Componisten

vanaf 1912

 

Rudolf George Escher (Amsterdam, 8 januari 1912 – De Koog, 17 maart 1980) was de zoon van geoloog en mineraloog Berend George Escher en de Zwitserse Emma Brosy. Zijn vader was een halfbroer van de graficus Maurits Cornelis Escher. Rudolf Escher woonde van zijn vierde tot zijn negende in Batavia op Java, waar zijn vader werkte als geoloog voor de Bataafse Petroleum Maatschappij in Weltevreden. Zijn vader was een verdienstelijk pianist en gaf Rudolf pianoles.

In 1922 vestigde het gezin zich in Leiden. Rudolf Escher volgde het gymnasium, kreeg pianoles van Bé Hartz, speelde viool en kreeg harmonielessen. In 1929 besloot hij dat hij componist wilde worden en ging in 1931 naar het Toonkunst Conservatorium in Rotterdam, waar hij piano en cello studeerde en compositie bij Willem Pijper. Rudolf Eschers communistische idealen kwamen tot uitdrukking in zijn lidmaatschap van de Communistische Partij van 1934 tot 1940.

Veel van Rudolf Eschers werken uit zijn studietijd gingen op 14 mei 1940 verloren bij het bombardement op Rotterdam. Hij verloor zijn huis met al zijn bezittingen. In de oorlog hield hij zich bezig met ondergrondse activiteiten.

Na 1946 raakte Escher bevriend met Matthijs Vermeulen. Zij koesterden dezelfde maatschappelijke, communistische idealen en literaire belangstelling.

In de loop van de jaren vijftig werd Rudolf Escher kritisch op het Russische communisme, dat hij als mislukt beschouwde. Wel bleven zijn idealen links georiënteerd.

In het begin van de jaren ‘60 nam Rudolf Escher les elektronische muziektechniek met colleges in elementaire geluidsmechanica, elektro-fysica en klanktechnologie in Delft. Vervolgens experimenteerde hij in de Studio voor Elektronische muziek van de Delftse Technische Universiteit en het Instituut voor Sonologie in Utrecht.

In 1960-61 gaf Escher les aan het Conservatorium van Amsterdam. Vervolgens werd hij wetenschappelijk hoofdmedewerker aan het Instituut voor Muziekwetenschap van de Rijksuniversiteit in Utrecht van 1964 tot 1977.

Rudolf Escher ontving in 1977 de Johan Wagenaar prijs voor zijn gehele oeuvre.

Rudolf Escher overleed op 68-jarige leeftijd in De Koog op het waddeneiland Texel.

In 1980 werd het Escher Comité opgericht. De weduwe van de componist heeft, met behulp van het comité, een werkencatalogus samengesteld en becommentarieerd met Eschers gehele oeuvre.

Rudolf Escher was ook dichter, schilder en essayist.

Rudolf Escher componeerde

·      6 orkestwerken

- Musique pour l'esprit en deuil, 1943, maakte Rudolf Escher bij de eerste uitvoering in 1947 op slag de meest belangrijke componist in Nederland. Geniale muziek.

·      13 kamermuziekwerken

- Blazerskwintet Quintetto a fiati, 1967

- Sinfonia per dieci strumenti, 1976

- Fluitsonate, 1978

- Trio voor klarinet, altviool en piano, 1978,

·      8 vocale werken

- Le vrai visage de la paix,  1953, tekst P. Eluard voor koor a cappella, gereviseerd in 1957

·      5 (series) pianowerken

- 1ste pianosonate, 1935

- Arcana musa dona, pianosuite, 1947, ontving een prijs van de Nederlandse regering

·      1 orgelwerk

·      1 elektronische werk

 

Alfred Desenclos  (Portel. Pas de Calais, Frankrijk, 7 februari 1912 – Parijs, 3 maart 1971) was de zevende van tien kinderen. Om het gezin te ondersteunen moest hij zijn studies opgeven. Hij werkte als technisch tekenaar totdat hij twintig jaar was en ging in 1929 alsnog naar het conservatorium in  Roubaix om piano te studeren. Vanaf 1932 studeerde hij aan het conservatorium te Parijs. Tijdens zijn studie werkte Alfred Desenclos als koorleider aan de parochiekerk Notre-Dame-de-Lorette in Parijs. Van 1943 tot 1950 was hij directeur van het conservatorium van Roubaix, daarna tot aan zijn dood professor aan het Conservatorium van Parijs. Alfred Desenclos was een vriend van Arthur Honneger.

