Componisten

vanaf 1900

 

Pierre-Octave Ferroud (Chasselay, bij Lyon, Frankrijk, 6 januari 1900 – Debrecen, Hongarije, 17 augustus 1936) studeerde eerst schei- en natuurkunde voordat hij aan het Conservatorium van Lyon orgel ging studeren bij Edouard Commette en compositie bij Georges-Martin Witkowski. Voor militaire dienst moest hij naar Straatsburg, waar hij ondertussen studeerde bij Guy Ropartz. Terug in Lyon werkte hij samen met onder meer Florent Schmitt. In 1923 reisde hij naar Parijs, waar hij niet meer weg ging en richtte in 1932 met Henry Barraud, Jean Rivier en Emmanuel Bondeville het kamerensemble Triton op.

Sergei Prokofiev bewonderde zijn composities. Pierre-Octave Ferroud werkte als muziekrecensent bij de krant Paris-Soir.

Hij overleed in 1936 bij een auto-ongeluk in Debrecen, Hongarije.

Pierre-Octave Ferroud componeerde

     1 opera

     3 balletten

     4 orkestwerken

     7 kamermuziekwerken

     8 pianowerken

- Au parc Monceau, suite, 1921

     18 chansons

 

Michael Dewar Head (Eastborne, Engeland, 28 januari 1900 – Cape Town, Zuid-Afrika, 24 augustus 1976) was de zoon van een advocaat/journalist en een talentvolle zangeres/pianiste. 10 jaar oud begon hij met pianolessen bij Jean Adair en zanglessen bij Fritz Marston aan de Adair-Marston School of Music. Na zijn middelbare schooltijd studeerde hij aan de Royal Academy of Music. Tijdens de Tweede Wereldoorlog moest hij zijn dienstplicht vervullen in een munitiefabriek.

Na de oorlog maakte hij zijn studie aan de Royal Academy of Music af bij Frederick Corder, piano bij T. B. Knott en orgel bij Reginald Steggall. In 1926 kreeg Michael Head een betrekking aan de Bedales School, Petersfield, waar hij drie jaar les gaf.

In 1927 werd hij pianodocent aan de Royal Academy. Hij hield de betrekking vol tot zijn pensionering in 1975.

Michael Head componeerde

     3 orkestwerken

     2 werken voor koor en orkest

     3 (series) kamermuziekwerken

- 3 pieces for oboe and piano, verrassend mooi.

     100 liederen

- Over the Rim of the Moon (1918-19)

- The Ships of Arcady, zijn bekendste lied

- Songs of the Countryside

The Little Road to Bethlehem, ook heel populair

 

Marko Tajčević (Osijek, Kroatië (toen Joegoslavië), 29 januari 1900 – Belgrado, Servië, 19 juli 1984) studeerde aan het Kroatisch Muziekinstituut in Zagreb bij Fran Lhotka, Blagoje Bersa en Franjo Dugan. In 1920 ging Marko Tajčević naar Praag, waar hij compositie studeerde bij Václav Štěpán. Daarna studeerde hij nog in Wenen bij Joseph Marx en Max Springer. Van 1924 – 1940 werkte Marko Tajčević in Zagreb als muziekdocent. Met collega’s richtte hij daar de Lisinski Muziekschool op. Van 1945-1966 doceerde Marko Tajčević muziektheorie en compositie aan de Muziekacademie Belgrado. Marko Tajčević heeft zich veel beziggehouden met koordirectie.

Marko Tajčević componeerde 54 werken:

     werken voor harmonie- en fanfare

     kamermuziek

     9 koorwerken

     4 Liedcycli.

     3 (series) pianowerken

- Erste Suite

- Suite Sieben Tänze vom Balkan (1930), door de Sloveense dirigent Bogo Leskovic voor orkest gearrangeerd.

     werken voor solo-instrumenten

 

Kurt Julian Weill (Dessau, Duitsland, 2 maart 1900 – New York, 3 april 1950) werd als derde van vier kinderen geboren in een religieuze Joodse familie In Dessau. Zijn vader was daar voorzanger in de plaatselijke synagoge. Op 5-jarige leeftijd begon hij met pianospelen en op 12-jarige leeftijd gaf hij in het stadhuis van Dessau al zijn eerste concert met zelfgemaakte composities. Een Dessause operazangeres zong op een liederavond in 1917 liederen van zijn hand.

In 1918 ging hij studeren aan de Hochschule für Musik in Berlijn, waar hij onder meer les had van de componist Engelbert Humperdinck. In 1920 werd hij leerling van Ferruccio Busoni, die aan de Preussische Akademie der Kunste doceerde; dat bleef hij tot 1923. Zijn eerste bekende werk was het Vioolconcert opus 12 uit 1924 met begeleiding van blazers, aangevuld met een slagwerker en een contrabas.

Zijn interesse in het moderne muziektheater bracht hem samen met de dramaturg Georg Kaiser. Bij een van Weills bezoeken aan Kaiser leerde Weill de actrice Lotte Lenya kennen. Met haar zou hij twee maal trouwen, voor het eerst in 1926 en, na hun scheiding in 1933, nogmaals in 1937. In 1926 beleefde ook Weills eerste opera Der Protagonist (met een libretto van Georg Kaiser) zijn première.

Voor het muziekfestival in Baden-Baden schreef hij in 1927 een eenakter. Op zijn zoektocht naar een libretto kwam hij in aanraking met Bertold Brecht. Een gevolg van hun samenwerking was Das kleine Mahagonny, waarin Lotte Lenya zong. Dit zangspel zou in 1930 als basis dienen voor de grotere opera Aufstieg und Fall der Stadt Mahagonny.

Voor de opening van het Theater am Schiffbauerdamm in Berlijn in 1926 werd Kurt Weill door Brecht gevraagd om muziek te componeren bij zijn Dreigroschenoper. De combinatie Brecht-Weill werd hiermee in een klap wereldberoemd.

In 1933 werden kort na de première van Der Silbersee ( libretto van Georg Kaiser) verdere uitvoeringen, en alle andere muziek van Weills hand, verboden en als "entartet" bestempeld. Bij de boekverbranding in mei gingen zijn originelen in vlammen op. Kort daarop werd ook de vertoning van de populaire film "Die Dreigroschenoper" verboden.

Na de machtsovername in 1933 vertrok Weill met Lotte Lenya naar Parijs, waar hij (op tekst van Brecht) muziek schreef voor Die sieben Todsünden, een ballet met zang voor sopraan en mannenkwartet. In 1935 emigreerde hij naar New York, waar inmiddels ook Brecht terecht was gekomen.Daar zou hij tot zijn dood werkzaam blijven. In 1943 kreeg hij het Amerikaans staatsburgerschap.

In december 1949 begon Kurt Weill aan een musical naar Mark Twains Huckleberry Finn, maar dat werk kon hij niet voltooien: op 3 april 1950 overleed hij aan de gevolgen van een hartinfarct. Twee dagen later werd hij begraven op de Haverstraw Cemetry in New York. In 1981 werd Lotte Lenya naast hem begraven. 

Kurt Weill componeerde

     14 opera’s

- Aufstief und Fall der Stadt Mahagonny, politiek-satirische opera, 9 maart 1930.

- Der Silbersee, 1933

     2 balletten

- Die sieben Todsünden, ballet met zang, 1933, (libretto Bertolt Brecht)

     1 operette

     15 musicals

- Die Dreigroschenoper, 1928, (libretto Bertolt Brecht), een toneelstuk in drie bedrijven met 22 afzonderlijke zangnummers, die door toneelspelers gezongen kunnen worden. Het stuk speelt zich af in de penoze van de Londense wijk Soho, waar Macheath, alias Mackie Messer ofwel Mack the Knife (bariton, tenor), omgang heeft met Polly (sopraan), de dochter van bedelaarskoning Peachum (bariton), en tegen diens zin met haar trouwt. Peachum probeert Macheath aan de galg te brengen. Macheath belandt in de gevangenis maar ontsnapt dankzij zijn relatie met Lucy, dochter van de politiechef (sopraan). Hij wordt echter alsnog opgepakt en dreigt op het einde dan echt terechtgesteld te worden, maar krijgt op het laatste moment gratie van de koningin en wordt in de adelstand verheven. Eind goed, al goed: daarmee is duidelijk dat het maar een sprookje is.

De Driestuiversopera was zowel in Duitsland (waar hij door de nazi's verboden werd) als daarbuiten zeer populair. Het stuk werd in achttien talen vertaald, waaronder het Nederlands, en maakte als de Threepenny Opera furore op Broadway.

Bij openingsscene zingt een straatzanger (bariton) “Die Moritat von Mackie Messer”, het bekendste lied uit de Driestuiversopera.

In de eerste acte zingt Polly "Seeräuberjenny", ná “Mackie Messer” het populairste lied. Tiger Brown, de politiechef, die samen met Mackie in het leger heeft gediend (bariton), zingt met hem de "Kanonen-Song" In het tweede bedrijf klinkt aan het begin “Polly’s Lied”, als ze heeft gehoord, wat haar vader met Mackie Messer van plan is. Wanneer Mackie Messer in de gevangenis wordt gezet zingt hij de "Ballade vom angenehmen Leben".

- Happy End musical in 3 bedrijven, 1929, libretto Dorothy Lane en Bertolt Brecht bekend geworden is de song: "Surabaya Johnny"

- One Touch of Venus, musical en 2 bedrijven, teksten van Ogden Nash, libretto S. J. Perelman and Nash, gebaseerd op de roman The Tinted Venus van Thomas Anstey Guthrie, losjes verband houdend met de legende van de beeldhouwer Pygmalion uit de metamorfosen van Ovidius, 7 oktober 1943. In 1948 werd er een filmversie van gemaakt. Populair lied uit 1ste akte van de musical: “Speak low”, is een jazzstandard geworden.

