Componisten

vanaf 1883

 

Joan (Juan) Manén (Barcelona, Spanje, 14 maart 1883 – 26 juni 1971) was een pianowonderkind, dat solfège en piano leerde van zijn vader vanaf zijn derde jaar en op zijn zevende in het openbaar al Chopinconcerten gaf. Ondertussen had hij ook nog pijlsnel virtuoos viool leerde spelen bij Clemente Ibarguren, en op zijn negende gaf hij zijn eerste vioolconcert. Vanaf zijn dertiende componeerde hij. Op zijn 17de dirigeerde hij zijn eigen composities in Barcelona.

Joan Manén componeerde

     9 opera’s of zarzuela’s

     12 muziektheaterwerken

     34 orkestwerken

     9 werken voor koor en piano of orkest

     23 kamermuziekwerken

     14 (series) liederen voor zangstem en pianoi

     1 gitaarwerk

- Fantasia – Sonata, opus A-22

     1 pianowerk

 

Josef Matthias Hauer (Wiener Neustadt, Oostenrijk, 19 maart 1883 – Wenen, 22 september 1959) werd als zoon van een gevangenbewaarder aan de Lange Gasse 23 in Wiener Neustadt geboren. Hij studeerde al jong cello, koordirectie en orgel en bracht zichzelf muziektheorie en compositie bij. In 1907 trouwde hij met Leopoldine Hönig († 1934). Ze kregen drie kinderen. In 1918 publiceerde hij zijn eerste muziektheoretische werk: een toonkleurtheorie, gebaseerd op Goethes Theorie over de Kleuren. In 1920 ontwikkelde hij in het boek Vom Wesen des Musikalischen de twaalftoonstheorie, nog voordat Arnold Schoenberg daar iets over gepubliceerd had.

In 1938 werd als zijn muziek door de Nazi”s als “entartet” verklaard, ondanks het feit dat hij een behoorlijk antisemitisch gedachtegoed koesterde. Josef Matthias Hauer bleef tijdens de oorlogsjaren wel in Oostenrijk wonen, maar durfde niets meer te componeren en te publiceren. Ook na de oorlog kwam er weinig meer uit zijn handen. Hij gaf wel veel studenten les in zijn compositietechnieken en in zijn muziekfilosofie.

Zijn muziek draait steeds om twaalftoonsreeksen en het gebruik van “tropen”. Een trope bestaat uit twee complementaire hexachorden waarbinnen geen vastgelegde toonvolgorde bestaat. Josef Matthias Hauer had een diepe interesse in de wijsheid van de I Ching, “het boek der veranderingen” uit het oude China. Veranderingen spelen in zijn composities dan ook een belangrijke rol.

Het eregraf van Matthias Hauer bevindt zich op de Dornbacher begraafplaats in Wenen (groep 12, nr. 10). in 1988 werd in Wenen Josefstadt het Jozef–Matthias–Hauerplein naar hem vernoemd. In 1977 was er al een Josef Matthias Hauer muziekschool in Wenen geopend, die in 1988 het Josef Matthias Hauer conservatorium werd.

Josef Matthias Hauer publiceerde

- 17 muziektheoretische werken

- 33 artikelen en essays

Josef Matthias Hauer componeerde 577 uiteenlopende werken waaronder

     2 opera’s

     22 (series) orkestwerken

     13 werken voor koor, (solist(en)) en instrument(en)

     11 kamermuziekwerken

     12 (series) liederen voor zangstem en piano

     24 (series) pianowerken

- Zwölftonspiel voor piano met vier handen, 1956

 

Sir William Henry (“Doc H”) Harris (Fulham, Londen, Engeland, 28 maart 1883 – Petersfield, 6 september 1973) was koorkaap bij de Holy Trinity in Tulse Hill. Op zijn 14de werd hij assistent organist aan de Saint Davids kathedraal in Wales. Vanaf zijn 16de studeerde William Harris aan het Royal College of Music. Van 1911 tot 1919 was hij organist aan de Saint Augustine’s Kerk in Edgbaston. In 1919 werd hij organist aan het New College, in 1929 aan de Christ Church in Oxford en in 1933 aan de St. George’s Chapel van Windsor. Ondertussen was hij van 1921 tot 1955 ook docent orgel en harmonieleer aan het Royal College of Music.

William Harris componeerde

     Services

- Communion Service in F

     anthems

- Faire is the heaven, 1925 voor dubbelkoor a cappella

- Bring us, O Lord God, 1959, voor dubbelkoor a cappella

- Strengthen ye the weak hands, 1949 voor koor en orgel

     cantatas

     orkestwerken

     kamermuziekwerken

     Geestelijke liederen

- Harris in A grote terts

- Harris in a kleine terts

- Alberta (vaak gezongen op de tekst  Lead, Kindly Light),

     orgelwerken.

 

Sir George Dyson (Halifax, West Yorkshire, Engeland, 28 mei 1883 - Winchester, 28 september 1964) was de zoon van de plaatselijke smid. Er was geen geld voor een opleiding. George Dyson leerde zichzelf orgel en piano spelen in de plaatselijke Baptistenkerk. Toen hij 16 was werd hij toegelaten tot het Royal College of Organists en won daar een beurs om aan het Royal College of Music orgel en compositie te gaan studeren bij Sir Charles Villiers Stanford. In 1904 kreeg hij opnieuw een beurs waarmee hij op het vasteland van Europa verder kon studeren.