Alfred Desenclos componeerde onder meer

     2 orkestwerken

     1 requiem

     8 koorwerken (met orgel)

     8 kamermuziekwerken

     5 werken voor zangstem(men) en orgel

     2 (series) pianowerken

     1 werk voor harp

 

Xavier Montsalvatge (Gerona, Spanje, 11 maart 1912 - Barcelona, 7 mei 2002) studeerde viool en compositie aan het conservatorium in Barcelona bij Lluís Maria Millet, Enrique Morera, Jaume Pahissa en Eduard Toldrá. Vanaf 1970 gaf hij zelf pianoles aan het conservatorium en vanaf 1978 compositieleer. Na de Spaanse Burgeroorlog begon hij in 1942 als muziekcriticus te schrijven voor het tijdschrift Destino waarvan hij tot 1975 directeur was, en ook vanaf 1962 voor de krant La Vanguardia.

Xavier Montsalvatge componeerde

     3 opera’s

- El gato con botas, 1948

- Una voz en off,1962

     5  balletten

- Calidospi simfonic, opus 61

     16 kamermuziekwerken

- Cuarteto indiano, 1952, geïnspireerd door de muziek op de Antillen

Canción de cuna para dormir un negrito, een fijnzinnig werkje;

     21 orkestwerken

- Sinfonía Mediterránea, 1949, hiervoor kreeg Xavier Montsalvatge een prijs van de muziekhogeschool

- Poema concertante, 1951, voor viool en orkest, opgedragen aan violist Henryk Szering

- Concerto Breve, 1953, voor piano en orkest, opgedragen aan Alicia de Larrocha, charmante muziek

- Partida, 1958 vrije tonaliteit.

- Desintegración morfológica de la Chacona de Bach, 1963

- Laberinto o Sinfonía de réquiem, 1971 ,gereviseerd 1985

     14 werken voor zangstem en orkest of instrumenten

- Cinco canciones negras (vijf negerliederen), 1945, voor sopraan en orkest, geïnspireerd door de muziek op de Antillen, bezorgde Xavier Montsalvatge internationale beroemdheid. De melodische kracht en de betoverende "Caraïbische" sfeer van deze liederen zijn onweerstaanbaar

4. Canción de cuna para dormir a un negrito (Wiegelied voor een klein zwart kind)

5. Canto negro (zwart lied)

     6 werken voor piano

     filmscores

Dragón Rapide.

     koorwerken

     muziek voor cobla ensemble, traditioneel muziekensemble uit Catalonië

www.montsalvatge.com

 

Carlos Guastavino (pseudoniem Carlos Vincent) (Santa Fe, Argentinië, 5 april 1912 – Buenos Aires, 29 oktober 2000) studeerde in Santa Fe bij Esperanza Lothringer en bij zijn neef Dominga Iaffei Guastavino en vanaf 1938 privé in Buenos Aires compositie bij Athos Palma en piano bij Rafael González. In 1948 ging Carlos Guastavino naar Londen, waar hij twee jaar bleef. Vanwege zijn vele liederen werd Carlos Guastavino wel “de Schubert van de Pampas” genoemd.

Carlos Guastavino componeerde

     1 ballet

- fue una vez, 1939

     5 (series) orkestwerken

- Divertissement;

- Tres romances argentinos, 1949

- Suite Argentina 

     12 kamermuziekwerken

- Klarinet Sonata, 1971.

     (series) koorwerken

     150 liederen voor zangstem en piano

- La rosa y el sauce, (de roos en de wilg), 1942, ontroerend, schrijnend intiem.

     kinderliederen

     22 (series) pianowerken

- Diez cantilenas argentinas 

     gitaarwerken

 

Feike Pieter Asma (Den Helder, 21 april 1912 – Amsterdam, 18 december 1984) was de zoon van Johannes Frederik Asma, musicus, en Tjitske Visser. Op 15-jarige leeftijd werd hij tot organist in de Gereformeerde Kerk in Den Helder benoemd. Feike Asma kreeg van 1927 tot 1937 orgelles van Jan Zwart. Aan het Koninklijk Conservatorium te Den Haag studeerde hij directie bij Jan Koetsier, piano en compositie bij Hugo van Dalen en orkest- en koordirectie bij Eduard Flipse. In 1933 werd hij organist aan  de Hooglandse Kerk in Leiden en in 1943 aan de Lutherse Burgwalkerk in Den Haag.

