Componisten

vanaf 1902

 

Manning Sherwin (Philadelphia, Verenigde Staten, 4 januari 1902 – Los Angeles, 26 juli 1974) studeerde aan de Columbia University. In 1938 ging Manning Sherwin in Engeland wonen.

Manning Sherwin stierf in Los Angeles. Hij werd begraven op de Grand View Memorial Park Begraafplaats in Glendale, California.

Manning Sherwin componeerde

     musicals

- "Who's Taking You Home Tonight?",

- Sitting Pretty, met als belangrijk duet  "I'll Take a Little Time"

- Get A Load of This, 1941 

- Something in the Air, 1943

- Under the Counter, 1945

- The Kid From Stratford, 1948

- Her Excellency, 1949

     50 songs (onder andere in 35 filmscores)

- "A Nightingale Sang in Berkeley Square", 1940 tekst Eric Maschwitz, zijn bekendste compositie.

     1 filmscore

 

Maurice Duruflé (Louviers, Frankrijk, 11 januari 1902 - Louveciennes, 16 juni 1986) werd op 10-jarige leeftijd leerling aan de zangersschool van de kathedraal van Rouen. Hij studeerde er ook piano, orgel en muziektheorie. In 1919 verhuisde hij naar Parijs. Daar ging hij orgel studeren bij Charles Tournemire. Het Parijse conservatorium bezocht hij vanaf 1920. Hij studeerde er bij Paul Dukas en Louis Vierne en won er prijzen voor orgel, compositie, harmonieleer en fuga. In 1930 werd hij benoemd tot organist aan de Saint-Étienne-du-Mont in Parijs, vlakbij het Panthéon, waar hij tot 1975 in dienst zou blijven. In juni 1939 speelde hij de orgelpartij bij de wereldpremičre van het Orgelconcert van Francis Poulenc, diat hij op verzoek van de componist van registratieaanwijzingen voorzag. In 1943 werd Maurice Duruflé professor voor harmonieleer aan het conservatorium van Parijs.

Op 15 september 1953 trouwde hij met de organiste Marie-Madeleine Chevalier die zijn assistente was in de Saint-Étienne-du-Mont. Na hun huwelijk deelden ze de positie van organist in deze kerk. In 1964 en 1966 gingen ze samen op tournee door de Verenigde Staten.

Na een auto-ongeluk op 29 mei 1975 moest Maurice Duruflé stoppen met zijn werkzaamheden als organist. Maurice Duruflé herstelde nooit helemaal van dit ongeluk. In 1976 publiceerde hij zijn laatste werk, Notre Pčre voor a- cappellakoor.

Maurice Duruflé overleed in een ziekenhuis in Louveciennes in 1986.

Maurice Duruflé componeerde

     4 orkestwerken

     1 kamermuziekwerk

     4 werken voor koor (met begeleiding)

- Requiem, opus 9, voor solisten, koor, orkest, en orgel, 1947

- Quatre motets sur des thčmes grégoriens, opus 10,  voor koor a cappella, 1960

1. Ubi caritas

2. Tota pulchra est

3. Tu es Petrus

4. Tantum ergo

- Messe Cum jubilo opus 11 voor bariton, mannenkoor en orkest, 1966

- Notre Pčre opus 14 voor eenstemmig mannenkoor en orgel, 1977, in 1978 maakte Duruflé een versie voor 4-stemmig gemengd koor a cappella;

     10 (series) orgelwerken

- Suite op. 5 (1932), opgedragen aan Paul Dukas

Prélude

Sicilienne

Toccata

- Prélude et fugue sur le nom d'Alain opus 7 (1942)

     2 werken voor piano solo

     3 dansen voor piano vierhandig

     8 transcripties voor orkest of voor orgel

 

Sir William Turner Walton, O.M. (Oldham, Lancashire, 29 maart 1902 – Ischia, Ischia, 8 maart 1983) begon zijn carričre als een koorknaap in de Christ Church Cathedral in Oxford waarna hij daar aan de universiteit compositieleer bij Hugh Allen studeerde. William Walton verliet de universiteit vroegtijdig.

William Walton was bevriend met de Sitwell familie van wie veel leden literaire capaciteiten hadden. Met de toonzetting van gedichten van Edith Sitwell kwam Walton in de publieke belangstelling.

William Walton werd in 1951 verheven tot ridder en ontving de "Order of Merit" in 1968. Hij stierf in Ischia, Italië waar hij woonde.

William Walton componeerde

     2 opera’s

- The Bear,  “Extravaganza in één bedrijf", 1967, libretto Paul Dehn en William Walton zelf, gebaseerd op het gelijknamige toneelstuk van Anton Tsjechov.

     3 balletten

- The wise virgins; (naar Johann Sebastian Bach BWV 27, 85, 99 en 129), 1940, libretto naar het Nieuwe Testament (gelijkenis van de wijze en de dwaze meisjes), Bach in een overrompelende, onvervalst romantische orkestratie.

     3 muziekwerken bij theatervoorstellingen

     2 symfonieën

- Symfonie nr. 2, op verzoek van  de Royal Liverpool Philharmonic Society om in 1957 het 750-jarig bestaan van de stad Liverpool te vieren. Het werk was in 1960 af en werd toen ook uitgevoerd.

     5 concerten

- vioolconcert, 1939, opnieuw georkestreerd 1943, geschreven voor Jascha Heifetz, een briljant extravert werk.

- celloconcert, 1956, een werk waarin de cello volledig tot zijn recht komt, geschreven voor Gregor Platigorski.

     14 andere orkestwerken

- Spitfire Prelude and Fugue, 1942, samengesteld en gearrangeerd uit de muziek die Walton had gecomponeerd voor de film The First of the Few

- Partita, 1957, sterk werk

- Variations op een thema van Hindemith, 1963, het thema is genomen uit het tweede deel van het celloconcerto van Paul Hindemith uit 1940

     5 werken voor harmonieorkest

     7 werken voor (solostemmen), (koor) en orkest

- Façade: An Entertainment, voor spreekstem en kamerensemble, 1926, een serie gedichten van Edith Sitwell

     7 kamermuziekwerken

- Toccata in a kleine terts, 1923, voor viool en piano

     7 (series) werken voor zangstem en piano of/met andere instrumenten

- 3 liederen op gedichten van Edith Sitwell, voor zangstem en piano, 1932, gearrangeerd van Façade, 1926, voor speekstem en orkest

     2 werken voor cello

     12 werken voor piano

     3 werken voor orgel

     1 werk voor gitaar

     13 filmscores

- The First of the Few (in de Verenigde Staten Spitfire), 1942,  Britse zwartwit biografische film, regie Leslie Howard

 

Karl Pilß (Pilss), (Wenen, Oostenrijk, 4 april 1902 – 22 juni 1979) studeerde aan de Muziekacademie in Wenen van 1918 tot 1922 piano en muziektheorie bij Ferdinand Rebay en compositie bij Franz Schmidt. Daarna studeerde hij directie bij Robert Heger van 1924 tot 1927.  Van 1928 tot 1934 werkte hij als repetitor bij de Singakademie in Wenen. Vanaf 1932 werkte hij ook als assistent koordirigent bij Ferdinand Grossmann aan de Weense Staatsopera.

Hij doceerde ook piano en muziektheorie aan het Weense Volsconservatorium, dat Ferdinand Grossmann had opgericht. Van 1960 tot 1968 gaf hij les aan de Muziekacademie en was dirigent van verscheidene koren.

Karl Pilß componeerde 

     10 orkestwerken

     34 koorwerken

     85 (series) werken voor blaasinstrumenten

- Tre pezzi in forma di sonata, voor hoorn en piano

     andere kamermuziekwerken

     19 liederen

 

Hans Friedrich Micheelsen (Hennstedt, Dithmarsschen, Duitsland, 9 juni 1902 – Glüsing, bij Hennstedt, 23 november 1973) studeerde aanvankelijk voor onderwijzer. Hij kreeg in 1922 zijn eerste baan als organist in Brüttelkoog. Hij studeerde toen bij de Hamburgse kerkmusicus Max Bode.

