Componisten

vanaf 1850

 

Theophil Franz Xaver Scharwenka (Szamotuły, Polen, 6 januari 1850 – Berlijn, 8 december 1924) was de zoon van een architect. Na enkele jaren verhuisde het gezin naar Poznań, 30 km van Xavers’ geboortestad, waar Xaver Scharwenka zijn eerste muzieklessen kreeg en naar het gymnasium ging. In 1865 ging Xaver Scharwenka naar Berlijn. Daar studeerde hij aan de Neuen Akademie der Tonkunst piano bij Theodor Kullak, en muziektheorie en compositie bij Richard Wüerst en Heinrich Dorn. Van 1868 tot 1874 werkte hij aan de Akademie zelf als pianoleraar en vanaf 1869 als pianist, dirigent en componist aan de Zangakademie in Berlijn. In 1877 trouwde Xaver Scharwenka met Zenaide Gouseff, een Russische leerlinge van hem in Berlijn. Ze kregen vijf kinderen.

In 1881 richtte samen met zijn broer Philipp Scharwenka, ook muziekpedagoog en componist, het Scharwenka-Konservatorium op, dat in 1893 met de pianoschool van Karl Klindworth tot het Klindworth-Scharwenka-Konservatorium samengevoegd werd. De school bestond tot 1960 en had op zijn hoogtepunt 62 leraren en 1000 studenten.

In 1891 verhuisde Scharwenka voor zeven jaar naar New York en richtte er zijn tweede conservatorium, het Scharwenka Conservatory of Music op. In 1898 kwam Xaver Scharwenka in Duitsland terug. In 1901 werd hij lid van de senaat van de Königlich Preußischen Akademie der Künste in Berlijn. In 1896 kreeg hij een eredoctoraat van de Universiteit van Tennessee. In 1924 overleed Xaver Scharwenka volkomen onverwacht aan de complicaties van een blindedarmoperatie. Xaver Scharwenka was de oom van componist en organist Walter Scharwenka.

Xaver Scharwenka componeerde

     2 opera’s

     4 pianoconcerten

- pianoconcert nr. 1 in bes kleine terts, opus 32, 1876, opgedragen aan Franz Liszt

- pianoconcert nr. 2 in c kleine terts, opus 56, 1881

- pianoconcert nr. 3 in cis kleine terts, opus 80, 1889

- pianoconcert nr. 4 in f kleine terts, opus 82, 1906

     3 andere orkestwerken

     2 werken voor solisten, koor en orgel

     2 werken voor mannenkoor

     3 series liederen

     7 kamermuziekwerken

     45 (series) pianowerken

- pianosonata nr. 1 in cis kleine terts, opus  6, 1872

- pianosonata nr. 2 in Es grote terts, opus 36, 1878, eigen geluid, rijk aan melodische invallen;

 

Luise Adolpha Le Beau (25 april 1850, Herrenstrass 9, Rastatt, Groothertogdom Baden, Duitsland 25 april 1850 – Baden-Baden, 17 juli 1927) was de enige dochter van officier Wilhelm Le Beau en Karoline Barack. Nadat vader Wilhelm in 1856 als Generaalmajoor met pensioen ging, wijdden beide ouders zich voornamelijk aan de opvoeding van hun dochter. Het gezin zou nooit meer uit elkaar gaan. Wilhelm, ook muzikant en componist gaf Luise vanaf haar vijfde jaar pianoles. Op haar 16de sloot Luise Le Beau haar opleiding op een privé meisjesinstituut af en besloot zichzelf aan de muziek te wijden.

Ze kreeg pianoles van Hofkapelmeester Wilhelm Kalliwoda in Karlsruhe en zangles van Anton Haizinger. In 1868 maakte ze haar debuut als concertpianiste in Karlsruhe.

In 1873 studeerde ze een zomer bij Clara Schumann in Baden-Baden. In februari 1874 maakte Luise Le Beau een concertreeks door Nederland en deed daarbij Utrecht, Arnhem, Rotterdam, Den Haag en tenslotte Amsterdam aan.

Het gezin Le Beau verhuisde naar München, daar kon Luise in 1876 privé compositie studeren bij Josef Gabriel Rheinberger en contrapunt, harmonie en vormleer bij Ernst Melchior Sachs. In 1877 ondernam ze een uitgebreide concertreis door Beieren. Vanaf 1878 werkte Luise Le Beau ook als muziekrecensent en schreef ze recensies voor de Allgemeine Deutsche Musik-Zeitung in Berlijn. In dat jaar richtte ze ook haar privé muziekcursus voor muziek en theporie voor dochters uit de ontwikkelde klasse op. In dat jaar en de jaren daarna ontmoette Luise tal van vooraanstaande componisten en muzikanten zoals Frans Liszt, Johannes Brahms en Joseph Joachim. Ze werd ook lid van de Stichting Mozarteum in Salzburg. In 1885 trok het gezin naar Wiesbaden en in 1890 naar Berlijn. Luise kon in de Koninklijke Bibliotheek in Berlijn goed studeren en werken en gaf later haar werken daar ook in bewaring. Ze schreef er een studie over haar voorgangers: „Componistinnen des vorigen Jahrhunderts“, met bijzondere aandacht voor Marianna von Martines.

In 1893 verhuisde het gezin voor het laatst terug naar Baden-Baden. Vader Wilhelm stierf in 1896 aan een hersenbloeding en Luise was zo’n beetje continu mantelzorger voor haar demente, bijna blinde moeder, tot die in 1900 overleed. Daarna kon weer op reis. In 1902 ontmoette ze in Rome de zanger Alfredo de' Giorgio. Van 1906 tot 1910 was ze in Italië. In 1910 schreef ze haar biografie "Lebenserinnerungen einer Komponistin", waarin ze uitgebreid uitweidde over haar frustraties over vooroordelen en onbegrip.Haar laatste levensjaren bracht Luise Le Beau door met reizen, lesgeven, componeren, concerteren en het schrijven van muziekrecensies voor het Badener Badblad. Luise Le Beau overleed in Baden-Baden op 77-jarige leeftijd en is naast haar ouders op de stadsbegraafplaats begraven. In de stad Baden-Baden is de muziekbibliotheek naar Luise Le Beau vernoemd en werd er 23 juli 2004 een herinneringsplakette aangebracht bij de Lichtenaler 46.

Luise Le Beau componeerde

     2 opera’s

- Hadumoth, opus 40, voor solisten, koor en orkest, naar J. V. von Scheffel: Ekkehard, 1891

- Der verzauberte Kalif, opus 55, 1902, naar Wilhelm Hauff, opgedragen aan haar ouders.

     5 orkestwerken

- Symfonie in F grote terts, opus 41, 1894

     18 koorwerken

- Ruth, opus 27, Bijbelse scenes voor solisten, koor en orkest, 1883

     20 (series) kamermuziekwerken

- Vier Stücke, opus 24, voor violoncello en piano, 1881

     46 liederen

     20 (series) pianowerken 

 

Jan Hanuš (Hans) Sitt, (Praag, Tsjechië, 21 september 1850 – Leipzig, 10 maart 1922) was de zoon van vioolbouwer Anton Sitt (oorspronkelijk Szytt). Hans Sitt was in feite muzikaal een wopnderkind, maar zijn ouders kozen er voor dat niet te exploiteren. Zij zorgden voor een normale opvoeding en een normale schoolopleiding. Daarna studeerde Hans Sitt van 1861 tot 1867 aan het conservatorium in Praag viool bij Moritz Mildner (1812–1865) en Antonín Bennewitz en compositie bij Josef Krejči (1821–1881) en Johann Friedrich Kittl (1806–1868). Hans Sitt kreeg in 1867 op zijn 17de jaar al een aanstelling als als concertmeester van het Breslau operaorkest in Wrocław. In Chemnitz werkte hij als concertmeester van 1873 tot 1880.. Vanaf 1884 tot 1921 was Hans Sitt docent viool aan het Conservatorium van Leipzig. In die tijd was hij ook dirigent van de Bach Vereniging Leipzig en speelde hij altviool in het Brodskykwartet. Ook was hij in Leipzig actief in het openbare muziekleven.

Hans Sitt componeerde

     6 vioolconcerten

     10 andere concertante werken

     6 andere orkestwerken

- orkestratie van Edvard Grieg’s Noorse Dansen, opus 35, in 1881 voor 2 piano’s geschreven

     17 (series) koorwerken

     68 (series) kamermuziekwerken, voornamelijk sonates voor strijkinstrument en piano

- 6 Albumblätter (6 Albumbladzijden) voor altviool en piano, opus 39, 1891; in 1896 ook voor viool en piano gezet, fraaie herfsttinten.