     10 toneelmuziekwerken

- Mahagonny-Songspiel, “Das kleine Mahagonny”, concert werk voor stemmen en klein orkest, 18 juli 1927

- Marie Galante, toneelstuk met muziek in 2 bedrijven, tekst Jacques Deval, 22 december 1934

     7 cantates

- Das Berliner Requiem, voor tenor, bariton, bas soli en blaasinstrumenten, 1928

- Der Lindberghflug, 1929, cantata voor tenor, bariton, bas, koor en orkest, tekst Bertolt Brecht,  geïnspireerd door We, Charles Lindberghs verhaal uit 1927 over zijn oceaanvlucht. In eerste instantie was de muziek van Paul Hindemith èn Kurt Weill, maar al in 1929 verving Kurt Weil al  Paul Hindemiths muziek door eigen composities.

     1 vioolconcert.

De viool wordt begeleid door een blazersensemble, een slagwerker en één contrabas. climax eindigt.

     2 symphonieën

     10 andere orkestwerken

- Kleine Dreigroschenmusik, suite uit Die Dreigroschenoper voor blaasorkest, piano en slagwerk, 1929

     3 kamermuziekwerken

Sonate voor cello en piano, 1921, prachtig werk, complex, gelaagd, tegendraads, een meeslepend werk.

     22 (series) liederen en songs

- Das Berliner Requiem, 1928, voor tenor, bariton, bas solisten en blaasinstrumenten op 7 gedichten van Berthold Brecht

3. "Ballade vom entrunkenen Mädchen" (Als sie ertrunken war und hinunter schwamm)

- Youkali , oorspronkelijk de Tango habanera, instrumentaal deel uit Marie Galante, 1934, tekst  Roger Fernay

     2 filmscores

 

Colin Mc Phee (Montreal, Canada, 15 maart 1900 ‒ Los Angeles, 7 januari 1964) studeerde piano en compositie bij Gustav Straube aan het Peabody conservatorium in Baltimore, waar hij zijn graad behaalde in 1921. Daarna studeerde hij van 1921-24 piano bij Arthur Friedheim in Toronto. Tot slot studeerde Colin Mc Phee van 1924-26 in Parijs compositie bij Paul Le Flem en bij Edgar Varèse in New York.

In 1931 trouwde Colin Mc Phee met Jane Belo, een leerling van Margaret Mead. In verband met Belo’s antropologische werk gingen ze op Bali wonen.

In dat jaar hoorde Colin McPhee voor het eerst opnamen van de tot dan toe vrijwel onbekende muziek van de gamelan in Bali, gong ensembles, gong klokkenspelen, metallofonen, bekkens en drums. Hij raakte gefascineerd door de mogelijkheden hiervan.

Van 1931-38 deed Colin McPhee in Indonesië, vooral in Bali en Java intensief onderzoek naar de verschillende soorten ensembles en zijn eigen huis werd een centrum van muzikale activiteit. Colin McPhee stimuleerde en subsidieerde het onderwijs van kinderen in muziek en dans, met het behoud van de oudere muziektradities. Zijn studies van de muziek, de dans en het theater van Bali en Java verleenden hem internationale erkenning als een autoriteit op die gebieden en beïnvloedde verscheidene van zijn symfonische-, koor- en kamermuziekcomposities.

Colin McPhee, die homoseksueel was, scheidde in 1939 van Belo en keerde terug naar de VS en verbleef in New York in de veertiger jaren.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog was Colin McPhee muziek adviseur bij het Military Information Office van de VS; op verzoek van de Verenigde Naties componeerde McPhee in de vijftiger jaren de muziek voor drie documentaires.

In 2009 is door de Amerikaanse componist Evan Zyporyn over het leven van Mc Phee een opera gecomponeerd: A House in Bali.

Colin Mc Phee componeerde

     orkestwerken

- Tabuh-Tabuhan, toccata  voor orkest, 1936

- Four Iroquois Dances,1944

- Balinese Ceremonial Music.
Nocturne, 1958

- 3 symphonieën

- Symphonie No. 2, 1957 kreeg wijdverbreide waardering

     concerten

- Concerto No. 1 voor piano, 1920

- Concerto No. 2 voor piano, 1924

- Concerto voor piano en blaasoctet, 1928

     vocale werken

- Sea Shanty Suite, 1929 voor bariton, mannenkoor, twee piano's, en twee sets timpanen

     muziek voor 1 film

 

Leopold (Leo) Smit (Amsterdam, 14 mei 1900 ‒ Sobibór, Polen, 30 april 1943) studeerde piano aan het Conservatoriumvan Amsterdam bij Sem Dresden en Ulfert Schults en daarna compositie bij bij Bernard Zweers en Sem Dresden. Hij was de eerste student aan dit conservatorium die (in 1924) cum laude het einddiploma compositie behaalde.

In 1927 verhuisde hij naar Parijs. In 1933 trouwde Leo Smit met Lientje de Vries, die hem naar Parijs volgde. Na nog een jaar in Brussel te hebben gewoond, vestigden zij zich in 1937 weer in Amsterdam, waar Leo privélessen ging geven in piano, theorie en compositie: hij had een omvangrijke leerlingenpraktijk. In 1941 mochten joodse musici niet meer in het openbaar optreden, daarna zelfs hun vak niet meer uitoefenen. Bij Leo Smit bleven de niet-joodse leerlingen geleidelijk weg.

Leo Smit en zijn vrouw Lientje werden in december 1942 gedwongen van hun huis in de Eendrachtstraat naar het tijdelijke "Judenviertel" in de Transvaalbuurt te verhuizen, een tussenstation voor de Hollandse Schouwburg waarnaar ze in maart 1943 werden overgebracht. Economisch geïsoleerd, bleef Smit tot het laatst toe componeren, vooral kamermuziek. Een aantal werken bleef onvoltooid.

Op 12 februari 1943 voltooide hij zijn laatste werk voltooide, de prachtige sonate voor fluit en piano.

Begin april 1943 werden Leo en Lientje via de Hollandse Schouwburg op transport gesteld naar

doorgangskamp Westerbork. Op 27 april 1943 werden zij rechtstreeks naar vernietigingskamp Sobibor afgevoerd, waar zij kort na aankomst zijn vermoord.

Vanaf het eind van de jaren 80 wordt zijn werk weer regelmatig uitgevoerd. In 1996 werd Leo Smit Stichting opgericht. Zij organiseert regelmatig concerten in de Uilenburger Synagoge in Amsterdam, en steeds vaker ook daarbuiten.

Leo Smit componeerde

     10 orkestwerken waarvan 6 soloconcerten,

     8 kamermuziekwerken voor diverse bezetting,            

- Strijkkwartet, 1940

     1 koorwerk,

     3 liederen,

     3 pianowerken

 

George Johann Carl Antheil (Georges Antheil) (Trenton, New Yersey, Verenigde Staten 8 juli 1900 – New York, 12 februari 1959), groeide op in een familie van Duitse immigranten in Trenton. Zijn vader was daar schoenhandelaar. Op zesjarige leeftijd begon hij met zijn pianostudie. In 1916 zette hij die voort bij Constantine von Sternberg en vanaf 1919 compositie bij Ernest Bloch in New York. George Antheil was een bewonderaar van Igor Stravinsky en de Groupe des six. Van 1923 tot 1927 was hij lid van De Stijl. Zijn muziek werd gespeeld tijdens de opening van de door de Poolse kunstenaar Victor-Yanaga Poznanski georganiseerde tentoonstelling Art d'aujourd'hui in Parijs in 1925, waar ook veel andere Stijlkunstenaars aan deelnamen. Behalve componist was George Antheil ook een gerenommeerd endocrinoloog, schrijver en recensent. In 1945 publiceerde hij een autobiografie: The Bad Boy of Music.  George Antheil stierf aan een hartaanval in Manhattan, New York.

George Antheil componeerde

     6 opera’s

- The brothers, 1954. Het Bijbelverhaal over Kaïn en Abel is verplaatst naar de Amerikaanse, 20ste-eeuwse lower class, de broers Ken en Abe, die ruzie krijgen over de vrouw van Abe. 

     2 balletten

- Ballet Mécanique, zijn bekendste compositie, oorspronkelijk bedoeld voor 16 speciaal gesynchroniseerde studiepiano’s, twee vleugels, elektronische bellen, xylofoons, grote trommen, sirene en drie vliegtuigpropellers.

     21 orkestwerken

- A Jazz Symphony (Jazz Symphonietta),1925, oorspronkelijk bedoeld voor Paul Whiteman's Experiment in Modern Music (waarin ook George Gershwins Rhapsody in Blue zijn première beleefde) maar als te avant-gardistisch afgewezen. Geortg Antheil herorkestreerde het werk in 1955 in een mildere vorm.

     10 kamermuziekwerken

- vioolsonate nr. 2, 1923

     werk voor koor en piano

     werk voor zangstem en piano

     5 werken voor piano solo

     30 filmscores

 

Hans Haug (Bazel, Zwitserland, 27 juli 1900 – Lausanne, 15 September 1967 in ) studeerde aan het Conservatorium van Bazel bij Egon Petri en Ernst Lévy en aan de Muziekhogeschool van München bij Ferruccio Busoni, Walter Courvoisier en Josef Pembaur. Na korte banen als dirigent in Grenchen en Solothurn, werd hij tot 1934 tweede 'Kapellmeister' aan het hoofdstedelijk orkest en het theater van Basel. Hij leidde het orkest van Radio Suisse Romande tot 1938 en daarna het Radio-orkest Beromünster tot 1943. Na de tweede Wereldoorlog werd hij in 1947 docent aan het Conservatorium in Lausanne.

