht, 1914

     wereldlijke werken voor solisten, koor en orkest

- Prometheus Unbound, naar een gedicht van Shelley, 1880

- Blest Pair of Sirens, 1887

     30 (series) kamermuziek

     60 koorwerken (partsongs)

- Songs of Farewell, 1916-1918, hét meesterwerk en muzikaal testament van Hubert Parry.

- Jerusalem, 1916 naar het gedicht van William Blake, een patriottistisch lied dat jaarlijks luidkeels door het publiek wordt meegezongen tijdens de Last Night of the Proms.

     50 (series) liederen voor zangstem en piano

     kerkliederen

- Dear Lord and Father of Mankind, veel gezongen kerklied

     35 (series) pianowerken

     9 (series) orgelwerken

- Fantasie en Fuga in G grote terts, opus 188, 1913

 

Henricus Anastasius (Henri) Viotta  (Amsterdam, 16 juli 1848 – Montreux, 17 februari 1933) was de zoon van arts-musicus  Joannes Josephus Viotta, pianist, organist, zanger en componist van veel bekende volksliedjes op teksten van Jan Pieter Heije. Zijn moeder was een uitstekende pianiste. Henri Viotta  kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn vader en daarna op de muziekschool van Wilhelmus Smits. Toen Henri Viotta tien jaar was hoorde hij Tannhäuser van Richard Wagner en dat maakte diepe indruk. Toen hij 11 jaar was, overleed zijn vader. In 1861 gingt Henri Viotta cello studeren en nam hij compositielessen bij Richard Hol. Hij speelde als 13-jarige cellist al mee in het orkest van de Maatschappij Caecilia. In 1864 studeerde hij aan conservatorium in Keulen cello en piano en compositie bij Ferdinand Hiller. In 1865 kwam Henri Viotta terug naar Nederland, Hij werd muziekdocent en studeerde ondertussen aan de Rijksuniversiteit Leiden rechtsgeleerdheid. In 1877 promoveerde hij op het proefschrift ”Het auteursrecht van de componist.”

Henri Viotta vestigde zich als advocaat in Amsterdam. Daarnaast werkte hij als muziekrecensent voor verschillende dagbladen

In 1883 richtte hij de Wagner-vereniging op, waarvan hijzelf  directeur werd. Ook werd hij directeur van diverse andere muziekverenigingen: zangvereniging Excelsior, Maatschappij Caecilia (1889). In 1889 richtte hij het Maandblad voor Muziek op. Henri Viotta werd hij muzikaal medewerker van De Telegraaf en trad hij op als vaste medewerker van De Gids. Op 4 april 1897 trouwde Henri Viotta met de zangeres Leonie Henriëtte Wilson. Henri  Viotta was van 1896 tot 1919 directeur van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag en was in 1904 de oprichter van het Residentie Orkest. Hij was daarvan dirigent en directeur tot 1917. In 1918 overleed zijn vrouw. Op 27 december 1919 trouwde Henri Viotta met Alice Beatrix Prager.

In 1920 vestigde Henri Viotta zich in Clarens in Zwitserland. Later verhuisde hij naar Montreux, waar hij in 1933 stierf. 

Henri Viotta componeerde

     6 orkestwerken

     1 mis

     1 cantate

     1 kamermuziekwerk

     12 liederen voor zangstem en piano

 

Benjamin Louis Paul Godard (Parijs, 18 augustus 1849 – Cannes, 10 januari 1895) studeerde aan het conservatorium van Parijs compositie bij Napoléon-Henri Reber en viool bij Henri Vieuxtemps. Vanaf 1887 was hij docent aan het conservatorium.

Godard stierf op 45-jarige leeftijd in Cannes (Alpes-Maritimes) aan tuberculose en werd bijgezet in het familiegraf in Taverny in het Franse departement Val-d'Oise.

Benjamin Godard componeerde

     8 opera's

- Jocelyn – de "Berceuse" hieruit blijft Godard's bekendste compositie, 1888;

- Dante, 1890

- La Vivandière, l893

     5 symfonieën,

- Symphonie légendaire, 1886

     4 concerten

- Concerto romantique voor viool en orkest,1876

     8 andere orkestwerken

- Scènes écossaises (Schotse scènes), opus138, driedelig werk voor hobo en orkest, 1892; hij heeft er ook een arrangement voor hobo en piano van gemaakt

1. Légende pastorale

     4 werken voor zangstemmen, koor en orkest

     21 (series) kamermuziekwerken

- vioolsonate nr. 1 in c kleine terts, 1866

- vioolsonate nr. 2 in a kleine terts, opus 2, 1866

- vioolsonate nr. 3 in g kleine terts, opus 9, 1869, met twee scherzi

- vioolsonate nr. 4 in As, opus 12, 1872, ineressant, origineel en energiek

- strijkkwartet nr. 1 in g kleine terts,opus 33, 1876,

- strijkkwartet nr. 2 in A grote terts, opus 37, 1877,

- strijkkwartet nr. 3 in A grote terts, opus 136, 1892, dromerig en zachtmoedig;

     125 (series) pianowerken

- 20 pièces, opus 58, 1881

- Barcarolle nr.2, opus 80

- Barcarolle nr.3, opus 105

- Scènes italiennes, opus 126, 1891

     koorwerken

     100 liederen

     6 villanelles

 

Ernesto Köhler (Modena, Italië, 4 december 1849 - Sint-Petersburg, 17 maart 1907) kreeg zijn eerste lessen van zijn vader Venceslau Joseph (Giuseppe V.) Köhler (1809–1878), die fluitist was aan de hertogelijke hofkapel in Modena. Ernesto Köhler werd in 1869 fluitist bij het Karlstheater in Wenen. In 1871 vertrok hij naar Sint-Petersburg, om te gaan spelen in het Balletorkest van de Tsaar en fluitles te gaan geven. Na de dood van zijn collega Césare Ciardi werd Köhler zijn opvolger: solofluitist van de keizerlijke opera. Hij gold als de beste fluitist van zijn tijd. Ernesto Köhler was ereburger van Sint-Petersburg en bleef zijn nieuwe vaderland trouw tot aan zijn dood in 1907.

Köhler componeerde 100 werken voor dwarsfluit

     1 opera

     1 ballet

     11 orkestwerken met fluit

     1 fluitkwartet

     47(series) werken voor piano en fluit

- Bonsoir, Romance, opus 29

- Valse Espagnole, opus 57

     9 andere kamermuziekwerken

     23 (series) studiewerken en etudes

     arrangementen