Componisten

vanaf 1875

 

Reinhold Moritzevitsj Glière (Kiev, Oekraïne, 11 januari 1875 – Moskou, 23 juni 1956) was de tweede zoon van de naar Kiev geëmigreerde Duitse blaasinstrumentenbouwer Ernst Moritz Glier en Poolse echtgenote Josephine Kortschak. Al jong kreeg hij vioolles van Adolf Weinberg (1844 - 1921). Daarna kreeg hij op de muziekschool in Kiev vioolles van Otakar Ševčík en bij E. A. Ryb piano, muziektheorie en compositie. Vanaf 1894 studeerde Reinhold Glière het conservatorium van Moskou viool bij Jan Hřímalý, harmonieleer bij Anton Arenski en Georgi Konius, contrapunt bij Sergej Tanejev, en compositie bij Michail Ippolitov-Ivanov.

In 1900 kreeg Reinhold Glière een baan aan de Gesin-muziekschool te Moskou. Sergei Prokovjef kreeg vanaf zijn 11de jaar les van hem. In 1913 ging hij terug naar Kiev. Hij werd daar docent aan het conservatorium en in 1914 directeur. In 1920 werd hij docent compositie aan het conservatorium Moskou.

Reinhold Glière componeerde

     23 orkestwerken

- Concerto voor harp en orkest in Es grote terts, opus 74, 1938, slaat een brug tussen de Weense klassieken en de Russische Romantiek.

     9 werken voor harmonieorkest

     5 opera’s

     6 balletten

     1 theatermuziekwerk

     cantates

     kamermuziekwerken

     talloze pianowerken

     werken voor harp

     1 filmscript

     liederen

     koorwerken

 

Fritz Kreisler (2 februari 1875 – 29 januari 1962)  werd geboren in Wenen. Zijn vader was Jood, zijn moeder protestant. In Wenen studeerde hij muziek aan het Conservatorium; hij vervolgde zijn studie in Parijs bij Léo Delibes, Anton Bruckner, Jakob Dont, Joseph Hellmesberger, Joseph Massart en Jules Massenet.

In 1899 gaf hij een concert met de Berliner Philharmoniker, waarmee hij naam maakte. Fritz Kreisler diende kort tijdens de Eerste Wereldoorlog in het Oostenrijkse leger, maar hij kon dat na een verwonding verlaten.

Gedurende de laatste jaren van de oorlog verbleef hij in Amerika. Daarna had hij optredens over de hele wereld. Vanaf 1924 woonde hij in Berlijn, daarna verhuisde hij naar Parijs, om uiteindelijk Amerika als woonplaats te kiezen; in 1943 werd hij Amerikaans staatsburger. Zijn laatste concert gaf hij in 1947.

Hij overleed in 1962 in New York, en werd begraven in een privé mausoleum op de Woodlawnbegraafplaats, Bronx, New York. Fritz Kreisler bezat verschillende antieke violen van bouwers als Antonio Stradivari, Pietro Guarneri, Giuseppe Guarneri, en Carlo Bergonzi.

Toen Kreisler bij een uitvoering van Edvard Griegs Derde sonate voor viool en piano de draad kwijt was, fluisterde hij Sergej Rachmaninov toe (die hem op de piano begeleidde): "Waar zijn we?" Zonder een noot te missen antwoordde Sergej Rachmaninov: "in Carnegie Hall!"

Fritz Kreisler componeerde.

     4 operettes

- Apple Blossoms, 1919, Sissy 1932

     13 vocale werken

     1 vioolconcert

     1 strijkkwartet

- Strijkkwartet in a kleine terts, gepubliceerd in 1921

     40 (series) werken voor viool en piano

- Viennese Rhapsodic Fantasietta, 1948

- Drie oude Weense dansen, 1910

1. Liebesfreud

2. Liebesleid, op het randje van kitsch, maar dat heeft ook wel iets verrukkelijks

     4 werken voor cello en piano

     2 werken voor soloviool

- Recitative en Scherzo-Caprice voor viool solo, opus 6, 1911, voor Eugène Ysaÿe

     3 werken voor piano solo

 

Ricardo Viñes (Lerida, Catalonië, 5 februari 1875 – Barcelona, 29 april 1943) studeerde piano aan het conservatorium van Parijs en compositie en harmonie bij Benjamin Godard en Albert Lavignac. Hij was bevriend met Maurice Ravel en voerde vele van  Maurice Ravels werken uit. Viñes was ook lid van het muziekcollectief dat bekend stond als Les Apaches.

Viñes was ongetrouwd en zowel hij als Maurice Ravel waren hun hele leven vrijgezel. Deze feiten hebben tot vele speculaties geleid over hun innige vriendschap, hoewel het tien jaar beslaande dagboek van Viñes geen melding maakt van een intieme relatie.

Ricardo Viñes componeerde

     pianowerken

- Twee Hommages

- Estampies, geïnspireerd door de schilderijen van J.M. William Turner

     liederen

 

Erkki Melartin (Käkisalmi, Finland (nu Priosersk, Rusland), 7 februari 1875 – Pukinmäk (tegenwoordig een stadsdeel van Helsinki), 14 februari 1937) had van 1892 tot 1899 in Helsinki les van Martin Wegelius en van 1899 tot 1901 in Wenen van Robert Fuchs.

Erkki Melartin doceerde vanaf 1901 muziektheorie, muziekgeschiedenis en piano aan het Helsinki Muziekcollege en was van 1911 tot 1936 directeur van het Conservatorium van Helsinki. Van 1908 tot 1911 was Erkki Melartin dirigent van het Vyborg Orkest, waarmee hij overal in de wereld concerten gaf. Erkki Melartin schilderde en fotografeerde ook en was een verwoed verzamelaar van ansichtkaarten en postzegels. Erkki Melartin is begraven op de Hietaniemi begraafplaats in Töölö, Helsinki

Erkki Melartin componeerde

     1 opera

     2 balletten

- Sleeping Beauty, hieruit is de Juhlamarssi (feestmars)  de populairste bruidsmars in Finland

     24 theatermuziekwerken

     9 symfonieën

     31 andere orkestwerken

- Traumgesicht, 1910, symfonisch gedicht, charmant impressionistisch

- orkestsuite uit sprookjesballet The Blue Pearl, opus 160, 1929, sprekende klankrijkdom

     5 cantates voor solisten, koor en orkest

     6 werken voor zangstem en orkest

- Marjatta, opus 79, 1914, tekst de “Kalavela”, voor sopraan en orkest

     86 koorwerken

     7 werken voor strijkkwartet

     24 andere kamermuziekwerken

     236 (series) liederen voor zangstem en piano

     150 (series) pianowerken

     36 arrangementen

 

Maurice (of Joseph-Maurice) Ravel (Ciboure, 7 maart 1875 – Parijs, 28 december 1937) was van moederszijde van Baskische afkomst. Zijn vader was een ingenieur uit Franstalig Zwitserland. Nog in Maurice' geboortejaar verhuisde het gezin naar Parijs, waar in 1878 zijn broer Édouard werd geboren. Ravel kreeg op zevenjarige leeftijd zijn eerste pianolessen en werd in 1889 toegelaten aan het Parijse conservatorium. Zijn pianistenopleiding maakte hij niet af. In 1897 keerde hij terug naar het conservatorium om bij Gabriel Fauré compositielessen te volgen.

Als jongeman was Maurice Ravel wegens zijn geringe postuur afgekeurd voor militaire dienst. Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende Ravel zijn vaderland als vrachtwagenchauffeur in het leger. Ondanks zijn opgelaaide vaderlandsliefde hield hij afstand tot pleidooien om Oostenrijkse en Duitse componisten niet meer uit te voeren. In 1916 keerde Ravel ziek en met een zwaar trauma vanuit Duitsland naar Frankrijk terug. Kort daarop stierf zijn moeder, bij wie hij steeds gewoond had, waarop hij bij zijn broer introk. Na diens huwelijk kocht hij in 1921 de villa Le Belvédere in Montfort-l'Amaury bij Parijs, waar hij de laatste zestien jaar van zijn leven tot zijn dood zou blijven wonen. Het pittoreske huis, dat vanaf het balkon een prachtig uitzicht biedt over de omgeving, is nu een museum.

In 1928 maakte Maurice Ravel een grote concertreis door de Verenigde Staten en Canada.

Gedurende zijn laatste levensjaren was Ravel ten gevolge van een niet geheel opgehelderde neurologische aandoening niet meer in staat te schrijven. Hij stierf op 28 december 1937, 62 jaar oud, in een Parijs ziekenhuis. Hij werd begraven op de begraafplaats Levallois-Perret in Parijs, waar ook zijn ouders lagen. Ravel is, ondanks verschillende langdurige relaties, nooit getrouwd en is kinderloos gebleven.

In 1986 publiceerde musicoloog  Marcel Marnat een chronologische catalogus van de werken van Maurice Ravel, voorzien van een MM nummer.

Maurice Ravel componeerde

     3 opera’s

- L'Heure espagnole, comédie musicale in één bedrijf, 1907, libretto Franc-Nohain, gebaseerd op zijn toneelklucht met dezelfde naam. De hoofdrol is voor Concepción (mezzo–sopraan), de vrouw van klokkemaker Torquemada (tenor), die de afwezigheid van haar man blij gebruikt om anderen in haar bed te lokken. De zelfingenomen dichterstudent Gonzalve (tenor) houdt echter meer van poëzie. Met de dikke bankier Don Iñigo Gomez (bas) wil het ook allemaal niet zo lukken, de sterke macho muildierdrijver Ramiro (bariton) biedt meer kansen, maar helaas komt Torquemada bijtijds terug. Wordt voor Concepción uitkijken naar de volgende keer.

- L’Enfant et les sortilèges (het kind en de betoveringen), lyrische fantasie in één akte, libretto van Colette, 1925, een geniale compositie, soms alleen door orkest uitgevoerd. In een oud huis in het boerenland van Normandië zit halverwege de middag een ondeugend jongetje (mezzosopraan) knorrig  voor zijn schoolopgaven niks te doen. Moeder (alt) komt binnen en straft haar zoontje voor zijn luiheid. Het jongetje wordt erg obstinaat: gooit met een theekopje (alt), plaagt het eekhoorntje (mezzo-sopraan) in zijn kooi, trekt de kat (bariton) aan zijn staart, pookt de kachel (sopraan) wild op, keert de waterketel (tneor) om, verscheurt zijn leerboek, trekt zijn tekenpapier kapot, vernielt de oude klok (bariton) enzovoort.

Uitgeput laat hij zich uiteindelijk in een oude fauteuil vallen, maar dan begint de betovering.

Stuk voor stuk komen nu voorwerpen en dieren tot leven en gaan spreken, en bedreigen het ineengedoken en verstijfde jongetje. Eerst in de kamer en dan in de tuin, uiten de schepsels één voor één hun grieven en hun wil tot wraak. Als het jongetje vertwijfeld om zijn moeder roept, willen alle schepsels zich op hem storten om hem te straffen. Net voordat dit gebeurt, raakt in het tumult een eekhoorntje gewond. Grote consternatie! Maar het jongetje ontfermt zich over het eekhoorntje, verbindt zijn pootje en verzorgt hem liefdevol. De dieren en de dingen zien nu, dat het kind geleerd heeft van zijn ervaringen. Ze schenken hem vergiffenis en geven hem terug aan zijn moeder, die hem troostend in haar armen sluit.