Terug in Engeland werd George Dyson directeur muziek bij het Royal Naval College in Osborne House, East Cowes. In de Eerste Wereldoorlog schreef George Dyson zich in voor deelname. Hij kwam in shock terug.

Na herstel ging George Dyson lesgeven, eerst in Rugby, daarna aan het Wellington College in Berkshire en weer later (1924) aan het Winchester College. Vanaf 1937 werd hij directeur van het Royal College of Music en leidde het instituut door de Tweede Wereldoorlog. In 1952 nam hij afscheid.

In 1941 werd hij geridderd en in 1953 benoemd tot Ridder Commandeur in de Koninklijke Orde van Victoria (Verenigd Koninkrijk). .

George Dyson componeerde

     9 orkestwerken

     7 kamermuziekwerken

     20 (series) werken voor koor en orkest

     80 (series) koorwerken, a cappella of met piano of orgel

- Evening service (Magnificat en Nunc Dimittis) in D grote terts voor koor en orgel, 1907;

     13 series werken voor piano

     4 orgelwerken

www.impulse-music.co.uk/georgedysontrust.htm

 

Riccardo Zandonai (Sacco di Rovereto, Trento, Italië, 28 mei 1883 – Trebbiantico bij Pesaro, 5 juni 1944) begon zijn muziekstudies aan de Scuola Musicale di Rovereto bij Vincenzo Gianferrari. Van 1898 tot 1901 was hij leerling van Pietro Mascagni aan het Liceo Musicale "Rossini" di Pesaro. Hij was de laatste operacomponist van het Italiaanse verisme.

Riccardo Zandonai was getrouwd met de sopraan Tarquinia Tarquini (1883 - 1976).

In 1939 werd hij directeur van het Liceo Rossini in Pesaro.

Riccardo Zandonai behoorde tot de groep Generazione dell’80.

Riccardo Zandonai componeerde

     14 opera’s

- Conchita, (La femme et le pantin), opus 4, libretto Maurice Vaucaire en Carlo Zangarini, naar Pierre Louÿs, 1910

- Francesca da Rimini, 1913, opera in 4 bedrijven, libretto Tito Ricordi, naar Gabriele D'Annunzio

     1 toneelmuziekwerk

     5 kerkmuziekwerken

     12 orkestwerken

     7 werken voor harmonieorkest

 

Alexandre Eugène Cellier (Molières-sur-Cèze, Languedoc-Rousillon, Frankrijk, 17 juni 1883 – Parijs, 4 maart 1968) studeerde orgel bij Alexandre Guilmant tot 1908. Hij was organist–titularis van de Temple de l'Étoile in Parijs van 1910 tot zijn dood in 1968. Het orgel dat hij daar gebruikte was een 3-manualig Cavaillé-Coll orgel.

Alexandre Cellier componeerde

     5 orkestwerken

     10 kamermuziekwerken

     15 orgelwerken

- Choral-paraphrase sur la mélodie du Psaume 90

     1 werk voor zangstem en orgel

 

Maximilian Osejevitsj Steinberg (Vilnius, Litouwen, 4 juli 1883 – Sint-Petersburg, Rusland, 6 december 1946) was de zoon van de Joodse Osey (Hosea) Steinberg. Hij bracht zijn jeugd door in Vilnius en trok in 1901 naar Sint-Petersburg om daar biologie te gaan studeren. Tegelijk deed hij ook maar een muziekstudie aan het Conservatorium van Sint-Petersburg bij Anatoli Ljadov, Alexander Glazoenov en Nikolai Rimski-Korsakov. In 1907 studeerde hij in Natuurwetenschap af en in 1908 in compositie. In dat jaar trouwde hij ook met de dochter van Nikolai Rimski-Korsakov: Nadeschda. Hij heeft zijn hele leven een grote bewondering voor zijn schoonvader gekoesterd. Maximilian Steinberg was vanaf 1915 docent compositie en instrumentatie aan het conservatorium van Sint-Petersburg. Daarna deed hij er nog een aantal andere vakken en was van 1934 tot 1939 plaatsvervangend direkteur, tot hij in 1946 met pensioen ging. Hij was de leraar van onder andere Dmitri Sjostakovitsj, Galina Ustvolskaya, Juri Schaporin en Sergej Prokofjev.

Maximilian Steinberg componeerde

     2 balletten

     theatermuziekwerken

     3 cantates

     5 symfonieën

     7 andere orkestwerken

     2 strijkkwartetten

     1 ander kamermuziekwerk

     koorwerken

- Passion Week, opus 13, voor koor, 1923, 11 a capella gezangen in de aanloop naar Pasen, gebaseerd op vroege gezangen van de Russisch-Ortodoxe kerk. Rijk werk. 

     liederen

     werken voor een instrument solo

 

 

Alfredo Casella (Turijn, Italië, 25 juli 1883 – Rome, 5 maart 1947) werd geboren in een muzikale familie. Zijn grootvader, een vriend van Paganini, speelde eerste cello in het San Carlo Theater in Lissabon en was solist in de Koninklijke Kapel in Turijn. Alfredo's vader Carlo Casella en zijn broers  Cesare en Giacchino waren professionele cellisten, zijn moeder was pianiste en gaf de jongen zijn eerste muzieklessen.

Alfredo werd op zijn 13de toegelaten aan het Conservatoire de Paris in 1896. Hij studeerde er piano bij Louis Diémer en compositie bij Gabriel Fauré.