In 1933 werd hij leerling van Paul Hindemith aan de Musikhochschule in Berlijn. Toen Hans Friedrich Micheelsen in 1938 terugkeerde naar Hamburg kreeg hij de leiding over de nieuwe ‘Landeskirchlichen Musikschule’.

Na de oorlog pakte hij zijn werk aan de kerkmuziekschool weer op. In 1954 werd zijn school opgenomen in de Hamburger Musikhochschule. Vanaf dat moment had Hans Friedrich Micheelsen de leiding over de nieuw ontstane kerkmuziekafdeling.

Hans Friedrich Micheelsen componeerde

     vocale kerkmuziek

     orgelmuziek

- Toccata over "Lobe den Herren"

     orkestwerken

     kamermuziekwerken.

 

Vissarion Yakovlevitsj Sjebalin (Shebalin) (Omsk, Rusland, 11 juni 1902 – 29 mei 1963) kwam uit een docentengezin. Vissarion Sjebalin studeerde aan de plaatselijke muziekschool en toen hij 20 jaar oud was en al verdienstelijk componeerde, reisde hij naar Moskou en studeerde daar in 1928 af bij Nikolai Mjaskovski.

Vissarion Sjebalin was lid van de Vereniging van Hedendaagse Muziek (ASM) en de ‘Lamm groep’ onder leiding van de docent Pavel Lamm van het Moskouse Conservatorium.

Vissarion Sjebalin werkte als muziekleraar in het conservatorium en in 1935 werd hij het hoofd van de compositieklas van de Gnessin Staatsacademie voor Muziek. Hij was één van de oprichters van de Bond van Sovjetcomponisten en voorzitter in 1941 en 1942. Tijdens de jaren 1942-48 was Vissarion Sjebalin directeur van het Moskouse Conservatorium en artistiek directeur van de Centrale Moskouse Muziekschool. Bekende studenten van Sjebalin zijn Tichon Chrennikov, Edison Denisov, Grigory Frid en Karen Chatsjatoerjan.

In 1948 werd hij door partijfunctionaris Andrej Zjdanov en op hetzelfde formalistenrijtje als Sjostakovitsj, Prokofjev, Chatsjatoerjan, Popov en Mjaskovski gezet. In 1951 mocht hij weer op het conservatorium van Moskou lesgeven.

In 1953 kreeg Shebalin een beroerte en een tweede in 1959 waarna hij niet meer kon spreken, maar nog wel componeren en pianospelen. hij slaagde er in zijn vijfde symfonie te voltooien. Hij overleed in 1963 aan een derde beroerte. Hij werd begraven op de Novodevichy begraafplaats naast zijn leraren en collega’s. Zijn zoon Dmitri (1930-2013) was 43 jaar violist in het Borodin Quartet (1953–1996).

Vissarion Sjebalin componeerde

     2 opera’s

     2 balletten

     8 theatermuziekwerken

     2 cantates

     6 symfonieën

     9 andere orkestwerken

     9 strijkkwartetten

     8 andere kamermuziekwerken

     8 (series) koorwerken

     14 (series) liederen

     4 pianowerken

     filmscores

     radioscores

 

Richard Charles Rodgers (Hammels Station, New York, 28 juni 1902 – New York, 30 december 1979) was de zoon van amateurpianist Dr. William Abrahams Rodgers en Mamie Levy en begon op zesjarige leeftijd met pianolessen. Hij studeerde muziek aan de Columbia-universiteit in New York City van 1919 tot 1921 en aan het Institute of Musical Arts, de voorganger van de Juilliard School of Music, van 1921 tot 1923.

Toen hij 16 jaar was leerde Richard Rodgers de tekstdichter en librettist Lorenz Hart kennen, met wie hij 25 jaar zou samenwerken. Hart wilde het niveau van de liedteksten verhogen en schreef ondoorgrondelijk-humoristische teksten, gedeeltelijk sarcastische verzen, die hij meestal gemakkelijk uit het hoofd opschreef. Hun eerste gezamenlijke werk was het lied Any old place with you (1919). Naast de musical Poor little Ritz Girl kwamen er ook revues tot stand, onder andere Garrick Gaieties (1925). Tot het overlijden van Hart in 1943 ontstonden rond 30 musicals.

Tijdens de Grote Depressie werkte het duo met succes in Hollywood.

Nog productiever was de samenwerking met de tekstdichter en librettist Oscar Hammerstein II. De samenwerking vond door het overlijden van Oscar Hammerstein II een einde.

In 1930, trouwde Richard Rogers met Dorothy Belle Feiner. Hun dochter Mary Rodgers werd ook componiste, schreef onder andere Once Upon a Mattress en is auteur van een kinderboek.

Richard Rodgers componeerde

     37 musicals

- Oklahoma! (1943), libretto Oscar Hammerstein II;

- Caroussel (1945), libretto Oscar Hammerstein II; met onder meer het lied “You’ll never walk alone

- South Pacific (1949), libretto Oscar Hammerstein II;

- The King and I (1951), libretto Oscar Hammerstein II;

- The Sound of Music (1959), libretto Oscar Hammerstein II;

     3 revues

     10 filmscores

     1500 liederen

- “I wish I were in love again” (Lorenz Hart)

- My funny Valentine (Lorenz Hart) uit de musical Babes in arms, 1937

- “The Lady is a Tramp” (Lorenz Hart)

     2 werken voor orkest

     8 werken voor hamonieorkest

     2 balletten

 

Hans Helmuth Chemin-Petit (Potsdam, Duitsland, 24 juli 1902 – Berlijn, 12 april 1981) was een zoon van Hans Chemin-Petit de Oudere, dirigent en componist, en een concertzangeres, een Franse emigrantenfamilie. Hans Chemin-Petit studeerde van 1920 tot 1926 aan de Musikhochschule Berlin cello bij Hugo Becker en compositie bij Paul Juon. Eenmaal afgestudeerd werkte hij als cellist en componist.

Na de machtsovername door de Nationaal Socialisten werkte hij gehoorzaam (zelfs met overtuiging?) aan de Nationaal Socialistische doelstellingen en organisaties mee. In 1936 werd Hans Chemin-Petit docent aan de muziekhogeschool Berlijn. Tegen het eind van de Tweede Wereldoorlog was hij vanaf december 1944 lid van de Duitse Volkssturm. In 1945 werd hij weer aan de Muziekhogeschool Berlijn benoemd als leraar muziektheorie, compositie en koordirectie. Van 1965 tot zijn pensioen in 1969 was hij er onderdirecteur. Zijn dochter Jeanette was blokfluitiste en muziekdocent in Berlijn

Hans Chemin-Petit componeerde

     4 opera’s

- "König Nicolo", 1959,

- "Die Komödiantin", 1965

     6 theatermuziekwerken

     17 orkestwerken

- Concert voor blokfluit, klavecimbel, strijkorkest en slagwerk, 1973

     14 werken voor koor en orkest of instrumenten

     37 werken voor koor a cappella

     17(series)  werken voor zangstem en orkest of instrumenten

     12 (series) liederen voor zangstem en piano

     15 kamermuziekwerken

- Sonata in d kleine terts voor altblokfluit en orgel, 1964

     4 orgelwerkjes

     4 pianowerken

     2 werken voor blokfluit solo 

www.cheminpetit.de

 

Stefan Wolpe (Berlijn, 25 augustus 1902 – New York City, 4 april 1972) ging op veertienjarige leeftijd studeren aan het Klindworth-Scharwenka-conservatorium in Berlijn en studeerde daarna (1920-1921) aan de Muziekhogeschool in dezelfde stad onder anderen bij Franz Schreker en Ferruccio Bussoni.

