Componisten

vanaf 1888

 

Matthijs Vermeulen (geboren Matheas Christianus Franciscus van der Meulen, Helmond, 8 februari 1888 – Laren NH, 26 juli 1967) was de zoon van smid Franciscus Jacobus van der Meulen en Maria Adriana Wonderval. Matthijs bleek na een ernstige ziekte ongeschikt om zijn vader op te volgen en ging naar het seminarie bij de jezuÔeten, waar hij zijn eerste muzieklessen kreeg en ingewijd werd in de polyfonie uit de 16e eeuw. In 1907 ging naar het Amsterdamsch Conservatorium en kreeg daar les van DaniŽl de Lange, de directeur. Ook nam hij privťles bij Alphons Diepenbrock, waar hij goed bevriend mee raakte. Van 1909 tot 1920 werkte Matthijs Vermeulen als muziekcriticus bij verscheidene bladen, zoals De Amsterdammer en De Telegraaf.

Vermeulen trouwde in 1918 met Anna Wilhelmina Celestine (Anny) van Hengst (1889-1944). Zij kregen vier kinderen: een dochter Anny (1919) en drie zoons Roland (1920), Josquin (1921) en Donald (1926).

In 1921 verliet Vermeulen teleurgesteld Nederland, omdat hij vond dat hij hier te weinig erkenning kreeg en verhuisde met zijn gezin naar Louveciennes in de omgeving van Parijs. Om zichzelf in leven te houden deed hij journalistiek werk als Parijse correspondent voor diverse kranten. In de Tweede Wereldoorlog leefde het gezin Vermeulen onder zeer moeilijke omstandigheden. Anny Vermeulen stierf in september 1944 in Frankrijk aan de gevolgen van ondervoeding. Een maand na haar overlijden sneuvelde hun zoon Josquin, die dienst genomen had in het Franse bevrijdingsleger.

Na de Tweede Wereldoorlog, verhuisde Matthijs Vermeulen terug naar Nederland. Hij verbond zich opnieuw als muziekmedewerker aan De Groene Amsterdammer en leverde felle, politiek getinte bijdragen aan het communistische dagblad De Waarheid. In 1946 hertrouwde Matthijs Vermeulen met Diepenbrocks dochter Dorothea Anna Maria (Thea) Diepenbrock. Zij kregen in 1949 een dochter: Odilia (1907-1995). In 1956 verhuisde Matthijs Vermeulen met vrouw en kind naar in Laren in het Gooi. Daar stierf hij na een slopende ziekte op 79-jarige leeftijd.

De "Matthijs Vermeulenprijs" is de meest gerenommeerde muziekprijs voor Nederlandse componisten. Voor jonge componisten bestaat er de "Matthijs Vermeulen Aanmoedigingsprijs".

Matthijs Vermeulen componeerde

     7 symfonieŽn

- Eerste symfonie, “symphonia carminum” 1914, fantastisch werk

     1 ander orkestwerk

     5 kamermuziekwerken

- Sonate pour piano et violon, 1925

     8 (series) liederen voor zangstem en piano 

www.matthijsvermeulen.nl

 

Rosy (Rosaly Marie) Wertheim (Amsterdam, 19 februari 1888 – Laren, 27 mei 1949) was dochter van de Joodse bankier Johannes Gustaaf Wertheim en Adriana Rosa Enthoven, getalenteerd zangeres, pianiste en schilderes. Haar grootvader was de bankier A.C. (Abraham) Wertheim, naar wie in Amsterdam het “Wertheimpark” is vernoemd. Al jong keek ze om naar kinderen uit armere wijken. Ze wilde het liefst naar een school voor matschappelijke werk. Haar ouders vonden dat geen goed idee en stuurden haar naar een Zwitserse kostschool in het Franse Neuilly. Daar kreeg ze goed pianoles, bleek talent te hebben en wilde doorgaan in de muziek. Terug in Nederland studeerde ze piano bij Ulfert Schults, en zang bij Dora Zweers. Ze deed in 1921 haar staatsexamen piano en behaalde het diploma van de Nederlandse Toonkunstenaars Vereniging. Zij nam harmonie- en contrapuntlessen bij Bernard Zweers en Sem Dresden.