     8 (series) liederen

     8 (series) pianowerken

     16 (series) werken voor een strijkinstrument solo

- Practische Violaschule,  1891, wordt nog steeds gebruikt. .

 

Karel Komzák II (junior) (Praag, Bohemen, 8 november 1850 – Baden bei Wien, 23 april 1905) was de zoon van componist en dirigent Karel Komzák I (senior). Hij kreeg van jongsaf les van zijn vader, die het orkest van het Provinciale Instituut voor Psychische Ziekten leidde. Van 1861 tot 1867 studeerde Karel Komzák jr. aan het Státní konservatori in Praag viool bij Moritz Mildner en Anton Bennewitz.

Karel Komzák ging viool, flügelhorn en grote trom spelen in de Militaire muziekkapel van het Infanterie-Regiment nr. 11, die zijn vader ook dirigeerde. In 1870 werd hij (20 jaar oud) dirigent aan het Landestheater te Linz. In 1871 werd hij kapelmeester bij de Militaire muziekkapel van het Karinthië-Maroičič Infanterie-Regiment nr. 7 te Innsbruck en dirigent van het mannenkoor "Liedertafel".

In 1877 trouwde Karel Komzák met Eugenie von Reichardt Hardtland, de dochter van zijn regimentscommandant en een getalenteerde pianiste. Op 20 mei 1878 werd hun zoon Karel geboren.

Vanaf 1883 was Karel Komzák kapelmeester van de Militaire muziekkapel van het Infanterie-Regiment nr. 84 te Wenen en vanaf 1892 in Mostar. Dit militaire orkest was de vertegenwoordiger van Oostenrijk tijdens de wedstrijd van militaire muziekkapellen bij de Wereldtentoonstelling van 1889 in Parijs. In september 1892 vertrok Karel Komzák naar Baden bei Wien, waar hij vanaf 26 april 1893 kapelmeester van het kuurorkest werd. In 1896 beëindigde hij zijn militaire dienst.

Het publiek was gesteld op Karel Komzák, omdat hij een sympathieke uitstraling had en een vriendelijke mens was.

Op paaszondag 23 april 1905 overleed Komzák in Baden bij een poging op een startende trein te springen, waarbij hij onder de wielen van de trein kwam. Hij kreeg een eregraf op de centrale begraafplaats van Wenen (Wiener Zentralfriedhof, Gruppe 32 A, Nummer 13)

In 1924 werd in het 22 district van Wenen, Donaustadt, de "Konzákgasse" naar hem benoemd.

Zijn zoon Karel Komzák III was ook componist en dirigent.

Karel Komzák II componeerde

     1 opera

     1 operette

     40 orkestwerken

     88 werken voor harmonie-orkest

     4 (series) kamermuziekwerken

- Volksliedchen und Märchen voor strijkkwartet, opus 135 voor strijkkwartet, ook bewerkt voor andere bezettingen

     4 werken voor mannenkoor

 

Zdeněk (Antonín Václav) Fibich (Všebořice, 21 december 1850  ̶  Praag, 15 oktober 1900) werd als kind van een boswachter geboren in Tsjechië. Zijn eerste muzieklessen kreeg hij van zijn moeder, die zijn muzikaal talent zag en hem tot muziekstudie aanzette. Op 14-jarige leeftijd dirigeerde Fibich al een door hem zelf geschreven symfonie en een jaar later maakte hij een begin met de compositie van een opera. Fibich studeerde in Praag bij zijn landgenoot Bedřich Smetana, in Leipzig aan de universiteit, en verder in Parijs en Mannheim. Hij volgde ook lessen in Polen, en in Vilna (Litouwen). In 1874 keerde hij terug naar Praag, om zich aan compositie te wijden. Tussen 1875 en 1878 had hij werk als tweede kapelmeester aan het Prozatímní divadlo (Voorlopig Theater) en had van 1878 tot 1880 de leiding over het koor in de Russische Kerk in Praag. In 1899 werd Fibich operadramaturg van het Národní Divadlo (Nationale Theater) in Praag.

Fibichs eerste echtgenote stierf twee en een half jaar na hun huwelijk. Fibich hertrouwde daarna met haar zuster, een zangeres aan de Prozatímní divadlo en aan het Nationale Theater (Tsjechisch: Národní Divadlo). Voor haar schreef Fibich de rol van drie operafiguren, waarvan de bekendste die van Isabel is in Nevěsta mesinská. Het huwelijk hield niet lang stand. Zijn derde vrouw, Anežka Schulzová, had grote invloed op zijn composities. Zij schreef het libretto schreef voor zijn opera Šárka en inspireerde hem tot het schrijven van veel werken.

Na zijn dood werd hij in Vyšehrad bijgezet.

Vladimír Hudec publiceerde in 2001 een thematische catalogus in Praag, waarbij de werken Zdeněk Fibich voorzag van een H-nummer

Zdeněk Fibich componeerde meer dan 600 werken

     7 opera's,

- Nevěsta messinská (“De bruid van Messina”), opus 18, H 268, tragische opera in drie bedrijven. Tsjechisch libretto  van Otakar Hostinský, gebaseerd op Friedrich Schiller's toneelstuk Die Braut von Messina,  1883. Fibich’s meest Wagneriaanse opera. De twee zonen van de overleden vorst van Messina, Don Manuel (bariton) en Don César (tenor},  zijn beiden verliefd op Beatrice (sopraan), die uiteindelijk hun zuster blijkt de zijn. In het derde bedrijf laat de een na de ander het leven, wat wel tot een mooie treurmars leidt.

     1 operette

     9 scenische en concertante melodrama's.

     20 toneelmuziekwerken

- A Night at Karlštejn Castle, opus 26, H 284, ouverture voor het toneelstuk van Jaroslav Vrchlický

     1 mis

     3 symfonieën,

- Symfonie nr. 1 in F grote terts, opus 17, H 270, 1883

- symfonie nr. 2 in Es Grote terts,  opus 38, H 304, 1893

     13 andere orkestwerken

- De Jood uit Praag, H 153, 1871, orkestouverture, kleurrijke instrumentatie, suggestieve beeldenrijkdom

- Othello, opus 6, H 177, 1873

- Zaboj, Slavoj en Ludek, opus 37, H 179, 1873, symfonisch gedicht

- Toman en de bosnimf, opus 49, H 197, 1875, een steeds terugkefrende slepende melancholieke melodie wordt afgewisseld met beweeglijke tussenspelen, indrukwekkend; verfijnde instrumentatiekunst

- De storm, opus 46, H 259, 1880, symfonisch gedicht naar het toneelstuk “The Tempest” van William Shakespeare

- Lente, opus 13, H 262, 1881, symfonisch gedicht

- tijdens de schemering idylle, symfonische gedicht, opus 39, H 306, 1893

- Indrukken van het land, orkestsuite, opus 54, 1898

     16 kamermuziekwerken

- 2 strijkkwartetten

- 1 pianotrio

- 1 pianokwartet

- 1 pianokwintet

- Selanka, idylle voor klarinet (of viool) en piano (of orkest), opus 16, 1879

     liederen

     2 symphonische gedichten

     400  pianowerken,

- Poem, Zdenek Fibichs’ bekendste werk

- 376 “Nálady, dojmy a upomínky” (stemmingen, indrukken en herinneringen), waaronder

Adagio en Furiant

 

Ruperto Chapí y Lorente (Villena, Alicante, Spanje, 27 maart 1851 – Madrid, 25 maart 1909) was de zoon van barbier Joseph Chapí, ook een enthousiast muziekliefhebber, die zijn zoon zijn eerste muzieklessen gaf. Ruperto kreeg vanaf zijn zevende jaar les op fluit en klarinet. Op zijn negende speelde hij kornet in de Banda de Música Nueva de Villena en op zijn vijftiende werd hij dirigent van de Banda Municipal de Alicante. Een jaar later ging hij in Madrid aan het Real Conservatorio Superior de Música studeren, harmonie bij Miguaan el Galiana en compositie bij Pascual Emilio Arrieta y Corera. In 1872 kreeg hij een eerste prijs in compositie.

Hij werd na de studie dirigent van de muziekkapel van het Regimiento de Artillería, speelde als kornettist in theaterorkesten en componeerde zijn eerste zarzuela Abel y Caín. Daarna studeerde hij nog aan het Conservatoire national supérieur de musique te Parijs en in Rome aan de Academia Espańola de Bellas Artes.