Toen de Nazi's aan de macht kwam in Duitsland, vluchtte Wolpe in 1933 en 1934 via Oostenrijk, waar hij nog les kreeg van Anton Webern, Roemenië en Rusland naar Palestina (destijds een Brits mandaat). Hij bleef daar tot 1938 en schreef een aantal eenvoudige composities speciaal voor Kibboets. Hij gaf een aantal jaren les aan het conservatorium in Jeruzalem.

Uiteindelijk vertrok Wolpe in 1938 naar de Verenigde Staten, New York City. Wolpe kreeg een aanstelling als Directeur Muziek aan het Black Mountain College; een functie die hij bekleedde van 1952 tot 1956.

In 1952 trouwde hij met dichteres Hilda Auerbach.

Op latere leeftijd werd hij slachtoffer van de Ziekte van Parkinson en overleed in 1972.

Stefan Wolpe componeerde

     3 opera’s

- Zeus und Elida: A Musical Grotesque, 1928

     2 orkestwerken

     13 kamermuziekwerken

     17 werken voor zangsten (en instrument(en))

     13 pianowerken of series pianowerken

 

Jenő Takács (Siegendorf, Burgenland, Oostenrijk, maar toen Cinfalva, Hongarije, 25 september 1902 – Eisenstadt, 14 november 2005) kreeg in 1914 zijn eerste pianolessen in Sopron. Van 1921 tot 1926 studeerde Jenő Takács aan de Akademie für Musik und darstellende Kunst in Wenen compositie bij Joseph Marx en piano bij Paul Weingarten, en aan de Universiteit van Wenen contrapunt bij Hans Gál en musicologie bij Guido Adler.

Van 1927 tot 1932 was hij pianodocent aan het Conservatorium van Cairo in Egypte. Hij deed daar uitgebreid onderzoek naar Egyptische en Arabische muziek en trouwde in 1927 met Gertrude Christy. Het huwelijk duurde tot 1937 en eindigde in een scheiding. Van 1932 tot 1934 was hij docent piano en compositie aan de Universiteit van Manilla in de Filippijnen. Ook naar de muziek van de oorspronkelijke Filippijnse bevolking deed Takács onderzoek. Van 1934 tot 1937 werkte hij weer aan het Conservatorium van Cairo. In 1938 was hij even in de Verenigde Staten en in 1939 ging hij in Sopron in Hongarije bij zijn ouders wonen, omdat hij zich niet kon verenigen met het nazistische cultuurbeleid in Oostenrijk.

In Hongarije werkte hij als eerst als muziekleraar aan de muziekschool in Szombathely. Van 1942 tot 1948 was hij directeur van het conservatorium in Pécs. In 1943 trouwde Jenő Takács met Eva Pasteiner.

In 1948 of 1949 verliet hij het communistisch geworden Hongarije en kwam via Zwitserland en Italië terug in Oostenrijk, in Grundlsee in Stiermarken. Van 1952 tot 1968 was hij pianodocent aan het College Conservatorium van de Universiteit van Cincinnati in Ohio, Verenigde Staten. Na zijn emeritaat daar keerde hij terug naar Siegendorf, waar hij tot zijn dood bleef. In 1962 was hij in Siegendorf al uitgeroepen tot ereburger. Jenő Takács overleed op 103-jarige leeftijd in het ziekenhuis van de Barmhartige Broeders in Eisenstadt. Sinds 1999 is er in in Szentgotthárd (West Hongarije) een “Takács Jenő Zeneiskola” (Jenö Takács Muziekschool), en vanaf 2001 ook een in Rechnitz (Burgenland). In 2008 werd er een Jenö Takács Stichting, gevormd, die ook de website onderhoudt.

Jenő Takács componeerde

     3 balletten

     2 theatermuziekwerken

     12 concerten

     23 (series) andere orkestwerken

     4 (series) werken voor harmonie–orkest

     1 werk voor koor en orkest

     19 (series)koorwerken voor koor a cappella of met orgel, piano of andere instrumenten

     5 werken voor blaasensemble

     60 (series) kamermuziekwerken

- Two Fantastics, voor altsaxofoon en piano, opus 88, 1967, prachtig werk.

     8 series liederen

     2 (series) orgelwerken

     40 (series) pianowerken

     7 werken voor piano vierhandig of twee piano’s

     4 werken voor een ander solo–instrument

     6 (series) accordeonwerken 

www.takacsjeno.com

 

Miroslav Ponc (Vysoké Mýto, Tsjechië, 2 december 1902 – Praag, 1 april 1976) studeerde aanvankelijk op de muziekschool in Pardubice en daarna aan het Conservatorium in Praag bij Josef Suk en piano en orgel aan het Stern Conservatorium in Berlijn. Bij Alois Haba studeerde hij in Berlijn en in Praag compositie en kwarttoontechnieken. Aan de universiteit van Berlijn studeerde hij akoestiek en etnomusicologie.

In 1932 ging hij weer in Praag wonen In 1945 vormde hij daar een blijvend orkest aan het Staatstheater.

Hij werkte daar als dirigent en componist. Miroslav Ponc was getrouwd met actrive Ludmila Skleničková.

Miroslav Ponc componeerde

     100 theatermuziekwerken

- Les Mariés de la Tour Eiffel (Svatebčané na Eiffelce), opus 11, 1926, een vervreemdend satirisch ballet bij een toneelstuk van Jean Cocteau met twee sprekers, een kwarttoons piano, een kwartoons harmonium, percussie en vijf diatonische instrumenten. In 1931 werkte Miroslav Ponc de muziek om tot een concertsuite.

     balletten

     orkestwerken

     kamermuziek

- 5 polydynamických skladeb (Polydynamische Composities) voor klarinet, xylofoon en strijkkwintet, 1923

- Vijf kleine stukken voor cello en piano, 1928

     pianowerken

- 7 Cheerful actostocs, opus 12

     liederen

     300 radioscores

     filmscores

 

Hector Nicolaas Constant Marinus (Sumatra, 1902 – Wassenaar, 1952) werd geboren op Sumatra, maar bezocht in Nederland het gymnasium. Vervolgens ging hij rechten studeren; daarnaast had hij pianoles bij onder andere Dirk Schäfer en Leopold Podolsky. Pas in 1937 nam hij lessen compositie bij Franz Schmidt in Wenen, en in 1938 instumentratieles bij Sem Dresden in Den Haag.

Als autodidact componeerde hij sinds 1922 werken met exotische elementen, geďnspireerd door Debussy en Ravel, en uit de eerste hand door de muziek uit zijn geboorteland dat hij in 1930 bezocht. Het zoeken naar een synthese tussen oosterse en westerse muziek was een constante in zijn oeuvre.

Hector Marinus componeerde

     werken voor piano

- Suite javanaise (1922-1929)

- Preludes javanaise. Deze stukken suggereren in hoge mate het Javaanse gamelanspel en doen denken aan Gnossiennes van Erik Satie.

     concerten

- Vioolconcert (1933)

- Concertino voor piano en orkest

 

Berthold Goldschmidt (Hamburg, 18 januari 1903 – Londen, 17 oktober 1996) studeerde aan de aan de universiteit van Hamburg filosofie. In Hamburg werd hij door de Italiaanse componist Ferruccio Bussoni aangemoedigd muziek te gaan componeren. In 1922 stapte hij daarom over naar de Hochschule für Musik in Berlijn en studeerde bij Franz Schreker compositie.

Van 1926-1927 werkte hij als koorrepetitor aan het Landestheater in Dessau en aan de Berliner Staatsoper.

Van 1927-1929 was hij kapelmeester aan het Landestheater in Darmstadt en vanaf 1931 gastdirigent van het filharmonisch orkest van Sint-Petersburg.