Hans Haug componeerde gigantisch veel, waaronder

     opera’s

     oratoria’s

     orkestwerken

     concerten

- Concertino voor gitaar en kamerorkest, 1950

     kamermuziekwerken

     vocale muziek

     gitaarwerken

- Alba, 1954

- 'Preludio' 1955

- Étude, Rondo fantastico, 1955

- Prélude, Tiento et Toccata  1961.

 

Aleksandr Vasiljevitsj Mosolov (Kiev, 11 augustus 1900 - Moskou 11 juli 1973) kreeg zijn eerste muziekopleiding van zijn moeder, Nina Aleksandrova Mosolova (1882-1953), een coloratuursopraan van het Bolsjoj Theater. Zijn vader (een advocaat) overleed al vroeg (1905). In 1917 ging hij studeren aan de Hogeschool in Moskou en werken bij het bureau van de “Commissaris van het Volk voor Staatscontrole"; hij had daarbij persoonlijk contact met Lenin. Vanaf 1918 tot 1920 maakte hij deel uit van het Rode Leger. In 1920 verliet hij de dienst vanwege zijn verwondingen en ontving de Orde van de Rode Banier. Hij verdiende zijn geld dan door het als pianist begeleiden van stomme films. In 1922 ging Aleksandr Mosolov privé-lessen volgen bij Reinhold Glière; en daarna studeerde hij verder aan het Moskou Conservatorium bij Reinhold Glière harmonie, bij Nikolaj Mjaskovski compositie en bij Igumnov en Grigori Prokofjev piano. Hij werd lid van de Vereniging voor Hedendaagse Muziek.

Op 31 augustus 1937 leidde de repressie op cultureel gebied in de Sovjet-Unie tot zijn arrestatie; hij werd veroordeeld tot acht jaar strafkamp. Dankzij voormalige leraren, die later dezelfde repressie ondervonden, kwam hij vroegtijdig vrij. Zijn slechte gezondheid speelde hem parten. Hij bracht alleen nog een aantal  bezoeken aan andere Sovjet-staten en verzamelde daar veel plaatselijke volksmuziek.

Aleksandr Mosolov compondeerde

     3 opera’s

     1 ballet

     3 oratoria

     6 symfonieën

     4 andere orkestwerken

- de IJzergieterij, 1926, ijzersterk staaltje "mechanische muziek". Muzikale nabootsing van industriële bedrijvigheid

     6 concerten

- vioolconcert

- Concerto voor piano en orkest nr. 2 naar Kirgizische thema’s, 1926

- Concerto voor piano en orkest nr. 1 opus 14, 1927, even dissonerend als hamerend, maar heeft ook zalvende momenten.

- harpconcert, 1939

- celloconcert, 1945

- elegisch gedicht voor cello en orkest,  1961

     3 werken voor solist(en), (koor) en orkest

     1 koorwerk

     9 kamermuziekwerken

- Legende voor cello en piano, opus 5, 1924

- Strijkkwartet nr. 1 in a kleine terts, opus 24 1926

     23 liederen of series liederen voor zangstem en piano

- Vier krantenberichten,  opus 21, voor sopraan, ook interessant

     10 (series) pianowerken

- sonata nr. 1, opus 3, 1924, de moeite waard, interessant.

- sonata nr. 2, opus 4, 1924, overweldigende uitdrukkingskracht

- sonata nr. 5, opus 12, 1925

     1 werk voor harp

     1 cantate

 

Jakob Schönberg (Fürth, Beieren, 8 september 1900 – New York City, 1 mei 1956), was de zoon van David Schönberg, chazzan (cantor) in de Claus-synagoge in Fürth. Jacob kreeg vanaf zijn vijfde jaar pianoles. Jacob Schönberg studeerde aan de Universiteit van Erlangen. Hij promoveerde met de dissertatie „“Die traditionellen Gesänge des Israelitischen Gottesdienstes in Deutschland“. Van 1919 tot 1933 leefde en werkte hij in Weimar als pianist, muziekcriticus, dirigent en componist. Vanaf 1933 konden Joden geen publieke functies meer vervullen.

In 1939 emigreerde Jakob Schönberg naar Engeland.

In 1948 kwam hij in New York City, Amerika, terecht. Jakob Schönberg gaf les aan de New York's Trinity School en de Carnegie School of Music in Englewood, New Jersey. Hij overleed aan een hersentumor.

Jakob Schönberg componeerde

     8 orkestwerken

- Prelude Symphonique,1923.

- Suite voor orkest, 1937

     5 (series) liederen voor zangstem en piano

     1 lied voor zangsten en andere instrumenten

     1 werk voor gemengd koor, tenor en orgel

     3 kamermuziekwerken

     4 pianowerken

- Chassidic Suite, 1937

     filmscores

 

Cor Kee (Zaandam, 24 november 1900 – Zaandam, 3 januari 1997) was een leerling van Jan Zwart. Van 1917 tot 1918 volgde hij een cursus orgel aan het Amsterdamsch Conservatorium bij Jean-Baptiste de Pauw. Later nam hij compositielessen bij Sem Dresden.

Cor Kee was hoofdvakdocent orgel aan het Utrechts Conservatorium en permanent docent improvisatie aan de internationale zomeracademie in Haarlem.

Van 1922 tot 1924 was hij organist van de Doopsgezinde kerk aan het Singel in Amsterdam. Daarna stapte hij over naar de Ronde Lutherse Kerk. Hij bleef daar spelen tot de Lutherse gemeente in januari 1935 de ‘Ronde Lutherse’ sloot voor de eredienst. Vanaf die tijd speelde Cor Kee in de Oude Lutherse Kerk aan het Spui, waar hij in 1964 zijn zilveren jubileum als organist van de Lutherse Gemeente vierde. Cor Kee was de vader van organist en componist Piet Kee.

Cor Kee componeerde

     5  werken voor harmonier en fanfare

     1 werk voor harmonie-orkest en koor

     1 werk voor koperblazers en orgel

     1 verzameling kamermuziekwerken

- Amsterdam, 700 jaar lusthof', 1975

     5 liederen voor zangstem met orgel of piano

     3 bundels ‘Psalmen voor Orgel’

     50 Psalmbewerkingen,

- Psalmen voor Orgel

Psalm 5

Psalm 77

Psalm 91

     10 reeksen Inleidingen tot de psalmen

     16 andere orgelwerken of series orgelwerken

     4 werkjes voor piano

     1 werk voor beiaard

 

Ernst Křenek (Wenen, Oostenrijk, 23 augustus 1900 – Palm Springs, Californië, 22 december 1991) schreef zijn eerste composities al toen hij zes was. Hij startte officieel met de studie compositie in zijn 16e levensjaar bij Franz Schreker in Wenen en Berlijn aan de Staatliche Hochschule für Musik.. Zijn vroegste werken zijn in vrije, heel individuele atonaliteit geschreven, zoals de opera comique Der Sprung über den Schatten.

Na een tweejarig verblijf in Zwitserland in 1923, reisde hij naar Parijs. Onder invloed van Igor Stravinsky en van het Franse neoclassicisme veranderde hij zijn compositiestijl tot een toegankelijker stijl. In samenwerking met Paul Bekker, artistiek leider van de Staatsoper Kassel, ontstond de Jazz-opera Jonny spielt auf (1927), die door het publiek enthousiast ontvangen werd.

Deze opera was een van de meest gespeelde opera's in de jaren twintig en maakte hem internationaal bekend.

Na de scheiding van zijn eerste vrouw Anna Mahler, de dochter van Gustav Mahler (huwelijk 1924), trouwde hij met actrice Berta Hermann en ging terug naar Wenen. Daar begon, na een intensieve studie van de muziek van Franz Schubert zijn neoromantische periode, die met de opera Das Leben des Orest en de liederencyclus Reisetagebuch aus den österreichischen Alpen in 1929 haar hoogtepunt beleefde. In hetzelfde jaar begon hij te experimenteren met de 12-toonsmuziek van Arnold Schoenberg, die voor de volgende jaren zijn compositiestijl zou bepalen.

Zijn werken ('Culturbolsjewist') werden in nazi-Duitsland verboden. Als reactie bekeerde hij zich tot het Katholicisme en schreef de indrukwekkende 12-toons-opera Karl V.

Nadat Oostenrijk door het Derde Rijk geannexeerd was, emigreerde Křenek in 1938 naar de Verenigde Staten. Van 1942 t/m 1947 doceerde hij aan de School of Fine Arts van de Hamline-universiteit in Saint Paul, Minnesota als Professor of Music.

In 1945 kreeg hij het staatsburgerschap van de Verenigde Staten.

Van 1947 t/m 1966 woonde hij in Los Angeles. In 1950 trouwde hij met componiste Gladys Nordenstrom. Tot de belangrijkste werken uit deze periode behoren het koorwerk Lamentatio Jeremiae prophetae (1941) en de opera Pallas Athene weint (1955).

Tot kort voor zijn dood was hij actief als componist en zijn oeuvre kent meer dan 300 partituren. Na zijn dood op 91-jarige leeftijd werd hij in Wenen in een eregraf van de stad Wenen bijgezet. Hij heeft in zijn oeuvre alle stijlen en genres toegepast, en, zoals Igor Stravinsky, bereikte hij in iedere stijl een buitengewoon meesterschap.

