Componisten

vanaf 1898

 

Viktor Ullmann (Teschen (Silezië), 1 januari 1898 – Auschwitz-Birkenau, 18 oktober 1944) was de zoon van Maximilian Ullmann, een joods-Oostenrijks officier, die was overgaan tot het Rooms-Katholicisme. Vanaf 1909 ging Victor Ullmann naar het Gymnasium in Wenen. Ondertussen  nam hij les bij Arnold Schönberg. Na een militaire dienstplicht aan het Italiaanse front ging hij in 19018 Wenen rechten studeren en ondertussen ook weer piano, contrapunt en orkestratie bij Arnold Schönberg. In mei 1919 brak hij al zijn studies in Wenen af om zich in Praag volledig aan de muziek te kunnen gaan wijden. Hij werd daar assisent van Alexander von Zemlinsky aan het "Neue Deutsche Theater" in Praag.

Ullmann was dirigent van het Schauspielhaus Zürich. Hierna leidde hij een antroposofische boekhandel in Stuttgart. Na de opkomst van de Nazi's ging Ullmann terug naar Praag, waar hij muziekdocent en muziekjournalist werd.

In 1939 legde het 'Reichsprotektorat Böhmen und Mähren' een verbod op de uitvoering van zijn muziek. 8 september 1942 werd hij en naar Theresienstadt gedeporteerd. In dit concentratiekamp was hij muzikaal erg actief en productief. Ook al vanwege de aanwezigheid van andere componisten en musici onder de gevangenen, zoals Karel Ančerl, Rafael Schachter, Gideon Klein en Hans Krása.

16 oktober 1944 werd Ullmann naar Auschwitz verplaatst en twee dagen later werd hij in de gaskamer vermoord.

Viktor Ullmann componeerde

     6 opera's

- "Der Kaiser von Atlantis oder Die Tod-Verweigerung", opus 49, 1944, in Concentratiekamp Theresienstadt, libretto Peter Klein, zijn meesterwerk

     3 theatermuziekwerken

     4 cantates

     1 mis

     6 orkestwerken

     7 kamermuziekwerken,

- 3e Strijkkwartet (in één beweging), 1943, indrukwekkend

     3 koorwerken

     33 (series) liederen voor zangstem en piano of orkest

- Zes Liederen, opus 17, 1937, voor sopraan en piano, op gedichten van Albert Steffen (1884 - 1963)

     13 pianowerken

 

Roy Ellsworth Harris (Chandler, Oklahoma, Verenigde Staten, 12 februari 1898, – Santa Monica, 1 oktober 1979). Zijn voorouders kwamen uit Schotland, Ierland en Wales. Zijn ouders waren arm, hij werd in een blokhut als Leroy Ellsworth Harris geboren, één van de vijf kinderen, waarvan er drie vroeg stierven. Winst bij het gokken stelde zijn vader in staat een klein boerenbedrijf in Californië te kopen, waar Roy Harris opgroeide als boerenjongen, in de landelijke omgeving van de San Gabriel Vallei. Hij leerde piano spelen van zijn moeder, en later klarinet. Leroy Harris studeerde aan de Universiteit van Californië, verkortte zijn naam tot Roy en nam in het begin van de jaren twintig compositieles van Arthur Bliss (in Santa Barbara) en Arthur Farwell, een Amerikaanse componist en onderzoeker van de Indiaanse muziek. Roy Harris verkocht het boerenbedrijf en voorzag in zijn onderhoud als vrachtwagenchauffeur en leverancier van zuivelproducten. Hij maakte contact met andere componisten in het oosten van de Verenigde Staten en ging op aanbeveling van Aaron Copland in de jaren 1926-29 met een Guggenheim beurs naar Parijs. Onder begeleiding van Nadia Boulanger begon hij zijn levenslange studie van de Renaissance muziek, en schreef een van zijn eerste belangrijke werken: het concert voor piano, strijkkwartet en klarinet, dat lof ontving van Frederick Delius.

Terug in de Verenigde Staten legde Roy Harris contacten met Howard Hanson aan de Eastman School of Music in Rochester en met Serge Koussevitzky van het Boston Symphony Orchestra.

Gedurende de jaren dertig gaf Roy Harris les aan het Mills College, het Westminster Choir College en vanaf 1934 aan de Juilliard School of Music. Daar ontmoette hij Beula Duffey, een jonge Canadese pianiste en collega-docent. Ze trouwden in 1936 en Roy Harris hernoemde zijn bruid Johana, naar Johann Sebastian Bach. Ze kregen vijf kinderen. Roy Harris was na zijn huwelijk voortdurend rusteloos bezig met het doceren aan allerlei instituten in de Vernigde Staten en in Canada. Tenslotte eindigde hij aan de California State University in Los Angeles. Zijn leerlingen waren onder meer William Schuman en Peter Schickele.

Roy Harris richtte het ‘International String Congress’ op om de strijd aan te binden met het tekort aan strijkers in de Verenigde Staten, en was mede-oprichter van de ‘American Composers Alliance’.

De “Roy Harris Collection” wordt bewaard aan de California State University, Los Angeles. In 1979 werd er een Roy Harris Society opgericht om uitvoeringen van zijn werk te promoten. Zijn dochter Patricia heeft onlangs een aantal belangrijke documenten aan de Library of Congress, de nationale bibliotheek van de Verenigde Staten in Washington, geschonken.

Roy Harris componeerde 200 werken:

     1 muziektheaterwerk

     4 balletten

     18 symfonieën

- Symfonie nr. 3, 1939, bij de premičre gedirigeerd door Serge Koussevitzky, de meest uitgevoerde en opgenomen Amerikaanse symfonie.

     15 concerten

     39 andere orkestwerken

     13 werken voor harmonie-orkest of bigband

     22 werken voor koor, (solisten) en orkest of band

     22 (series) werken voor koor met piano, orgel of  andere instrumenten

     22 koorwerken a capella

     8 werken voor zangstem en orkest of kamermuziekgezelschap

     20 kamermuziekwerken

     7 (series) werken voor zangstem en piano

     12 pianowerken

     1 filmscore

     14 (series) arrangementen

 

Norbert Wolfgang Stephan Hann von Hannenheim (Sibiu, Roemenië, destijds Transsylvanië, 15 mei 1898 – Staatsziekenhuis Obrawalda, bij Międzyrzecz, 29 september 1945) maakte deel uit van de Saksische gemeenschap in Sibiu, dat toen Hermannstadt heette. Hij ging daar naar de Duitse Middelbare School en kreeg privé pianoles. Vanaf kind was hij met muziek en componeren bezig.

In de Eerste Wereldoorlog werd hij opgeroepen om meer te vechten in het leger en kwam er van de muziek weinig terecht.

In 1922 en 1923 studeerde hij in Graz, Oostenrijk, en daarna bij Paul Graener in Leipzig.

In 1928 en 1929 vervolgde hij zijn compositiestudies bij Alexander Jemnitz in Boedapest en daarna van 1929 tot 1932 bij Arnold Schoenberg aan Akademie der Künste in Berlijn. Arnold Schoenberg was buitgengewoon onder de indruk van Norbert von Hannenheim en zijn werk, misschien omdat hij zowat de enige was die Arnold Schoenberg durfde tegenspreken.

Norbert von Hannenheim had door erfenissen altijd meer dan genoeg geld om van te leven, maar leed voortdurend aan psychische problemen. In 1944 kwam hij na een aanval van schizofrenie terecht in een Duits psychiatrisch ziekenhuis in Berlijn en vandaar in het Euthanasieziekenhuis al Obrawalde bij Międzyrzecz (nu Polen). Hij overleefde het Naziregiem, maar overleed een paar maanden na het einde van oorlog aan een hartinfarct, tenminste volgens het overlijdenscerfificaat.

