Componisten

vanaf 1880

 

Nikolaj Karlovitsj Medtner (Moskou, Rusland, 5 januari 1880 – Londen, Engeland, 13 november 1951) ging op twaalfjarige leeftijd naar het Conservatorium van Moskou. Hij studeerde er van 1892 tot 1900 en kreeg pianoles van Wassili Safonow en Sapelnikow. Toen hij in 1900 afstudeerde, won hij de Anton Rubinsteinprijs. Sergej Tanejev gaf hem daarna van 1901 tot 1903 onderricht in compositie. Nikolaj Medtner ging les geven aan het conservatorium in Moskou. Hij werd op violiste Anna Michajlovna verliefd. Er was daarbij wel een probleem: zij was de vrouw van zijn oudere broer Emil. Maar die maakte daar géén probleem van en gaf Anna haar vrijheid terug om met zijn broer te trouwen. De huwelijksvoltrekking vond in 1918 plaats.

Van 1921 tot 1924 leefde Nikolaj Medtner in Berlijn, en daarna in de buurt van Parijs. In 1924 organiseerde de componist Serge Rachmaninov, een vriend van Medtner, een concerttour voor hem naar Amerika en Canada. Ook gaf hij uitvoeringen in Engeland, wat hem dusdanig beviel dat hij er zich in 1936 vestigde. Vanaf het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog ondervond kreeg Nikolaj Medtner problemen met zijn gezondheid en had hij geen inkomsten meer uit Duitsland. Vanaf 1946 kreeg hij steun van de Maharadja van Mysore, (een deelstaat van India, sinds 1973 bekend als Karnataka). Zijne hoogheid Jayachamaraja Wodeyar Bahadur richtte in 1948 de Medtner stichting op, met als doel de opname van al Medtners werken. Medtner kreeg in datzelfde jaar een hartaanval, maar slaagde  er toch in zijn pianoconcerten, sonates en nog diverse werken op te nemen voor zijn dood in 1951. Hij overleed thuis en ligt begraven in Londen, in de wijk Hendon.

Nikolaj Medtner componeerde

     3 pianoconcerten,

     1 pianokwintet

     3 sonates voor piano en viool,

     20  liederen of series liederen voor zangstem en piano

     2 vocalises.

     50 werken of series voor piano

- 14 pianosonates

+ Sonate in f kleine terts, opus 5, 1895-1903

+ Sonata in g kleine terts, opus 22, 1901-1910, geraffineerd, intens van expressie

- 38 Skazki (Russisch voor 'sprookjes')

+ 4 Fairy Tales (Skazki, Четыре сказки), opus 26, 1910–12

3. Fairy tale in f kleine terts

- 3 Arabesques opus 7 (1904)

- 3 Dithyrambes opus 10 (1906)

- 3 Novelles opus 17 (1909)

- Forgotten Melodies, cyclus I (vergeten melodieën), opus. 38 (1919–22); 8-delige cyclus

+ nr. 1. Sonata reminiscenza in a kleine terts, grijpt je meteen naar de keel

- 2 Elegies opus 59 (1944)

     2 werken voor twee piano’s,

 

Rudolph Theodorus Palm (Curaçao, 11 januari 1880 – 11 september 1950 kreeg vanaf zijn zevende jaar muzieklessen bij zijn grootvader Jan Gerard Palm. Op 19-jarige leeftijd werd hij  kapelmeester van de Stedelijke Schutterij. Rudolph Palm was gedurende vele jaren organist van de Protestantse Fortkerk (1901-1946), van de synagoge Emanu-El (1911-1950), van de synagoge Mikvé Israel (1926-1928) en van de vrijmetselaarsloge Igualdad (1903-1950). Rudolph Palm richtte ook een aantal eigen orkesten op. Verder was hij ook dirigent van "De Harmonie" en speelde hij dwarsfluit in het Curaçaos Philharmonisch orkest.

Tot zijn meest getalenteerde leerlingen behoorden zijn eigen zonen, de componisten Albert Palm (1903-1958) en Edgar Palm (1905-1998) en zijn dochter Maria Henskes-Palm.

Rudolph Palm componeerde

     pianowerken

- 61 walsen

- 8 marsen

- 5 danza's

- 8 tumba's

- 2 mazurka's

- 1 polka

- 4 danzón's

- 1 paso doble

     liederen.

www.palmmusicfoundation.com

 

Albert Paul Alain, (Saint-Germain-en-Laye, Frankrijk, 1 maart 1880 - 15 oktober 1971) kwam uit een familie van handwerklui, amateurmuzikanten en devote Rooms Katholieken. Hij studeerde aan het Conservatoire de Paris vanaf 1896 contrapunt bij Georges Caussade, compositie bij Charles Lenepveu en Gabriel Fauré en orgel bij Alexandre Guilmant en Louis Vierne. In 1924 werd Albert Alain als opvolger van Albert Renaud organist aan de kerk van Saint-Germain-en-Laye en bleef dat tot zijn dood.

Albert Alain was ook een gepassioneerd orgelbouwer en construeerde een orgel met 4 manualklavieren, een pedaalklavier en 43 verschillende registers voor zich thuis. Het orgel is momenteel geďnstalleerd in Romainmôtier in Zwitserland.

Albert Alain trouwde in 1910 met Magdeleine Alberty, zij werden de ouders van vier buitengewoon begaafde kinderen: Jehan (1911-1940), Marie-Odile (1914-1937), Olivier (1918-1994) et Marie-Claire (1926-2013).

Albert Alain componeerde 469 werken, waaronder

     9 missen

     3 oratoria

- La Cathédrale Incendiée voor vierstemmig gemengd koor en orgel, opus 266, 1927, tekst Henri Ghéon, expressief werk

     1 cantate

     92 Latijnse motetten

     14 andere series koorwerken voor koor en orgel

     kamermuziekwerken

     22 pianowerken

     12 (series) werken voor orgel

 

Ferdinand Rebay (Wenen, Oostenrijk, 11 juni 1880 – 6 november 1953) was de zoon van zanger, schrijven, componist en muziekuitgever Ferdinand Rebay senior (1851–1914) en de begaafde pianiste Therese Rebay. Ferdinand Rebay junior leerde thuis van zijn moeder viool en piano spelen. In 1890 werd Ferdinand Rebay junior zanger aan de Abdij van het Heilige Kruis, ten zuiden van Wenen. Hij kreeg daar een diepgaande muziekopleiding en werd altzanger.

In 1901 ging Ferdinand Rebay piano studeren aan de Conservatorium van Wenen bij Joseph Hofman en compositie bij Robert Fuchs, Josef Wöss en Eusebius Mandyczewski.

Afgestudeerd in 1904, werd Ferdinand Rebay koorleider van de Weense Koorvereniging. In 1915 werd hij koorleider van de Wiener Schubertbund, en in 1920 kreeg hij een aanstelling aan de Weense Muziekacademie. Ondertussen gaf hij ook privélessen piano en muziektheorie.

In 1938 na de “Anschluss” werd hij bij de Muziekacademie ontslagen, waarschijnlijk omdat er gedacht werd aan een Joodse afkomst, hij kon er pas in 1945 weer aan het werk. In 1946 ging Ferdinand Rebay met pensioen. Hij stierf eenzaam en in armoede.

Ferdinand Rebay componeerde

     2 opera’s

     100 koorwerken

     400 liederen

     400 werken voor of met gitaar, zijn nicht gitariste Gerta Hammerschmid (1906 – 1985) was zijn muze.

Sonate voor viool en gitaar in e

Sonate voor viool en gitaar in c

Sonate voor altviool en gitaar in d

 

Joseph-Ermend Bonnal (Bordeaux, Frankrijk, 1 juli 1880 – 14 augustus 1944) kreeg aanvankelijk muziekles van zijn vader, violist. Daarna studeerde hij piano aan het Conservatoire de Paris bij Charles-Wilfrid Bériot, harmonieleer bij Antoine Taudou, compositie bij Gabriel Fauré en orgel bij Alexandre Guilmant en Louis Vierne.

In 1901 kreeg Ermend Bonnal een aanstelling als organist aan de Saint-Médard en vervolgens aan de Notre Dame in Boulogne-sur-Seine. Van 1920 tot 1941 was hij directeur van het conservatorium in Bayonne, waar hij leraar was van onder andere Maurice Ohana. In 1942 volgde hij zijn leraar Charles Tournemire op aan het Cavaillé-Coll-orgel aan de Basilica of St. Clotilde.

Ermend Bonnal had zes kinderen.

Ermend Bonnal componeerde

     10 orkestwerken

     10 werken voor zangstem(men), koor en orkest

     24 kamermuziekwerken

     14 (series) wereldlijke koorwerken a cappella

     10 (series) religieuze koorwerken a cappella

     15 (religieuze) werken voor zangstem en begeleidende instrumenten

     48 (series)werken voor zangstem, (koor) en piano

     18 (series) orgelwerken

- Paysages Euskariens

1. La vallée de Béhorleguy, au matin; verstilde muziek, die de rust van een dal in de Pyreneeën uitbeeldt

2. Le Berger d'Ahusky

3. Cloches dans le cie, een toccata

     19 (series) pianowerken

     2 filmscores

     28 ragtimes, one steps en tango’s onder het pseudoniem Guy Marylis

http://bonnal.org

 

Reveriano Soutullo Otero (Ponteareas, Pontevedra, Spanje, 11 juli 1880 – Vigo, Pontevedra, 29 oktober 1932) was het 4e kind van het echtpaar Manuel Soutullo Valenzuela en Carolina Otero de Parga, een heel muzikale familie. Zijn vader was dirigent van de Banda de Redondela en de Banda Municipal de Arena. De eerste muziekles kreeg hij van zijn vader, die hem doorstuurde naar  Fernández Cid, plaatselijke muziekleraar en dirigent van de Banda de Música de Ponteareas. Daarna studeerde hij aan de Escuela de Artes y Oficios de Vigo. Hij werd lid van de Banda Municipal de Tuy en op 14-jarige leeftijd koorleider van de Orfeón de Tuy. Met dit koor won hij al spoedig een wedstrijd.

In 1896 werd hij cornetsolist in de militaire muziekkapel van het Regimiento de Infantería Murcia nş 37 in Vigo. Van de dirigent Cetina van deze muziekkapel kreeg hij les in harmonie. Een korte tijd heeft Soutullo Otero ook gemusiceerd in de Banda de Música de Porrińo.

Van 1900 tot 1906 voltooide hij zijn studies aan het Real Conservatorio Superior de Música de Madrid: harmonie bij Pedro Fontanilla en compositie bij Tomás Fernández Grajal. Met een studiebeurs kon hij in het buitenland studeren, in Italië, in Frankrijk onder andere bij Maurice Ravel en Camille Saint-Saëns, in Zwitserland en in Duitsland.

Reveriano Soutullo Otero componeerde

     1 werk voor orkest

     46 werken voor harmonie-orkest

     2 opera’s

     1 operette

     2 revues

     40 zarzuela’s

     2 werken voor koor

     2 werken voor solozang en koor

     5 werken voor zang en piano

     6 werken voor piano solo

 

Ernest Bloch (Genčve, Zwitserland,24 juli 1880 – Portland (Oregon), Verenigde Staten, 15 juli 1959) groeide op in een geassimileerd Joods gezin. Op zijn 9de begon Ernest Bloch in Genčve aan vioolstudie. Daarna ging hij naar Brussel om te studeren, maar de meeste tijd bracht hij door aan het Dr. Hoch’s Konservatorium van Frankfurt bij Iwan Knorr. Rond zijn vijfentwintigste raakte hij geďnteresseerd in alles wat met het Jodendomn te maken had en herschreef dat in muziek. Dat leidde tot een geheel eigen stijl van Hebreeuwse gezangen die het niet zijn.  Hij vestigde zich in 1917 in de Verenigde Staten en was onder andere directeur van het Cleveland Institute of Music en van het conservatorium van San Francisco. Ernest Bloch was getrouwd met Marguerite Schneider. Het echtpaar had drie kinderen: Ivan, Suzanne en Lucienne

Ernest Bloch componeerde

     1 opera

- Macbeth, opera in 3 bedrijven,  1909; libretto E. Fleg, naar Shakespeare

     15 werken voor orkest

- Symfonie in cis kleine terts, 1902

- Schelomo - (Salomo), Hebreeuwse rapsodie voor cello en groot orkest, 1916

- Poems of the Sea, 1922

- From Jewish Life, 1925, voor cello en piano, door Christopher Palmer bewerkt voor cello, strijkorkest en harp

- Voice in the Wilderness, symfonisch gedicht voor orkest met obligate cello, 1936

- vioolconcert, 1938

- Baal Shem, three pictures of Chassidic life voor viool en orkest, 1938; Nigun hieruit is een zeer melancholisch werkje, dat elke violist/cellist tegenwoordig op zijn repertoire heeft staan;

     13 concertante werken voor solo-instrument (stem) en orkest

     6 vocale werken

     2 pianokwintetten

     4 strijkkwartetten

     5 andere werken voor strijkkwartet

     3 nocturnes voor pianotrio

     9 werken voor viool, solo of met piano

- Počme Mystique, Sonata nr. 2 voor viool en piano, 1924

- Abodah, 1929, Joods

- Suite No. 1 voor viool solo, 1958,

- Suite No. 2 voor viool solo, 1958, opgedragen aan Yehudi Menuhin, diepzinnige suites, met verwijzingen naar Joodse volksmelodiek

     4 werken voor altviool, solo of met piano

 - Suite voor altviool en piano, 1919, origineel, wrang en weemoedig, terugblik op vluchten in tijden van oorlog

     5 werken voor cello, solo of met piano

- From Jewish Life, 1925, voor cello en piano, door Christopher Palmer bewerkt voor cello en orkest

Nr. 1. Prayer

- Suite nr. 1 voor cello solo, 1956, sporen van Joodse en andere volksmuziek

     suite modale voor fluit en piano

     10 werken of albums voor piano solo

- Visions et Prophéties (1936)

     2 albums voor orgelsolo

 

Robert Stolz (Graz, Zwitserland, 25 augustus 1880 – West-Berlijn, 27 juni 1975) was het twaalfde kind van componist en dirigent Jacob Stolz en Ida Bondy, pianiste en muziekdocente. Robert Stolz studeerde muziek in Graz, Berlijn en Wenen. In 1897 werd hij operakoorrepetitor in het Stedelijk Theater Graz, in 1902 kapelmeester in Marburg an der Drau en aan het stadstheater van Salzburg.

Van 1905 tot 1917 was hij muzikaal leider van het Theater an der Wien. Van 1914 bis 1918 moest Robert Stolz in militair dienst, waar hij onder meer werkte als kapelmeester bij het K.u.k. Infanterie-Regiment Hoch- und Deutschmeister Nr. 4.

In 1924 ging Robert Stolz naar Berlijn, maar vanaf 1926 woonde hij weer in Wenen.