In 1878 kwam hij terug naar Spanje en had veel succes met zijn zarzuela's.

In 1893 was hij medeoprichter van de auteursvereniging Sociedad de Autores Espańola.

Ruperto Chapí componeerde

     7 opera’s

     155 zarzuela's

- Las hijas del Zebedeo, zarzuela in twee bedrijven, 1889, libretto José Estremera. De Romanza Carceleras voor sopraan uit het tweede bedrijf wordt nogal eens gezongen.

     3 operettes

     1 oratorium

     1motet

     4 orkestwerken

     9 (series) werken voor banda

     5 kamermuziekwerken

     1 werk voor zangstem en piano

     2 orgelwerken

 

Paul Marie Théodore Vincent d'Indy (Parijs, 27 maart 1851 – 2 december 1931) was afkomstig uit een Zuid-Franse adellijke Rooms-katholieke familie in de Ardčche. Zijn moeder, Mathilde de Chabrol-Crussol overleed een maand na zijn geboorte. Vincent d’Indy kreeg in eerste instantie pianoles van zijn grootmoeder, gravin Rézia d'Indy, en daarna van 1862 tot 1865 privélessen piano bij Antoine François Marmontel en Louis Diémer. Vanaf 1865 kreeg hij les van Alexandre Lavignac in compositie en harmonieleer.

Na zijn schooltijd studeerde hij eerst rechten, maar hij ging al snel piano, cello, cornet en slagwerk spelen in verschillende orkesten. Op zijn 19de moest hij tijdens de Frans-Pruisische oorlog dienen in de Nationale Garde om Parijs te verdedigen, maar toen de vijandelijkheden over waren, ging Vincent d’Indy meteen weer muziek maken en componeren.

Door zijn vriend Duparc leerde hij César Franck kennen en werd hij diens leerling. Van 1873 tot 1875 studeerde hij aan het Conservatoire de Paris. In 1875 werd hij organist van de kerk St. Leu-La-Foret in Parijs, 2e paukenist in het orkest van Édouard Colonne en tot 1878 koordirigent van de Concerts Colonne.

In 1875 trouwde Vincent d’Indy met zijn Duitse nicht Isabelle de Pampelonne

In 1894 stichtte Vincent d’Indy samen met Charles Bordes en Alexandre Guilmant de Schola Cantorum de Paris. In 1900 werd hij directeur van deze school. Naast zijn werk als docent aan de Schola Cantorum was hij van 1912 tot 1929 ook professor aan het Conservatoire national supérieur de musique in Parijs. Tot zijn leerlingen behoorden Albert Roussel, Albéric Magnard, Joseph Canteloube (die ook een boek over hem schreef), Arthur Honegger, Darius Milhaud, Leevi Madetoja, Joaquín Turina, Erik Satie en Edgar Varčse.

Vincent D'Indy was een overtuigd monarchist, en was in de Dreyfus affaire een geharnst tegenstander van Emile Zola. Hij was een antisemiet, maar dat maakt niets uit in zijn vriendschappen met Joodse collega’s zoals Paul Dukas.

Vincent d’Indy componeerde

     7 opera’s

- Fervaal, action musicale in drie bedrijven met een proloog, opus 40, 1895,  libretto van de componist zelf, gebaseerd op het lyrische gedicht Axel  van de Zweedse schrijver Esaias Tegnér. De ouverture wordt nogal eens als een apart orkeststuk uitgevoerd.

     3 toneelmuziekwerken

     20 orkestwerken

- Wallenstein, opus 12, 1881, drie symfonische ouvertures naar  Friedrich Schillers’ drama-trilogie Wallenstein, in 1799 voltooid.

- Lied voor cello of altviool en orkest, opus 19, 1884, serene hymne

- Istar, opus 42, symfonische variaties, 1896

- Symfonie nr. 2 in Bes grote terts, opus 57, 1903,

- Souvenirs, opus 62, symfonisch gedicht “ŕ la mémoire de la Bien-Aimée”, 1906, gewijd aan het leven van zijn vrouw, waarin zowel het grote verdriet om haar verlies als de mooie herinneringen aan haar leven te horen zijn. Prachtig.

     2 werken voor harmonieorkest

     10 koorwerken

     16 kamermuziekwerken

- Suite dans le style ancien in D voor trompet, twee fluiten en strijkkwartet met contrabas ad libitum, opus. 24, 1886

- Trio in Bes grote terts voor klarinet of viool, cello en piano, opus 29, 1887, een muzikale ontdekkingsreis door sprankelende, uitheems klinkende klankwerelden;

- Sextuor in Bes voor twee violen, twee altviolen en twee celli, opus 92, 1927

     21 (series) pianowerken

     3 orgelwerken

 

Sir Frederic Hymen Cowen (Kingston, Jamaica, 29 januari 1852 – Londen, 6 oktober 1935) was het vijfde en laatste kind van Frederick Augustus Cohen and Emily Davis. Op zijn vierde jaar kwam Frederik naar Engeland waar zijn  vader penningmeester werd van Her Majesty’s Opera. De familie woonde op  11 Warwick Crescent, Londen,  in de wijk “klein Venetië".  Frederic’s eerste lessen kreeg hij van Henry Russell, zijn eerste gepubliceerde compositie Minna-waltz werd uitgegeven toen hij zes jaar oud was en zijn eerste gepubliceerde operette Garibaldi op zijn achtste. In 1860 ging Frederic studeren bij Julius Benedict (piano) en John Goss (compositie). Op dertienjarige leeftijd speelde hij op een concert naast het pianoconcert in d klein van Felix Mendelssohn ook zijn eigen pianotrio in A groot met Joseph Joachim als violist.

Daarna studeerde hij in Leipzig bij Moscheless, Reinecke en Richter. Voordat hij terugging naar Londen studeerde Frederic Cowen ook  nog korte tijd in Berlijn, waar hij leerling was van Kiel aan het Stern conservatorium.
In 1888 volgde hij Arthur Sullivan op als dirigent van de London Philharmonic Society. Van 1896-1899 dirigeerde hij het Hallé Orchestra in Manchester en tot 1912 het Liverpool Philharmonic Orchestra. Frederic Cowen trouwde op 23 juni 1908 met de 30 jaar jongere Frederica Gwendoline Richardson. In 1911 werd hij geridderd en kreeg eredoctoraten van de universiteiten van Cambridge en Edinburgh. Op 6 oktober 1935 stierf Frederic Cowen. Hij werd begraven op de Joodse begraafplaats Golders Green. Zijn vrouw overleed in Hove, Sussex, in 1971.

Frederik Hymen Cowen componeerde

     6 symfonieën,

- symfonie nr. 3 in c klein,”Scandinavische”, zijn belangrijkste werk;

     2 pianoconcerten

     22 andere orkestwerken

- The Butterfly’s Ball, concert ouverture (1901)

     4 opera's

     4 operettes

     3 oratoria

     13 cantates’s

- Sleeping Beauty, 1885, charmant

- Water Lily,  1893

     10 andere werken voor zangstem(men) en orkest of instrumenten

 

Henrique Oswald (Rio de Janeiro, 14 april 1852 – 9 juni 1931) was de enige zoon van de Zwitserse immigrant Hans Jakob Oswald (1805–1878) en de Italiaanse Carlota Cantagalli (1816–1903). Zijn moeder was pianodocente. 12 jaar oud gaf Henrique Osald zijn eerste recital. Op zijn 16de ging hij in 1868 in Europa studeren in Florence bij Giuseppe Buonamici.

Henrique Oswald  werd viceconsul, eerst in Le Havre, later in Genua. In 1881 trouwde hij met Laudômia Gasperini (1859–1932), dochter van Ottavio Gasperini (directeur van Opvoedingsinstituur Florence) en Maria Bombernard. Ze kregen vijf kinderen.

Van   1903 tot 1906 was hij directeur van het Instituto Nacional de Música in Rio de Janeiro. Daarna wat hij tot 1911 weer in diplomatieke dienst. Vanaf 1911 deed hij alleen nog maar aan muziek: lesgeven en componeren.