Terug in Italië tijdens de Eerste Wereldoorlog, ging hij les geven aan de Accademia Nazionale di Santa Cecilia in Rome. Hij was een van de bekendste Italiaanse pianovirtuozen van zijn generatie, samen met Arturo Bonucci (cello) en Alberto Poltronieri (viool), vormde hij het Trio Italiano in 1930. Alfredo Casella trad als pianist en dirigent op alle grote orkesten in Europa en Amerika.

In 1923 richtte Alfredo Casella samen met Gabriele D'Annunzio en Gian Francesco Malipiero uit Venetië een vereniging op ter bevordering van de verspreiding van moderne Italiaanse muziek, de Corporatie van de nieuwe muziek.

De herontdekking van Antonio Vivaldi's werken in de 20e eeuw is grotendeels te danken aan de inspanningen van Casella, die in 1939 de nu historische Vivaldiweek organiseerde, waarbij de dichter Ezra Pound ook betrokken was.

Casella, die in het bijzonder gepassioneerd was over schilderkunst, verzamelde een belangrijke collectie van kunst en beeldhouwwerken. Hij was de meest "internationale" in zijn werk van de Generazione dell'ottanta, waar hij deel van uitmaakte,  te danken aan zijn opleiding in Parijs en de kringen waarin hij daar verkeerde. Een "eigenwijze" componist.

Alfredo Casella componeerde

     20 orkestwerken

- Symfonie nr. 1 in b kleine terts, opus 5, 1906

- Symfonie nr. 2 in c kleine terts, opus 12, 1909

- Suite in C grote terts, opus 13 (1910)

- Pagine di guerra, opus. 23bis (1918)

- Triple Concerto, opus 56 voor viool, cello en piano en orkest (1933), met hetzelfde opusnummer dat Beethoven gebruikte voor zijn tripelconcert, Begint met een onheilspellend largo om na enkele minuten over te gaan in een speels Allegro. Het middendeel, met een fraaie hoornsolo, is een sereen rustpunt, waarna in de finale de speelsheid terugkeert in een dansante variatie op het hoofdthema uit het middendeel.

- Concert voor orkest, opus 61 (1937) in opdracht van het Concertgebouw onder leiding van Willem Mengelberg, ter gelegenheid van het jubileum in 1938

- Symfonie nr. 3, opus 63, 1940

- Paganiniana, Divertimento voor orkest, opus 65 (1942)

     10 concerten

- Scarlattiana voor piano en en klein orkest, opus 44 (1926)

- Celloconcerto, opus 58, 1935

     3 balletten

- La Giara, opus 41 (1924), scenario Pirandello;

     3 opera’s

     15 kamermuziekwerken

- Cellosonate nr. 1, opus 8 (1906)

- Cellosonate nr. 2 in C grote terts, opus 45 (1926)

- harpsonate opus. 68 (1943)

     24 (series) pianowerken

- A la Manière de..., Opus 17, 1911 eerste verzameling, 6 stukken op de manier van andere componisten

- A la Manière de..., Opus 17bis, 1913 tweede verzameling,  6 stukken op de manier van andere componisten

+ IV. ...Ravel: Almanzor, ou le mariage d'Adelaide

- Pagine di Guerra, opus 25, 1915, Vier muzikale 'films' voor piano vierhandig, geÏnspireerd door de Eerste Wereldoorlog

     20 (series) liederen

 

Francesco Santoliquido ( Napels, Italië, 6 augustus 1883, – Anacapri, 26 augustus1971) studeerde aan aan de Nationale Academie van Santa Cecilia in Rome. Daarna verhuisde hij naar Tunesië en studeerde daar zo’n twintig jaar Oosterse muziek. In Tunis richtte hij een muzieksociëteit op en vestigde er een muziekschool, die later zou uitgroeien tot een Conservatorium. In 1933 kwam Francesco Santoliquido weer naar Italië terug en ging in Anacapri wonen. Hij trouwde met de pianiste Ornella Puliti Santoliquido.

Francesco Santoliquido componeerde

     5 opera’s

     15 orkestwerken

     3 werken voor koor en orkest

     5 kamermuziekwerken

     veel (series) liederen voor zangstem en piano

 - I canti della sera, 1907

     10 pianowerken

 

Ludomir Różycki (Warschau, Polen, 18 september 1883 - Katowice, 1 januari 1953) was de zoon van een docent aan het Conservatorium van Warschau. Ludomir Różycki studeerde daar ook zelf piano en compositie bij Alexander Noskowski. Vanaf 1904 studeerde hij in Berlijn aan de Musikhochschule bij Engelbert Humperdinck. Na zijn studie werd in 1907 dirigent bij de opera en docent piano aan het conservatorium in Lwów. In 1918 verhuisde hij naar Warschau waar hij als componist bezig was. In 1930 werd hij docent aan de Muziekhogeschool in Warschau. In de Tweede Wereldoorlog verbrandde zijn huis in Warschau met alle niet uitgegeven partituren. Na de oorlog vestigde hij zich in Katowice.

Ludomir Różycki hoorde met Mieczysław Karłowicz, Karol Szymanowski en Grzegorz Fitelberg tot de groep componisten die bekend werd als Jong Polen, en als doel had om de Poolse muziekcultuur van hun generatie te promoten en uit te bouwen.

Ludomir Różycki componeerde

     8 opera’s

- Casanova 

- Eros i Psyche, libretto  Jerzy Żuławski, 1917

     2 balletten

- „Pan Twardowski“, 1921, veel opgevoerd, biedt uitgebreide mogelijkheden aan de choreograaf.