Norbert von Hannenheim componeerde 230 werken, die voor het grootste deel verloren zijn gegaan in de chaos van de oorlog, of door hemzelf in tijden van wanhoop zijn vernietigd.

     orkestwerken,

     kamermuziekwerken

- stukken 1, 3 en 4 voor altviool en piano

- suite voor altviool en piano

- sonate 1 en 2 voor altviool en piano

- Duo voor viool en altviool

     80 liederen

     pianowerken

 

Hanns (Johannes) Eisler (Leipzig 6 juli 1898 – (Oost-)Berlijn, 6 september 1962) was de zoon van de Oostenrijkse filosoof Rudolf Eisler (1873-1926). Het gezin verhuisde in 1901 naar Wenen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende Hanns Eisler als frontsoldaat in het leger van Oostenrijk-Hongarije. Hij raakte meerdere malen gewond. Terug in Wenen na de Oostenrijkse nederlaag, studeerde hij aan het Nieuw Weens Conservatorium bij K. Weigl contrapunt. Van 1919 tot 1923 had hij privé compositieles bij Arnold Schönberg. Hij was de eerste leerling van Arnold Schönberg die gebruikmaakte van de twaalftoons- of atonale compositietechniek.

In 1925 verhuisde Eisler naar Berlijn. Daar raakte hij bevriend met Bertolt Brecht, die zich net als Hanns Eisler tot het Marxisme had bekeerd. Ze zouden hun hele leven blijven samenwerken. Eisler schreef de muziek voor verschillende van Brechts theaterstukken en protestliederen die een rol speelden tijdens de politieke onrust in laatste jaren van de Weimarrepubliek. Hun Solidariteitslied werd een populair strijdlied bij demonstraties en protestbijeenkomsten in heel Europa.

Na 1933 werd het werk van Hanns Eisler en Brecht door het nazibewind in de ban gedaan. Hanns Eisler zocht zijn toevlucht in de Verenigde Staten. In Los Angeles waar hij zich kort voor het begin van de Tweede Wereldoorlog vestigde, schreef hij de muziek voor verschillende Hollywood-films en gaf hij les aan verschillende instituten en tijdens cursussen.

Hanns Eislers veelbelovende Amerikaanse carričre werd onderbroken door de Koude Oorlog. Hij werd als een van de eerste kunstenaars bij de anti-communistische McCarthy-acties op de 'Hollywood Blacklist' geplaatst door de bazen van de filmstudio's. Tijdens ondervragingen door de Commissie voor on-Amerikaanse Activiteiten van het Huis van Afgevaardigden werd hij "the Karl Marx of music" en de belangrijkste Sovjet-agent in Hollywood genoemd. Vrienden van Hanns Eisler, zoals Charlie Chaplin, Igor Stravinsky, Aaron Copland en Leonard Bernstein, organiseerden benefietconcerten om zijn verdediging te bekostigen. Desondanks werd hij in 1948 uit de VS gezet.

Hanns Eisler keerde via Londen en Praag terug naar Wenen en vestigde zich in 1949 in Oost-Berlijn. Hij componeerde er het Oost-Duitse volkslied "Auferstanden aus Ruinen”. Vanaf 1950 was Hanns Eisler docent compositie aan het Staatsconservatorium Berlijn. Hanns Eisler kwam de dood van Bertolt Brecht in 1956 nooit helemaal te boven. Hij ging in de laatste jaren gebukt onder depressies en slechte gezondheid. Hij overleed in Oost-Berlijn en is vlakbij Brecht begraven op het Dorotheenstadt-kerkhof.

Hanns Eisler componeerde

     15 (series werken voor zangstem(men), koor en orkest

     5 (series) werken voor zangstem en orkest

     16 (series) kamermuziekwerken

     50 (series) liederen voor zangstem en ensemble

- Hollywooder Liederbuch, 1942 met teksten van Berthold Brecht.

+ nr. 3 An den kleinen Radioapparat, door Sting bewerkt als The Secret Marriage

     161 (series) liederen en balladen voor zangstem en piano

- Wiegenlieder für Arbeitermütter, opus 33, tekst Bertold Brecht, 1933

- Hollywooder Liederbuch, verzameling van 47 liederen, tussen mei 1942 en december 1943, tijdens zijn ballingschap in Santa Monica (dicht bij Hollywood in Californië). Meeste teksten van Bertolt Brecht.

+ nr. 30 Automne californien (Californische herfst), tekst Berthold Viertel.

     32 (series) koorwerken a cappella

     10 (series) pianowerken

     37 filmscores

 

George Gershwin (Jacob Gershowitz) (Brooklyn, New York City, 26 september 1898 – Hollywood, 11 juli 1937) werd geboren als zoon van Russisch-Joodse immigranten. Zijn vader, Morris (Moishe) Gershowitz, veranderde de familienaam in 'Gershvin' enige tijd na zijn immigratie naar de Verenigde Staten vanuit Sint Petersburg in de jaren 1890. Gershwins moeder Rosa Bruskin, afkomstig uit Vilnius in Litouwen was al eerder geďmmigreerd.

George Gerhswin was de tweede van vier kinderen. Zijn interesse in muziek werd gewekt toen hij op 10-jarige leeftijd zijn vriend Maxie Rosenzweig een viooloptreden hoorde geven. Zijn ouders hadden een piano gekocht voor lessen aan zijn oudere broer Ira, maar George ging er op spelen. Hij kreeg pianoles van Charles Hambitzer en later compositieles van Rubin Goldmark en Henry Cowell.

Gershwin begon zijn loopbaan rond 1916 als liedjescomponist in Tin Pan Alley. Dit hield in dat een liedjescomponist zijn muziek speelde in een winkel waar bladmuziek verkocht werd, met het doel de verkoop van zijn bladmuziek te vergroten.

Al snel kreeg Gershwin landelijke bekendheid in Amerika en kwam hij in contact met theaterproducenten. Bij veel van zijn werk schreef zijn broer Ira de teksten. Zijn grote succes begon toen hij in 1924 voor de band van Paul Whiteman Rhapsody in Blue componeerde. Het moest wel als "symfonische jazz" klaargemaakt worden door arrangeur Ferde Grofé. Om het instrumenteren van muziek beter onder de knie te krijgen ging George Gerhwin naar Europa. In Parijs kwam hij in Parijs in contact met Igor Stravinsky en Maurice Ravel. Het leverde de uitspraak van  Maurice Ravel op: "Wat komt u hier eigenlijk doen? U wilt toch geen tweedehands ravel worden?", vriendelijk bedoeld om Gershwin Gershwin te laten blijven.

Hij overleed aan een hersentumor tijdens de operatie op 38-jarige leeftijd. Hij is begraven in the Westchester Hills Begraafplaats in Hastings-on-Hudson, New York.

George Gershwin componeerde onder meer

     2 opera’s

- Porgy and Bess, 1935, een eersteklas opera, het werk van een genie. Het verhaal spelt zich af in een arme, zwarte gemeenschap in South Caroline. Bess, een jonge vrouw met een discutabel verleden, wil zich losmaken van haar ex-man en begint een relatie met de kreupele Porgy. Maar er zijn meer mannen die een oogje op haar hebben. Klassiekers: "Summertime" en "It ain't necessarily".

     16 musicals

- Lady, Be Good, libretto Guy Bolton en Fred Thompson, songteksten Ira Gershwin, 1924. De satire op de overheid gaat over een broer en zus die slecht bij kas zijn en allebei van harte bereid zijn zichzelf op te offeren om de ander te helpen. Er zijn twee films van gemaakt (1928, 1941). Bekendste liederen eruit "Oh, Lady be Good!" en "Fascinating Rhythm."

- Strike Up the Band, libretto Morrie Ryskind, songs Ira Gershwin, 1927, in 1930 met een herzien libretto van George S. Kaufman. Het verhaal is een satire op het steeds maar oorlog willen voeren van Amerika. Het titellied Strike Up the Band is heel populaiur geworden, de ouverture van de musical wordt vaak als een losstaand concertstuk uitgevoerd.

- Funny Face, libretto Fred Thompson en Paul Gerard Smith, songs Ira Gershwin, 22 november 1927, de eerste show in het pasgebpuwde Alvin Theatre, met als steracteurs Fred Astaire en zij zus Adele Astaire. In deze show danste Fred Astaire voor het eerst in avondkleding met een hoge hoed. Bekende song: " ‘S Wonderful".