De betovering is verbroken en de voorwerpen en de dieren nemen weer hun oude positie in. De theepot is een briljante rol voor tenor. Het jongetje geeft een sopraan veel werk, de prinses, het vuur en de nachtegaal geven een andere sopraan aardig wat lastige coloraturen. Inventief, gevarieerd en kleurrijk werk, schoolvoorbeeld van instrumentatiekunde.

     3 balletten

- Daphnis et Chloé , 1912 gecomponeerd voor de Ballets Russes van Serge Diaghilev, gebaseerd op het boekje Daphnis en Chloë van de Griek Longus uit de 3de eeuw, met onbehoorlijke zinnen als "ze spreidde zich onder hem en wees hem vaardig de weg die hij zolang had gezocht". Maurice Ravel waardeerde dat kennelijk wel, het is het langste werk uit zijn loopbaan, zijn meest ambitieuze partituur. Het driedelige meesterwerk telt twaalf onderdelen. Het voorlaatste deel is een Pantomime met een mooie fluitsolo en het laatste een Bacchanale voor alle dansers. Ravel schrijft daar een 5/4-maat, niet ech voor de hand liggend in een dans. De dansers zongen tijdens het oefenen Se-ge-dia-ghi-lev om het ritme vast te kunnen houden. 

- Ma Mère l'Oye, 1912, in eerste instantie een ‘suite' voor piano vierhandig, gebaseerd op de Sprookjes van Moeder de Gans, voor de kinderen Jean en Mimie van zijn vrienden Ida en Cipa Godebski. In hetzelfde jaar (1910) zette Ravel de vierhandige stukken om voor solopiano ten behoeve van zijn vriend Jacques Charlot. Beide pianoversies dragen de subtitel "cinq pièces enfantines". In 1911 orkestreerde Ravel het werk tot 'Suite de Concert'. In 1912 zette hij dit om in een ballet - 'Suite de Ballet' waarbij hij het uitbreidde met twee delen en met verbindende 'interludes' tussen alle onderdelen.

- 3. Pavane de la Belle au bois dormant (Pavane van Doornroosje)

- 5  Petit Poucet (Klein Duimpje) met kwinkelerende vogels

     3 pianoconcerten

- "Concerto pour la main gauche" in D, 1930,  geschreven voor Paul Wittgenstein die in de eerste wereldoorlog zijn rechterarm verloor; intens, krachtig en donker van sfeer; een van de zwaarste stukken uit de pianoliteratuur;

- Pianoconcerto in G, 1931, met het mooiste langzame deel dat ooit gecomponeerd werd.

     1 vioolconcert

     12 andere orkestwerken

- Shéhérazade, ouverture de féerie, 1898, MM 17,  had de opening moeten zijn van een nooit gerealiseerde opera  naar gegevens uit 1001 Nacht. Fraai werk.

- Miroirs, orkestratie van twee delen uit de pianosuite van 1905.

1. Une barque sur l'océan, georkestreerd 1906

2. Alborada del gracioso, georkestreeerd 1918

- Rhapsodie espagnole, opus 54, 1908, oorspronkelijk geschreven als pianoduet  in 1907.

- Pavane pour une infante défunte 1909, orkestratie van het pianowerk uit 1899.

- Daphnis et Chloé, Suite nr. 1 voor orkest, 1911, afgeleid van het gelijknamige ballet.

- Daphnis et Chloé, Suite nr. 2 voor orkest, 1912, afgeleid van het gelijknamige ballet, begint met de mooiste zonsopkomst uit de orkestliteratuur.

- Valses nobles et sentimentales, opus 61, 1912,  orkestarrangement van de pianoversie van 1911, de acht walsen werden in 1912 georkestreerd als het ballet Adélaïde, ou le langage des fleurs (Adelaide, of de taal van de bloemen), voor de Russische danseres Natasha Trouhanova..

- Le Tombeau de Couperin, Suite d'orchestre, 1919, vier briljant georkestreerde delen van de pianocompositie uit 1917.

- La valse, un poème choréographique, 1920, een geniaal werken met allerlei onverwachte dieptes. Ravel arrangeerde het voor twee piano's en ook voor piano solo. Een persiflage van de Weense wals.

- Bolero, 1928, gecomponeerd als ballet voor de Russische danseres Ida Rubinstein, maar als orkestwerk buitengewoon populair geworden

- Menuet Antique, 1929, orkestratie van het pianowerk uit 1895.

     8 kamermuziekwerken

- sonate pour violon et piano (Posthume), 1897, werd lang na Ravels’ dood tussen zijn papieren ontdekt en werd voor het eerst gepubliceerd en uitgevoerd in 1975. Eendelig verrukkelijk lyrisch werk.

- strijkkwartet in F groot, 1903, opgedragen aan zijn vriend en leraar Gabriel Fauré, Ravels’ succesvolste kamermuziekwerk.

- Introduction et allegro, voor harp, fluit , klarinet en strijkkwartet, 1905, een meesterwerk.

- Pianotrio voor piano, viool en cello, 1914, een sprookjesachtig, exotisch, kleurrijk meesterwerk; gloeiende hartstocht;

- Tzigane voor viool en luthéal, 1924, een verloren gewaand  instrument dat in 1994 teruggevonden werd; losjes op zigeunermuziek gebaseerde rhapsodie. Is ook georkestreerd.

- Vioolsonata (nr.2), 1927, geïnspireerd door Amerikaanse jazz- en bluesmuziek; vooral het middendeel: Moderato, Blues, met een bluesthema is opvallend, je kunt er duidelijk een banjo en een saxofoon in ontdekken.

- Sonate voor viool en cello, 1922, briljant, scherp geslepen, ongelooflijk spannend.

     1 koorwerk

- Trois Chansons voor gemengd koor a cappella; tekst Ravel zelf; 1915

nr. 2 Trois beaux oiseaux du paradis

     11 cantates

     15 werken voor zangstem(men) en orkest

- Shéhérazade, liedcyclus voor sopraan (of tenor) en orkest, 1903, MM 41, naar drie gedichten van Tristan Klingsor: Asie; La flûte enchantée (met een betoverende fluitsolo), en  l'Indifférent.

- Histoires naturelles, MM 50, 1906, cyclus van  5 liederen voor alt en piano op teksten van Jules Renard.

nr. 1. Le Paon

- Deux mélodies hébraïques (Twee Hebreeuwse Liederen), voor zangstem en piano, 1914 of orkest, 1919, op bijbelteksten

nr. 1. "Kaddisch," Aramees en Frans, Alexander Siloti heeft er een pianotranscriptie van gemaakt. 

nr. 2. "L'énigme éternelle" Yiddish en Frans

- Chansons madécasses, 1926, liedcyclus voor sopraan, fluit, cello en piano naar Evariste-Désiré Parny de Forges over het koloniale leven op Madagascar;

- Don Quichotte à Dulcinée,  liedcyclus, gebaseerd op het verhaal van Don Quichotte, tekst  Paul Morand, 1933, voor zangstem en orkest, later ook gearrangeerd voor zangstem en piano.

     19 (series) liederen voor zangstem en piano

- Vocalise-étude en forme de habanera, vocalise voor lage stem en piano, 1907, M 51, veelvuldig als piece en forme de habanera gearrangeerd voor allerlei instrumentale bezettingen

- Ronsard à son âme, MM 75, 1924, lied voor zangstem met piano naar Douzain de Ronsard

     24 (series) werken voor piano solo

- La parade,  twee walsen, twee marsen en een mazurka, tussen 1892 en 1898 voor  Antonine Meunière [Meunier?] van de Parijse opera

- Menuet antique, 1895, georkestreerd in 1929.

- Wals in D grote terts, 1898

- Pavane pour une infante défunte (Pavane voor een gestorven prinses), 1899, nog tijdens zijn conservatoriumstudie bij Gabriel Fauré geschreven. In 1909 georkestreerd.

- Jeux d'eau (waterspelletjes) 1901, toongedicht voor piano solo, waarin Ravel een beeld schetst van water dat door de riviergodjes wordt beroerd.

- Miroirs,een suite voor piano solo, 1905, gewaagde stukken

2. Noctuelles ("nachtvlinders"), opgedragen aan Léon-Paul Fargue,  hoog chromatisch werk, dat voortdurend een donkere, nachtelijke stemming uitstraalt. 

2. Oiseaux tristes.

3. Une barque sur l'océan ("Een boot op de Oceaan"), opgedragen aan Paul Sordes, vertelt over een klein bootje dat (arpeggio’s en dragende melodieën) over de golven van de oceaan zeilt.

4. Alborada del Gracioso ("Het Ochtendlied van de Nar"), opgedragen aan M. D. Calvocoressi, gaat over het exotische Spanje, de nacht, het water, de zon, het bloed, de gewelddadigheid. En dan nog dansend ook.

- Sonatine, opus 40, 1905

- Gaspard de la nuit: Drie gedichten voor piano naar Aloysius Bertrand, 1908; één van de moeilijkst speelbare werken voor piano solo. Ravel was onder de indruk van Islamej van Mili Balakirev en wilde een compositie schrijven die moeilijker was dan het werk van de Rus. Er zijn twee orkestraties van gemaakt: Eugene Goossens in 1942,  Marius Constant in 1988

- Valses nobles et sentimentales, opus 61, suite van 8 walsen,1911, orkestversie 1912, de titel is een eerbetoon aan Franz Schubert die in 1823 een verzameling walsen uitgaf onder de titel Valses nobles en Valses sentimentales.

- À la manière de…, M. 63, 1913

o    Borodine

o    Chabrier

- Le Tombeau de Couperin, een zesdelig pianowerk, gecomponeerd ter ere van François Couperin en opgedragen aan de soldaten die tijdens de Eerste Wereldoorlog sneuvelden, 1917. Ravel draagt elk van de zes delen op aan een persoonlijke vriend of kennis van hem, die is omgekomen. Hij belicht daarbij vooral de positieve herinneringen aan zijn vrienden, daardoor blijft het werk licht van toon. In 1917 heeft Ravel vier delen van het werk georkestreerd.

     10 werken voor twee piano's of piano tweehandig

- Rhapsodie espagnole, opus 54, 1907, bekender geworden in de orkestversie van 1908; het middenstuk van het laatste deel van het vierdelige werk, Feria (feest), doet met zijn jazzaccoorden denken aan het werk van George Gershwin.

- Ma Mère l'Oye, 1910 in eerste instantie een ‘suite' voor piano vierhandig, gebaseerd op de Sprookjes van Moeder de Gans, voor de kinderen Jean en Mimie van zijn vrienden Ida en Cipa Godebski. In hetzelfde jaar (1910) zette Ravel de vierhandige stukken om voor solopiano ten behoeve van zijn vriend Jacques Charlot. Beide pianoversies dragen de subtitel "cinq pièces enfantines". In 1911 orkestreerde Ravel het werk tot 'Suite de Concert'. In 1912 zette hij dit om in een ballet - 'Suite de Ballet.'