Op 3 april 1940 is Feike Asma getrouwd met  Jacqueline Theodora Henrika Dolkens. Ze kregen een zoon en een dochter. In 1965 verhuisde Feike Asma naar  Maassluis, waar hij organist werd van de Groote Kerk..Hij gaf meer dan tweehonderd goed bezochte orgelconcerten per jaar. In 1967 maakte Herman van der Horst een film over Feike Asma: Toccata. Op 28 juli 1982 overleed Jacqueline. Feike Asma hertrouwde op 9 december 1983 met  Willy Cornelia van der Kamp. Het huwelijk was geen lang leven beschoren. Op 18 december 1984 overleed Feike Asma en werd op de Nieuwe Oosterbegraafplaats te Amsterdam begraven.

Sinds 2004 wordt door Johannus Orgelbouw en de stichting Vox Humana elke jaar het Feike Asma Concours georganiseerd.

Feike Asma componeerde

     orgelwerken

- 20 boeken met diverse werken

Boek 6

Hollandse Rhapsodie, potpourrie van Vaderlandse liederen met een hoog Koninginnedaggehalte;

Boek 12:

Geestelijke Liederen:

Verlosser, Vriend, Gij Hoop en Lust; een fraai baroktrio

Boek 15:

Drie Psalmbewerkingen:

Psalm 43 vers 3 en 4
Psalm 56 vers 6
Psalm 72 Vers 7

Boek 17:

Vier Psalmbewerkingen:

Psalm 1 vers 4
Psalm 140 vers 1
Psalm 119 vers 1
Psalm 72: Finale

- 6 delen orgelkunst

- tientallen koraalbewerkingen

- psalm 16 "Bewaar mij toch, o alvermogend God," indrukwekkende klaagpsalm;

- een drieluik van verstilling:

God enkel licht;

Beveel gerust uw wegen

Wat de toekomst brengen moge

- Finale en koraal "Daar is uit 's werelds duist're wolken"

- Fantasie over "Dankt, dankt nu allen God"

www.feike-asma.com

 

Parashkev Todorow Hadjiev (Chadschiew) (Sofia, Bulgarije, 27 april 1912 - 28 april 1992) was de zoon van dirigent Todor Hadjiev. Parashkev Hadjiev kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn ouders. Daarna studeerde hij aan de Staats Muziekacademie “Professor Pantscho Wladigerow“ in Sofia piano bij Pantscho Wladigerow en Stojan Georgjew Stojanow, in Wenen bij Joseph Marx en in Berlijn bij Heinz Tiessen. In 1940 kwam hij weer in Sofia terug en vanaf die tijd doceerde hij aan de Academie.

Parashkev Hadjiev componeerde

     19 opera’s

     3 operettes

     1 ballet

     3 musicals

     5 orkestwerken

- Concertino voor  viool en orkest, 1942

- Mladezhka tantsova syuita (‘Jeugd danssuite’), 1952

     8 (series) kamermuziekwerken

     koorwerken

     liederen

- Bre stoyan

     pianowerken

     100 radio-operettes voor kinderen

     5 filmscores

 

Gil Evans (Toronto, Canada, 13 mei 1912 – Cuernavaca, Mexico, 20 maart1988) werd geboren als Ian Ernest Gilmore Green en nam al vroeg de familienaam Evans van zijn stiefvader over. De familie Evans verhuisde naar Stockton in Californië. Gil Evans werkte van 1941 tot 1948 als arrangeur voor het Claude Thornhill Orchestra, vanaf 1946 in New York City, waar hij daarna ook bleef wonen en werken. Zijn bescheiden kelderappartement achter een Chinese wasserette werd al snel een ontmoetingsplaats voor muzikanten die de bebop verder wilden ontwikkelen, zoals Charlie Parker. Toen Miles Davis getekend had bij Columbia Records koos hij Gil Evans als medewerker. De drie belangrijkste albums die uit de samenwerking voortvloeiden zijn Miles Ahead (1957), Porgy and Bess (1958) en Sketches of Spain (1960).

In jaren zeventig ging Gil Evans de richting van de free jazz en de jazz-rock uit.

In 1987 nam Gil Evans een live cd op met Sting van een optreden met big band arrangementen van nummers van Sting en The Police.

Gill Evans trouwde twee keer en liet bij zijn overlijden zijn tweede vrouw Anita Cooper en twee kinderen: Noah en Miles achter. Zijn zoon Miles was trompettist in zijn Monday Night Orchestra.