Door de opkomst van het radio-orkest kreeg hij werk als radiodirigent in Berlijn, en was hij tot 1933 artistiek adviseur van de Städtische Oper Berlin-Charlottenburg. Door de nazi’s werd zijn muziek veroordeeld als “gedegenereerd”. Vanaf 1933 mocht zijn werk niet meer uitgevoerd worden, en mocht Berthold Goldschmidt niet meer dirigeren. Hij bleef in leven door het geven van pianolessen, tot hij in 1935 naar Engeland emigreerde.

Gedrurende de Tweede Wereldoorlg werkte Berthold Goldschmidt voor de BBC. Tot zijn dood op 93-jarige leeftijd is hij in Engeland als componist en dirigent werkzaam geweest. Samen met Deryck Cooke zorgde hij in 1964 voor een uitvoeringswaardige 10de symfonie van Gustav Mahler.

Berthold Goldschmidt componeerde

     2 opera’s

     16 orkestwerken

     14 kamermuziekwerken

     13 werken voor zangstem en piano of orkest

     2 koorwerken

     7 pianowerken

 

Robin Milford (Oxford, Engeland, 22 januari 1903 – 29 december 1959) was de zoon van Sir Humphrey Milford, uitgever bij de muziekafdeling van de Oxford University Press. Op de Rugby School werd het muzikale talent van Robin Milford ontdekt en kreeg hij les in piano, orgel, fluit en muziektheorie. Hij studeerde van 1921 tot 1926 aan het Royal College of Music compositie bij Gustav Holst en Ralph Vaughan Williams, harmonieleer en contrapunt bij Reginald Owen Morris en orgel.

In 1927 trouwde Robin Milford. Om rond te kunnen komen werkte hij als Duo-Art pianolarollencontroleur bij de Aeolian Company en gaf hij in deeltijd les aan de Ludgrove School en de Downe House School. In 1929 ontmoette hij collega componist Gerald Finzi, met wie hij levenslang bevriend zou blijven.

Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog nam Robin Milford vrijwillig dienst in het leger, hij werd geplaatst bij de genie. Al na een week aan het front kreeg hij een zware zenuwinzinking, werd hij uit het leger ontslagen en na een medische behandeling verhuisde het gezin Guernsey. Zijn depressies gingen er niet op vooruit, toen zijn moeder in 1940 overleed. Nadat hij terugkeerde naar Engeland om het lesgeven en componeren weer op te pakken, werd zijn vijfjarig zoontje Barnaby gedood bij een verkeersongeluk. Zijn verdriet na deze tragedie dreef hem er toe te proberen om zelfmoord te plegen. Dat mislukte, waarna hij in een ziekenhuis werd opgenomen, en het daar nog een keer probeerde. Dat mislukte weer, ze wisten hem min of meer te genezen en in 1946 nam hij zijn les- en compositietaken weer op.

Het leven bleef problematisch voor hem. Het overlijden van zijn vader in 1952, van zijn vriend Gerald Finzi in 1956 en zijn leraar Ralph Vaughan Williams in 1958 grepen hem diep aan. Hij overleed uiteindelijk aan een overdosis aspirine in december 1959.

Robin Milford componeerde

     36 orkestwerken

     76 koorwerken

     23 kamermuziekwerken

- Kerstpastorale voor altblokfluit en piano, opus 111, 1957

     54 liederen

     22 orgelwerken

     18 pianowerken

 

Lennox Randal Francis Berkeley (Melfort Cottage, Boar’s Hill, bij Oxford, 12 mei 1903 – Londen, 26 december 1989) was de zoon van Captain Hastings George Fitz Hardinge Berkeley en Aline Carla Berkeley Harris. Lennox Berkeley studeerde moderne talen en orgel aan de Universiteit van Oxford In Oxford maakte hij kennis met Maurice Ravel, die hem het advies gaf en aanspoorde in Parijs te gaan studeren bij Nadia Boulanger.

In 1927 vertrok Lennox Berkeley naar Parijs. Hij vervolgde zijn studie bij Nadia Boulanger en maakte kennis met Francis Poulenc, Igor Stravinsky, Darius Milhaud, Arthur Honegger en Albert Roussel. In 1928 begeleidde hij Maurice Ravel op zijn reis door Engeland. In deze periode besloot hij katholiek te worden. In 1932 voltooide Lennox Berkeley zijn studies bij Nadia Boulanger . Aansluitend vertrok hij samen met zijn moeder naar de Riviera.

In 1935 keerde hij terug naar Engeland en vestigde zich in Londen. In 1942 werd zijn huis in Londen platgebombardeerd, waarbij de partituren van zijn vroege werken werden vernietigd. In december 1946 trouwde Lennox Berkeley met Elizabeth Freda Bernstein.

Van 1946 tot 1968 was hij professor voor compositie aan de Royal Academy of Music. Hij overleed in 1989 in Londen in het Charles Hospital, Ladbrokc Grove aan de gevolgen van de ziekte van Alzheimer.

Zijn zoon Michael Berkeley werd ook componist.

Lennox Berkeley componeerde

     5 opera’s

     1 ballet

     4 theatermuziekwerken

     3 symfonieën

     11 concerten

- Concerto, voor fluit en kamerorkest, opus 36, 1952;

     27 andere orkestwerken

     9 werken voor koor en orkest

     10 werken voor koor en orgel

     3 werken voor solostemmen en orkest

- Stabat Mater, opus 28, voor twee sopranen, alt, tenor, twee bassen en twaalf instrumenten, 1948, geschreven in opdracht van Benjamin Britten.

     16 koorwerken a cappella

- Justorum animae, opus 60/2 voor gemengd koor a  capella, 1963, tekst Wijsheid, hoofdstuk 3

- Mis voor vijf stemmen, opus 64, voor koor a capella: twee sopraanstemmen, alt , tenor en bassen, 1964

- Judica me, opus 96/1, voor koor a capella: twee sopraanstemmen, alt , tenor en bassen, 1978

     45 kamermuziekwerken

- Sonatina voor altblokfluit (of dwarsfluit) en piano, opus 13, 1939

     22 (series) liederen

- Five Poems opus 53, 1958, op teksten van Wystan Hugh Auden

nr. 4 Eyes look into the well     

     4 werken voor orgel

     28 werken voor piano

     1 werk voor klavecimbel

     3 werken voor gitaar

     5 werken voor een ander soloinstrument

     5 filmscores

www.lennoxberkeley.org.uk

 

Jerzy Fitelberg (Warschau, Polen, 20 mei 1903 – New York City, Verenigde Staten, 25 april 1951) was de zoon van dirigent en componist Grzegorz Fitelberg.  Jerzy Fitelberg kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn vader, die hem al jong als slagwerker liet meespelen in het orkest van het Nationale Theater in Warschau. Daarna studeerde hij in Moskou en van 1922–1926 bij Walter Gmeindl en Franz Schreker aan de Kunstuniversiteit van Berlijn. In 1927 maakte Jerzy Fitelberg naam door Arthur Sullivans opera The Mikado te herorkestreren voor Erik Charells operette-revue In het Grosses Schauspielhaus in Berlijn.

Hij probeerde op tijd aan de Nazi’s te ontsnappen en reisde in 1933 daarom naar Parijs. 15 mei 1940 emigreerde hij naar New York in de Verenigde Staten. 26 mei 1947 kreeg hij het Amerikaanse staatsburgerschap. Tot zijn dood woonde hij op 244 West 72nd Street in New York City. Zijn manuscripten worden bewaard op de muziekafdeling van de Openbare Bibliotheek voor Uitvoerende Kunsten van New York.

Jerzy Fitelberg componeerde

     1 opera

     20 orkestwerken

     1 koorwerk

     20 kamermuziekwerken

- Strijkkwartet nr. 1, begint met een kordaat Presto, dat overgaat in het melancholieke Meno mosso. Mooi.

- Strijkkwartet nr. 2 , 1931

- Sonatine voor 2 violen, 1935, entertainment, jazz en atonaliteit

- Nachtmuziek, 1944, voor klarinet, cello en celesta, zo mooi dat het pijn doet.