- Frontispice, opus 70, 1918, voor twee piano’s en vijf (!) handen.

- Fanfare (transcriptie voor twee piano’s van het gelijknamige deel uit  L'éventail de Jeanne, een kinderballet, geschreven door 10 componisten), M 80, 1927

www.maurice-ravel.net

 

Josef Zygmunt Szulc (Warschau, Polen, 4 april 1875 ‒ Parijs, Frankrijk, 10 april 1956) was de zoon van muzikant en componist Henryk Szulc. Josef Szulc studeerde aan het Muziek Instituut in Warschau compositie bij Noskowski en piano bij Strobl. Hij vervolgde zijn pianostudies aan het bij Ernst Jedliček en nam in Berlijn ook privélessen bij. Herman Schramke en Ignacy Moszkowski. In 1897 werd hij pianodocent aan het Stern Conservatorium in Berlijn in dirigent van het opera‒orkest in Stuttgart.

In 1899 verhuisde hij naar Parijs om daar zijn studies piano bij Paderewski en compositie bij Jules Massenet te voltooien. Hij veranderde zijn naam toen maar meteen in Joseph Szulc. In 1903 werd hij in Brussel dirigent aan het Théâtre de la Monnaie. In de loop van de volgde jaren was hij dirigent van verschillende orkesten in Polen, Duitsland en België. In 1910 vestigde Joseph Szulc zich definitief in Parijs, waar hij zich voornamelijk aan componeren wijdde.

Joseph Szulc was getrouwd met operettester Suzy Delsart. Joseph Szulc gebruikte ook het pseudoniem  “Jan Sulima

Joseph Szulc componeerde

     19 opérettes-bouffes

- Flup, 1913, 5000 voorstellingen in Europese steden.

     1 ballet

     2 orkestwerken

     kamermuziekwerken

     liederen

- liederen op teksten van Paul Verlaine, opus 83

     5 filmscores

 

Maximilien-Paul-Marie-Félix d’Ollone (Besançon, Frankrijk, 13 juni 1875 – Parijs, 1959) ging al op zijn zesde jaar naar het Parijse conservatorium, waar hij studeerde bij Lavignac, Jules Massenet, Gédalge en Lenepveu; hij won de Prix de Rome in 1897.

Hij was muziekdirecteur in Angers, professor aan het Conservatorium Parijs en directeur van de Opéra-Comique.

Max d’Ollone componeerde

     11 opera’s

     2 balletten

     8 orkestwerken

- Le ménétrier voor viool en orkest

     12 kamermuziekwerken

     4 cantates

- Cantate Frédégonde – 1897, winnende cantata voor de Prix de Rome.

     1 oratorium

     1 mis

     1 requiem

     3 (series) pianowerken

     talloze liederen voor  zangstem en piano

 

Samuel Coleridge-Taylor (Holborn, Londen, Groot Brittanië, 15 augustus 1875 – Croydon, Londen, 1 september 1912) was een nakomeling van Dr. Daniel Peter Hughes Taylor, een Creool van gemengd Europees/Afrikaanse afkomst uit Sierra Leone en de Engelse Alice Hare Martin. Ze waren niet getrouwd, Alice was zelf ook een onwettig kind. Voordat Samuel geboren was, moest zijn vader weer naar Afrika en Samuel werd dus grotendeels opgevoed door zijn moeder en haar vader Benjamin Holmans. Alice noemde haar zoon Samuel Coleridge Taylor naar de dichter Samuel Taylor Coleridge. Het streepje zette hij er later zelf tussen. Alices broer was beroepsmusicus en Samuel Colerigde-Taylor ging zich ook met muziek bezig houden. Hij studeerde viool bij Joseph Beckwith en zong vanaf zijn tiende in het koor van de St George's Presbyterian Church en nadat zijn jongensstem was gebroken ook in het kloosterkoor van St Mary Magdalene. In 1890 ging Samuel Colerigde-Taylor viool studeren aan het Royal College of Music in Londen, later ook compositie bij Charles Villiers Stanford. Al vrij snel nadat hij zijn studies in 1897 had afgerond, werd hij aangesteld als professor aan de Crystal Palace School of Music en als dirigent van het orkest van het Croydon Conservatorium.

Samuel Colerigde-Taylor trouwde in 1899 met Jessie Walmisley, een medestudente aan het Royal College of Music, zeer tegen de zin van haar ouders; die tegen een huwelijk van gemengd ras waren. Ze kregen een zoon: Hiawatha (1900-1980) en een dochter: Gwendolyn (roepnaam Avril), die dirigente en componiste werd. (1903-1998).

Samuel Colerigde-Taylor was ook nogal populair in de verenigde Staten, waar hij veelvuldig dirigeerde en de bijnaam “The Black Mahler” kreeg.

Samuel Colerigde-Taylor overleed op 37-jarige leeftijd aan longontsteking. Zijn weduwe kreeg van George V van Engeland een uitkering geven van 100 Pond sterling per jaar; want hij had een grote bewondering voor de componist. Ter nagedachtenis aan Coleridge werd in 1912 een concert gegeven alwaar 300 pond sterling voor de weduwe werd ingezameld. Daarnaast kreeg zij op bescheiden schaal nog royalty's.

Samuel Colerigde-Taylor componeerde

     1 opera

     10 theatermuziekwerken

     22 (series) orkestwerken

- Petite suite de concert, opus 77, 1911

- Vioolconcerto, opus 80, 1912, Amerikaanse opdrachtcompositie voor een ode aan Amerika, compleet met “Yankee Doodle” aan het eind

     12 cantates en liedseries

- The song of Hiawatha, tekst H.W. Longfellow, 4-delige cantate

1. Hiawatha’s Trouwfeest, zijn bekendste werk, toentertijd ongekend populair

     1 service

     8 anthems

     1 Te Deum

     16  kamermuziekwerken

     18 (series) pianowerken

     2 orgelwerken

 

Leonardo De Lorenzo (Viggiano, Italië, 29 augustus 1875 - Santa Barbara, Californië, Verenigde Staten, 29 juli 1962) begon met fluit spelen toen hij 8 jaar was. Op zijn zestiende werkte hij al als professionele fluitist en besloot maar eens naar Amerika te gaan. Daar speelde hij een tijdje fluit in een hotel in Cerulean, Kentucky en kwam toen weer naar Italië terug, waar hij zijn militaire dienstplicht vervulde en in een militaire kapel in Alessandria speelde. Na zijn diensttijd maakte hij concertreizen door Europa en Zuid-Afrika. In Kaapstad kreeg hij in 1903 een plek als fluitist in een symfonieorkest. In 1907 kwam hij weer in Italië terug en besloot eindelijk zijn studie aan het Conservatorio "San Pietro a Majella" in Napels maar eens netjes af te ronden. In 1909 vertrok hij opnieuw naar de Verenigde Staten van Amerika om daar nooit meer weg te gaan. In 1910 werd hij eerste fluitist van het New York Philharmonic Orchestra, onder leiding van Gustav Mahler, daarna volgden het New York Symphony Orchestra, het Minnesota Orchestra, het Los Angeles Philharmonic Orchestra en het Rochester Philharmonic Orchestra. Leonardo De Lorenzo was getrouwd met de pianiste Maude Peterson. Aan het eind van zijn leven woonde hij in Villa Pan in Californië

Van 1923 tot 1935 was hij docent fluit aan de Eastman School of Music. In 1951 werd zijn boek My complete story of the flute uitgegeven.

Leonardo De Lorenzo componeerde 300 werken die allemaal een relatie met dwarsfluit hadden

     kamermuziekwerken

- Serenata a Pan voor 5 fluiten

     soli voor dwarsfluit

- Suite mitologica, opus 38, voor fluit solo

1. Pan

 

Ernesto De Curtis (Napels, 4 oktober 1875 – 31 december 31, 1937) was de zoon van Giuseppe De Curtis en Elisabetta Minnon, en de achterkleinzoon van componist Saverio Mercadante. Zijn broer was de dichter Giambattista De Curtis. Ernesto De Curtis studeerde piano aan het Conservatorium San Pietro a Maiella in Napels.

Ernesto De Curtis componeerde

     100 liederen

- "Torna a Surriento", zijn bekendste lied, op tekst van zijn broer Giambattista De Curtis.

- "Tu ca nun chiagne"

- "Voce 'e notte"

- "Non ti scordar di me"

- "Mandulinata"

- "Duorme Carmé'"

- "Ti voglio tanto bene"

- "Canta pe' me", 1909

 

Dobri Christow (Hristov, Khristov) (Warna, Bulgarije, 14 december 1875 – Sofia, 23 januari 1941) leerde zichzelf in Varna muziek maken en componeren. Van 1900 tot 1903 studeerde hij aan het conservatorium in Praag, waar hij in 1903 zijn studie bij Antonin  Dvořák afsloot. Daarna keer hij naar Bulgarije terug, waar hij aan het werk ging als muziekdocent. Vanaf 1922 werkte hij aan de Staats Muziekacademie als docent en directeur. Hij was dirigent van het koor van de Aleksandr Nevsky Gedachteniskerk in Sofia.

Dobri Christow componeerde

     1 operette

     4 orkestwerken

     4 koorwerken (met instrumenten of orkest

     375 koorliederen

     90 liederen voor zangstem en piano

- Loukovitski momi;

- Vino piya

     110 arrangementen van volksliederen

     volksliedarrangementen voor kamermuziekensembles en harmonie-orkest

 

Henriette Renié (Frankrijk, 1875 – maart 1956) zag op haar vijfde jaar een concert met de harpist Alphonse Hasselmans, en verklaarde: "die man gaat mijn leraar worden”. Op 8-jarige leeftijd mocht ze er mee beginnen, hoewel ze met haar voetjes nog niet bij de harppedalen kon. In 1885 ging ze aan het Conservatorium Parijs studeren, toen ze 11 was won ze de Eerste Prijs voor harpspel.

Vanaf haar 9de jaar gaf Henriette Renié ook al met goed gevolg harples en op haar 15de gaf ze haar eerste solo-recital. Henriette Renié was diep religieus, werkte altijd hard en had nooit een relatie. Tijdens de Tweede Wereldoorlog schreef ze een veel gebruikte harpmethode. Harpbouwer Salvi, de opvolger van Erard maakte een “Renié”-model harp

Henriette Renié componeerde

     1 harpconcert

- Concerto in c kleine terts, 1902

     10 (series) werken voor harp solo

- Légende,  geïnspireerd door het gedicht Les Elfes van Leconte de Lisle, 1903

- Piece Symphonique (In 3 episodi), gecomponeerd na het overlijden van een vriendin, alle emoties van het rouwproces: woede, verdriet, berusting worden in het werk verklankt.