Henrique Oswald componeerde

     14 kamermuziekwerken

     3 opera’s

     1 symfonie

     3 concerten

     4 andere orkestwerken

     10 werken voor strijkorkest

     32 (series) pianowerken

     6 werken voor een ander solo-instrument

     2 werken voor zangstem en orkest

     5 liederen

     1 mis

     1 requiem

     9 motetten voor koor a cappella

www.oswald.com.br

 

Sir Charles Villiers Stanford (Dublin, 30 september 1852 – Londen, 29 maart 1924) was de enige zoon van John James Stanford, een prominente Ierse advocaat en zijn tweede vrouw, Mary Henn. John James was een begaafde amateurcellist en baszanger, Mary was een begaafde amateurpianiste. Al jong kreeg Charles Stanford viool-, piano-, orgel- en compositieles. Op negenjarige leeftijd gaf hij al pianorecitals en componeerde hij zijn eerste werken, Op grond van zijn muzikaal talent werd hij toegelaten tot de Universiteit van Cambridge op zijn 18e, waarna hij al spoedig tot organist van Trinity College werd benoemd.

Van 1874 tot 1876 studeerde hij in Duitsland compositie bij Carl Reinecke aan het Konservatorium in Leipzig en bij Friedrich Kiel aan de Universiteit van de Kunsten in Berlijn.

In April 1878 trouwde Charles Stanford tegen de zin van zijn vader met Jane Maria Watton, Jennie, een zangeres die hij had ontmoet toen hij in Leipzig studeerde. In 1883 kregen ze een dochter, Geraldine May en in 1885 een zoon, Guy Desmond.

Vanaf 1883 doceerde Charles Stanford compositie aan het Royal College of Music in Londen en vanaf 1887 werd hij professor in de muziek aan de Universiteit Cambridge. Belangrijke studenten van hem zijn onder andere Ralph Vaughan Williams en Gustav Holst. Op 17 maart 1924 kreeg hij een beroerte en op 29 maart overleed hij thuis in Londen, omringd door vrouw en kinderen. Hij werd gecremeerd in Golders Green Crematorium op 2 april en zijn as werd een dag later begraven in Westminster Abbey.

Charles Villiers Stanford componeerde 200 werken:

     10 opera's

     8 toneelmuziekwerken

     7 symfonieën

- Symfonie nr. 3 in f kleine terts, "Ierse", opus 28, 1887

     11 concerten,

     4 ouvertures

     6 rapsodieën

     6 andere orkestwerken

     85 (series) religieuze werken voor koor, (solisten) (en orkest).

- The Resurrection voor tenor, gemengd koor, orkest en orgel, opus 5, 1875

- Morning, Evening and Communion Service in Bes grote terts, opus 10,  1878, voor solisten, koor, orgel (en orkest) 

× Nunc Dimitis, indrukwekkend, uitgevoerd tijdens de afscheidsdienst van Margaret Thatcher in de Westminster Abbey, april 2013

- I heard a voice from heaven, anthem voor gemengd koor a capella, 1886

- Three Latin Motets, opus 38, 1905

1. Justorum animae

- Stabat Mater, symfonische cantate voor solistenkwartet, gemengd koor en orkest, opus 96, 1906, vijfdelig werk met twee orkestrale delen.

     12 andere (series) koorweken

- 8 Part-Songs voor vierstemmig gemengd koor, opus 119, op gedichten van Mary Elizabeth Coleridge)

Nr. 3 The blue bird

     28 kamermuziekwerken

     88 liederen of liedercycli voor zangstem en piano

- Songs of Faith, 6 liederen voor zangstem en piano, opus 97, de eerste drie op tekst van Alfred Tennyson,  de andere op tekst van Walt Whitman, 1906

4. To the soul, op tekst van Walt Whitman

- Bible Songs, opus 113, 6 liederen, voor 1 zangstem en orgel, of voor vier stemmen ad libitum, 1909

     5 pianowerken,

     22 orgelwerken of series orgelwerken

 

Joseph Corneille Hubert Hollman (Maastricht, 16 oktober 1852 – Parijs, Frankrijk, 31 december 1926) werd geboren in de Spilstraat te Maastricht als zoon van de koopman Karel Lodewijk Hubert Hollman en Elisabeth Hubertina Theodora Rutten. Joseph Hollman bleek al jong erg muzikaal en kreeg celloles van André Keller. Op 14-jarige leeftijd ging hij naar het conservatorium van Brussel, waar hij les kreeg van Adrien François Servais en later van Isidore Deswert. Daarnaast studeerde hij compositie bij François-Joseph Fétis en Charles Bosselet en sloot in 1870 op 18-jarige leeftijd zijn Brusselse conservatoriumopleiding af met een eerste prijs. Daarna had hij nog celloles in Parijs bij Léon Jean Jacquard en in Sint-Petersburg bij Karl Davidoff.

Zijn eerste openbare concert was in 1875 in Parijs. Daarna volgden succesvolle concerten in heel Europa en Amerika. In de jaren 1880 was Joseph Hollman solocellist van de Meiniger Hofkapelle, onder leiding van Hans von Bülow. In 1887 keerde hij terug naar Parijs, waar hij tot zijn dood bleef wonen. In 1923 maakte Joseph Hollman op 70-jarige leeftijd een nog concertreis naar Japan en China. Aan het einde van die reis schonk hij zijn Stradivarius uit 1691, ooit eigendom van Filips Damiaan Lodewijk van Hoensbroeck, bisschop van Roermond, aan de Japanse keizer.

Joseph Hollman werd in zijn geboortestad Maastricht onder groot eerbetoon begraven op de Algemene Begraafplaats Tongerseweg. In dat jaar 1926 werd een gedenkplaat aangebracht op zijn geboortehuis (Spilstraat 4).

Joseph Hollman componeerde

     4 orkestwerken met cello

     38 (series) kamermuziekwerken met cello

- Quatre Pičces,   voor cello en piano, 1884

4.  Ręverie,

- Quatre Morceaux faciles, voor cello en piano, 1887, opgedragen aan Dom Luiz 1, koning van Portugal.

3. Pourquoi?

 

Francisco de Asís Tárrega y Eixea (Villarreal, 21 november 1852  ̶  Barcelona, 15 december 1909) verloor op jonge leeftijd bijna zijn gehele gezichtsvermogen toen hij in een irrigatiekanaal viel. Naar aanleiding van dit ongeluk verhuisde de familie naar Castellon zodat hij muziekles kon krijgen. Zijn eerste muziekleraren, Eugeni Ruiz en Manuel Gonzalez, waren blind..

Francisco Tárrega begon in 1874 een studie compositie bij Pascual Emilio Arrieta y Corera aan het Madrileense conservatorium. Tegen 1880 gaf hij gitaarles (onder anderen aan Emilio Pujol en Miguel Llobet) en gaf hij concerten, waarbij hij bekend stond als de "Sarasate van de gitaar". Later vestigde hij zich in Barcelona, waar hij in 1909 stierf.

Francisco Tárrega componeerde

     217 werken voor gitaar, met inbegrip van arrangementen en transcripties

- Grand valse: de Nokia Tune-ringtone, de melodie die op alle mobieltjes van Nokia wordt gebruikt als standaard ringtone, en daarom ’s werelds meest gehoorde melodie; 

- Recuerdos de la Alhambra,d

- Capricho árabe

- Danza Mora

- Lagrima

- Adelita

- Fantasía sobre La traviata de Verdi  (Fantasie over Verdi's La traviata)

 

Adolf (Andrey) Schulz-Evler (Radom, Polen, toen deel van het Russische keizerrijk, 12 december 1852 – 15 mei 1905) studeerde aan het conservatorium va Warschau bij Rudolf Strobl piano en bij Stanisław Moniuszko compositie en daarna nog bij Carl Tausig in Berlijn. Van 1884 tot 1904 doceerde hij aan de muziekschool van Kharkiv .

Adolf Schulz-Evler componeerde

     52 (piano)werken en liederen

- Rhapsodie Russe, opus 14, voor piano en orkest

- Arabesques over "An der schönen blauen Donau", opus 12, variaties voor piano over de beroemde wals van Johann Strauss. Dit is zijn bekendste werk, door veel pianisten uitgevoerd en opgenomen. 

 

Amanda Maier (Landskrona, Zweden, 20 februari 1853 – Amsterdam, 15 juli 1894) werd als tweede kind geboren in de hoeve Westerströmska gĺrden in het muzikaal gezin van de Duitse banketbakker Carl Edvard Maier en Elisa Sjöbeck. Haar vader leerde haar viool en pianospelen Op haar 16de ging Amanda Maier viool, orgel, piano, cello, compositie, harmonieleer en directie studeren aan het Conservatorium van Stockholm. In 1872 studeerde ze af. Ze was de eerste gediplomeerde vrouwelijke dirigent. Ze begon al direct concerten te geven in Zweden en daarbuiten. Daarnaast studeerde ze met een beurs van 1000 rijksdaalders, die ze in Zweden vanwege haar talent gekregen had verder compositie in Leipzig bij Carl Reinecke en Ernst Richter en viool bij Engelbert Röntgen, de concertmeester van Gewandhausorchester.

