Componisten

vanaf 1860

Hugo Philipp Jakob Wolf (Windischgrätz, Slovenië, 13 maart 1860 – Wenen, 22 februari 1903) kreeg van zijn vader al vanaf zijn vierde piano- en vioolles. Van 1875 tot 1877 studeerde hij aan het Konservatorium der Gesellschaft der Musikfreunde in Wenen bij onder meer Robert Fuchs. Daar raakte hij bevriend met medestudent Gustav Mahler. Hugo Wolf integreerde de ontwikkelingen in Richard Wagners muziek in het Duitse lied. Daarbij bootst hij Richard Wagner niet na, maar  maar ontwikkelt een eigen persoonlijke taal. Hij componeerde tussen 1888 en 1891 in een recordtempo meer dan 200 liederen, die zijn betekenis als componist hebben bepaald.

Hij had een zwakke psychische gezondheid en kon weinig tegenslag verdragen. Perioden van koortsachtige creativiteit werden afgewisseld door zware depressies en writer's blocks. Hij moest in 1898 opgenomen worden in de Landesirrenanstalt in Wenen waar hij uiteindelijk krankzinnig werd en stierf.

Hugo Wolf componeerde

     1 opera

     1 toneelmuziekwerk

     1 symphonisch gedicht

     1 Italiaanse serenade

- Italienische Serenade, 1887, versie voor strijkkwartet, een swingende en subtiele compositie

- Italienische Serenade, 1892, strijkorkestversie

     1 strijkkwartet

     4 koorwerken

     8 bundels of series liederen

- Goethe-Lieder,omstreeks 1875, cyclus van 51 liederen op teksten van Johann Wolfgang von Goethe;

nr. 11. Der Rattenfänger

nr. 28. Frühling übers Jahr

- Mörike-Lieder,1888, cyclus van 53 liederen in 4 boeken op teksten van Eduard Mörike; Mörike had in zijn jonge jaren een affectie voor de mysterieuze serveerster Maria Meyer  (1802–1865), die een "duivelse" aantrekkingskracht op hem had en zijn poëzie zijn leven lang zou beïnvloeden. 12 liederen werden door Hugo Wolf georkestreerd.

Boek 1

nr. 1. Der Genesene an die Hoffnung ("Tödlich graute mir der Morgen")

nr. 7. Das verlassene Mägdlein

nr. 12.Verborgenheit

Boek 2

nr. 13. Im Frühling,

nr. 15. Auf eine Wanderung, beestachtige pianopartij.

Boek 3

nr. 31. Wo find' ich Trost

Boek 4

nr.47. Die Geister am Mummelsee, spookachtig

-  Goethe Lieder (1889), 51 liederen, waaronder  de 4 Mignon-liederen 

nr 9. Mignon IV. Kennst du das land? ontroerend

- Italienisches Liederbuch op gedichten van Paul Heyse; Twee delen; deel 1, 1891, deel 2, 1896

deel 1,

lied 1: Auch kleine Dinge können uns Entzücken

lied 11: Wie lange schon war immer mein Verlangen

CD opname: Julia Kleiter, sopraan; Christoph Prégardien,tenor; Hilko Dumno, piano Challenge Classics 72378

 

Rudolf Nováček (Novacek, Novaczek) (Bela Crkva, Servië, 7 april 1860 – Praag, 12 augustus 1929) kreeg zijn eerste muziekles van zijn vader Martin Josef Nováček en ging op school in Timişoara. Hij studeerde aan het conservatorium in Wenen bij Josef Hellmesberger jr. In 1878 studeerde hij verder bij Volkmann in Boedapest. In 1879 werd hij kapelmeester van de Militaire muziekkapel van het Infanterie-Regiment nr. 11 in Pilsen. In 1882 wisselde hij als dirigent naar de Militaire muziekkapel van het Herzegovina Infanterie-Regiment nr. 74 in Pilsen en werd opvolger van Karçel Komzák I.

In 1885 werd hij dirigent van de muziekkapel van het Infanterie-Regiment nr. 28 in Praag en maakte daar kennis met Antonín Dvořák en Pjotr Iljitsj Tsjaikovski. Ook leerde er Alma Skohoutilova kennen, waar hij mee zou trouwen.

In Timişoara nam hij op verzoek van zijn vader de muziekschool en de leerlingen over. Hij  werkte er als componist en muziekleraar. Later vertrok hij voor korte tijd naar Boekarest. Na de Eerste Wereldoorlog vertrok hij in 1921 met zijn familie naar het nieuw opgerichte Tsjecho-Slowakije. Later ging hij met zijn familie opnieuw naar Timişoara terug. In 1929 ging hij voor een medische operatie naar Praag. Daar overleed hij op 12 augustus 1929.

Rudolf Nováček componeerde

     2 werken voor orkest

     31 werken voor harmonieorkest

- Castaldo Marsch, opus 40, opgedragen aan de commandant van het Infanterie-Regiment nr. 28 Ludwig Castaldo (1839–1910). 1884

     4 kamermuziekwerken

     5 werken voor piano.

 

Isaac Manuel Francisco Albéniz (Camprodon, Catalonië, Spanje, 29 mei 1860 — Cambo-les-Bains, 18 mei 1909) was de zoon van Ángel Albéniz, een douanebeambte en Dolors Pascual. Isaac Albeniz was een muzikaal wonderkind, dat al uitvoeringen gaf op vierjarige leeftijd. Als zesjarige kreeg hij in Parijs pianoles van Antoine François Marmontel. Daarna studeerde hij aan het conservatorium van Madrid en bleef als wonderkind wereldwijd concerten geven  tot hij vijftien werd. In 1876 studeerde hij twee maanden in Leipzig en kreeg een koninklijke beurs om naar het conservatorium van Brussel te gaan (compositie bij François-Auguste Gevaert en piano bij Louis Brassin). In 1879 behaalde hij de eerste prijs voor piano en maakte een geslaagde concertreis door Europa.

In 1883 vestigde hij zich in Barcelona. Hij besloot onder invloed van de musicoloog Felipe Pedrell voortaan "Spaanse muziek" te schrijven. Hij trouwde met zijn leerling Rosita Jordana. Ze kregen drie kinderen

Van 1890 tot 1893 werkte Albéniz te Londen, o.a. als dirigent in het Prince of Wales Theatre. Na 1900 kreeg Albéniz klachten van de nierziekte die tot zijn dood zou leiden. Hij schreef nu alleen nog voor piano. Van 1906 tot 1909 werkte hij aan zijn zwanenzang en meesterwerk Iberia. Isaac Albeniz stierf 18 mei 1909 op de leeftijd van 48 jaar en is begraven op het Montjuïc kerkhof in Barcelona.

Aleberto Ruiz-Gallardón, burgemeester van Madrid en Cécilia Sarkozy, exvrouw van de Franse president Nicolas Sarkozy zijn twee van zijn kleinkinderen.

Isaac Albéniz componeerde

     zeven opera's

- Pepita Jimenez kende ook buiten Spanje succes,

- Merlin, het eerste deel van een niet voltooide King Arthur-trilogie werd pas in 2001 opgenomen en in 2003 opgevoerd.

3 zarzuela’s

     6 orkestwerken

- 2 pianoconcerten

- Rapsodia Española,  voor piano en orkest, 1887

- Catalonia,  symphonisch gedicht, 1899

     1 oratorium

     40 pianowerken

- Suite Española,  opus 47, suite in 8 delen, ook in een gitaartranscriptie (van Andrés Segovia)

1. Granada

3. Sevilla

5. Asturias in de gitaartranscriptie heel bekend geworden

- Suite España, opus 165, in 6 delen een reis langs muziek- en dansvormen.

- Iberia, suite in 12 delen (4 albums), 1908, een reis langs steden en delen van Spanje. Een totaaluitvoering duurt anderhalf uur. Albéniz  belangrijkste werk, en één van de grote composities uit de 20ste eeuw

Boek 1, opgedragen aan de de vrouw van Ernest Chausson

1. Evocación (As kleine en grote terts)

2. El Puerto (Des grote terts) Uitbundige dansscène met gitaarimitaties.

3. Fête-dieu à Seville (Fis kleine en grote terts), een langzaam naderende processie op Sacramentsdag, die door de straten van Sevilla kronkelt

Boek 2

1. Rondeña (D grote terts)

2. Almería (G grote terts)

3. Triana (fis kleine terts), vurige dans met castagnetten

Boek 3

1. Al Albaicín (Bes grote en kleine terts), broeierige sfeer van de gelijknamige zigeunerwijk in Granada.

2. El Polo (f kleine terts)

3. Lavapiés (Des grote terts)

     30 liedbundels en liederen

 

Gustav Mahler (Kaliště, nu Tsjechië, toen Bohemen: Oostenrijk-Hongarije, 7 juli 1860 – Wenen, 18 mei 1911) werd geboren in een joods middenstandsgezin. Zijn vader Bernard Mahler beheerde een wijndistilleerderij en een café. Zijn moeder Marie Hermann werd door zijn vader mishandeld en geslagen, waar voor Gustav een levenslange traumatische ervaring  bleef. In zijn geboortejaar verhuisde het gezin naar Iglau (nu Jihlava in Tsjechië). Gustav had 14 broertjes en zusjes waarvan er 8 vroegtijdig overleden. Hij maakte als kind kennis met muziek in de vorm van straatliedjes, volksmelodieën en trompetgeschal van marcherende militaire korpsen. He muzikale jongetje begon op zijn op zijn vierde op accordeon en al vrij gauw daarna piano te spelen. Mdet zes jaar gaf hij al pianoles en componeerde stukjes. Op zijn tiende gaf hij zijn eerste optreden en met twaalf jaar speelde hij virtuoze pianoconcerten.  Op vijftienjarige leeftijd begon hij zijn studie aan het conservatorium in Wenen, waar hij bij Julius Epstein piano studeerde en bij Franz Krenn compositie. Na een jaar won hij in beide vakken de eerste prijs. In 1878 sloot hij zijn conservatoriumopleiding af en studeerde aan de Universiteit van Wenen nog een paar jaar filosofie en literatuur.

In 1880 werd Gustav Mahler Kapellmeister in het zomertheater van Bad Hall en daarna hij directieplaatsen in  Laibach (1881–1882), Olmütz (1883), Kassel (1883–1885), Praag  (juli 1885 tot 1886), Leipzig (juli 1886 tot mei 1888) en  Boedapest (oktober 1888 tot maart 1891), waar hij dirigent aan de Koninklijke Opera was.

Omdat Gustav Mahler van Joodse afkomst was werd er in 1885 een antisemitische betoging tegen hem georganiseerd. Omdat hij niets met het Jodendom als religie had, was dat mede een reden dat hij op 23 februari 1897 officieel Rooms-katholiek werd. In dt jaar werd hij benoemd tot dirigent van de Weense Hofopera en in 1898 bij de Wiener Philharmoniker.

In 1902 trouwde Mahler met Alma Schindler, die twintig jaar jonger was dan hij. Ze kregen twee dochters, Maria Anna (1902-1907) en Anna (1904-1988), die later beeldhouwer zou worden. Mahler was als echtgenoot en vader tiranniek en veel van huis. Hij werkte haar eigen mogelijkheden om zich tot componiste te ontwikkelen ook drastisch tegen.  Alma ontwikkelde verschillende affaires met mannen, onder andere Bauhausarchitect Walter Gropius. Mahler ging daarover in 2010 rade bij psychiater Freud. Die was toen op vakantie in Noordwijk, zodat Mahler naar Nederland reisde en daar een poosje verbleef. Op 26 augustus 1910 troffen Mahler en Freud elkaar in het gebouw "In der Vergulde Turk" in Leiden. Ze maakten een wandeling van vier uur. Sigmund Freud maakte hem duidelijk, dat hij  Alma op het gebied van componeren moest stimuleren in plaats van afremmen. Uiteindelijk bleef het huwelijk tot het eind van zijn leven in stand.

Op uitnodiging van Willem Mengelberg dirigeerde Mahler het Concertgebouworkest in 1903, 1904, 1906 en 1909 bij de uitvoering van eigen werk. Mahler was vol lof over het orkest en zijn dirigent. In 1920 mondde deze samenwerking uit in het Mahler-feest, dat de artistiek directeur van het Concertgebouw Rudolf Mengelberg ter gelegenheid van het 25-jarig dirigeerjubileum van zijn neef Willem had georganiseerd. Het was een overweldigend succes.

In 1907 werd Gustav Mahler dirigent van de New York Philharmonic Orchestra.

Gustav Mahler had vanaf 1908 hartklachten. Hij keerde per boot naar Europa terug en stierf in Wenen, zeer waarschijnlijk aan een (erfelijke) hartklepziekte. Alma Mahler overleefde hem nog 53 jaar.

Gustav Mahler heeft als componist de late romantiek verbonden met de moderne periode van de klassieke muziek die met name in de Tweede Weense School gestalte kreeg. Mahler kon op een unieke manier zang verbinden met instrumentale muziek. Klankkleur is bij hem onderdeel van de muzikale structuur. Zijn Boheemse wortels met bijvoorbeeld de zigeunertoonladder uit de Boheemse volksmuziek komt in al zijn muziek weer terug, en ook in zijn orkestraties met veel houtblazers. In zijn vocale muziek maakte Mahler veel gebruik van de gedichten uit Des Knaben Wunderhorn, een in 1805 door Achim von Arnim en Clemens Brentano aangelegde verzameling van 723 gedichten en balladen.

Het geboortehuis van Gustav Mahler in Kaliště is momenteel (2016) een gastenverblijf met zes kamers met mogelijkheden voor muziekweken en seminars. In de stad Jihlava, waar hij opgroeide staat een standbeeld.

Gustav Mahler componeerde

     5 theatermuziekwerken

     10 symfonieën

- Symfonie nr. 1, 1888; uiteindelijke versie 1896, "Titaan". Nog schatplichtig aan Beethoven.

De uiteindelijke  (aanvankelijk had Mahler een 5-delige versie gecomponeerd, die niemand begreep en flopte) symfonie bestaat uit vier delen. Alles wat bij het leven hoort, zit in deze symfonie: het aanbreken van de dag, het lieflijk ontwaken van de natuur met bijbehorende geluiden, de dood, het opgewekte landleven, volkswijsjes. Het derde deel, een soort minibegrafenismars, is voor het grootste deel gebaseerd op het liedje “Vader  Jacob”, maar dan in mineur. De contrabas zet het thema in, waarna de andere instrumenten in canon volgen. Ironische klezmercitaten worden toegevoegd. En een grootse jubelfinale die wel begint met "plotselinge uitbraak van wanhoop, afkomstig uit een diep geraakt hart". Gustav Mahler bleef de symfonie reviseren tot 1910, één jaar voor zijn dood.