- Of Thee I Sing, liedteksten Ira Gershwin, libretto George S. Kaufman en Morrie Ryskind, 1931, persifleert de politiek, meteen 441 uitvoeringen, de eerste musical die de Pulitzer Prize for Drama kreeg. Tegenwoordig wordt de ouverture vaak los uitgevoerd als orkestwerk.

     9 werken voor orkest

- Rhapsody in Blue, 1924, voor piano en jazzband, zijn beroemdste werk, geschreven voor bandleider Paul Whiteman, georkestreerd door Ferde Grofé.

- pianoconcert in F, 1925, geschreven op verzoek van dirigent Walter Damrosch.

- An American in Paris, 1928, swingend! symfonisch gedicht

- Second Rhapsody, 1931, heette oorspronkelijk Rhapsody in Rivets.

- Cuban Overture, symfonisch gedicht, dat oorspronkelijk Rumba heette, het resultaat van twee weken vakantie in Havana op Cuba in 1932.

- Variaties over "I Got Rhythm" een serie variaties over zijn songhit uit de musical Girl Crazy voor orkest en piano, 1934, opgedragen “aan mijn broer Ira”.

- "Catfish Row", (“Suite uit Porgy and Bess"), 1936, 5-delige suite, gebaseerd op muziek uit zijn beroemde opera

     2 kamermuziekwerken

- Lullaby, een meditatief werk voor strijkkwartet, 1919, tranentrekkend

     22 (series) werken voor piano solo

- Rialto Ripples, 1917, kort ragtime stuk, ook gearrangeerd voor orkest.

- Three Preludes, 1926; Gershwin had er eigenlijk 24 willen schrijven, maar dat bleef beperkt tot 7; 2 werden short story’s voor viool en piano, één verdween helemaal en één uit 1923 is nooit uitgegeven. Gershwin droeg de preludes op aan zijn vriend Bill Daly. De preludes werden ook gearrangeerd voor andere solo-instrumenten, voor kleine ensembles en voor orkest.

     songs

- The Man I Love, 1924, een jazzstandard op tekst van zijn broer Ira door minsten 25 musici uitgebracht, waaronder populaire versies van Billy Holiday en Coleman Hawkins

Het lied werd onder de titel “The Girl I Love" door Gershwin geschreven voor de musical Lady, Be Good uit 1924. Het werd uit de show verwijderd, maar werd niettemin een populair lied.

     5 filmscores

- Delicious, 1931, regie David Butler

- Shall we dance, 1937, met Fred Astaire

- A Damsel in Distress,  1937, musical comedy film; met filmsterren Fred Astaire, Joan Fontaine, George Burns en Gracie Allen. Script van P. G. Wodehouse, gebaseerd op zijn  roman met dezelfde titel. populaire liedjes uit de film:

"Stiff Upper Lip"

"Nice Work If You Can Get It"

 

Vincent Millie Youmans (New York City, Verenigde Staten, 27 september 1898 – 5 april 1946) werd geboren in een welgesteld hoedemakersgezin. Toen hij 2 jaar was, verhuisde zijn vader met het gezin naar het rijke Larchmont, New York. Vincent Youmans volgde de Trinity School in Mamaroneck, New York en de Heathcote Hall in Rye, New York. Hij wilde in eerste instantie ingenieur worden en studeerde daarvoor een tijdje aan de Yale-Universeit. Studeren was ook niet alles, daarom stopte hij ermee en werd bankloper voor een beursvennootschap bij Wall Street. Al gauw werd hij opgeroepen om dienst te doen in het leger tijdens de Eerse Wereldoorlog. Hij werd gelegerd in Illinois, kreeg interesse in theatervoorstellingen en begon legershows voor het Amerikaanse leger te ontwikkelen.

Na de oorlog werd Vincent Youmans Tin Pan Alley song-plugger (pianospeler in Tin Pan Alley om potentiële kopers bladmuziek te laten horen) voor muziekuitgever Jerome H. Remick. Daarnaast werkte hij als repetitor–pianist bij operettes van Victor Herbert. Vanaf 1921 ging Vincent Youmans zelf musicals componeren. Vanaf 1927 produceerde hij zijn eigen Broadway shows.

Vincent Youmans overleed aan tuberculose toen hij 47 was. In 1970 werd hij postuum toegevoegd aan de Songwriters Hall of Fame. In 1983 werd hij opgenomen in de American Theater Hall of Fame.

Vincent Youmans componeerde

     14 broadwaymusicals

- No, No, Nanette, libretto  Irving Caesar, 1925, groot succes in de USA en in Europa

     9 filmscores

- Tea for two, 1950, regie David Butler, geďnspireerd op de musical No, No, Nanette, met een gewijzigde plot.

     144 songs

- "Tea for Two", lied uit de musical No, No, Nanette, 1925, tekst Irving Caesar. Een duet tuseen Nanette en Tom uit de tweede, wanneer ze zich een voorstelling maken van hun toekomst. In 1950 verwerkt in de musical film Tea for Two, met Doris Day in de hoofdrol. Tientallen jaren wereldwijd dé bekendste song.

 

Francis Jean Marcel Poulenc (Parijs, 7 januari 1899 – Parijs, 30 januari 1963) werd geboren in een industriële familie. De farmaceutische gigant Rhône-Poulenc draagt nog steeds de familienaam. Reeds op jonge leeftijd kreeg hij pianoles van zijn moeder, die een begaafd pianiste was. Toen hij 15 á 16 jaar oud was, kreeg hij pianolessen van Ricardo Vińes.

Als componist was Poulenc vrijwel autodidact; zijn eerste composities maakte hij rond zijn 18e wereldkundig zonder dat hij compositie-onderricht had genoten. Hij werd meteen opgenomen in de "Groupe des Six", waarvan ook Georges Auric; Louis Durey, Arthur Honegger, Darius Milhaud en Germaine Tailleferre deel uitmaakten.

Poulenc was een van de eerste openlijk homoseksuele componisten. Zijn eerste serieuze relatie was de schilder Richard Chanlaire, aan wie hij zijn Concert champętre opdroeg. Het bleef een probleem, weliswaar had hij het Rooms Katholieke geloof in 1817 afgezworen, maar na de dood van zijn vader in 1936 werd hij weer overtuigd Rooms-Katholiek. Francis Poulenc had ook een aantal relaties met vrouwen, en werd de vader van Marie-Ange.

Poulenc leefde het grootste deel van zijn leven in zijn geboortestad Parijs. Hij overleed er in 1963 aan hartfalen en werd begraven op het beroemde Parijse kerkhof Pčre-Lachaise.

Francis Poulenc componeerde

     3 opera’s

- Dialogues des carmélites, opera in drie bedrijven, 1957, libretti Georges Bernanos, gebaseerd op het verhaal Die Letzte am Schafott van Gertrud von Le Fort. Dat werk was weer gebaseerd op de historische gebeurtenis in een karmelieter nonnenklooster in Compičgne tijdens de Franse Revolutie. Prachtopera; de sterfscčne van kloosterleidster Madame de Croissy (alt) is ontroerend en ontluisterend. Belangrijke rollen voor zusters  Blanche de la Force (sopraan) en Constance van Sint Denis (sopraan), een jonge novice, waarvan Poulenc zelf zei, dat hij er verliefd op  was. Dat is hoorbaar aan de muziek die hij voor haar schreef, nu eens energiek en aanstekelijk, dan weer lief en ontroerend.

CD: ORF Radio-Symphonieorkester Wien olv. Bertrand de Billy; OEHMS OC 931

- La voix humaine (de menselijke stem) tragédie lyrique in één bedrijf voor sopraan en orkest, 1958, gebaseerd op het gelijknamige toneelstuk van Jean Cocteau uit 1928;

     4 balletten

- Les biches, 1924, blijvend gereviseerd tot 1940, gebaseerd op de schilderijen van Watteau, die Louis XV en verschillende vrouwen afbeeldde in zijn "Parc aux biches" (hertenpark), van een ondragelijke lichtheid. 

- Les Animaux modčles, ballet, choreografie Serge Lifar, geďnspireerd op de fabels van de la Fontaine, 1941, FP.111a

     3 werken voor orkest

- Les Animaux modčles, 8-delige suite uit het gelijknamige ballet, FP111b

- Sinfonietta, 1947 een licht, satirisch, dansant meesterwerkje.