Na de machtsovername van de Nationaalsocialisten 1933 bracht hij tijdens 21 reistochten Joden en politieke vluchtelingen in de achterbak van zijn grote limousine naar Oostenrijk. In 1938, na de Anschluss van Oostenrijk bij Duitsland, voelde hij zich gedwongen het land te verlaten. Via Zürich kwam hij in Parijs terecht, en van daaruit emigreerde hij naar New York.

In de VS componeerde hij talloze filmscores

In 1946 keerde Robert Stolz in Wenen als componist en dirigent terug. Vanaf 1952 leverde hij de muziek voor de legendarisch Wiener Eisrevue.

Robert Stolz was vijf keer getrouwd, eerst met de zangeressen Grete Holm en Franzi Ressel, met Josephine Zernitz, als vierde met Lilli en tenslotte met Yvonne Louise Ulrich, bijgenaamd „Einzi“ (1912-2004), die als zijn manager tot aan zijn dood werkzaam was. Ze had een dochter uit haar eerste huwelijk.

Robert Stolz werd op 4 juli 1975 onder belangstelling van tienduizenden fans in een eregraf op het Wiener Zentralfriedhof (Gruppe 32 C, Nummer 24), vlak bij de Presidentenbegraafplaats bijgezet. Naast hem rust zijn laatste vrouw „Einzi“, die 18 januari 2004 in Wenen overleed.

Robert Stolz componeerde

     65 operettes en musicals

- Venus in Seide, opus 600, 1932, tekst A. Grunwald / L. Herzer

bekend nummer: „O mia bella Napoli

     19 ijs-operettes

 - Die ewige Eva (toespeling op de Weense Kunstschaatster Eva Pawlik), 1952

     honderden liederen

- Liedercyclus 20 Blumenlieder, opus 500

- “Das Lied ist aus" (Frag nicht warum ich gehe),1930, Tekst: Walter Reisch

- "Ob blond, ob braun, ich liebe alle Fraun", tekst Ernst Marischka

- Träume unterm Christbaum, omstreeks 1970, geschreven voor baritonzanger Pieter Vis

     100 filmscores

- Spring Parade, 1941

- It Happened Tomorrow, 1944, oscarnominatie voor de muziek

     walsen

     marsen

- UNO–mars, vrolijke mars, opgedragen aan de Verenigde Naties

     andere orkestwerken

     pianowerken

 

Zequinha de Abreu (eigenlijk José Gomes de Abreu) (Santa Rita do Passa Quatro, Brazilië, 19 september 1880 — Săo Paulo 22 januari 1935), was de oudste van acht kinderen van apotheker José Alacrino Ramiro de Abreu en Justina Gomes Leităo. Op zijn vijfde kreeg hij een kleine harmonica en speelde daar al gauw allerlei melodietjes op. Vanaf zijn zevende studeerde hij dwarsfluit, klarinet en piano in Santa Rita, aan het Colégio Săo Luís in Itu en vanaf 1894 harmonieleer aan het Seminário Episcopal de Săo Paulo. Daar was hij op wens van zijn moeder heengegaan om priester te worden, maar na een jaar opleiding besloot hij dat hij liever muzikant werd en ontvluchtte het seminarie en kwam terug naar huis.

In 1899 trouwde Zequinha de Abreu met Durvalina Brasil en vormde de band Lira Santarritense en het Smart Orchestra.

Hij voorzag voor zijn gezin, ze kregen acht kinderen, in zijn levensonderhoud als drogist, burgemeester van Santa Rita do Passa Quatro en pianoleraar.

In 1919 overleed zijn vader en verhuisde het gezin naar Săo Paulo. Daar bouwde Zequinha een bestaan op als bandleider en componist. In 1933 vormde hij de 25 leden tellende Zequinha de Abreu Band.

Zijn leven wordt beschreven in de film Tico-tico no fubá, regie Fernando de Barros en Adolfo Celi.

Zequinha de Abreu componeerde 300 werken

     choros

- "Tico-Tico no Fubá", 1917, evergreen, wordt gespeeld in verschillende melodische versies en met de meest uiteenlopende ensembles

     marchinhas,

     walsen

"Branca"

- "Tardes de Lindóia."

- „Flor da Estrada“

- „Bafo de Onça“.

     tangos

     gitaarwerken

 

Ildebrando Pizzetti (Parma, Italië, 20 september 1880 – Rome, 14 februari 1968) was de zoon van Odoardo Pizzetti, pianist en pianoleraar. Ildebrando Pizzetti kreeg dan ook zijn eerste pianolessen van zijn vader. Van 1895 tot 1901 studeerde Pizzetti harmonieleer en compositie aan het Conservatorium in Parma bij Giuseppe Tebaldini. In 1908 kreeg hij in Florence een aanstelling als compositieleraar aan het Conservatorio di Musica "Luigi Cherubini". In 1914 werd hij er directeur. Hij maakte deel uit van de "generazione dell'80" (Generatie van 1880) met Ottorino Respighi and Gian Francesco Malipiero.

In 1924 werd hij aangesteld als directeur van het Conservatorio "Giuseppe Verdi" in Milaan en in1936 volgde Ildebrando Pizzetti Ottorino Respighi op als hoogleraar compositie aan de Accademia Nazionale di Santa Cecilia in Rome als hoogleraar in de muziek. Ildebrando Pizzetti werkte ook als muziekjournalist, dirigent en componist. Onder zijn leerlingen waren Mario Castelnuovo-Tedesco, Olga Rudge, Manoah Leide-Tedesco en Franco Donatoni.

Ildebrando Pizzetti was de vader van tuinarchitect Ippolito Pizzetti.

Ildebrando Pizzetti componeerde

     15 opera's

     8 theatermuziekwerken

     15 orkestwerken

     9 werken voor koor en orkest

     7 werken voor koor a cappella

- Messa di requiem, 1922

     9 kamermuziekwerken

     25 (series) liederen voor zangstem en piano

     6 pianowerken

     5 filmscores

 

Joaquim Antonio Barrozo Netto (Barroso Neto, Rio de Janeiro, Brazilië, 30 januari 1881 – 1 september 1941) studeerde al vanaf jongs piano en kreeg zijn opleiding aan het Nationaal Muziekinstituut in Rio de Janeiro. Later werd hij daar zelf docent. In de jaren twintig werd Barrozo Netto directeur van de Sociedade de Cultura Musical.

Barrozo Netto componeerde

     koorwerken

     30 iederen

- Cançăo da felicidade,"

- "Adeus,"

-"Olhos tristes."

- "Felicidade."

     pianowerken

 

Karl Ignaz Weigl (Wenen, Oostenrijk, 6 februari 1881 – New York, 11 augustus 1949) was zoon van Ludwig Weigl, een bankier, die ook een begaafde amateurmusicus was, en Gabriele (Ella) Stein. Karl Weigl volgde het Franz-Joseph-Gymnasium en had daarnaast vanaf 1896 privéles van Alexander Zemlinsky, een vriend van de familie. Vanaf 1899 studeerde Karl Weigl aan de Weense Muziekacademie compositie bij Robert Fuchs, en aan de Universiteit Wenen musicologie bij Guido Adler. Anton Webern zat daar ook bij hem in de klas. In 1903 promoveerde Karl Weigl op een proefschrift over Emanuel Aloys Förster, een tijdgenoot van Beethoven. In 1903 richtte Karl Weigl samen met Alexander Zemlinsky en Arnold Schönberg de “Vereniging scheppende Toonkunstenaars” op, waarvan Gustav Mahler erepresident werd. Ze verzorgden allerlei interessante concertreeksen met eigentijdse muziek. In 1904 werd Karl Weigl door Gustav Mahler aangetrokken als repetitor aan de Weense Hofopera.

In 1910 trouwde Karl Weigl met de zangeres Elsa Pazeller. Ze kregen op 17 mei 1911 een dochter, Maria, die psychoanaliste en kinderpsycholoog zou worden. In 1913 scheidde het echtpaar, in 1914 moest Karl Weigl wegens de Eerste Wereldoorlog het leger in.

Na de beëindiging van de oorlog in 1918 werd Karl Weigl professor theorie en kompositie aan het Nieuwe Weense Conservatorium.

Hij trouwde met zijn voormalige leerling, pianiste en Valerie (Vally) Pick. In 1926 kregen ze een zoon: Wolfgang Johannes (John). In 1929 werd Karl Weigl lektor harmonieleer en contrapunt aan de de muziekwetenschappelijke afdeling van de Weense Universiteit. Onder zijn leerlingen waren Hanns Eisler, Erich Wolfgang Korngold, Erich Zeisl, Kurt Roger, Kurt Adler, Ernst Bacon, Rosy Wertheim, Frederic Waldman en Daniel Sternberg.

Na de machtsgreep van Hitler in 1933 in Duitsland, werden de mogelijkheden van Karl Weigl als “niet-arische” muzikant behoorlijk ingeperkt. Zijn naam werd uit de lijsten van de muziekuitgevers geschrapt.

Toen de Nazi's in 1938 Oostenrijk bezetten, dreigde er gevaar voor lijf en leven en emigreerde Karl Weigl met behulp van Amerikaanse vrienden naar de Verenigde Staten van Amerika, samen met zijn vrouw en zoon. Zijn dochter Maria en haar echtgenoot kwamen een jaar later ook, via Zwitserland, naar Amerika. In de Verenigde Staten vervulde hij een aantal belangrijke docentenfuncties aan de Hartt School of Music, aan het Brooklyn College, aan het conservatorium in Boston en aan de Philadelphia Academy of Music. In 1943 werd kreeg hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Karl Weigl overleed aan de ziekte van Kahler.

Karl Weigl componeerde

     1 opera

- Der Rattenfänger von Hameln, 1932, sprookje in 4 bedrijven, libretto Helene Scheu-Riesz; later als The Pied Piper  in het Engels vertaald door Sylvia Spencer Welch.

     6 symfonieën

     5 concerten

     12 andere orkestwerken

     8 strijkkwartetten

     12 andere kamermuziekwerken

- pianotrio voor viool, cello, en piano, 1939, opgedragen aan Ira A. Hirschmann, een vergeten meesterwerk, Brahmsiaanse motivische vervlechting.

     14 (series) koorwerken a cappella

     14 (series) koorwerken met begeleiding van piano of orkest

     5 werken voor zangstem en kamerensemble

     4 werken voor zangstem en orkest

     40 (series) werken voor zangstem en piano

     17 werken voor piano 2- en 4-handig en voor orgel

     8 orkestarrangementen

www.karlweigl.org

 

Arthur Willner (Turn, toen Bohemen, Oostenrijk, nu Tsjechië, 5 maart 1881 – Upshoot Hill, Cricklewood, Engeland, 6 april 1959) studeerde in Leipzig en München. Op zijn 23ste werd hij al plaatsvervangend directeur aan het Stern'sches Konservatorium in Berlijn. Hij doceerde daar tot 1924 compositie, partituurlezen, orkestratie, harmonieleer en contrapunt. In 1924 werd hij gevraagd om een conservatorium op te richten in Istanboel. Hij begon daar dapper aan, maar politieke verschuivingen en instabiliteit dwongen hem om er na 8 maanden mee te stoppen. Arthur Willner vestigde zich toen in Wenen, waar hij doceerde aan de Volkshogeschool en het Wiener Neues Konservatorium, en als muziekuitgever werkte voor Universal Edition.

Op 15 maart 1938 verliet Arthur Willner voor Parijs om als Jood de Duitse Anschluss van Oostenrijk te ontlopen. Later dat jaar ging hij door naar Engeland. In september 1939 gingen Arthur Willner en zijn vrouw Cecile naar Kington in Herefordshire, was ze in het tuinmanshuisje op Gravel Hill, het landhuis van de Engelse componist Ernest John Moeran konden wonen. Arthur Willner voorzag in zijn onderhoud als concertpianist, kamermuzikant, componist, arrangeur en compositieleraar.

In 1945 werd zijn vrouw Cecile dodelijk ziek. Ze moest worden opgenomen in een verpleeghuis in Londen en overleed datzelfde jaar. Arthur Willner kreeg in 1948 een harkwaal, die hem aan bed bond en waaran hij uiteindelijk overleed.

Zijn nalatenschap, de „Arthur Willner Collection“, wordt bewaard in het Leo Baeck Instituut in New York.

Arthur Willner componeerde 100 voor het grootste deel volledig onbekende werken.

     6 symfonieën

     concerten

     andere orkestwerken

     koorwerken

     2 strijkkwintetten

     8 strijkkwartetten

     2 pianotrio’s

     andere kamermuziekwerken

     werken voor een instrument solo

- sonate voor fluit solo, opus 34, 1926, opgedragen aan de Nederlandse fluitist Ary van Leeuwen, interessant werk.

     arrangementen

- arrangement voor strijkorkest van de Roemeense volksdansen voor piano van Béla Bartók, 1937, het enige wat van hem nog een beetje bekend is

 

Béla Viktor János Bartók (Nagyszentmiklós, Hongarije, nú Roemenië, 25 maart 1881 - New York, 26 september 1945) gaf al op jonge leeftijd blijk van zijn muzikaal talent. Op zijn negende schreef hij zijn eerste – kleine – composities voor piano, meest korte dansen. Zijn moeder stimuleerde zijn muzikale ontwikkeling en was bereid om te verhuizen, om ervoor te zorgen dat haar zoon les kon krijgen van de beste muziekleraren.

Bartók studeerde piano aan het conservatorium van Presburg (thans: Bratislava) en leerde zichzelf componeren door partituren te lezen. Aan de Lisztacademie in Boedapest, studeerde hij bij Hans von Koessler. Nadat hij afgestudeerd was, werd Bartók concertpianist en – in 1907 – docent piano aan de Lisztacademie.

In 1917 had Bartók zijn eerste succes met de uitvoering van zijn ballet De houten prins. Een jaar later had hij een soortgelijk succes met de opera Hertog Blauwbaards burcht. Daarna kreeg hij al snel internationale bekendheid en maakte vele concertreizen door Europa en Amerika. Ook in Nederland werd zijn werk vanaf het begin van de jaren twintig veelvuldig uitgevoerd. Bartók verdiepte zich intensief in de volksmuziek In Hongarije en Roemenië. Hij tekende allerlei volksmelodieën op met een fonograaf. Ruim twaalfduizend liedjes en volkswijzen tekende hij zo met wetenschappelijke precisie in notenschrift op. Dat is in zijn composities terug te vinden: pentatoniek; zigeunermelodieën; zigeunerritmes.  

Vanaf 1933 werd in Duitsland Bartóks muziek als "entartet" (ontaard) beschouwd en uitvoeringen van zijn werk werden verboden. De politieke ontwikkelingen in Europa in de jaren '30 brachten Bartók er uiteindelijk toe in 1940 naar Amerika te emigreren. Daar heeft hij  nooit echt kunnen aarden. In de Verenigde Staten werd Bartóks muziek niet gewaardeerd en aan de transfer van royalty's vanuit Europa kwam een einde, zodat de componist grote moeite had om in zijn levensonderhoud te voorzien.