Bij de eerste drie uitvoeringen bevatte de symfonie een serenade–achtig tweede deel: Andante “Blumine. Omdat er nogal wat kritiek op kwam liet Mahler het deel later en ook uit de uitgaves weg.  Oorspronkelijk had Mahler “Blumine” in 1884 gecomponeerd als theatermuziek bij Joseph Victor von Scheffel’s toneelstuk “Der Trompeter von Säkkingen”.

In 1966 werd het “Blumine”-deel herontdekt door biograaf Donald Mitchell in de Osborn Collectie van de Yale Universiteit. In 1967 werd het door Benjamin Britten voor het eerst weer uitgevoerd, en daarna bleef het op het orkestrepertoire als een losstaand stuk.

- Symfonie nr. 2 in c kleine terts, 1894, “Verrijzenissymfonie”, de symfonie heeft vijf delen.

Het is een symfonie die de concertzaal op haar grondvesten doet schudden. Alle emoties die een mens kan hebben, komen voorbij. Het vierde deel, 'Urlicht', waarin en sopraan en een koor meezingen, nam Mahler over uit zijn liederenverzameling Des Knaben Wunderhorn, waar hij het lied verving door Revelge (1899); het vijfde deel is een symfonie op zich, gebaseerd op het gedicht Totenfeier van Friedrich Gottlieb Klopstock. In eerste instantie was de symfonie een ééndelig werk: "Totenfeier", in 1888 al volledig gecomponeerd. Later werkte Gustav Mahler de hele symfonie tot een vijfdelig werk om. De vroege versie "Totenfeier" wordt ook nu nog wel zelfstandig  als symfonisch gedicht uitgevoerd.  Dirigent Bruno Walter (1876 - 1962) maakte een mooie versie voor piano vierhandig van de symfonie.

- Symfonie nr. 3, 1896, “Nietsche-symfonie”.

Een zesdelig werk voor groot orkest en verscheidene vocale stemmen. Het is zijn tweede symfonie met vocale delen: jongenskoor, vrouwenkoor en sopraan, en met een gemiddelde uitvoeringsduur van meer dan anderhalf uur zijn langste symfonie (en een van de allerlangste symfonieën ooit geschreven).  Zijn bijnaam dankt de symphonie aan het vierde deel: Sehr langsam. Misterioso, met de altsolo "O Mensch gib acht!" op tekst van: Friedrich Nietzsche (Middernachtslied) . Is ook mysterieuze muziek.

Het vijfde deel gaat over een zondaar ("Ich hab' Übertreten die zehn Gebot") die vol berouw tot de "Herr Jesus" komt. Dat heeft dan weer niet veel met Nietsche te maken.

Het lange brede slotdeel (het zesde deel: "Ruhevoll. Empfunden") zou oorspronkelijk "Was mir Gott erzählt" heten, maar Mahler veranderde dat in "Was mir die Liebe erzählt".

- Symfonie nr. 4, 1900.

De eerste drie delen zijn geschreven in vakantietijd in  de zomers van 1899 en 1900. Het vierde deel is later door hem toegevoegd. In het tweede deel aandacht voor de omgestemde eerste viool en de hoorn. "Kamermuziek", na het ongelooflijk mooie derde deel poco adagio meteen de overgang naar het korte laatste deel, waarin tijdens een feest in de hemel door een lyrische sopraan de muziek zelf bezongen wordt met het lied "Das Himmlische Leben"  uit de liederenverzameling "Des Knaben Wunderhorn" van Clemens Brentano, dat Mahler al in 1892 had gecomponeerd.

- Symfonie nr. 5 in cis kleine terts, 1906. Mooie lyriek.

Het vierde deel in F grote terts Adagietto voor harp en strijkers is Mahlers bekendste werk geworden. Het speelt de hoofdrol in Visconti’s film “Dood in Venetië”. Het is een liefdesverklaring aan Alma; inplaats van een brief stuurde hij haar dit manuscript, zonder één woord extra. Alma schreef terug: “Kom maar”. Het tedere liefdeslied wordt ook vaak bij uitvaarten gespeeld. Het laatste deel van de symfonie: "Rondo-Finale" is een contrapuntisch hoogstandje.

- Symfonie nr. 6 in a kleine terts, de "Tragische", 1904, herzien in 1906.

Bloedmooie klankvelden, gekwetste verzuchtingen, fluisterzachte ontboezemingen en vitale uitbarstingen. De mokerslag van het leven wordt treffend verklankt. Stralend derde deel: Andante: "De laatste groet van de wereld aan de steeds hoger stijgende bergwandelaar", . zei Mahler er zelf van. Orkestbezetting met 8 hoorns, zes trompetten, koebellen, een ratel en roede en een reusachtige houten voorhamer. Romantiek in het kwadraat.

- Symfonie nr. 7, 1908, “Lied van de Nacht”, vanwege de delen 2 "Nachtmusik 1" en 4 "Nachtmusik 2" van het vijfdelige werk. Nachtmusik 2 heeft met korte solo's van viool, altviool, cello en mandoline het karakter van een nachtelijke Serenade. De vijfdelige symfonie heeft over het geheel een opvallende orkestratie. Fascinerende art-nouveau-hommage aan de nacht.

- Symfonie nr. 8 in Es, “Symphonie der Tausend”, vanwege de enorme bezetting met 70 strijkers, 60 blazers en andere niet-strijkers, drie koren, kinderkoor, samen 240 zangers, acht vocale solisten, 1907.

Aanleiding voor de compositie was de stiekeme verhouding die Alma Mahler had met Walter Gropius. Mahler wilde er alles aan doen om hen uit elkaar te drijven, maar zag geen kans te vechten. Zijn enige wapen was het componeren van een gigantisch, hemelbestormend werk. De achtste symfonie was bedoeld als de ultieme liefdesverklaring aan zijn vrouw, in een vergeefse poging haar hart opnieuw te veroveren.

Het werk is een duizendkoppig monster, waar moeilijk greep op te krijgen is, en wordt, ook vanwege de grootschalige bezetting, zelden uitgevoerd. En dat terwijl Mahler dit immense werk zelf als een "lied" beschouwde.

- Symfonie nr. 9, 1909.

Een ongekend intens werk waarin Mahler al zijn symfonische kracht samenbalt en nog één keer laat horen wat hij als componist aan mogelijkheden bereikt heeft. Gecompliceerde symfonie met een visionair fascinerend modern openingsdeel. Sleutel naar de twintigste-eeuwse muziek. De dreiging van de dood, vanaf 1908 had Mahler hartklachten, schemert voortdurend tussen de muzikale regels door. Het slotadagio eindigt in het allerzachtste pianissimo dat je je kunt indenken.

- Symphonie nr. 10.

Deze symphonie bleef onvoltooid. Het is een symfonie die niet bestaat maar niettemin vaak wordt uitgevoerd. Het laatste voltooide deel Adagio, met onder veel anders een beroemd angstaanjagend tientonig akkoord, is een visionaire compositie die qua vorm en qua tonaliteit nieuwe wegen inslaat. Het werk draagt zoveel stilistische en muziektechnische implicaties met zich mee, dat latere generaties er nog eeuwen op kunnen voortborduren.

     30 (series) liederen voor zangstem en piano (of orkest)

- Lieder und Gesänge (soms aangegeven als “aus der Jugendzeit”, een verzameling van 14 liederen voor zangstem en piano, de meeste afkomstig uit Des Knaben Wunderhorn, gecomponeerd tussen 1880 en1889 en gepubliceerd in 1892 in drie delen.

Deel 3. (1889)

Lied 4. Nicht wiedersehen! Aangrijpend

- Humoresken, 1899, verzameling van 12 liederen uit "Des Knaben Wunderhorn", vanaf 1892 gecomponeerd, voor zangstem en orkest. De componist zorgde zelf ook voor een zangstem- en pianoversie.

Lied 7. Rheinlegendchen, 1893

     6 (series) orkestliederen

- Lieder eines fahrenden Gesellen, liederencyclus van 4 liederen, 1885. Teksten, deels door de componist zelf geschreven, deels overgenomen uit de gedichtenbundel Des Knaben Wunderhorn, handelen over het lot dat iemand ten deel valt wanneer hij of zij een geliefde verliest. De liederencyclus was een neerslag van zijn op niets uitgelopen liefdesaffaire met sopraan Johanna Richter. Thema's uit de cyclus heeft Mahler later gebruikt in zijn Eerste Symfonie.

Mahler vertaalt de tekst zeer direct in muziek. Iedere emotie is terug te vinden in de melodie en de orkestbegeleiding. Arnold Schönberg heeft een arrangement gemaakt  voor zanger en kamerensemble.

Lied 4: Die zwei blauen Augen

- Das himmlische Leben, lied uit “Des Knaben Wunderhorn” voor zangstem en orkest, 1892, later gebruikt als vierde deel van Symfonie 4

- Lieder aus "Des Knaben Wunderhorn" (12 liederen, teksten verzameld door Clemens Brentano en Achim von Arnim, ook in een versie met piano); 1892-1901

Lied 8. "Rheinlegendchen" – (Kleine Rijnlegende). De hoofdpersoon stelt zich voor dat zij een ring in de Rijn gooit, die door een vis wordt opgegeten. Wanneer de vis aan de koning wordt geserveerd, vindt hij de ring  en zoekt de bezitster.

Lied 11. "Lob des hohen Verstandes", komisch lied over een ezel die een zangwedstrijd tussen een koekoek en een nachtegaal jureert; met steken naar muziekcritici;

- Rückert-Lieder, 1901,  vijf toonzettingen van gedichten van Friedrich Rückert (1788-1866), ook in een versie voor zangstem en piano

2. Ich atmet'einen linden Duft

3. Um Mitternacht

4. Ich bin der Welt abhanden gekommen, schitterende lied, van een zeldzame schoonheid;

- Kindertotenlieder,1902, op een gedichtencyclus van Friedrich Rückert. Rückert heeft dat geschreven na de dood van zijn zoontje Ernst, in 1872 postuum uitgegeven. Mahler legde de emoties van een ouder die zijn kind veloren heeft, hartverscheurend vast.

- Das Lied von der Erde, eine Symphonie für eine Tenor- und eine Altstimme und Orchester, zesdelige liederencyclus, 1909, gebaseerd op zes gedichten naar oud-Chinese bronnen uit de 7de en 8ste eeuw van Hans Bethge (1876-1946). Duistere kanten.

6. Der Abschied, indrukwekkend slotdeel

     1 Cantate

- Das Klagende lied, opus 1,

driedelige cantate, voltooid in 1880 (19 jaar oud!); Mahler schreef zelf de tekst, gebaseerd op sprookjes, liedjes en verhalen uit zijn jeugd: een rode bloem als huwelijksschat, een speelman die van een bot een fluit maakt, een huwelijksfeest met een bijzonder einde.  In de zestiger jaren kwam de originele partituur (Mahler had hem ondertussen in 1889 gereviseerd en beknot) pas weer boven water. Het werk draagt alle kiemen van zijn latere werk al in zich. Een reusachtige patituur waarin de adolescent Mahler een poging doet om Wagners theaterdenken naar het concertpodium te transformeren.

     4 kamermuziekwerken

- pianokwartet in a kleine terts, 1876, heeft maar één deel. vandaar ook wel: Quartettsatz

     10 bewerkingen

- Strijkkwartet opus 95 van Ludwig van Beethoven, 1899, voor strijkorkest

www.gustavmahlerstichting.nl

 

Ignacy Jan (Ignaz) Paderewski (Kurylovka, Podolië, toen Rusland, nu Oekraïne,18 november 1860 – New York, 29 juni 1941) was de zoon van vermogensbeheerder Jan Paderewski. Zijn moeder Poliksena Nowicka, overleed een paar maanden na zijn geboorde en Paderewski werd grootgebracht door familieleden.

Vanaf zijn vroege jeugd had Ignaz Paderewski interesse in muziek. Al jong kreeg hij privé pianoles. Op zijn 12de, in 1872, ging hij studeren aan de Szkoła Główna Muzyki (Hoofd-school voor muziek) in Warschau, de latere Frédéric Chopin Muziekacademie. Nadat hij in 1878 geslaagd was, werd hij muziekdocent in Kurylovka. In 1880 trouwde Ignaz Paderweski met Antonina Korsakówna. Hun kind bleek gehandicapt, en kort daarna stierf Antonina.

In 1881 ging naar Berlijn om compositie te studeren bij Friedrich Kiel en Heinrich Urban. In 1884 verhuisde hij naar Wenen, waar hij les had van Teodor Leszetycki. Al snel werd hij een populaire pianist in Europa en in de Verenigde Staten.

In 1899 trouwde hij opnieuw, met barones de Rosen.

Ignaz Paderweski was sociaal actief betrokken. In 1910 gaf hij Krakau het monument cadeau voor de Slag bij Tannenberg in 1410. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was Ignaz Paderewski actief lid van het Poolse Nationale Comité (van 1917 tot 1919) in Parijs, waar hij al snel werd geaccepteerd als vertegenwoordiger van Polen en woordvoerder van deze organisatie.

Aan het einde van de oorlog, toen het lot van de stad Poznań en de hele regio van Groot Polen (Wielkopolska) nog onbeslist was, bezocht Ignaz Paderewski Poznań. Met zijn openbare toespraak op 27 december 1918 begon de Grote Poolse opstand tegen Duitsland (van 1918 tot 1919). In 1919, in het nieuwe onafhankelijke Polen, werd Ignaz Paderewski Minister-president en minister van Buitenlandse Zaken (van januari 1919 tot december 1919), en vertegenwoordigde Polen in die hoedanigheid op de Vredesconferentie in Parijs in 1919. In de zomer van dat jaar tekende hij het Verdrag van Versailles, dat de Duitse provincies Posen en West-Pruisen aan Polen toewees, en de stad Gdansk onder toezicht van de Volkenbond plaatste. In de onderhandelingsgesprekken in 1919 in Versailles vroeg de Franse premier Georges Clemenceau: “Paderewski, bent u een neef van de beroemde pianist?” “Nee, ik bèn hemzelf”, antwoordde de Ministerpresident. De Franse premier schudde meewarig zijn hoofd. “Van pianist naar premier”, mompelde hij, “wat een degradatie”.