     1 serie pianowerken 

 

Percy William Whitlock (Chatham, Kent, Engeland,1 juni 1903 – 1 mei 1946) was student bij Vaughan Williams aan het Royal College of Music in Londen

Van 1921 tot 1930 was Percy Whitlock assistant-organist aan de Rochester Cathedral in Kent. Van 1930 tot 1935 was hij muziekdirecteur aan de St Stephen’s Church in Bournemouth en stadsorganist daar.

Ná 1935 werkte hij volledig voor het Pavilion Theatre in Bournemouth. Met het Bournemouth Municipal Orchestra verzorgde Percy Whitlock talloze BBC radioproducties. Vanaf zijn twintigste sukkelde Percy Whitlock met tuberculose en leed hij aan hoge bloeddruk. Hij overleed dan ook al op 42-jarige leeftijd.

Percy Whitlock componeerde

     14 orkestwerken

- Symfonie in g kleine terts voor orgel en orkest, 1937

     7 koorwerken

- Service in G grote terts

     20 (series) orgelwerken 

- Five Short Pieces, 1929

- Four Extemporisations, 1933

- Seven Sketches on Verses of the Psalms, 1934

- Plymouth Suite, 1939, zijn meesterwerk

- Divertimento

     1 (series) klavecimbelwerken

www.percywhitlock.org.uk

 

Aram Iljitsj Chatsjatoerjan (Katsjatoerian) (nabij Tiflis (Tbilisi), Georgië, 6 juni 1903 ‒ Moskou, 1 mei 1978) werd geboren in een arme Armeense boekbindersfamilie. Aram Chatsjatoerjan was al vroeg gefascineerd door de Armeense, Georgische en Azerbeidzjaanse volksmuziek in zijn omgeving. Gedurende zijn schooltijd speelde hij tenorhoorn. Op negentienjarige leeftijd verhuisde hij naar Moskou om er biologie aan de Staatsuniversiteit van Moskou te studeren. Na enkele maanden stapte hij over naar het instituut voor muziekpedagogie "Gnessin" (nu: Gnessin Staats Academie voor Muziek), waar hij zich voor cello inschreef. Na drie jaar stapte hij nog een keer over, ditmaal naar de compositieklas en nog een jaar later ging hij naar het Moskou Conservatorium P. I. Tsjaikovski, waar hij les kreeg van Nikolaj Mjaskovski en Michael Gnessin. In 1933 beëindigde Chatsjatoerjan zijn studie en trouwde hij met zijn medestudente Nina Makarova.

In 1948 werd Chatsjatoerjan door de zogenaamde Zjdanov-resolutie van modernisme en burgerlijke decadentie beschuldigd. Vanwege de dreigende implicaties voelde Chatsjatoerjan zich genoodzaakt zich in het tijdschrift Sovjetskaja Musik te verontschuldigen, waardoor erger werd voorkomen. Toch moet genoemde aantijging hem innerlijk diep geraakt hebben: na de dood van Stalin trok hij openlijk stelling tegen de bureaucratische bevoogding die volgens hem het artistieke creatieve proces tot het niveau van ambtelijke besluitvorming degradeerde.

Vanaf 1950 dirigeerde hij -naast zijn werkzaamheden als componist- in binnen- en buitenlandconcerten, vooral met eigen werk. In 1951 werd hij hoogleraar voor compositie aan het Moskouse Conservatorium P. I. Tsjaikovski en aan de Gnessin Staats Academie voor Muziek. Hij was jarenlang lid van het organisatiecomité van de Sovjet-Russische componistenvereniging.

Aram Chatsjatoerjan componeerde

     18 theatermuziekwerken

- toneelmuziek voor Michail Joerjevitsj Lermontovs drama "Masquerada", 1941

     3 balletten

- Gajaneh, ballet in 4 aktes en een epiloog, 1942, libretto Konstantin Dersjawin (met name de Sabeldans is erg bekend)

- Spartacus, ballet in 4 aktes, 1956, libretto Nikolaj Volkov naar de geschiedenis van Rome (het adagio werd gebruikt als thema bij de televisieserie The Onedin Line)

     3 symphonieën

     6 concerten

- Pianoconcerto in Des grote terts, opus 38, 1936, geschreven voor Lev Oborin, krachtige mix van Armeense volksliederen, Kaukasische dansen en Russische invloeden, met in het orkest in het tweede deel van het driedelige concerto: Andante con anima een flexatone, een soort zingende zaag met klepeltjes.

- vioolconcert in de kleine terts,1940, reflecteert de 20ste eeuw, maar oude Armeense ritmes en melodieën erin verwerkt; ingebakken polarisatie. Toen Jean-Pierre Rampal Aram Chatsjatoerjan vroeg  om een fluitconcert, stelde Aram Chatsjatoerjan voor zijn vioolconcert voor fluit te arrangeren. Jean-Pierre Rampal heeft dat arrangement in 1968 zelf gemaakt en sinds die tijd gaat het als het "fluitconcert" van Aram Chatsjatoerjan door het leven.

- celloconcert,1946

- Concert-Rapsodie voor piano en orkest, 1968

     12 orkestsuites

- Suite uit de opera Spartacus nr. 1, 1955

- Suite uit de opera Spartacus nr. 2, 1955

- Suite uit de opera Spartacus nr. 3, 1955

     10 werken voor harmonie-orkest

     7 andere orkestwerken

     1 cantate

     2 werken voor koor en orkest

     2 werken voor zangstem(men) en orkest

     11 kamermuziekwerken

- Trio voor klarinet, viool en piano, 1932

     4 werken voor een ander instrument solo

- Sonata-Monologue voor onbegeleide viool, 1975, Armeense volksmelodiek

     17 (series) werk voor piano

- Suite, 1932, met de delen: Toccata, Wals-caprice, Dans

     17 filmscores

 

Mario Pilati (Napels, Italië 2 juni 1903 – 10 december 1938) ging op zijn 15de naar het Conservatoiro di Musica San Pietro a Majella en studeerde daar bij Antonio Savasta. Op zijn 20ste studeerde hij er cum laude af en werd leraar muziekgeschiedenis en compositie aan het lyceum in Cagliari op Sardinië. In 1925 ging hij op advies van Ildebrando Pizzetti naar Milaan, waar hij werkte als docent, muziekrecensent en arrangeur voor uitgeverij Casa Ricordi. In 1930 kwam hij terug in Napels, waar hij docent contrapunt en harmonieleer aan het conservatorium werd. In 1933 ging hij aan het werk aan het conservatorium Palermo. In 1938 kwam hij weer in Napels terug. Hij werd er ziek en overleed net voor het uitbreken van de Tweede wereldoorlog. Omdat in de Tweede Wereldoorlog Uitgeverij Ricordi aardig platgebombardeerd werd, is nogal wat van zijn werk verloren gegaan.

Mario Pilati componeerde

     1 opera

     6 orkestwerken

     4 werken voor koor en orkest

     8 kamermuziekwerken

- Sonata voor fluit en pianoforte, 1926, in 1950 teruggevonden, in 1955 voor het eerst gepubliceerd. Mooi werk

     15 (series) werken voor zangstem en piano of orkest

     9 (series) pianowerken

www.mariopilati.net

 

Vladimir Dukelski (Parfianovka (nabij Pskov), Rusland, 10 oktober 1903 – Santa Monica (Californië), 16 januari 1969), bekend onder de naam Vernon Duke.

Vernon Duke kreeg zijn muzikale opleiding aan de conservatoria van Moskou en Kiev bij onder meer Reinhold Gličre en Marian Dombrovsky. Op de vlucht voor de bolsjewieken kwam hij in 1920 in Constantinopel aan en vandaar uit vluchtte de familie naar New York City. Hij studeerde er orkestratie Joseph Schillinger en werd Amerikaans staatburger in 1936. George Gershwin raadde hem de naam Vernon Duke aan voor zijn lichte muziek. Hij was ondertussen namelijk onder leiding van en met Ira Gershwin met lichte muziek voor Broadway shows begonnen. In 1948 richtte hij de Society for Forgotten Music op.