Niettemin schreef Bartók in de Verenigde Staten één van zijn populairste werken, het Concert voor orkest. In opdracht van Yehudi Menuhin schreef hij een Sonate voor soloviool (1944). Bartók stierf in september 1945 aan leukemie. Zijn laatste werk, het Altvioolconcert (1945), heeft hij niet meer kunnen voltooien. Van dit werk zijn alleen de volledige partij voor de altviool en enkele aanwijzingen voor de instrumentatie gereed gekomen. Het wordt nu meestal uitgevoerd zoals Bartóks leerling Tibor Serly het heeft "ingevuld" volgens zijn aantekeningen. Van het Derde pianoconcert voltooide Serly de orkestratie van de laatste 17 maten.

In 1988 werd het stoffelijk overschot van Bartók overgebracht naar Hongarije en bijgezet op het Farkasreti-kerkhof te Boedapest.

De recentste catalogering is van de hand van László Somfai en is chronologisch van aard, voorzien BB-nummering van 1 tot 129.

Béla Bartók componeerde

     1 opera

- Hertog Blauwbaards burcht ("Barbe bleue"), opera in één akte, 1911, BB 62, libretto Béla Balázs; decadent mooie orkest muziek; een van onraad druipende atmosfeer.

     2 balletten

- De houten prins (A fából faragott királyfi) opus 13, een pantomime ballet in één akte, 1916, gigantisch orkest met onder meer saxofoons en vierhandig celestaslagwerk nodig 

- De wonderbaalrijke Mandarijn (A csodálatos mandarin), opus 19, BB 82, pantomimeballetin één akte, gebaseerd op het verhaal van Melchior Lengyel, 1926, Peter Bartok maakte er een piano-arrangement van voor twee piano's;

     30 orkestwerken

- Kossuth, BB. 31, symfonisch gedicht, 1903, geďnspireerd door de Hongaarse politicus Lajos Kossuth, held van de Hongaarse Revolutie van 1848, waarbij Hongarije onafhankelijk van Oostenrijk probeerde te worden, wat overigens mislukte.

- Suite nr. 1 voor groot orkest, opus 3, BB 39, 1905,  Op. 3, Sz. 31,

- Suite No. 2, BB 40 .opus 4 (lijst 3), voor klein orkest, 1905  en 1907 herzien in 1943, ook gearrangeerd voor twee piano's;

- vioolconcert nr. 1, BB 48a, 1908, opgedragen aan de violiste Stefi Geyer, op wie Bartok in die (school)tijd heel erg verliefd was. Stefi Geyer kon die liefde niet beantwoorden en daarom kwam het manuscript pas te voorschijn toen zowel Bartok als Geyer overleden waren. Het concert begint me een vioolsolo, met een thema dat voor Stefi staat.

- Twee Portretten, opus 10, BB 59, 1910

- Roemeense volksdansen voor klein orkest, 1917, BB 76

- Suite De wonderbaarlijke Mandarijn, opus19, 1918, BB 82

- rapsodie voor viool en orkest nr. 1, BB 94, 1929  voor viool en orkest, arrangement van de rhapsody nr. 1 voor viool en piano

- rapsodie voor viool en orkest nr. 2, BB 96, 1929, gereviseerd 1935 voor viool en orkest, arrangement van de rhapsody nr. 2 voor viool en piano

- Muziek voor Strijkers, Slagwerk en Celesta, 1936, BB 114

- Piano Concerto nr. 2 in G grote terts, BB 101, 1931, hamerende ritmes, bijtende dissonanten en een vingerbrekende pianistiek. Berucht om zijn niet te overwinnen moeilijkheidsgraad, virtuositeit op de vierkante millimeter. Verstild middendeel. Volkse oerkreet ui de Balkan. 

- vioolconcert nr. 2, BB 117, 1938, opgedragen aan de violist Zoltán Székely, vertelt effectief een verhaal. Premičre in het Amsterdams Concertgebouw in 1939 onder Willem Mengelberg.

- Divertimento voor strijkorkest, BB.118, 1939, het laatste werk dat is ontstaan in samenwerking met Paul Sacher, Zwitsers dirigent en oprichter van het Basler Kammerorchester, bijzonder diepgravend;

- Concert voor Orkest, 1943, BB 123, wervelend en kleurrijk, grootse climax.

- Piano Concerto nr. 3, 1945, BB127, één van de mooiste pianoconcerten van de twintigste eeuw; bitterzoet; gestileerde fluisteringen, rustieke volksriedels en virtuoos gespierde poëzie; geschreven voor zijn vrouw Dittsa Pásztory.

- altvioolconcert BB 128, 1945, opgedragen aan  William Primrose. Samen met zijn pianoconcerto nr. 3, is dit Bartok laatste werk, niet helemaal voltooid.

     4 werken voor koor en orkest

- Cantata Profana,De negen herten (1930) BB 100, Bartóks favoriete eigen werk

     8 (series) koorwerken

     6 strijkkwartetten, muzikale hoogtepunten van de twintigste eeuw, hčt moderne antwoord op de monumentale strijkkwartetten van Beethoven.

- Strijkkwartet nr. 1 in a kleine terts, 27 januari 1909, BB 52. Het driedelige werk is ten minste gedeeltelijk geďnspireerd door Bartóks onbeantwoorde liefde voor de violiste Stefi Geyer;

- Strijkkwartet nr. 2, oktober 1917, opgedragen aan het Waldbauer-Kerpely Quartet.

- Strijkkwartet nr. 4, 1927, BB 95, opgedragen aan het Pro Arte Quartet. Experimenteel

- Strijkkwartet nr. 5,  BB 110 tussen 6 augustus en 6 september 1934, opgedragen aan Elizabeth Sprague Coolidge.

- Strijkkwartet nr. 6, 1939, BB 119, het laatste werk dat Bartok in Hongarije schreef, opgedragen aan het Kolisch Quartet, Elk van de vier delen opent met mesto, een langzame melodie; in het laatste deel loopt dat uit op een klaagzang: Molto tranquillo.

     14 andere kamermuziekwerken

- Pianokwartet in c kleine terts, opus 20, BB 13, 1898

- Andante in A groot, voor piano en viool,  BB 26,  1902, tijdens zijn studietijd gecomponeerd

- Albumblatt, voor viool and piano, BB26b, 1902, idem

- Pianokwintet, 1904.  DD 77, BB 33, pril, maar boeiend;

- Sonata in e klein voor viool en piano, BB 28, 1905

- Roemeense Dansen, BB 76, voor viool en piano,1917, bewerking van de pianoversie BB 68, 1915;

- vioolsonate nr. 1,  1921, BB 84

- vioolsonate nr. 2, 1922, BB 85

- rhapsody nr. 1, BB 94 voor viool en piano, 1928, opgedragen aan de Hongaarse vioolvirtuoos Joseph Szigeti, een goede vriend van Bartók.

- rhapsody nr. 2, BB 96 voor viool en piano, 1928, gereviseerd 1945, opgedragen aan de Hongaarse violist Zoltán Székely,

- 44 Duetten voor twee violen, BB 104,1931, niet direct gecomponeerd om uit te voeren, maar als studiemateriaal, op verzoek van de Duitse vioolleraar Erich Dorflein, als bijdrage aan zijn vioolcursus. In de kleine karakterstukjes worden alle facetten van het vioolspel onderzocht, geraffineerde kleurrijke miniatuurtjes.

- sonate voor twee piano’s en slagwerk BB 115, 1937; gecultiveerd oergeweld; één van de meest eigenzinnige stukken uit de 20ste eeuw.

- Contrasten, Sz. 111, BB 116, 1938, voor klarinet, viool en piano, gebaseerd op Hongaarse en Roemeense dansmelodieën. Bartok schreef het in opdracht  van klarinettist Benny Goodman.

- Zeven stukken uit Mikrokosmos voor twee piano’s, BB 120, 1940

- Suite opus 4b, gearrangeerd voor  twee pianos, BB 122

- sonate voor soloviool, 1944, BB 124,  in opdracht van Yehudi Menuhin, één van de moeilijkste stukken voor viool, ooit geschreven, een symfonie voor één viool, subliem werk, doet in niets onder voor de solosonates van Bach. Supersnelle kwartnootjes in de finale.

     28 (series) pianowerken

- 3 Hongaarse Volksliedjes uit het Csík District, BB 45/b, ook bewerkt voor viool en piano

- 14 Bagatellen, opus 6, BB 50, 1908, zwaarmoedig, de piano wordt als slaginstrument gebruikt, de harmonieén zijn niet meer te benoemen.

- A Gyermekeknek (“voor kinderen”) cyclus pianostukjes, gebaseerd op volksliederen, 42 Hongaarse en 43 Slowaakse, BB 53, 1909. In 1945 reviseerde Béla Bartók de cyclus: hij haalde er 6 stukjes uit, en verbeterde de harmonisatie van andere substantieel. Er bleef een verzameling van 79 stukjes over, verdeeld over twee banden.

- 2 Roemeense volksdansen, 1910 opus 8a, BB 56

- Roemeense Dansen, BB 68, suite van zes korte pianowerken, 1915, in 1917 georkestreerd voor een klein ensemble als BB 76, gebaseerd op 7 Roemeense melodieën uit Transylvanië.

- Sonatina, Sz. 55, BB. 69, 1915, gebaseerd op volksmelodieën; 16 jaar later arrangeerde Béla Bartok  de sonatina voor orkest: Transylvanian Dances, Sz. 96, BB 102; André Gertler maakte een vioolbewerking.

- Suite, opus 14, Sz. 62, BB 70, februari 1916, vierdelige suite, een van Bartóks weinige werken zonder enige verwijzing naar volksmuziek. Oorspronkelijk was de suite vijfdelig; Bartók schrapte in 1918 een Andante, dat pas in 1955 voor het eerst werd gepubliceerd.

- Vijftien Hongaarse Boerenliedjes, Sz. 71, BB 79, 1918, halverwege eenvoudige arrangementen van volksmelodieën en complexe bewerkingen.

- Etűdök (3 Studies), opus 18, Sz. 72, BB 81, 1918, helaas zelden uitgevoerd.

- 8 Improvisaties op Hongaarse boerenliederen, 1920 opus 20, BB 83

- Pianosonata, BB 88, Sz. 80, juni 1926. Vol korte ritmische motiefjes, beknopt, geconcentreerd

- Out of Doors ("in de open lucht"), een cyclus van 5 pianowerken, BB 89, 1926

1. With Drums and Pipes - pesante

2. Barcarolla - andante

3. Musettes - moderato

4. The Night's Music -lento - (un poco) pěu andante

5. The Chase - presto, adembenemend slotdeel;

- Mikrokosmos (1926, 1932-39) BB 105, bestaat uit 153 pianostukken in oplopende moeilijkheidsgraad in zes banden, geschreven tussen 1926 en 1939. In 1940 arrangeerde Bela Bartok zeven van de werken voor twee piano’s, als aanvullend materiaal om door hemzelf en zijn vrouw Ditta Pásztory-Bartók te spelen.

Boek VI bevat de 6 dansen in Bulgaars ritme, opgedragen aan Harriet Cohen

     13 liederen of liedverzamelingen

- 5 Hongaarse Volksliedjes, BB 42, 1906, gereviseerd BB 97, 1928, voor zangstem en piano

- 10 Hongaarse Volksliedjes, BB 43, 1906, voor zangstem en piano

- 10 Hongaarse Volksliedjes, BB 43, 1907, voor zangstem en piano

- 20 Hongaarse Volksliedjes, BB 98, 1929, voor zangstem en piano

- 27 2- en 3-stemmige koralen voor kinder- en/of vrouwenkoor met orkest, 1936/1941, BB 111

 

Samuel (Sem) Dresden (Amsterdam, 20 april 1881 – Den Haag, 31 juli 1957) was een zoon van Marcus Dresden, commissionair in diamant, en Anna Mijerson. Sem Dresden studeerde viool en piano bij Richard Hageman, viool bij Dudok en Togni, harmonie bij Roeske en contrapunt, fuga en compositie bij Bernard Zweers aan het Conservatorium van Amsterdam. In 1903 ging hij naar Berlijn en studeerde compositie en directie bij Hans Pfitzner.

Na zijn terugkomst was hij van 1905 tot 1914 dirigent in Laren, Amsterdam en Tiel en leidde de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst.

Sem Dresden trouwde met de altzangeres Jacoba Catharina Adriana Dhont op 25 maart 1907. Uit dit huwelijk werden twee zoons geboren.

In 1914 stichtte hij in Amsterdam de madrigaal-vereniging, een a cappella - koor met negen zangeressen en zangers. Dit koor ging later op in de Haarlemse "Motet- en Madrigaalvereniging", waarmee hij veel polyfone renaissancemuziek tot nieuw leven bracht. Samen met Daniël Ruyneman, Henri Zagwijn, Bernhard van den Sigtenhorst Meyer en Alexander Voormolen richtte hij in 1918 de Nederlandsche Vereeniging tot Ontwikkeling der Moderne Scheppende Toonkunst op, waarin de moderne Nederlandse componisten zich verenigden.

Van 1924 tot 1937 was hij directeur van het Conservatorium van Amsterdam. Daarna werd hij directeur van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Omdat hij Joods was, werd hij tijdens de Tweede Wereldoorlog gedwongen ontslag te nemen. Zijn plaats werd ingenomen door Henk Badings, die zich daarover bij de naoorlogse zuivering moest verantwoorden. Na de bevrijding nam Sem Dresden zijn plaats bij het Koninklijk Conservatorium weer in. Hij ging in 1949 met pensioen. Daarna was hij nog tot 1953 directeur van de stichting Jeugd en Muziek.

Sem Dresdencomponeerde

     9 (series) orkestwerken

     2 oratoria

     1 cantate

     2 andere religieuze werken

     1 opera

     1 operette

     2 koorwerken

     3 liedjes

     1 werk voor zangstem en piano

     9 kamermuziekwerken

- Sonate, voor cello en piano, 1918

     2 werken voor piano

     1 werk voor orgel

 

Nikolaj Jakovlevitsj Miaskovski (Myaskovsky, Mjaskowsky) (Nowogeoriewsk, nu Lomze, bij Warschau, Polen, 20 april 1881 – Moskou, 8 augustus 1950) was de tweede zoon van Yakov Konstantinovich Myaskovsky en Vera Nikolayevna. Nikolaj Miaskovski voelde zich al jong tot de piano aangetrokken en kreeg zijn eerste pianolessen van zijn tante Yelikonida, een zus van zijn vader, militair ingenieur, die de leiding had over het bouwen van forten bij de grens met Pruisen. In 1889 verhuisde het gezin naar Kazan. In 1890, toen Nikolaj Miaskovski 9 jaar oud was, werd Nikolaj Miaskovski’s derde zusje geboren en overleed zijn moeder. In Kazan ging Nikolaj Miaskovski naar het Cadet College, want het lag in de bedoeling dat hij ook militair ingenieur zou worden; ondertussen volgde hij muzieklessen aan het College in Nizhni Novgorod. Nikolaj Miaskovski leerde zichzelf viool spelen en deed dat zo goed, dat hij zonder problemen in het College-orkest kon meespelen.