Omdat Ignaz Paderewski zich onvoldoende gesteunde voelde in zijn politieke plannen, nam hij 4 december 1919 ontslag als Minister-president en werd hij Poolse ambassadeur bij de Volkenbond.

In 1922 trok hij zich terug uit de politiek en ging weer met veel succes muziek maken. Hij bleef wel betrokken en was een actief oppositielid tegen het Sanacja bewind. In 1934 overleed zijn vrouiw.

In november 1937 nam Ignaz Paderewski zijn laatste leerling aan: Witold Malcuzynski.

In 1940 werd hij het hoofd van de Poolse Nationale Raad, een Pools parlement in ballingschap in Londen. De tachtigjarige artiest startte ook het Polish Relief Fund en gaf verscheidene concerten om daarvoor geld in te zamelen. Zijn geestelijke gesteldheid was echter niet meer wat die was geweest en de concerten liepen niet altijd zoals verwacht werd. Ignaz Paderewski stierf plotseling in New York, om 11 uur’s avonds op 29 juni. Hij werd begraven op de Nationale Arlington begraafplaats in Arlington Virginia, bij Washington D.C. In 1992 werd zijn stoffelijk overschot overgebracht naar Warschau en in de Johannes kathedraal opnieuw begraven. Zijn hart is ondergebracht in een bronzen beeld in de National Shrine of Our Lady of Czestochowa bij Doylestown in Pennsylvania.

Ignaz Paderweski componeerde

     1 opera

     1 cantata

     6 orkestwerken

- pianoconcert in a kleine terts, opus 17, 1889, opgedragen aan Theodore Leschetitzky  mooi en vurig. Het tweede deel van het driedelige werk: Romanza Andante is van een opvallende serene schoonheid.

     5 kamermuziekwerken

     4 koorwerken a capella

     8 (series) liederen

     33 (series) pianowerken

- Humoresques de concert, opus 14, 1887, opgedragen aan A. Essipov,  serie van 6 werken

nr. 1  Minuet in G grote terts, opus 14/1, is zijn bekendste pianowerkje

 

Victor Ewald (Sint Petersburg, Rusland, 27 november 1860 – Leningrad, 16 April 1935) begon op zijn 12de jaar een studie cornet, piano, hoorn, cello, harmonieleer en compositie aan het Conservatorium van Sint Petersburg. Zijn celloleraar Karl Davidov stimuleerde hem om zoveel mogelijk muziek te maken met verschillende ensembles. Ondertussen studeerde Victor Ewald ook nog voor ingenieur bouwkunde, om brood op de plank te krijgen. In het vervolg van zijn leven was hij docent weg- en waterbouwkunde in Sint Petersburg en tegelijk 16 jaar lang cellist in het Belaïev Quartet, het meest invloedrijke muziekensemble in Sint Petersburg aan het eind van de negentiende eeuw. Hij verzamelde ook Russische volksliederen en zorgde ervoor dat die uitgegeven werden.

Victor Ewald componeerde

     vier kwintetten voor koperblazers, unieke vroege werken voor zo’n ensemble, juweeltjes van lyriek

- Quintet nr. 4 in As grote terts, opus 8, 1888, een transcriptie van zijn strijkkwartet opus 1
- Quintet no. 1 in Bes kleine terts, opus 5, 1890
- Quintet no. 2 in Es grote terts, opus 6, 1905
- Quintet no. 3 in Des grote terts, opus  7, 1912

 

Edward Alexander MacDowell (pseudomiem: Edgar Thom) (Manhattan, New York, Verenigde Staten, 18 december 1860 – Peterborough, New Hampshire, 23 januari 1908) was de zoon van melkboer Thomas MacDowell en Frances (Fanny) Mary Knapp. Edward MacDowell kreeg zijn eerste pianolessen van Juan Buitrago, een Colombiaans violist die in die tijd bij het gezin MacDowell woonde. Later kreeg hij les van de Venezolaanse pianiste Teresa Carreño. Zijn moeder nam hem in 1877 mee naar Parijs, waar hij aan het Conservatoire national supérieur de musique kon studeren bij Antoine François Marmontel. In 1879 zette Edward MacDowell zijn studies voort in Frankfurt aan het Dr. Hoch’s Konservatorium. Hij studeerde er tot 1881 piano bij Karl Heymann en compositie bij Joachim Raff. Van 1881 tot 1884 gaf Edward MacDowell pianoles in Darmstadt aan de Schmitt's Akademie für Tonkunst en van 1884 tot 1888 deed hij dat in Wiesbaden. In 1884 trouwde Edward MacDowell met Marian Griswold Nevins, een Amerikaanse studente, die hij in Frankfurt drie jaar pianoles had gegeven. Marian leed aan een ziekte, waardoor ze geen kinderen kon krijgen. In de herfst van 1888 kreeg hij een benoeming als (eerste in de geschiedenis) professor muziek aan de Columbia University en kwam hij terug naar Amerika. Hij ging in Boston wonen en werd een bekende pianovirtuoos en pianodocent. In 1904 werd hij overreden door een rijtuig en ging hij geestelijk zo achteruit dat hij zijn werkzaamheden moest opgeven. Hij overleed in zijn zomerhuis in 1908.

Edward MacDowell componeerde

     10 orkestwerken

     30 (series) pianowerken

- "Woodland Sketches", opus 51, 1896, 10-delige suite

nr. 1 To a Wild Rose, Edward MacDowells populairste compositie

- "Sea Pieces", opus 55, 1898, 8-delige suite

- Fourth Sonata, opus 59, 1901.

- "New England Idyls", opus 62, 1902, tiendelige suite

     22 (series) liederen

     arrangementen

 

Pierre Onfroy de Bréville (Bar-le-Duc, Frankrijk, 21 februari 1861 – Parijs, 24 september 1949) studeerde een aantal jaren rechten, omdat zijn ouders graag wilden dat hij diplomaat zou worden, maar liet zich halverwege zijn studie toch inschrijven aan het Conservatoire de Paris. Hij studeerde bij Théodore Dubois, en vanaf 1882 bij César Franck.

Van 1898 tot 1902 was Pierre de Bréville hoogleraar contrapunt aan de Schola Cantorum van Parijs. Van 1914 tot 1918, tijdens de Eerste Wereldoorlog, doceerde hij compositie van kamermuziek aan het Conservatoire de Paris.

Pierre de Bréville was een gezaghebbend muziekcriticus in tijdschriften als Mercure de France, Le Courrier musical en La Revue blanche.

Pierre de Bréville componeerde

     2 opera’s

     3 theatermuziekwerken

     1 ballet

     4 orkestwerken

     7 (series) werken voor koor, (solisten) en (orkest of andere instrumenten)

     16 (series) kamermuziekwerken

     21 (series) liederen

     9 (series) pianowerken

     3 orgelwerken

     1 gitaarwerk

- Fantasia voor gitaar

 

Martino Stanislao Luigi Gastaldon (Turijn, Italië 8 april 1861 – Florence, 6 maart 1939) was de zoon van ingenieur Luigi Gastaldon and Luigia Grazioli, een Romeinse edelvrouw, die voor Luigi Gastaldon haar eerdere man, graaf Bernardo Genardini, en 4 kinderen had verlaten. Het gezin van Luigi Gastaldon trok van de ene plaats naar de andere in verband met wisselende constructieopdrachten. Een tijdje woonde Stanislao Gastaldon in San Vito Chietino in de Abruzzen, waar ook zijn broertje Guglielmo in 1864 werd geboren. Er is nog een straat naar Stanislao Gastaldon genoemd.

Gastaldon studeerde muziek bij de Turijnse componist Antonio Creonti en bij de Florentijnse organist Torquato Meliani. Ondertussen studeerde hij literatuur aan de Universiteit van Florence. Vanaf zijn 17de jaar publiceerde hij door hem gecomponeerde liederen, onder het pseudoniem "Flick-Flock", vermoedelijk afgeleid van het toenmalig populaire ballet “Flick und Flock” van Peter Ludwig Hertel, In 1883 moest hij zijn militaire dienstplicht vervullen, maar was toen als componist als zo bekend, dat hij aangesteld werd als leider van het harmonieorkest van het 24ste Infanterie Regiment.

Na zijn diensttijd vertrok Stanislao Gastaldon naar Rome, waar zijn ouders op dat moment woonden. Vanf 1890 woonde Stanislao Gastaldon een tijdje in Orvieto, en vestigde zich daarna in Florence, waar hij tot het einde van zijn leven zou blijven. Hij werkte in Florence als componist, muziekdocent en muziekrecensent voor de krant Nuovo Giornale, en schrijver van de column "Scattola Armonica" (muziekdoos) voor het kindertijdschrift Il giornalino della Domenica (het zondagsblaadje). Omdat hij zich totaal niet kon verenigen met het opkomende fascisme, werd het in de twintiger jaren lastig voor Stanislao Gastaldon van de muziek te leven, hij kreeg geen opdrachten meer, zijn werken werden niet meer uitgevoerd. Hij begon daarom een kunsthandel in schilderijen.

Stanislao Gastaldon trouwde nooit en woonde alleen in zijn huis aan de Via Montanara. Op 6 maart 1939 overleed Stanislao Gastaldon onverwacht plotseling aan een hartaanval. Hij is bijgezet op de begraafplaats Misericordia di Antella bij Florence.

Stanislao Gastaldon componeerde

     6 opera’s

     2 koorwerken

     300 liederen

- "Musica proibita" (verboden muziek), 1881, romanza, zijn verreweg bekendste en eigenlijk enige nog uitgevoerde compositie. Verhaal: een jonge vrouw vertelt over een aardige jongeman die elke avond een lied onder haar balkon voor haar zong. Ze verlangt ernaar het lied nog eens zelf te zingen om de spanning die ze destijds voelde te herbeleven, maar haar moeder heeft dat verboden. Wanneer haar moeder het huis verlaat slaat ze het verbod allicht in de wind. Het lied is vertaald in het Engels en het Frans, werd gezongen door alle stemtypes en en gearrangeerd voor allerlei instrumentale ensembles.

 

Marco Enrico Bossi (Salò, Brescia, Lombardije, 25 april, 1861 – Atlantische Oceaan, 20 februari 1925) was de zoon van organist Pietro Bossi (1834 – 1896). Hij had twee broers. Marco Bossi kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn vader en daarna aan het aan het Liceo Musicale in Bologna (1871 – 1873) en aan het Conservatorium van Milaan (1873–1881). Hij studeerde daar piano bij Francesco Sangalli, compositie bij Amilcare Ponchielli en orgel bij Polibio Fumagalli.

In 1881 werd Marco Bossi muziekdirecteur en organist aan de kathedraal van Como. In 1890 werd hij benoemd tot orgel- en harmoniedocent aan het Conservatorium van Napels. Vervolgens was hij directeur van de conservatoria van Venetië (1895–1901), Bologna (1902–1911) en Rome (1916–1923), waar hij de standaards zette voor orgelstudie in Italië, zoals dat tot op de dag van vandaag nog gebruikelijk is (2015).

Marco Bossi maakte vele concertreizen over de hele wereld. Hij overleed onverwachts op zee tijdens een terugreis uit de Verenigde Staten en is begraven in Como.

Marco Bossi componeerde 150 werken:

     5 opera’s

     6 missen

     2 requiems

     5 andere werken voor koor (solisten) en orkest

     7 orkestwerken (3 met orgel)

     5 koorwerken

     16 (series) kamermuziekwerken (6 met orgel)

     30 (series) pianowerken

     43 (series) orgelwerken

 

 

Anton Stepanovitsj Arensky (Novgorod, Rusland, 11 augustus 1861 –- Terijoki, Finland, 25 februari 1906) zijn beide ouders waren muzikaal en hij kreeg zijn eerste pianolessen van zijn moeder. In 1879 werd hij aan het conservatorium van Sint Petersburg toegelaten. Daar componeerde hij zijn pianoconcert. Arenski studeerde in 1882 af. Rimski-Korsakov, een van zijn leraren, voorspelde hem geen grootse toekomst als componist. Zijn eerste symfonie uit 1883 laat Rimski-Korsakovs invloed duidelijk horen. Van 1883 tot 1894 gaf Arenski les aan het conservatorium van Moskou, waar Sergej Rachmaninov en Alexander Skrjabin tot zijn studenten behoorden. Hij raakte er ook bevriend met Peter Iljitsj Tsjaikovski. Hij volgde op diens aanbeveling Balakirev op als dirigent van de Keizerlijke Hof Kapel en bleef dit tot 1901.

Van het privéleven van Anton Arensky is weinig bekend. Hij bleef vrijgezel en thuis ontving hij nauwelijks bezoek. Wel dronk en gokte hij veel. In 1906 stierf hij in een kliniek in Finland aan de gevolgen van tuberculose.

Anton Arensky componeerde

     3 opera's

- Een droom op de Wolga, opus 16, 1888

- Raphael, opus 37, 1894

Nal en Damajanti, opus 47, 1903

     ballet Egyptische nachten, opus 50, 1900,

     toneelmuziek bij The Tempest van Shakespeare, opus 75, 1905

     15 werken voor orkest

- 2 symfonieën,

- variaties op een thema van Tsjaikovski voor strijkorkest, opus 35a

- pianoconcert  in f kleine terts, opus 2, 1882

     9 kamermuziekwerken,

- Strijkkwartet nr. 2 in a kleine terts, opus 35, 1894 voor viool, altviool en twee cello’s, volwassen werk;

- Pianotrio nr. 1 in d kleinde terts, opus 32, 1894. Prachtig melodieus werk met een lichtvoetig en parelend Scherzo, opgedragen aan cellist Karl Davidov, dus een hoofdrol voor de cello.

- Pianotrio nr. 2 in f kleine terts, opus 73, 1905.

     26 werken of series werken voor piano solo of twee piano’s

Scherzo, opus 8, 1885

     12 koorwerken,

     18 series liederen voor zangstem(men) en piano

 

Ludwig Wilhelm Andreas Maria Thuille (Bozen, toen Oostenrijk, Tirol, nu Bolzano in Italië, 30 november 1861 – München, 5 februari 1907) was de zoon van een kunst- muziekinstrumenten- en boekhandelaar. Ludwig Thuille verloor zijn beide ouders in 1872, toen hij 11 jaar was en woonde daarna bij zijn stiefoom in Kremsmünster, Oostenrijk. Daar zong hij in het Benedictijner koor en studeerde aan het kloostergymnasium orgel, piano en viool. In 1876 nam de weduwe van componist/dirigent Matthaus Nagiller hem mee naar Innsbruck, waar hij een betere muziekopleiding kon krijgen. Daar ontmoette hij in de zomer van 1877 Richard Strauss, met wie hij levenslang bevriend bleef. Ludwig Thuille ging in München aan de Hogeschool voor Muziek en Theater compositie studeren bij Josef Rheinberger en piano bij Karl Baermann. Hij studeerde in 1882 met lof af. In 1883 werd Ludwig Thuille docent muziektheorie en compositie. Ludwig Thuille was getrouwd met Emma Dietl. Ze hadden twee kinderen. Ludwig Thuille overleed in München aan hartzwakte op 46-jarige leeftijd.