Gil Evans stierf in 1988 in de stad Cuernavaca in Mexico.

Gil Evans maakte

     18 studio-albums

- New Bottle Old Wine, 1958, een suite van songs geschreven door de beste jazzmusici en -componisten, in originele arrangementen van Gil Evans, met Cannonball Adderley als enige solist en een orkest met veel grote jazznamen.

     14 albums als arrangeur

     4 filmscores

 

Jean René Désiré Françaix (Le Mans, 23 mei 1912 — Parijs, 25 september 1997) was de zoon van de directeur van het conservatorium van Le Mans, musicoloog, componist en pianist, zijn moeder was zangdocente. Hij was pas zes jaar, toen hij begon met componeren, en zijn eerste publicatie in 1922 trok de aandacht van Nadia Boulanger, componiste werkzaam voor de muziekuitgever die de getalenteerde jongen onder haar hoede nam. Ze moedigde Françaix' carrière aan, hem beschouwend als een van de beste of misschien zelfs de beste van haar leerlingen.

Jean Françaix was al op jonge leeftijd een gerespecteerd pianist. Hij won een eerste prijs aan het Conservatoire national supérieur de musique in Parijs. Hij speelde het concert voor twee piano's van Francis Poulenc met Francis Poulenc als diens vaste maat Jacques Fevrier niet beschikbaar was. Zijn eigen concert voor twee piano's droeg hij op aan zijn twee dochters, die aankomende talenten waren toen hij het stuk schreef.

Jean Françaix' belangrijkste bezigheid was het componeren. Hij bleef het continu doen tot zijn dood in 1997.

Jean Françaix schreef meer dan 200 stukken in zeer uiteenlopende stijlen, waaronder

     5 opera's,

     16 balletten

     21 orkestwerken

     33 concerten

- Concerto voor klavecimbel, fluit en strijkorkest, 1959, opgedragen aan Nadia Boulanger

     1 cantate

     1 oratorium

     3 koorwerken.

- Ode á la gastronomie, 1950

     43 kamermuziekwerken

- Strijktrio voor viool, altviool en cello, 1933

- Petit quatuor de saxophones, 1935, driedelig, met een hypnotiserend tweede deel: Cantilène

- Divertissement voor fagot en strijkkwintet, 1942, briljant

- Quintette à vent nr.1, 1948, blaaskwintet voor fluit, hobo, klarinet, fagot en hoorn, uitbundig;

     8 variatiewerken

     16 liederen of series liederen

     10 suites, ook voor instrumenten solo

     8 werken of series werken voor piano solo

     2 werken voor klavecimbel

     2 werken voor fagot

     2 werken voor gitaar

     11 filmscores

www.jeanfrancaix.com

 

(Walter) Ingolf (Marcus) Dahl (Hamburg, 9 juni 1912 – Frutigen, Zwitserland, 6 augustus 1970) had een Duitse vader en een Zweedse moeder. Hij studeerde bij Philipp Jarnach op de Hochschule für Musik Köln (1930–32). Toen de Nazi’s in Duitsland de macht kregen, verliet hij Duitsland en zette zijn studie voort aan de Universiteit van Zürich bij Volkmar Andreae en Walter Frey. Hij werd assistent-dirigent bij de Opera Zürich.

In 1939 emigreerde Walter Ingolf Marcus naar de Verenigde Staten. Daar gebruikte hij de naam Ingolf Dahl, zijn tweede voornaam + de meisjesnaam van zijn moeder. Hij ontkende consequent zijn Joodse afkomst en probeerde te fingeren dat hij Zweeds van geboorte was. Hij verstigde zich in Los Angeles en voegde zich bij de gemeenschap van buitenlandse musici zoals Ernst Krenek, Darius Milhaud, Arnold Schoenberg, Igor Stravinsky, en Ernst Toch.

In 1943 legaliseerde hij zijn naam Ingolf Dahl en werd hij tot USA staatsburger genaturaliseerd. Vanaf 1945 doceerde hij aan de University of Southern California in Los Angeles tot aan het eind van zijn leven. In 1952 werd hij aangesteld als hoofd van de Tanglewood Studie Groep, een programma gericht op muziekstudenten en muziekdocenten, ook als ze zich als amateur verder in muziek wilden verdiepen. Zijn prominentste studenten waren de dirigent Michael Tilson Thomas en de componist David Cope. Hij wist zijn homosexualiteit te verbergen, onder andere door te trouwen met Etta Gornick Linick, die hij in Zürich had leren kennen, en die hem daarbij steunde.