     13 orkestwerken

- Ballada, opus18, voor piano en orkest, 1904, jeugdwerk uit zijn laatste studiejaar 

- pianoconcerto nr. 1, opus 43, 1918, schilderachtige, filmische muziek

- pianoconcerto nr. 2, 1942, tweedelig, midden in de oorlog geschreven, desolate droefenis, maar in het tweede deel een lange neus naar het leed met jazzy en speelse vrolijkheid.

     1 cantate

     3 koorliederen

     2 werken voor zangstem(men) en orkest

     7 (series) liederen

     6 kamermuziekwerken

     18 (series) pianowerken

 

Augustin Barié (Parijs, 15 november 1883 – Antony, 22 augustus 1915), was blind van geboorte, maar had mooie grote handen, zodat hij de moeilijke werken van componisten zoals César Franck moeiteloos kon spelen. Hij studeerde aan het Institut National des Jeunes Aveugles bij Adolphe Marty en Louis Vierne, daarna studeerde hij verder bij Alexandre Guilmant aan het Conservatorium Parijs. In 1906 werd hij organist aan St Germain-des-Prés in Parijs en orgeldocent aan het Institut National des Jeunes Aveugles. Augustijn Barié stierf op 31-jarige leeftijd aan een hersenbloeding, kort na zijn huwelijk.

Augustin Barié componeerde

     orgelwerken

- Symphony, opus 5

- Trois Pieces, opus 7

 

Sir Arnold Edward Trevor Bax (Streatham, Londen, Engeland, 8 november 1883 – Cork, Ierland, 3 oktober 1953) was de zoon van een advocaat. Op 13-jarige leeftijd ging hij piano, muziektheorie en compositie studeren aan het Hampstead Conservatorium en aansluitend studeerde hij aan Royal Academy of Music in Londen piano bij Tobias Matthay en compositie bij Frederick Corder.

Tijdens langdurende verblijven in Ierland publiceerde Arnold Bax onder het pseudoniem Dermot O'Byrne gedichten en korte verhalen. Hij reisde ook naar Rusland en ging graag naar het Westen van Schotland.

Tijdens en na de Eerste Wereldoorlog ging Arnold Bax terug naar Engeland, waar hij zich steeds meer terugtrok in zijn privésfeer. Omdat hij financieel onafhankelijk was, kon hij een leven als vrije componist en af en toe als dirigent leiden.

Arnold Bax werd in 1937 geridderd. Hij was van 1942 tot 1952 Master of the Queen's Music. Hij behoorde tot de Koninklijke Orde van Victoria.

Arnold Bax componeerde

     7 symfonieën

     19 symfonische gedichten

- The Garden of Fand, 1916

- November Woods, 1917

- Tintagel, 1919

     27 andere orkestwerken

- Four Orchestral Pieces, 1913, lichtvoetige sfeer

2. Dance in the Sun; bijna lichte muziek

- Overture, Elegy en Rondo, 1927

     10 concerten

- Phantasy voor altviool en orkest, 1920

- Coronation March (kroningsmars),  1952, voor de kroning van Koningin Elizabeth II, zijn laatste werk

     56 pianowerken

     24 koorwerken

- Mater, ora Filium, tekst anonymus, motet voor dubbelkoor a capella, 1921

     8 werken voor zangstem en orkest

     3 liederen voor zangstem en ensemble

     17 (series) liederen voor zangstem en piano

     35 kamermuziekwerken

     1 werk voor harp

     2 filmscores

 

Anton Friedrich Wilhelm von Webern (Wenen, 3 december 1883 – Mittersill, 15 september 1945) was de enige overlevende zoon van Carl von Webern, een ambtenaar en Amelie (geboren Geer), een begaafde pianiste en zangeres. Na zijn jeugdjaren in Graz en Klagenfurt gewoond te hebben ging Webern in 1902 muziekwetenschap studeren aan de Weense universiteit, bij Guido Adler. In 1906 promoveerde hij op een dissertatie over de Renaissancecomponist Heinrich Isaac. Compositie leerde hij bij Arnold Schönberg. Tijdens de Eerste Wereldoorlog vocht Anton Webern in het Oostenrijkse leger.

Hij voorzag in zijn levensonderhoud als dirigent. Uitvoeringen van zijn eigen terughoudende, minimale composities vielen niet op. Dat kwam hem goed uit bij de Anschluss in 1938. Hoewel de publicatie en uitvoering van zijn als entartet bestempelde muziek meteen verboden werd, werd hij niet vervolgd en kon in Oostenrijk blijven wonen.

In 1945 verhuisde hij naar Salzburg. Hij stierf een onnatuurlijke dood: hij ging buiten staan roken om zijn kleinkinderen niet te storen en werd door een Amerikaanse legerkok, Raymond Norwood Bell, per vergissing neergeschoten.

Zijn doorbraak kwam pas na zijn dood, toen Pierre Boulez, pionier van de seriële muziek, hem prees om de strikte manier waarop hij het twaalftoonssysteem toepaste. Mensen van buiten de seriële wereld noemen zijn muziek vaak steriel en kil. Zelf vond hij echter dat zijn muziek goed in de Duitse muziektraditie paste en zeer beladen met emoties was.