- Bucolique, FP 160, 1956 (een van de Variations sur le nom de Marguerite Long), een juweeltje.

     6 concerten

- Concert Champętre, voor klavecimbel en orkest, geschreven voor Wanda Landowska. Sprankelt en swingt.

- Concert, voor twee piano's en orkest (1932). Mozartiaans helder concert.

- Concerto for Organ, Strings and Timpani in G minor (1938)

     7 werken voor zangstem(men) en orkest

- Litanies ŕ la vierge noire, voor vrouwenkoor en orgel,  FP 82, 1936, gecomponeerd na het fatale auto-ongeluk van zijn vriend, componist Pierre-Octave Ferraud; Poulenc had troost gezocht bij het beeld van de Zwarte Madonna van Rocamadour; in 1947 heeft hij het georkestreerd.

- Stabat Mater, 1950, voor sopraan, koor en orkest. Het twaalfdelige werk werd door Poulenc gecomponeerd naar aanleiding van de dood van zijn vriend Christian Bérard.

- Gloria, voor sopraan, koor en groot orkest, FP 177, 1961, een zesdelige zetting van de Rooms-katholieke gloriatekst, een van Poulencs beroemdste werken.

- Sept répons des ténčbres voor jongenssopraan, mannenkoor, kinderkoor en orkest, 1962, FP 181, een persoonlijke opdracht van Leonard Bernstein.

     15 (series) werken voor koor a cappella

- Sept chansons, liederen voor gemengd koor op surrealistische gedichten van Appolinaire, Eluard en Legrand, FP 81, 1936

nr. 2. A peine défigurée, tekst Paul Éluard, even geen uitgelaten pret bij deze reflectie op de dood in een auto-ongeluk van zijn vriend componist Pierre-Octave Ferroud.

- Les Petites Voix, voor kinder – of vrouwenkoor a cappella, 1936,  FP 83, op teksten van Madeleine Ley

- Mis in G grote terts, 1937, voor gemengd koor a cappella, opgedragen aan zijn vader, spannende melodiën, meeslepende harmonieën en emotionele betrokkenheid.

- Quatre motets pour un temps de pénitence (vier motetten voor de vastentijd), voor gemengd koor a cappella 1939, FP 97

- La Figure humaine, cantate voor dubbelkoor, 1943, een groots meesterwerk, een toonzetting van gedichten van Paul Eluard. Eén van de composities, "Liberté!" werd Frankrijk uitgesmokkeld en in grote hoeveelheden door de RAF boven Fankrijk verstrooid.

- Un soir de neige voor 6 stemmen, 1944, FP 126

- Quatre petites pričres de Saint François d'Assise  voor mannenkoor, 1948, FP 142

- Quatre motets pour le temps de Noël, voor gemengd koor, 1952

"O magnum mysterium", een in te lijsten verheven stukje met kwinkelende ondertoon.

     19 kamermuziekwerken

- Trio voor hobo, fagot en piano, FP 43, 1926

- Sextet for Wind Quintet and Piano in C, FP100, 1932

- Suite française, for chamber ensemble, Op.80, 1935, een bewerking van zeven dansen van Claude Gervaise. Bedoeld als toneelmuziek bij La Reine Margot, een toneelstuk van Éduard Bourdet over Margaret van Valois, vrouw van koning Hendrik IV van Frankrijk. Met blazers, slagwerk en klavecimbel spatten de vonken er vanaf.

- Un joueur de flűte berce les ruines, voor fluit solo, 1942, in 1997 ontdekt door Ransom Wilson, fluitdocent aan de Yale-universiteit in een collectie bladmuziek van de oud-Yale-student Frederick R. Koch. Het werk is opgedragen “Pour Madame Paul Vincent-Vallette en trčs respecteuse hommage”.

- Sonata voor viool en piano, FP 119, 1942, gereviseerd en aangevuld in 1949; opgedragen aan dichter Frederico Garcia Lorca, slachtoffer van de Spaanse burgeroorlog. Het middendeel bevat het citaat van Lorca: de gitaar laat de droom wenen, verbeeld door pizzicato-effecten.

- Sonate pour violoncelle et piano, FP 143, 1948, opgedragen aan de Franse cellist Pierre Fournier, die had geholpen bij de technische aspecten van de cello, omdat Francis Poulenc niet bekend was met het instrument. Is toch zeldzaam fijngevoelig en sprankelend geworden.

- Sonate voor fluit en piano, FP 164, 1957. Een van Poulencs bekendste werken dat een prominente plaats inneemt binnen het 20e eeuwse fluitrepertoire; onstruimig en vol vurige passie. Lennox Berkeley heeft het tot een fluitconcert bewerkt.

- Elegie voor hoorn en piano, FP 168, ter nagedachtenis aan Dennis Brain, 1957

- Sarabande voor gitaar, FP 179, 1960, prachtig;

- Sonata voor klarinet en piano, FP 184, 1962, één van de laatste werken, die Francis Poulenc schreef. Het stuk is opgedragen aan collega Arthur Honegger; het eerste deel: Allegro Tristamente; heel mooi.

- Sonate voor hobo en piano, FP 185, ter nagedachtenis aan Sergej Prokofjev, Poulencs laatste werk, 1962

     61 liederen of liedverzamelingen voor (zang)stem en piano

- Airs chantés, 4 liederen  op gedichten van Jean Moréas, 1928, FP 46

- Caligrammes, 7 liederen  op gedichten van Guillaume Apollinasire, 1948, FP 140

- Quatre chansonso pour enfants, 4 liederen op teksten van Jean Nohain, 1935, FP 75.

I. Nous voulons une petite sœur

IV. Monsieur Sans-souci

- Tel jour, telle nuit cyclus van 9 gedichten van Paul Éluard, FP 086, 1937

- Fiançailles pour rire (verloving voor de lol), 1939, FP 101, liedcyclus van 6 gedichten van Louise de Vilmorin.

- Banalités, 1940, vijf liederen op gedichten van Apollinaire, FP 107

- Colloque, op tekst van Paul Valéry,1940, FP 108

- L'Histoire de Babar, le petit éléphant, (het verhaal van Babar, de kleine olifant) mélodrama voor piano en verteller, 1945, FP 129, tekst van Jean de Brunhoff, georkestreerd in 1962 door Jean Françaix, opgedragen aan 11 kinderen, die hem hebben geďnspireerd: Pour mes petits cousins Sophie, Sylive, Benoît, Florence et Delphine Périer ; Yvan, Alain, Marie-Christine et Marguerite-Marie Villotte ; et mes petits amis Marthe Bosredon et André Lecœur,

     26 (series) werken voor piano solo

- Trois mouvements perpétuels, 1919, FP 14, met subtiele trillers en voorslagen

- Pastourelle (pianotranscriptie van het gelijknamige deel uit  L'éventail de Jeanne, een kinderballet, geschreven door 10 componisten), FP 45, 1927

- Villageoises, six petites pičces enfantines pour piano, 1933, FP 65

- 15 improvisations, 1934, (1932-1959), FP 63, 113, 170 en 176

- Mélancolie, 1940, FP 105

     2 werken voor piano vierhandig

     3 werken voor 2 piano’s

- Sonata voor 2 piano’s, FP 156

 

Herbert Whitton Sumsion (Gloucester, Engeland, 14 januari 1899 – Frampton-on-Severn,  11 augustus 1995) zong vanaf 9-jarige leeftijd mee in het kerkkoor in de kathedraal van Gloucester. Toen op 15-jarige leeftijd Herbert Sumsions jongensstem brak, kon hij bij de koordirigent, Herbert Brewer, drie jaar  orgel, koordirectie en muziektheorie studeren.

Van 1917 tot 1919 deed Herbert Sumsion dienst in de Queen’s Westminster Rifles, een legeronderdeel in Londen en in de Vlaamse loopgraven tijdens de 1ste wereldoorlog. In 1919 kwam hij terug in de Gloucester Kathedraal in een benoeming als assisent organist van Brewer. Herbert Sumsion’s was daarbij ook verplicht zich bezig te houden met het begeleiden van het Drie Koren Festival, een koorfestival dat vanaf de vroege 18de eeuw door de drie gaststeden: Gloucester, Worcester en Hereford jaarlijks werd georganiseerd.