Ingolf Dahl componeerde meer dan 35 uiteenlopende werken

     Concerto a Tre, 1947 voor viool, cello en klarinet

     Concerto for Alto Saxophone and Wind Orchestra, 1949 is zijn meest uitgevoerde werk

     Elegy Concerto voor viool  en kamerorkest, 1970, zijn laatste werk.

 

Donald Eugene (Don) Gillis (Cameron, Missouri, Verenigde Staten, 17 juni 1912 – Columbia (South Carolina), 10 januari 1978) verhuisde al jong naar Fort Worth in Texas. Daar studeerde hij aan de Christelijke Universiteit van Texas. Hij speelde trombone en trompet en was assistent-dirigent van het orkest van de universiteit. Hij vervolgde zijn opleiding aan de North Texas State University. Daarna kreeg hij een baan als producer bij een plaatselijk radiostation (WBAP te Chicago), vervolgens bij de grote (inter)nationale omroep NBC, waar hij producer werd van het NBC Symphony Orchestra met dirigent Arturo Toscanini.

Toen Toscanini stopte heeft Don Gillis allerlei banen en werkzaamheden binnen het Amerikaanse muziekleven gehad, maar bleef componeren in de voor hem zo karakteristieke vrolijke stijl, een combinatie van klassieke muziek en jazz.

Don Gillis is twee keer getrouwd. Uit zijn eerste huwelijk met Catherine had hij twee kinderen, in 1963 hertrouwde hij en kreeg nog een kind. In 1978 overleed hij aan de gevolgen van een hartinfarct.

Don Gillis componeerde

     8 opera’s

     12 symfonieën

- Symfonie nr. 5½, "A Symphony for Fun", 1946, zijn populairste werk

- Symfonie X; The Big D, 1968. Zijn laatste 12de symfonie. Onderwerp van de symfonie is Dalles, Texas.

     2 pianconcerten

     11 andere orkestwerken

     6 strijkkwartetten

     andere kamermuziekwerken

     werken voor harmonieorkest

     werken voor bands

     6 werken voor verteller, (solisten), koor en orkest

     andere vocale werken

 

José Pablo Moncayo García (Guadalajara, Jalico, Mexico, 29 juni 1912 – Mexico-Stad, 16 juni 1958) was een zoon van het echtpaar Francisco Moncayo Casillas en Juana García López.

José Pablo Moncayo kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn oudere broer Francisco. Vanaf 1926 kreeg hij (14 jaar oud) pianoles van Eduardo Hernández Moncada. Vanaf 1929 studeerde José Pablo Moncayo aan het Nationaal Conservatorium in Mexico-Stad compositie bij Carlos Chávez, muziekleer en contrapunt bij Candelario Huízar García de la Cadena en orkestdirectie bij Eduardo Hernández Moncada.

In 1931 werd hij slagwerker in het Orquesta Sinfónica de la Ciudad de México. In 1935 richtte hij samen met Blas Galindo Dimas, Salvador Contreras Sánchez en Daniel Ayala Pérez de "Grupo de los Cuatro" op. In 1942 studeerde hij bij Aaron Copland aan het Tanglewood Music Center Van 1945 tot 1947 was José Pablo Moncayo chefdirigent van het Orquesta Sinfónica de la Ciudad de México, van 1949 tot 1954 van het Orquesta Sinfónica Nacional.

José Pablo Moncayo componeerde

     1 opera

     1 ballet.

     12 (series) orkestwerken

- Huapango, 1941, een helder, kleurrijk, kort symfonisch werk, dat soms zelf tijdens Amerikaanse popconcerten tot klinken werd gebracht.

     8 kamermuziekerken

     2 koorwerken

     9 pianowerken

- Muros verdes, 1951, ontspannen muziek

     1 filmscore

 

Joseph Dichler (Wenen, Oostenrijk, 11 juli 1912 – 26 maart 1993) studeerde aan de Wiener Musikakademie compositie bij Franz Schmidt en piano bij Walter Kerschbaumer. Joseph Dichler was vanaf 1938 vakdocent piano en pianomethodiek aan de Wiener Musikakademie. Hij vormde een piano-duo met zijn vrouw Grete.