Ludwig Thuille componeerde

     4 opera’s

     3 theatermuziekwerken

     5 orkestwerken

     4 werken voor koor en piano of orkest

     15 koorwerken a cappella

     16  (series)kamermuziekwerken

- Sextet voor piano en blazers,  1888, zijn bekendste werk

     78 liederen

     4 (series) pianowerken

 

Frederick (Fritz) Theodor Albert Delius (Bradford, Yorkshire, Engeland, 29 januari 1862 –- Grez-sur-Loing, Frankrijk, 10 juni 1934) was de zoon van Duitse immigranten; zijn vader was een succesvol zakenman in de wolindustrie. Delius begon op jonge leeftijd piano te spelen en kreeg later ook vioolles. Er werd van Delius verwacht dat hij in zijn vaders voetsporen zou treden, een verwachting die hij tot op zekere hoogte invulde, aangezien hij in het familiebedrijf ging werken.

Maar toen Delius 22 werd, besloot hij dat hij niet geschikt was voor de wolindustrie en nam hij de boot naar Florida om er sinaasappels te cultiveren. Daar aangekomen zorgde hij er vooral voor dat hij er piano kon spelen en volgde hij lessen muziektheorie bij een plaatselijke organist. Na anderhalf jaar verhuisde hij naar Virginia waar hij zelf muziekles gaf.

Terug in Europa studeerde hij vanaf 1886 in Leipzig aan het conservatorium. Na zijn opleiding trok hij naar Parijs waar hij van het schrijven van liederen en kleine instrumentale stukken overstapte naar het schrijven voor orkest.

Vanaf 1914 begon een slechte tijd voor Delius toen Engeland aan Duitsland de oorlog verklaarde. Zijn werken werden in Duitsland niet meer gespeeld en zo verloor hij een groot deel van zijn inkomsten. Hij besloot naar Engeland te emigreren en brak ook met zijn traditie om geen werken in klassieke vormen te schrijven; uit die tijd stammen een vioolsonate, een strijkkwartet, een vioolconcerto en een celloconcerto.

Vanaf 1921 kreeg Frederick Delius serieuze gezondheidsproblemen vanwege een syphillitische aandoening die hij opgedaan zou hebben in Parijs; zijn gezichtsvermogen ging achteruit en zijn handen raakten verlamd.

Zijn laatste werken werden gedicteerd aan Eric Fenby, want hij kon zelf niet meer schrijven. Delius stierf in 1934 in Grez-sur-Loing (Frankrijk).

Frederick Delius componeerde

     6 opera’s

- Irmelin, 1890-2,

- The Magic Fountain, 1894-5

- Koanga, 1895-7

- A Village Romeo and Julliet, 1901

- Fennimore und Gerda, “Two Episodes from the Life of Niels Lyhne in Eleven Pictures” opera met vier tussenspelen, 1910,  libretto van de componist zelf naar de roman Niels Lyhne van de Deense schrijver Jens Peter Jacobsen,  in het Duits, maar de opera wordt meestal in het Engels uitgevoerd in een vertaling van Philip Heseltine.

     3 werken toneelmuziek

     31 orkestwerken

- Appalachia een Amerikaanse rapsody voor koor, orkest en bariton, 1896

- Paris, The song of a great City, nocturne voor orkest, 1899.

- Life’s Dance, symfonisch gedicht, 1904

- Brigg Fair, een Engelse rapsodie, 1907

- Dance Rapsody no 1, 1908

- Twee stukken voor klein orkest, 1912

1. On Hearing the First Cuckoo in Spring, De muziek is afkomstig uit Noorwegen, het volksliedje In Ola Valley, In Ola Dale.

De koekoek wordt vertolkt door de klarinet. Het bleef één van de populairste werkjes van de componist

2. Summer Night on the River

- A Song before Sunrise, voor klein orkest, 1918;

- Caprice and Elegy voor cello en orkest, 1930

- Deux Aquarelles voor strijkers, 1932

     9 concerten

- dubbelconcert voor viool, cello en orkest, 1916;

- vioolconcert, 1916, een impressionistische waaier van noten

- celloconcert, 1921

     15 werken voor stem(men) en orkest

- A Mass of Life, op teksten uit ‘ Also sprach Zarathustra’ van Friedrich Nietzsche, een viering van het Leven.

- Songs of Farewell voor dubbelkoor, 1932

- Irmelin prelude and Idyll (1932), een liefdesscene met lang orkestraal voorspel, waarbij Delius muziek hergebruikte uit zijn korte opera Margot la rouge, gecomponeerd in 1902.

     6 werken of series werken voor stem(men) en piano

     29 werken of series werken voor onbegeleide zangstem(men)

     11 kamermuziekwerken

     8 werken of series werken voor piano solo

 

Felipe Villanueva Gutiérrez (Tecámac, Mexico, 5 februari 1862 - Mexico-Stad 28 mei 1893) was de zoon van Zenón Villanueva en Francisca Gutiérrez de Villanueva. Als jong kind leerde hij al al piano spelen van zijn nicht Carmen Villanueva, organiste van de kerk van  Tecámac en viool door naar zijn oudere broer Luis te kijken. Hij werd al snel lid van het orkest van Tecámac en leerde daar harmonieleer en compositie van dirigent Hermenegildo Pineda. Op 10-jarige leeftijd componeerde hij al een cantate en een mazurka.

In 1873 studeerde hij korte tijd aan het Nationaal Conservatorium in Mexico-Stad, maar hij werd daar om verschillende onduidelijke redenen al snel weggestuurd. Hij nam toen particuliere piano en compositielessen bij Antonio Valley. In 1887 vormde hij met medeleerlingen Gustavo Campa en Ricardo Castro en de muzikanten Juan Hernández Acevedo, Carlos Meneses, Ignacio Quezadas en Pablo Castellanos León de Grupo de los Seis, die zich tegen de traditionele muziekopvattingen verzette. In 1887 richtte de groep het Instituto Musical op, een tegenhanger van het Nationaal Conservatorium.

Felipe Villanueva werd maar 31 jaar oud.

Felipe Villanueva componeerde

     opera’s

     zarzuela’s

     orkestwerken

- cellokonzert

     pianowerken

- mazurka’s, was hij een meester in

- walsen,

- habanera’s  

 

Claude Achille Debussy (Saint-Germain-en-Laye, 22 augustus 1862 – Parijs, 25 maart 1918) werd geboren in een klein middenstandsgezin. Zijn moeder, Victorine Manoury Debussy leerde hem, 5 jaar oud, scheldend en slaand lezen en schrijven. Een welgestelde peettante in Cannes, waar zijn moeder met de kinderen in 1870 heen was gevlucht voor de Frans-Pruisische oorlog  zorgde ervoor, dat Claude Debussy vanaf zijn zevende jaar pianolessen kreeg van violist Cerutti en pianiste Marie Mauté de Fleurville. Op tienjarige leeftijd mocht hij in 1873 naar het Conservatoire de Paris, waar hij pianoles kreeg van Antoine François Marmontel en harmonieleer van Émile Durand. Ook volgde hij korte tijd lessen bij César Franck. Claude Debussy maakte als pianist van het huistrio van gravin Nadjezjda Filaretovna von Meck in 1882 een reis naar Rusland. Hij reist met haar familie heel Europa door. Verliefdheid op dochter Sonja, die hij niet onder stoelen of banken stak, maakte een eind aan de lucratieve relatie. In 1884 won hij met zijn cantate L'enfant prodigue de Prix de Rome,  waardoor hij 2 jaar in Rome kon studeren. Tijdens de Wereldtentoonstelling van Parijs in 1889 leerde hij de  Spaanse en Javaanse muziek kennen, met name van de klanken van de gamelan maakte veel indruk op hem. Mede hierdoor lukte het hem een hoogst oorspronkelijke, eigen klanktaal te ontwikkelen.

In 1891 begon Claude Debussy een relatie met mede-bohémien Gaby Dupont, die het tot 1898 met hem uithield.

In 1899 trouwde Debussy met model Rosalie ("Lily") Texier, een meisje van eenvoudige komaf, dat hem voorbeeldig terzijde stond in de moeilijke tijd voordat hij bekendheid begon te genieten. In 1904 begon  Debussy een affaire met hun gezamenlijke vriendin, Emma Bardac-Moyse, een bankiersvrouw. Lily  probeerde zelfmoord te plegen door zich een kogel door het hart te schieten. Emma werd door haar familie en echtgenoot verstoten. De publieke opinie en Debussy's vrienden keerden zich tegen hem. Claude Debussy ontvluchtte Parijs, verarmde en was genoodzaakt zich met tournees als pianist en dirigent in leven te houden. Uiteindelijk trouwde hij met Emma. Ze kregen een dochter: Claude-Emma.

Vanaf 1909 wist Debussy dat hij aan kanker leed. Daarnaast was het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog een grote domper, waardoor hij het maandenlang niet kon opbrengen te componeren. Toch wist hij zich hiervan te herstellen. In deze tijd schreef hij nog werken als de Douze études en de Six sonates pour divers instruments, waarvan hij er overigens slechts drie kon voltooien. Debussy stierf tijdens het laatste Duitse offensief toen Parijs met langeafstandsgeschut en vanuit luchtschepen werd gebombardeerd. Omstandigheden noopten tot een informele begrafenis op het kerkhof van Passy.

Debussy heeft de muziek in heel nieuwe banen geleid. Met zijn aparte klankcombinaties en harmonieën schreef hij tal van originele werken. De term "impressionisme" wordt vaak gebruikt om muziek van Debussy te omschrijven. In een brief uit 1908, schreef de componist: "Ik probeer 'iets anders' te doen – een soort realiteiten – wat door imbecielen 'impressionisme' wordt genoemd".

Debussy, die ook heel goed kon schrijven, hij was muziekrecensent van verschillende bladen, was goed voor een aantal markante en vaak tegenstrijdige uitspraken. Over Johann Sebastian Bach bijvoorbeeld:

"Bach, die Onze Lieve Heer van de muziek, tot wie elke componist zou moeten bidden alvorens aan het werk te gaan, om zich voor middelmatigheid te behoeden." Debussy (in een recensie van de première in 1902 van de 2de orgelsymfonie van en door Louis Vierne)

"Had Bach een vriend gehad die hem voorzichtig de raad had gegeven om bijvoorbeeld één dag in de week niet te componeren, dan had dat ons enkele honderden pagina's bespaard, waarin je door zeeën van vreugdeloze maten moet waden, die genadeloos voorbijtrekken met altijd die deugniet van het subject en daarna het contrasubject' (uit zijn Brieven)

De werken van Claude Debussy zijn geordend volgens Lesure-nummer.

Claude Debussy schreef

     2 opera’s

- Pelléas et Mélisande, 1893-1902, L 88, opera in vijf akten, libretto aangepast van Maurice Maeterlinck’s toneelstuk Pelléas et Mélisande. Een mijlpaal in de 20ste-eeuwse muziek. Het plot betreft een  driehoeksverhouding, waarin de mysterieuze jonge vrouw Mélisande de hoofdrol speelt. Het derde bedrijf begint met het door Mélisande gezongen lied Mes longs cheveux, terwijl ze haar haar kamt. Prins Golaud, net als Pelléas kleinzoon van koning Arkel van Allemonde speelt als Basbariton ook een rol.

     4 balletten

- Jeux, ballet, L 126, 1912-1913

- La boîte à joujoux, L 128, 1913, ballet voor kinderen, libretto André Hellé, voor zijn dochtertje Claude Emma (“Chou-chou”) geschreven. In eerste instantie geschreven voor de piano. Claude Debussy was al met een orkestratie begonnen, maar overleed voor hij die kon afmaken. André Caplet heeft dat toen voltooid in 1919

     4 vocale werken

- Trois Chansons de Charles d'Orléans (Franse dichter 1394-1465), L 92, voor koor a cappella

- Le martyre de Saint Sébastien, L 124, een muzikaal mysteriespel in vijf bedrijven over Sint Sebastiaan, voor orkest, koor, en drie vocale solisten (1 sopraan, 2 alten), libretto van Gabriele D'Annunzio, 1911. De aartsbisschop van Parijs vroeg de Katholieken niet naar de voorstelling te gaan, omdat de danser die Sint Sebastiaan speelde een vrouw èn een Jodin was.

     5 concertwerken voor solist en orkest

- Première rhapsodie voor klarinet en piano, L 116,  1910, door Debussy georkestreerd in 1911.

- Petite pièce voor klarinet en piano of orkest, L 120, 1910

     7  andere werken voor orkest

- Prélude à l'après-midi d'un faune, 1894, L 88, geïnspireerd door het gedicht "L'Après-midi d'un faune" van Stéphane Mallarmé,

- Trois Nocturnes, 1899, geïnspireerd door een serie impressionistische schilderijen met de naam "Nocturnes" van James Abbott McNeill Whistler; L 91, voor orkest en vrouwenkoor

I Nuages

II Fêtes

III Sirènes, met woordloos zingend vrouwenkoor;

- La Mer voor orkest (1903-1905), L 109, drie symfonische schetsen, eenvoudige bouwsteentjes worden magische spinnewebben, baanbrekend vernieuwend:

1. De l'aube à midi sur la mer ('van de ochtend tot de middag op zee') - Très lent in b

2. Jeux de vagues ('spel van de golven') - Allegro in cis

3. Dialogue du vent et de la mer ('dialoog tussen de wind en de zee') - Animé et tumultueux in cis

- Images Deel 3 voor orkest, L 122

o    Gigues (1909-1912)

o    Ibéria (1905-1908)

o    Rondes de printemps (1905-1909)

- Le martyre de St. Sébastien, fragments symphoniques pour orchestre, 1911, L 124, afgeleid van het mysteriespel

     11 werken voor zang en orkest

- La demoiselle élue: La demoiselle élue s'appuyait sur la barrière d'or du ciel voor twee solisten, vrouwenkoor, en orkest, 1888, L 62

     12  kamermuziekwerken

- pianotrio in G grote terts, 1879, L 3, toen de componist 18 jaar was

- Nocturne et Scherzo voor cello en piano, L 26, 1882

- strijkkwartet in g kleine terts, opus 10, L 85, 1893, prachtig. Meditafief gedragen derde deel: Andantino, doucement expressif. 