Anton Webern componeerde 50 werken:

     6 orkestwerken

- Im Sommerwind, idylle voor groot orkest naar een gedicht van Bruno Wille, 1904

- Passacaglia d kleine terts, opus 1, 1908;

- Zes stukken voor groot orkest, opus 6, 1910, gereviseerd in 1928

     1 werk voor koor

     6 werken of series werken voor zangstem en instrumentaal ensemble

- Fünf geistliche Lieder, opus 15, 1922, teksten Peter Rosegger (1843 - 1918), voor zangstem en fluit, klarinet, trompet, harp en viool

 Lied 5. Fahr hin, o Seel, zu deinem Gott, dubbelcanon in tegenbeweging

- Vijf Canons naar Latijnse Teksten, opus 16, 1924 voor zangstem en kamerensemble,

2. „Dormi Jesu“, 1923

     2 werken voor koor en instrumentaal ensemble of orkest

     4 werken voor instrumenten en piano

     1 pianokwintet

     5 (series) werken voor strijkwartet

- Langsamer Satz, 1905, met twee gloedvolle, lyrische thema's verwijst Webern naar liefdesperikelen;

- Strijkkwartet, augustus 1905

- Fünf Sätze voor strijkkwartet, opus 5, 1909; versie voor strijkorkest, 1929

- 6 bagatellen, opus 9, 1913

- Drie kleine stukken voor cello en piano, opus 11, 1914

     1 strijktrio, 1927

     4 andere kamermuziekwerken

     10 werken of series werkenvoor zangstem en piano

     5 werken voor piano solo

     6 opmerkelijke arrangementen

- Fuga (Ricercata) a 6 voci [Fuga nr. 2] uit Johann Sebastian Bachs "Musicalisches Opfer", georkestreerd in 1935

 

Edgar(d) Victor Achille Charles Varèse (Parijs, 22 december 1883 – New York, 6 november 1965) groeide op bij zijn grootouders in de Bourgogne, waar hij vooral veel optrok met zijn grootvader van moeders kant, Claude Cortot. Aan het eind van de jaren 1880 haalden zijn ouders hem terug in het gezin. In 1893 vertrok de familie naar Turijn. Zijn vader wilde hem wiskunde en werktuigbouwkunde laten studeren. Edgard was echter vooral geïnteresseerd in muziek en studeerde muziektheorie bij Giovanni Bolzoni, en ook piano en slagwerk, dat hij meteen in praktijk bracht in het operaorkest in Turijn. Edgard Varèse ging rond 1900 in Parijs studeren. In 1903 compositie aan de Schola Cantorum bij Albert Roussel en Vincent d'Indy en later in de compositieklas van Charles–Marie Widor. In 1907 verhuisde hij naar Berlijn, waar hij Ferruccio Busoni ontmoette.

Hij ging in 1915 op reis naar de VS, waar hij een revolutionair nieuw werk schreef: Amériques.

In 1926 nam hij de Amerikaanse nationaliteit aan.

Na de Tweede Wereldoorlog bracht hij zijn elektronische ideeën in de praktijk. Voor de Wereldtentoonstelling van 1958 te Brussel componeerde Varèse het Poème électronique, dat in het Philips-paviljoen gedraaid werd.

Edgard Varèse componeerde

     6 orkestwerken

- Amériques, opus 21, 1921, voor 142(!) musici

     6 werken voor harmonieorkest

- Ionisation, 1931,  voor dertien slagwerkers, de eerste concertzaalcompositie voor slagwerkensemble alleen.

- Intégrales, voor houtblazers, koperblazers en slagwerk,1923

     1 kamermuziekwerk

- Density 21.5, 1936, voor fluit solo, geschreven voor de nieuwe fluit van Georges Barrère gemaakt van platina met dichtheid 21,5

     3 vocale werken

- Un grand sommeil noir, tekst Paul Verlaine voor zangstem en piano, 1906, meer dan prachtig

     3 elektronisch muziekwerken

 

Gottfried Harrison Federlein (New York City, Verenigde Staten, 31 december 1883 - 26 februari 1952) was de tweede zoon van Gottlieb Federlein, een Joodse organist en zangleraar, en Ella Harrison, altzangeres. Gottfried Federlein begon al jong piano en orgel te studeren; op zijn 10de jaar gaf hij een recital in de Carnegie Hall, en vanaf zijn 17de begeleidde hij kerkdiensten. Gottfried Federlein studeerde aan het Sachsinstituut, de Trinity School en het Institute of Musical Art bij Edward J. Biedermann, Percy Goethius en Louis V. Saar. Hij werkte 30 jaar aan de Temple Emanu-El, het heiligdom van de Joodse congregatie in New York. Gottfried H. Federlein was getrouwd met Dorothy Cooke. Ze hadden één dochter: Norma.

Gottfried Federlein overleed aan een hartaanval.

Godfried Federlein componeerde

     1 operette

- Christina of Greenland

     services voor synagoge èn kerk

     kamermuziek

     orgelwerken.