     2 kamermuziekwerken

 

Ermanno Wolf-Ferrari (Venetië, 12 januari 1876 - 21 januari 1948), was de zoon de Duitse kunstschilder August Wolf en de Italiaanse Emilia Ferrari.

Ermanno Wolf-Ferrari begon, hoewel hij van jongsaf piano studeerde, als beeldend kunstenaar, maar koos in 1892 voor een studie aan de Münchense Akademie der Tonkunst bij Joseph Rheinberger. Hij maakte het conservatorium niet af, trok als 19-jarige naar Venetië, trouwde daar, kreeg een zoon: Max Winterfeld en werkte als koordirigent.

In 1902 werd Ermanno Wolf-Ferrari benoemd tot directeur van het Conservatorio Benedetto Marcello in Venetië (tot 1909).

Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog, die voor hem als Duitse Italiaan een ramp betekende, verhuisde Ermanno Wolf-Ferrari naar Zurich.

Vanaf 1939 werd hij professor aan de Universität für Musik und Darstellende Kunst "Mozarteum" in Salzburg. Omdat hij zich niet kon verenigen met de cultuurpolitiek van het Derde Rijk, trok hij zich na de oorlog uit Duitsland terug en bracht zijn laatste jaren door in Venetië. Hij is begraven op de Venetiaanse begraafplaats Isola di San Michele.

Ermanno Wolf-Ferrari componeerde

     16 opera’s

- I gioielli della Madonna (De juwelen van de Madonna) opera in drie bedrijven, libretto Carlo Zangarini en Enrico Golisciani, gebaseerd op nieuwsberichten over een werkelijk gebeurde toestand, 23 december 1911. Om zijn liefde voor zijn halfzuster Maliella (sopraan) tw bewijzen en zijn rivaal Rafaele (bariton) de loef af te steken, rooft Gennaro (tenor) de juwelen van een Madonnabeeld, zodat Maliella zich ermee kan tooien. Maar deze heiligschennis drijft Maliella en Gennaro uiteindelijk tot zelfmoord. Er zitten veel koorscenes in de opera. Halverwege de tweede acte zingt Rafaele, begeleid door zijn camorravriendjes, een verleidelijke serenade voor Maliella.

     3 werken voor zangsolisten, koor en orkest

     12 orkestwerken.

     16 kamermuziekwerken.

- Duo per viola d'amore e viola da gamba opus 33, 1946

     20 koorwerken.

     3 series pianowerken.

 

William Havergal Brian (Dresden, Staffordshire, Engeland, 29 januari 1876 – Shoreham-by-Sea, Sussex, 28 november 1972) werd geboren in een arbeidersgezin: zijn vader werkte in de aardewerkindustrie. Op jonge leeftijd was hij zanger in het plaatselijke kerkkoor. Na zijn 12de jaar speelde hij orgel in de kerk van Odd Rode en leerde hij viool en cello spelen. Van een onderwijzer in Dresden leerden hij muziektheorie en componeren leerde hij zichzelf.

In 1898 trouwde hij met Isabel Priestley. Het echtpaar kreeg vijf kinderen. Brian kon met zijn composities zijn gezin nauwelijks onderhouden. In 1907 veranderde die situatie toen zijn English Suite de aandacht trok van de dirigent Henry Wood, die het stuk op zijn repertoire zette en uitvoerde. Dat bracht de rijke industrieel Herbert Minton Robinson ertoe de jonge componist met een jaarlijkse toelage van £ 500,-- te steunen, waardoor het gezin Brian ineens uit de financiële zorgen was.

Brian profiteerde van het jaargeld en leidde een luxe leven. Hij reisde naar Italië en begon een verhouding met een dienstmeisje, Hilda Mary Hayward. Hoewel zijn weldoener die levenswijze sterk afkeurde, bleef hij Brian financieel steunen tot aan de Eerste Wereldoorlog, waarin hij verschillende legeronderdelen diende.

Brians huwelijk liep door zijn escapades stuk. Hij ging in Londen samenwonen met Hilda Mary Hayward, die hem nog eens vijf kinderen schonk. Na de dood van Isabel Priestley in 1933 trouwde hij alsnog met Hilda Mary. Later woonde hij met zijn tweede gezin in Birmingham, soms in moeilijke en armoedige omstandigheden. Vanaf de jaren '20 ging het hem financieel beter, doordat hij vast werk kreeg als kopiist van muziek en muziekredacteur bij een aantal kranten en tijdschriften.

De componist verhuisde in 1958 van Londen naar Shoreham in Sussex, waar hij tot zijn dood woonde. Hoewel intussen hoogbejaard, bleef hij nog tien jaar intensief componeren, onder meer twintig symfonieën.

Havergal Brian componeerde

     8 opera’s

     32 symfonieën

- Symfonie 22 Symphonia brevis«, 1965

- Symfonie 23, 4 April 1965

- Symfonie 24, in D grote terts, 1965

     3 concerten40 andere orkestwerken

- English suite 1, opus 12, 1904, briljant geschreven, verstrooiend en muzikantesk

     2 koorwerken (40 partsongs) voor koor a cappella

     39 partsongs voor koor en piano

     6 werken voor koor en orkest

     4 werken voor zangstem en orkest

     11 werken voor solist(en), koor en orkest

     6 kamermuziekwerken

     56 liederen voor zangstem en piano

     6 pianowerken

     20 transcripties

     7 arrangementen

www.havergalbrian.org

 

Paul Johan Seelig (Breda, 23 februari 1876 – Meester Cornelis, Java, 1945) studeerde in Duitsland piano, cello, instrumentatie en theorie. In 1898 was hij 2e dirigent van het Stadttheater van Essen. Intussen was hij vaak op reis naar landen als Japan, Palestina, Turkije, Roemenië Hongarije en Nederland.

In 1900 ging Paul Seelig naar Indië en kreeg daar de leiding van het hoforkest van de Soesoehoenan van Surakarta. Gedurende de 8 daaropvolgende jaren in Solo maakte hij een diepgaande studie  van de Oosterse muziek. Na de dood van zijn vader vestigde hij zich in Bandoeng, om de leiding van de door zijn vader gestichte uitgeverij (Matatani) en muziek- en instrumentenhandel op zich te nemen.

In 1911 vertrok hij naar Siam (Thailand). Daar werd hij orkestdirekteur en muzikaal adviseur van het Koninklijk Orkest te Bankok. In die tijd noteerde hij uit de volksmond een groot aantal Siameese melodiën en componeerde tevens de koningshymne van Siam. Een grote verzameling liederen, opgetekend van inheemse zangers uit midden Java verscheen naderhand eveneens in druk. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zat Paul Seelig in een Jappenkamp.

Veel van het omvangrijke, vrijwel ongedateerde oeuvre van Paul Seelig werd, behalve in Indië zelf, uitgevoerd in Duitsland, Frankrijk, Oostenrijk, Amerika en Japan, maar vreemd genoeg bijna nooit in ons land. Na omstreeks 1930 heeft hij weinig meer gecomponeerd, in beslag genomen als hij werd door de uitgeverij en muziekhandel te Soerabaja, Bandoeng (Bragaweg), Batavia en Semarang. Door zijn kleinzoon zijn de meeste werken geindexeerd en bevinden zich gedeeltelijk ook in de muziekbibliotheken hier te lande.

Paul Seelig is vooral bekend geworden door de zogenaamde Pantoen, een maleise variant op de Portugese Moresco, die werd begeleid door het tokkelinstrument de krontjong. Zijn pianoconcert is destijds enige malen met orkest in Nederlands Indië uitgevoerd en wel door de pianiste Käthe Haasse, de moeder van de schrijfster Hella Haasse. De partituur van dit werk dat, als zoveel van zijn composities, vanwege het oorlogsgebeuren verloren werd gewaand, is onlangs (2010) teruggevonden. Men is doende dit concert weer tot leven te wekken o.a. via de computer. De orkestpartijen moeten aan de hand van summiere aantekeningen nog worden uitgewerkt.

Paul Seeligverzamelde / arrangeerde

     6 albums “Indische muziek”

- Lyrische Stücke, aus dem Sunda-Archipel

- Djalak idjo (de groene vogel), een gamelanjuweeltje

- Burung putih (de witte vogel),

- Lagoe Sunda (West-Javaans idioom)

- Hawa madjelis (dans van de nimf, zoals opgevoerd in de Indische opera, de zogenoemde Komedie Stamboel.)

- drie Javaanse dansen, 1928.

                                

                                                 

 

Vincent Baptiste Scotto (Marseille, 21 april 1876 – Parijs, 15 november 1952 in Paris) was de zoon van Napolitaanse immigranten. Als kind leerde hij gitaar spelen en begon al eenvoudige liedjes te schrijven. Hij leerde nooit muziek lezen en had altijd vrienden nodig om zijn werken op te schrijven. Nadat een liedje van hem was opgepikt door de zanger Polin, die er een enorme hit mee veroorzaakte, trok teenager Vincent Scotto naar Parijs in 1895 en werd daar in minder dan geen tijd de populairste liedjesschrijver voor alle Parijse chansonniers, inclusief Mistinguett, Maurice Chevalier, Josephine Baker, Tino Rossi en Edith Piaf. Daarnaast schreef Vincent Scotto ook tientallen operettes voor de Parijse café-concerts.

In 1931 kwam Vincent Scotto naar Marseille terug, waar hij zijn operetteactiviteiten met veel succes verder ontplooide. In 1932 werd hij door stadgenoot Marcel Pignol gevraagd voor een filmscore, en dat leidde tot een immense carrière als filmmuziekschrijver.

Vincent Scotto componeerde

     60 operettes

- Violettes impériales (1948), zijn meest succesvolle werk.

     4.000 songs

- Ah! si vous voulez de l’amour (1907),

- Les ponts de Paris (1913),

- Le plus beau tango du monde,1934

- La java bleue, 1938.

     200 filmscores.

- Angèle , 1934,

- César, 1936,

- Topaze , 1936

- La femme du boulanger, 1938.

 

Raoul Laparra (Bordeaux, Frankrijk, 13 mei 1876 – Suresnes, 4 april 1943) groeide op in een artistiek gezin. Hij gaf zijn eerste concert als op zijn negende jaar. Hij studeerde aan het conservatorium in Parijs bij André Gedalge, Jules Massenet, Gabriel Fauré en Albert Lavignac. In 1903 won hij met zijn cantate Ulysse de Prix de Rome.