- Danse sacrée en Danse profane voor chromatische harp en strijkkwintet, L103, 1904

- Première rhapsodie voor klarinet en piano, L 116,  1910, door Debussy georkestreerd in 1911

- Petite pièce voor klarinet en piano of orkest, L 120, 1910

- Syrinx, L 129, voor solo dwarsfluit, het beroemdste solofluitstuk ooit, 1913. Debussy schreef het werk oorspronkeijk onder de titel La flûte de Pan voor de derde akte van het toneelstuk Psyche van dichter Gabriel Mourey, waar het een sterfscene omlijstte.

- sonate voor cello en piano, L 135, 1915, prachtig;

- sonate voor fluit, altviool en harp, L 137, 1915, opgedragen aan zijn vrouw Emma. Een kamermuziekwerk met een enkele bezette fluit, altviool en harp was nog nooit eerder toegepast in een kamermuziekwerk. Daarna zouden andere componisten Debussy’s voorbeeld volgen. Een even lichtvoetige als droefgeestige sonate. Een meesterwerk.

- vioolsonate in g klein, L 140, 1917, Debussy's laatste compositie, hij schreef het werk als reactie op het bericht dat hij aan kanker leed en niet lang meer zou leven. Het werk een opgewekt en licht werk. 5 mei 1517 werd het werk voor het eerst uitgevoerd door violist Gaston Poulet en de componist zelf. Het was zijn laatste openbare optreden.

     60 werken voor zang en piano of andere instrumenten

- Beau Soir (“prachtige avond"), L 6, op een gedicht van Paul Bourget¸ 1878. Het lied werd nogal eens instrumentaal gearrangeerd. Jascha Heifetz maakte een arrangement voor viool en piano.

- La fille aux cheveux de lin (het meisje met vlashaar): Sur la luzerne en fleur, 1882, L 33, tekst: een gedicht van Charles Leconte de Lisle; opgedragen aan de (kastanjebruinharige) zangeres Marie Blanche Vasnier

- Ariettes oubliées, L 60, 1885–1887, 6 liederen

nr. 4. Chevaux de bois: Tournez, tournez, bons chevaux de bois, tekst Paul Verlaine

- Mélodies, L 81, 1891, drie liederen op tekst van Paul Verlaine

nr. 1. La mer est plus belle que les cathédrales, de zee is in de pianobegeleiding goed te horen

- Chansons de Bilitis, L 90, 1898, op 12 van de 146 teksten uit de gelijknamige bundel van Pierre Louys, prachtig, met sprekend zingen: reciteren, in 1900 gezet voor spreker, 2 fluiten, 2 harpen en celesta.

     30 (series) pianowerken

- Danse bohémienne, L 9, 1880

- Deux arabesques, L 66, gecomponeerd tussen 1888 en 1891, vroeg impressionistisch werk.

- Rêverie, 1890, L 68,

- Images (oubliées), L 87, 1894 (winter), drie werkjes opgedragen aan Yvonne Lerolle, pas in 1977 gepubliceerd.

- Pour Le Piano, 1899, suite voor piano, L 95

- Estampes, 1903 L 100, een raadsel dat zich verzet tegen elke analyse;

3. Jardins sous la pluie, toccatacompositie

- Masques, L 105,1904

- L'Isle Joyeuse (1904), L 106

- Suite bergamasque, 1905, L 75 één van Debussy’s bekendste pianowerken. De vierdelige suite is door een groot aantal andere componisten georkestreerd, maar blijft op piano het mooist.

1. “Prélude"

2. "Menuet"

3. "Clair de lune", veelvuldig gebruikt in minstens 8 films en in reclamespotjes;

4. "Passepied"

- Images, Set 1, L 110, 1905, verfijnde muzikale aquarellen

1. Reflets dans l'eau ("reflecties in het water") 1905, het belangrijkste werkje uit de verzameling

2. Hommage à Rameau

3. Mouvement, toccata-compositie

- Images, Set 2, L 111, 1907

2. Et la lune descend sur le temple qui fut

- Children's Corner, L 113, 1908, zesdelige suite, geschreven voor zijn dochtertje Chou-Chou. De titels van de delen zijn in het Engels, omdat Chou-Chou een Engels kamermeisje had.

- Le petit Nègre (“De kleine neger”), L 114, 1909, gecomponeerd om een leuk werk te schrijven dat óók door kinderen kon worden gespeeld. Er zijn nogal wat transcripties van gemaakt.

- Préludes, in totaal 24 composities. Verborgen polyfonie, klassieke frasering, apart gevoel voor klank en ritme. Rijk aan beelden, stemmingen en kleuren. De meest uiteenlopende uitzichten: sprookjesachtige atmosferen, dichterlijke indrukken en visioenen, maar ook spot. Juweeltjes Alle 24 préludes zijn door de Nederlandse componist Willem Strietman, de Engelse componist Colin Matthews, de Belg Luc Brewaeys en de Slowaak Peter Breiner voor groot symfonieorkest gezet.

Boek 1, L117, 1910

prélude nr. 2. Voiles (gordijnen of zeilen), 1909, in de heletoonstoonladder

prélude nr. 5. Les collines d'Anacapri (De heuvels van Anacapri, plaats in de buurt van Napels) tarantella–motief.

prélude nr. 6. Des pas sur la neige (Voetstappen in de sneeuw), relatief eenvoudig

prélude nr. 7. Ce qu'a vu le vent d'ouest (Wat de westenwind gezien heeft), gecompliceerde notenkluwen

prélude nr. 8. La fille aux cheveux de lin (het meisje met vlashaar) in Ges grote terts. Afgeleid van het gelijknamige lied (L 33) dat Debussy in 1882 had gecomponeerd. Eén van Debussy’s meest gespeelde werken, zowel in de originele versie als in allerlei arrangementen.

prélude nr. 10. La cathédrale engloutie (De verzonken Kathedraal), profondément calme, 1910, programmamuziek naar de Bretonse legende van het verdronken eiland Ys, de machtige klamk van grote kerkklokken wordt opgeroepen.

prélude nr. 12. Minstrels (Minstrelen), vleugje Music Hall en Broadwaysong. Jascha Heifetz maakte een arrangement voor viool en piano.

Boek 2, L 123, 1912

prélude nr. 4: "Les fées sont d'exquises danseuses''

prélude nr. 7: Ondine: Scherzando

prélude nr. 8. La terrace des audiences du clair de lune (Terras met toehoorders in maanlicht), mysterieus

prélude nr. 10. Canope, dat is een Egyptische vaas, geen idee wat dat met de muziek te maken heeft.

prélude nr. 12. Feux d'artifice (Vuurwerk), geïnspireerd op de Wereldtentoonstelling van 1889 in Parijs, met aan het eind een citaat uit de Marseillaise, daverend slotstuk

- Berceuse héroique, 1914, L 132, later bewerkt voor orkest;

- Pièce pour le Vêtement du blessé, 1915, L 133

- Douze études, boek 1 en 2, 1915, L 136

7. Pour les degrés chromatiques, abstract en los van traditie en tonaliteit;

9. Pour les notes répétées

11. Pour les arpèges composés, een arpeggio-etude. Straalt toch rust uit;

- Elégie, 1915, L 138

- Les soirs illumines par l'ardeur du charbon,1917,

     8 werken voor piano vierhandig of 2 piano’s

- Petite Suite, 1889, door Henri Büsser later voor orkest bewerkt. De vierdelige suite begint met

1. En bateau

- En blanc et noir voor twee piano's (1915)

- Six épigraphes antiques, voor piano vierhandig, L 131,1914, georkestreerd door Ernest Ansermet.

www.debussy.fr

 

Alphons Johannes Maria Diepenbrock (Amsterdam, 2 september 1862 – 5 april 1921), zoon van Ferdinand Hubert Aloys Diepenbrock en Johanna Josephina Diepenbrock-Kuytenbrouwer, kreeg als kind piano-, viool- en zangles. Op aandringen van zijn vader ging hij klassieke talen studeren. In 1888 promoveerde hij summa cum laude op een dissertatie over Lucius Annaeus Seneca, getiteld L. Annaei Senecae philosophi Cordubensis vita (Amsterdam, 1888).

Hij werd leraar aan het Stedelijk Gymnasium in 's-Hertogenbosch.

In 1894 ging terug naar Amsterdam. Daar gaf hij privéles in klassieke talen om in zijn levensonderhoud te voorzien. Zoveel mogelijk tijd besteedde hij, volledig autodidact, aan het componeren.

Op 8 augustus 1895 trouwde Alphons Diepenbrock met jonkvrouw Wilhelmina Elisabeth Petronella Cornelia de Jong van Beek en Donk. Zij kregen twee dochters, in 1905 Joanna en in 1907 Thea (later de tweede echtgenote van de componist Matthijs Vermeulen).

Alphons Diepenbrock werd een persoonlijke vriend van Gustav Mahler nadat deze in 1903 Amsterdam bezocht.                      

Alphons Diepenbrocks werk is na zijn dood grotendeels uitgegeven door het Alphons Diepenbrock-Fonds, opgericht in 1921. Alphons Diepenbrock schreef ook over muziek en andere onderwerpen. Zijn teksten zijn uitgegeven in de bundel Ommegangen.

Alphons Diepenbrock componeerde 150 werken:

     4 toneelmuziekwerken

- Marsyas of de betooverde bron, 1910, voor verteller en orkest, tekst Balthazar Verhagen;

- De vogels, 1917, voor verteller, tenor, vrouwenkoor en orkest, tekst Aristophanes, vertaling Christiaan Deknatel; van de zes delen wordt de omvangrijker ouverture vaak alleen uitgevoerd; in 1955 is er een ballet-suite uit afgeleid en gepubliceerd.

- Elektra, 1920, voor verteller en orkest, tekst Sophokles, vertaling P. C. Boutens, indrukwekkend meesterwerk, zou vaker uitgevoerd moeten worden. Er is ook een orkestsuite uit gedestilleerd

     4 orkestwerken.

     4 koorwerken met orkest

- Te Deum, 1897, revisie 1908, solisten,  koor en orkest

- Kyrie en Gloria, 1913, georkestreerde versie van Missa in die festo (versie 1894) voor mannenkoor en orgel

     2 werken voor solisten, vrouwenkoor en orkest

- Les elfes, cantate voor sopraan, bariton, vrouwenkoor en orkest, tekst Charles Marie Leconte de Lisle

     24 symphonische liederen voor zangstem en orkest

- Hymne an die Nacht ‘Gehoben ist der Stein’ ,1899, tekst: Novalis

- Hymne an die Nacht ‘Muss immer der Morgen wiederkommen’, 1899, tekst Novalis

- Im grossen Schweigen, 1906, tekst Friedrich Nietsche; aangrijpend

- Die Nacht, 1911, tekst F. Hölderlin, vol warmte en geheimzinnigheid

     3 werken voor mannenkoor en orgel

- Missa in die festo, 1891

     1 werk voor vrouwenkoor en piano

     19 a cappella koorwerken

- Caelestis urbs Jerusalem, 1897, voor de zeventigste verjaardag van architect Pierre Cuypers; het bouwen van een kerk wordt bezongen;

     1 werk voor viool en piano

     4 liederen voor zangstem en instrumenten

- Berceuse, 1912,  voor zangstem, cello en piano

     45 liederen voor zangstem en piano

- Clair de lune, 1898; orkestratie 1907, tekst Paul Verlaine;

- Les chats, 1906; orkestratie 1907, tekst C. Baudelaire;

- Recueillement, 1907; orkestratie 1907, tekst C. Baudelaire

- De klare dag, 1884, tekst Frederik van Eeden, heeft een Wagneriaanse lading, muziek die aanleunt tegen Tristan und Isolde

     6 liederen voor zangstem en orgel

     3 werken voor piano

     1 werk voor carillon

www.alphonsdiepenbrock.nl

 

Léon Boëllmann (Ensisheim (Elzas), 25 september 1862 –- Parijs, 11 oktober 1897), zoon van een apotheker, stapte op negenjarige leeftijd al de Ecole de Musique Classique et Religieuse (L'École Niedermeyer) in Parijs binnen, waar hij studeerde bij  de directeur: Gustave Lefèvre, en bij Eugène Gigout. Vanaf het behalen van zijn afstudeergraad in 1881 was Léon Boëllmann organist van de St Vincent-de-Paul, waar hij beschikte over een fraai romantisch orgel uit 1854, gebouwd door Aristide Cavaillé-Coll.

In 1885 trouwde  Léon Boëllmann Louise, de dochter van Gustave Lefèvre en de nicht van Eugène Gigout. Ze trokken bij Eugène Gigout, die zelf kinderloos was, in, en Boëllmann gaf op Eugène Gigouts orgelschool les in orgelspel en improvisatie. Toen Boëllmann in 1897 aan tuberculose overleed, en zijn vrouw een jaar later eveneens, ontfermde Eugène Gigout zich over hun drie weeskinderen, waarvan er één, Marie-Louise Boëllmann-Gigout (1891-1977), ook een bekende orgellerares werd.

Léon Boëllmann componeerde 160 werken

     7 orgelwerken of series orgelwerken

- Suite Gothique, opus 25, 1895, zijn bekendste werk

1. Introduction - Choral (ckleine terts)

2. Menuet gothique (C grote terts)

3. Prière à Notre-Dame (As grote terts)

4. Toccata (c kleine terts), dat is dan weer het bekendste stukje uit het hele werk.

     6 motetten

     20  liederen voor zangstem en piano

     2 werken voor zangstemmen en koor

     5 orkestwerken

- variations symphoniques, opus 23, 1893, celloconcert

- fantaisie dialoguée, opus 35, 1897, orgelconcert

     6 kamermuziekwerken

- cellosonate in a kleine terts, opus 40, 1897, opgedragen aan monsieur J. Delsart, met  een lyrisch andante

     14 pianowerken of series pianowerken  

 

Johannes (Johan) Wagenaar (Utrecht, 1 november 1862 – 's-Gravenhage, 17 juni 1941) kreeg zijn muziekopleiding aan de Toonkunstmuziekschool in Utrecht van Willem Petri (piano), Richard Hol (compositie en harmonieleer) en Samuel de Lange

(orgel). Hij speelde enkele jaren viool in de Utrechtse 'stadsconcerten' en werd in 1888 organist van de Domkerk. Hij bekleedde veel belangrijke functies in het lokale muziekleven.