In 1922 verhuisde Herbert Sumsion naar London , waar hij organist werd aan de Christ Church, Lancaster Gate. In 1924 werd hij daarnaast muziekdirecteur aan het Bishop's Stortford College en docent aan het Morley College. Ondertussen studeerde hij bij Adrian Boult aan het Royal College of Music compositie.

In 1926 vertrok Herbert Sumsion naar Amerika waar hij assistentdocent contrapunt en compositie werd aan het Curtis Institute of Music in Philadelphia. Herbert werd daar verliefd op Alice Garlichs, nicht van een professor aan de University of Pennsylvania, die Sumsion onderweg op de boot naar Amerika had ontmoet. Op 7 juni 1927 trouwden ze in Philadelphia,

Op 1 maart 1928, stierf Herbert Brewer plotseling aan een hartaanval. Zijn plek, een paar maanden voor het Three Choirs Festival moest zo snel mogelijk worden overgenomen. Herbert Sumsion en zijn vrouw kwamen daarom terug naar Engeland in juni 1928. Sumsion’s leiderschap van het 1928 Drie Koren Festival was een groot succes. Van 1928 tot zijn pensioen in 1967 was Herbert Sumsion verantwoordelijk voor de organisatie van en de directie tijdens 11 festivals.

Na zijn pensioen van de Gloucester kathedraal in 1967, bleef Herbeert Sumsion in Gloucestershire wonen, muziekles geven en componeren. Hij stierf in Frampton-on-Severn in 1995 op de leeftijd van 96 jaar

Herbert Sumsion componeerde

ˇ       40 koorwerken (met orgel)

- Magnificat en Nunc dimittis in G grote terts

- Preces and Responses

     17 orgelwerken

     8 kamermuziekwerken

- pianotrio, 1931

- pianotrio, 1982

- cellosonate

- A Mountain Tune, voor cello en piano, een attractief werk

     5 orkestwerken

- Overture, In the Cotswolds

- Idyll, At Valley Green

     hymns

- 'Four Hymns', op tekst van Paul Wigmore, 1995

     anthems

- They that go down to the sea in ships,  een standard in de Anglicaanse kerkmuziek

 

Alexander Nikolajevitsj Tcherepnin (Tsjerepnin) (Sint-Petersburg, Rusland, 21 januari 1899 – Parijs, 29 september 1977) was de zoon van Nikolaj Tsjerepnin, componist, dirigent en muziekpedagoog en van de mezzo-sopraniste Maria Tsjerepnin. Met zo’n muzikale atmosfeer thuis, waarbij allerlei musici in en uit liepen, speelde Alexander Tcherepnin al heel jong piano en had hij al honderderden werken gecomponeerd, voordat hij officieel met zijn muziekstudie begon. Alexander Tsjerepnin studeerde aan het Conservatorium van Sint-Petersburg bij Nikolaj Tsjerepnin (zijn vader), Nikolay Sokolov en Alexander Ossovsky.

Na de revolutie van 1917 vluchtte de familie naar Georgië en vestigde zich in Tbilisi, waar Alexander ook naar het Conservatorium van Tbilisi ging. In 1921 emigreerde de familie naar Frankrijk. Daar rondde Alexander Tsjerepnin zijn studie af aan het Conservatoire national supérieur de musique in Parijs bij Paul Vidal en Isidore Philipp.

Vanaf 1926 reisde Tcherepnin de hele wereld over als pianist en componist. Daarbij kwam hij in China de Chinese pianiste Lee Hsien Ming tegen, waarmee hij later in Europa trouwde. Ze kregen drie zoons: Peter, Serge and Ivan.

Van 1938 tot 1945 doceerde hij aan het Russisch conservatorium in Parijs. De Tweede Wereldoorlog maakte een einde aan zijn docentenactiviteiten. In 1948 vertrok hij naar de Verenigde Staten Daar doceerde Alexander Tcherepnin aan de DePaul University in Chicago Illinois. In 1958 kreeg hij de burgerrechten van de Verenigde Staten en sinds 1964 doceerde hij ook in New York.

Twee zonen van Alexander Tcherepnin: Serge Tcherepnin en Ivan Tcherepnin werden ook muzikant en componist en twee kleinzoons (zonen van Ivan) Sergei en Stefan idem.

Alexander Tcherepnin componeerde

     4 opera’s

     15 balletten

     6 toneelmuziekwerken

     4 symfonieën

     16 concerten

     17 andere orkestwerken

     5 (series) werken voor harmonie-orkest

     4 cantates

     1 mis

     3 andere religieuze werken

     1 koorwerk a cappella

     2 werken voor zangstem en piano

     37 kamermuziekwerken

- ode voor cello en piano, 1919, ronduit bombastisch

- sonata nr. 1, opus 29 voor cello en piano, 1924

- sonata nr. 2, opus 30/1 voor cello en piano, 1924

- Mystčre, voor cello en piano, 1925

- sonata nr. 3, opus 30/2 voor cello en piano, 1926, melodisch aantrekkelijk met een vlotte tarantella aan het eind

- 12 préludes (Das wohltemperierte Violoncello) voor cello en piano, 1926

- Songs and Dances, opus 84 voor cello en piano, 1953, gebaseerd op volksmuziek uit Georgië en Kazakstan, beknopte aantrekkelijke muziek

     62 (series) pianowerken

- Feuilles libres, opus 10   (“Verloren bladzijden”), 1920, Russisch romantisch

- 4 nostalgische preludes, opus 23, 1922

- 4 preludes, opus 24 1923,

- 4 romances, opus 31, 1924

- Entretiens (Conversatie), opus 46, 1930

- vijf concert études, opus 52, 1936

- 7 etudes, opus 56, 1938, invloed van het Verre Oosten bespeurbaar; hoogtepunt in het oeuvre van Tcherepnin.

- 12 preludes, opus 85, 1953

     9 (series) werken voor klavecimbel

     1 orgelwerk

     1 werk voor harp

     1 werk voor mondharmonica

     7 filmscores

 

Robert Casadesus (Parijs, Frankrijk, 7 april 1899 ‒ 19 september 1972) studeerde aan het Conservatorium van Parijs piano bij Louis Diémer.

In 1922 begon hij in samenwerking met de componist Maurice Ravel een project om pianopartituren te maken van een aantal van zijn werken. Robert Casadesus en Maurice Ravel traden in die tijd ook samen op in concerten. Na zijn huwelijk in 1921 met de pianiste Gaby Casadesus trad Robert Casadesus daar vaak mee op.

Vanaf 1935 gaf Robert Casadesus les aan het Amerikaans Conservatorium in Fontainebleau. Gedurende de Tweede Wereldoorlog verbleven hij en zijn familie in de Verenigde Staten van Amerika waar ze een huis bezaten in Princeton, New Jersey. Hij gaf daar les aan een aantal leerlingen die later zelf beroemde pianisten zouden worden uit geheel Europa en Amerika onder wie Claude Helffer en Monique Haas.

Robert Casadesus componeerde 68 werken:

     7 symphonieën

     3 suites

     10 concerten

     28 kamermuziekwerken

- Quintet voor fluit, viool, altviool, cello en harp, Op. 10 (1927)

- Septet voor strijkers

     19 werken of series werken voor piano solo

     3 werken voor zangstem en orkest of piano

 

Ira Randall Thompson (New York, Verenigde Staten, 21 april 1899 – Boston, 9 juli 1984) was de zoon van een Engelse leraar. Hij begon muziek te maken op een oud harmonium dat stond in het buitenverblijf van de familie Thompson, een boerderij in Vienna in de Amerikaanse staat Maine. Zijn eerste composities (rond 1915) waren een pianosonate en een meerstemmig kerstlied. In 1916 ging hij studeren aan de Harvard-universiteit en daar werd hij lid van het universiteitskoor onder leiding van Archibald T. Davison. Behalve van Davison kreeg hij les van Edward Burlingame Hill en Walter R. Spalding. Hij studeerde ook een jaar privé bij Ernest Bloch. Vanaf 1922 tot 1925 studeerde Randall Thompson aan de Amerikaanse Academie in Rome. Na zijn terugkeer in de Verenigde Staten werd hij in 1927 Assistant Professor voor harmonie en contrapunt, en koordirigent aan het Wellesley College, waar hij doceerde tot 1929, en opnieuw van 1936 tot 1937. Randall Thompson promoveerde nooit, maar kreeg eredoctoraten van de Universiteiten van Rochester (New York) (1933), Pennsylvania (1969), het Allegheny College (1973) en het New England Conservatory (1975).