Ernst Křenek componeerde

     23 opera’s

- Jonny spielt auf, libretto Ernst Krenek zelf, over een jazzviolist, 10 februari 1927, een enorm succes, werd in Duitsland in het eerste seizoen al 421 keer uitgevoerd en vanaf 1929 ook in Amerika. Vanaf 1927 was er in Wenen al protest van Nazi-aanhangers en nadat de Nazi’s in Duitsland de macht overgenomen hadden werd de opera als “ontaarde muziek” verboden.

     6 balletten

     8 toneelmuziekwerken

     6 Sinfonieën

- 2de symfonie, 1922, atonaal in Mahlertraditie geschreven

     19 concerten

- pianoconcerto nr. 1 in Fis, opus 18, 1923, romantisch

- Concerto grosso 1924, neoklassieke stijl.

- pianoconcerto nr. 2,  opus 81, 1937, experimenteel

- pianoconcerto nr. 3,  opus 107, 1946

     35 andere orkestwerken

- Symphonic Elegie, opus 105, 1946, voor strijkorkest, in memoriam Anton Webern  

     2  missen

- Proprium missae in festo SS Innocentium Martyrum, 1940,

     40 uiteenlopende (series) koorwerken, a cappella of met belgeleiding van orgel, instrumenten of orkest

- Lamentatio Jeremiae Prophetae, opus 93, 1941; De Lamentatio Jeremiae Prophetae kenmerkt zich  door een combinatie van twaalftoontechniek, modaal contrapunt en een technische complexiteit zoals we die ook in de composities van Johannes Ockeghem aantreffen.

- Fünf Gebete voor vrouwenkoor a cappella, 1944;

     42 (series) kamermuziekwerken

- Sonata nr. 1 voor viool solo, opus 33, 1925

- Trio-Fantasie, op.63, voor pianotrio, 1929

- Sonata voor viool en piano, opus 99, 1945

- Sonata nr. 2 voor viool solo, opus 115, 1948

     8 (series) liederen voor zangstem en orkest

- Die Nachtigall, opus 68, oorspronkelijk voor coloratuursopraan en piano, 1931, tekst Karl Kraus, prachtige tekst, ontroerend lied

     5 (series) liederen voor zangstem en instrumenten

     18 (series) liederen voor zangstem en piano

- Reisebuch aus den österreichischen Alpen, tekst van Ernst Krenek zelf, opus 62, 1929, eigentijds antwoord op Franz Schubert

     1 werk voor zangstem solo

     3 werken voor zangstem(men), (instrumenten) en tape  

     3 werken voor instrumenten en elektronica 

     25 (series) pianowerken 

     4 (series) orgelwerken 

     3 werken voor accordeon 

 

Aaron Copland (Brooklyn, New York City, 14 november 1900 - Peekskill, New York State, 2 december 1990) groeide als jongste van het (Joodse) gezin op boven de winkel van vader Copland, een rotsvaste Democraat. Alle kinderen kregen muziekles en deden daar ook wat mee, vaak op Joodse bruiloften en tussen de schuifdeuren. Op elfjarige leeftijd schreef Aaron Copland zijn eerste compositie, zeven maten van de opera Zenatello.

Op 13-jarige leeftijd kreeg Aaron Copland pianoles van Victor Wittgenstein, Leopold Wolfsohn en Clarence Adle. Toen hij vijftien jaar was besloot hij, na een concert van de Poolse componist en pianovirtuoos Ignacy Jan Paderewski, dat hij ook componist wilde worden.

Om dat te bereiken, volgde hij lessen bij Rubin Goldmark, een conservatieve harmonie- theorie- en contrapuntleraar. Zijn moeder stelde hem in de gelegenheid in Parijs muziek te gaan studeren. Hij bleef er drie jaar, eerst als leerling van Paul Vidal, daarna van Nadia Boulanger aan het Conservatoire américain de Fontainebleau

In 1925 en 1926 kreeg hij een studiebeurs van de Guggenheim Foundation. Daarom kon hij ook in deze jaren tijdens de zomer door Europa reizen. Met Roger Sessions (1896-1985) organiseerde hij een concertreeks met nieuwe muziek in New York City, de Copland-Sessions Concerts (1928-1931).

Aaron Copland doceerde van 1927 tot 1937 aan de New School for Social Research in New York City; van 1933 tot 1944 en 1951/1952 als professor aan de Harvard-universiteit in Cambridge (Massachusetts). Amerika keerde zich tegen hem toen hij voor de beruchte McCarthy commissie moest verschijnen wegens vermeende communistische denkbeelden. Ook moest hij als prominent Amerikaan èn homo in een conservatieve maatschappij een eigen weg zien te vinden. Aaron Copland is de uitvinder van het typisch Amerikaanse geluid in de klassieke muziek: de klank van de wijdopen prairie gecombineerd met de ritmes van de Mexicaanse lichte muziek.

Aaron Copland componeerde

     2 opera’s

     6 balletten

- Hear Ye! Hear Ye!, 1934, leek verdwenen, maar werd in 1992 opgeduikeld door Oliver Knussen.

- Rodeo, "The Courting at Burnt Ranch", ballet, choreografie Agnes de Mille, 1942. Het ballet bestaat uit vijf delen: "Buckaroo Holiday", "Ranch House Party", "Corral Nocturne", "Saturday Night Waltz", and "Hoe-Down". Aaron Copland  stelde ook een vierdelige symfonische versie samen. In beide gevallen in het laatste deel  "Hoe-Down", gebaseerd op het Amerikaanse volkslied "Bonyparte" of  "Bonaparte's Retreat" het populairst geworden, onder meer door diverse rock-versies.

- Appalachian Spring, 1944, populair ballet, prairie-achtige soundscapes. De prairie reikt de renaissancepolyfonie de hand

- Dance Panels, 1959, niet geschreven met een bepaald programma.

     4 Symfonieën

- Symfonie voor orgel en orkest, 1924, opgedragen aan Nadia Boulanger “met bewondering”. Aaron herorkestreerde het werk zonder orgel als Symfonie nr. 1 , waarbij hij de orgelpartij door koperblazers liet overnemen en saxofoons toevoegde.

- Symphonie nr. 3,1946

     2 Concerten

- Concert voor piano en orkest, 1926

- Concerto voor klarinet, strijkers, harp en piano, 1948 voor Benny Goodman, prachtig.

     26 andere werken voor orkest

- Music for the Theatre 

- El Salón México, 1936

- Connotations, 1962

- Inscape, 1967

- Billy the Kid, 1938

- Rodeo, "The Courting at Burnt Ranch", 1942, tot vier delen teruggebrachte orkestversie van het ballet

- Appalachian Spring, 1944, kreeg de Pulitzer-prijs voor muziek

- Dance Panels, 1959

     6 werken voor harmonie-orkest

- Fanfare for the Common Man, voor koperblazers en slagwerk, 1942, werd bewerkt door de Britse popgroep Emerson, Lake & Palmer. Openingstune van de Nationale Conventies van de Democratische partij. Geïnspireerd door de beroemde speech van vice-president Henry A. Wallace in 1942, die daarin de dageraad van de “Eeuw van de Gewone Man” proclameerde

     5 toneelmuziekwerken

- suite Music for the Theatre, 1925

     4 kamermuziekwerken

- Two Pieces voor viool en piano, 1926

2. Ukelele Serenade, hilarisch

- Two Pieces for String Quartet, 1928

- Sonata voor viool (of  klarinet) en piano, 1943, prachtig;

-  Pianokwartet, 1950

     20 (series) liederen voor zangstem en piano of orkest

- Old American Songs, twee series van vijf liederen,1950 en 1952, oorspronkelijk voor zangstem en piano, later omgewerkt voor bariton en orkest. Verrukkelijke orkestratie.

Set 1

4. Simple Gifts; een “shaker”lied (shakers zijn een strenge religieuze gemeenschap), gecomponeerd in 1848 door ouderling Joseph Brackett. Mooie melodie; kreeg een effectvolle plaats in het populaire ballet Appalachian Spring

     4 pianowerken

- Piano Variations, 1930

- Four Piano Blues, 1926 - 1948

     8 filmscores

- The Heiress, kreeg een  Academy Award voor de muziek.

 

Hans (Hanns Aldo) Schimmerling (Brno, Moravië, Slowakije, 1900 – New York, Verenigde Staten, 1967), was de zoon van tandarts Hugo Schimmerling, en Eugenie (Jennie) Grossman. Als kind leerde en sprak hij Slowaaks, Duits, Italiaans en Engels. Als zesjarige begon hij piano te studeren, op zijn 11de nam hij daar cello bij en op zijn 14de muziektheorie. Hij studeerde rechten (of medicijnen?) aan de Universiteit van Wenen en muziek aan het conservatorium in Wenen en bij Zemlinsky en Franz Schreker aan de nieuw opgerichte Deutsche Akademie für Musik und darstellende Kunst in Praag.

Afgestudeerd werd hij dirigent aan de Duitse Opera in Praag en na anderhalf jaar aan de Metropolitan Opera in New York City.

Van 1928 tot 1938 leefde en werkte hij in Wenen, waar hij in 1932 trouwde met Mathylda. Vóór Hitlers invasie in 1939 verliet hij Wenen om in Brno te gaan werken aan de Massaryk school voor voortgezet onderwijs. In hetzelfde jaar ging hij met zijn vrouw via Praag naar Triest in Italië, waar hij een schip nam naar New York City. In 1944 werd hij Amerikaans staatsburger. Zijn beide ouders zijn in 1944 bij de Holocaust omgekomen.