Van 1921 tot 1929 werkte zij als lerares aan het Amsterdams Muzieklyceum. Daarnaast bleef ze sociaal bezig: ze leidde het Joods vrouwenkoor van het Religieus Socialistisch Verbond in Amsterdam, dirigeeerde een kinderkoor van arme Joodse kinderen en gaf hun gratis pianoles.   

In 1929 vertrok zij naar Parijs, waar zij zes jaar zou blijven. Ze begon een kunstenaarssalon, componeerde er veel en schreef ondertussen ook voor het Amsterdamse dagblad Het Volk over het Parijse muziekleven. Compositie- en instrumentatielessen kreeg zij van de componist Louis Aubert. Ze sloot een hechte vriendschap met de componiste Elsa Barraine en had goede contacten met vakgenoten als Arthur Honneger, Andrť Jolivet en Olivier Messiaen. Voor Nederlandse dagbladen schreef ze artikelen over het Franse muziekleven.

In 1935 vertrok ze naar Wenen waar zij contrapunt studeerde bij Karl Weigl. In 1936 reisde ze naar New York, waar zij lezingen gaf, waar haar werken werden uitgevoerd, en waar ze opnieuw als correspondent artikelen schreef voor Nederlandse dagbladen. Een jaar later keerde ze terug naar Amsterdam.

Na de bezetting door de Duitsers heeft Rosy aanvankelijk nog huisconcerten kunnen organiseren in een speciaal daartoe ingerichte kelder, waar ze ook nog eens onderduikers verstopt had. Bij die concerten werd muziek gespeeld van Joodse componisten, waarvan de opvoering door de bezetter verboden was. Kort na september 1942 dook zij onder, onder andere in Amstelveen en het Gooi. Enkele malen bracht ze door het maken van uitstapjes zichzelf en haar onderduikfamilies groot gevaar..

Na de oorlog gaf Rosy Wertheim nog enige tijd les aan de Muziekschool te Laren, maar kon al spoedig door een verergerende kanker niet meer componeren en lesgeven.  

Rosy Wertheim componeerde 90 werken, die nog niet allemaal zijn gedocumenteerd, waaronder

     2 orkestwerken

- divertimento voor kamerorkest

- Concerto, pour piano et orchestre, 1939

     4 kamermuziekwerken

- Sonate  pour piano et violon in As grote terts,  opgedragen aan Olga et Sacha Moskowsky.

- Cello Sonatine, rond 1921, ťťn van haar mooiste werken

- strijkkwartet, 1933

- trio  voor fluit, klarinet en fagot, 1944 

     1 werk voor zangstem en orkest

     8 (series) werken voor zangstem en piano of andere instrumenten

- Zes liedjes voor zangstem en piano of klavecimbel, 1908, zo'n beetje haar eerste compositie

- Neutraal, 1914, een marslied op tekst van FranÁois Pauwels, dat de neutraliteit van Nederland in de Eerste Wereldoorlog bezingt.

- Trois Chansons voor sopraan, fluit en harp, 1939

     3 pianowerken

- Six Morceaux

 

Maximilian Raoul Walter Steiner (Wenen, 10 mei 1888 – Hollywood, 28 december 1971) was afkomstig uit een familie die nauwe banden met het theater had; zijn grootvader Maximilian Steiner (1839-1880) was directeur van het Theater an der Wien, en zijn vader Gabor Steiner (1858-1944) was in Wenen ook theaterdirecteur. Als kind kwam zijn muzikaal talent naar voren en hij begon zijn studie aan de Universitšt fŁr Musik und darstellende Kunst Wien in Wenen op 16-jarige leeftijd bij Johannes Brahms (piano) en Gustav Mahler (compositie).

Steiner was nog maar 15 jaar oud toen in 1903 zijn eerste operette Die schŲne Griechin in premiŤre ging. Na zijn studie tot het begin van de Eerste Wereldoorlog werkte hij in Londen als dirigent en arrangeur. In december 1914 emigreerde hij naar de Verenigde Staten. Gedurende de volgende 15 jaren werkte hij als arrangeur, orkestrator en dirigent van operettes en musicals van  Victor Herbert, Jerome Kern, Vincent Youmans en George Gershwin op Broadway.