Randall Thompson werkte aan de Universiteit van Californië - Berkeley van 1937 tot 1939, als directeur aan het Curtis Institute of Music in Philadelphia van 1939 tot 1941, als leider van de muziekafdeling aan de Universiteit van Virginia van 1941 tot 1946 en vanaf 1948 tot aan zijn pensioen als hoofd van de muziekafdeling van de Harvard Universiteit.

Randall Thompson componeerde

     3 opera’s

     1 mis

     1 passie

     6 orkestwerken

     2 werken voor harmonieorkest

     22 (series) koorwerken.

- Alleluia, voor koor a capella, 1940, op verzoek van Serge Koussevitzky en het Boston Symphony Orchestra geschreven voor de openingsceremonie van het Tanglewood Music Center op 8 juli 1940. Het werd gecomponeerd kort na de capitulatie van Frankrijk in de Tweede Wereldoorlog, en Randall Thompson zei zelf dat het onmogelijk was dit Alleluia vreugdevol te laten klinken. Desondanks werd het werk buitengewoon populair: in 2014 waren bijna drie miljoen exemplaren van de partituur verkocht

- Requiem, een dramatische dialoog, voor gemengd dubbelkoor, 1958, op Engelse Bijbelteksten, je zou het een American Requiem kunnen noemen

     5 kamermuziekwerken

     1 werk voor zangstem en piano

     2 pianowerken

 

Edward Kennedy (Duke) Ellington (Washington D.C., 29 april 1899 - New York, 24 mei 1974) werd geboren als zoon van de chefkelner James Edward Ellington, die ooit in het Witte Huis werkte en daarna een cateringservice dreef. Zijn eerste pianolessen kreeg de jonge Ellington op zevenjarige leeftijd van zijn moeder Daisy Kennedy Ellington. Vanwege zijn deftige verschijning werd hij door zijn klasgenoten al in zijn jeugd "Duke" (hertog) genoemd. Zijn carričre als professioneel musicus begon toen hij zeventien jaar oud was. Op vierentwintigjarige leeftijd ging hij met zijn vriend Arthur Whetsol naar New York en sloot zich aan bij de groep van Elmer Snowden, the Washington Black Sox. Na problemen met Snowden werd Ellington de nieuwe leider van de band,  inmiddels "The Washingtonians". Toen King Oliver de  Cotton Club (New York) verliet kon Duke Ellington daar met zijn band als huisorkest komen werken. Als "Duke Ellington and his Jungle Band" kreeg hij nationale bekendheid door de radiouitzendingen die vanuit deze club in Harlem gemaakt werden.

Duke Ellington experimenteerde in zijn composities met tonaliteit, met trompetgeschetter, met dempers en met grommende saxofoons (Jungle Style). Zijn hele leven bleef hij experimenteren en werkte hij samen met de meest vooruitstrevende musici van zijn tijd zoals John Coltrane en Charles Mingus.

Duke Ellington stond bekend om zijn ijdelheid en zijn autoritaire manier van omgaan met de bandleden en met zijn familie. Zo verbood hij zijn zus om zonder begeleiding het huis te verlaten. Zijn zoon bevestigde dat Duke Ellington met harde hand regeerde.

Op 24 april 1969 kreeg Duke Ellington voor zijn oeuvre de Presidential Medal of Freedom uit handen van president Richard Nixon. Duke Ellington stierf op 24 mei 1974 aan een longontsteking. Hij werd begraven op de Woodlawn begraafplaats in de Bronx in New York. In 1997 werd er een door de beeldhouwer Robert Graham gemaakt beeld opgericht ter nagedachtenis aan Duke Ellington in het Central Park ter hoogte van de kruising van de Fifth Avenue en de 110th Street.

In zijn geboorteplaats Washington D.C. bestaat er een school, de Duke Ellington School of the Arts, die getalenteerde leerlingen op een carričre in de kunst voorbereidt.

Duke Ellington was sinds 1932 vrijmetselaar.

Duke Ellington componeerde

     2000 jazznummers

- Black & Tan Fantasy, 1927

- Mood Indigo, 1930

- Rockin’ in Rhythm, 1931

- It Don’t Mean a Thing (If It Ain’t Got That Swing), 1932

- Sophisticated Lady, 1933

- Caravan, 1937

- Take the “A” Train, jazzstandard geschreven door Billy Strayhorn, 1939, de 'A-train' slaat op een metrolijn in New York, van Brooklyn, via de wijk Harlem naar het noorden van Manhattan. Het populairste Strayhorn/Ellington nummer;

- Satin Doll, 1958

     lange, op klassieke muziek georiënteerde stukken

- Black, Brown and Beige Suite, 1943.

- Harlem, symfonisch gedicht, 1950, geschreven op verzoek van dirigent Arthuro Toscanini, die het nooit uitvoerde.

- Diminuendo and Crescendo in Blue, 1956.

- Such Sweet Thunder, 1957, gebaseerd op William Shakespeare.

- The Ellington Suites (incl. Queens Suite), 1959

- Bigband versie van de Peer-Gynt-Suite, 1960

- Concert of Sacred Music, 11 delig werk. Ellington zelf: "the most important thing I have ever done". Criticus Gary Giddins: “Ellington brengt de Cotton Club naar de kerk”.

deel 5. "New World a'Coming", bestaat ook weer uit twee delen, mooi feestje

- "The River-suite", 1970, gecomponeerd voor een ballet van Alvin Ailey

- Three Black Kings, ballet, 1974, Ellingtons laatste grote werk. Op zijn sterfbed in het ziekenhuis gaf hij zijn zoon Mercer nog aanwijzingen hoe het moest worden afgemaakt en georkestreerd.

 

Jón Leifs (Sólheimar, Austur-Húnavatnssýsla, IJsland, 1 mei 1899 — Reykjavik, 30 juli 1968) studeerde in Reykjavik piano bij Herdís Matthíasdóttir en Martha Stephensen en viool bij Oscar Johansen. Op zijn 17de verliet hij IJsland om in Duitsland aan het conservatorium van Leipzig piano te studeren bij Robert Teichmüller, muziektheorie en contrapunt bij Stephan Krehl en Emil Pau, directie bij Otto Lohse, en compositie bij Aládar Szendrei en Paul Graener. Daar leerde hij zijn vrouw, de Joodse Annie Riethof, kennen, die ook piano studeerde. Hij studeerde in 1921 af, trouwde met Annie, besloot te stoppen met pianospelen en legde zich toe op componeren en orkestdirectie. Na directielessen bij Hermann Scherchen, Aladár Szendrei en Otto Lohse en compositielessen bij Ferruccio Busoni werd hij een succesvol dirigent en muziekrecensent. Hij had ondertussen ook een grote interesse in de IJslandse volksmuziek ontwikkeld.

Annie en Jón kregen twee dochters: Snót en Líf. en woonden in Duitsland achtereenvolgens in Rehbrücke bij Potsdam en Baden-Baden. Tijdens de Tweede Wereldoorlog werden Jón en zijn gezin wel lastig gevallen door de nazi's, maar werden ze niet gedeporteerd, wellicht mede door Jón Leifs belagstelling voor de oude IJslandse Edda–cultuur, waar hij drie oratoria over had gecomponeerd, en daarmee samenhangend wat nationalistisch gedachtegoed. 1944 kregen ze toestemming om naar Zweden te verhuizen. Vlak na aankomst met zijn familie in Stockholm scheidde hij van zijn vrouw. Daardoor werd hij verdacht van collaboratie met de nazi's, een onbewezen beschuldiging, die hem zijn hele leven heeft achtervolgd.