In 1892 kreeg Johan Wagenaar les in contrapunt bij Heinrich von Herzogenberg in Berlijn. Hij dirigeerde de Toonkunstkoren in Utrecht, Arnhem en Leiden.

Van 1919 tot 1937 was hij directeur van het Koninklijk Conservatorium in 's-Gravenhage. Leerlingen waren Peter van Anrooy, Willem Pijper, Alexander Voormolen, Léon Orthel, J.S. Brandts Buys, Hans Brandts Buys, Johannes Röntgen en Jacob van Domselaer.

In 1916 ontving Johan Wagenaar een eredoctoraat van de Universiteit Utrecht. De Johan Wagenaar-Prijs is naar hem genoemd.

Johan Wagenaar componeerde 48 opusnummers

     2 opera’s

- De doge van Venetië

- De Cid

     11 Werken voor zangstem(men), koor en piano/orkest

- cantate De schipbreuk

- cantate Jupiter Amans

- Aveux de Phèdre

     15 orkestwerken

- symfonisch gedicht Saul en David

- ouverture Cyrano de Bergerac

- ouverture De getemde feeks

- ouverture Wiener Dreivierteltakt

     4 kamermuziekwerken met instrumenten en orgel

 

William Drake Rimmer (ook onder pseudoniem Eugene Damare, Southport, Engeland, 1862 – 9 februari 1936) was de oudste zoon van de dirigent van het militaire harmonieorkest Lancashire Volunteer Rifles. Op 15-jarige leeftijd werd William slagwerker van de Southport Rifle band, maar ging daar als snel kornet spelen. Later werd hij lid van brassband Besses o’ th’ Barn en ontwikkelde zich tot een van de beste kornettisten van Engeland.

Een van zijn leerlingen is Harry Mortimer. In 1913 werd William Rimmer uitgever en redacteur bij muziekuitgeverij "Wright and Round" in Liverpool.

William Rimmer was een broer van Robert Rimmer en een oom van de componist Drake Rimmer.

William Rimmer componeerde

     5 orkestwerken

     150 werken voor brassband

- Ravenswood, mars

     8 kamermuziekwerken

 

Sir Arthur Somervell (Windermere, Westmorland, 5 juni 1863 – 2 May 1937) was de zoon van de uitvinder van de K shoes. Hij studeerde aan King's College, Cambridge, bij Sir Charles Villiers Stanford. Van 1883 tot 1885 studeerde hij aan de Muziekhogeschool in Berlijn en van 1885 tot 1887 aan de Royal College of Music in London compositie bij Friedrich Kiel.

In 1894 werd hij docent aan het Royal College of Music. In 1901 werd hij benoemd als muziekinspecteur bij het Ministerie van Onderwijs.

Arthur Somervell  componeerde

     5 operettes

     12 koorwerken (met solisten en orkest)

- The Forsaken Merman, 1895,

- Intimations of Immortality, 1907

- The Passion of Christ, 1914

     liederen

- liedcyclus Maud (naar Tennyson, 1898)

- A Shropshire Lad.

     3 orkestwerken

     4 concerten

- vioolconcert, 1930, opgedragen aan de violist Adila Fachiri.

     3 kamermuziekwerken

 

Felix Mikhailovich Blumenfeld (Kirovohrad, Oekraïne, 19 april 1863 – Moskou, 21 januari 1931) was de zoon van de Oostenrijkse Jood Mikhail Frantsevich Blumenfeld en de Poolse Marie Szymanowska. Felix Blumenfeld studeerde van 1881 tot 1885 aan het St. Petersburg Conservatorium compositie bij Nikolai Rimsky-Korsakov en piano bij Fedor Stein. Hij gaf daarna zelf pianoles aan het Conservatorium van 1885 tot 1918, en dirigeerde ondertussen aan het Mariinsky Theatre tot 1911.

Van 1918 tot 1922 was Felix Blumenfeld directeur van de Muziek-drama school van Mykola Lysenko in Kiev, waar onder meer Vladimir Horowitz een leerling van hem was.

Van 1922 tot aan zijn dood doceerde hij aan het Conservatorium van Moskou.

Felix Blumenfeld was de oom van Heinrich Neuhaus en de oudoom van Stanislav Szymanowski.

Felix Blumenfeld componeerde

     3 orkestwerken

     3 kamermuziekwerken

     4 (series) koorwerken

     12 liederen

     59 (series) pianowerken

24 preludes, opus 17, 1892

 

Henri Constant Gabriel Pierné (Metz, 16 augustus 1863 - Ploujean, (Bretagne), 17 juli 1937) was een zeer talentvolle muzikant, die op zijn 11de jaar zijn eerste 'premier prix' kreeg. Hij werd al gauw toegelaten tot het Parijse Conservatoire national supérieur de musique, waar hij samen met Claude Debussy les kreeg van César Franck en Jules Massenet. Op negentienjarige leeftijd won hij de Prix de Rome.

In 1890 volgde hij César Franck op als organist-titularis van de Sainte Clotildekerk, een functie die hij waarnam tot 1898; daarna werd hij organist op het orgel van Aristide Cavaillé-Coll.

Gabriel Pierné componeerde

     10 opéra,s

     5 theatermuziekwerken

- Les cathédrales, prelude voor het dramatisch gedicht van Eugène Morand, gebaseerd op Bijbelse teksten; somber en dramatisch, verwijst naar de gruwelen van de Eerste Wereldoorlog.

     10 balletten

     4 oratoria

     1 cantate

     16 orkest werken

- 2 orkestsuites uit het theatermuziekwerk Ramuntcho, 1910

- Trois pièces formant suite de concert, 1883

2. Nocturne en forme de valse

- Scherzo-caprice, voor piano en orkest, 1890, een olijk walsje.

- Fantaisie-ballet, voor piano en orkest, 1885

- Piano Concerto in c  kleine terts , opus 12, driedelig, 1887

- Poème symphonique, voor piano en orkest, 1903, serieus.

- Concertstück, opus 39, voor harp en orkest, 1903

- Paysages franciscains, opus 43, 1920

     4 werken voor harmonieorkest

- Marche des petits soldats de plomb

- Marche solennelle

- Petit Gavotte et Farandole.

     22 kamermuziekwerken

- Trio avec piano,  opus 45, voor piano, viool en cello, 1922

- Voyage au pays du Tendre, 6-delige cyclus voor fluit, viool, altviool, cello en harp, 1935, een reis langs veel vormen en gevoelens van liefde en genegenheid.

- Introduction et variations sur une ronde populaire voor saxofoonkwartet, 1936, geschreven voor het legendarische saxofoonkwartet van saxofoonpionier Marcel Mule

     10 werken of series werken  voor piano

- Etude de concert, opus 13, 1887

     2 (series) orgelwerken

- Trois pièces, op. 29: Prélude-Cantilène-Scherzando

     1 werk voor harp

 

Aleksander Iljitsj (Ilyich) Siloti (Ziloti) (Charkov, Oekraïne, toen Rusland, 9 oktober 1863 – New York, 8 december 1945) was een zoon van Ilja Ziloti en Yuliya Rachmaninov (zus van Vasily Rachmaninov), daardoor was Alexander een volle neef van Sergej Rachmaninov. Ziloti studeerde vanaf 1871 aan het Conservatorium van Moskou piano bij Nikolaj Zverev en Nikolaj Rubinstein, contrapunt bij Sergei Taneyev, harmonieleer bij Pyotr Ilyich Tchaikovsky en theorie bij Nikolai Hubert. Daarna studeerde hij in Weimar in Duitsland bij Franz Liszt.

Aleksander Siloti was van1886 tot 1890 docent aan het Conservatorium van Moskou. Hij gaf daar les aan Sergej Rachmaninov.

Aleksander Siloti trouwde met Vera Tretyakova, pianiste en dochter van een welgestelde industrieel.

Van 1901-1903 leidde hij de Moskou Filharmonie; van 1903 – 1917 organiseerde, financierde, en dirigeerde hij de invloedrijke Siloti Concerten in Sint Petersburg, in samenwerking met de criticus en musicoloog Alexander Ossovsky.

In 1918 ontvluchtte Aleksander Siloti Sovjet Rusland naar Engeland, uiteindelijke vestigde hij zich in 1921 in New York. Van 1925-1942 gaf hij les aan de Juilliard Graduate School. Onder zijn studenten waren Marc Blitzstein, Gladys Ewart en Eugene Istomin.

Alexander Siloti is begraven op de Russische Orthodoxe Klooster Novo-Diveevo Begraafplaats, Nanuet, New York.

Zijn dochter, Kyriena Siloti, was pianist en docente in New York en Boston tot haar dood in 1989, op de leeftijd van 94 jaar.

Aleksander Siloti componeerde

     200 arrangementen

- Prelude in b kleine terts, gebaseerd op de Prelude in E kleine terts van J. S. Bach,

- Kaddish, lied van Ravel, getranscribeerd voor piano.

 

Enrique Fernández Arbós (Madrid, 24 december 1863 – San Sebastian, 2 juni 1939) begon al op jonge leeftijd zijn muziekstudie als violist aan het conservatorium van Madrid bij maestro Jesús de Monasterio. Daarna studeerde hij aan het conservatorium van Brussel bij Henri Vieuxtemps, waar hij cum laude slaagde. Hij sloot zijn vioolstudies af bij Joseph Joachim in Berlijn. In Berlijn studeerde Enrique Fernández Arbós ook compositie bij Heinrich von Herzogenberg.

In 1885, 22 jaar oud werd hij concertmeester van het symfonieorkest van Berlijn en kort daarna docent aan de conservatoria van Hamburg en Madrid. Van 1894 tot 1916 was Enrique Fernández Arbós viooldocent aan het Royal College of Music in Londen.

In 1904 werd hij voor 35 jaar dirigent van het symfonieorkest Madrid en orkestlid van de Koninklijke Kapel.

Enrique Fernández Arbós was een goede en populaire vioolleraar. Onder zijn leerlingen was Maud MacCarthy (later Omananda Puri), de vrouw van componist John Foulds.

Enrique Fernández Arbós componeerde

     1 komische zarzuela: El Centro de la Tierra, 1895

     5 orkestwerken

     5 kamermuziekwerken

- pianotrio Tres Piezas Originales en Estilo Español, zijn bekendste compositie

     vioolwerken

     pianowerken

     2 (series) liederen

     orkestarrangementen

- orkestratie van Iberia van Isaac Albéniz is zijn bekendste “werk”.

 

Pietro Mascagni (Livorno, 7 december 1863 – Rome, 2 augustus 1945) werd geboren als zoon van een bakker. Als jongen al bleek hij zeer muzikaal te zijn. Hij kreeg zijn eerste muziekopleiding in Livorno van Sofredini. Vanaf 1882 studeerde hij aan het Conservatorio "Giuseppe Verdi" in Milaan bij Amilcare Ponchielli en Michele Saladino.

Mascagni deelde daar een kamer met Giacomo Puccini. Beiden zaten financieel aan de grond en de enige luxe die ze zich in die tijd veroorloofden, was de gemeenschappelijke aankoop van de partituur van Parsifal, de opera van Richard Wagner. Als violist verbonden aan het orkest van het Teatro Dal Verme maakte Mascagni de première van Puccini's eerste werk Le Villi in 1884 mee.

In 1884 verliet Mascagni het conservatorium en sloot hij zich aan als dirigent bij een rondtrekkend operettegezelschap. Vanaf 1882 was hij bezig met het componeren van zijn eerste opera, Ratcliff. Hij vertaalde Andrea Maffeis, een tragedie van Heinrich Heine, zelf en zette die om in een libretto. De première was in het Teatro alla Scala van Milaan in 1895.

In 1889 las hij bij toeval over een door de Milanese uitgever Sonzogno uitgeschreven wedstrijd voor de compositie van eenakters. Hij won die wedstrijd met zijn opera Cavalleria Rusticana, gebaseerd op het werk Cavalleria rusticana van Giovanni Verga. Met deze eenakter werd hij in een jaar wereldberoemd.

Pietro Mascagni componeerde

     15 opera’s

- Cavalleria Rusticana, 1890, melodrama in 1 akte, libretto Giovanni Targioni-Tozzetti en Guido Menasci; De preludio helemaal aan het begin, waarin ex-soldaat Turrido (lyrische tenor) een siciliana voor zijn ex-geliefde Lola zingt, wordt nogal eens zelfstandig instrumentaal uitgevoerd. 

- L'amico Fritz, opera in drie bedrijven, 1891, libretto P. Suardon (Nicola Daspuro) (met toevoegingen van Giovanni Targioni-Tozzetti), gebaseerd op de roman L'ami Fritz van Émile Erckmann en Pierre-Alexandre Chatrian. Het "kersenduet" "Suzel, bon di" tussen Fritz (tenor) en Suzel (sopraan) in het 2de bedrijf is het bekendste stukje van de opera.

- I Pagliacci, opera in twee bedrijven en een proloog, libretto Ruggero Leoncavallo zelf. Pagliacci zijn clowns of paljassen, 21 mei 1892. De opera wordt tegenwoordig vaak samen opgevoerd met de eenakter Cavalleria Rusticana: “Pag en Cav”.

- Iris, 1898 opera in drie akten, libretto Luigi Illica

     1 operette

     4 toneelmuziekwerken

     3 missen

     1 reqiuem

     10 andere religieuze werken

- Regina Coeli voor sopraan, orgel, koor en orkest

     2 cantates voor zangstem en orkest

     1 symfonisch gedicht

     3 andere werken voor orkest

     1 koorwerk

     22 liederen

     11 werken voor piano solo

     2 filmmuziekscores

- Rapsodia satanica, 1915, regie Nino Oxilia - Mascagni dirigeerde zelf de eerste uitvoering bij de stomme film in juli 1917. Een van de allereerste “filmscores”. Een Faustiaans verhaal over een oude vrouw, die een pact sluit met de Mephisto om haar jeugd erug te krijgen. In ruil daarvoor moet ze zich verre houden van de liefde., een opera zonder woorden.