In 1895 verhuisde het gezin naar Sint-Petersburg, waar Nikolaj Miaskovski zijn militaire studies voorzette aan het Tweede Cadet College. In 1899 studeerde hij daar af en ging verder op de Militaire Ingenieursschool, terwijl hij ondertussen op allerlei manieren zijn muzikale ontwikkeling en activieiten probeerde bij te houden, waarbij hij onder meer les kreeg van componist Reinhold Gliere.

In 1905, toen hij al als militiar ingenieur afgestudeerd en werkzaam was, besloot hij een nieuwe studie rechten te gaan volgen om zich aan het militaire leven te kunnen onttrekken. Voor het zover was besloot hij zich toch helemaal aan muziek te gaan wijden. Hij componeerde al een aantal werken en kon vanaf 1907 terecht aan het conservatorium van Sint-Petersburg bij Aleksandr Glazoenov, Nikolaj Rimski-Korsakov en Anatoli Ljadov. Op het conservatorium leerde hij de tien jaar jongere Sergej Prokofjev kennen, waarmee hij levenslang bevriend bleef. Hun correspondentie is uitgegeven. In 1911 studeerde Nikolaj Miaskovski aan het conservatorium af.

Na een diensttijd in het leger, afgedwongen door de Eerste Wereldoorlog en de Russische Revolutie, werd Nikolaj Miaskovsk professor compositie aan het conservatorium van Moskou. In 1919 werd zijn vader, generaal in de ordedienst van de Tsaar op een treinstation door een revolutionair doodgeschoten.

In de loop van zijn carričre ontving Nikolaj Miaskovski hoge Sovjetonderscheidingen, zoals Stalin-prijzen. Leerlingen waren onder anderen Dmitri Kabalevski en Aram Chatsjatoerjan. Hij stond in hoog aanzien als belangrijkste Russische symfonicus naast Sergej Prokofjev en Sjostakovitsj. Toch werd ook hij in 1948, samen met hen, aangeklaagd op beschuldiging van "formalistisch" componeren. Zijn muziek verdween van de concertpodia in de Sovjet-Unie.

Nikolaj Miaskovski stierf thuis op 69-jarige leeftijd op 8 augustus 1950. Zijn graf in Moskou bevindt zich op de Novodevichi begraafplaats, dichtbij nabij die van Skrjabin and Tanejev. Pas postuum, toen dirigent Aleksandr Gauk met veel succes de premičre bracht van de Zevenentwintigste symfonie, herkreeg hij de eer die hem toekwam.

Nikolaj Miaskovsk is nooit getrouwd en had geen kinderen.

Nikolaj Miaskovski componeerde

     27 symfonieën

- Eerste symfonie, opus 3, 1908

- Tweede symfonie, opus 11, 1911

- Zevenentwintigste symfonie,  opus 85, 1950

     17 andere orkestwerken

     6 werken voor harmonieorkest

     2 cantates voor solisten, koor en orkest

     13 strijkkwartetten

     5 andere kamermuziekwerken

     9 pianosonates

     34 andere pianowerken

     8 pianowerken voor vier handen

     8 koorwerken

     25 (series) liederen voor zangstem en piano

www.myaskovsky.ru

 

Jan Pieter Hendrik van Gilse (Rotterdam, 11 mei 1881 – Oegstgeest, 8 september 1944) was de zoon van journalist en politicus Jan Albert van Gilse. Hij studeerde in Keulen en Berlijn en was leerling van onder meer Engelbert Humperdinck en Franz Wüllner. Door prijzen voor zijn zijn eerste symfonie (1901) en derde symfonie, Erhebung (1909) kon hij ook enkele jaren in Rome te studeren.

In februari 1911 was hij één van de oprichters van het Genootschap van Nederlandse Componisten (GeNeCo). Hierdoor werd het mogelijk de rechten van componisten te verdedigen en ook vergoedingen op te eisen die de componisten toekwamen. In 1913 was hij een van de initiatiefnemers van het oprichten van het Bureau voor Muzikale Auteursrechten (BUMA).

Van 1917 tot 1922 was hij Jan van Gilse dirigent van het Utrechts Stedelijk Orkest (USO).

Na zijn Utrechtse periode verbleef Van Gilse weer in Duitsland, maar met het aan de macht komen van Hitler verliet hij dat land in 1933. Hij speelde een belangrijke rol in het Nederlands verzet in de Tweede Wereldoorlog. Kort voor een Duitse inval in februari 1942 op zijn woning in Amsterdam moest hij onderduiken. Met zijn vrouw Ada vluchtte hij van het ene naar het andere onderduikadres. Op 1 oktober 1943 executeerde de bezetter zijn jongste zoon Maarten en op 28 maart 1944 zijn oudste zoon Jan Hendrik (Janrik), eveneens fanatieke verzetsstrijders. Op zijn laatste onderduikadres, bij collega-componist Rudolf Escher in Oegstgeest, werd Jan van Gilse ernstig ziek. Na een ziekbed van enkele maanden stierf hij op 8 september 1944. Ter bescherming van zijn nabestaanden werd hij onder een valse naam begraven.

Jan van Gilse componeerde

     2 opera’s

- Frau Helga von Stavern, opera op eigen, Duitse tekst, 1913, een meesterwerk

- Thijl, dramatische legende, 1940 met een mooie Treurmuziek bij den dood van Uilenspiegel, de beste en belangrijkste  traditionele Nederlandse Opera. Fantastische muziek, ook een meesterwerk.

     4 symfonieën

- Symfonie nr. 2 in Es grote terts, 1903, gereviseerd in 1928, ook een prachtig Scherzo;

- Symfonie nr. 3 in d kleine ters, 'Erhebung', voor sopraan (zingt teksten uit het Hooglied) en orkest, 1907, inderdaad “verheven”, werk met veel drama en Schwung. Het prachtige lange Scherzo, het vierde deel van het vijfdelige werk werd vroeger ook vaak los uitgevoerd

- Symfonie nr. 4 in A grote terts, 1915, een vakkundig en degelijk werkstuk

     2 ouvertures

- Ouverture in c kleine terts, 1900, zijn eerste orkestwerk, best aardig voor een keertje...

     5 andere orkestwerken

- Variaties op een St.-Nicolaasliedje, 1909, variaties op  "zie ginds komt de stoomboot".

- Drei Tanzskizzen, voor piano en klein orkest, 1926, pianoconcert voor een ballet dus.

- Ouverture 'Prologus brevis' in F grote terts, opgedragen aan Willem Mengelberg, 1928

     2 cantates voor solostemmen, koor en orkest

- Sulamith, cantate voor drie solostemmen, koor en orkest (1901-02), naar gedichten van prins Emil von Schoenaich-Carolath (1858-1908)

- Der Kreis des Lebens, cantate voor sopraan, tenor, koor en orkest (1929)

     3 andere werken voor (solostemmen) werken voor koor en orkest

- Eine Lebensmesse, tekst Richard Dehmel voor solostemmen, kinderkoor, 8–stemmig gemengd koor en groot orkest, 1904

     liederen voor zangstem en orkest

     liederen voor zangstem en piano

     1 nonet

     1 strijkkwintet

     1 trio

 

Linda Bandara, pseudoniem van Sieglinde Hofland Leber (Wenen, 15 mei 1881 - Kendal, Java, 1955) kreeg haar eerste muzikale opleiding van haar moeder, die weer had gestudeerd bij Anton Bruckner. Linda Bandara was eveneens een leerlinge van Joseph Marx in Wenen (bij wie ook Clara Wildschut een jaar lang gestudeerd heeft). Ze was gehuwd met een Nederlandse man. Ze woonde jarenlang in Nederlands-Indië en heeft zich zeer ingezet voor de Javaanse muziek, vooral om een notenschrift te ontwikkelen dat voor de Javaanse muziek en het instrumentarium geschikt was. In haar visie zou de Javaanse muziek zich alleen dan kunnen ontwikkelen, als wat overgeleverd is werd vastgelegd. Artikelen van haar hand over dit onderwerp, zowel in het Nederlands als in het Duits, verschenen in verschillende tijdschriften.

Ze ontving in of voor 1924 als dank voor haar inspanningen voor dit notenschrift vier gongs van de sultan van Djokdjakarta, die ze vervolgens aan de Weense Staatsopera schonk, waar ze onder meer gebruikt zijn als de klokken in Richard Wagners Parsifal. In haar eigen composities, zoals het driedelige symfonisch gedicht Ländlische Stimmungsbilder aus Java, probeerde ze een vermenging tot stand te brengen tussen westerse en Javaanse muziek. Dit werk werd uitgevoerd door de Wiener Symphoniker onder leiding van Rudolf Nilius en deze uitvoering werd op de Oostenrijkse radio uitgezonden op 15 januari 1937.

Een groot aantal muziekmanuscripten van Linda Bandara zijn opgeslagen in archief 329 van het Nederlands Muziek Instituut -www.nederlandsmuziekinstituut.nl

Linda Bandara componeerde

     symfonieën

     symfonische gedichten

     liederen voor zangstem, gamelan, strijkkwartet en houtblazers  

     werken voor piano solo

- Ketjubong, waarin gamelanfiguren de hoofdrol spelen

In 2010 is een CD opgenomen met liederen van Linda Bandara.

 

Richard Hageman (Leeuwarden, 9 juli 1881 – Beverly Hills, Verenigde Staten, 6 maart 1966) was de zoon van muzikant en dirigent Moritz Leonhard Hagemann uit Zutphen en diens tweede vrouw Francisca van Westerhoven uit Amsterdam. Hij was een wonderkind en gaf al pianoconcerten op zijn zesde jaar. Hij studeerde aan het conservatorium van Brussel en kreeg van prinses Emma der Nederlanden studietoelage om aan het Conservatorium van Amsterdam te studeren. Hij werkte als pianoleraar en pianobegeleider bij zangers van de Nederlandse Opera, die hij vanaf 1899 ook dirigeerde. In 1903 werd hij artistiek directeur van de Nederlandse Opera. Op een gegeven moment vertrok hij naar Parijs en begeleidde daar onder meer Mathilde Marchesi en Yvette Guilbert. Omdat de vaste pianist van Yvette geen zin in een Amerikaanse concertreis, ging hij met haar mee naar de Verenigde Staten. Het beviel hem daar zo goed, dat hij Amerikaans staatsburger werd. Van 1914-1932 was hij dirigent en pianist van de Metropolitan Opera en gast-dirigent van verschillende symfonie-orkesten. In 1932 was Richard Hageman weer een tijdje in Europa. Van 1938-1943 dirigeerde hij zomerconcerten in de Hollywood Bowl in Californië. In 1951 was hij even terug in Nederland voor de promotie van de film The Toast of New Orleans, waarin hij een rol had. Hij ontdekte toen, dat hij 1881 geboren was, zelf dacht hij tot dan toe dat hij in 1884 geboren was.

Richard Hageman trouwde drie keer: met de zangeressen Rosina van Dyck, Renée Thornton (20 mei 1920, de echtscheiding was in 1927) en Eleanora Rogers. Alle drie de huwelijken bleven kinderloos.

Richard Hageman werkte ook als filmacteur.

Hij overleed op 84-jarige leeftijd in Beverly Hills.

In 2014 werd in de Rijksweg 31 in Friesland het Richard Hageman Aquaduct geopend. In 2016 werd een plaquette aangebracht op zijn geboortehuis Sint Jacobsstraat 35 in Leeuwarden. Richard Hagemans broer Felix Hageman was jarenland journalist bij De Telegraaf.

Richard Hageman componeerde

     1 opera

- Caponsacchi (Duits: Tragödie in Arezzo) gebaseerd op het boek The ring and the book van Robert Browning, 1931. De opera werd in Duitsland een paar keer uitgevoerd maar werd door het opkomend nazisme verboden. Het is de enige Nederlandse opera die ooit in de New Yorkse Metropolitan werd opgevoerd.

     2 oratoria

     2 orkestwerken

     2 kamermuziekwerken

     60 songs

     20 filmscores, waarvan de muziek ook nog veel in andere films is gebruikt

 

George Enescu (Enesco) (Liveni, Roemenië, 19 augustus 1881 — Parijs, 4 mei 1955) groeide op op het landgoed van zijn ouders in Liveni. Al op vroege leeftijd bleek hij een buitengewoon talent voor muziek te bezitten. Zijn ouders besloten hem naar het conservatorium van Wenen te sturen. Hij kreeg daar vioolles van Joseph Helmesberger en leerde Johannes Brahms kennen.

In 1895 verhuisde hij naar Parijs, waar hij zich verder bekwaamde in compositie bij vooraanstaande musici als Ambroise Thomas, Jules Massenet en Gabriel Fauré. Hij werd ook een veel gevraagd vioolleraar. Leerlingen van hem waren Yehudi Menuhin, Arthur Grumiaux, Ida Haendel en Christian Ferras.

In 1921 dirigeerde hij ter gelegenheid van de opening van het gebouw van de staatsopera in Boekarest, de Roemeense premičre van Richard Wagners opera Lohengrin.

Het symfonieorkest van Boekarest is naar Enescu vernoemd. In Boekarest is ook het Enescu-museum gevestigd.

George Enescu componeerde

     1 opera, zijn grootste werk

     9 symfonieën

- Symfonie nr. 1, opus 13,  in Es grote terts, 1905, spannend werk

- Symfonie nr. 2 in A grote terts, opus 17, 1914

- Symfonie nr. 3 in C grote terts, opus 21, voor piano, koor en orkest 1918, gereviseerd in 1921

     5 ouvertures

     3 orkestsuites

     9 andere werken voor orkest

- Symfonie concertante in b kleine terts, voor cello en orkest, 1901, opus 8, juweel van een verkapt celloconcert, intens lyrisch;   

- 2 rhapsodies roumaines, opus 11, 1901, zijn beroemdste werk

     3 werken voor  koor en orkest

     2 strijkkwartetten

     3 vioolsonates

     2 cellosonates

- cellosonata nr. 1, opus 26 nr. 1 in f kleine terts, 1898, toen hij 17 jaar was, breed opgezet, erg wijdlopig

- cellosonata nr. 2, opus 26 nr. 2 in C grote terts, 1835, interessant en intrigerend

     34 andere kamermuziekwerken

- pianotrio in g kleine terts, 1897, onvoltooid, 1942 voltooid door Pascal Bentoiu

- Nocturne en Saltarello voor cello en piano, 1897, pas in 1997 teruggevonden

- Aubade, trio voor viool, altviool en cello, 1899

- Sérénade lontaine, Serenade voor piano, viool en cello, 1903

- Légende, 1906,  voor trompet en piano, geschreven voor trompetpionier Merri Franquin, een fenomenaal werk.