Joseph Dichler componeerde

     7 werken of series werken voor piano solo

- Intermezzo and Capriccio voor de linkerhand 1980

     3 kamermuziekwerken

- Trio für Flöte, Violoncello und Klavier (1968)

 

Johan Herman Strategier (Arnhem, 10 augustus 1912 - Doorwerth, 26 oktober 1988) was de zoon van een manufacturier, ook recensent bij een plaatselijk dagblad en werkzaam als organist aan de Sint Walburgiskerk in Arnhem. Herman Strategier raakte daarom al jong met orgels vertrouwd.

Herman Strategier ging na de HBS als 16-jarige naar de Nederlandse Rooms Katholieke Kerkmuziekschool Sint Caecilia in Utrecht. waar hij orgellessen volgde bij Hendrik Andriessen en theorielessen bij Johan Winnubst. In 1932 sloot Herman Strategier daar zijn studie af en ging als organist aan het werk in Nijmegen aan de Sint Annakerk.

In 1935 volgde Herman Strategier zijn vader op, die kort daarvoor was overleden, als dirigent-organist aan de Sint Walburgiskerk in zijn geboorteplaats. Daarnaast was hij docent muziektheorie aan de Arnhemse muziekschool.

Samen met zijn vrienden Jan Mul en Albert de Klerk, en muziekkalligrafe Annie Bank richtte Herman Strategier in de oorlogsjaren een clandestiene uitgeverij op waar iedereen die daarvoor belangstelling had liturgische muziek en orgelmuziek kon bestellen. In dezelfde periode nam hij de honneurs waar als orgeldocent aan de kerkmuziekschool toen Hendrik Andriessen door de Duitsers werd gegijzeld en naar het interneringskamp Sint-Michielsgestel werd overgebracht.

De aanval op Arnhem in september 1944 dwong Herman Strategier met zijn jonge gezin (ze zouden negen kinderen krijgen) de stad te verlaten. Terwijl de St.-Walburgiskerk aan de vlammen ten prooi viel, vond hij onderdak bij zijn vriend Jan Mul in Haarlem.

Na de oorlog was Herman Strategier enkele jaren dirigentorganist van de Sint Jozefkerk in Zeist. In 1949 volgde hij Hendrik Andriessen op als organist van de kathedrale kerk Sint Catharina in Utrecht. Hij zou dit orgel tot 1963 bespelen. Herman Strategier was docent muziektheorie aan van 1946 tot 1965 aan de Rooms Katholieke Kerkmuziekschool Sint Caecilia (later Nederlands Instituut voor Katholieke Kerkmuziek), aan de conservatoria van Rotterdam en Utrecht en het Instituut voor Muziekwetenschap van de Rijksuniversiteit Utrecht.

Van 1956 tot 1973 was Herman Strategier vaste dirigent van het Nederlands Madrigaalkoor in Leiden.

In 1977 beëindigde hij zijn muziekpedagogische werk.

Hij speelde nog regelmatig in een kleine kerk in Zeist, en na zijn verhuizing naar Doorwerth in de provincie Gelderland onderhield Herman Strategier nauwe contacten met de trappistenabdij in Zundert, waarvoor hij vanaf 1980 veel componeerde en waar hij dikwijls kerkdiensten begeleidde. Op 26 oktober 1988 overleed Strategier na een ongeneeslijke ziekte in zijn slaap.

Herman Strategier werd in 1968 benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau en in 1973 tot Ridder in de Orde van Sint-Gregorius de Grote.

Herman Strategier componeerde 400 werken

     10 declamatoria

     40 orkestwerken

- Musique pour faire plaisir, 1950, voor strijkorkest

- Rapsodia elegiaca,  1956, geschreven voor het geval koningin Wilhelmina zou overlijden. Dramatisch.

     11 concerten

- Concert voor accordeon en orkest, 1969, uniek concert

     9 werken voor harmonie-orkest

     3 missen a cappella

     21 missen met orgelbegeleiding

     47 (series) religieuze koorwerken a cappella

     115 (series) religieuze werken voor koor of zangstem met orgel- of pianobegeleiding

- Heer, herinner u de namen, van hen die gestorven zijn, Lied 273, Liedboek van de Kerken.

     27 (series) religieuze voor koor of zangstem met orkest of instrumentengroepen

     47 (series) wereldlijke koorwerken a cappella

     17 (series) wereldlijke werken voor koor of zangstem met orgel- of pianobegeleiding

     40 (series) wereldlijke werken voor koor of zangstem met orkest of instrumentengroepen

     36 (series) kamermuziekwerken

     23 (series) orgelwerken

- Eerste Passacaglia, 1935

- Toccata,  1935

- Tweede Passacaglia, 1939

- Ritornello capriccioso,1944, gecomponeerd voor de trouwdienst van Albert de Klerk. De muziekvreugde spat eruit.