- Legend 

     pianowerken

- Marsch Impromptu. Hieraan is het verhaal verbonden, waardoor deze componist enige bekendheid heeft gehouden. Een muziekvel met deze Marsch Impromptu werd met een code in onbegrijpelijke regels en runentekens door Hitlers secretaris Martin Borgmann in de laatste uren van de oorlog aan een aalmoezenier gegeven om het naar partijboekhouder Schwarz in München te brengen. Op het document zou zijn beschreven waar het goud en de diamanten verborgen waren, die Hitler had laten begraven met het oog op de financiering van paramilitaire acties tegen de Russen in aantocht. Schwarz was door de geallieerden gearresteerd en Borgmann overleefde de Russische aanval niet. De aalmoezenier hield het document dus maar zelf. Via diens nalatenschap belandde het op 2005 via een omweg bij onderzoeksjournalist Karl Hammer. Karl Hammer is er van overtuigd dat het document authentiek is. Ook volgens historicus Gerard Aalders van het NIOD ligt de schat nog ergens op ontdekking te wachten. Omdat niemand de code begreep werd het publiek opgeroepen om mee te denken. De Utrechtse kunstenaar Leon Giessen denkt dat hij de oplossing heeft gevonden. De schat zou in het Zuidduitse Mittenwald verstopt liggen. In het dorpje Mittenwald vinden ze het wel goed voor het toerisme. Verder lijkt het hun een Dan Brownverhaal…

     liederen voor zangstem en piano

 

Edwin York Bowen (Crouch Hill, Londen, Engeland; 22 februari 1884 – Londen, 11 november 1961) was de jongste zoon van een eigenaar van het whiskeymerk Bowen and McKechnie. Zijn eerste muzieklessen kreeg hij van zijn moeder. Zijn talent viel op en hij mocht muzieklessen volgen aan het North Metropolitan College of Music; daarna studeerde hij aan het Blackheath Conservatorium bij Alfred Izard.

Vanaf 1898 studeerde York Bowen aan de Royal Academy of Music compositie bij Frederick Corder en piano bij Tobias Matthay. In 1907 kreeg hij werk aan de RAM en was 2 jaar docent.

In 1912 trouwde York Bowen met zangeres Sylvia Dalton, dochter van een dominee uit Somerset. In 1913 werd hun zoon Philip geboren.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog speelde Bowen bij de Scots Guard Regimental Band, maar door een longontsteking moest hij opgeven en terugkeren naar zijn vaderland. Hij bleef daarna lesgeven en componeren.

De  York Bowen Society promoot de werken van de componist.

York Bowen componeerde 160 werken:

     14 orkestwerken

     8 concerten

- 4 pianoconcerten

     1 werk voor harmonieorkest

     45 kamermuziekwerken

- Fantasia ("Fantasie Quartet") in e kleine terts voor 4 altviolen, opus 41 nr. 1, 1907, voor altvioolvirtuoos Lionel Tertis en zijn leerlingen

     1 werk voor harp

     3 orgelwerken

     9 werken voor piano vierhandig of twee piano’s

     60 (series) pianowerken

     11 werken voor zangstem en piano

www.yorkbowen.co.uk

 

Joseph Bonnet (Bordeaux, Frankrijk 17 maart 1884 – St. Luce-sur-Mer, Canada,  2 augustus 1944) kreeg orgelles van zijn vader, organist aan de St. Eulalie. Op zijn 14de werd Joseph Bonnet  organist van de de St. Nicholas vrijwel meteen ook van de St. Michael. Tegelijkertijd volgde Joseph Bonnet  lessen bij Charles Tournemire, Alexandre Guilmant en Louis Vierne aan het Conservatorium van Parijs. In 1906 werd Joseph Bonnet organist aan de St. Eustache in Parijs. In 1911 volgde Joseph Bonnet Alexandre Guilmant op als concertorganist aan het conservatorium.

Op 28 januari 1917 verhuisde Joseph Bonnet naar de Verenigde Staten. In 1921 vestigde hij de orgelafdeling aan de Eastman School of Music, Rochester, New York. In 1924 kwam Joseph Bonnet terug in Parijs. In 1937 volgde hij Louis Vierne op als orgelleraar en orgelspecialist aan de César-Franck School.

In 1940 was hij wegens de uitbraak van de Tweede Wereldoorlog gedwongen om Frankrijk te verlaten en terug te keren naar Noord-Amerika. Daar was hij organist aan het Worcester Art Museum van 1942-1943 en vanaf 1943 docent aan het Conservatoire de musique du Québec in Montréal in Canada. Joseph Bonnet overleed tijdens een vaknatie in de buurt van Rimouski, Quebec. Hij is begraven inde Benedictijner Abdij van Saint-Benoît-du-Lac, bij Magog, Québec.

Joseph Bonnet componeerde

     3 (series) werken voor zangstem(men) en orgel;

     6 (series) orgelwerken

- Variations de concert, opus. 1, 1908, opgedragen aan M. Clarence Eddy,  'berucht' om de pedaalsolocadens.

www.josephbonnet.org

 

Tibor Pikéthy (Komáron, Hongarije, 28 maart 1884 – 21 juli 1972) studeerde aan de Muziekacademie van Boedapest bij Victor Herzfeld. Later werd hij zelf docent aan dit instituut. Daarnaast was hij organist van de kathedraal in Vác en werkte hij als editor voor Editio Musica Budapest, bij welke uitgeverij ook de meeste van zijn orgelcomposities verschijnen.

Tibor Pikéthy componeerde

     12 werken voor zangstem(men) en orgel

     54 orgelwerken

- Toccata opus 11, zijn meestgespeelde werk

- Fantasie sur B-A-C-H (opus 28)

- Introduktion und Fuge (opus 31)

- Idyll (opus 60)

- Cantilena (opus 64).