Vernon Duke componeerde

     concerten

     3 balletten

     2 opera’s

     1 operette

     13 musicals

- Cabin in the Sky,  musical, libretto J.T. Latouche; L. Root, 1940, voor een volledig “zwarte” cast, zijn populairste werk

     1 theatermuziekwerk

     kamermuziek

     pianowerken

     12 series liederen voor zangstem en piano (orkest)

     1 oratorium

     1 cantate

     4 werken voor angstem(men), koor en orkest

     3 symfonieën

     3 concerten 

     2 andere orkestwerken

     8 kamermuziekwerken

     12 pianowerken

     talloze songs

- April in Paris,

- Autumn in New York,

- I can’t get started

- Taking a Chance on love.

     3 fimscores

 

Claude Arrieu (pseudoniem voor Louise-Marie Simon, Parijs, Frankrijk, 30 november 1903 - 7 maart 1990) was de dochter van pianiste en componiste Cécile Simon. Ze ontwikkelde al op heel jonge leeftijd een grote belangstelling voor alle klassieke muziek. Omdat ze graag pianovirtuose wilde worden ging ze in 1924 naar het Conservatoire de Paris, waar ze pianoles kreeg van Marguerite Long en de andere vakken van Georges Caussade, Noël Gallon, Jean Roger-Ducasse en Paul Dukas. Tussen 1929 en 1933 gaf ze zelf les in harmonieleer, contrapunt en compositie. In 1932 kreeg ze de eerste prijs voor compositie.

Bij het huwelijk van Claire Delbos met Olivier Messiaen was Claude Arrieu bruidsmeisje.

In 1935 kwam ze in dienst bij de Franse Radio Omroep, waar ze tot 1947 aan het werk bleef. Ze verzorgde diverse radioprogramma’s en schreef ook radioscores.

Claude Arrieu componeerde

     9 opera’s

     3 balletten

     12 theatermuziekwerken

     2 oratoria

     2 cantates

     7 concerten

     2 andere orkestwerken

     9 kamermuziekwerken

- Sonatine voor fluit en piano, 1944

     koorwerken

     (series) liederen

     30 filmscores

     40 radioscores

 

Johannes (Jan) Hermannus Ignatius Maria Nieland (Amsterdam, 1903 – Naarden, 1963) studeerde orgel en piano bij J.B. de Pauw en compositie bij Sem Dresden aan het Amsterdamse Conservatorium en behaalde er de Prix d'Excellence voor orgel in 1924. In dat zelfde jaar werd hij organist in de St.-Willibrorduskerk te Amsterdam. Na een periode waarin hij onder meer organist was van het Concertgebouw werd hij directeur van de muziekschool in Naarden.

Jan Nieland componeerde

     1 oratorium

     5 missen in Gregoriaanse stijl voor 3 gelijke stemmen en orgel,

     liederen,

     pianowerken

     een piano- en harmoniummethode.

     43 orgelwerken

 

Luigi Dallapiccola (Pazin, Kroatië, 3 februari 1904 – Florence, 19 februari 1975) was de zoon van Italiaanse ouders. Zijn vader was hoofd van een Italiaanstalige school in Istrië, toen een deel van Oostenrijk, die werd gesloten bij het begin van de Eerste Wereldoorlog. Het gezin werd 1917 in Graz, Oostenrijk geďnterneerd  waar zij tot 1918 de status van ongewenste buitenlander haddenen. Ná de oorlog kwamen ze in Pisino in Italié terecht. Luigi Dallapiccola werd opgeleid aan de conservatoria van Graz, Triëst, Florence en het Berkshire Music Center in de Verenigde Staten.

Van 1934 tot 1967 was hij pianodocent aan het conservatorium van Florence. Tijdens de Tweede Wereldoorlog bevond Luigi Dallapiccola zich in een gevaarlijke positie, omdat hij uitgesproken antinazimeningen ventileerde en getrouwde was met de Joodse Laura Luzzatto. Luigi Dallapiccola overleed in Florence aan longoedeem.

Luigi Dallapiccola componeerde

     3 opera’s

- Il prigioniero, 1948, libretto gebaseerd op La légende d'Ulenspiegel et de Lamme Goedzak het korte verhaal La torture par l'espérance van de Franse schrijver Auguste de Villiers de l'Isle-Adam (1838-1889). De opera speelt zich af ten tijde van Filips II van Spanje (1527-1598).

- Ulisse, 1968, eigen libretto naar de Odysseus van Homerus.

     1 ballet

     11 vocale werken

- Divertimento in quattro esercizi voor sopraan en 5 instrumenten, 1934

- Liriche greche, 1945

     8 orkestwerken

     3 kamermuziekwerken

- Tartiniana seconda voor viool en piano, op thema’s van Tartini, 1956, ook in een versie voor orkest

     3 pianowerken

     1 werk voor cello solo

- Ciaccona, Intermezzo e Adagio, 1945

     filmuziek

 

Alton Glenn Miller (Clarinda, Iowa, Verenigde Staten 1 maart 1904 – boven Het Kanaal, 15 december 1944) werd beroepsmusicus tijdens de jaren twintig en speelde onder meer bij de orkesten van Ben Pollack, Red Nicholls en Smith Ballew. In 1933 werd hij muzikaal leider en arrangeur van het Dorsey Brothers orkest dat hij, moe van de vele ruzies tussen de broers, in 1934 verliet. Voor Ray Noble, een bekende Engelse orkestleider die zijn carričre in de VS voortzette, stelde hij een orkest samen dat enige tijd zeer populair was. In 1937 richtte hij zijn eigen orkest op. In 1939 sloeg de band pas aan door het benadrukken van de door hem ontwikkelde typische sound (gevormd door het samenspel van een klarinet en een tenor-saxofoon die de melodielijn spelen en de drie overige saxen die harmoniseren). Millers band werd tussen 1940 en 1942 het meest populaire dansorkest van de VS.

Op 15 december 1944 zou hij van Engeland naar Parijs vliegen, maar hij kwam daar nooit aan. Officieel was het toestel in zeer slecht weer terechtgekomen en neergestort in Het Kanaal. Zijn lichaam en het wrak van het vliegtuig zijn nooit teruggevonden

Een aantekening in een notitieboekje van de toen 17-jarige vliegtuigspotter Richard Anderton werpt ander licht op de vliegtuigcrash. Hij spotte op 15 december 1944 een Norseman ten oosten en ten westen van Londen. Volgens deze gegevens bevond het vliegtuig zich ver verwijderd van de zone boven zee waar vliegtuigen hun overbodige bommen konden lossen en vloog het ook niet in de richting van dit gebied. Richard Anderton, die in 1982 overleed, maakt het aannemelijk dat het vliegtuig van Miller neergestort is als gevolg van een fout van de piloot of een mechanisch mankement.

Millers geromantiseerde levensverhaal werd in 1954 door regisseur Antony Mann weergegeven in de speelfilm The Glenn Miller Story met in de hoofdrol James Stewart.

Glenn Miller componeerde

     41 bigbandnummers

- Moonlight Serenade, zijn bekendste compositie

- Chattanooga Choo Choo,

- Pennsylvania 6-5000,

- A String of Pearls,

- Tuxedo Junction

- In the Mood.

 

Joseph Ahrens (Sommersell, Duitsland, 17 april 1904 ‒ Berlijn, 21 december 1997) studeerde kerkmuziek in Münster en vanaf 1935 in Berlijn verder aan de Akademie für Kirchen- und Schulmusik bij Alfres Sittard en Max Seiffert, daarna volgde hij orgel-masterclasses bij Wilhelm Middelschulte. Bij de benedictijner-abdijen van Gerleve en Beuron studeerde hij Gregoriaans.