 

Raffaele Calace (*Napels, Italië, 1863 – 1934), zoon van Antonio Calace, kwam uit een familie van gerenommeerde mandoline- en gitaarbouwers. Rafaelle en zijn broer Nicola Calace (1859-1923) werkten vanaf jongs mee in het familiebedrijf. Beiden werden getalenteerde spelers en componisten. Rafaelle Calace studeerde aan het regionale conservatorium van Napels. Rafaelle Calace was een groot virtuoos die mandolinespeltechnieken naar een hoger plan trok. Rafaelle Calace maakte drie langspeelplanten met mandolinemuziek. Rafaelle Calace nam het  mandolinebouwatelier van zijn vader over en bracht belangrijke verbeteringen bij het instrument aan. Zij  dochter Maria (ook mandolinespeelster) en zijn zoon Giuseppe Calace zetten het bedrijf voort. Op het moment (2015) is “La Liuteria Calace” aan de Vico San Domenico Maggiore 9 in Napels in handen van zijn kleinzoon Rafaelle Calace Junior.

Raffaele Calace componeerde

     200 werken voor mandoline (samen met andere instrumenten)

- Siciliana, opus 78, voor mandoline en piano, door Vincent Beer-Demander gearrangeerd voor mandoline –orkest.

- Schule für Mandoline, 1910

- methode voor liuto cantabile, een soort basmandoline

www.calace.it

 

Ricardo Castro Herrera (Rafael de la Santísima Trinidad Castro Herrera, Hacienda de Santa Bárbara, Durango, Mexico, 7 februari 1864 – Mexico City, 27 november 1907) was de zoon van Vicente Castro, een deputaat van het congres en María de Jesús Herrera.

Ricardo Castro kreeg zijn eerste muzieklessen van Pedro H. Ceniseros. In 1879 verhuisde het gezin naar Mexico City en ging Ricardo aan het Nationaal Conservatorium piano studeren bij Juan Salvatierra en Julio Ituarte, harmonieleer en contrapunt bij Melesio Morales.

Afgestudeerd begon hij een carrière als concertpianist en componist.

Vanaf 1902 leefde Ricardo Castro in Parijs, waar hij de pianiste Cécile Chaminade leerde kennen.

Ricardo Castro componeerde

     5 opera’s

     6 orkestwerken

     3 kamermuziekwerken

     67 (series) pianowerken

- Vals Capricho, opus 1, 1901

 

Alfred Georges Bachelet (Parijs, Frankrijk, 26 februari 1864 – Nancy, 10 februari 1944) studeerde aan het Conservatorium van Parijs bij Ernest Guiraud. In 1907 werd hij chefdirigent van de Parijse opera. In 1919 werd hij als opvolger van Guy Ropartz directeur van het Conservatorium van Nancy, en bleef dat tot zijn dood in 1944.

Alfred Georges Bachelet componeerde

     3 opera’s

     1 ballet

     3 werken voor koor, solisten en orkest

-  Sûryâ, Hymne Védique  voor solisten, koor en orkest, 1943, standaardwerk

     5 orkestwerken

     3 kamermuziekwerken

     10 liederen

- Chère nuit, 1897, gecomponeerd voor zangeres Nellie Melba, werd wereldberoemd

     4 (series) pianowerken

     1 orgelwerk

 

Eugen (Eugène) Francis Charles d'Albert (Glasgow, 10 april 1864 — Riga, 3 maart 1932) was de zoon van de Duits/Frans/Italiaanse danser, pianist en arrangeur Charles Louis Napoléon d'Albert (1809–1886) en de Engelse Annie Rowell. Eugen d'Albert kreeg als kind muziekles van zijn vader. Vanaf zijn 12de in 1876 had hij les aan de National Training School for Music in Londen (het latere Royal College of Music) bij Ernst Pauer, Ebenezer Prout, John Stainer en Arthur Sullivan. Op zijn 14de gaf hij al pianoconcerten.

Vanaf 1881 ging Eugen d'Albert in Wenen studeren, waar hij onder andere Franz Liszt leerde kennen. Hij veranderde zijn naam Eugène in Eugen, verhuisde naar Duitsland en werd leerling van Franz Liszt in Weimar. In 1904 en 105 maakt hij een concertreis, onder meer naar Amerika.

Eugen d'Albert trouwde zes keer en had acht kinderen. Zijn eerste vrouw was Louise Salingré, de tweede zangeres/componiste Teresa Carreño, al meermalen getrouwd geweest en aanzienlijk ouder dan Eugen d’Albert; daarna trouwde hij nog met mezzo-sopraan Hermine Finck, actrice Ida Fulda, Friederike ("Fritzi") Jauner en Hilde Fels. Daarna had hij nog een vriendin: Virginia Zanetti. In 1907 werd Eugen d'Albert directeur van de Hochschule für Musik in Berlijn. Daarnaast werd hij kapelmeester aan het hof van Weimar.

In 1914 verhuisde Eugen d'Albert naar Zwitserland en werd Zwitsers staatsburger. Hij stierf op 69-jarige leeftijd in 1932 in Riga, Letland, waar hij heen was gereisd om de scheiding met zijn zesde vrouw te regelen. Hij werd begraven in Morcote, Zwitserland.

Eugen d'Albert componeerde

     21 opera’s, waarvan de orkestouvertures nogal eens apart worden uitgevoerd

- Der Rubin, opera in 2 bedrijven, libretto Eugen d’Albert, Friedrich Hebbel, 12. oktober 1893

- Gernot, opera in 3 bedrijven, libretto Eugen d’Albert, naar Gustav Kastropp, 11 april 1897.

- Die Abreise, 1898,

- Tiefland, 1903, zijn meest succesvolle opera

- Die toten Augen, 1916

     7 orkestwerken

- Esther, Ouvertüre opus 8,1888, bij het gelijknamige drama van Franz Grillparzer (1888)

- Assenpoester-suite opus 33, 1924, het sprookje van de gebroeders Grimm wordt nauwgezet en beeldend gevolgd.

     6 werken voor zangstem(men) en orkest

- Das Seejungfräulein. Scene voor zangstem en orkest opus.15, 1897, naar het sprookje van Andersen

     2 strijkkwartetten

     5 series pianowerken

     58 liederen voor zangstem en piano in 10 banden

 

Richard George Strauss (München, 11 juni 1864 — Garmisch-Partenkirchen, 8 september 1949) was de zoon van de hoornvirtuoos van de Königlich Bayerische Hofkapelle Franz Joseph Strauss. Eerste lessen kreeg hij voor viool bij Benno Walter, voor piano bij Carl Niest en voor muziektheorie bij hofkapelmeester Friedrich Wilhelm Meyer. Richard ontpopte zich al vroeg als een muzikaal talent. In 1876 schreef hij zijn Festmarsch, opus 1, die samen met andere werken in 1881 gepubliceerd werd.

Vanaf 1882 studeerde hij aan de universiteit Filosofie en Kunstgeschiedenis.

In 1884 werd hij op advies van de dirigent Hans von Bülow voor het seizoen 1881-1882 in München 2e kapelmeester naast Von Bülow zelf. In 1889 werd Richard Strauss groothertogelijke hofkapelmeester te Weimar.

Na concertreizen naar Moskou, Barcelona, Amsterdam, Londen en Parijs werd Strauss in 1898 voor tien jaren als 1e koninklijke hofkapelmeester in Berlijn aangesteld. In 1903 vond in Londen de eerste Richard-Strauss-week plaats.

Richard Strauss leed niet aan valse bescheidenheid. "Ik vind mezelf net zo belangrijk als Napoleon of Alexander de Grote" was zijn weerwoord op kritiek van zichzelf onderwerp maken van de symfonische gedichten Ein Heldenleben en Symphonia Domestica. Hij beroemde zich erop alles te kunnen verklanken en "zelfs een bierglas in tonen te kunnen schilderen".

In 1905 waren het succes en de opbrengst van Salome gigantisch. Strauss kocht er zijn buitenhuis in Garmisch-Partenkirchen, in de Beierse Alpen, van. In dat huis is hij tot zijn dood in 1949 met zijn vrouw, de zangeres Pauline de Ahna (met wie hij sinds 10 september 1894 getrouwd was) blijven wonen

In 1908 werd hij tot algemeen muziekdirecteur van de Berlijnse hofopera benoemd.

In 1917 behoorde hij met Max Reinhardt en Hugo von Hoffmannsthal tot de medeoprichters van de Salzburger Festspiele.

Van 1933 tot 1935 was hij president van de zogenoemde Reichsmusikkammer en in 1936 componeerde hij de Olympische Hymne. Er volgden veel internationale verplichtingen, onder andere in 1936 bij de Royal Philharmonic Society in Londen en voor de première van zijn Japanische Festmusik in Tokio in 1940.

Hoewel Strauss geen nazi was, nooit lid is geworden van de partij, Hitlergroeten altijd probeerde te vermijden en de hele Tweede Wereldoorlog bezig is geweest zijn Joodse schoondochter en Joodse kleinkinderen te beschermen, leidde zijn tolerante en opportunistische houding ten opzichte van het naziregime voor en in de Tweede Wereldoorlog wereldwijd tot kritiek. Hij was wèl voorzitter geweest van de Reichsmusikkammer en een boegbeeld van het Derde Rijk. Maar aan de andere kant nam hij het altijd op voor zijn Joodse librettoschrijver Stefan Zweig, en schreef hij de naar Engeland gevluchte auteur in de oorlog een brief, waarin hij het Nazidom veroordeelde. De brief viel in handen van de Gestapo: einde voorzitterschap Reichsmusikkammer. Hoewel Strauss ook na de Tweede Wereldoorlog een gewaardeerd componist en dirigent bleef, is die kritiek nooit geheel weggenomen.

Strauss overleed, met zijn vrouw en zoon aan zijn zijde, op 8 september 1949 in zijn huis in Garmisch-Partenkirchen. "Sterven is precies zoals ik het heb gecomponeerd in Tod und Verklärung, zei hij op zijn sterfbed tegen zijn schoondochter Het huis in Garmisch-Partenkirchen bestaat tot op de dag van vandaag en behoort toe aan zijn nakomelingen. Het is niet voor het publiek toegankelijk.

Franz Trenner publiceerde in 1999 een chronologisch werkenoverzicht waarin de werken van Richard Strauss werden voorzien van een   TrV-nummer.

Richard Strauss componeerde

     15 opera's

- Guntram, 1893, opus 25, opera in 3 aktes; libretto Richard Straus

- Feuersnot, 1901, opera in één bedrijf, libretto Ernst von Wolzogen

- Salomé, 1905; opus 54, opera in 1 akte; libretto: de in het Duits door Hedwig Lachmann vertaalde tekst van het toneelstuk van Oscar Wilde, dat handelt over de onthoofding van Johannes de Doper. Het verhaal wordt in sterk geërotiseerde vorm naverteld. In de laatste, vierde acte danst Salomé een erotische dans. Deze dans van zeven sluiers wordt  vaak opgevoerd als een striptease-act, waarbij de Salomé tegen het eind van de dans volledig naakt op de bühne staat. Aan de andere kant wordt de “sluierdans” ook vaak als orkestwerk buiten de opera om uitgevoerd.

- Elektra, 1909, opus 58, opera in 1 akte; libretto Hugo von Hofmannsthal maakte een bewerking van  Sophokles' drama. Een huiveringwekkende achtbaan door de duistere krochten van de ziel. Weergaloze muziek. Een van de meest gedurfde en veeleisende partituren. Koning Agamemnon heeft zijn dochter Iphigeneia aan de goden geofferd voor zijn vertrek naar Troje om die stad te belegeren. Zijn vrouw, Klytämnestra (mezzosopraan), haat hem daarom en doodt hem bij zijn terugkomst met hulp van haar minnaar Aegisthos (tenor). Klytämnestra vreest dat haar overlevende kinderen, Elektra (sopraan), Chrysothemis (sopraan) en Orestes (bariton), de dood van hun vader zullen willen wreken. Een opera tégen de sopraan, gezien de vocale eisen die aan de hoofdrolspeelster worden gesteld, geen moment rust.

- Der Rosenkavalier, 1910, opus 59, opera in 3 aktes; libretto Hugo von Hofmannsthal; Strauss' ode aan Mozart en de opera buffa; het allergrootste succes uit het leven van Strauss, maar waarvan ikzelf veel maten niet zou missen als ze werden geschrapt. Hoofdrolspeelster is Feldmarschallin Fürstin Werdenberg (sopraan), die een jonge minnaar heeft: Octavian (mezzosopraan); in 1926 herwerkte Richard Strauss de hele partituur voor een filmversie. De walsen uit de opera worden vaak als afzonderljke orkestwerken ("Ochs-walsjes", naar medespeler baron Ochs) uitgevoerd. De opera eindigt met een prachtig trio van de Feldmarschallin, Octavian en Sophie (sopraan), zijn verloofde, die uiteindelijk toch de "ware'' blijkt te zijn.

- Ariadne auf Naxos, 1912, opus 60, opera in 1 akte; libretto Hugo von Hofmannsthal; een opera in een opera. Een operagezelschap en een groep komedianten moeten gelijktijdig hun shows opvoeren voor een rijke heer. Dat leidt tot komische en clowneske scènes in de serieuze opera. Energieke conversatie, humor, herkenbare karakters en een fraai stuk Griekse mythologie komen samen.

- Die Frau ohne Schatten, (1917), opus 59, sprookjesopera in 3 aktes; libretto Hugo von Hofmannsthal. Na de voltooiing hiervan overleed Von Hofmannsthal. Magistrale opera, blijvend nieuw; ode aan huwelijk en gezin. Richard Strauss weet zelfs ongeboren kinderen in klank om te zetten.

- Intermezzo, opus 72, opera in twee bedrijven, libretto van de komponist zelf, “Bürgerliche Komödie mit sinfonischen Zwischenspielen” 1924, in een decor dat zijn eigen huis in Garmisch voorstelt. De hoofdpersonen zijn dan ook fictieve voorstellingen van Strauss zelf (de componist “Robert Storch”) en zijn vrouw Pauline (“Christine”) en het verhaal vertelt werkelijk gebeurde incidenten uit hun leven. Strauss zet zijn tierende echtgenote met compassie en een zekere mate van vertedering neer. Zichzelf portrettert hij als een slome, kaartspelende dirigent. Veel indruk heeft het verhaal niet achtergelaten. De bekendste muziek uit de opera betreft de orkestrale tussenspelen.

- Arabella, opera in 3 bedrijven, opus 79, libretto Hugo von Hofmannsthal, de zesde en laatste van deze librettist, 1 juli 1933. Gravin Adelaïde (mezzosopraan) is al haar geld kwijt geraakt. De familie kan alleen overeind blijven als haar dochter Arabella (sopraan) er in slaagt een rijke man te trouwen. Reden voor allerlei spannende en komische verwikkelingen. Belangrijke rollen voor Arabella's zus Zdenka (sopraan) en huwelijkskandidaten: de rijke Slaviër Mandryka (bariton), een ongelikte charmante beer, en de jonge officier Matteo (tenor). Hemelse muziek.