In de 1950er jaren kocht Hanns Aldo Schimmerling een huis in Woodstock, New York. He gaf daar muziek- en pianoles tot 1960.

In 1967 ging hij naar het ziekenhuis voor een kleine operatie en overleed daar onverwacht.

Hanns Aldo Schimmerling componeerde

     orkestwerken

- 6 miniaturen voor kamerorkest, 1922

     werken voor zangstem en orkest

Die  Kirschblüte, voor bariton en orkest

     koorwerken

- "Memories of Czechoslovakia,”, 1945,

- "Elegy," satire voor mannenkoor

- A Millennium of Earliest Known Christian Hymn Writing, cyclus van 10 anthems, 

- Humphrey Potter, cantate voor bariton en koor,

     liederen

 

Paulus Folkertsma (Wommels, 15 januari 1901 – Aldeboarn, 4 mei 1972) verhuisde in 1906 naar Berlikum, waar hij zijn eerste vioollessen kreeg van de plaatselijke onderwijzer. Op 14-jarige leeftijd ging Paulus Folkertsma naar de Rijkskweekschool voor onderwijzers in Maastricht.
Na tijdelijke aanstellingen als onderwijzer in Leeuwarden en Sondel werd hij benoemd aan de openbare lagere school in het Friese Aldeboarn, waar hij meer dan 40 jaar als werkzaam bleef.
In 1956 trouwde hij met de Weense Helga Khek; zij kregen 4 kinderen. Als componist was Paulus Folkertsma autodidact. Hij volgde wel pianolessen en harmonieleer bij Willem Zonderland  in Leeuwarden. In het Fries Kamerorkest speelde Paulus Folkertsma  viool en altviool. Contrapunt maakte hij zich eigen door Johann Sebastian Bach te bestuderen, in harmonie liet hij zich inspireren door Cesar Franck.

Paulus Folkertsma componeerde:

     1 opera

     1 operette

     1 toneelmuziekwerk

     14 orkestwerken

- Romance voor viool en orkest in C grote terts, opus 6, 1925

- Andante voor cello en klein orkest in g kleine terts, opus 21, 1929

     3 cantates

     1 werk voor koor en fanfareorkest

     53 liederen voor koor a cappella

     8 kamermuziekwerken

- Strijkkwartet “In Memoriam” voor 3 soldaten van de Canadian Army, 1943, mooie elegie

     50 liederen voor zangstem en piano op Friese teksten van O. Postma

     3 pianowerken

     2 orgelwerken

http://www.paulusfolkertsma.nl

 

Hugo Wilhelm Friedhofer (San Francisco, 3 mei 1901 – Los Angeles, 17 mei 1981) was de zoon van Mathias Friedhofer, een cellist, die in Dresden, in Duitsland had gestudeerd en daar zijn moeder, pianiste Eva König, had ontmoet.

Hugo Friedhofer begon cello te spelen, toen hij 13 jaar oud was. Na studie in harmonie en contrapunt bij Domenico Brescia aan de University of California, Berkeley, werd hij in 1920 aangenomen als cellist in het People's Symphony Orchestra.

Hij trouwde dat jaar met pianiste Elizabeth Barrett. Ze kregen twee kinderen.

Omdat hij Duits sprak kon hij bij Warner Bros. gaan werken met de Oostenrijkse componisten Erich Wolfgang Korngold en Max Steiner. In 1929, verhuisde Hugo Friedhofer naar Hollywood, waar hij als muzikant ging werken voor Fox Studio produkties. Later kwam hij weer bij Warner Bros. terug.

Hugo Friedhofer componeerde

     62 filmscores

- The Adventures of Marco Polo, 1937.

- Chetniks! The Fighting Guerrillas, 1942

- The Best Years of Our Lives, 1947, behaalde een Oscar voor de muziek.

 

Henri Sauguet (Bordeaux, Frankrijk, 18 mei 1901 - Parijs, 22 juni 1989), werd geboren als Henri-Pierre Poupard, maar nam later zijn moeders meisjesnaam aan als pseudoniem. Henri Sauguet begon met pianospelen toen hij vijf jaar was. Hij kreeg eerst les van zijn moeder Elisabeth en van Marie Brodier. Later kreeg hij les van Madame Loureau de Pagesse (organiste van de Sainte-Eulalie Kerk in Bordeaux).

Toen zijn vader in 1914 gemobiliseerd werd kreeg hij een baantje, nodig om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien, bij de prefectuur van Montauban in 1919 en 1920 en in die tijd vormde zich een vriendschap met Joseph Canteloube. Samen verzamelden en harmoniseerden ze traditionele liederen onder de titel Chants d'Auvergne.

Terug in Bordeaux vormde hij de Groupe des Trois met Louis Emié en Jean-Marcel Lizotte, in de hoop de beste muziek ooit te vervaardigen.

In oktober 1921 verhuisde Henri Sauguet naar Parijs, waar hij verder studeerde bij Charles Koechlin. Hij werkte in die tijd ook als secretaris in het Musée Guimet.

In 1924 liet Erik Satie Sauguet kennismaken met Serge Diaghilev, de impresario van Les Ballets Russes. Drie jaar later produceerde Diaghilevs gezelschap het ballet La Chatte (De vrouwelijke kat) op muziek van Sauguet.

Henri Sauguet was homosexueel; hij had een partnerschap met de decorschilder en decorateur Jacques Dupont tot diens dood in 1978.

Henri Sauguet overleed in Parijs en werd begraven op de begraafplaats in de wijk Montmartre.

Henri Sauguet componeerde

     8 opera’s

     27 balletten

     film en TV-scores

     4 symfonieën

     5 concerten

     13 andere orkestwerken

     42 kamermuziekwerken

     16 (series) werken voor (solisten), koor (en orgel of orkest)

     68 (series) liederen voor zangstem en piano

     31 chansons

     25 (series) pianowerken

     1 orgelwerk

     1 werk voor klavecimbel

     3 préludes voor gitaar

·         4 “Musique concrete” werken

 

Charles Edmund Duncan-Rubbra (Northampton, Engeland, 23 mei 1901 – Gerrards Cross, Buckinghamshire, 14 februari 1986) groeide op in een arbeidersfamilie. Van een pianolerares in de buurt kreeg hij de eerste pianolessen vanaf zijn achtste jaar. Om te helpen bij de inkomsten van het gezin, werkte hij na zijn schoolperiode vanaf zijn 14de bij een Britse spoorwegmaatschappij. Op 17-jarige leeftijd gaf hij zijn eerste pianorecital met werken van Cyril Scott. Cyril Scott was daar zo enthousiast over, dat hij hem aansluitend lessen piano en compositie gaf voor een kwart van het gebruikelijke lesgeld. Na een jaar kon Edmund Rubbra gaan studeren op het University College in Reading bij Gustav Holst. Vier jaar later won Edmund Rubbra een studiebeurs en kon daarmee aan het Royal College of Music in Londen compositie bij Gustav Holst en harmonieleer en contrapunt bij Reginald Owen Morris studeren. In 1925 studeerde Edmund Rubbra af aan het Royal College of Music en ging werken als freelance componist, leraar en muziekrecensent. Hij werd goede vrienden met Gerald Finzi en trouwde in 1933 met de Franse violiste Antoinette Chaplin. Ze kregen twee zoons: Francis en Benedict. Tijdens de Tweede wereldoorlog moest hij dienst doen bij de "Royal Artillery". Hij vormde met cellist William Pleeth en violist Erich Gruenberg het Rubbra-Gruenberg-Pleeth Trio en gaf daarmee kamermuziekconcerten voor de legerofficieren. Het trio bleef tot 1956 in stand.

Na de Tweede Wereldoorlog werd hij door zijn aandacht en liefde voor goed contrapunt als conservatief beschouwd, en telde hij daarom niet echt mee in het muziekwereldje wat bij een nadere blik op zijn oeuvre niet altijd juist blijkt. In 1948 bekeerde hij zich tot de Katholieke Kerk.

Van 1947 tot 1968 was Edmund Rubbra docent aan de muziekafdeling van de Universiteit van Oxford en vanaf 1963 ook aan het Worcester College van deze universiteit. Van 1961 tot 1974 was hij professor in de muziek aan de Guildhall School of Music and Drama in Londen. Het huwelijk met Antoinette Chaplin was intussen op een scheiding uitgelopen en Edmund Rubbra trouwde met Colette Yardley, met wie hij één zoon kreeg: Adrian. In 1960 werd Edmund Rubbra officier in de Order of the British Empire (CBE)

Edmund Rubbra componeerde 130 werken, waaronder

     1 opera

     11 symfonieën

     7 concerten

     12 (series) andere orkestwerken

     1 serie werken voor brassband,

     9 missen, mottetten en ander religieuze muziekwerken

     4 strijkkwartetten

     15 andere kamermuziekwerken

- Meditationi sur Coeurs Désolés, voor blokfluit (dwarsfluit of hobo) en klavecimbel (piano), opus 67

     31 (series) liederen voor zangstem en piano of orkest

- Cantate Pastorale, teksten Plato en Augustinus van Canterbury, voor sopraan, blokfluit (fluit), kkavecimbel (piano) en cello, opus 92, 1956, overtuigend dramatisch werk

     10 (series) pianowerken

 

Frederick Loewe, (eerder: Fritz Löwe) (Berlijn, Duitsland, 10 juni 1901 – Palm Springs (Californië), 14 februari 1988) was de zoon van Edmond en Rosa Loewe uit Wenen. Zijn vader was een beroemde Joodse operettezanger. Als jong begon begon Frederick Loewe piano te spelen en begeleidde hij zijn vader als repetitor. Vanaf zijn 7de jaar begon hij liedjes te componeren. Op zijn 13de soleerde hij al op de piano bij de Berliner Philharmoniker.