 

Jaime Texidor Dalmau (Jaume Teixidor i Dalmau) (Barcelona, Spanje, 16 april 1884 – Barakaldo, Biskaje, 23 februari 1957), leefde het grootste deel van zijn leven in de schilderachtige stad Barakaldo in de provincie Biskaje. Jaime Texidor studeerde HaFa-directie en compositie bij het leger en was van 1907 tot 1920 eerst saxofonist en later dirigent van de Banda de Música del regimiento 68 in Melilla aan de Marokkaanse kust. In 1920 trok hij zich uit het leger terug. Vanaf 1924 dirigeerde Jaime Texidor de Banda de Música de la Sociedad Musical La Primativa in Carlet en de Banda del Círculo Instructivo Musical de Valencia. Daaarna vertrok hij naar Barakaldo en verbleef daar tot zijn overlijden. Hij was van 1927 tot 1937 dirigent van de Banda Municipal de Música de Baracaldo. Hij zette daar ook een muziekuitgeverij op.

Zijn dochter María Teresa Texidor Tico was ook componiste.

Jaime Texidor componeerde

     500  werken voor harmonie-orkest

-  Amparito Roca, paso-doble, 1925, veruit zijn bekendste werk.

 

Rudolph Josef František “Ralph”  Benatzky (Moravské Budějovice, Moravië, 5 juni 1884 – Zürich, Zwitserland, 16 oktober 1957), ging op zijn 15de naar Wenen om daar de officiersopleiding te volgen voor een militaire carrière. In 1904 werd hij luitenant bij een Infanterieregiment. In 1907 werd hij ernstig ziek en moest daardoor zijn militaire carrière opgeven. Hij ging toen maar in Praag germanistiek, filosofie en muziek studeren. Ralph Benatzky was een talenwonder: hij sprak vloeiend Duits, Frans, Engels, Tsjechisch, Pools, Hongaars en Italiaans. Hij studeerde muziektheorie bij Felix Mottl. In 1910 promoveerde hij op een proefschrift over Goethe en het volkslied tot doctor in de filosofie. Ondertussen schreef hij cabaretliedjes, zowel tekst als muziek en noemde zich vanaf die tijd Ralph Benatzky. In 1909 trouwde hij met de chansonnière Fédi Ferard, en in 1914, na hun scheiding, met de zangeres Josma Selim, voor wie hij talloze luchtige liederen schreef.

Na haar vroege dood, in 1929, trouwde hij met de danseres Melanie Hoffmann, die van Joodse afkomst was. In die periode ging Benatzky ook filmmuziek schrijven. Door zijn succes kon hij een villa te laten bouwen in het Zwitserse Thun, waar het echtpaar na Hitlers machtsovername ging wonen. Zwitsers staatsburger mocht hij echter niet worden, en daarom emigreerden Ralph Benatzky en zijn vrouw Melanie in 1940 naar de Verenigde Staten, waar hij in in Hollywood een contract met Goldwyn–Mayer voor het leveren van filmmuziek had afgesloten. Na de oorlog verhuisden zij naar Zürich.

Zijn archieven worden bewaard in de kunstacademie van Berlijn. In 1962 is in Wenen een straat naar hem vernoemd: de Benatzkygasse.

Ralph Benatzky componeerde

     110 operettes en singspiele

- Casanova, Historische Revue-Operette in 2 bedrijven en 7 scenes, met gebruikmaking van muziek van Johann Strauss, tekst Rudolf Schanzer en  Ernst Welisch, 3. september 1928. Vooral het “Nonnenkoor” hieruit was op een gegeven moment erg populair.  

- Im weissen Rössl, 1930, libretto Hans Müller en Erik Charell, speelt rond het hotel 'In het Witte Paardje' in het Oostenrijkse dorpje Sankt Wolfgang im Salzkammergut aan de Wolfgangsee

     210 liederen en chansons

     14 filmscores 

www.ralph-benatzky.com

 

Arthur Meulemans (Aarschot, België, 19 mei 1884 – Etterbeek, 29 juni 1966) was de zoon van een ambachtsman, die eveneens muziekliefhebber was en zelf dansmuziek componeerde. De jonge Arthur Meulemans kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn vader en zijn oom Jan, die hem les gaf op de piccolo. Verder kreeg hij vioollessen van een heer Van Single en pianolessen van Ernest Maréchal. Alfons van den Eynde gaf hem inleidend onderwijs in harmonieleer, contrapunt en fuga.

Arthur Meulemans studeerde aan het Lemmensinstituut te Mechelen bij Edgar Tinel en Aloys Desmet en orgel bij Oscar Depuydt. Na zijn eindexamen in 1906 werd hij er leraar tot in 1914. In 1911 trouwde hij en vestigde zich in Tongeren, waar hij aan het Koninklijk Atheneum muziek onderwees tot aan zijn aanstelling in 1930 als dirigent (samen met Fernand Quinet) van het pas opgerichte Symfonieorkest van de Belgische Radio, thans Brussels Philharmonic, in Brussel. In 1916 sticht hij in Hasselt de Limburgse Orgel- en Zangschool. Vanaf 1932 tot aan zijn dood leeft en werkt hij in Brussel. In 1954 werd hij president van de Koninklijke Vlaamse Academie.