In 1928 kreeg hij een lectoraat aan de Hochschule für Musik in Berlijn, in 1936 werd hij professor aan dit instituut.

Na de Tweede wereldoorlog werd hij hoofd van de afdeling rooms katholieke kerkmuziek.

Zijn dochter Sieglinde (geboren in 1936) is eveneens organist en componist.

Zijn werken werden aanvankelijk vooral beďnvloed door de gregoriaanse modi en de oude koralen zoals in de partita Christ ist erstanden (1935). Later waagde hij zich aan de dodecafonie. Zijn laatste werken als Trilogia dodekaphonica (1979) en Passacaglia dodekaphonica (1980) zijn hier voorbeelden van.

Joseph Ahrens componeerde

     22 werken voor orgel

     2 passionen

     1 sonate voor viool en orgel

     diverse koorwerken

 

Emil František Burian (Plzeň, Tsjecho-Slowakije, 11 juni 1904 – Praag, 9 augustus 1959) was de zoon van operazanger Emil Burian. In 1927 studeerde hij af aan het Praags Conservatorium bij J. B. Foerster. Emil František Burian was lid van Devětsil, een groep Tsjechische avant-gardisten. In 1927 richtte hij het ensemble Voiceband op.

In 1923 werd Emil František Burian lid van de Communistische partij in Tsjecho-Slowakije. In 1933 stichtte hij het D 34 theater, met een sterk linksgericht programma.

In 1941 werd Emil František Burian gearresteerd. De Tweede Wereldoorlog bracht hij door in de concentratiekampen Theresienstadt, Dachau en Neuengamme. Hij hiep illegale culturele evenementen te organiseren voor de gedetineerden. In 1945 overleefde hij de RAF-aanval op het gevangenenschip Cap Arcona, en keerde in Tsjecho-Slowakije terug, waar ze allemaal dachten dat hij was overleden. Na de oorlog vormde hij het D 46 en D 47 theater, gaf leiding aan de theaters in Brno en het operettehuis in Karlín. Na de communistenoverdracht in 1948 werd hij lid van het Tsjecho-Slowaakse communistische parlement. Waar hij kon bevorderde hij de benoeming van communisten in leidinggevende theaterposities.

Emil František Burian overleed in 1959 in Praag. Emil František Burians’ zoon is de zanger en schrijver Jan Burian. 

Emil František Burian componeerde

     7 opera’s

- Before Sunrise, gebaseerd op een werk van Hauptmann (1924);

- Mary sa, gebaseerd op een werk van de Mrstík broers (1938);

     balletten

- Bassoon and Flute (1925);

     toneelmuziekwerken

- Malá předehra (Kleine Ouverture), opus 42, 1927, voor ensemble

     symfoniën,

     kamermuziekwerken,

- 8 strijkkwartetten

     liederen

- O dětech (Over kinderen), liedcyclus voor sopraan en piano, 1924

     2 cantates

     politieke (communistische)  liederen en koren

     pianowerken

- Suite Americain voor twee piano’s 1926, een in jazzidioom geschreven mooi werk.

     5 filmscores.

 

Balys Dvarionas (Liepāja, Letland, 19 juni 1904 — Vilnius, 23 august 1974) werd geboren in een gezin met elf kinderen. Vader was organist en instrumentenbouwer. Van zijn vroege jeugd af kan kreeg hij piano- en muziektheorieles. Later kreeg Balys Dvarionas privéles van componist Alfrēds Kalniņš. Balys Dvarionas volgde de middelbare handelsschool en ging na het afronden daarvan aan het werk als organist en dirigent.

In 1920 ging Balys Dvarionas naar Leipzig. Daar studeerde hij aan het conservatorium piano bij Robert Teichmüller en muziektheorie en compositie bij Stephan Krohl en Sigfried Karg-Elert. Vanaf 1924 studeerde hij nog piano in Berlijn bij Egon Petri.

In 1926 werd Balys Dvarionas docent aan de muziekschool in Kauna, Litouwen (na 1933 het Litouws Conservatorium). Vanaf 1949 tot het eind van zijn leven werkte hij aan de muziekacademie van Vilnius. Balys Dvarionas richtte het Vilnius Stadsorkest op en was na de oprichting van het Litouws Filharmonisch Orkest dirigent tot 1964.

Balys Dvarionas is begraven op een begraafplaats in Palanga, en plaatsje in west Litouwen.

Balys Dvarionas componeerde

     opera’s,

     theatermuziekwerken

     balletten,

     symfonieën

     concerten

     cantates

     kamermuziekwerken

“aan de zee”, pezzo elegiaco voor piano en viool, 1947, ook in een versie voor viool en orkest

     pianowerken

     liederen

     filmscores

 

Manuel Rosenthal (Parijs, 18 juni 1904 – 5 juni 2003) was de zoon van Anna Devorsosky, van Russisch-Joodse afkomst en van een Fransman, die hij nooit heeft ontmoet. Hij kreeg zijn achternaam van zijn stiefvader Bernard Rosenthal.

Manuel Rosenthal kreeg van zijn moeder op zijn 9de verjaardag en viool, waar hij direct op begon te te studeren. Vanaf zijn 14de, na de dood van zijn stiefvader speelde hij in cafés en bioscoopzalen om zijn moeder en zusjes te ondersteunen. Vanaf 1918 tot 1923 studeerde Manuel Rosenthal solfčge bij Mme Marcou en viool bij Jules Boucherit op het Conservatorium in Parijs; daarna studeerde hij nog bij Alterman en Jules Boucheritand, terwijl hij ondertussen in theater- en bioscooporkesten speelde en ook nog compositie studeerde.

Na zijn militaire diensttijd studeerde hij bij compositie bij Maurice Ravel en contrapunt bij Jean Huré, terwijl hij de kost verdiende in de cafe-orkesten in de Moulin Rouge en het Casino van Parijs. Ravel zorgde er ondertussen voor dat Manuel Rosenthals composities meer uitgevoerd werden, zodat hij daar ook wat mee kon verdienen

In 1927 trouwde hij met koormeisje Troussier.

In 1934 werd Manuel Rosenthal slagwerker en assistent-dirigent van het Orchestre National de France, In 1936 werd hij dirigent van het orkest van Radio PTT.

In de Tweede wereldoorlog moest Manuel Rosenthal dienst doen als korporaal in het 300ste infanterieregiment, gelegerd in de Elzas. In mei 1940 werd hij krijgsgevangen gemaakt. In het Krijgsgevangenenkamp organiseerde hij concerten en componeerde een operette.

Bij een krijgsgevangenenruil kwam Manuel Rosenthal in 1941 terug in Parijs. Gedurende de hele verdere oorlog werkte hij mee met het Verzet tegen de Duitsers. Na de bevrijding in 1944 werd hij chefdirigent van het Orchestre National de France. Vanaf 1947 vervulde Manuel Rosenthal verschillende directiefuncties bij orkesten over de hele wereld. Van 1962 tot 1974 was hij daarnaast docent aan het Conservatorium in Parijs.

Manuel Rosenthal had ondertussen een relatie ontwikkeld met sopraan Claudine Verneuil, terwijl hij nog getrouwd was met koormeisje Troussier. Toen hij in 1948 een benoeming kreeg als dirigent van het symfonieorkest van Seattle in de Verenigde Staten stelde hij Claudine als zijn vrouw voor. Dat leidde in 1951 tot een gevangenschap van zes weken op Ellis Island en de beëindiging van zijn contract in Seattle, toen de Amerikanen de werkelijkheid ontdekten. In 1952 volgde toen een scheiding en een huwelijk met Claudine Verneuil. Manuel Rosenthal had twee zonen.

Manuel Rosenthal werd in 1961 geridderd tot Chevalier in het Legioen van Eer en in 1991 tot Commandeur.