In 1924 kreeg zijn vader een aanbod om in New York op te treden, Frederick ging met hem mee. De eerste musical die hij daar schreef was Salute to Spring en werd in 1937 uitgevoerd. Een jaar later haalde hij met de musical Great Lady Broadway.

Zijn grootste successen behaalde hij in samenwerking met tekstdichter A.J. Lerner.

Frederick Loewe componeerde

     10 musicals

- Brigadoon, 1947

- My fair lady, 1956, gebaseerd op het toneelstuk Pygmalion van George Bernard Shaw. Hoofdpersoon is de plat-Engels sprekende bloemenverkoopster Eliza Doolittle. Bekende song uit de 1ste akte: Would it be loverly, door Eliza en mannenkwartet.

- Gigi, 1973.

     7 filmscores

www.frederickloewe.org

 

Conrad Arthur Beck (Lohn, canton Schaffhausen, Zwitserland, 16 juni 1901 – Bazel, 31 oktober 1989) was de zoon van een dominee. Conrad Beck begon met een ingenieursstudie aan de Eidgenössische Technische Hochschule in Zürich, en nam daarbij privémuziekles bij Paul Müller-Zürich. Al gauw besloot hij zijn technische studie in te ruilen tegen een muziekstudie aan het Conservatorium Zürich. Daar studeerde hij bij Volkmar Andreae compositie, bij Reinhold Laquai contrapunt en bij Carl Baldegger piano. In 1924 verhuisde Conrad Beck naar Parijs, waar hij orkestratie studeerde bij Jacques Ibert. Daar had hij ook contact met Arthur Honegger, Nadia Boulanger en Albert Roussel. In 1934 ging Conrad Beck op aanraden van dirigent Paul Sacher, die 50 jaar lang Becks belangen behartigde en zorgde dat zijn werken werden uitgevoerd, weer in Bazel wonen. In 1939 werd Conrad Beck hoofd van de Muziekafdeling van Radio Basel. Hij bleef dat tot 1966.

Conrad Beck componeerde

     1 ballet

- La grande ourse (de grote beer) ballet in 5 scenes, libretto Chauveau), 1936

     1 festspiel

     1 theatermuziekwerk

     5 grote vocale werken met orkest

- Der Tod zu Basel, voor koor. solisten, verteller en orkest, 1952, over de aardbeving die Bazel trof in 1356

     4 werken voor zangstem en orkest of instrumentaal ensemble

     7 symfonieën

     7 concerten

     25 andere orkestwerken

     20 kamermuziekwerken

- Sonatina voor fluit en piano, 1960

     8 (series) pianowerken

     12 liederen voor zangstem en piano

 

Harry Partch (Oakland, Californië, Verenigde Staten, 24 juni 1901 – Encinitas, San Diego, Californië, 3 september 1974) was de zoon van Virgil Franklin Partch (1860–1919) en Jennie Childers (1863–1920), Presbyteriaanse zendelingen, vanaf 1888 werkzaam in China, waar ze in 1900 vanweg de Boxeropstand moesten wegvluchten. Het gezin vestigde zich in het plaatsje Benson in Arizona, waar Virgil Franklin aan het werk ging voor de immigratiedienst. De jonge Harry Partch groeide daar op met de muziek en liederen van de Yaqui-indinanen, de Mandarijnse liedjes, die zijn moeder voor hem zong en Spaanse liedjes van Zuidamerikaanse arbeiders. Zijn moeder stimuleerde de kinderen muziek te studeren en Harry Partch leerde al jong mandoline, viool, piano, hasrmonium en cornet spelen. Zijn moeder leerde hem muziek lezen. In 1913 verhuisde het gezin naar Albuquerque, New Mexico, waar Harry Partch serieus piano ging studeren. Al gauw vond hij werk als pianist bij het begeleiden van stomme films.

Vanaf zijn 14de componeerde hij voor piano.

In 1919 overleed zijn vader en verhuisde het gezin naar Los Angeles Daar kwam zijn moeder om bij een ongeluk met een handkar. In 1920 begon Harry Partch een studie aan de muziekschool van de Universiteit van ZuidCalifornië, maar ontevreden over het onderwijs trok hij in 1922 naar San Fransisco waar hij zelfstandig studeerde en componeerde. In 1923 ontdekte hij een vertaling van het boek "De leer van de toonwaarneming als fysiologische grondslag voor de muziektheorie" uit 1863 van natuurkundige Hermann von Helmholtz. Dat was een aanleiding voor Harry Partch om het gebruikelijke twaalftoons gelijkzwevende stemming system van de Westerse concertmuziekpraktijk te verwerpen. Harry Partch hield zich vanaf dat moment intensief bezig met de systematisering van microtonale toonschalen. Harry Partch ontwikkelde een 43-delige toonschaal. Met deze toonschaal was het mogelijk om volkomen zuiver te spelen Voor zijn monofone composities maakte hij veel zelfontworpen instrumenten met alternatieve toonschalen, gestemd in een 11-limiet rein geïntoneerde schaal. De instrumenten hadden namen als Chromelodeon, Quadrangularis Reversum, en Zymo-Xyl.

Harry Partch bedacht voor de relatie tussen de boventonen en de grondtoon de termen Otonaliteit: consonante tonen die veelvouden zijn van de grondtoon. Bijvoorbeeld: 4/1 is dezelfde noot als 4/2 en 4/4. 4/4 is gelijk aan 1/1; en Utonaliteit: consonante tonen die niet het veelvoud zijn van de grondtoon. Bijvoorbeeld 7/1, wat gelijk is aan 7/2 en 7/4 en 7/8, maar ongelijk is aan 7/7. Met andere woorden: de toon 7/1 heeft als primaire toon een andere toon dan zijn grondtoon.

Uit principe vernietigde Harry Partch al zijn niet monofone werken van voor 1930 in gelijkzwevende stemming.

Harry Partch kon geen kinderen krijgen en had meest relaties met mannen, het laatst met Danlee Mitchell.

Harry Partch beschreef de theorie en praktijk van zijn 43-delige toonschaal in zijn boek Genesis of a Music, 1947, herdruk 1974.

In 1970 werd de Harry Partch Foundation in het leven geroepen om de uitgaven en administratie van Harry Partch werkzaamheden onder te brengen en te verzorgen.

Harry Partch overleed in 1974 aan een hartaanval. Hij had Danlee Mitchell tot zijn erfgenaam benoemd en uitvoerend directeur van de Harry Partch Foundation.

Harry Partch componeerde

     24 muziek- en muziektehaterwerken

- Delusion of the Fury, 1969, muziektheaterwerk in 2 bedrijven voor zangers, mimespelers, dansers en musici, die het omvangrijkste nieuwgemaakte microtonale instrumentarium van al zijn werken moeten gebruiken. Het werk is een mengsel van een tragedie, gebasseerd op het Japanse no-theater en een klucht, geïnspireerd op een Ethiopische volksvertelling over gerechtigheid.

     8 filmscores

 

Gerald Raphael Finzi (Londen, Engeland, 14 juli 1901 – Oxford, 27 september 1956) was de zoon van John Abraham Finzi en Eliza Emma Everson. Gerald Finzi studeerde muziek aan de Christ Church, High Harrogate bij Ernest Farrar.  Voordat hij 18 jaar was, stierven zijn vader, drie broers en zijn leraar. Farrar verloor zijn leven op het slagveld van de Eerste Wereldoorlog in september 1918. Daarna studeerde Finzi privé in York Minster bij de organist en koordirigent Edward Bairstow. In 1922 verhuisde Gerald Finzi naar Painswick in Gloucestershire.

In 1930 werd Gerald Finzi, op voorspraak van Vaughan Williams docent aan Royal Academy of Music. Hij trouwde met de kunstenares Joyce Black en ging met haar in Aldbourne, Wiltshire wonen

In 1939 verhuisden de Finzis naar Ashmansworth, bij Newbury, waar hij de Newbury String Players oprichtte, een amateur kamerorkest, dat Gerald Finzi tot zijn dood zou leiden.

In de 2de wereldoorlog werkte Gerald Finzi voor het Minsiterie van Oorlogstransporten en huisvestte hij Tsjechische en Duitse vluchtelingen.

In 1951 werd bij Gerald Finzi de zieke van Hodgkin geconstateerd, waaraan hij vijf jaar later overleed.

Finzi’s zoon, Christopher, werd een bekende dirigent, die uitvoeringen van het werk van zijn vader breed heeft gestimuleerd.

Gerald Finzi componeerde

     16 orkestwerken

- A Severn Rhapsody

- klarinetconcert, 1949, zijn populairste werk

- celloconcert, zijn laatste grote werk

     11 werken voor koor, (solist)(en) en orkest

- Requiem da camera, voor bariton, koor en orkest, 1924, geschreven als aanklacht tegen de Eerste Wereldoorlog, waarin zijn leraar Ernest Farrar sneuvelde. Finzi was niet tevreden over het derde deel van het vierdelige werk, dat hij tijdens zijn leven nooit afmaakte.  In 1982 vond Philip Thomas het manuscript en met toestemming van Joyce Finzi maakte hij ook klaar  voor uitvoering.

     8 (series) werken voor zangstem en orkest

- Dies natalis, cyclus  op teksten van Thomas Traherne over de visie van een kind op de wereld;

     7 werken voor koor en piano

     5 koorwerken

     5 kamermuziekwerken

- Five Bagatelles, opus 23 voor klarinet en piano

     9 cycli liederen

- By Footpath and Stile, 1922, voor zangstem en strijkkwartet

- A Young Man’s Exhortation, voor zangstem en piano

- Earth and Air and Rain, voor zangstem en piano.