Zij trouwde in 1880 in Landskrona met Julius Röntgen, zoon van haar leraar Engelbert. Ze gingen in Amsterdam wonen en kregen twee kinderen: Julius Röntgen jr. (die zijzelf vioolles gaf) en Engelbert Röntgen. Hun huis was een ontmoetingsplaats voor de bekendste Europese musici uit die tijd. Ze maakte kennis met Edvard Grieg, Anton Rubinstein, Clara Schumann, Joseph Joachim en Johannes Brahms.

Na de geboorte van Engelbert bleef het sukkelen met haar gezondheid. Vanaf 1887 leed ze aan tuberculose en bracht een tijd door in sanatoria in Nice en Davos.

Amanda Maier componeerde

     2 concerten

- vioolconcert , groots. Markant en knap geschreven.

     7 kamermuziekwerken

- Schwedische Weisen und Tänze für Violine und Clavier, 1882, opgedragen aan Frans Coenen, samen met Julius Röntgen gecomponeerd. Gecultiveerde folklore

- pianokwartet, vierdelig werk voor piano, viool, altviool en cello, 1894

     4 werken voor voor  zangstem en piano

     3 (series) pianowerken

- 25 preludes

- “Zweigespräche”, samen met Julius Röntgen gecomponeerd

 

Ciprian Porumbescu (Cyprian Gołęmbiovski) (Shepit, Oblast Tsjernivtsi, Oekraďne, 14 oktober 1853 – Ciprian Porumbescu (Stupca), 6 juni 1883) was een zoon van de Roemeense orthodoxe theoloog, schrijver en volksliederenverzamelaar Iraclie Gołęmbiovski (1823-1896). De naam Gołęmbiovski werd in 1881 door de Oostenrijkse overheid veranderd in Porumbescu.

Ciprian Porumbescu ging in Suceava naar school en leerde zichzelf viool spelen. Later (1859-1864) kreeg hij in Suceava vioolles van Karol Mikuli en Simon Maier, en muziektheorie van Stefan Nosievici. Van 1873 tot 1877 studeerde hij Grieks-orthodoxe theologie in Tsjernivtsi, en daarnaast piano en cello en ook nog compositie en koordirectie bij Isidor Vorobchievici.

Van 1879 tot 1880 studeerde hij als Ciprian Porumbescu geschiedenis aan de Universiteit van Wenen en onder de naam Cyprian Gołęmbiovski harmonieleer, compoisitie, viool en piano aan het Konservatorium der Gesellschaft der Musikfreunde Wien bij Anton Bruckner, Franz Krenn en Eusebie Mandicevschi

In 1881 en 1882 was Ciprian Porumbescu muziekleraar in Brașov en dirigent van het kerkkoor van de Grieks-orthodoxe Sint Niklaaskerk in Şeii (Roemenië) en van de Roemeense turn- en zangvereniging in Brașov.

Naast zijn werk als componist en dirigent schreef Ciprian Porumbescu ook poëzie en krantenartikelen. Hij overleed op 29-jarige leeftijd in Stupca, waarvan de naam ter herinnering aan de nationale held werd omgedoopt tot Ciprian Porumbescu..

Ciprian Porumbescu componeerde 250 werken:

     1 operette

     1 theatermuziekwerk

     orkestwerken

     kerkmuziek

     kamermuziekwerken

- Balada voor viool en piano, smeltend;

     liederen

- Trei culori, het vroegere Romeinse volkslied

- Himni i Flamurit, het Albanese volkslied

     pianowerken

Rapsodia română

 

Joseph Sickman Corsen (Curaçao 13 december 1853 – 8 oktober 1911) kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn vader Daniël Corsen. Jo Corsen zat de hele avond piano te spelen en meestal zijn eigen composities. Op zijn dertiende gaf hij al een pianoconcert. In de herinnering van de Antillianen was Jo Corsen vooral een Antilliaanse dichter die aan de wieg van de Papiamentstalige poëzie stond. Jo Corsen was daarnaast Kapelmeester van de schutterij, dirigent van diverse orkesten en organist van de Nederlands Hervormde Israëlitische Gemeente van 1885 tot 1911..

Jo Corsen componeerde onder meer

     1 vocaal werk

     pianowerken

‒ 6 walsen

‒ 1 mazurka

‒ 3 danza’s

‒ 3 polka’s

‒ 5 andere pianowerken 

 

André Charles Prosper Messager (Montluçon, 30 december 1853 – Parijs, 24 februari 1929) studeerde bij onder andere Camille Saint-Saëns.  Hij volgde Gabriël Fauré op als organist in de St Sulpice. Van 1901 tot 1907 was hij werkzaam bij Covent Garden te Londen en van 1906 tot 1913 mededirecteur, samen met Leimistin Broussan, van de Opéra Garnier te Parijs.

Messager overleed in 1929 en is bijgezet op het Cimetičre de Passy, een kleine begraafplaats in Parijs in het XVIe arrondissement.

André  Messager componeerde

     30 operettes en opéra’s comique

- Madame Chrysanthčme, 1893, comédie lyrique in vier bedrijven, libretto Georges Hartmann en Alexandre André, naar de semi-autobiografische roman Madame Chrysanthčme (1887) van Pierre Loti. De opera speelt zich af in Nagasaki. Franse tegenhanger van Puccini's madame Butterfly

- Veronique, opéra comique in drie bedrijven, libretto Georges Duval  en Albert Vanloo, 1898 Messagers meest succesvolle en bekende operette;

- Fortunio,  comédie lyrique in 4 bedrijven, libretto Gaston Arman de Caillavet en Robert de Flers, gebaseerd op Alfred de Musset's komedie Le Chandelier,  1907.

     10 balletten

     1 symfonie

     1 orkestballade

     3 werken voor viool en piano

     1 werk voor klarinet en piano

     11 werken voor piano

 

Juliusz Zarębski (Schytomyr, nu Oekraďne, toen Polen, 3 maart 1854 – 15 september 1885) kreeg zijn eerste pianolessen van zijn moeder, daarna van verschillende docenten in Schytomyr. Van 1870 tot 1872 studeerde hij aan het Conservatorium Wenen bij Joseph Dachs piano en bij Franz Krenn compositie. In 1874 werd hij leerling van Franz Liszt, eerst in Rome en later in Weimar.

In 1879 trouwde Juliusz Zarębski met de Duitse pianiste Johanna Wenzel (later Janina Zarębska, † 1928), ook een pianoleerling van Franz Liszt.

Vanaf 1880 doceerde hij aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel.

In 1885 stierf Juliusz Zarębski, 31 jaar oud, aan tuberculose.

Juliusz Zarębski componeerde

     3 liederen op teksten van Adam Mickiewicz and Włodzimierz Wolski.

     36 pianowerken

     2 kamermuziekwerken

- pianokwintet in g kleine terts, opus 34, 1885, opgedragen aan Franz Liszt; verrassend mooi.

 

Edgar (Pierre Joseph) Tinel (Sinaai-Waas, stadsdeel van Sint Nilkaas, België, 27 maart 1854 – Brussel, 28 oktober 1912) was de zoon van de onderwijzer-koster-organist van de plaatselijke kerk. Hij kreeg van zijn vader zijn eerste muzieklessen, en daarna volgde hij lessen bij Ferdinand van Durme. Vervolgens studeerde hij aan het Koninklijk Conservatorium van Brussel onder meer piano bij Louis Brassin, orgel bij Alphonese Mailly en compositie bij François-Auguste Gevaert. Hij sloot zijn studie af met een unaniem toegekende eerste prijs. Die stelde hem in staat een carričre als pianovirtuoos te beginnen. Optredens volgden in eigen land, maar ook over de grens. werd een bewonderde pianist, maar legde zich op den duur liever toe op componeren.

Edgar Tinel trouwde 1 september 1877 met dichteres Emma Coeckelbergh, afkomstig uit Sint-Niklaas. In 1881 volgde hij Jacques-Nicolas Lemmens op als directeur van het Mechels instituut voor religieuze muziek, het latere Lemmensinstituut. In 1889 werd hij inspecteur voor muziekonderricht in professor aan het Brussels Conservatorium, waarvan hij in 1908 directeur werd.