In 1929 vertrok hij naar Hollywood en orkestreerde de filmversie van Rio Rita van Florenz Ziegfield voor RKO Pictures. De muziek voor de film King Kong in 1933 zorgde voor een grote reputatie, het was een van de eerste Amerikaanse films die een uitgebreide partituur had en waar dialogen met muziek ondersteund werden,.

Max Steiner was de prominentste componist op de muziekafdeling van de Warner Brothers Studios. Hij schreef ook de fanfare die de meeste van de Warners' films vanaf 1937 tot het begin van de jaren vijftig introduceert.

Max Steiner stierf aan hartfalen op 83-jarige leeftijd. Hij is begraven in het grote mausoleum in de Forest Lawn Memorial Park Cemetery in Glendale, CaliforniŽ.

Max Steiner componeerde

     5 werken voor harmonie-orkest

     1 opera

     1 operette

     honderden filmscores

- King Kong, 1933

- Star Is Born,  1937

- Gone with the Wind 1939  (Academy Award nominatie)

 

Irving Berlin (geboren Isidore Baline) (Tjoemen, Rusland, 11 mei 1888 - New York City, 22 september 1989) emigreerde met de rest van de familie in 1893 naar de Verenigde Staten. Na het overlijden van zijn vader in 1896 zocht hij werk om te overleven. Hij had verschillende baantjes op straat, waaronder krantverkoper en muzikant. Zijn eerste gepubliceerde liedje was in 1907 "Marie from Sunny Italy", waarvoor hij 37 cent kreeg. Hij veranderde wel meteen zijn naam in Irving Berlin.

Ondanks zijn succesvolle muzikale carriŤre had, leerde Irving Berlin nooit normaal piano spelen of goed muziek lezen en schrijven. Hij speelde in ťťn toonsoort en maakte daarbij voornamelijk gebruik van de zwarte toetsen; zijn stukken werden door een assistent opgeschreven.

In zijn latere jaren zonderde hij zich af, en verscheen zelfs niet op het feestje dat voor zijn honderdste verjaardag werd georganiseerd.

Irving Berlin overleed in New York op 101-jarige leeftijd, en ligt begraven op het Woodlawn Cemetery in The Bronx, New York City.

Irving Berlin componeerde

     19 Broadwayshows

- AnnieGet Your Gun,  1946, geÔnspireerd op de Wild Westshow van Buffalo Bill.

     1500 liedjes

- Alexander's Ragtime Band, 1911

- I love a piano, 1915, een erotisch, komisch ragtime liefdesliedje; is een “standard” geworden

- Oh! How I Hate to Get Up in the Morning", 1918, geeft een komisch perspectief op het soldatenleven. Irving Berlin componeerde het lied als protest tegen de vernederingen van de dagelijkse legerroutine, kort nadat hij in 1918 met zijn dienstplicht in het Amerikaanse leger was begonnen. Het werd onder de soldaten al snel een populair lied, ze hadden allemaal een hekel aan de reveille ’s morgens vroeg. Het lied kwam in drie Broadwayshows terecht.

- God Bless America, 1918, gereviseerd 1938

- (I'm dreaming of a) White Christmas, 1942, de populairste Kerstsong aller tijden, 50 miljoen keer in verschillende talen op opnames verkocht.

     18 filmscores

- Top Hat, 1935

- Holiday Inn, 1942

- There's No Business Like Show Business, 1954

 

Harold Edwin Darke (Highbury, Londen, Engeland, 29 oktober 1888 – 28 november 1976) was de jongste zoon van Samuel Darke en Arundel Bourne. Harold Darke volgde de Dame Alice Owen's School. Van 1906 tot 1911 was Harold Darke organist aan de Emmanuel Church in West Hampstead. In 1916 werd hij organist aan de St Michael's in Cornhill, Londen, hij zou dat blijven tot 1966. In 1916 begon hij ook met de Cornhill lunch orgelconcerten op elke maandag, dat werd de langstlopende serie lunchconcerten ooit, zijn opvolgers zetten de lunchconcerten tot op de dag van vandaag (2015) door. Op 25 juli 1918, terwijl hij dienst deel bij de RAF, trouwde hij met een violiste, Dora Garland, de eerste vrouwelijke vioolmeester van het Queen's Hall orkest.