- Let Us Garlands Bring, 1942, op teksten van Shakespeare

1. Come away, come away, death

www.geraldfinzi.org

 

Ruth Crawford Seeger (geboren als Ruth Porter Crawford) (East Liverpool, Ohio, Verenigde Staten, 31 juli 1901 – Chevy Chase, Maryland, 18 november 1953) was het tweede kind van Methodist predikant Clark Crawford en Clara Graves Crawford. Nadat het gezin al verscheidene keren was verhuisd, vestigde het zich in 1912 in Jacksonville, Florida. Clark Crawford overleed daar in 1914 aan tuberculose. Clara Crawford probeerde de touwtjes aan elkaar te knopen door haar huis als kosthuis/pension open te stellen.

Ruth wilde ondertussen schrijfster of dichteres worden en speelde vanaf haar zesde jaar al piano. Vanaf 1913 had Ruth Crawford les van Bertha Foster aan de Muziekschool van Jacksonville en vanaf 1917 van Madame Valborg Collett. Vanaf 1918 streefde Ruth Crawford een carrière als pianiste en pianolerares na. Ook componeerde ze al voor piano.

In 1921 verhuisde Ruth Crawford naar Chicago en begon er een studie piano bij Heniot Levy en Louise Robyn aan het Amerikaans Conservatorium. Als gauw stapte ze over naar een studie compositie en muziektheorie bij Adolf Weidig en nam ze pianoprivélessen bij Djane Lavoie Herz.

In 1929 ging Ruth Crawford in New York wonen, waar ze compositie ging studeren bij Charles Seeger.

In 1930 was Ruth Crawford de eerste vrouw die een Guggenheim Stipendium kreeg, waarmee ze in Berlijn en Parijs kon studeren. Vanuit Europa bleef ze brieven wisselen met Charles Seeger. In 1932 trouwden Ruth Crawford en Charles Seeger.

In 1936 ging het gezin Seeger in Washington D.C. wonen, waar Charles Seeger aan het Archief van Amerikaanse Volkliederen in de Congresbibliotheek veel werk deed voor het bewaren en doorgeven van Amerikaanse volkmuziek.

Ruth Crawford Seeger maakte talloze arrangementen van Amerikaanse traditionele volksliederen.

Ruth Crawford Seeger overleed aan darmkanker. Haar zoon Pete Seeger (1918 - 2014) werd een bekende volkszanger en liedcomponist.

Ruth Crawford Seeger componeerde

     2 orkestwerken

     7 (series) kamermuziekwerken,

     8 (series) werken voor zangstem of koor en piano of  instrumenten

     14  (series) pianowerken

     10 omvangrijke verzamelingen Amerikaanse volksliedarrangementen  

 

Henri Fredien Tomasi (Marseille, Frankrijk 17 augustus 1901 – Parijs, 13 januari 1971) werd in de arbeiderswijk "La Belle de Mai" in Marseille geboren. Zijn vader Xavier Tomasi en zijn moeder Josephine Vincensi waren afkomstig uit La Casinca op Corsica. Toen Henri Fredien 5 jaar oud was, vertrok de familie naar Mazargues, een wijk van Marseille, waar zijn vader, een muziekliefhebber en amateurfluitist, bij de Franse PTT werkzaam was. Henri kreeg toen al les in muziektheorie. Op 7-jarige leeftijd kwam hij op het Conservatoire national à rayonnement régional "Pierre Barbizet" in Marseille.

Door het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog kon Henri Tomasi zijn studie niet direct aan het Parijse conservatorium voortzetten. Om in leven te blijven werkte hij als pianist in hotels, restaurants, bars en bioscopen.

Met een studiebeurs kon hij in 1921 aan het Conservatoire national supérieur de musique in Parijs verder studeren. Hij studeerde daar harmonie bij Charles Silver, orkestdirectie bij Philippe Gaubert en Vincent d'Indy, contrapunt bij Georges Caussade en compositie bij Paul Vidal.

Op 30 oktober 1929 trouwde hij met zangeres en actrice Odette Camp.

Tussen 1930 en 1935 was hij dirigent van het orkest van Radio-Colonial in Parijs. In de 1930-er jaren stichtte hij samen met Sergej Prokofjev, Arthur Honegger, Darius Milhaud en Francis Poulenc het ensemble "Triton" voor hedendaagse muziek.

Toen de Tweede Wereldoorlog begon, moest hij in dienst en werd hij kapelmeester in Villefranche-sur-Mer. In 1940 werd hij al weer uit de dienst ontslagen en dirigent van het Orchestre National de France.

In 1946 werd hij dirigent aan de opera van Monte Carlo. Tomasi overleed in januari 1971 in zijn appartement in de Parijse wijk Montmartre en hij werd in het familiegraf in Avignon naast zijn echtgenote begraven. Ter gelegenheid van zijn 100e verjaardag werden zijn stoffelijke resten in het graf van zijn grootouders in Penta-di-Casinca op Corsica bijgezet.

Henri Tomasi componeerde

     11 opera’s

     1 toneelmuziekwerk

     12 balletten

     50  (series) orkestwerken

     6 (series) werken voor harmonie-orkest

- Fanfares Liturgiques uit de opera "Don Juan de Mañara", voor koperblazers en slagwerk

1. Annonciation

2. Evangile

3. Apocalypse

4. Procession nocturne du Vendredi Saint

     Requiem "aux martyrs de la Résistance et à tous ceux qui sont morts pour la France", 1944.

     1 oratorium

     2 cantates

     10 (series) liederen voor zangstem en orkest

     20 kamermuziekwerken

     5 pianowerken

     8 filmscores

 

Rudolf Matz (Zagreb, Kroatië, 19 september 1901 – 22 maart 1988) studeerde aan de Muziekacademie Zagreb cello bij Umberto Fabbri, Jure Tkalčić en Vaclav Huml, en directie en compositie bij Blagoje Bersa. Hij gaf in Zagreb leiding aan een muzieksociëteit van 1919 tot 1936, aan het Zagreb kamerkoor van 1937 tot 1941 en aan het Zagreb jeugdkamerorkest van 1957 tot 1961. Verder trad hij veel als dirigent en cellist. Hij werd daar cellodocent in 1950 en bleef dat tot zijn pensioen in 1972. Rudolf Metz stelde een cellolescompendium samen van 32 delen. Rudolf Matz was getrouwd met pianiste, klaveciniste en muziekdocente Margita.

Rudolf and Margita Matz schonken hun huis en de inhoud daarvan aan de Mesnicka Straat 15 aan het Zagreb Stadsmuseum City Museum. In het huis is een collectie instrumenten en een muziekarchief te bezichtigen.

Rudolf Matz componeerde 500 werken, waaronder

     koorwerken

     kamermuziekwerken met cello

- Quatuor in d kleine terts voor cellokwartet, 1950, vioolachtige behandeling van de eerste cello. Het tweede deel van het vijfdelige werk: IntermezzoI is een dartel stukje

     6 liederencycli

     100 werken voor cello solo

 

Walther Gottlieb Aeschbacher (Bern, Zwitserland, 2 oktober 1901 – 6 december 1969) studeerde aan de Universiteit van Bern wiskunde, scheikunde, natuurkunde en muziekwetenschappen bij Ernst Kurth. Daarnaast studeerde hij aan het conservatorium cello, piano en harmonieleer. In 1921 Walther Aeschbacher naar de Toonkunstacademie in München, waar hij tot 1924 compositie en directie studeerde. Walther Aeschbacher ging na zijn studie in Bern aan het werk als muziekrecensent, muziekdocent en koordirigent. Meer dan dertig jaar dirigeerde hij concerten overal in Zwitserland.

Walther Aeschbacher componeerde ten minste 72 opusnummers

     orkestwerken

     werken voor solisten, koor en orkest

     kamermuziekwerken

- Strijkkwartet in a kleine terts, opus 32, met een dubbelfuga, die als hoofdthema het motief A-es-c-h-b-a-c-h-e(r) heeft.

     pianowerken

 

Simon (Szymon) Laks (Warschau, Polen, 1 november 1901 - 11 december 1983) was geboren als Russisch burger. Hij studeerde wiskunde in Vilnius en Warschau. In 1921 ging hij naar het conservatorium van Warschau. Hij werd Pools burger. In 1926 verliet hij Polen om in Wenen piano te gaan spelen bij de vertoning van stomme films.

Daarna studeerde hij tot 1929 aan het Conservatoire National in Parijs. Ondertussen sprak hij vloeiend Pools, Russisch, Frans, Duits en Engels. Hij werd een van de oprichters van de Vereniging voor Jonge Poolse Componisten in Parijs. In de dertiger jaren ontstond er een vruchtbare artistieke samenwerking met de zangeres Tola Korian. Simon Laks schreef liederen voor haar in het Pools en in het Frans.

In 1941, werd Simon Laks, Jood, gearresteerd door de Duitse bezetters en geïnterneerd in kamp Pithiviers, dichtbij Orléans. Hij werd naar Auschwitz gedeporteerd in juli 1942. Als muzikant werd hij beter behandeld dan de meeste gedeporteererden. Hij overleefde meer dan twee jaar het concentratiekamp als hoofd van het orkest. Na de oorlog schreef hij daar een boek over:

Kapelmeester van Auschwitz, muziek uit een andere wereld, Uitgeverij Elikser, ISBN 978 90 895 4292 2

28 October 1944 werd hij verhuisd naar  Dachau. Op 29 April 1945 werd het kamp bevrijd door de Amerikanen. Op 18 mei 1945 was hij terug in Parijs, waar hij, 82 jaar oud, overleed.