Edgar Tinel componeerde

     2 opera’s

     1 oratorium

     1 mis

     2 cantates

     2 Te Deums

     5 werken voor mannenkoor

     3 psalmzettingen

     3 orkestwerken

     1 werk voor zangstemmen en instrumenten

     7 (series) liederen

- Grafgezangen opus 22, 1879, tekst Pol de Mont, cyclus van 7 liederen somber, om niet te zeggen gitzwart

     8 (series) pianowerken

     1 orgelwerk

 

Bernardus Josephus Wilhelmus (Bernard) Zweers (Amsterdam, 18 mei 1854 – Amsterdam, 9 december 1924) werd geboren in een muzikaal gezin. Zijn vader zong, was amateurcomponist, had een muziekhandel en verkocht piano's. Bernard kwam al jong in de winkel werken, leerde pianostemmen en kreeg muziekles en kocht op zijn 14de theorieboeken om als autodidact met het componeren van kamermuziek te beginnen. Een muzikant die vaak in de zaak kwam, een zeker J.W. Wilson nam Bernard Zweers in 1881 mee naar Berlijn om de premičre van de Ring des Nibelungen van Wagner bij te wonen. Het maakte op Bernard Zweers een onuitwisbare indruk en had grote invloed op zijn muzikale ontwikkeling. Bernard Zweers wilde graag componist worden, maar zijn vader zag hem liever de zaak overnemen. Bernard zette zijn eigen aspiraties door en na de voltooiing van zijn eerste symfonie mocht hij van zijn vader in de leer te gaan bij Salomon Jadassohn in Leipzig, die hem contrapunt bijbracht. Na zijn terugkeer in Amsterdam moest hij aanvankelijk in de weer met allerlei baantjes om wat geld te verdienen, maar op den duur kon hij van de muzieklessen leven. Hij was van 1885 tot 1922 leraar harmonie en compositie aan het Amsterdamsch Conservatorium en de Muziekschool van Toonkunst. Hij heeft vele Nederlandse componisten opgeleid. Hij was getrouwd met zangeres Dora de Louw en voor haar schreef hij een groot aantal liederen.

Bernard Zweers componeerde

     3 symfonieën

- Symfonie nr. 3 in Bes grote terts "Aan mijn Vaderland" (1888 - 1890) is zijn verreweg beste compositie, een Nederlandse pendant van Smetana's Má Vlast, op een niveau dat hij in geen van zijn andere werken heeft kunnen evenaren.

     1 toneelmuziekwerk

     1 Ouverture

     1 mis

     4 cantates

     5 andere vocale werken

     enkele kamermuziekwerken

- Andante voor vier violen,  1884

 

Alfredo Catalani (Lucca, 19 juni 1854 – Milaan, 7 augustus 1893) was afkomstig uit een familie van musici en begon zijn studie in Lucca. Een van zijn leermeesters daar was Fortunato Magi, een oom van Giacomo Puccini. Voor verdere studie ging hij naar Parijs en Milaan, waar hij zijn studie aan het Conservatorio "Giuseppe Verdi" in Milaan afrondde bij Antonio Bazzini.

Hij werd lid van de literaire vereniging Scapigliature in Milaan. Als eindexamenwerk voor het conservatorium componeerde hij de eenakter La Falce (1875). Deze had meteen succes, waardoor hij naam kreeg en financieel onafhankelijk werd.

In 1886 volgde hij Amilcare Ponchielli op als hoogleraar compositie aan het Conservatorio "Giuseppe Verdi".

Hij stierf op het hoogtepunt van zijn carričre, 39 jaar oud aan tuberculose. Hij werd begraven in het Cimetero Monumentale in Milaan. Dirigent Toscanini vernoemde zijn dochter naar Catalani’s meest succesvolle opera: Wally.

Alfredo Catalani componeerde

     6 opera’s

- Loreley (1890)

- La Wally (1892), opera in vier bedrijven, libretto Luigi Illica, gebaseerd op een roman van Wilhelmine von Hillern (1836-1916), Die Geyer-Wally, Eine Geschichte aus den Tyroler Alpen. De opera “La Wally” bevat Catalani’s beroemdste aria "Ebben? Ne andrň lontana."

     9 orkestwerken

- Il Mattino, sinfonia romantica ("de morgen", romantische symfonie), 1874

- Contemplazione, 1878

- Scherzo in A grote terts, 1878

- Ero e Leandro, symfonische gedicht 9 mei 1885

- Andantino in A grote terts

     6 kamermuziekwerken

     10 werken of series werken voor piano

     10 liederen of series liederen

     1 mis

     2 werken voor zangstem(men) en orkest

     2 koorwerken

 

Leoš Janáček (Hukvaldy, Tsjechië, 3 juli 1854 – Ostrava, 12 augustus 1928) werd geboren in een klein dorp in het oosten van Moravië als zoon van een dorpsschoolmeester en ging studeren in Praag, Wenen en Leipzig.

In 1881 trouwde Leos Janacek met een zestienjarige pianoleerlinge, Zdeňka Schultzová (1865-1938), en keerde met haar terug naar zijn geboortestreek om zich in Brno te vestigen. Daar stichtte hij een orgelschool die in 1919, toen Brno in het onafhankelijke Tsjecho-Slowakije lag, als conservatorium werd voortgezet. Aan die opleiding doceerde hij compositie. Het huwelijk was ongelukkig; zowel dochter Olga (5 augustus 1882 - 26 februari 1903; overleden aan typhus) als zoon Vladimir (overleden 1890) stierven jong. Leoš en Zdeňka, wanhopig en kinderloos, vervreemdden van elkaar, maar waren door hun huwelijk toch tot elkaar veroordeeld.

In 1916 leerde de componist een jonge, getrouwde vrouw kennen, Kamila Stösslová, die de 62-jarige met een nieuw elan bezielde. In de laatste twaalf jaar van zijn leven schreef Leoš Janáček een groot aantal werken, die gekenmerkt worden door frisheid, inventiviteit en energie, en sterke invloeden van de Slavische volksmuziek vertonen. Leoš Janáček schreef de laatste jaren elke dag een brief aan haar. Er zijn meer dan 700 brieven tergugevonden. Leoš Janáček overleed in Ostrava op 74-jarige leeftijd.

Leoš Janáčeks' werken hebben een JW-nummer, afkomstig van Nigel Simeone, John Tyrrell, en Alena Němcová: Janáček’s Works, 1997.

Leoš Janáček componeerde

     9 opera’s

- Šárka, 1881,

- Jenůfa, opera in drie bedrijven, libretto van de componist, gebaseerd op het toneelstuk Její pastorkyňa (“haar stiefdochter”) van Gabriela Preissová, 21 januari 1904, één van de eerste opera’s geschreven in proza. De opera is opgedragen aan zijn overleden dochter Olga. Hoofdpersonen zijn weduwe Kostelnička (sopraan), haar stiefdochter Jenůfa (sopraan) en haar neven Števa (tenor) en Laca (tenor)

- Výlety páně Broučkovy (De reizen van meneer Broucek naar de maan en naar de vijftiende eeuw), satirische opera, gebaseerd op twee Tsjechische romans; verschillende librettisten, vooral František Sarafínský Procházka, 23 april 1920;

- Kát'a Kabanová, opera in 3 bedrijven, libretto Vincenc Červinka, gebaseerd op het toneelstuk De storm van Alexander Ostrovsky, 23 november 1921. De opera was behoorlijk geďnspireerd door Janáček’s liefde voor Kamila Stösslová, aan wie het werk ook werd opgedragen. Het verhaal gaat ook over een liefdeskoppel dat door omstandigheden niet bij elkaar kan zijn. Katja (sopraan) is getrouwd met Tichon (tenor), die gedomineerd wordt door zijn tirannieke moeder Kabanicha (alt). Boris Grigorjevič (tenor), die bij zijn oom, de koopman Dikoj (bas) inwoont, is hopeloos verliefd op Katja. Katja vertelt aan Varvara (mezzosopraan), vondeling-pleegdochter van Kabanicha, dat de verliefdheid wederzijds is. Varvara, zelf weer in een relatie verwikkeld met haar leraar Kudrjaš, wil haar wel helpen. Als Tichon op zakenreis gaat , brengt Katja tien nachten met Boris door. Wanneer het verhaal na Tichons terugkomst uitlekt, wilt van Kabanicha Katja streng straffen en stuurt Dikoj zijn neef naar Siberië. De geleifden nemen afscheid, waarna katja in de rivier springt en verdrinkt.