In 1945 keerde hij terug naar IJsland. In 1949 verdronk zijn 17-jarige dochter Líf tijdens het zwemmen voor de Zweedse westkust. Hevig aangedaan door dit verlies schreef Jón Leifs zijn mooiste werken. In 1956 trouwde hij voor de derde keer met. Ţorbjörg Jóhannsdóttir. Zij kregen een zoon: Leifur.

Hij overleed in 1968 in Reykjavik aan longkanker. Het leven van Jón Leifs en zijn gezin is door de IJslandse regisseur Hilmar Oddsson verfilmd in Tár úr steini (Tranen van steen).

Jón Leifs componeerde

1 muziektheaterwerk

     5 oratoria

     19 orkestwerken

     15 werken voor (solisten), (koor) en orkest

     18 (series) koorwerken a cappella

     6 kamermuziekwerken

     9 (series) pianowerken

     6 werk3n voor een ander soloinstrument

     15 (series) liederen

 

Carlos (Antonio de Padua) Chávez y Ramírez (Popotla, Mexico, 13 juni 1899 ‒ Coyoacán, Mexico-Stad,2 augustus 1978) was de kleinste van zes kinderen van het echtpaar Augustin en Juvenica Chávez. Zijn vader overleed toen hij vijf jaar oud was. Hij groeide bij zijn moeder Juvenica, directrice van de Openbare school voor jonge meisjes in Popotla, op. Zijn eerste pianoles kreeg hij van zijn broer Manuel Chávez op 9-jarige leeftijd.Vanaf 1910 studeerde hij piano bij Manuel Ponce.

Vanaf 1915 studeerde hij bij Pedro Luis Ogazón, die in 1903 de muziek van Claude Debussy in Mexico introduceerde. Door Ogazón werd Carlos Chavéz met de (nieuwe) harmonieleer en muziektheorie van Juan Fuentes vertrouwd gemaakt.

In 1916 stichtte hij met collega's het culturele tijdschrift Gladios op.

Hij werd de bekendste vertegenwoordiger van de nationale Mexicaanse muziek en balletten met Azteekse thema's. Zijn eerste werken werden 1920 bij de Mexicaanse uitgever Wagner y Levien gepubliceerd.

In 1922 trouwde hij met de pianiste Otilia Ortiz. De huwelijksreis ging naar Europa, waar bij de Berlijnse uitgever Bote & Bock de Tweede pianosonate uitgegeven werd. In Parijs sloot hij vriendschap met Paul Dukas, die hem aanmoedigde om zich op de oorspronkelijke Mexicaanse folklore en muzikale geschiedenis te concentreren.

Terug in Mexico organiseerde hij concerten met hedendaagse muziek aan de Escuela Preparatoria Nacional en gaf hij bekendheid aan werken die niet eerder in Mexico werden uitgevoerd. (Béla Bartók, Arthur Honegger, Darius Milhaud, Francis Poulenc, Erik Satie, Arnold Schönberg, Igor Stravinski en Edgar Varčse, zijn eigen werk).

Hij werd directeur van het Orquesta Sinfónica Mexicana, het eerste beroepsorkest in het land, dat uit een muzikale workshop van muzikanten ontstaan is. Later werd het orkest hernoemd tot Orquesta Sinfónica de México en Chávez bereisde met het orkest het hele land.

In 1928 werd hij directeur van het Conservatorio Nacional de Música en bleef in deze functie voor zes jaar aan. Hij was daar professor voor compositie.

In 1938 deed hij een hele concertreeks met het NBC Radio Symphony Orchestra, nadat Arturo Toscanini het orkest niet meer dirigeerde. In 1940 volgde een reeks met concerten in het Museum of Modern Arts in New York.

Van 1947 tot 1952 was hij directeur general van het Instituto Nacional de Bellas Artes. In 1947 stichtte hij het Orquesta Sinfónica Nácional, de opvolger van het Orquesta Sinfónica de México.

Carlos Chavéz componeerde

     1 opera

     5 balletten

     7 sinfonieën

     6 concerto’s

- Concerto voor Piano en Orkest, 1938, energiek concert van epische proporties, knap geďnstrumenteerd, razendsnelle wisselingen in tempo en dynamiek, gefundeerd op een stevige ritmische basis.

     14 andere werken voor orkest

     4 werken voor harmonieorkest

     15 werken voor zangstem en begeleiding 

     20 koorwerken

     23 kamermuziek werken

     75 (series) piano werken

- Meditación, 1918

     5 andere wereken voor een soloinstrument

- Partita voor slagwerk, 1973

 

Anthon van der Horst (Amsterdam, 20 juni 1899 - Hilversum, 7 maart 1965) was de zoon van organist Hendrik van der Horst, organist van verschillende Amsterdamse kerken en Johanna Allegonda Petronella van Acker. Ze kregen 3 zonen. Zoon Anthon speelde op zijn vierde jaar met zijn vader het romantische repertoire vierhandig op de piano, zonder dat hij kon noten lezen. Op zijn 15de werd hij organist van de église Wallonne, op zijn 18de van de Engelse Kerk aan het Begijnhof. Vanaf zijn 15de sudeerde hij ook aan het Amsterdamsch Conservatorium compositie bij Bernard Zweers en orgel en piano bij Jean Baptiste Charles de Pauw. Anthon Van der Horst werkte van 1922 tot 1927 aan het Amsterdamsch Muzieklyceum, dat hij mee had opgericht. Op 12 april 1922 trouwde Anthon Van der Horst met pianiste Elizabeth Anna Sophia van Schevichaven. Ze kregen 3 zoons. In 1927 werd hij directeur van het Hilversums muzieklyceum en in 1935 hoofdleraar orgel aan het Amsterdamsch Conservatorium. Enige jaren later werd hij daar hoofdleraar koor- en orkestdirectie.

Vanaf 1931 gaf Van der Horst jaarlijkse uitvoeringen van Johann Sebastian Bachs Matthäus-Passion en Hohe Messe in de Grote of St. Vituskerk in Naarden. Deze raakten in heel Europa bekend. Anthon Van der Horst bleef de Matthäus-Passion jaarlijks op Goede Vrijdag in Naarden dirigeren tot kort voor zijn dood in 1965. Hij wees zijn orgelleerling Charles de Wolff als zijn opvolger aan.

Anthon Van der Horst kreeg als interpretator en kenner van Johann Sebastian Bachs kerkmuziek in 1948 een eredoctoraat in de godgeleerdheid aan de Rijksuniversiteit Groningen.

Anthon Van der Horst componeerde

     12 orkestwerken,

- Réflexions sonores, 1962

- Salutation joyeuse, 1964.

     10 werken voor koor en orkest, orgel of andere instrumenten

- Chorus I tot VIII, 1932 - 1961.

     werken voor koor a cappella

     4 (series) liederen voor zangstem met orgel of piano

     4 kamermuziekwerken

     5 orgelwerken

- Suite in modo coniuncto, 1943, gecomponeerd in de modo coniuncto: de achttonige toonladder, bestaande uit een regelmatige afwisseling van hele en halve toonsafstanden (bv& C–D–Es–F–Fis–Gis–A–B), waar Anthon Van der Horst een grote voorkeur voor had.

- Partite diverse sopra ‘O nostre dieu’ (Psalm 8), 1947

     piano werken

 

Pavel Haas (Brno, Moravië, nu Tsjechië, 21 juni 1899 – Auschwitz, 17 oktober 1944) kwam uit een Joodse familie. Zijn vader was schoenmaker Zikmund Haas, zijn moeder, Olga Epstein, was van Russissche komaf. Pavel Haas studeerde muziek vanaf zijn 14de.  Van 1919 tot 1921 studeerde hij compositie aan conservatorium Brno bij Jan Kunc en Vilém Petrželka. Hierna volgde hij een tweejarige masterclass bij componist Leoš Janáček.

Naast zijn werk als componist gaf hij ook compositielessen.