- pianotrio in a kleine terts, 1916, "dook op" in 1965, een echt meesterwerk

- Hora Unirii, voor viool en piano, 1917, zigeunermuziek

     23 (series) liederen voor zangstem en piano

- Sept chansons de Clement Marot, opus 15, 1908, briljantjes van liedkunst 

     30 pianowerken

- Suite nr. 2,  opus 10, Des cloches sonores,  1903, opgedragen aan Louis Diémer. De dansvormen van de Franse suite op hoogst persoonlijke wijze toegepast.  

- Prélude and Fugue in C grote terts,  1903, meer speelse dan academische uitzoekerij

- Pianosonate nr. 3, opus 24/3, in D grote terts. Driedelige sonate, waarin het eerste deel Vivace con brio een ontregelde Scarlattisonate lijkt, het tweede deel Andantino cantabile klinkt als een uitgeschreven improvisatie en het afsluitende Allegro con spirito een aaneenrijging van klaterende repeterende motiefjes is.

- Pičce sur le nom de Fauré , 1922, mini-universum.gebouwd op de naam van zijn leraar

 

Peder (Peter) Jřrgensen Gram (Kopenhagen, Denemarken, 25 november 1881 — 4 februari 1956) was de zoon van een verzekeringsactuaris en -wiskundige. Na zijn schoolopleiding ging hij eerst studeren aan de Technische Universiteit van Kopenhagen (toen Polyteknisk Lćrenstalt), maar al snel ruilde dat in voor een muziekopleiding bij de organist van de Christianborg Paleis Kapel, Hermann Kallenbach. Van 1904 tot 1907 studeerde Peder Gram aan het Conservatorium van Leipzig piano bij Karl Wending, compositie bij Stephan Kreh en directie bij Arthur Nikisch. Daarna studeerde hij nog 6 maanden in Dresden en toen keerde hij terug naar Kopenhagen.

Vanaf dat moment gaf Peder Gram lessen compositie en muziektheorie, organiseerde concerten en werkte als dirigent. Hij bekleedde allerlei functies in de Deense muziekwereld en werd in 1938 Hoofd Muziek van de Deense Omroep. Onder zijn leiding groeide het Deens Radio Symfonieorkest, verbonden is aan Danmarks Radio, uit tot een toonaangevend orkest In 1951 ging ging Peder Gram met pensioen.

Peder Gram schreef

     3 muziektheorieboeken

en componeerde

     3 symfonieën

     10 andere orkestwerken

     8 kamermuziekwerken

     5 (series) liederen

     6 koorwerken a cappella

     5 pianowerken

 

Josef "Yossele" Rosenblatt (Bila Tserkva, Oekraďne, 9 mei 1882 – Jerusalem, 19 juni 1933) begon zijn carričre als lid van het plaatselijke synagogekoor.

Zijn eerste baan als muzikant/voorzanger kreeg hij in Munkacs, Hongarije op 18jarige leeftijd. Later had  hij een betrekking in Hamburg, Duitsland. In 1912 verhuisde hij naar Harlem voor een baan bij de Ohab Tsedek orthodoxe congregatie.

Yossele Rosenblatt kreeg een rol als zanger in de 1927 film The Jazz Singer, en had als bijnaam “De Joodse Caruso"

Hij stierf 19 juni 1933 in Jerusalem.

Yossele schreef

     een aantal liederen

www.yossele.com

 

Joseph Rupert Rudolf Marx (Graz, Oostenrijk, 11 mei 1882 – 3 september 1964) kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn moeder, pianiste. Later ging hij naar de pianoschool van Johann Buwa. Joseph Marx leerde zichzelf viool en cello spelen. Op het gymnasium begon Joseph Marx met componeren. Op verzoek van zijn vader studeerde Joseph Marx rechten aan de Universiteit Graz, maar wisselde hij al gauw in voor filosofie en kunstgeschiedenis. Dat leidde wel tot een breuk in de relatie met zijn ouders. Vanaf zijn 26ste jaar componeerde hij. In 1909 promoveerde Joseph Marx tot doctor in de filosofie bij Alexius von Meinong aan de Universiteit Graz met het proefschrift Über die Funktion von Intervall, Harmonie und Melodie beim Erfassen von Tonkomplexen. In 1914 werd Joseph Marx docent muziektheorie aan de Academie voor muziek in Wenen, in 1922 werd hij er directeur. Hij was medeinitiatiefnemer bij de oprichting van de eerste Hochschule für Musik in Wenen en was daar van 1924 tot 1927 rector magnificus. In 1932 kreeg hij van Mustafa Kemal Atatürk de opdracht het conservatorium in Ankara en het systeem van de Turkse muziekscholen op te bouwen. In deze functie werkte hij tot 1933, waarna hij werd opgevolgd door Paul Hindemith en Béla Bartók.

Na de Tweede Wereldorrlog was er even een discussie over zijn houding ten opzichte van het naziregiem. Weliswaar was hij van al zijn ambten ontheven, maar hij had liederen voor de Hitlerjugend gecomponeerd en zich nooit tegen het regiem uitgesproken. Openbaarmaking van zijn briefwisseling met zijn vele Joodse vrienden maakte een einde aan de onverkwikkelijke discussie.

Van 1947 tot 1952 was hij professor voor musicologie aan de Universiteit Graz.

Naast componist en docent was Joseph Marx muziekcriticus voor meerdere Weense dagbladen en magazines.

Joseph Marx componeerde

     9 orkestwerken

     3 werken voor harmonieorkest

     12 kamermuziekwerken

     5 koorwerken

     161 liederen 

- Japanisches Regenlied, in de hele-toonstoonladder

- Italienisches Liederbuch

     9 orgelwerken

     17 (series) pianowerken

www.joseph-marx-gesellschaft.org

 

Erwin Lendvai (ook Lendvay, verhongaarsing “Loewenfeld”) (Budapest, Hongarije, 4 juni 1882 – Epsom, Engeland, 21 maart 1949) studeerde aan de Nationale Muziekacademie van Boedapest bij Hans Koessler en later bij Giacomo Puccini in Milaan. Vanaf 1906 woonde hij als muziekleraar in Duitsland. Van 1913 tot 191 gaf Erwin Lendvai les aan het J.-Dalcroze Instituut in Hellerau, bij Dresden. Hij trouwde daar met fotografe Erna Dircksen. Van 1914 tot 1920 doceerde Erwin Lendvai compositie aan het Klindworth-Scharwenka Conservatorium Berlijn en vanaf 1923 koorzang aan de Volksmuziekschool in Hamburg.

In 1933 emigreerde Erwin Lendvai vanwege het Nazibewind (hij was Joods) naar Engeland, waar hij onder het pseudoniem “Professor Devinai” muziekleraar werd in Kenninghall. Na de oorlog werd hij directeur van het Györ Conservatorium. In 1949 overleed hij aan de gevolgen van een hersenbloeding.

Componist Kamilló Lendvay is een neef van Erwin Lendvai

Erwin Lendvai componeerde

     1 opera

     orkestwerken

     kamermuziek

3 strijktrio’s, het Lendvai String Trio is naar hem genoemd. 

     orgelwerken

     koorwerken

     liederen

 

Igor Fjodorovitsj Stravinski (Oranienbaum, nu Lomonosov, Rusland, 17 juni 1882 – New York, 6 april 1971) was de zoon van een baszanger van het Keizerlijke Marinskitheater in Sint Petersburg. Vanaf zijn negende kreeg Igor pianolessen van onder andere Leokadiya Kashperova - een leerlinge van Anton Rubinstein - en hij maakte zulke vorderingen dat hij al snel een niveau had bereikt om Mendelssohns pianoconcert in g te spelen. Ondanks zijn aanleg voor muziek wilden zijn ouders niet dat hij een muzikale carričre zou volgen en stonden zij er op dat hij naar de Staatsuniversiteit van Sint-Petersburg zou gaan. Daar begon hij, weinig enthousiast, aan de studie strafrecht en rechtsfilosofie. Als rechtenstudent maakte hij in 1902 kennis met de vader van studiegenoot Vladimir, de componist Nikolaj Rimski-Korsakov. Rimski-Korsakov was bereid hem met raad en onderwijs bij te staan. De vader van Igor Stravinski overleed in 1902, en dat was voor Igor ook een reden om zijn academische ambities volledig te verwaarlozen in zich helemaal op de muziek te richten.

Uit de leerperiode bij Rimski-Korsakov dateren de Symfonie in Es, Faune et Bergčre, de Pastorale, Scherzo fantastique en schetsen voor Le Rossignol. De Feu d'artifice die hij ter gelegenheid van het huwelijk van Rimski-Korsakovs dochter toestuurde kwam te laat om door Rimski-Korsakov beoordeeld te worden: de componist was kort ervoor overleden. De band met Rimski-Korsakov was sterk en diens dood heeft Stravinski aangegrepen.

In 1905 had Stravinski zijn rechtenstudie voltooid en een jaar later trouwde hij met zijn nicht Katerina Nossenko. Zij was al op zijn 10e jaar in zijn leven gekomen "als een lang gewenste zus. We waren elkaar, tot haar dood, buitengewoon na, meer na dan geliefden soms zijn". Uit dit huwelijk werden Théodore Stravinski (1907), Ludmilla (1908), Soulima Stravinski (1910) en Maria Milena (1914) geboren.

Een belangrijke impuls voor Stravinski was de ontmoeting met Serge Diaghilev, artistiek leider van de "Ballets Russes", die in 1909 een uitvoering van de Scherzo fantastique en Feu d'Artifice bijwoonde. Voor het seizoen van 1910 wilde Diaghilev muziek voor een ballet gebaseerd op het Russische sprookje De Vuurvogel.  Diaghilev gaf de opdracht daarvoor aan Stravinski. Maart 1910 was het werk klaar en in mei van dat jaar ging Stravinski voor het eerst naar Parijs om de repetities van zijn L'Oiseau de Feu bij te wonen.

In Parijs maakte hij kennis met "le tout Paris culturel": de componisten Claude Debussy, Maurice Ravel, en vele anderen, actrices en auteurs.

Stravinski haalde zijn gezin uit zijn woonplaats Ustilug in Rusland op waarmee hij in Bretagne verbleef.  Hier schreef Stravinski de Deux počmes de Paul Verlaine, Un Grand Sommeil en La Lune blanche. Omdat Katerina zwanger was werd besloten niet naar Rusland terug te keren, maar in Zwitserland de geboorte (van hun zoon Soulima) af te wachten.

Op 13 juni 1911 ging Petroesjka in het Théâtre du Châtelet in premičre.

Diaghilev had tijdens het balletseizoen om een tweede ballet gevraagd. Stravinski   was van plan om dat ballet over een heidens ritueel  te componeren. In Ustilug kreeg dit werk, Le Sacre du Printemps (het lenteoffer)  zijn vorm. Tussendoor componeerde hij ook nog de Deux poésies de Konstantin Balmont en Zvezdoliki voor mannenkoor en orkest. Le Sacre du Printemps was op 8 maart 1913 af. Bij de premičre was de commotie groot. In het publiek ging een geloei op. Voor- en tegenstanders onder de bezoekers gingen op de vuist. Dirigent Pierre Monteux redde het vege lijf door via het wc-raampje te vluchten.

Van 1914 tot 1920 verbleef Stravinsky in Zwitserland, van 1920 – 1939 in Frankrijk, waar hij zelfs het Franse staatsburgerschap verkreeg. Hij kreeg steeds meer opdrachten en belangstelling vanuit de Verenigde Staten en daar trok hij in 1939 dan ook heen.

Kort na aankomst in Amerika, in september 1939 gaf Stravinski aan de Harvard, in het Frans, de lezingen waar hij tijdens zijn laatste verblijf in de VS toe was uitgenodigd. De lezingen, over componeren, stijl en Russische muziek, werden later gebundeld onder de titel Poétique Musicale. Het boek is ook in het Nederlands uitgegeven: Muzikale Poëtica, Uitgeverij Nieuwezijds.

In januari 1940 arriveerde Vera de Bosset vanuit Genua in New York. Stravinski had sinds 1921 een verhouding met haar, een situatie die Stravinski's vrouw Catherine als een fait accompli had aanvaard. In maart 1940 huwde Stravinski met Vera de Bosset, met wie hij tot zijn dood getrouwd bleef. Het echtpaar vestigde zich in Los Angeles en vroeg in augustus 1940 de Amerikaanse nationaliteit aan.

In 1957 vonden veel speciale concerten plaats in verscheidene landen om Stravinski te eren ter gelegenheid van zijn 75e verjaardag en in de herfst van dat jaar was hij o.a. de gast van Prins Max Egon zu Fürstenberg, beschermheer van de Donaueschinger Musiktage. Ter nagedachtenis aan diens dood schreef Stravinski later in 1959 het Epithaphium (W98). Een nieuwe opdracht voor het festival in Venetië resulteerde in Threni (1957-1958; W96) voor solisten, koor en orkest. Threni onderscheidt van de vorige composities door zijn introverte karakter en is het eerste werk dat volledig dodecafonisch is opgezet. Threni werd gevolgd door een compositie voor piano en orkest, de Movements (W97), een werk dat Stravinski zelf als een keerpunt beschouwde in zijn latere muziek: een overgang van het algemene canonprincipe naar de procedés van de dodecafonie.

Op 6 april 1971 overleed Igor Stravinski in zijn appartement in New York.

De uitvaartdienst werd in Venetië in de Santi Giovanni e Paolo gehouden.

Tijdens de dienst werd Alessandro Scarlatti's Requiem Missa Defunctorum uitgevoerd, naast drie orgelstukken van Andrea Gabrieli.Van Stravinski zelf klonken de Requiem Canticles.

Igor Stravinski componeerde

     8 opera's / theaterwerken

- Le rossignol (de nachtegaal),  een Russische conte lyrique in drie aktes, 1914. Het libretto, gebaseerd op het verhaal van de Chinese Nachtegaal van Hans Christiaan Andersen, is van Strawinsky zelf  en Stepan Mitussov.

- Renard, Histoire burlesque chantée et jouée, opera-ballet in één acte, 1916. De Russische tekst is gebaseerd op Russische volksverhalen uit de collectie van Alexander Afanasyev.

- L'histoire du Soldat, W41, een melodrama, om te lezen, te spelen en te zingen, voor spreker, twee acteurs, een danseres en een kamerensemble van zeven instrumentalisten, waaronder een slagwerker, 1918, libretto Charles Ferdinand Ramuz, gebaseerd op een Russisch volksverhaal van Alexander Afanasyev. Martinus Nijhoff maakte van de tekst in 1930 een vertaling (Geschiedenis van de soldaat). Histoire du Soldat is opgedragen aan mecenas Werner Reinhardt (1884-1951). Stravinsky gaf hem ook het manuscript; dat bevindt zich nu in de Stiftung Rychenberg te Winterthur. De vioolspelende soldaat verkoopt zijn ziel aan de duivel. Er wordt niet gezongen, wel geacteerd en de muziek speelt een essentiële rol. In 1922 maakte Igor Strawinsky er een insgrumentale concertsuite van.