Harold Darke componeerde

     13 koorwerken

- Avondservice in F grote terts

- Service in E grote terts

- Service in a kleine terts

- Magnificat en Nunc Dinitis in F grote terts

- In the bleak mid-winter,  onovertroffen kerstliedzetting, wordt nog steeds (2015) vaak gezongen in de Kersttijd in de service van  Nine Lessons and Carols op het King’s College in Cambridge

     5 (series) liederen

     8 (series) orgelwerken

     1 pianowerk

 

De Drexel Collectie (New York, Verenigde Staten, 1888) is een verzameling van meer dan 6.000 boeken, manuscripten en boekdelen over muziek en partituren, verzameld door de Amerikaanse bankier, filantroop en boekverzamelaar Joseph William Drexel (24 januari 1833 – 25 maart 1888). Voor zijn overlijden in 1888 schonk Joseph William Drexel de verzameling aan de Lenox Bibliotheek, de latere Openbare Bibliotheek van New York. Op het moment is de verzameling opgeslagen in de Openbare Bibliotheek voor Uitvoerende Kinsten in New York. De verzameling bevat vele zeldzame boeken en een aantal betekenisvolle Engelse muziekmanuscripten uit de 17de eeuw.

 

Arthur Verhoeven (Zandhoven, Belgie, 13 januari 1889 – Schoten, 24 april 1958) was leerling van August De Boeck en Lodewijk Mortelmans. Arthur Verhoeven was van 1911 tot 1959 koster-organist aan de Sint-Cordulakerk in Schoten. Net als De Boeck werd hij geprezen als improvisator op het orgel. In Schoten staat een standbeeld van hem en is een straat in de residentiŽle wijk "De kasteeldreef" naar hem vernoemd.

Arthur Verhoeven componeerde

     opera’s

     liederen

     orgelwerken

 

Grigoraş Ionică Dinicu (Boekarest, RoemeniŽ, 3 april 1889 – 28 maart 1949) was de zoon van Roma-muzikant Ionică Dinu, die zich later Ionică Dinicu noemde. Zijn moeder was de dochter van Angheluș Dinicus en zus van de Roemeense muzikanten Dimitrie A. Dinicu (1868–1936), Gheorghe A. Dinicu (1863–1930) en Nicolae A. Dinicu (1879–1954), die omstreeks 1900 allemaal een belangrijke rol in het Roemeense muziekleven speelden. Grigoraş Dinicu kreeg zijn eerste vioollessen van "moş Zamfir", een bejaarde violist. Op het conservatorium van Boekarest studeerde Grigoraş Dinicu theorie en solfŤge bij Kiriac-Georgescu, viool bij Rudolf Malcher, Gheorghe A. Dinicu en Carl Flesch, kamermuziek bij Dimitrie A. Dinicu en orkest bij Alfonso Castaldi. In 1902 kreeg Grigoraş Dinicu een beurs om aan het conservatorium in Wenen te gaan studeren, maar daar werd hij niet toegelaten, omdat hij een Roma was. Hij studeerde nog wel viool bij Cecilia Nitzulescu-Lupu en Vasile Filip.

Grigoraş Dinicu speelde viool in het Orkest van het Ministerie van Voorlichting en als solist in heel Europa, ook lichte muziek in nachtclubs, hotels, restaurants en cafť’s. Van 1906 tot 1946 werkte hij ook voortdurend als dirigent. In de 1930-er jaren was Grigoraş Dinicu betrokken bij de politieke beweging van de Roemeense Roma en werd hij ere-president van de “Roemeense Roma Unie”.

Grigoraş Dinicu stierf in Boekarest aan longkanker.

Grigoraş Dinicu componeerde

     vioolwerken

- Hora staccato, 1906, zijn populairste veelgespeelde werk, gearrangeerd voor allerlei instrumenten en bezettingen.