Raoul Laparra werkte als muziekrecensent voor de tijdschriften Ménestrel en Matin en doceerde op het Parijse Conservatorium. Leerlingen van hem waren Claude Champagne en Cemal Reşit Rey. Raoul Laparra was een groot kenner van Spaanse muziek en dat is in zijn werken terug te horen. Tijdens het bombardement op Boulogne-Billancourt kwam hij om het leven. Hij is begraven in Chézy-sur-Marne. Raoul Laparra was de broer van schilder William Laparra

Raoul Laparra componeerde

     7 opera’s

     6 orkestwerken

     6 kamermuziekwerken

     30 (series) liederen

- Bien loin d'ici voor zangstem, fluit  en piano of harp, tekst Charles Baudelaire, 1902

- Le Missel Chantant, 96 liederen Suite de mélodies sur de vieilles poésies françaises, 8 banden met liederen, 1926

     13 (series) pianowerken

     2 werken voor een ander solo-instrument 

 

José Rolón Alcaraz (Zapotlán, Jalisco, Mexico, 22 juni 1876 – Mexico-Stad, 3 februari 1945) studeerde van 1900 tot 1903 muziek bij Francisco Godínez in Guadalajara. Van 1903 tot 1907 vervolgde hij zijn studies in Parijs: piano bij Moritz Moszkowski en Gedalge. Terug in Mexico richtte hij in Guadalajara een muziekschool en een symfonie-orkest op. In 1927 ging José Rolón weer naar Parijs om harmonieleer bij Nadia Boulanger en compositie bij Paul Dukas te studeren. In 1930 werd hij leraar harmonieleer, contrapunt en compositie aan het Nationaal Conservatorium in Mexico-Stad. In 1938 werd José Rolón directeur.

José Rolón componeerde

     3 balletten

     8 orkestwerken

- pianoconcerto, 1935, gereviseerd in 1942

     1 werk voor koor en orkest

     4 koorwerken a cappella

     3 kamermuziekwerken

     13 (series) pianowerken

- Valse Capricce (Sobre la Olas), opus 14, 1914

     21 (series) liederen voor zangstem en piano

 

Anna Catharina Lambrechts-Vos (Rotterdam, 29 juni 1876 – 16 januari 1932) Is de dochter van het hoofd van de ULO aan de Westersingel, en groeide op in een doopsgezind gezin. Het muzikaal begaafde meisje volgde lessen piano, orgel en muziektheorie in Rotterdam bij J. Schravesande en Johan Silkemeier. Op haar 17de werd ze organist van de Doopsgezinde Gemeente in Rotterdam. Later studeerde ze compositie bij Bernard Zweers en leerde ze instrumentatie van Wouter Hutschenruyter Jr.

Ze werkte ook als koordirigente van de zangvereniging Amphion en ze begeleidde zelf bij uitvoeringen van haar eigen liederen. Later dirigeerde ze ook het Utechts Stedelijk Orkest. Anna Lambrechts-Vos schreef recensies en artikelen voor onder andere de Groene Amsterdammer. Toen het Genootschap Nederlandse Componisten (GeNeCo) in 1911 werd opgericht was Anna Lambrechts-Vos een van de eersten die zich erbij aansloot.

In 1926 overleed de echtgenoot van Anna Lambrecht-Vos en nam ze na 33 jaar ontslag als organiste van de Doopsgezinde Gemeente te Rotterdam.

Anna Lambrechts-Vos componeerde

     orkestwerken

- Stemmingsbeelden,  voor strijkorkest

     werken voor koor en orkest

     koorwerken

     kamermuziekwerken

- 2 strijkkwartetten opus 7

- Trio voor piano, viool en cello, 1900

     liederen.

     Het boekje van Tante An, een bundel kinderliederen, 1905.

 

Flor Alpaerts (Antwerpen, 12 september 1876 – 5 oktober 1954) verloor al vroeg zijn ouders. Hij had vanaf 1885 tot 1901 les op de Vlaamsche Muziekschool: muziektheorie bij Albert De Schacht, viool bij Flor Tillemans en Jean-Baptiste Colyns, harmonieleer en compositie bij Jan Blockx, contrapunt bij Jan Tilborghs.

Vanaf 1903 gaf hij aan de Vlaamsche Muziekschool zelf les in muziektheorie en contrapunt. In 1933 werd hij tot directeur benoemd van het Koninklijk Conservatorium van Antwerpen en bleef dit tot in 1941.

Vanaf 1891 werkte  Flor Alpaerts ook als violist en dirigent in verschillende orkesten.

Flor Alpaerts componeerde

     orkestwerken

- Tijl Uilenspiegel, 1927, symfonisch gedicht

- James Ensor-suite, 1931, zijn meesterwerk

     toneelmuziekwerken

     1 opera

     liederen

     kamermuziekwerken

     werken voor fanfare- en harmonieorkest.

     pianowerken

 

Manuel María de Falla y Matheu (Cadiz, 23 november 1876 – Alta Gracia, 14 november 1946) was de zoon van José María Falla y Franco en María Jesús Matheu y Zabal. Zijn eerst muzieklessen kreeg hij van zijn moeder en zijn grootvader, vanaf zijn negende jaar kreeg hij pianoles van Eloísa Galluzo.

Vanaf 1896 studeerde hij muziek aan het Real Conservatorio Superior de Música de Madrid in Madrid, pianobij José Tragó en compositieleer bij Felipe Pedrell. Zijn eerste belangrijke werk was een opera (zarzuela) in één akte La vida breve uit 1905.

Van 1907 tot 1914 verbleef Manuel De Falla in Parijs. In 1914 keerde hij terug naar Madrid, waar hij zijn bekendste werken schreef. Van 1921 tot 1939 woonde hij in Granada. In 1939 vertrok Manuel De Falla naar Argentinië, waar hij in Alta Gracia in 1946 overleed.

In 1947 werden zijn resten terug naar Spanje gebracht en begraven in de kathedraal van Cádiz. Manuel de Falla is nooit getrouwd en heeft geen kinderen gekregen.

Manuel de Falla componeerde

     2 opera’s

- El Retablo de Maese Pedro, 1923, opera in 1 akte naar Miguel de Cervantes Saavedra: El ingenioso cavallero Don Quixote de la Mancha.

     7 zarzuela’s

- La Vida Breve, 1905, zarzuela in 1 akte, revisie 1914: 2 aktes, 4 taferelen; libretto Carlos Fernández-Shaw; 2e versie gereviseerd door Paul Milliet; er zitten zelfs flamencostukken in;

     2 balletten

- El amor brujo (de magische liefde) 13 delig werk, oorspronkelijk gecomponeerd voor een kamermuziekgroep, maar omgewerkt als symfonische suite, eventueel als ballet, voor orkest met drie korte liederen voor mezzosopraan, tekst Gregorio Martínez Sierra, 1915/1916.

8.  Danza ritual del fuego (rituele vuurdans), het meest gespeelde deeltje uit het ballet

11. Pantomima 

- El sombrero de tres picos (De driekanten steek), 1919, 2 delen, gebaseerd op de een roman  van Pedro Antonio de Alarcón naar "El corregidor y la molinera". Slim en warmbloedig tegelijk.

     3 werken voor orkest

- Noches en los jardines de España (Nachten in de tuinen van Spanje), 1915, voor piano en orkest, wondermooi.

- El sombrero de tres picos, 1919, orkestsuite uit het gelijkenamige ballet uit 1919.

deel 2. Danza del molinero, bekendste deeltje

- Homenajes ("Homages"), 1939, orkestrale eer aan vier overleden vakgenoten

     3 werken voor harmonieorkest

     2 cantates

     1 werk voor koor

     4 kamermuziekwerken

- Suite Populaire Espagnole, voor viool en piano, 1914 een arrangement in samenwerking met de violist Paul Kochanski van de Siete canciones populares españolas voor zangstem en piano

     11 (series) liederen voor zang en piano of instrumenten

- Trois mélodies, 1910, tekst Théophile Gautier

- Siete canciones populares españolas ("Zeven Spaanse Volksliederen"), 1914, voor zangstem en piano, opgedragen aan Madame Ida Godebska; met stip de meest uitgevoerde Spaanse klassieke liederen; worden ook in allerlei instrumentale bewerkingen uitgevoerd

3. Asturiana

5. Nana de Sevilla (tekst Frederico Garcia Lorca)

6. Canción

7. Polo

- El pan de Ronda que sabe a verdad ("Het brood van Ronda smaakt naar waarheid”), 1915, tekst Martínez Sierra; uit de periode dat Manuel de Falla Andalusië doorkruiste.

- Psyché, 1924 voor mezzosopraan, fluit, harp, viool en cello, 1924, tekst G. Jean-Aubrey

     11 (series) pianowerken

- Fantasía Bética (Andalusische fantasie), 1919, geschreven voor Arthur Rubinstein, de Falla’s belangrijkste pianowerk, een meesterwerk, "muziek die ontembaar is als een wild paard".  (Thomas Beijer)

- El amor brujo (de magische liefde), 4- delige suite uit het ballet voor piano, 1921

4. "Danza ritul del Fuego", (vuurdans) is een beroemd deeltje geworden, vaak apart gespeeld.

     1 werk voor gitaar

- Homenaje pour "Le tombeau de Claude Debussy," G. 56, 1922, het begin van de 20ste-eeuwse gitaarmuziek.

 

Mieczysław Karłowicz (Wiszniewo, toen Litouwen, nu Wit-Rusland, 11 december 1876 – Tatragebergte, 8 februari 1909) werd geboren in een adellijk gezin uit de clan van Ostoja. Hij bracht zijn jeugdjaren door op het familielandgoed in Wiszniewo. In 1882 verkocht zijn vader, taalkundige,  lexicograaf en muzikant Jan Karłowicz het landgoed en verhuisde het gezin naar Heidelberg. In 1885 gingen ze naar Praag, en een jaar later naar Dresden. In 1887 vestigden zij zich in Warschau. In het gezin werd veel aan muziek en theaterbezoek gedaan. Op zijn 7de kreeg Mieczysław Karłowicz zijn eerste vioollessen bij Jan Jakowski. Tussen 1889 en 1895 was hij student van vioolpedagoog Stanisław Barcewicz en kreeg hij lessen in harmonie van de componist Zygmunt Noskowski en van Piotr Maszyńaki. Later nam hij lessen in contrapunt van Gustaw Roguski. In 1895 verhuisde Mieczysław Karłowicz naar Berlijn om vioolles te nemen van Joseph Joachim maar hij werd in die klas niet toegelaten. Hij nam toen maar privélessen van Florian Zajic. Mieczysław Karłowicz had een brede algemene belangstelling en heeft zich behoorlijk beziggehouden met muziekgeschiedenis, filosofie, psychologie en natuurkunde.

In 1906 vestigde Mieczysław Karłowicz zich in Zakopane, een vakantiedorp in het Tatragebergte. Hij werd een gepassioneerd bergbeklimmer en skiër en was één van de eersten die de Tatra uitgebreid fotografeerde. Ook was hij daar van de eersten in het bezit van een fiets. Tussen 1906 en 1907 studeerde hij orkestdirectie bij Arthur Nikisch. Tijdens een skitocht in februari 1909 werd Karłowicz door een lawine overvallen en hij overleed aan de gevolgen daarvan. Hij is begraven op begraafplaats Powązki te Warschau.

Mieczysław Karłowicz componeerde

     1 theatermuziekwerk

- Bianca da Molena muziek bij het toneelstuk Biała Gołąbka (De witte duif) van J. Nowiński opus 6, 1900. Proloog en intermezzo

     6 symfonische gedichten.