Arthur Meulemans componeerde

     15 symfonieën,

     3 opera’s,

     32 concerten,

     5 ouvertures

     50 andere orkestwerken

     50 werken voor harmonieorkest

     10 missen

- Missa Exaudi nos, voor gemengd koor en orgel, 1942

     1 oratorium

     28 andere religieuze werken

     3 opera’s

     60 koorwerken

     34 werken voor zangstem en piano of orkest

- Gezelle-Liederen, opus 11, 1905, teksten Guido Gezelle

            't Is stille’,

     5 strijkkwartetten,

     3 andere kamermuziekwerken

     10 orgelwerken

     10 werken voor beiaard

 

Boris Vladimirovitsj Asafjev (Asaf’yev, Asafiev), (Sint-Petersburg, 29 juli 1884 - Moskou, 27 januari 1949) studeerde aan het conservatorium van Sint Petersburg bij Nikolai Rimski-Korsakow en Anatoli Ljadow. Vanaf 1921 gaf hij leiding aan de Muziekafdeling van het Staatsinstiruut voor Kunstgeschiedenis. In 1925 richtte hij de Muziekwetenschappelijke faculteit aan het conservatorium van Sint Petersburg op. Vanaf 1943 had hij de leiding van het Kunsthistorisch Instituut in Moskou.

Onder het pseudoniem Igor Glebov schreef hij boeken over componisten en muziekwetenschappelijke werken.

Boris Asafjev componeerde

     9 opera's

- Cinderella, 1906

- De storm, 1940

     26 balletten

- Solveig

- De fontein van Bakhchisserai, 1933

- Verloren illusies, 1935

- De bronzen ruiter, 1940.

     Kerstavond, 1938

     theatermuziekwerken

     5 symfonieën

     3 concerten

     2 cantates

     6 kamermuziekwerken.

     liederen

     26 (series) pianowerken 

- Three Tone-Pictures, opus 5, 1910 – 1914, romantisch

- Fantasy Pieces, opus 6, 1912 – 1915

- Sonata, 1918, indrukwekkend

     gitaarwerken

- 12 préludes

 

Charles Tomlinson Griffes (Elmira, New York, Amerika, 17 september 1884 – 8 april 1920) studeerde piano en orgel in New York, en ging daarna naar Berlijn om piano te studeren bij Ernst Jedliczka aan het Stern conservatorium. Daar studeerde hij ook compositie bij Engelbert Humperdinck. In 1907 terug in de Verenigde Staten werd hij directeur muziek aan de Hackley School voor jongens in Tarrytown, New York. Charles Griffes was homosexueel en was daar zelf behoorlijk open over. Hij had een lange relatie met John Meyer, een getrouwde New Yorkse politieagent. Charles Griffes overleed aan de “Spaanse Griep”, die door de teruggekeerde Amerikaanse soldaten uit de Eerste Wereldoorlog naar de Verenigde Staten werd gebracht. Hij werd begraven op de Bloomfield begraafplaats in Bloomfield, New Yersey. Zijn nalatenschap kwam in handen van zijn jongere zuster Marguerite, die alles wat refereerde aan zijn homosexuele leven vernietigde.

Donna K. Anderson heeft in 1984 een catalogus van de werken van Charles Griffes samengesteld, waarbij de werken een A-nummer kregen

Charles Griffes componeerde

     5 theatermuziekwerken

     17 orkestwerken

- The Pleasure Dome of Kubla Khan, opus 8, symfonisch gedicht, 1919, orkestratie van het pianowerk

- Poem voor fluit en orkest, 1918.

     8 (series) kamermuziekwerken

     4 koorwerken

     60 liederen voor zangstem(men) en piano of insrumenten

     32 (series) pianowerken

- Three Tone-Pictures, opus. 5, A 67 - 69, 1910 – 1914, etherisch impressionisme

nr. 2 the Vale of dreams, A 68, 1912

- The Pleasure-Dome of Kubla Khan, 1912, gereviseerd 1915

- pianosonate in fis kleine terts,  A 71, 1913, complex, caleidoscopisch en compact, meesterwerk

- rhapsodie in b kleine terts, A 75, 1914, orgiastisch uitbundig

- Roman Sketches, opus 7, 1915 - 1916, geraffineerd 

nr. 1 The White Peacock, A 77, 1915, zijn bekendste pianowerk

nr. 3 The Fountain of the Acqua Paola, A 82, 1916, Lisztiaans

- pianosonate, A 85 1918

     1 orgelwerk

 

Anders Johan Ture Rangström (Stockholm, 30 november 1884 – 11 mei 1947) studeerde contrapunt en compositie in 1903 en 1904 bij Johan Lindegren in Stockholm. Daarna studeerde hij compositie in Berlijn bij Hans Pfitzner en kreeg van 1905 tot 1907 een zangopleiding bij Julius Hey. Zijn zangstudie zette hij in 1906 en 1907 te München voort.

Na zijn terugkomst naar Zweden was hij werkzaam als muziekcriticus en als muziekleraar. Ture`Rangström was medeoprichter van de Föreningen Svenska Tonsättare (Zweedse componisten federatie). Van 1922 tot 1925 was hij dirigent van de Göteborg Symfonie Orkest. Van 1930 tot 1936 was hij persattaché van het Kungliga Dramatiska Teatern. Vanaf 1919 behoorde hij bij de Kungliga Musikaliska Akademien.

Hij overleed in 1947 aan de gevolgen van een langdurende halskanker.

Ture Rangström componeerde

     300 liederen

     3 opera’s

     1 ballet

     14 toneelmuziekwerken

     32 orkestwerken

     3 werken voor harmonieorkest

     1 cantate

     3 kamermuziekwerk

     4 werken voor koren

     1 werk voor orgel

     13 pianowerken