- Hora spiccato,

- Hora de concert,

- Hora mărţişorului ("kleine maart", in RoemeniŽ is 1 maart een vrije dag),

- Hora de la Chiţorani

- Hora Expoziţiei de la Paris

- Improvisation ŗ la Dinicu 

- Orientale ŗ la tzigane 

- S‚rba lui Tanţi ("Tanţi's s‚rba";  s‚rba is een Roemeense dans).

     pianowerken

 

Charles Spencer (Charlie) Chaplin jr., (Walworth, Londen, 16 april 1889 – Vevey, Zwitserland, 25 december 1977) werd geboren als zoon van Charles Chaplin en Hannah Harriette Hillin, die beiden in reizende toneelgezelschappen werkten. Charlie Chaplin was naast acteur en regisseur ook componist. Charlie Chaplin was jarenlang een van de meest bekende artiesten ter wereld. Waar hij verscheen moest het verkeer worden geregeld. Charlie Chaplin werd erg rijk maar stond politiek bekend als uiterst links. Conservatieve Amerikaanse kranten, de FBI en conservatieve politici spraken zich zeer negatief over Charlie Chaplin en zijn privťleven uit. Charlie Chaplin is vier keer getrouwd geweest (en had tientallen affaires).

Charlie Chaplin overleed in zijn slaap in 1977 tijdens de nacht/ochtend van eerste kerstdag aan een hartstilstand en was 88 jaar oud.

Op 8 maart 1978 werd zijn lijk gestolen. Het plan was om losgeld te eisen, dit mislukte en de dieven werden gearresteerd. Het lijk werd 11 weken later teruggevonden bij het meer van GenŤve en herbegraven onder 180 cm beton.

Chaplin heeft in de jaren '20 ooit meegedaan aan een Charlie Chaplin look-alike wedstrijd. Hierin haalde hij niet eens de finaleronde.

Charlie Chaplin componeerde

     solowerken voor cello

     filmscores

- The Pilgrim, 1923, Chaplin is een ontsnapte gedetineerde die verkleed als predikant uit de handen van de politie probeert te blijven. Hoogtepunten zijn  de geheel gemimede preek over David en Goliath en Chaplins gegoochel met de collectegelden.

- The Circus, 1928, won een Oscar;

- City Lights, 1930, pakkende melodieŽn, heerlijke muziek

- ' Modern Times', waarin het wereldberoemde nummer 'Smile', het bekendste lied van Charlie Chaplin,

- Goldrush, 1942

www.charliechaplin.com

 

Alba Rosa ViŽtor (Milaan, ItaliŽ, 28 september 1889 - 1979) was de dochter van de Italiaanse advocaat Eugenio Rosa. Alba Rosa vertoonde al jong een aangeboren muzikaal talent. Op haar achtste jaar kon zij al gaan studeren aan het Giuseppe Verdi Conservatorium in Milaan, de jongste studente in Milaan ooit. Toen Alba Rosa twaalf jaar oud was, overleed haar vader. Met haar moeder reisde Alba Rosa afwisselend door Europa en Zuid-Amerika. Ondertussen vervolgde zij haar opleiding onder meer bij  Otokar ŠevčŪk aan het Koninklijk Conservatorium voor muziek in Brussel, waar ze afstudeerde in 1905. Alba Rosa ViŽtor ontwikkelde zich tot  een briljant concertvioliste met een onberispelijke techniek en een fijnzinnige interpretatie, een goede docent en een veelzijdig componiste. Ze kreeg een baan als docent aan het Conservatoro Argentino in Buenos Aires.  Op een vakantiereis per schip van ArgentiniŽ naar New York in de  Verenigde Staten ontmoette Alba Rosa de Nederlandse zakenman Jan Freseman ViŽtor uit Groningen. Ze werden verliefd, trouwden in 1918 en vestigden zich in Montclair, New Jersey. Ze kregen twee kinderen: Hendrik (1920) en Jeanne (1921). Voor de scholing van hun kinderen besloten Jan  en Alba Rosa ViŽtor, dat het het beste was dat Alba Rosa met de kinderen in Zwitserland, in Neuchatel ging wonen, terwijl Jan voor zijn werk in New York bleef.  Terwijl de kinderen hun Middelbare schoolstudie in Zwitserland volgden, studeerde Alba Rosa ViŽtor intensief compositie.  Voor hun universitaire studie gingen de kinderen met Alba Rosa terug naar de Verenigde Staten.  Alba Rosa ViŽtor doceerde nog aan  het Masters Institute of United Arts in New York, en de Columbia School of Music in Washington, D.C. Dank zij ondermeer de inzet van haar zoon Hendrik ViŽtor zijn haar manuscripten bewaard gebleven en geschikt gemaakt voor uitgave.