- Het sluwe kleine vosje, 1924, laat ons de vluchtigheid van het nbestaan zien door de ogen van een vos. Sir Charles Mackerras arrangeerde er een prachtige orkestsuite uit;

- Vĕc Makropulos (De zaak Makropulos), opera in drie aktes, 1925, libretto van de componist, naar het toneelstuk van Karel Čapek, geniaal libretto en geniale muziek;

- Z mrtvého domu (Uit het dodenhuis), opera in drie bedrijven, libretto door de componist vertaald en aangepast naar de roman van Dostoyevski, 1928.

     1 ballet

     22 orkestwerken

- Idyll, voor strijkorkest, JW 6/3, 1888

- Lachische Dansen, 1889/90,

- Adagio voor orkest, JW 6/5, 1890

- Žárlivost (jaloezie), JW 6/10, 1894, oorspronkelijk geschreven als ouverture voor de opera Jenufa, maar Janácek besloot uiteindelijk de ouverture daarvan te schrappen, en zette het in al een apart concertstuk. Sprankelend meesterwerkje.

- The Fiddler’s Child, ballade voor orkest, JW 6/14, 1912, gebaseerd op Tsjechische poëzie.

- Ballade van Blaník, ,symfonisch gedicht in as kleine terts, JW 6/16, 1920, gebaseerd op een verhalend gedicht van Jaroslav Vrchlický, opgedragen aan Tomáš Garrigue Masaryk, president van Tsjecho-Slowakije toentertijd; het gedicht is gebaseerd op een Tsjechische legende over een klein leger dat in de berg Blanik slaapt. De dichter geeft er een pacifistische draai aan.

-Taras Bulba, 1915 - 1918, rapsodie naar het boek van Gogol over de gelijknamige kozakkenhoofdman.

- Sinfonietta, opus 60, 1926, Janaceks bekendste orkestwerk, door Slavische volksmuziek geďnspireerd.

- Dunaj (De Donau), symfonisch fragment, JW 9/7, 1923–1928, Janácek heft het nooit af kunnen krijgen, er zijn dus verschillende “afgemaakte” versies.

- vioolconcert Putování dušičky (de omzwerving van een kleine ziel), begonnen in 1926, nooit voltooid. Drie manuscripten met schetsen bleven bewaard en Leos  verwerkte materiaal in de opera Uit een dodenhuis, en theatermuziek bij  het toneelstuk Schluck und Jau. Miloš Štědroň en Leoš Faltus reconstrueerden daaruit het vioolconcert in 1988.  

     3 concerten

- Concertino, JW 7/11, 1925, voor piano en kamerorkest, lekker bits.

     6 religieuze werken

- Otče náš (“Onze Vader”) JW 4/29, 1901 gereviseerd in 1906 voor tenor, koor en piano (harmonium) of harp en orgel.

- Zdrávas Maria (“Ave Maria”) JW 2/14, 1904, voor tenor (of sopraan), koor, viool en orgel of piano

- Glagolitische Mis, 1927, buitengewoon Slavisch  op Oudkerkslavische tekst.

     2 cantates

- Elegie na smrt dcery Olgy (Elegie over de dood van mijn dochter Olga), JW 4/30, 1904, voor tenor, koor en piano, geschreven om de dood van zijn dochter, Olga Janáčková te gedenken, op tekst van de Russische docente Marfa Nikolayevna Veveritsa, vriendin van Olga;

     40 (series) koorwerken

- Zes Moravische koren, JW XII/2, 1877 en 1884, zes liederen van Antonin Dvořák voor twee zangstemmen en piano, gearrangeerd voor gemengd koor.

- Kačena divoká (de wilde eend), JW 4/18, 1885, voor koor a cappella

- Tři sbory mužské (3 mannenkoorwerken), JW 4/19, 1888 voor mannenkoor

2. Holubicka (De kleine duif),

     14 kamermuziekwerken

- Pohádka (sprookje: 'The Story of Tsar Berendyey'), voor cello and piano, JW 7/5, vierdelige sonate, 1910; gereviseerd 1912, 1923

- vioolsonate in gis klein, JW 7/7, 1913, gereviseerd 1921; het tweede deel "Ballade", een juweeltje van romantische tederheid.

- strijkkwartet nr. 1, Kreuzersonate, 1923, strijkkwartet naar het verhaal van Tolstoi, brandende dramatiek

- strijkkwartet nr. 2, Intieme Brieven, 1928, strijkkwartet opgedragen aan Kamila Stösslová, de jonge vrouw die gedurende zijn laatste twaalf, zeer productieve levensjaren, Janáčeks muze was. Muziek die brandt, schuurt, pijn doet en altijd weer indruk maakt. De altvioolpartij, oorspronkelijk geschreven voor een viola d'amore speelt als personificatie van Kamila in het hele werk een belangrijke rol.

- Mladí (Jeugd), 1924, sextet voor blazers

- Pochod modráčků (Mars van de Blauwe Jongens), JW 7/9, 1924, voor piccolo en piano, terugblik op zijn schooltijd in het klooster Sankt Thomas in Altbrünn, waar de jongens een blauw schooluniform moesten dragen.

- Concertino, septet voor piano, 2 violen, altviool, klarinet, fagot en hoorn, 1925, opgedragen aan pianist Jan Heřman. Buitengewoon expressief werkje.

- Capriccio voor piano met alleen de linkerhand en kamerensemble, 1926, geschreven op verzoek van pianist Otakar Hollmann, die in de Eerste Wereldoorlog het gebruik  zijn rechterhand had verloren

     16 (series) liederen voor zangstemmen en instrument(en)

- Dagboek van een verdwenene, 1918

- Kinderrijmpjes (Říkadla) 1, JW 5/16,1925, 8 liederen voor 3 zangstemmen, klarinet en piano

- Kinderrijmpjes (Říkadla) 2, JW 5/17, 1925, introductie en 18 liederen voor 9 stemmen en 10 instrumenten: fluiten, fagotten, klarinet, bas, piano, ocarina en speelgoedtrommel.

     25 pianowerken.

- Op een overwoekerd pad ,1901-1912, intieme dertiendelige klaviercompositie; de avonden in zijn geboortedorp Hukvaldy worden in pianonoten geschetst; sommige delen van de compositie werden gebruikt in de verfilming van Kundera's boek "de ondraaglijke lichtheid van het bestaan". 

- Sonate ”1 oktober 1905, Van de straat”

- In de mist (Tsjechisch: V mlhách, pianocyclus, 1912, alle vier de delen van de cyclus zijn verankerd in “mistige” toonaarden met vijf of zes mollen en er speelt zich bij de voortduur maatwisseling af.

     5 orgelwerken

www.leos-janacek.org

 

Antoine Louis Joseph Gueyrand Fernand Fouant de La Tombelle (Parijs, Frankrijk, 3 augustus 1854 - Dordogne, 13 augustus 1928) kreeg als kind pianoles van zijn moeder Louise Gueyraud. Op zijn achttiende jaar nam hij privéles in piano, orgel en harmonieleer bij Alexandre Guilmant. Op het conservatorium van Parijs studeerde hij contrapunt en compositie bij Théodore Dubois. Daarna trad hij als concertorganist in heel Frankrijk op.

12 juli 1880 trouwde Fernand de La Tombelle,in Parijs met Henriette Delacoux de Marivault die onder het pseudoniem Camille Bruno als schrijfster bekend werd. Het echtpaar kreeg twee kinderen: Henry en Denise.

In 1896 was hij een van de oprichters van de Schola Cantorum in Parijs, waar jij tot 1904 docent harmonieleer was. Daarnaast hield hij zich bezig met schrijven, beeldhouwen en schilderen, kunstfotografie, muziekethnologie en astronomie.

Een plein in het 17de arrondissement van Parijs draagt zijn naam: square Fernand-de-la-Tombelle,

Fernand de La Tombelle componeerde

     2 operettes

     4 cantates

     3 oratoria

     2 missen

     5 motetten

     2 cantiques

     13 orkestwerken

     5 kamermuziekwerken

     14 koorwerken

     liederen

     5 (series) werken voor harmonium

     14 (series) werken voor orgel

 

Moritz Moszkowski (Breslau, 23 augustus 1854 – Parijs, 4 maart 1925) werd geboren in een Joodse familie. Moritz Moszowski begon zijn muziekstudie in Breslau; later studeerde hij in Dresden en Berlijn onder andere bij Theodor Kullak. Hij was zelf vele jaren leraar in Berlijn. Moritz Moszkowski was een geweldige pianovirtuoos en trad overal op. Na een succesvolle carričre als concertpianist en dirigent vestigde hij zich in 1897 in Parijs. Hij was een overtuigde Jood, ook religieus. Hij is twee keer getrouwd en kreeg twee kinderen In 1899 werd hij als lid gekozen van de Berlijnse Kunstacademie. Hij stierf in Parijs in 1925, berooid en onbekend.