- Mavra, opera buffa in één acte, libretto Boris Kochno, gebaseerd op Aleksandr Pushkin's Het kleine huis in Kolomna, 3 juni 1922, De eerste aria van de opera is gearrangeerd voor cello en piano, en door Mstislav Rostropovich opgenomen onder de titel "Russian Song".

- Oedipus rex, "Opera-oratorio naar Sophocles" voor orkest, verteller, solisten en mannenkoor. Libretto, gebaseerd op Sophocles’ treurspel, van Jean Cocteau in het Frans en daarna vertaald in Latijn door Abbé Jean Daniélou (de vertelling is in de landstaal van het publiek), 30 mei 1927.

- Perséphone. melodrama voor spreker, solozangers, koor, dansers en orkest, libretto André Gide, 30 april 1934. Verhaal over de priester Eumolpus. Melodieus werk.

- The Rake's Progress, W88, opera in drie aktes, 1951, libretto W.H. Auden en Chester Kallman, Stravinsky's enige avondvullende opera. Tom Rakewell, een rake (=losbol) (tenor), en Anne Trulove (sopraan) zijn in principe een leuk stelletje. Vader Trulove (bas) is tegen het voorgenomen huwelijk. Vreemdeling Nick Shadow (bariton), in feite een duivelsknecht die het op de ziel van Tom voorzien heeft,  neemt Tom mee naar de grote stad, waar Tom een losbollig leven gaat leiden en ook nog eens trouwt met kermisattractie Baba de Turk (mezzosopraan). Dat kan dus niet goed aflopen.

     13 balletten, waaronder de bekendste en populairste stukken van de componist

- L'Oiseau de Feu, W16, 1910, sprookjesballet in twee scčnes opgedragen aan 'mijn beste vriend Andrey Rimski-Korsakov', de zoon van Nikolaj Rimski-Korsakov. Geschreven voor Les Ballets Russes

- Petroesjka, Petrouchka of Petrushka, 1911, gereviseerd 1947, libretto Alexandre Benois en Igor Stravinsky, een geschiedenis over de Russische Jan Klaassen, een stropop met een zandzak als lijf, die tot leven komt. Hij raakt betrokken in een driehoeksverhouding van liefde en jaloezie.  Muziek, ballet, choreografie en verhaal in een perfekte balans. Geschreven voor het Ballets Russes van Diaghilev. In de gereviseerde versie uit 1947 voor een kleinere bezetting heeft de piano een virtuoze rol.

- Le Sacre du Printemps, Tableaux de la Russie paďenne en deux parties (De Lentewijding - Beelden van het heidense Rusland in twee delen), W21, choreografie van de danser Vaslav Nijinsky. Er wordt een beeld geschetst van een vóórchristelijk heidens lente-offerfeest, waarbij een jong meisje zich moet dooddansen. De muziek is een aaneenschakeling van korte, pregnante ritmes, striemende dissonanten en voortdurende maatwisseling. Vol oer-Russische elementen, volkse melodieën, de sfeer van Rusland, fel en teder, springlevend en dodelijk spontaan. De premičre was op 29 mei 1913 in het Théatre des Champs Elysées in Parijs. Binnen enkele minuten klonk protest en hoongelach uit de zaal. Binnen en kwartier voltrok zich een ordinaire rel met handgemeen en gendarmes. De dirigent ontsnapte door een wc-raampje. Met stip het grootste schandaal uit de muziekgeschiedenis van de 20ste eeuw. Mede daardoor heeft het werk een iconische status gekregen. 29 mei 2013 werd het eeuwfeest van het muziekstuk gevierd. Dat is daarvoor en daarna met geen enkel ander muziekstuk gebeurd. Stravinski maakte in 1913 een bewerking voor piano vierhandig en bleef het werk daarna reviseren. De laatste, meest uitgevoerde, versie is uit 1967. Het ballet bestaat uit twee delen. In het eerste deel l’Adoration de la terre hoor je achtereenvolgens Introduction, Les Augures printaniers – Danse des adolescentes, Jeu du rapt, Rondes printaničres, Jeux des cités rivales, Cortčge du Sage – Adoration de la terre – Le Sage, Danse de la terre.

In het tweede deel: Le Sacrifice komen aan de orde: Introduction, Cercles mystérieux des adolescentes, Glorification de l’élue, Evocation des ancętres (“Opkomst van de Wijzen”), Rituel des ancętres, Danse sacrale de l’élue.

- Pulcinella, ballet, gebaseerd op een 18de-eeuws  Commedia dell'arte-werk, libretto en choreografie: Léonide Massine, 1920. De muziek bij het ballet telt 20 instrumentale en gezongen nummers, voor een deel bewerkingen van een aantal barokke componisten, waaronder Unico Wilhelm van Wassenaer.  

De Pulcinella Suite is van het ballet afgeleid en telt alleen 8 instrumentale nummers, gereviseerd in 1947.

- Les noces (de bruiloft), dans cantate, ballet met zangers, 12 juni 1923, voor sopraan, mezzosopraan, tenor, bas, gemengd koor, 4 piano’s en een gestemde en een ongestemde slagwerkgroep, libretto van Stravinski zelf met gebruikmaking van Russische bruiloftsliederen. Stravinski werkte aan het ballet vanaf 1913 en had in eerste instantie en orkestratie voor groot symfonieorkest in gedachten, maar voerde daarop talloze veranderingen in, op een gegeven moment met mechanische instrumenten waaronder een pianola. Omdat de Parijse firma Pleyel de nodige instrumenten niet op tijd kon leveren, kwam Stravinski uiteindelijk op de huidige bezetting uit, waar hij eigenlijk nooit tevreden over was.

Pierre Boulez verzorgde in 1981 in Parijs een uitvoering van de 1919 versie met cimbaloms, harmonium, en pianola. Steven Stucky maakte een arrangement voor symfonie-orkest;

De Nederlandse componist Theo Verbey componeerde op initiatief van slagwerker Peppie Wiersma, die van de erven Stravinski toestemming lospeuterde, de oorspronkelijk bedoelde versie met cimbaloms, slagwerk en pianola af. Die versie werd in 2009 uitgevoerd.

- Apollo (Apollon musagčte, 'Apollo, aanvoerder der muzen'), W57, ballet in twee scčnes voor strijkorkest, januari 1928.

- Le baiser de la fée (de kus van de de fee), ballet in één acte en vier scenes, november 1928, in 1950 gereviseerd voor George Balanchine en het New York City Ballet. Gebaseerd op Hans Christian Andersen’s sprookje Iisjomfruen (het ijsmeisje), een eerbetoon aan Pyotr Ilyich Tchaikovsky, waar Stravinski verschillende melodieën van gebruikte.

- Orpheus, ballet en drie scenes en 12 dansepisodes gecomponeerd in samenwerking met choreograaf George Balanchine in Hollywood, California in 1947, voor 30 dansers.

     22 orkestwerken

- "L'Oiseau de Feu" 'suite tirée du conte dansé', de eerste concertsuite, 1911. De orkestratie is min of meer gelijk aan het complete werk.

- "L'Oiseau de Feu", de tweede concertsuite, 1919 voor een klein orkest.

- Concertsuite "Histoire du soldat", 1922, 8-delige suite, afgeleid van de gelijkname pera uit 1918, gereviseerd in 1949 en 1965.

- Concerto voor piano en blazers, 1924, gereviseerd in 1950.

- Pulcinella Suite, 1925, 8 instrumentale gedeeltes uit het gelijknamige ballet van 1920. In 1965 gereviseerd.

- Vioolconcert in D grote terts, 1931, een neoklassiek vierdelig werk. Door George Balanchine werd de muziek voor twee balletten gebruikt.

- Divertimento uit Le baiser de la fee, vierdelige concertsuite voor orkest, gebaseerd op muziek uit het ballet uit 1928. Gearrangeerd 1934 en gereviseerd 1949.

- Concerto in Es grote terts, "Dumbarton Oaks” , 1938, kamerconcert, genoemd naar het Dumbarton Oaks landhuis van Robert Woods Bliss en Mildred Barnes Bliss in Washington, DC, die er opdracht voor hadden gegeven ter gelegenheid van hun dertigste huwelijksdag. Strawinsky heeft het zelf gearrangeerd voor twee piano’s, Leif Thybo maakte in 1952 een orgelarrangement en Jerome Robbins schreef er in 1972 een balletchoreografie voor.

- Symphony in C, 1940, neoklassiek.

- Circus Polka 'gecomponeerd voor jonge olifanten', W74, 1942, gecomponeerd voor een olifantenballet met 55 jonge olifantenin het Circus Barnum and Bailey. Als contrasubject gebruikte Stravinsky voor het werk een citaat uit de Marche Militaire van Franz Schubert. De choreografie was van George Balanchine, zijn vrouw, ballerina Vera Zorina, liet de olifantjes dansen als goden, allemaal met mooie gekleurde pakjes aan. De compositie is in totaal 427 keer gebruikt voor het olifantenballet, maar werd later ook door gewone balletgezelschappen gedanst.

- Scherzo ŕ la russe voor orkest, 1944, ook in een versie voor de bigband van Paul Whiteman

- "L'Oiseau de Feu", 'Ballet Suite' de derde orkestsuite, 1945, voor een klein orkest.

- Symfonie in drie delen, 1945, Strawinsky’s eerste grote compositie nadat hij naar Amerika was geëmigreerd. De piano fungeert als slaginstrument dat ritmische zweepslagen uitdeelt.

- Concerto in D groot (“Bazel”) voor strijkorkest in 1946, ging in Bazel door het Bazels kamerorkest in premičre

- Tango no. 72 voor kamerorkest, 1953, arrangement van het pianowerk uit 1940, orkestratie van Felix Guenther, met instemming van Strawinsky en voor het eerst uitgevoerd door Benny Goodman.

- Greeting Prelude, 1955, voor de 80ste verjaardag van Pierre Monteux.

     4 concerten

- Concert voor piano en blazers (W52), 1924, opgedragen aan Nathalie Koussevitzky. Strawinsky maakte zelf een bewerking voor twee piano's, ook in 1924. Van barok tot tango en alles wat daar tussenin zit. Ritmisch en energiek.

- Capriccio pour piano et orchestre, 1929, gereviseerd 1949

- Vioolconcert in D grote terts, 1931, neoklassiek concert met vier delen: Toccata, Aria I, Aria II, Capriccio. George Balanchine gebruikte de muziek voor twee balletten. In het sprankelende suite-achtige concert klinken barokke invloeden.

- Movements voor piano en orkest, vijf korte atonale deeltjes in twaalftoonstechniek, 1959.

     4 bandcomposities

- Symphonies d'instruments ŕ vent  (ook: Symphony for winds; Symfonie voor blazers) voor hout- en koperblazers, 1920, opgedragen aan Claude Debussy, die in 1918 was overleden;

- Ebony Concerto voor klarinet en bigband, 1945, voor de Woody Herman band.

     15 vocale religieuze werken

- Psalmensymfonie, driedelige koorsymfonie, 1930, een opdracht Serge Koussevitzky voor de viering van het 50-jarig bestaan van het Boston Symphony Orchestra. In de koordelen worden psalmteksten (psalm 150 in de Latijnse vulgaattekst) gezongen

- Mis, W87 voor gemengd koor en dubbel blaaskwintet, 1948. Tekst vaste ordinarium-indeling van de mis. Stravinsky wilde een mis schrijven, die in de kerkdienst daadwerkelijk gebruikt kon worden

- Cantata, W89, 1952. anonieme Engelse teksten uit de vijftiende en zestiende eeuw, gepubliceerd door W.H. Auden voor sopraan, tenor, vrouwenkoor, cello, fluiten, hobo en Engelse hoorn

- Threni: id est Lamentationes Jeremiae Prophetae, 1958, geschreven voor sopraan, alt, 2 tenoren en 2 bas solisten, koor en orkest (met flugelhorn en sarrusofoon). Zetting van de Klaagliederen van Jeremia op de Latijnse tekst van de Vulgaat. Seriële twaalftoonsmuziek

- Tres sacrae cantiones naar Gesualdo di Venosa, 1959 drie onvolledige cantiones van Carlo Gesualdo: Da pacem Domine, Assumpta est Maria en Illumina nos heeft Stravinsky meer hergecomponeerd dan gereconstrueerd. Het is dus echt Sravinsky geworden

- Requiem Canticles, 1966, voor alt, bas, koor en orkest. Gedeeltelijke zetting van de Rooms katholieke Requiemmis. Negendelig werk, waarvan zes delen vocaal. Seriële twaalftoonsmuziek. Het werk werd uitgevoerd tijdens de uitvaartmis van Igor Stravinsky

     21 werken voor zangstem en piano / instrumenten;

- Pribaoutki (Chansons plaisantes), W26, voor stem, Engelse hoorn, klarinet, fagot, viool, altviool, cello, 1914, op Russische volksteksten in een vertaling in het Frans van Charles Ferdinand Ramuz, opgedragen 'ŕ ma femme'. Pribaoutki betekent 'vertellingen'. Pribaoutki zijn altijd kort met niet meer dan vier regels.

- Berceuses du chat (Wiegeliederen van de kat), W30 voor contra - alt en drie klarinetten op Russische volksteksten, in een vertaling van Charles Ferdinand Ramuz, 1916, opgedragen aan de schilders Natalja Gontsjarova en Michail Larionov.

- Four Songs voor sopraan, fluit, harp en gitaar, W43a, op een Russische tekst van de componist in een Engelse vertaling Robert Craft en Rosa Newmarch, 1953. In 1919 eerder geschreven voor sopraan en piano

     22 kamermuziekwerken

- Drie stukken voor strijkkwartet, 1914, gereviseerd in 1918. In 1928 arrangeerde Stravinsky de drie delen samen met zijn Étude pour pianola, als Quatre études voor orkest.

- Octet for wind instruments, 1923, voor fluit, klarinet, twee fagotten, tween trompetten in A en C, en tenor en bastrombones;

- Suite d'aprčs des thčmes, fragments et morceaux de Giambattista Pergolesi, 1925, voor viool en piano, gebaseerd op het ballet Pulcinella uit 1920 (in samenwerking met Paul Kochanski).

- Suite italienne, 1933, voor cello en piano, gebaseerd op het ballet Pulcinella uit 1920 (in samenwerking met Gregor Pjatigorski). In samenwerking met met Samuel Dushkin maakte Igor Stravinsky in 1933 ook een versie voor viool en piano. Later maakten Jascha Heifetz en Piatigorsky een arrangement voor viool en cello.