- Die schweigsame Frau, komische opera in 3 aktes, opus 80;   TrV 265, 1934, de elfde opera van Richard Strauss; libretto Stefan Zweig naar Ben Jonsons blijspel Epicoene or The Silent Woman.

- Daphne, opus 82,   TrV 272, opera in één bedrijf, zijn 13de opera, ondertiteld “Bukolische Tragödie in einem Aufzug”, libretto Joseph Gregor, losjes gebaseerd op de mythe van Daphne (sopraan), die, nagezeten door Apollo (tenor) in een Laurierboom verandert, uit Ovidius’ Metamorfosen. De opera is opgedragen aan dirigent Karl Böhm, die de première op 15 oktober 1938 verzorgde. Belangrijke rol voor de jonge herder Leukippos (tenor).

- Die Liebe der Danae, opera in drie bedrijven, libretto Joseph Gregor, gebaseerd op een ontwerp van Hugo Hofmannsthal, 28 juni 1940. Een ingenieuze mengeling van komedie en Griekse mythologie;

- Capriccio, opus 85,   TrV 279, “Konversationsstück für Musik“ in één bedrijf, de laatste opera die Richard Strauss geschreven heeft, 1942, libretto Clemens Krauss en Strauss zelf, op grond van een script van Stefan Zweig in de dertiger jaren. Droomachtig mooie slotscène, voorafgegaan door de Mondscheinmusik met een fameuze hoornsolo. De opera opent met een uitgebreide Prelude voor strijksextet. Het sextet werd een paar maanden voor de premiere van de opera al uitgevoerd bj een privéoptreden in het huis van de gehate Nazi Gauleiter Baldur von Schirach. Een gebaar van Strauss om bescherming te krijgen voor zijn zoon en diens half-Joodse vrouw, die waren gearresteerd.Het lukte Strauss op deze manier om ze vrij te krijgen en naar het buitenland te laten emigreren.

     7 balletten en danssuites

- Der Bürger als Edelmann, balletsuite Opus 60 (III), 1917; libretto Hugo von Hofmannsthal, vrij naar Molière;

     4 toneelmuziekwerken

- Enoch Arden, opus 38,   TrV 181, een melodrama voor verteller en piano, 1897,  op de woorden van het gelijknamige epische gedicht van Alfred, Lord Tennyson. Richard Strauss schreef het  voor de acteur Ernst von Possart, die hem aan de post van hoofddirigent aan de Beiserse Staatsopera had geholpen. Een schitterende mixture van poëzie en muziek

     2 symfonieën

     10 symfonische gedichten.

- Aus Italien, symfonisch gedicht in G groot, opus 16, 1886

- Macbeth, opus 23, 1888

- Don Juan, opus 20, 1888, vrij naar het gedicht van Nikolaus Lenau uit 1851; ongehoorde trefzekerheid waarmee Richard Strauss het verhaal in een muzikale vorm giet en virtuoos orkestreert. Hoort nog steeds bij zijn meest gespeelde werken.

- Tod und Verklärung,  opus 24, 1890, rijk georkestreerd, verklankt het het ziekbed, de dood en de uiteindelijke transfiguratie van een oude artiest. Op het eind van zijn leven citeert Richard Strauss het werk in zijn  Vier letzte Lieder, 1948

- Till Eulenspiegels lustige Streiche, opus 28, 5 november 1895, Tijls vrolijke avonturen worden vol humor met karakteristieke klanken uitgebeeld. Meesterstuk op het gebied van instrumentatie. Ook brekend vaatwerk wordt muzikaal exact uitgebeeld.

- Also sprach Zarathustra, opus 30, 1896, "frei nach Friedrich Nietzsche". De opening werd opgenomen in de film Space Oyssee 2001 uit 1968 van Stanley Kubrick, Het werden zo de bekendste "intergalactische" noten van Richard Strauss. Het negendelige werk eindigt met het Nachtwandlerlied, etherisch lied van de dolende nachtwaker.

- Don Quichote. opus 35, 1898, "Phantastische Variationen über ein Thema ritterlichen Charakters" voor cello en orkest. Er komt een kudde blatende schapen in voor: "Flatterzunge" van hout en koperblazers.

- Ein Heldenleben, opus 40, 1898,opgedragen aan het Concertgebouworkest van Willem Mengelberg; imposant, heroïsch. Het Concertgebouworkest had het (20170 192 op het programma staan.

- Symphonia Domestica, opus 53, 1904, symfonisch gedicht voor groot orkest, een beschrijving van zijn rustige, gereglementeerde familieleven. In het Adagio worden wel erotiek en de liefdesdaad zelf onverbloemd in muzieknoten beschreven.

- Eine Alpensinfonie, opus 64, 1915, zijn laatste symfonisch gedicht. 125 spelers, 50 minuten, een monumentaal werk. Oorspronkelijk zou dit werk naar Nietsches laatst voltooide boek "Der Antichrist" heten, maar omdat Strauss uit nog meer bronnen putte bij het schrijven van het symfonisch gedicht, zag hij daar vanaf. Uiteindelijk beschreef hij magistraal een tocht van 24 uur door de Alpen. Jodelmotieven, blatende schapen, zachtjes stromende bergbeken, dwaaltochten door het kreupelhout, hoosbuien, onweer in de bergen worden op subtiele, romantische en geniale wijze door Strauss verklankt. Een overweldigend, maar tegelijkertijd hypersubtiel werk.

     7 ouvertures

     8 concerten

- Hoornconcert nr. 1 in Es grote terts, opus 11, 1883, prachtig werk, geschreven voor zijn vader, vermaard hoornist in München; voor de hoornist behoorlijk gecompliceerd. Legendarische eerste maten.

- Burleske in d kleine terts, voor piano en orkest, 1886

- Hoornconcert nr. 2 in Es grote terts, 1943

- hoboconcert in D grote terts, 1945 voor hobo en klein orkest, opgedragen aan Volkmar Andreae en het Tonhalle Orchester Zürich

     7 andere werken voor orkest

- Rosenkavalier Suite, 1944, uit de opera samengesteld met behulp van de Poolse dirigent Artur Rodziński; veel geraffineerde klankkleuren.

- Metamorphosen, 1948, symfonie voor 23  solostrijkers; een tijdloos meesterwerk, dat treurt bij de ondergang van een cultuur.

     14 werken voor harmonieorkest en blazers

- Serenade in Es grote terts, opus 7, 1882, voor blaasensemble: vier hoorns, twee dwarsfluiten, twee hobo's, twee klarinetten, twee fagotten en een contrafagot of tuba. 

 - Variaties over "Wilhelm von Oranien", 1892

     1 cantate

     22 koorwerken, waarvan een aantal met orkestbegeleiding

- Zwei Gesänge, voor 16-stemmig (4xSATB) gemengd koor a cappella, opus 34, 1897

1. Der Abend - tekst: Friedrich Schiller: mythologische schildering van zonsondergang en zwangere nacht; magistraal op het doek gezet

2. Hymne - tekst: Friedrich Rückert: over aartsvader Jacob, die zijn zoon Jozef moest missen

- Drei Männerchöre op. 45, 1899; tekst: Johann Gottfried Herder (Volkslieder, 1778)

1. Schlachtgesang

2. Lied der Freundschaft

3. Der Brauttanz

- Die Tageszeiten, opus 76,  TrV 256, 1928, liedcyclus voor mannenkoor en orkest, teksten Joseph Freiherr von Eichendorff.

nr. 4 "Die Nacht" (Wie schön, hier zu verträumen); beneemt je de adem

- Drei Männerchöre, 1935, op teksten van Friedrich Rückert

nr. 3: Fröhlich im Maien („Blühende Frauen, lasset euch schauen“)

     17 kamermuziekwerken

- Introductie, thema en variaties in G grote terts, voor fluit en piano, TrV 76, 1879

- Serenade (ook wel Suite) voor 13 blazers in Es grote terts, opus 7,  TrV 106, 1881, het eerst concertwaardige werk van Richard Strauss, gemodelleerd naar de Gran Partita van Wolfgang Amadeus Mozart, waar het een waardige opvolger van is.

- Fantasie über einThema von Giovanni Paisello, voor fagot, Mundflöte, en gitaar, TrV 116, 1883. De "mundflöte" is vermoedelijk een Brechtesgadener Blokfluit in c2 of een Weense Csakan in c2

- Suite voor 13 blazers in Bes grote terts, opus 4,  TrV 132, 1884,

- Pianokwartet in C grote terts, opus 13,  TrV 137, 1885, je hoort Johannes Brahms er in terug.

- Sonate voor viool & piano in Es grote terts, opus 18,  TrV 151, 1888, pompeuze en drakerige sonate, volgens anderen een geniaal jeugdwerk;

- Sonatina No 2 in Es grote terts (Fröhliche Werkstatt), opus 143,  TrV 291, 1946, voor 16 blaasinstrumenten; ook wel bekend als Symfonie voor blaasinstrumenten

     200 liederen voor zangstem en piano of orkest of andere instrumenten, veel geschreven voor zijn echtgenote, de sopraan Pauline de Ahna, die ze - volgens getuigenverklaringen - superieur uitvoerde.

- Alphorn ("Ein Alphorn hör' ich schallen"), opus 15,  TrV 64,  voor mezzo-sopraan, hoorn en piano, 1878

- Acht Gedichte aus „Letzte Blätter“, voor sopraan en piano (of: orkest), opus. 10, 1885 - tekst: Hermann von Gilm zu Rosenegg (1812-1864)

nr 1. Zueignung

nr 8. Allerseelen

- Mädchenblumen, vier liederen voor zangstem en piano, opus 22,  TrV 153, 1888

- Schlichte Weisen (eenvoudige liedjes), 1889, cyclus van vijf liederen op teksten van Felix Dahn (1834-1912), opus 21,  TrV 120,

nr 4. "Ach weh mir unglückhaftem Mann"

- Vier Lieder, voor zangstem en piano, opus 27.1894, huwelijks cadeau voor Pauline, gereviseerd in 1948 - tekst: Karl FriedrichHenckell (1864-1929);  TrV 170

nr 1. Ruhe, meine Seele!;

nr 2. Cäcilie;

nr 3. Heimliche Aufforderung;

nr 4. Morgen; vleugje melancholie;

- Vijf liederen, opus 39, 1898 voor stem en piano;

nr 4. "Befreit, du wirst nicht weinen", één van Strauss mooiste liederen.

- Fünf Lieder, opus 41, 1899

nr 1. "Wiegenlied" (Träume, träume, du mein süßes Leben)

- Twee liederen voor lage stem en orkest, opus 44, 1900,

nr 1. "Notturno" (Hoch hing der Mond), mooier en treffende kan de dood niet worden uitgebeeld; "minimaal" lied, haast atonaal

- Krämerspiegel: ironische liederencyclus van 12 liederen, opus 66,  TrV 236,1918,

- 6 Lieder, voor zangstem en piano, opus 67,  TrV 238, 1918

nr 1. 3 Lieder der Ophelia aus Shakespeares Hamlet - tekst: Karl Joseph Simrock naar William Shakespeare

- 6 Lieder nach Gedichten von Clemens Brentano, voor zangstem en piano opus 68,  TrV 235, 1918, georkestreerd in 1940

nr 2. Ich wollt ein Sträußlein binden, opgedragen aan Elisabeth Schumann; verfijnd;

nr 5. Amor

- Drei Hymnen, opus 71  TrV 240, tekst Friedrich Hölderlin (1770-1843), 1921, voor hoge stem en orkest; opgedragen aan Minnie Untermayr

- Drie Liederen, opus 88, 1933/1942, voor zangstem en piano

nr 1. "Das Bächlein"  TrV 264, tekst Johann Wolfgang von Goethe, 1933

- Vier letzte Lieder ,1948 voor sopraan en orkest, op gedichten van Joseph von Eichendorff en Hermann Hesse. Het symfonisch gedicht Tod und Verklärung wordt hierin geciteerd. Strauss' laatste liefdesverklaring aan de sopraanstem; over dood en afstand nemen;

nr 1. "Frühling"

nr 3. "Beim Schlafengehen"

nr 4. "Im Abendrot"

- Malven ("Aus Rosen"),  TrV 297, november 1948, voor zangstem en piano, het laatste lied dat Strauss schreef en cadeau gaf aan sopraan Maria Jeritza, die het tot haar dood bij zich hield, het werd pas in 1982 in haar nalatenschap ontdekt. Voor het eerst uitgevoerd in 1985.

     14 pianowerken

www.richardstrauss.at

 

James Ord Hume (pseudoniem: William German, Paul Haake, Lilian Raymond) (Edinburgh, Schotland, 14 september 1864 – Londen, 27 november 1932) werd op zestienjarige leeftijd kornettist bij de muziekkapel van de Royal Scots Greys in Dalkeith. In 1895 was hij dirigent van de "Band of the 3rd Durham Light Infantry" in Sunderland. Hij kreeg de rang van luitenant-kolonel in het Britse leger.

James Ord Hume componeerde 200 werken:

     155 werken voor harmonie en brassband

- BB & CF (British Bandsman & Contest Field), mars, 1900, zijn bekendste werk

- Brilliant March, voor brassband

     2 kamermuziekwerken 

 

Alexandre Levy (São Paulo, Brazilië, 10 november 1864 — 27 januari 1892) werd geboren in een muzikaal actief Joods gezin, afkomstig uit Frankrijk. Zijn vader Henry Louis Levy was klarinettist. Alexandre Levy trad vanaf zijn achtste jaar op en gaf pianoconcerten toen hij twaalf jaar was.

In São Paolo richtte hij eerst de Clube Haydn en daarna de Clube Mendelssohn op, die zich wijdden aan het uitvoeren van klassieke muziek. In 1887 studeerde hij enige tijd in Parijs bij Emile Durand en Vincenzo Ferroni.

Hij experimenteerde in zijn composities met een vermenging van klassieke compositietechnieken met Braziliaanse populaire volksmuziek en ritmes. Alexandre Levy is maar 27 jaar oud geworden.

Alexandre Levy componeerde

     26 (series) pianowerken

     orkestwerken

- Variações sobre um Tema Brasileiro

- Maxixe

- Suíte Brasileira, 1890, hier duikt in een klassiek muziekstuk voor het eerst een “Samba” op.

     kamermuziek

     werken voor zangstem en piano