De Weeks Music Library aan de universiteit van Miami huisvest het Alba Rosa Vietor Archief .

Alba Rosa ViŽtor componeerde

     6 orkestwerken

     28 kamermuziekwerken

- vioolsonate, 1937

- Elegie voor viool en piano, 1943 geschreven voor Jan  Kubelik;

- pianotrio in a kleine terts, 1951, weerspiegelt de hectiek van de moderne tijd.

     20 werken voor zangstem en piano

- High flight, 1943, tekst een sonnet van vliegenier/dichter John Gillespie Magee jr., waarin de muziek het geluid van een propeller nabootst.  

     29 (series) pianowerken

     1 werk voor carillon

http://albarosavietor.com

 

Cyrillus Kreek (geb. Karl Ustav Kreek, Saanika Ridala, Estland), 3 december 1889 – Haapsalu, 26 maart 1962) werd geboren als negende kind binnen een lerarenfamilie. Zijn vader kreeg in 1896 werk op een Russisch-orthodoxe school op het eiland Vormsi, waardoor alle gezinsleden een andere voornaam moesten aannemen. Zo werd Karl Ustav Kirill, een naam die hij als kunstenaar zou verlatijnsen. Op Vormsi leerde Cyrillus Kreek zingen en harmonium spelen.

Cyrillus Kreek mocht in 1908 naar het Conservatorium van Sint-Petersburg. Hij kreeg daar tromboneles en compositie van Vasili Kalafati, Jāzeps Vītols en Nikolaj Tsjerepnin. In 1917 moest hij dienst nemen in het Russische leger.

Cyrillus Kreek zou vanaf 1921 zijn hele leven in Haapsalu blijven wonen, nadat hij de winters van 1919/1920 en 1920/1921 als muziekleraar in respectievelijk Rakvere en Tartu had doorgebracht. In 1940/1941 en van 1944 tot 1950 was Kreek als docent muziektheorie verbonden aan het Conservatorium van Tallinn.

Tijdens zijn conservatoriumopleiding begon Kreek met het verzamelen van volksmuziek en volksliederen, wat hij zijn leven lang zou blijven doen. Hij verzamelde 6000 werken, niet alleen van de Esten zelf, maar ook die van de Zweedse minderheid.

Het huis waar Cyrillus Kreek tussen 1939 en 1962 woonde en het grootste deel van zijn werk componeerde is als museum ingericht. Hij was een grondlegger van het professionele muziekleven in Estland.

Cyrillus Kreek componeerde

     1 requiem

     1 cantate

     2 orkestwerken

     verschillende suites op volksmelodieŽn voor orkest en folkband.

     werken voor toetsinstrumenten

     9 koorwerken

     10 liederen voor een solozanger

     8 toonzettingen van psalmen

- Psalm 104 "Kiida mu hing" ("Zegen mijn ziel”), 1923

     honderden arrangementen van koralen en gezangen

 

Norman Cocker (Yorkshire, Engeland, 1889 - 1953) was de zoon van een tandarts. Hij begon als koorzanger aan het Magdalena College in Oxford. Hij probeerde aan het Merton College in Oxford in orgelspel af te studeren maar slaagde daar niet in, omdat hij te weinig uitvoerde, in alle opzichten.

Vanaf 1912 topt 1915 was hij muziekdocent aan het Magdalena College in Oxford. Er kam een eind aan die betrekking, omdat hij in het leger dienst moest doen tijdens de Eerste Wereldoorlog. Na de oorlog werd Norman Cocker in 1919 benoemd tot assistent organist aan het vijf-manualige orgel van de Manchester Cathedral. In 1943 werd hij hoofdorganist, dat zou hij tot zijn dood blijven. Daarnaast was hij organist in de Regal Bioscoop, die een drie-manualig Compton orgel had. Bezoekers van zowel de kerk als de bisoscoop waren zeer lovend over zijn orgelspel.

Daarnaast was Norman Cocker ook nog eens amateur–goochelaar.

Norman Cocker componeerde

     orgelwerken

- Tuba Tune, zijn bekendste compositie, opgedragen aan William Eveleigh.