Simon Laks componeerde

     1 opera

     5 orkestwerken

     15 kamermuziekwerken

     3 pianowerken

     13 (series) werken voor zangstem en piano

 

Joaquín Rodrigo Vidre (Sagunto, Valencia, Spanje, 22 november 1901 ‒ Madrid, 6 juli 1999) was de jongste van tien kinderen van een koopmansfamilie. Rodrigo werd blind toen hij 3 jaar was, als gevolg van difterie. In 1906 vertrok de familie naar Valencia en aan de blindenschool aldaar kreeg hij zijn eerste muziekles. Na het horen van de opera Rigoletto van Giuseppe Verdi besloot hij componist te worden.

Van 1917 tot 1922 studeerde hij compositie bij Francisco Antich aan het Conservatorio Superior de Música "Joaquin Rodrigo" in Valencia. Zijn eerste werken schreef hij in 1922, twee jaar later werd zijn orkestwerk Juglares uitgevoerd.

In 1922 ging hij naar Duitsland om te studeren.

In 1927 ging hij naar Parijs, waar hij les kreeg van Paul Dukas en in contact kwam met Maurice Ravel en Manuel de Falla.

In 1933 trouwde hij met de Turkse pianiste Victoria Kamhi. Zijn zomerse huwelijksreis inspireerde hem tot het Concerto de Aranjuez. Zij kregen een dochter: Cecilia, die altijd kinderjurken droeg met belletjes, zodat haar vader haar kon terugvinden

In 1934 ging hij terug naar Spanje en kreeg de Conde de Cartagena. Nog één keer ging hij naar Frankrijk en studeerde aan het Nationale Conservatorium "Sorbonne" muziekgeschiedenis.

In 1939 kwam hij terug naar Madrid. Hij werd medewerker van de radio en later docent aan de Madrileense universiteit.

In 1960 werd hij in Parijs als Officier van de kunst en literatuur onderscheiden. In 1963 verkreeg hij de "Legión de Honor" van de Universiteit van Puerto Rico. In 1964 werd hij eredoctor van de Universiteit van Salamanca en in 1978 eredoctor van de Universiteit van Valencia. In 1991 werd Rodrigo door koning Juan Carlos I van Spanje in de adelstand verheven, en kreeg de titel Marques de los jardines de Aranjuez.

Joaquín Rodrigo componeerde

     24 orkestwerken

- Concierto de Aranjuez, voor gitaar en orkest, 1939,  zijn meesterwerk, het eerste concert voor klassiek gitaar en orkest, geïnspireerd door zijn huwelijksreis.

- Fantasia para un gentilhombre,  concerto voor gitaar en orkest, 1954, Rodrigo’s populairste werk ná het Concerto de Aranjuez. Speciaal geschreven voor Andres Segovia.

     6 werken voor harmonieorkest

     1 cantate

     1 oratorium

     2 zarzuela’s

     1 ballet

     1 toneelmuziek

     1 werk voor koor en orkest

     Ave Maria voor koor

     11 werken voor zangstem(men) met instrumenten of orkest

     1 kamermuziekwerk

     21 werken of series werken voor piano

- Cuatro Piezas para Piano (vier stukken voor piano), 1938

3. Plegaria de la Infanta de Castilla (gebed van de kasteelprinses), smekend, bij vlagen wanhopig, hartverscheurend slot.

     24 werken voor gitaar solo

- Tres Piezas Españolas (Fandango, Passacaglia, Zapateado), 1954; opgedragen aan Andrés Segovia)

- Invocación y danza (1961), hommage aan Manuel de Falla

     4 andere solowerken voor een instrument

     2 werken voor meerdere gitaren

www.joaquin-rodrigo.com

 

Dimitar Nenov (Razgrad, Bulgarije, 19 december 1901 – Sofia, 30 augustus 1953) studeerde aanvankelijk piano bij Andrej Stojanow. In 1920 ging Dimitar Nenov naar Dresden om daar architectuur te studeren aan de Technischen Hochschule. Tegelijk studeerde hij aan het conservatorium In Dresden piano bij Karl Fehling en muziektheorie en compositie bij Theodor Blumer en Paul Bitner. Van 1925 tot 1927 was Dimitar Nenov muzikaal leider van het Thea-Jolles-Ballett In 1927 kwam hij in Bulgarije terug en werd daar eerst architect bij het ministerie van Openbare Werken en van 1929 tot 1932 architect bij de spoorwegdirectie. Ondertussen studeerde hij piano bij Egon Petri in Zakopane in Polen en aan het conservatorium van Bologna. Vanaf 1930 werkte hij als pianodocent en institueerde een privéconservatorium in Sofia. In 1933 richtte hij mede de Eigentijdse Muzieksociëteit op, waarvan hij secretaris en penningmeester was. Dimitar Nenov werd vanaf 1943 pianodocent aan het conservatorium van Sofia. Onder zijn leerlingen waren Genko Genov, Svetla Protich, Lazar Nikolov en Trifon Silyanovski.

Na de Tweede wereldoorlog werd Dimitar Nenov door het nieuwe communistische regime van zijn functies ontheven, omdat hij pianocomposities van “Nazi”-componist Richard Wagner zou hebben uitgevoerd, maar de bevolking nam dat niet en door de publieke druk kon Dimitar Nenov terugkeren in zijn betrekkingen.

Vanwege haatcampagnes vanuit communistische “artistieke” kringen zijn er nauwelijks opnames van Dimitar Nenov bewaard gebleven en werd hij ook een vergeten componist.

Dimitar Nenov componeerde

     12 orkestwerken

- 1ste symfonie, 1922

- ballade, 1924

     4 orkestsuiten, 1925

- pianoconcert, 1936

     2 werken voor solisten, koor en orkest

     4 (seriers) liederen voor zangstem en orkest

     2 (series) liederen voor zangstem en piano

     1 kamermuziekwerk

     12 (series) pianowerken

- Cinema Suite, 1925, verrassend en geavanceerd

- Thema met Variaties,  1931

- Twee etudes, 1932;

- Toccata, 1939; zijn meest gespeelde, maar niet zijn beste pianowerk

- Dans, 1941;

- Miniaturen, 1945;

- Sprookje, 1946.

 

Gustaaf (Staf) Nees (Mechelen, België, 2 december 1901 – 25 januari 1965) studeerde te Mechelen aan het conservatorium en het Lemmensinstituut.

In 1924 werd hij aan het Lemmensinstituut tot docent benoemd. In 1932 volgde hij zijn leraar voor beiaard, Jef Denyn, op als stadsbeiaardier te Mechelen en in 1944 als directeur van de Beiaardschool. Onder zijn directeurschap verwierf de beiaardschool het predicaat "koninklijk" en verkreeg ze de oefenbeiaard in het torentje van Hof van Busleyden.

Daarnaast was Staf Nees werkzaam als organist, koordirigent en componist. Hij is de vader van componist en koordirigent Vic Nees.

Staf Nees componeerde

     3 muziektheaterwerken

     2  oratoria

- Simon Petrus, 1935

- Maria-oratorium, 1938.

     6 missen,

     60 motetten

- Te deum,

     3 cantates

     30 liederen

     44 werken voor beiaard,

     10 orgelwerken

     4 pianowerken,

 

Christian Victor Hely-Hutchinson (Kaapstad, Zuid Afrika, 26 december 1901 – St John’s Wood, Engeland, 11 maart 1947) was de zoon van Sir Walter Hely-Hutchinson, de gouverneur van Kaap de Goede Hoop van 1901 tot 1910 tijdens de Boerenoorlog. Hij kreeg pianoles van Dr Thomas Barrow Dowling (1861-1926), organist van de kathedraal in Kaapstad. Victor Hely-Hutchinson was een wonderkind, die zijn eerste composities schreef op tienjarige leeftijd. In Engeland, waar hij vanaf 1910 woonde kreeg hij pianoles van Donald Tovey. In 1914 overleed zijn vader. Victor Hely-Hutchinson studeerde directie aan de Royal College of Music bij Adrian Boult.

In 1922 keerde hij terug naar Kaapstad, waar hij docent werd aan het Zuidafrikaanse Muzieklyceum, dat later werd geïncorporeerd in de Universiteit Kaapstad.

Victor Hely-Hutchinson trouwde er met Marjorie Hugo.

In 1926 ging hij bij de BBC in Savoy Hill als dirigent, pianist en begeleider aan het werk. Hij verhuisde naar Hampstead, waar zijn twee zoons werden geboren. In 1933 verhuisde hij naar Birmingham, waar hij ook voor de BBC werkte.

In 1934 werd Victor Hely-Hutchinson Professor in Muziek aan de University of Birmingham. In 1944 kwam hij terug bij de BBC als Directeur Muziek. Hij verhuisde naar St John's Wood. Hij leerde nooit autorijden, maar deed altijd alles op de fiets.

In de strenge winter van 1947 vatte Victor Hely-Hutchinson een kou die uitliep op een longontstekeing. Hij stierf 11 maart 1947 op de jonge leeftijd van 45 jaar. Marjorie overleed in 1988. Astra Desmond zong tijdens zijn begrafenisdienst.

Victor Hely-Hutchinson componeerde

     14 toneelmuziekwerken

     8 orkestwerken

- Carol Symphony, 1927

     2 koorwerken

     7 werken voor koor en orkest of piano

     70 liederen of series liederen voor zangstem en piano

     3 pianowerken

     1 strijkkwartet