- Scherzo voor viool en piano, 1933, transcriptie (samen met Samuel Dushkin) van nr. 8, “Dans van de prinsessen” uit het ballet “De Vuurvogel”, 1910, wervelend.

- Chanson Russe, transcriptie van de eerste aria van de opera “Mavra”, (1922) voor viool en piano (samen met Samuel Dushkin), 1937, transcriptie voor cello en piano (samen met D. Markevitch)

- Elegie, voor altviool solo, 1944

- Monumentum pro Gesualdo voor kamerensemble, ballet van choreograaf George Balanchine, gecomponeerd ter gelegenheid van de 400ste geboortedag van Don Carlo Gesualdo; het bestaat uit orkestraties van Gesualso’s madrigalen, 16 november 1960.

     14 zeer verschillende bewerkingen/arrangementen van werk van andere componisten. 

- Nocture in As en Valse Brillante in Es van Frédéric Chopin, 1909, bewerkt voor orkest

     21 pianowerken

- Le sacre du printemps, voor vier handen op één piano, 1913

- Drie delen uit Petrushka, muziek uit het ballet Petrushka door Igor Stravinsky zelf gearrangeerd voor pianist Arthur Rubinstein, 1921.

- Concerto voor twee piano’s 9 november 1935, Stravinsky’s eerste werk nadat hij Frans staatsburger was geworden.

- Tango, 1940

- Sonata voor twee piano’s, 1944. Het eerste deel heeft een engelachtig thema.

     21 pianorollen voor mechanische piano

- Petrushka – Pleyel, Paris, Pleyela 8441 – 8447, 1922

Percy Aldridge Grainger (Brighton, bij Melbourne, Australië, 8 juli 1882 – White Plains, New York, 20 februari 1961) begon met het studeren van muziek in Australië onder Louis Pabst. In 1895 vertrok zijn moeder Rose met hem naar Europa, en studeerde hij aan het Dr. Hoch’s Konservatorium in Frankfurt am Main piano bij James Kwast en Ferruccio Busoni.

Als concertpianist reisde hij vanaf 1900 door Europa. Vanaf 1906 raakte hij bevriend met Edvard Grieg en begon zowel met het verzamelen en vastleggen van volksliederen uit het landelijke Engeland als met componeren.

In 1914, aan het begin van de Eerste Wereldoorlog ging Percy Grainger naar de Verenigde Staten van Amerika, waar hij musicus werd in een militaire kapel, eerst als saxofonist, later als dirigent. Met de kapel gaf hij talrijke concerten.

In 1918 werden hem de Amerikaanse burgerrechten toegekend.

Zijn pianowerk Country Gardens bracht hem ook als componist de doorbraak en werd een "hit" van toen, maar Grainger zelf zou weinig vreugde aan dit werk beleven. Toen het met zijn financiële zaken beter ging, vertrok hij met zijn moeder naar de rijke New Yorkse wijk White Plains. De gezondheid van Rose Grainger ging achteruit en zij pleegde in 1922 zelfmoord.

Van 1919 tot 1931 doceerde hij aan het Music-College in Chicago.

In november 1926 leerde hij de Zweedse kunstenares en dichteres Ella Ström kennen. Zij verloofden zich onmiddellijk en trouwden in 1928. Het huwelijksfeest was een merkwaardig gebeuren in de Hollywood Bowl waar hij een concert voor 20.000 luisteraars gaf, met een orkest van 126 muzikanten en een koor, die zijn nieuwst compositie To a Nordic Princess uitvoerden.

Van 1932 tot 1933 werd hij decaan voor muziek aan de New York University, hij zette jazz in het leerplan en stelde Duke Ellington aan als docent.

In 1940 vertrokken de Graingers naar Springfield,Missouri, vanwaar hij op reis ging om in de Tweede Wereldoorlog een reeks militaire concerten uit te voeren. Maar na de oorlog ging zijn gezondheid achteruit, zijn pianistische vakbekwaamheid verminderde en zijn interesse voor klassieke muziek verflauwde.

In zijn laatste levensjaren ontwikkelde Grainger in samenwerking met Burnett Cross de Free Music Machine, een voorloper van de Synthesizer.

Grainger was een controversieel man. Ondanks zijn voorkeur voor folkloristische muzikale vormen en zijn vriendschap met Duke Ellington en George Gershwin was hij een verklaarde sadomasochist, racist en antisemiet.

Percy Grainger componeerde

     12 werken voor orkest

- Blithe Bells (Ramble on Bach's "Sheep May Safely Graze"), ook gearrangeerd voor band, twee piano's en solopiano

     34 werken voor harmonieorkest

     7 kamermuziekwerken

- Scandinavian Suite voor cello en piano, 1902

     1 werk voor piano vierhandig

     3 werken voor koor

 

Karol Szymanowski (Tymoszówka, Kiev, toen Polen, 6 oktober 1882 – Lausanne, Zwitserland, 29 maart 1937) werd geboren  op het landgoed van zijn familie in de Oekraďne, dat toen behoorde tot het koninkrijk Polen. Zijn vader, Stanislaw Korwin-Szymanowski, was een Poolse landeigenaar. Anna Taube, zijn moeder, was van Zweedse adel. Beiden hielden veel van kunst, en hun vijf kinderen kozen ook voor de kunst als beroep: musicus, dichter en schilder. Szymanowski's eerste muzikale onderricht kreeg hij van zijn vader; vervolgens kreeg hij verder onderwijs van Gustav Neuhaus, die een school had  in Jelizavetgrad, het tegenwoordige Kirovohrad. Van 1901-1904 studeerde hij in Warschau bij Marek Zawirski voor harmonie en Zygmunt Noskowski voor contrapunt en compositie.

In 1905 richtt hij samen met dirigent Grzegorsz Fitelberg, componist Ludomir Rozycki en pianist en componist Apolinary Szeluto de "Jonge Poolse Muziekgroep" op, met als doel het publiceren en promoten van de nieuwe Poolse muziek in binnen en buitenland Van 1908 - 1909 werkte hij aan De mannenloterij, een operette in drie akten en in 1913 aan Hagith, een opera in een akte.

Gedurende de jaren 1914-1917 verbleef hij op het familielandgoed in Tymoszówka, waar hij zich intensief bezig hield met studeren en componeren. In 1917 werd tijdens de Russische Revolutie het familieverblijf in Tymoszówka volledig verwoest, waardoor Szymanowski moest verhuizen naar het nabijgelegen Elisavetgrad.

In 1918 begon hij aan zijn opera Krol Roger (= Koning Roger). Eind 1919 vestigde hij zich in Warschau. Na de Eerste Wereldoorlog begon hij heel vernieuwende pianomuziek en liederen te schrijven Vanaf het begin van de jaren twintig ging hij twee keer naar de Verenigde Staten op concerttournee, samen met zijn vrienden, de violist Pawel Kochański en de pianist Arthur Rubinstein. Deze tournees verliepen succesvol. Ook was hij veel in Parijs, waar zijn concerten zeer gevraagd waren. In 1927 werd hij gevraagd voor de aanstelling als directeur van de conservatoria van zowel Warschau als Caďro, waarop hij toch Warschau verkoos. Hij probeerde zoveel mogelijk de stad te verlaten en vond rust in het dorp Zakopane,  nu een skidorp, maar toen een kunstenaarskolonie. Hij had er een houten villa, waar hij in de stilte goed kon componeren. In 1930 werd hij benoemd tot directeur van de Muziek Academie van Warschau en eredoctor aan de Jagiello Universiteit van Kraków. In 1937 stierf hij aan zijn chronische tuberculose, kort nadat hij in een sanatorium in Lausanne opgenomen werd.

Kornel Michałowski stelde in 1967 een thematische catalogus samen waarin de werken van Karol Szymanowski een M-nummer kregen

Karol Szymanowski componeerde

     2 opera’s

- King Roger (Król Roger), opus 46, opera in 3 acten, libretto door Jarosław Iwaszkiewicz, neef van de componist, 1926. In het begin steekt het zacht opdoemende, door het immense koor gezongen "Hagios, Kyrios, Theos Sabaoth" het requiem van Verdi naar de kroon. Plot van het verhaal is de verlichting die een heidense herder de door angsten en jaloezie gekwelde koning Roger II brengt. Boodschap: Christendom is nergens goed voor. Hoofdpersonen: Koning Roger II (bariton), zijn vrouw Roxana (sopraan) en de herder (tenor).

     1 operette

      2 ballet-pantomimes

- Harnasie, opus 55, M 68,  ballet-pantomime met een prelude en 2 bedrijven voor tenor, gemengd koor en orkest, 1931, libretto Jerzy Rytard en zijn vrouw en Jarosław Iwaszkiewicz. Het verhaal speelt zich af in de Tatra bergen, gebaseerd op de legende over de bruidsontvoering  van rover Harnaś en zijn bende. Om gezondheidsredenen was  Szymanowski in 1921 in de Tastra in Zakopane en bestudeerde daar de muziek van het Goralenvolk. De partituur maakt uitgebreid gebruik van volksmelodieën.

     4 Symfonieën

- Symfonia nr. 4 (Symphonie concertante), opus 60, M70, 1932, voor piano en orkest, opgedragen aan Arthur Rubinstein. Begonnen als een pianoconcert, uitgegroeid tot een symfonie, maar vanwege de omvangrijke solopianopartij eigenlijk toch een pianoconcert gebleven.

     2 vioolconcerten

- vioolconcerto nr. 1, opus 35, 1916, opgedragen aan violist Paweł Kochański

- vioolconcerto nr. 2,  opus 61, een magistrale compositie

     3 andere orkestwerken

- Concert Overture in E grote terts, opus 12, 1905

     5 werken voor koor, solist(en) en orkest (met orgel)

- Stabat Mater op Poolse teksten; een goede uitvoering kan een onuitwisbare indruk maken. Van een Byzantijnse schoonheid, Szymanovsky's belangrijkste vocale werk, uiterst expressief en indringend.

     1 werk voor koor a cappella

     6 (series) liederen voor zangstem en orkest

     8 kamermuziekwerken

- Mity (3 mythes) opus 30, drie gedichten  voor viool en piano, 1915, heel bijzonder;

- 2 strijkkwartetten

strijkkwartet nr. 1 in C grote terts, opus 37, 1917

strijkkwartet nr. 2, opus 56, 1927

- Lied van Roxanne, transcriptie van het tweede bedrijf van de opera Koning Roger, opus 46,  voor viool en piano, 1931

     21 (series) liederen voor zangstem en piano

- 3 Fragmenten van gedichten van Jan Kasprowicz, opus 5, M4, 1902, voor zangstem en piano

- 7 liederen op teksten van James Joyce, opus 54, M63, 1926, in een Poolse vertaling van Jarosław Iwaszkiewicz, lied 5,6 en 7 zijn onvolledig achtergebleven, voltooid door Adam Neuer

     16 (series) pianowerken

- 9 Preludes, opus 1,  1900, gecomponeerd op 14-jarige leeftijd

- Sonate voor piano nr.1 in c kleine terts, opus 8, 1905

- Preludium en Fuga in cis kleine terts, 1909, M 19

- Masques (maskers), opus 34, M 35, 1916

3. La Serenade de Don Juan

- 3 Caprices van Paganini, opus 40, M 42, 1918, voor viool en piano, transcripties van de caprices 20, 21 en 24 van Nicolo Paganini, opgedragen aan Paweł Kochański en Józef Ozimiński.

- 20 mazurka's opus 50, 1925, als het ware variaties op de romantische mazurka's van Frédéric Chopin: écht trouw aan de Poolse Mazurische volksmuziek. De ritmen die we van Chopin kennen zijn door Szymanowski voorzien van aan Bartók herinnerende Slavische volksmelodieën.

 

 

Emmerich (Imre) Kálmán (Siófok, Oostenrijk-Hongarije, 24 oktober 1882 – Parijs, 30 oktober 1953) studeerde in Boedapest eerst rechten en dan muziek aan de Ferenc Liszt-Akademie voor muziek. Ziekte aan zijn rechterhand belette hem om concertpianist te worden. Hij werd hij muziekcriticus en componeerde. Zijn eerste operette Tatárjárás, die in Boedapest in 1908 in premičre ging, was een groot succes. Hij verhuisde vervolgens naar Wenen. Daar had hij groot succes met zijn operettes.

Tussen de twee wereldoorlogen was Kálmáns muziek net zo populair als die van Franz Lehár en Johann Strauss jr. De nazi’s dachten Kálmán, die Joods was, een plezier te doen door hem Arisch erestaatsburgerschap aan te bieden maar hij verkoos in 1938 naar Parijs te verhuizen en vandaar naar de Verenigde Staten te emigreren. In de Verenigde Staten werkte hij als dirigent en componist van muziek in een meer Amerikaans idioom. In 1942 deed hij afstand van zijn Hongaars staatsburgerschap omdat Hongarije zich lieerden met Hitlers Duitsland. Na de Tweede Wereldoorlog koos hij Parijs als zijn residentie.

Emmerich Kálmán stierf in 1953. Zijn laatste werk Arizona-Lady werd door zijn zoon Charles voltooid. Samen met Franz Lehár geldt hij als de stichter van de 'zilveren' operettestijl van het interbellum.

Emmerich Kálmán componeerde

     19 operettes

- Die Csárdásfürstin (1915), zijn bekendste werk, met een mooi compact, humoristisch libretto van  Leo Stein en Béla Jenbach

- Gräfin Mariza, operette in drie acten, 1924,  libretto Julius Brammer en Alfred Grünwald. Bekende tenoraria in de eerste akte: “Grüß mir die süßen, die reizenden Frauen im schönen Wien” (“Wenn es Abend wird”).

     orkestwerken

     liederen,

     pianowerken

 

René Louis Becker (Bischheim, Elzas, Frankrijk,7 november 1882 – Dearborn, Verenigde Staten, 28 januari 1956) groeide op in een muzikaal gezin. René studeerde aan het conservatorium van Straatsburg compositie bij Carl Somborn en orgel bij Adolphe Gessner. Als conservatoriumstudent mocht hij in 1894 bij een pianorecital de bladzijden omslaan bij Johannes Brahms.

In 1904 emigreerde René Louis Becker naar Amerika en voegde zich bij zijn familie in St. Louis. Daar richtte hij de Becker Muziekschool op. Op zijn muziekschool doceerde Becker piano, orgel en compositie.

In 1908 werd René Becker docent orgel aan de universiteit van St. Louis en docent Gregoriaans aan het seminarie van Kendrige.

In 1910 trouwde René Becker met Angela Landzettel. In 1930 werd Becker benoemd tot organist van de Blessed Sacrament Cathedral in Detroit. Samen met zijn zoon Francis stichtte hij het Palestrina Instituut om (plaatselijke) organisten onderwijs te geven in Kerkmuziek en Gregoriaans.

In 1943 ging René Becker naar de kerk van St. Alphonsus in Dearborn en daar was hij, tot zijn pensionering in 1952, organist. Na een langdurig ziekbed is René Louis Becker op 28 januari 1956 overleden.