     6 (series) andere orkestwerken

     kamermuziekwerken

     23 liederen voor zangstem en piano

     pianowerken


Pau (Pablo) Casals i Defilló (El Vendrell, Catalonië, Spanje, 29 december 1876 – San Juan (Puerto Rico), 22 oktober 1973), was de zoon van Carles Casals i Ribes, organist en koorleider van de parochie. Pablo Casals leerde van zijn vader piano, zang, viool en orgel speken. Op zijn vierde speelde hij viool, piano en fluit, op zijn zesde gaf hij zijn eerste openbare concerten. Pablo Casals hoorde op zijn elfde voor het eerst een echte cello, en besloot op dat moment meteen zich aan dat instrument te gaan wijden.

In 1888 nam zijn moeder, Pilar Defilló de Casals hem mee naar Barcelona, en daar kon hij aan de studie op de Escola Municipal de Música. Pablo Casals studeerde er cello, muziektheorie en piano. Op zijn 13de, in 1890, ontdekte hij in een tweedehands bladmuziekzaak in Barcelona een versleten kopie van Johann Sebastian Bachs zes cellosuites. Hij zou er de komende 13 jaar elke dag op studeren. Pablo Casals ontwikkelde zich tot de beste cellist van de eerste helft van de twintigste eeuw. In 1896 werd hij docent aan de Escola Municipal de Música in Barcelona en eerste cellist van het opera-orkest van Barcelona. In de eerste jaren van de twintigste eeuw maakte Pablo Casals concertreizen over de hele wereld. Hij speelde ook in het Witte Huis en de Carnegie Hall.

In 1914 trouwde Pablo Casals met de Amerikaanse zangeres Susan Metcalfe; ze leefden gescheiden vanaf 1928, maar scheidden pas officieel in 1957.

Pablo Casals was een fervent tegenstander van het Spaanse Francoregime en wilde niet in een in ondemocratisch land wonen. Hij woonde lange tijd in het Franse Catalaanse dorp Prada de Conflent, vlak bij de Spaanse grens.

Vanaf 1955 was Pablo Casals veel in Puerto Rico. In 1955 trouwde hij met Francesca Vidal de Capdevila, zij overleed datzelfde jaar. In 1957, 80 jaar oud, trouwde Pablo Casals met de twintigjarige Marta Montañez y Martinez, een begaafde celliste. Wanneer daar opmerkingen over werden gemaakt zei Pablo Casals: "Als ik 's morgens wakker wordt zie ik liever een mooie, jonge vrouw dan een dode". Ze gingen wonen in Ceiba, op Puerto Rico in het huis “El Pessebre" (de voerbak). In 1958 richtte Pablo Casals het Puerto Rico Symfonieorkest op en in 1959 het Conservatorium van Puerto Rico.

In eerste instantie werd Pablo Casals begraven op de Nationale Begraafplaats van Puerto Rico. In 1979, toen zijn stoffelijke resten vanuit Puerto Rico werden overgebracht om te worden bijgezet in zijn geboorteplaats El Vendrell, kreeg Pablo Casals postuum de Medalla d'Or de la Generalitat, de hoogste onderscheiding van de Catalaanse regering.

Pablo Casals componeerde

     5 werken voor orkest of groot ensemble

- La Sardana, voor cello-ensemble, 1926.

     12 religieuze werken voor koor (en instrumenten)

- El Pessebre, 17 december 1960, oratorium voor gemengd koor en orkest.

- O vos omnes, 1971, wordt vandaag de dag nogal eens uitgevoerd.

     7 wereldlijke werken voor zangstem(men) in instrumenten of orkest

- "Hymn of the United Nations", 1971, voor gemengd koor en orkest

     8 kamermuziek werken

- El cant dels ocells (het lied van de vogels), een Catalaans Kerst- en wiegelied. Pablo Casals maakte een instrumentale versie voor cello. Na zijn “verbanning” uit Spanje begon hij elk concert dat hij gaf met dit lied. Daardoor werd het een beetje een symbool van Catalonië.

     liederen

 

Victor (Jean Léonard) Vreuls (Verviers, 1876 – Brussel , 1944) studeerde eerst muziek in Verviers en later aan het Conservatorium van Luik, en bij Vincent d'Indy in Parijs. Victor Vreuls doceerde van 1901 tot 1906 harmonieleer aan de Schola Cantorum in Parijs. Van 1906 tot 1926 was hij directeur van het Conservatorium van Luxemburg.

Victor Vreuls componeerde in elk geval

     2 opera’s

- Olivier le Simple, 9 maart 1922 

     4 symfonische gedichten

     4 andere orkestwerken

     6 kamermuziekwerken

- Pianotrio, opus 1, 1896

     liederen

     pianowerken

 

Feliks Nowowiejski (Wartenburg, Polen, 7 februari 1877 – Poznań, 23 januari 1946) was de vijfde van elf kinderen van Franciszek Nowowiejski en Katarzyna Falk. Feliks Nowowiejski kreeg kreeg op de kloosterschool Święta Lipka van1887-1893 lessen piano, cello, hoorn, harmonie, en vooral orgel. Hij werd in 1893 lid van de militaire muziekkapel van het Pruisische Grenadierregiment in Olsztyn.

In 1898 won Feliks Nowowiejski met zijn werk Unter der Friedensflagge in Londen een wedstrijd voor marscomposities: "The British Musician". Met het prijzengeld kon hij in 1898 zes maanden muziektheorie contrapunt, en compositie studeren bij Ernest Eduard Taubert, orgel bij Adolf Stemler en cello aan het Julius Stern Conservatorium in Berlijn. Na zijn terugkomst was hij van 1898 tot 1900 organist aan de "Sint Jacobus Kathedraal" in Allenstein (Olsztyn).

Zijn studies voltooide Feliks Nowowiejski van 1900 – 1906 bij Max Bruch (compositie), Otto Dienel en Joseph Renner (orgel) aan de Königlich Staatliche Musikhochschule in Berlijn . Tegelijkertijd studeerde hij musicologie bij Max Friedlaender, Oskar Fleischer en Heinrich Bellermann en esthetiek bij Max Dessoir aan de "Friedrich-Wilhelms universiteit" in Berlijn en maakte hij concertreizen over de hele wereld.

Na zijn studie was hij van 1905 - 1909 muziekleraar, docent en koordirigent in Berlijn Vanaf 1909 werkte Feliks Nowowiejski als muziekdocent in Poznań Krakau en Warschau. In Krakau werd hij in 1914 directeur van het muzikaal gezelschschap Krakowskiego Towarzystwa Muzycznego

Van 1920 tot 1927 doceerde hij aan de Ignacvy Jan Paderewski Muziekacademie in Poznań en dirigeerde hij daar het conservatoriumorkest.

Nowowiejski was getrouwd met Elizabeth Mironov-Mirocką, met wie hij vijf kinderen had.

In Polen zijn conservatoria en orkesten naar hem vernoemd.

Feliks Nowowiejski componeerde

     6 opera’s

     2 balletten

     4 symfonieën

     4 orgelconcerten

     2 andere concerten

     7 andere werken voor orkest

     7 werken voor harmonieorkest

     3 oratoria

     5 missen

     2 kantates

     2 andere religieuze werken

     5 kamermuziekwerken

     16 koorwerken

     17 (series) liederen

     9 orgelsymfonieën

     6 andere (series) orgelwerken

     26 (series) pianowerken

     2 werken voor harp

 

Sergei Eduardovitsj Bortkiewicz, (Charkov, Oekraine, 28 februari 1877 – Wenen, 25 oktober 1952) werd geboren als zoon van Edward en Zofia-Uszynska Bortkiewicz, een familie van Poolse adellijke afkomst, dat het landgoed Artemovka, niet ver van Charkov, bezat.

Sergei Bortkiewicz studeerde muziektheorie bij Karl von Arek en Anatoli Ljadov aan het conservatorium van Sint-Petersburg en vanaf 1900 aan het conservatorium van Leipzig bij Alfred Reisenauer (piano) en Salomon Jadassohn (compositie).

In 1904 trouwde hij met Elisabeth Geraklitova, het huwelijk bleef kinderloos. Zij vestigden zich in Berlijn. Sergei Bortkiewicz gaf pianoconcerten in heel Europa en privéles, en was een jaar als leraar verbonden aan het Klindworth-Scharwenka-Konservatorium. Hij maakte daar kennis met de pianist en componist Hugo van Dalen (1888-1967) uit Dordrecht, met wie hij tot zijn dood bevriend zou blijven.

Met het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog in 1914 was het echtpaar Bortkiewicz, als Russen, gedwongen terug te vluchten naar Charkov. Toen de oorlog voorbij was, was de Russische revolutie begonnen en moesten ze van hun landgoed vluchten dat door de communisten werd geconfisceerd. Ze vluchten via Yalta, Constantinopel, Belgrado en Sofia naar Oostenrijk. Daar vestigde het echtpaar zich in 1923 voorgoed in Wenen. In 1925 werd hun het Oostenrijkse staatsburgerschap verleend. De tweede Wereldoorlog betekende voor het echtpaar ook een ramp.

Bortkiewicz overleed op 25 oktober 1952 en Elisabeth Geraklitova-Bortkiewicz op 9 maart 1960. Beiden liggen begraven op het Zentralfriedhof in Wenen.

Dank zij Hugo van Dalen zijn een groot aantal composities en brieven van Sergei Bortkiewicz bewaard gebleven en niet verloren gegaan. Ze worden nu bewaard in het Nederlands Muziek Instituut.

Sergei Bortkiewicz componeerde

     1 opera

     1 ballet

     2 symfonieën

     1 symfonisch gedicht

     7 concerten

     5 andere orkestwerken

     5 kamermuziekwerken

- vier stukken voor viool en piano, opus 63, 1946

     77 (series) pianowerken

- 4 pianostukken, opus 3, 1906

- 10 Etudes, opus 15, 1911

- Joegoslavische suite, opus 58, 1940, rijke schat aan volksmelodieën

- Lyrica nova,opus 59, 1940

- pianosonate nr. 2 in cis kleine terts, opus 60, 1942, gepassioneerd

- Fantasiestukken, opus 61, 1942

- 3 mazurka’s, opus 64, 1943

- 4 pianostukken,  opus 65, 1947

- zes preludes, opus 66, 1947, opgedragen aan Hélene Mulholland

     2 werken voor twee piano's

     12 series liederen

http://sergeibortkiewicz.com

 

Tiberiu Brediceanu (Lugoj, Oostenrij-Hongarije, nu Roemenië, 2 april 1877 – Boekarest, 19 december 1968) was de zoon van politicus Coriolan Brediceanu (1849–1909). Tiberiu Brediceanu studeerde in Blaj bij Iacob Mureşianu, in Sibiu bij Hermann Kirchner and in Braşov bij Paul Richter. Tiberiu Brediceanu was betrokken bij de oprichting van de Roemeense Opera, het Roemeens Nationaal Theater (1919) en het Dima Conservatorium (1920) in Cluj. Hij werkte als algemeen directeur aan de Roemeense Opera in Cluj en later aan de Opera Boekarest. Tiberiu Brediceanu is de vader van componist en dirigent Mihai Brediceanu. Tiberiu Brediceanu publiceerde een verzameling van 170 volksmelodieën en schreef verschillende werken over Roemeense volksmuziek.