- Drie kleine trio’s, 1945, indrukwekkend

- Toccatina (oorspronkelijke “Kleine toccata”), 1951

- Chaconne,  1955

- Thirty short Inventions, 1962

- Naamvariaties over Maarten Vente, 1975

- Naam-thema met variaties, 1975

- Voluntary for a cathedral organ,  1975

- Priamel e Ricercare, 1979

- Partita over gezang 273 Heer herinner U de namen, 1985

     29 pianowerken

     2 werken voor beiaard

     14 solfègesets.

 

John Milton Cage (Los Angeles, Verenigde Staten, 5 september 1912 – New York, 12 augustus 1992) werd in een van oudsher streng christelijke familie geboren, als zoon van een excentrieke vader. Hij hield zich niet vroeg intensief bezig met muziek, maar had andere vage ambities. Op school was hij een goede, maar uiterst dwarse leerling. Het tweede jaar van zijn studie brak hij af om naar Europa te gaan, waar hij 18 maanden bleef.

In 1931 kwam hij terug in de VS, waar hij compositieles nam bij Henry Cowell en Arnold Schönberg. Arnold Schönberg over Cage: "U bent geen componist maar eerder een uitvinder". Na twee jaar brak John zijn studie bij Arnold Schönberg af en ging experimentele composities schrijven waarin niet melodie en harmonie, maar klankkleur en ritme de belangrijkste pijlers waren. Hij borduurde voort op het werk van Anton Webern, maar nog veel meer op Erik Satie.

John Cage was homoseksueel, was nauw bevriend met de choreograaf Merce Cunningham, en hing het zenboeddhisme en het anarchisme aan. John Cage had een groot gevoel voor humor. Hij was blijmoedig zonder ergens in te geloven, hield ervan musici en toehoorders voor de gek te houden, schreef muziek die doet denken aan een tijdelijk paradijs, had uitgesproken ideeën over zichzelf en de wereld, maar deed niet gewichtig en ingewikkeld over zijn "kunst".

John Cage stierf op 12 augustus 1992 in Los Angeles, en liet talloze muzikale ideeën achter. Als stichter van de New York School en als uitvinder van abstracte muziek pur sang en elektronische composities belichaamde hij het muzikaal equivalent van het abstract modernisme.

Uitspraak: "I can't understand why people are frightened of new ideas. I'm frightened of the old ones." John Cage was hoofdprijswinnaar in een televisiequiz over paddestoelen.

John Cage componeerde

     370 volstrekt uiteenlopende werken, waaronder:

- Two pieces voor piano, 1935?, gereviseerd 1974; aarzelende gestes en lange stiltes

- First Construction (In Metal) (1939) Allerlei metalen voorwerpen worden als muziekinstrument gebruikt.

- The Wonderful Widow of Eighteen Springs, lied voor zangstem en gesloten piano, 1942, tekst uit James Joyce's Finnegans Wake.

- She Is Asleep, een onafgemaakte suite van verschillende werken, 1943. De twee complete delen zijn

1. kwartet voor 12 tom-toms (soort drums)

2. Duet voor zangstem en geprepareerde piano

- The Perilous Night, voor geprepareerde piano, 1944, een droevige, wanhopige compositie, geënt op Ierse volksvehalen, Cage was net gescheiden van Xenia.

- Prelude for Meditation voor geprepareerde piano, 1944, een erg kort werk dat maar 4 tonen gebruikt.

- A Book of Music, 1944, voor twee geprepareerde piano’s, besteld door de pianisten Robert Fizdale and Arthur Gold.

- Sonatas and Interludes for Prepared Piano, collectie van 16 sonates en 4 interludes voor prepared piano, 1948, een van Cage’s hoogtepunten, wat compositie betreft. Allerlei voorwerpen moeten tussen de snaren van de piano worden bevestigd om verschillende percussieve geluiden te produceren.

- Music for Marcel Duchamp 1947, voor geprepareerde piano, gecomponeerd voor een filmsegment, getekend door Marcel Duchamp, 11 secties van 11 maten.