In 1935 trouwde hij met Soňa Jakobson, die eerder met de Russissche taalkundige Roman Jakobson was getrouwd. Zij kregen een een dochter.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog werd Pavel Haas in 1941 gedeporteerd naar concentratiekamp Theresiënstadt. Vóór zijn arrestatie was hij officieel gescheiden van zijn vrouw  Soňa, om het leven van zijn vrouw en zijn dochter veilig te stellen. In Theresiënstadt was hij één van een aantal Tsjechisch-Joodse componisten, waaronder Viktor Ullmann, Gideon Klein en Hans Krása. In 1944 maakten de nazi’s van Theresienstadt een modelkamp voor een bezoek van het Rode Kruis. Directeur Kurt Gerron maakte een propagandafilm: Der Führer schenkt den Juden eine Stadt, waarop delen van Hans Krása’s opera Brundibár waren te zien en Karel Ančerl Pavel Haas’ Study for Strings dirigeerde. Toen het propagandaproject voorbij was, verplaatsten de Nazi’s in oktober 1944 18.000 gevangenen, waaronder Pavel Haas en al de kinderen die in Brundibar hadden gezongen naar vernietigingskamp Auschwitz-Birkenau. Daar werden ze vermoord in de gaskamers.

De gevangenen die vergast moesten worden werden aangewezen door Doctor Mengele. Hij wees Karel Ančerl aan, maar de verzwakte Pavel Haas, die naast hem stond begon te hoesten, en daarom moest hij de dood maar tegemoet. Karel Ančerl heeft de oorlog overleefd.

Pavel Haas zijn broer Hugo Haas (1901–1968) was voor de oorlog een populaire acteur in Tsjecho-Slowakije.

Pavel Haas componeerde

     5 orkestwerken

- Study for String Orchestra,1943, vandaag de dag zijn bekendste werk

     2 koorwerken

     8 series liederen voor zangstem en piano of andere instrumenten

- 4 Liederen op Chinese Gedichten, 1944, op verzoek van de bas Karel Berman

     1 werk voor solist, koor en orkest

     4 kamermuziekwerken

- 3 strijkkwartetten

× Strijkkwartet nr. 1 in cis kleine terts, 1920, ééndelig.

     3 filmscores

     1 opera

- Šarlatán (De Charlatan).

     2 pianowerken

 

Hans Krása (Praag, 30 november 1899 - Auschwitz, 17 oktober 1944) was de zoon van een Tsjechische advocaat en had een Duitse Joodse moeder. speelde als kind viool en piano en studeerde later compositie aan de Duitse Muziek Academie in Praag. Hij werd repetitor bij het Neues Deutsches Theater in Praag, waar hij Alexander von Zemlinsky ontmoette, die hem in 1927 meenam naar Berlijn. Nadat hij een tijdje in Berlijn had gewoond, keerde hij, gekweld door heimwee, terug naar Praag, waar hij zijn baan als repetitor aan het Neues Deutsches Theater weer oppakte.

Op 10 augustus 1942 werd Hans Krása opgepakt en gedeporteerd naar Theresiënstadt. Hij werkte zijn kinderopera Brundibár om voor de beschikbare mogelijkheden in het kamp. Daar werd het werk 55 keer uitgevoerd. Er kwamen ook nog stukjes van terecht in de beruchte film gemaakt voor het Rode Kruis in 1944.

In 1944 werd hij samen met de componisten Viktor Ullmann, Pavel Haas en Gideon Klein naar Auschwitz gedeporteerd. Op 17 oktober werd hij, te oud voor het werk volgens de kampleiding en een mogelijk gevaar, omgebracht, samen met Pavel Haas.

Hans Krása componeerde

     2 opera’s

- Verlobung im Traum, 1930, opera in 2 akten  naar de roman Uncle's Dream van Dostojevski, zijn belangrijkste werk

- Brundibár, symbolische anti-Nazi-opera, 1928/1943, gebaseerd op een toneelstuk van Aristophanes.

     2 orkestwerken

- symfonie voor klein orkest, 1923

     serie liederen voor zangstem en orkest

- 4 Orchesterlieder, opus 1, gebaseerd op de Galgenlieder van Christian Morgenstern, 1920.

     1 cantate

     4 kamermuziekwerken

- strijkkwartet, opus 2, 1921

     2 series liederen voor zangstem en piano of andere instrumenten

 

Noël Peirce (Noel Pierce) Coward (Teddington, Engeland, 16 december 1899 – Jamaica, 26 maart 1973) was de tweede van drie zonen van pianohandelaar Arthur Sabin Coward (1856–1937) en Violet Agnes Coward (1863–1954). Noël ging als jong kind naar de Chapel Royal Choir School en als schoolkind naar een dansacademie in Londen. Hij maakte zijn theaterdebuut op 11- jarige leeftijd. Noël Coward ontwikkelde zich tot acteur, toneelschrijver, regisseur en componist van popmuziek.

Tot zijn bekendste werken behoort het toneelstuk Private Lives. Dit stuk werd op Broadway opgevoerd met Elizabeth Taylor en Richard Burton als de ex-echtgenoten, die elkaar bij toeval op de balkons van hun hotelkamers weer tegen het lijf lopen.

Noël Coward componeerde

     14 musicals en revues

- On With the Dance, 1925, revue, waarin het lied

+ Poor Little Rich Girl, het ultieme lied van de jaren twintig van de vorige eeuw;

- Bitter Sweet, 1929 een operette

- Words and Music, 1932, revue, waarin zijn populairste lied:

+ Mad About the Boy

     300 songs

 

Silvestre Revueltas Sánchez (Santiago Papasquiaro, Mexico, 31 december 1899 ̶ Mexico-Stad, 5 oktober 1940) kreeg zijn eerste vioolles op 8-jarige leeftijd. In 1913 verhuisden zijn ouders Gregorio (José) Revueltas Gutiérrez en Ramona (Romana) Sánchez Arias naar Mexico-Stad. Silvestre Revueltas ging daar studeren aan het Conservatorio Nacional de la Ciudad de México, bij José Rocabruna viool en bij Rafael J. Tello compositie. Vanaf 1917 tot 1924 studeerde hij in de Verenigde Staten aan het St. Edward College in San Antonio, Texas, en bij Felix Borowsky aan het College of Music te Chicago, Illinois.

In 1920 gaf hij zijn eerste vioolconcerten.

Samen met pianist/componist Carlos Chávez organiseerde hij de eerste concerten met hedendaagse muziek in Mexico in 1924 en 1925, wat een groot succes werd. In 1929 bood Carlos Chávez hem de positie als assistent-dirigent van het Orquesta Sinfónica de México aan, hij bleef daar tot 1936. Samen hebben zij veel voor de promotie van de Mexicaanse muziek gedaan en een groot aantal werken gepubliceerd.

In 1933 werd hij professor voor viool en kamermuziek aan het Conservatorio Nacional de Música en dirigent van het Orquesta Sinfónica de la Universidad Nacional Autónoma de México (UNAM). Eveneens was hij directeur van de Escuela Nacional de Música. In 1937 ging hij naar Spanje, om aan de culturele activiteiten van de Republikeinen in de Spaanse Burgeroorlog mee te werken. Hij werd lid van de muzieksectie van de republikeinse regering en organiseerde en dirigeerde concerten.

In 1938 kwam hij naar Mexico-Stad terug, waar hij van toen af aan in armoede en teruggetrokken leefde. Hij schreef nog muziek voor film en ook het orkestwerk Sensemayá, wat hem wereldfaam bracht.

Silvestre Revueltas behoort naast Carlos Chávez tot de belangrijkste componisten van Mexico in de eerste helft van de 20e eeuw.

Silvestre Revueltas componeerde

     16 werken voor (kamer)orkest

- Janitzio,  symfonisch gedicht, 31 juli 1933, gereviseerd 1936, een beschrijving het visserseiland Janitzio in het meer Pátzcuaro. Geniaal gecomponeerd, extreem, grenzeloos en volstrekt onconventioneel. Het betere knip- en plakwerk van hoge en lage cultuur.

     2 werken voor harmonieorkest

     4 balletten

- La Noche de los Mayas (1939), vergelijkbaar met Le sacre du printemps van Strawinsky.

     4 strijkkwartetten

     een twintigtal kamermuziekwerken

     9 werken voor zangstem, (koor) en (kamer)orkest of piano

     7 filmmuziekwerken