Tiberiu Brediceanu componeerde

     3 muziektheaterwerken

     2 (series) orkestwerken

     3 kamermuziekwerken

     8 boeken Roemeense volksdansen voor instrumenten

     8 (series) liederen  en ballades voor zangstem en piano

     10 boeken volksliederen

     4 (series) pianowerken

 

Yevgeny (Eugen, Eugène, Jewgeni, Evgenij) Gunst (Moskou, 26 mei 1877 – Parijs, Frankrijk, 30 januari 1950) was de zoon van Otto Karlovich Gunst, lid van de Staatsraad van Keizerlijk Rusland en van Duitse afkomst. Yevgeny Gunst was de broer van acteur Anatoli Gunst. Hij studeerde rechten aan de Universiteit Moskou en daarnaast compositie, muziektheorie en piano aan het Staatsconservatorium.

Daarna had hij nog privéles van Reinhold Glière en Alexander Goldenweiser. In 1909 was hij samen met Sergei Rachmaninoff en anderen medeoprichter van het Moskou Kamermuziektheater.

Hij ging aan het werk als vertaler en muziekrecensent bij verschillende tijdschriften en werd docent aan het Gnessin-Instituut. Tijdens de Eerste Wereldoorlog kwam hij weer bij zijn justitiële wortels terecht en werd assistent van de procureur van de Krijgsraad in Moskou. Na de oorlog werd hij docent aan het Staatsconservatorium van Nischni Nowgorod, later werd hij er conservatoriumdirecteur.

In 1920 emigreerde Yevgeny Gunst naar Tallinn in Estland, voordat hij zich in Parijs vestigde. In Parijs was Yevgeny Gunst in 1924 medeoprichter van het Rachmaninoffconservatorium, en werd daar docent muziektheorie en compositie. In 1931 moest hij zijn werk daar vanwege politieke meningsverschillen opgeven. Hij richtte toen zijn eigen conservatorium op, maar dat moest vanwege de 30-er jaren crisis al weer snel sluiten. Daarna werkte hij als arrangeur, corrector en muziekkopiist en werd goede vrienden met Francis Poulenc. In 1949 pakte hij het plan op om naar Amerika te emigreren, maar voordat het zover was, overleed hij vergeten en verarmd in Parijs.

Zijn nalatenschap werd pas in 2010 in Bazel ontdekt in de kelder van het musicologisch Instituut aan de Universiteit. De weduwe van Yevgeny Gunst had de nalatenschap in 1950 aan de toenmalige directeur van het instituut, Jacques Handschin overgedragen. Die had het in de kelder opgeborgen en er nooit wat over gezegd.

Yevgeny Gunst schreef een biografie over Skrjabin en een analyse van Skrjabins sonates.

Yevgeny Gunst componeerde

     orkestwerken

- Symfonie fantastique, opus 18

     kamermuziekwerken

- Stukken voor viool en piano, opus 27, 1936

     liederen voor zangstem en piano

     pianowerken

 

Gustave Samazeuilh (Bordeaux, 2 juni 1877 – Parijs, 4 augustus 1967) studeerde eerst rechten, voordat hij met muziek begon te studeren bij Ernest Chausson. Vanaf 1900 studeerde hij aan de Schola Cantorum bij Paul Dukas. Samazeuilh had een zomerhuis in Ciboure. Daar leerde hij Maurice Ravel kennen.

Gustave Samazeuilh componeerde

     3 werken voor zangstem en piano

     4 werken voor zangstem en orkest

     1 werk voor vrouwenkoor en orkest

     8 werken voor piano

     1 werk voor gitaar

     1 werk voor viool solo

     11 kamermuziekwerken

     7 orkestwerken

     talloze transcripties

 

Ernő Dohnányi, (Ernst von Dohnanyi), (Presburg, 27 juli 1877 – New York, 9 februari 1960), kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn vader, wiskundeleraar en amateurcellist. Daarna studeerde hij aan de Budapest Academy of Music piano en compositie bij Carl Forstner, organist van de kathedraal van Bratislava. In 1894 kreeg hij pianoles van István Thomán en compositie van Hans Koessler. Béla Bartók was een van zijn klasgenoten. Op aansporing van Johannes Brahms begon Ernő Dohnányi een loopbaan als pianist. Van 1905 tot 1915 was hij pianodocent aan het Berlijnse conservatorium en daarna aan de Franz Liszt Muziekacademie in Boedapest. Van 1919 tot 1944 dirigeerde hij de Philharmonie in Boedapest en in 1931 werd hij chef-dirigent van het Hongaarse radio-orkest. Vanaf 1948 werkte hij, ook als bekend pianopedagoog, in de Verenigde Staten in Miami in Florida.

Zijn zoon Hans von Dohnanyi was betrokken bij een complot om Hitler te vermoorden, in november 1943, in een groep waarvan ook Klaus Bonhoeffer en Axel von dem Bussche deel uit maakte.

Ernő Dohnányi componeerde 50 werken

     1 toneelmuziekwerk

- Der Schleier der Pierrette ,1909, opus 18, pantomime in drie delen; libretto van Arthur Schnitzler.

     3 opera’s

     2 symfonieën

- Symfonie nr. 2 in E grote terts, opus. 40, 1944, bij de afsluiting van de Tweede Wereldoorlog, gereviseerd in de 1950er jaren. Dohnányi zei zelf dat dit de laatste symfonie uit de muziekliteratuur zou zijn. De finale opent met Bachs koraal “Komm, süβer Tod”. Vijf variaties op dat thema leiden een fuga in, die uitmondt in een grootse coda.

     1 suite

     7 concerten

     4 andere orkestwerken

- Ruralia Hungarica werd eerst geschreven in een 7–delige pianoversie, opus 32a, 1923. Vijf delen werden georkestreerd voor de vijftigste verjaardag van de stad Boedapest, opus 32 b, 1924. 0pus 32c. is een versie voor viool en piano, met een nieuw gecomponeerd tweede deel: Andante alla zingaresca, of Andante rubato, bekend geworden als “Gypsy Andante", vaak apart uitgevoerd. Er zijn ook arrangementen voor cello en met orkest.

     3 koorwerken

- Stabat Mater, opus 46, 1953, voor 2 sopranen, alt, kinderkoor en orkest

- rapsodie Ruralia Hungaria , opus 32 b (1924).

     2 pianokwintetten

- pianokwintet nr. 2 in es kleine terts, opus 26, 1914

     1 pianokwartet

     6 andere kamermuziekwerken

- Sonata in bes kleine terts voor cello en piano, opus 8, 1899

- Serenade in C grote terts voor strijktrio, opus 10, 1902

- Sextet in C voor piano, strijkers en blazers, opus. 37, 1935

- Aria voor fluit en piano, opus 48, no. 1, 1958

- Passacaglia voor fluit solo, op. 48, no. 2 1959

     2 (series) liederen

- Drie liederen voor zangstem en orkest, opus 22, 1912, tekst Wilhelm Conrad Gomoll (1877–1951)

     20 (series) werken voor piano solo

 

Elisabeth Lamina Johanna (Lize) Kuyper (Amsterdam, 13 september 1877 – Viganello, Ticino, Zwitserland, 26 februari 1953) was een dochter van winkeliers in de Jordaan. Lize Kuyper begon al vroeg op een Pleyel-piano te studeren. Vanaf haar twaalfde volgde ze de vakopleiding aan de Amsterdamse Toonkunst-muziekschool bij onder anderen Frans Coenen sr. en Antoon Averkamp. In 1895 studeerde ze 'met onderscheiding' af.

Na aanvullende lessen bij Daniël de Lange verhuisde Lize Kuyper in 1896 naar Berlijn om te studeren aan de Königliche Hochschule für Musik, geleid door Joseph Joachim. In 1901 werd Lize Kuyper als eerste vrouw toegelaten tot de Meisterschüle für Komposition geleid door Max Bruch, die haar op allerlei manieren ondersteunde met muzikale zowel als praktische en rechtspositionele zaken.

In 1905 kreeg ze op voorspraak van Daniël de Lange, Max Bruch en Joseph Joachim een stipendium van de Staat der Nederlanden en kort daarna (als eerste vrouw) het Duitse Felix-Mendelssohn-Bartholdy-Staat-Stipendium.

In 1908 werd ze de eerste vrouwelijke docent voor muziektheorie en compositie aan de Hochschüle für Musik. In 1908 begon Lize Kuyper ook te dirigeren, eerst diverse vrouwenkoren en daarna ook symfonieorkesten. Omdat in die tijd vrouwen niet werden toegelaten als orkestlid of dirigent, richtte ze in 1910 het Berliner Tonkünstlerinnen Orchester op. Het had groot succes, maar bestond slechts twee jaar bij gebrek aan subsidies en sponsors. In 1912 werd Lize Kuyper genaturaliseerd tot Pruisisch staatsburger, noodzakelijk voor een vaste aanstelling aan de Muziekhogeschool, Dat jaar werd ze ook muziekcorrespondent voor de Nieuwe Rotterdamsche Courant

Het lesgeven ging Lize Kuyper niet gemakkelijk af, mede door intriges aan de Hochschule. Toen ze in 1920 tijdens een ziekteverlof werd ontslagen, zag ze dat bijna als een opluchting.

In de jaren 1926-1939 woonde Elisabeth Kuyper afwisselend in Berlijn en op diverse plaatsen in Zwitserland als componiste en dirigente.

In 1939 vestigde Lize Kuyper zich in Muzzano bij Lugano in Ticino, waar ze geen werkvergunning kreeg. Door haar diabetes kon ze ook nauwelijks werken, maar kwam nu wel in financiële problemen. Haar Berlijnse pensioen werd niet meer uitbetaald en bovendien werd haar muziek nergens uitgegeven of gespeeld. Pas na 1947 mocht ze af en toe dirigeren.

In 1953 stierf Elisabeth Kuyper, 75 jaar oud, in het ziekenhuis van het dichtbij Muzzano gelegen Viganello als gevolg van een defecte petroleumkachel. Haar persoonlijke documenten en manuscripten bleven bewaard, maar toch is een deel van haar werk verloren gegaan.

Elisabeth Kuyper componeerde in elk geval

     2 opera’s, tekst Frederik van Eeden,beide verloren gegaan;

     5 orkestwerken

- vioolconcert in b kleine terts, opus 10, 1908

     3 werken voor solisten, koor en orkest

     4 kamermuziekwerken

vioolsonate nr. 1 in A grote terts, opus 1, 1901

     1 werk voor mannen koor

     9 liederen voor zangstem en piano

- Sechs Lieder, opus 17, 1922, cyclus van 6 duitstalige liederen

     1 pianowerk

 

Pavel (Paul) Grigorievitsj Tsjesnokov (Chesnokov) (Voskresensk (nu: Istra district Zvenigorodskogo van het Gouvernement 12, Moskou), 24 oktober 1877 – Moskou, 14 maart 1944) begon op vijfjarige leeftijd met het zingen in een kerkkoor. Hij kreeg zijn basisopleiding aan de Synodale School voor Kerkmuziek in Moskou. In 1895 studeerde hij af aan deze school met een gouden medaille. Daarna studeerde  hij aan het Moskous Conservatorium P.I. Tsjaikovski compositie bij Sergej Tanejev en bij G.E. Konjusas (1862–1933).