Moritz Moszkowski componeerde meer dan 200 werken:

     1 opera

- Boabdil, 1892, op basis van een historisch Spaans thema.

     1 ballet

     1 symfonisch gedicht

- Jeanne d'Arc, opus19.

     2 pianoconcerten

- pianoconcerto nr. 1 in b kleine terts, opus 3, 1874, volledig in de vergetelheid geraakt en verloren gegaan, in 2014 in een Parijse bibliotheek opgedoken

- pianoconcerto nr. 2 in E grote terts, opus 59, 1897

     1 vioolconcerten

- vioolconcert in C grote terts, opus 30

     3 orkestsuites

     1 symfonie

     1 werk voor strijkorkest.

     3 andere orkestwerken

     1 werk voor orkest, koor en zangstem(men)

     suite in g kleine terts voor twee violen en piano, opus 71, het derde deel van het vierdelige werk Lento Assai is een wonderschoon gezongen vioolduet

     1 werk voor viool en piano

     3 werken voor cello en piano

     6 (series) liederen voor zangstem en piano

     1 werk voor aeolusorgel

     1 pianokwintet

     12 (series) werken voor piano vierhandig

- 4 Klavierstücke, opus 33, 1884

- Aus aller Herren Ländern, opus 23, 1879, 6 dansen uit verschillende landen

     26 (series) werken voor piano solo

- Spaanse dansen, opus 12.

- 15 Études de Virtuosité, opus 72

×Étude in F, briljant gespeeld door Vladimir Horowitz

-  Étincelles, kleine, briljante pianowerken

 

Engelbert Humperdinck (Siegburg, Duitsland, 1 september 1854 – Neustrelitz, Mecklenburg-Strelitz, 27 september 1921) was de zoon van een leraar aan het gymnasium en een dochter van een dirigent en cantor. Vanaf 1872 studeerde hij muziek aan de Rheinische Musikhochschule te Keulen. Korte tijd werkte hij als kapelmeester aan het stadtheater in die stad. Vanaf 1876 studeerde Engelbert Humperdinck aan de Königliche Musikschule te München. Van 1880 tot 1882 was hij medewerker van Richard Wagner in Bayreuth. In 1884 werd Engelbert Humperdinck docent aan de Rheinische Musikhochschule in Keulen.

In 1885 werd hij professor compositie aan het conservatorium te Barcelona. In 1890 kreeg hij een baan aan het Dr. Hoch’s Konservatorium te Frankfurt am Main, waar hij tot 1897 bleef. Hij werkte daar ook voor de Frankfurter Zeitung als muziekcriticus.

In 1900 werd hij aangesteld als leider en professor voor de compositiemeesterklas aan de Akademie der Künste in Berlijn en professor aan het Berlijnse Stern’sche conservatorium.

Engelbert Humperdinck componeerde

     8 orkestwerken

     15 opera’s

     8 muziektheaterwerken

- Hänsel und Gretel, EHWV 93 opera in 3 bedrijven, 23 december 1893, libretto Adelheid Wette en Hermann Wette, zijn bekendste werk, waarmee hij over de hele wereld succes had. De muziek is van Wagneriaanse proporties. Gretel (sopraan) heeft uiteraard een hoofdrol.

2de bedrijf, scene 2,  “Abendsegen”; duet van  Hänsel en Gretel beiden: Abends will ich schlafen gehn, gevolgd door scene 3, een pantomime van bewakende engelen; veelvuldig gearrangeerd, ook voor blokfluiten en voor koperblazers

     13  kamermuziekwerken

     3 koorballades

     92, (series) liederen voor zangstem en meestal piano

- Weihnachten (Leise weht’s durch alle Lande), tekst A. Wette voor zangstem en piano, koor ad libitum, 1898.

 

Jerónimo (Gerónimo) Giménez y Bellido (Sevilla, Spanje, 10 oktober, 1854 – Madrid, 19 februari, 1923) kreeg zijn eerste muziekles van zijn vader. Daarna studeerde hij in Cádiz bij Salvador Viniegra. Op 12-jarige leeftijd werd hij 1e violist in het orkest van het Teatro Principal.

Vijf jaren later was hij dirigent bij uitvoeringen van opera's en zarzuelas. Met een studiebeurs studeerde hij nog aan het Conservatoire national supérieur de musique te Parijs bij Delphin Alard viool en bij Ambroise Thomas contrapunt.

Terug in Spanje werd Gerónimo Giménez in 1885 dirigent aan het Teatro Apolo en later aan het Teatro de la Zarzuela alsook aan het Teatro Lírico.

In de laatste jaren van zijn leven had Gerónimo Giménez financiële problemen en was erg ziek. Een baan  aan het Madridse Real Conservatorio Superior de Música de Madrid werd hem geweigerd. 

Jerónimo Giménez componeerde

     95 zarzuela's

- La tempranica, zarzuela in 1 acte - libretto: Julián Romea

bekende aria: “La tarántula é un bicho mú malo"

     10 operette’s en opera’s

     1 symfonische werk

     3 werken voor harmonieorkest

     1 kamermuziekwerk.

 

John Philip (de) Sousa (Washington D.C., 6 november 1854 – Reading (Pennsylvania), 6 maart 1932), werd geboren als het derde van tien kinderen van het echtpaar John Antonio Sousa (geboren in Spanje uit Portugese ouders) en Maria Elisabeth Trinkhaus (geboren in Beieren). John Philip's vader was trombonist in de United States Marine Band "The President's Own" in Washington D.C. John Philip groeide op te midden van militaire muziek. Op 6-jarige leeftijd kreeg John Philip Sousa les in zang, viool, piano, dwarsfluit, cornet, bariton/eufonium, trombone en althoorn.

Op 13-jarige leeftijd zette zijn vader hem als instrumentalist in de United States Marine Band "The President's Own". In 1872 publiceerde hij zijn eerste compositie, Moonlight on the Potomac Waltzes. In 1875 stopte hij met zijn werk bij de Mariniers en speelde voortaan viool in verschillende orkesten, die hij ook dirigeerde.

Op 30 december 1879 trouwde hij met Jane van Middlesworth Bellis, die hij bij de repetities in februari van hetzelfde jaar had leren kennen.

In 1880 ging hij naar Washington D.C. terug en werd dirigent van de United States Marine Band "The President's Own". Hij bleef dirigent van dit militair orkest tot 1892. In 1891 richtte  hij een eigen civiel harmonieorkest op: Sousa's New Marine Band.

In 1932 overleed hij tijdens een repetitie met de Ringgold Band in Reading (Pennsylvania).

John Philip Sousa componeerde

     142 werken voor harmonieorkest

- 120 marsen

- Liberty Bell March, 1893, vernoemd naar een symbool uit de  Amerikaanse Onafhankelijkheidsoorlog: de Liberty Bell, een historische klok in Philadelphia. De mars is dan ook herkenbaar door het gebruik van buisklokken, die het geluid van de Liberty Bell moeten imiteren. De Liberty Bell March werd dagelijks gespeeld door de wacht bij Buckingham Palace, maar toen hij door het Britse satirische televisieprogramma Monty Python's Flying Circus werd "bevorderd" tot hun herkenningsmelodie, werd een andere mars gekozen.

De United States Marine Band speelde de Liberty Bell March tijdens de inauguraties van de presidenten Clinton (1993) en George W. Bush (2005).

- Stars and Stripes Forever , 1896 is bij wet de nationale mars van de Verenigde Staten. Het magnum opus van John Philip Sousa. De mars is berucht bij bespelers van de piccolo; in het middenstuk zit een virtuoze solo voor het kleinste instrument van het orkest.

- "The Washington Post" 1889, één van Sousa’s populairste marsen in Amerika en daarbuiten. Geschreven op verzoek van het dagblad The Washington Post.

- 4 ouvertures

- 2 instrumentale solo’s

- 12 suites

- 4 andere werken

     15 operettes

     1 schouwspel

     5 vrijmetselaarswerken