René Becker componeerde

     orgelwerken

- 4 orgelsonates

- toccata in d kleine terts, opus 32

     15 missen

     35 motetten

     25 pianowerken

 

Manuel María Ponce Cuéllar (Fresnillo, Zacatecas, Mexico, 8 december 1882 – Mexico-Stad, 24 april 1948) verhuisde met zijn familie kort na zijn geboorte naar Aguascalientes.

Manuel Ponce bleek een muzikaal wonderkind. Toen hij vier jaar oud was kon hij al op het gehoor de stukken naspelen die zijn oudere zuster Josefina op de piano voordeed. Josefina gaf  hem les en hij kon eerder noten dan letters lezen. Vanaf zijn tiende kreeg hij les van pianoleraar Cipriano Avila en zong hij in het kinderkoor van de kerk van San Diego.

Op negenjarige leeftijd schreef hij zijn oudste bekende compositie, La marcha del sarampion (‘de Mazelenmars’, omdat hij toen net die kinderziekte had).

Vanaf 1901 studeerde Manuel Ponce aan het conservatorium in Mexico-Stad. In 1904 reisde hij naar Europa. Hij studeerde compositieleer in Bologna en piano bij Martin Krause in Berlijn.

In 1908 keerde hij terug naar Mexico, waar hij in 1909 een aanstelling kreeg als docent piano en muziekgeschiedenis aan het conservatorium in Mexico-Stad. Een van zijn studenten was Carlos Chávez.

Tussen 1915 en 1917 verbleef hij vanwege een burgeroorlog in Mexico in Havana op Cuba, waar hij zich in leven hield met lesgeven en het schrijven van artikelen en recensies van muziekuitvoeringen. In 1917, toen Mexico in rustiger vaarwater was gekomen, nam Manuel Ponce zijn functie aan het conservatorium in Mexico-Stad weer op. In hetzelfde jaar trouwde hij met de zangeres Clema Maurel. Hij werd ook redacteur van de Revista Musical de Mexico.

Van 1925 tot 1932 studeerde Manuel Ponce in Parijs compositie bij Paul Dukas. In Parijs maakte hij kennis met de Braziliaanse componist Heitor Villa-Lobos, en voor de tweede keer met Andrés Segovia.

In 1933 keerde Manuel Ponce terug naar Mexico, waar hij piano ging doceren aan het conservatorium in Mexico-Stad en plaatsvervangend directeur werd.

In 1948 overleed Ponce aan een urinevergiftiging. Hij ligt begraven in het Panteón de Dolores in Mexico-Stad.

In zijn geboorteplaats Fresnillo is een Manuel M. Ponce Museum. In het huis waar hij in Aguascalientes heeft gewoond wordt nog steeds een grote collectie handschriften en andere voorwerpen bewaard die aan Manuel Ponce hebben toebehoord. De straat waaraan het huis ligt, heet nu Calle de Manuel Ponce. In Aguascalientes is ook een fontein naar hem genoemd en staat een buste van hem. In Mexico-Stad draagt een concerthal zijn naam.

Manuel Ponce componeerde

     2 opera’s

     8 orkestwerken

- Chapultepec, symfonisch gedicht, 1934

- pianoconcert, 1912

- Concierto del Sur, gitaarconcert, 1941

     10 kamermuziekwerken

     47 liederen

- Estrellita (kleine ster), zijn bekendste compositie, 1912

- A la orilla de un palmar,

- Alevántate,

- La pajarera,

- Marchita el alma

- Una multitud más.

     27 (series) gitaarwerken, bijna allemaal voor Andrés Segovia 

- Sonata mexicana, 1925

- Sonata III, 1927

- Sonata romántica, 1929

- Variaties en fuga op La Folia, 1929,

- 24 Preludios, 1929

- Variaties op een thema van Cabezón, 1948

     25 (series) pianowerken.

- etudes

- suites

- scherzino’s

- rapsodieën 

- 20 mazurka’s.

 

Joaquín Turina Pérez (Sevilla, Spanje, 9 december 1882 – Madrid, 14 januari 1949) werd geboren in een middenstandsfamilie. Op vierjarige leeftijd kreeg hij een accordeon en verbaasde iedereen hoe snel en handig hij het leerde bespelen. In zijn geboortestad, de hoofdstad van de provincie Andalusië, studeerde hij harmonieleer en contrapunt bij García Torres en piano bij Enrique Rodríguez. In 1902 ging hij studeren aan het Real Conservatorio Superior de Música de Madrid bij José Tragó.

Van 1905 tot 1914 studeerde hij in Parijs piano bij Moritz Moszkowski (1854–1925) en compositie bij Vincent d'Indy aan de Schola cantorum. In deze tijd absorbeerde hij veel nieuwe invloeden en kwam in contact met andere grote figuren uit het muziek- en cultuurleven in Parijs. Hij werd bevriend met Claude Debussy, Maurice Ravel en Florent Schmitt.

Isaac Albéniz moedigde hem aan zich op de Andalusische muzikale bronnen te concentreren. Deze oriëntering werd duidelijk in zijn pianosuite Sevilla van 1908, maar vooral in zijn Strijkkwartet in 1910.

Nadat Joaquín Turina Pérez in 1914, tijdens de Eerste Wereldoorlog, naar Madrid terugkwam, werkte hij bij het Teatro Real en aan het Real Conservatorio Superior de Música de Madrid.

Joaquín Turina componeerde

     9 orkestwerken

     4 werken voor banda (harmonie-orkest)

     7 zarzuela’s

     2 opera’s

- Jardín de Oriente, 1923

     19 kamermuziekwerken

- Quinteto, voor strijkkwartet en piano, opus 1, 1907

- strijkkwartet, 1910.

- La oración del torero (stierenvechtersgebed), opus 34, 1925, kleurrijk,  er zijn versies voor allerlei bezettingen

- pianotrio nr. 1, I opus 35, voor piano, viool en cello, 1926

- pianokwartet voor piano, viool, altviool en cello, opus 67, 1931

- pianotrio nr. 2, opus 76, 1933, verrassend, exotiek en sprankeling voeren de boventoon.

     13 liederen

     2 werken voor orgel

     60 pianowerken

- Sevilla, suite pintoresca, opus 2, 1909

- Rincones Sevillanos (hoeken van Sevilla), opus 5, 1911

- El poema de una sanluqueńa, voor viool en piano, opus 28, 1923,

- Por las calles de Sevilla (over de straten van Sevilla), opus 96, 1943

- Desde mi Terraza, opus 104, 1945, Turina’s driedelige zwanenzang

     5 werken voor gitaar

- Sevillana, opus 29, 1923

www.joaquinturina.com

 

Zoltán Kodály (Kecskemét, Hongarije 16 december 1882 – Boedapest, 6 maart 1967) bracht het grootste deel van zijn jeugd door in Galánta (nu: Galanta) en Nagyszombat (nu Trnava). Zijn vader was een begaafd amateurmusicus die zijn zoon vioolles gaf. Zijn vader zong ook in een kerkkoor en schreef muziek zonder daarvoor een opleiding gehad te hebben. Zijn moeder was pianiste.

Zijn eerste orkestwerkjes werden opgevoerd in zijn school. Na het gymnasium ging hij naar de Universiteit van Boedapest en de Franz Liszt Muziekacademie. Daar studeerde hij onder Hans Koessler, die ook de leraar was van Bela Bartók en Dohnányi. Na zijn afstuderen in 1905 ontmoette hij Bela Bartók.

In 1907 werd Zoltán Kodály leraar muziektheorie aan de Franz Liszt Muziekacademie en van 1908 tot 1911 nam hij de compositieklas van Koessler over.

In 1933 vroeg de Hongaarse Academie voor Wetenschappen hem en Bela Bartók om alle beschikbare Hongaarse volksmuziek te publiceren. Na het vertrek van Bela Bartók naar Amerika, zette Zoltán Kodály het werk eraan voort. Het eerste deel verscheen in 1951.

In 1942 ging Zoltán Kodály met pensioen. Na de Tweede Wereldoorlog reisde hij naar Engeland, Frankrijk, Amerika en de USSR om zijn eigen composities te dirigeren. Zoltán Kodály's inspanningen op het gebied van de muziekpedagogiek leidden tot de invoering van een op zijn werk gebaseerde muziekmethode in het Hongaars lager onderwijs. Deze methode ligt ook aan de basis van het hoge niveau dat Hongaarse koren sindsdien hebben bereikt.

Zoltán Kodály componeerde

     3 opera’s

- Háry János, opera, meer een Singspiel, 1926  libretto van Béla Paulini en Zsolt Harsány, gebaseerd op het epos Az obsitos (De veteraan) van János Garay, 1843, onmogelijke opéra comique   

     7 orkestwerken

- Zomeravond, 1906, gereviseerd 1930

- Rondo Hongrois, oorspronkelijk voor cello en piano, 1917

- Háry János Suite  orkestsuite, samengesteld uit muziek uit de opera Háry János, 1927.

- Dansen uit Marosszék, 1929, oorspronkelijk geschreven voor piano

- Dansen van Galánta, 1933

     7 orkestwerken voor koor en orkest

     18 kamermuziekwerken

- Intermezzo voor strijktrio, 1905

- cellosonata voor cello en piano, opus 4, 1910

- duo voor viool en cello, opus 7, 1914, een fabuleus stuk, waarin geen noot teveel staat; Het tweede deel van het driedelige meesterwerk: Adagio, lyrisch

- cellosonata voor cello solo, opus 8, 1915, prachtig;

- Rondo Hongrois, voor cello en piano, 1917

     40 (series) koorwerken voor gemengd koor

     50 (series) koorwerken voor  hoge stemmen

     20 (series) koorwerken voor mannenstemmen

     6 (series) koorwerken voor kinderen

     16 (series) werken voor koor en instrument(en)

     18 series werken voor zangstem(men) en orgel, piano, meerdere instrumenten of orkest

- Psalmus Hungaricus, opus 13, voor tenor, koor en orkest, 1923. Gecomponeerd om de vijftigste verjaardag van het samengaan van de steden Boeda en Pest te vieren.

- Jézus és a kufárok, 1934

     7 (series) pianowerken

- 7 werken voor piano,  opus 11, 1910 en 1917/1918; talloze pentatonische thema’s; een zwaarmoedige en dramatische stemming.

- Marosszéki táncok (dansen uit Marosszék), 1923–1927, georkestreerd in 1929

     3 orgelwerken

 

Walter Braunfels (Frankfurt am Main, Duitsland, 19 december 1882 – Keulen, 19 maart 1954) was de jongste zoon van Spaanse consul, jurist en literatuurwetenschapper Ludwig Braunfels, die vanuit het jodendom naar de Evangelisch Lutherse kerk was overgestapt, en zijn tweede vrouw Helene Spohr, een achternicht van Louis Spohr en bevriend met Clara Schumann en Franz Liszt.

Zijn eerste muzieklessen kreeg Walter Braunfels van zijn moeder. Op zijn 12de ging hij naar het Hoch’schen Konservatorium in Frankfurt. Daarna studeerde rechten en economie aam de Universiteit van München. In 1902 ging hij naar Wenen, waar hij pianoles nam bij Teodor Leszetycki. Terug in München, studeerde Walter Braunfels compositie bij Ludwig Thuille. In 1909 trouwde hij met Bertel von Hildebrand, de jongste dochter van de beeldhouwer Adolf von Hildebrand en eerder verloofd met Wilhelm Furtwängler. Van hun vier kinderen werd Wolfgang Braunfels kunsthistoricus en Michael Braunfels muzikant. De architect Stephan Braunfels is een kleinkind van Walter Braunfels.

In de Eerste Wereldoorlog moest Walter Braunfels in 1915 in legerdienst en werd hij aan het front behoorlijk verwond.

Bij terugkeer uit de oorlog bekeerde hij zich tot het Katholicisme. In 1925 werd hij samen met Hermann Abendroth directeur van de pas in het leven geroepen Muziekhogeschool in Keulen. 2 mei 1933, meteen aan het begin van de nationaalsocialistische dictatuur werd hij als “halfjood” met een ministeriële beschikking uit zijn ambt gezet en mochten zijn werken niet meer uitgevoerd worden. Walter Braunfels bleef in Duitsland, trok zich volledig uit het openbare leven terug en componeerde alleen nog maar. Na de oorlog kreeg hij van de toenmalige Keulse burgemeester Konrad Adenauer het verzoek om de Muziekhogeschool weer opnieuw in het leven te roepen. In 1947 werd hij er directeur. Een oude kliek muzikanten uit de tijd van het nationaalsocialisme, die hun ambt behouden hadden, maakten hem het werk moeilijk en in 1950 ging hij met pensioen. De componisten Carlos Veerhoff en Hermann Schroeder zijn leerlingen van hem.

Walter Braunfels componeerde in een laatromatische stijl: sterk doorgechromatiseerde, tot aan de grenzen van de tonaliteit reikende harmonieën. Zijn werk kenmerkt zich door een breed uitdrukkingspalet van ascetische zuinigheid tot ironische en groteske wendingen zoals bij Kurt Weil. Na de Tweede Wereldoorlog vond de avant-garde hem niet meer van onze tijd en raakte hij na zijn dood totaal vergeten. Pas na 1990 kwam er weer belangstelling voor zijn werk.

Walter Braunfels componeerde

     8 opera’s

- Die Vögel, opus 30, 1919, lyrische fantasie in 2 bedrijven voor solisten, koor en orkest, libretto van de componist zelf naar Aristophanes.  Schitterende muziekdramatische schepping. .   

     2 theatermuziekwerken

     2 oratoria

     2 missen

     1 te deum

- Große Messe (missa Solemnis) opus 37, 1926, voor solisten, jongenskoor, gemengd koor, orgel en orkest. Schitterend Benedictus, ontroerend Agnus Dei

     3 cantates

     7 concerten

     15 andere orkestwerken

- Don Juan,  opus 34, 1924, een  klassiek-romantische phantasmagoria voor groot orkest, inleiding en thema met zeven variaties op de “campagnearia” uit Don Giovanni van Wolfgang Amadeus Mozart

     12 (series) werken voor zangstem(men) en orkest

- Voorspel en proloog van de nachtegaal, opus 30/3, 1913, voor coloratuursopraan en orkest, komt uit de opera Die Vögel. Hondsmoeilijk stuk

- Abschied vom Walde opus 30/1, 1913, voor tenor en orkest, komt uit de opera Die Vögel

- Auf ein Soldatengrab,  opus 26, 1915, voor bariton en orkest, tekst Hermann Hesse

- Zwei Hölderlin-Gesänge, opus 27, 1918, voor bariton en orkest, tekst Friedrich Hölderlin

     5 kamermuziekwerken

     4 (series) koorwerken  voor koor a capella

     7 (series) liederen voor zangstem en piano

     8 (series) pianowerken

     1 orgelwerk 

www.walterbraunfels.de