Pavel Tsjesnokov werkte als docent aan het Kerkmuziek College in Moskou, was koorleider bij een aantal basis- en middelbare scholen en was dirigent van het Russisch Koor van de Koorvereniging.

Na de Russische Revolutie werd de controle over wat hij kon schrijven groter. Er werd gedreigd met repressie tegen hemzelf en zijn familie, als hij verder kerkmuziek zou blijven schrijven. Meerdere koren kon hij niet meer dirigeren, het Kerkmuziek College in Moskou kreeg een andere naam en diende voortaan andere doelen. Hij was ook dirigent van het Moskous Academiekoor en het koor van het Bolsjojtheater. Van 1917 tot 1928 was hij dirigent van het koor van de kerk Wassilys Neokesarijskogo te Tverischen en docent aan het Moskous Conservatorium. Na 1928 werd hem verboden nog geestelijke muziek te componeren.

Hij had grote problemen zijn boeken over koor en koordirectie te publiceren. Hij vroeg de naar de Verenigde Staten vertrokken Sergej Rachmaninov om hulp. De communistische autoriteiten lieten de publicatie uiteindelijk toe nadat een kritisch voorwoord mee afgedrukt kon worden.

Hij had vijf broers die allen kerkzang hebben gestudeerd.

Pavel Tsjesnokov componeerde

     100 wereldlijke koorwerken

     400 religieuze koorwerken

- S nami Bog

     2 werken voor harmonieorkest

     1 opera

     kamermuziekwerken

 

Jan Zwart (Zaandam, 20 augustus 1877 – 13 juli 1937) verhuisde op vijfjarige leeftijd naar Rotterdam. Hij kreeg daar orgelonderwijs van  H. van Eyk, later van G.B. van Krieken en van Hendrik de Vries. In 1893 werd hij organist van de Gereformeerde Kerk aan de Westzeedijk in Rotterdam, enige tijd later organist van de Nederlandse Hervormde kerk te Capelle aan den IJssel. In 1898 werd hij in dezelfde functie benoemd bij de Hersteld Evangelisch-Lutherse Kerk te Amsterdam. Hier begon hij in 1914 tijdens de zomermaanden zijn wekelijkse orgelbespelingen, die hij tot zijn dood toe trouw heeft voortgezet.

Jan Zwart begon in 1917 een eigen muziekuitgeverij om zijn orgelmuziek en die van collega-organisten te publiceren.

Jan Zwart was de eerste Nederlandse organist die voor de radio speelde. Vanaf 1925 verzorgde hij bespelingen voor de AVRO, vanaf 1929 voor de NCRV. De wekelijkse "live"-concerten duurden maar liefst anderhalf uur. Door zijn radio-uitzendingen wist hij een groot publiek te boeien en interesse voor het kerkorgel te wekken. Eén van zijn bekendste leerlingen was Feike Asma. Van Jan Zwarts hand verschenen veel artikelen over de Oud-Nederlandse orgelhistorie. Hij wist weer interesse te wekken voor de orgelmuziek van Jan Pieterszoon Sweelinck

Jan Zwart componeerde

     17 bundels orgelmuziek

- boek 1:

Fantasie over het Lutherlied "Een Vaste Burcht is onze God", gecomponeerd ter gelegenheid van Hervormingsdag 1917.

- boek 14:

Fantasia alla Marcia over het Wilhelmus,

     5 liederen voor zangstem, (koor) en piano of orgel

- Waak op, gij geest der oude helden: voor koor, solostemmen en orgel, Nederlandse tekst naar de oorspr. Duitse tekst van Karl Heinrich von Bogatzky

     1 cantate

 

Roger (Cuthbert) Quilter (Hove (Engeland), 1 november 1877 – Londen, 21 september 1953) was het derde van zeven kinderen van Sir William Cuthbert Quilters, een welgestelde zakenman (onder andere in 1881 oprichter van de "National Telephone Company").

Roger Quilter begon in 1893 met zijn muziekstudies aan Dr. Hoch’s Konservatorium te Frankfurt am Main bij Iwan Knorr en Ernst Engesser. Medestudenten waren onder anderen Percy Aldridge Grainger, Cyril Scott en Henry Balfour Gardiner, die toen een zogenoemd "Frankfurt Group" vormden. In 1898 ging hij naar Engeland terug.

Om gezondheidsredenen uit de militaire dienst ontslagen, organiseerde Roger Quilter tijdens de Eerste Wereldoorlog concertreeksen in ziekenhuizen, waar hij zelf als liederenbegeleider bezig was.

Omdat hij homoseksueel was, had hij met maatschappelijke druk van doen. Misschien de oorzaak van toenemend mentaal ziek zijn. Roger Quilter is begraven in de St. Mary' s Church in Bawdsey graafschap Suffolk.

Roger Quilter componeerde

     9 orkestwerken

- A Children’s Overture¸opus 17, 1919

     3 werken voor harmonie-orkest

     1 opera

     1 toneelmuziekwerk

     1 koorwerk

     100 liederen

- Four Songs of the Sea, opus 1, 1900

By the Sea,

- Three Songs, opus 3,

Love's Philosophy, nr. 1,

"Now Sleeps the Crimson Petal" nr. 2, op tekst van Tennyson, 1905

- Come Away Death, opus 6, nr. 1, 1905

- Weep You No More, opus 12, nr. 1, 1908

     3 kamermuziekwerken

     2 pianowerken

 

Sigfrid (Theodor) Karg-Elert (Oberndorf am Neckar, 21 november 1877 – Leipzig, 9 april 1933) was. Zijn eerste levensjaren werden gekenmerkt door veel verhuizingen door geheel Duitsland. Zijn vader was Johann Jacob Joseph Karg (1823-1889), een boekhandelaar, zijn moeder Marie Auguste Friederike, geb. Ehlert (1840-1908). De familie vertrok in 1882 naar Leipzig.

Zijn eerste muzieklessen kreeg hij van de kantor van de Johanniskerk in Leipzig, professor Bruno Röthig. De professor gaf Siegfried de eerste pianoles en schonk een oude piano aan de familie. Karg-Elert studeerde muziektheorie en compositie aan het conservatorium van Leipzig. In 1893 werd hij niet voor een pianostudie aan het Leipziger conservatorium toegelaten.

In 1895 kreeg hij in Leipzig werk als orkestmuzikant en barpianist. In 1896 maakte hij kennis met de componist Emil Nikolaus von Reznicek. Reznicek herkende zijn talent en maakte het Karg financieel mogelijk om drie jaar aan het Leipziger conservatorium te studeren. Zijn leraren waren Salomon Jadassohn en Carl Reinecke muziektheorie, Paul Homeyer orgel, Karl Wendling piano en Alfred Reisenauer en Robert Teichmüller compositie.

In 1902 werd Siegfried Karg docent van de pianomeesterklas aan het "Sannemann’sche conservatorium" en aan het "Nieuw conservatorium voor muziek" in Maagdenburg. Hij veranderde zijn naam: onder bijvoeging van de meisjesnaam van zijn moeder, zonder het gebruik van het "h", noemde hij zich Karg-Elert en zijn voornaam schreef hij naar Noords gebruik als Sigfrid.

In 1902 kreeg hij een relatie met de pianiste Maria Oelze. Haar vader was van deze verhouding niet erg gecharmeerd en drong er bij zijn dochter op aan om de relatie te verbreken. Uit deze verhouding werd in 1904 een zoon geboren. In 1904 maakte hij ook kennis met de Berlijnse muziekuitgever en Kunstharmonium-specialist Carl Simon, die hem voor het harmonium interesseerde. Tot het midden van de jaren twintig schreef hij er talrijke composities voor.

Op 25 juli 1910 huwde hij Minna Louise Kretzschmar (1890-1971); op 21 april 1914 werd hun dochter Ingeborg Annelies Käthchen (roepnaam: Katharina) geboren. In 1919 werd Sigfrid Karg-Elert als docent aan het Leipziger Landeskonservatorium benoemd

De “nationalisatie” (nazificering)  van het muziekleven in Duitsland voerde in de twintiger jaren tot het negeren van de componist Karg-Elert. Zijn compositiestijl en bijvoorbeeld  de Franse titels die hij aan zijn werken gaf, waren niet Duits genoeg.

In de lente 1932 ging hij daarom in op een uitnodiging tot een orgelconcertreis in deVerenigde Staten te accepteren. Hij zag  deze reis als vluchtmogelijkheid, weg van de Leipziger intriges. Hij verwachtte het succes wat in Duitsland uitgebleven was. Maar hij kon de hoge verwachtingen van het Amerikaans publiek, dat gewend was aan uitvoeringen van Marcel Dupré, Louis Vierne of Marco Enrico Bossi, niet waarmaken. Hierdoor liep de reis uit op een fiasco.

Erg ziek kwam hij naar Duitsland terug en overleed op 9 april 1933 te Leipzig. Hij is begraven op de begraafplaats "Südfriedhof" te Leipzig.

Sigfrid Karg-Elert componeerde

     20 kamermuziekwerken

- Symfonische canzone, voor fluit en piano, opus 114, 1915

- Impressions exotiques, opus 134, 1915, 5 werkjes voor fluit en piano

3. Colibri, voor piccolo en piano

     7 liederen / liedbundels voor solozang en instrumentale begeleiding

- Stimmungen und Betrachtungen, opus 53, 1905, voor zangstem en piano

1. Der träumende See, met echo’s van Wagner

- Zehn Epigramme, tekst Gotthold Ephraim Lessing, opus 56, 1907, voor zangstem en piano

4. Mein Esel, met humor

     40 werken of verzamelingen werken voor orgel

- 66 Choralimprovisationen opus 65, 1908-1910

- Sonatine in a kleine terts, opus 74

- Drie sinfonische koralen, opus 87, 1913

1. Ach bleib mit deiner Gnade, hoogtepunt

2 .Jesu meine Freude

- Introduzione (Inferno)

- Canzone

- Fuga con Corale

3. Nun ruhen alle Wälder

- Sinfonie voor orgel fis klein, opus 143 (“Symfonische Metamorfosen”), 1930, een belangrijk orgelwerk.

- Introduktion, Passacaglia und Fuge über B-A-C-H,  opus 150, origineel is verdwenen, componist Wolfgang Stockmeier heeft het opnieuw gereconstrueerd. Extravagant zeer moeilijk te spelen werk;

     13 werken of verzamelingen werken voor piano solo

     18 werken of verzamelingen werken voor harmonium

- 33 Portraits "Stilstudien von Palestrina bis Schoenberg", opus 101, 1913 – 1923

nr. 5 “Ein siegesgesang Israels”naar George Frederic Handel, gebaseerd op detekst van Psalm 150.

www.karg-elert.de