Manuel Rosenthal componeerde

     3 opera’s,

- Hop, Signor!, 1961 

     2 operettes,

- La Poule Noir, operette in 1 acte, 1938

     4 balletten,

- Gaîté Parisienne, orkestratie van een selectie uit de operettes  van Jacques 0ffenbach

     13 orkestwerken,

- Jeanne d’Arc, 1936

     6 koorwerken met orkest

     koorwerken a cappella

     12 (series) liederen voor zangstem en orkest of piano

- 3 počmes de Marie Roustan, voor zangstem en piano of orkest, 1933; 

1. Reverie

2. Pecheur de lune

     5 kamermuziekwerken

     5 (series)  pianowerken  

 

Iša Krejčí (Praag, Tsjechië, 10 juli 1904 – 6 maart 1968) was de zoon van filosoof František Krejčí. Het gezin was uitgesproken cultureel geďntereseerd. Na zijn eindexamen gymnasium in 1923 studeerde Iša Krejčí geschiedenis en musicologie aan de Charles Universiteit en tegelijkertijd piano bij Albín Šíma en compositie aan het Praags Conservatorium. bij Karel Boleslav Jirák and Vítězslav Novák en directie bij Václav Talich. Van 1928 tot 1932 werkte hij aan het Slowaaks Nationaal Theater in Bratislava. In 1932 kwam Iša Krejčí weer terug in Praag, waar hij met Bořkovec, Ježek, Holzknecht en Bohuslav Martinů de Mánes groep vormde, die zich beijverde voor meer interesse voor hedendaagse Franse muziek. Van 1934 tot 1945 werkte Iša Krejčí bij de Tsjechische radio, van 1945 tot 1958 bij de Opera in Olomouc en vanaf 1958 bij het Nationaal Theter in Praag.

Iša Krejčí overleed in Praag en is begraven in een familiegraf in Praag 6. Om zijn 110de verjaardag te herdenken is er op het kamermuziekfestival Brikcius in 2014 in Tsjechië aandacht aan zijn werk besteed.

Iša Krejčí componeerde

     2 opera’s

     1 ballet

     2 theatermuziewerken

     4 symfonieën

     12 andere (series) orkestwerken

     15 kamermuziekwerken

     6 (series) koorwerken

     6 (series) liederen

 

Goffredo Petrassi (Zagarola, bij Rome, Italië, 16 juli 1904 – Rome, 3 maart 2003) begon, om wat geld te verdienen, op zijn 15de te werken in een muziekwinkel. Dat leidde tot een fascinatie voor muziek. Vanaf 1928 studeerde Goffredo Petrassi aan het Santa Cecilia Conservatorium in Rome orgel en compositie bij Fernando Germani en Alessandro Bustini. Goffredo Petrassi werd muzikaal directeur van het operagebouw La Fenice, en vanaf 1939 doceerde hij compositie aan het Santa Cecilia Conservatorium en aan het Mozarteum in Salzburg. Veel bekende moderne componisten hadden les van hem.

Goffredo Petrassi stierf in Rome op de leeftijd van 98 jaar.

Goffredo Petrassi componeerde

     2 opera’s

     2 balletten

     8 concerten voor orkest

     11 andere orkestwerken

- Divertimento in C grote terts, 1930

- Partita, I932

     12 werken voor koor, (solisten) (en orkest)

- Coro di morti voor mannenkoor, drie piano’s, slagerwerk, koperblazers en contrabassen, 1941, een meesterwerk.

- Nonsense, vijf werkjes voor gemengd koor a cappella, 1952, naar het boek “Nonsense” van Edward Lear, geestige miniaturen.

     29 kamermuziekwerken

     16 series liederen voor zangstem(men) en piano (of andere instrumenten)

- Quattro inni sacri voor tenor en orgel (of orkest), 1942, prachtig.

     7 pianowerken

     5 andere werken voor een solo-instrument

     3 filmscores

 

Joseph Rauch (München, 16 oktober 1904 – 1978) was een leerling van organist en componist Joseph Haas. Joseph Rauch werd organist en priester in München en Garmisch-Partenkirchen.

Joseph Rauch componeerde

     orgelwerken

- koraalfantasie  „O Haupt voll Blut und Wunden”, opus 13

 

Piet Ketting (Haarlem, 29 november 1904 – Rotterdam, 25 mei 1984) was de vader van Otto Ketting. Piet Ketting studeerde in Utrecht van 1926 tot 1932 piano bij Anton Averkamp en compositie bij Willem Pijper. Van 1930 tot 1956 was hij hoofdleraar koordirectie, muziektheorie en compositie aan het Rotterdams conservatorium. Tijdens deze periode vormde hij als pianist het trio Piet Ketting met fluitist Johan Feltkamp en hoboďst Jaap Stotijn. Daarnaast dirigeerde hij het Rotterdams Kamerkoor en het Rotterdams Kamerorkest. In de periode van 1946 tot 1949 was hij directeur van het Amsterdams Muzieklyceum.

Piet Ketting componeerde

     6 orkestwerken

     20 kamermuziekwerken

- Sonate voor cello en piano, 1928, meesterlijk muziekwerk

- Sonate voor fluit, hobo en piano, 1936.

     15 koorwerken

     5 (series) liederen voor zangstem en piano of instrumenten

     7 (series) pianowerken

 

Dmitri Borissovitsj Kabalevski (Sint-Petersburg, Rusland, 30 december 1904 - Moskou, 14 februari 1987) was de zoon van een wiskundige bij een verzekeringsmaatschappij. Vanaf 1912 kreeg Dmitri Kabalevski pianoles bij Selyanov aan het Skrjabin Muziekinstituut. In 1918 ging de hele familie naar Moskou. Naar wens van zijn vader hield Dmitri Kabalevski zich eerst nog bezig met wiskunde en economie, maar vanaf 1921 speelde hij als pianist bij stomme films in bioscopen en kon daarvan leven. In 1925 ging hij naar het Moskous Conservatorium P. I. Tsjaikovski, waar hij tot 1930 compositie bij Nikolaj Mjaskovski en piano studeerde.

In 1932 werd Dmitri Kabalevski zelf leraar compositie aan het Moskous Conservatorium P. I. Tsjaikovski.

Hij was ook chef van de redactie van het tijdschrift "Sovjetskaja Musyka" en bleef in deze positie actief tot 1946. In 1940 werd hij lid van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie. Dat zal er de reden van zijn dat Dmitri Kabalevskii, na aanvankelijke kritiek, uiteindelijk niet tot "formalist" verklaard. Als vooraanstaand lid van de partij bekleedde hij vele posities en functies. In 1956 was hij functionaris van het Ministerie van Cultuur van de Sovjet-Unie. Hij zette zich vooral in voor muziekpedagogische ontwikkeling.

Dmitri Kabalevski componeerde

     6 opera’s

     1 operette

     1 ballet

     4 symfonieën

     7 concerten

- celloconcert nr. 1 in g kleine terts, opus 49, 1949

- celloconcert nr. 2 in c kleine terts,  opus 77, 1966, donker maar gepassioneerd werk, met zangerige melodielijnen.

     3 symfonische gedichten

     3 suites

     4 andere orkestwerken

     2 werken voor harmonieorkest

     4 cantates

     4 werken voor koor en orkest

     11 kamermuziekwerken

- Sonata voor Cello en Piano, in Bes grote terts. opus 71, 1962

     32 (series) liederen voor zangstem en piano

     26 (series) pianowerken

- Album met kinderstukken, opus 3, 1927–1940

- Dertig kinderstukken, opus 27, 1938

- Gemakkelijke variaties in D grote terts (Toccata), en in a kleine terts, opus 40, 1944

- Gemakkelijke variaties, deel 2, vijf variaties op volksthema’s, opus 51, 1952

- Vier gemakkelijke Rondo’s, opus 60, 1958