- In a Landscape voor piano of harp, 1948, zijn "gewoonste" stuk

- String quartet in four parts, 1950

- A Flower, lied voor zangstem en gesloten piano, 1950. Het lied heeft geen tekst en de pianist speelt op het pianodeksel.

- Music of Changes voor solo piano, 1951, gecomponeerd voor pianist en vriend David Tudor, een volledig onvoorspelbaar werk, omdat het wat betreft toonkeuze, toonduur, dynamiek en tempi afhankelijk is van Chinese I Ching kaarten. John Cage schreef het werk na het lezen van het Chinese boek I Ching (boek der Veranderingen), dat een oud systeem van kosmologie filosofisch beschrijft.

- 4′33″, 1952. De uitvoerende hoeft gedurende de gegeven tijd helemaal niets te doen. Het hele stuk bestaat uit toevallig aanwezige niet geregisseerde omgevingsgeluiden.

- 5 Imaginary landscapes, 1939 – 1952, de eerste live-elektronische muziekcomposities

- Music for Carillon nr. 1 “for Mary Caroline Richards”, 10 juli 1952

- Music for Carillon nr. 2 “for David Tudor on his birthday” 20 januari 1954

- Aria, voor zangstem, 1958, opgedragen aan Cathy Berberian

- Pianoconcert, 1958

- Cheap Imitations, 1969

- HPSCHD ("Harpsichord"), voor 1 tot 7 geprepareerde klavecimbels en 1 tot 51 geluidsbanden met computergegenereeerde geluiden, 1969. Bijgevoegd is Program (KNOBS) for the listener, een instructie om de opname van het stuk achterstevoren af te spelen

- Song Books (Solos for Voice 3–92), een verzameling van 90 korte werken, gecomponeerd en samengesteld in 1970. vier soorten muziekwerken: liederen, liederen met electronica, aanwijzingen voor een theateruitvoering, aanwijzingen voor een theateruitvoering met eletronica, alles voor één of meer zangers.

- Child of Tree (Improvisation I), voor slagwerk, gemaakt van planten of voor planten, gebruikte als slagwerk, vóór 8 maart 1975

- Hymns and Variations, 1979, voor het tweehonderdjarig jubileum van de Amerikaanse grondwet geschreven.

- Ryoanji, voor stem, fluit, hobo, trombone, contrabas solist of combinate, ad libitum met geluidsband, en verplicht begeleid door een slagwerker of door een orkest van 20 instrumenten, 1985. John Cage werd geïnspireerd door de rotstuin van de Ryoanjitempel in Kyoto.

- Three, 1989, voor drie blokfluitspelers en het hele scala aan diverse blokfluiten

http://johncage.org

 

Tauno Marttinen (Helsinki, Finland, 27 september 1912 — Janakkala, 18 juli 2008) kreeg zijn eerste lessen van 1920 tot 1925 aan het Viipuri Music Institute. Van 1930 – 1935 studeerde hij daar piano bij Eino Lindholm en compositie bij Peter Akimoff. Van 1935 tot 1937 studeerde hij piano bij Ilmari Hannikainen en Selim Palmgrenaan aan de Sibelius-Akademie van Helsinki. In 1958 ging hij naar Ascona in Zwitserland, om bij Wladimir Vogel les in de dodecafonie (twaalftoonstechniek) te volgen.

Van 1949 tot 1958 was hij dirigent van het Stedelijk Orkest Hämeenlinna. In Hämeenlinna was hij van 1950 tot 1975 directeur van zijn eigen zelf opgerichte muziekinstituut.

Ook werkte hij onder de pseudoniemen T.M. en Tritonus als muziekrecensent.

In 1972 kreeg hij een ereprofessoraat voor zijn verdiensten in de kunst en de muziek.

In 1997 is in Leeuwarden een stichting "Tauno Marttinen Kunniaksi" ter ere Tauno Marttinen in het leven geroepen.

In 2009 heeft Dirk Meijer een catalogus van zijn werken opgesteld. De werken kregen een MV (Meijer Verzeichnis) nummer.

Tauno Marttinen componeerde 700 werken:

     20 opera’s

     1 musical

     10 symfonieën

     7 balletten

     16 concerten,

- Concerto voor viool en orkest, opus 13, M.V. 63, 1962, houterige, moeizaam klinkende muziek;

- Concerto nr.1 voor piano en orkest (Concerto Classico), opus 23, M.V. 65, 1964, weinig fantasie.

- Fantasia voor cello & orkest opus 154, M.V. 84, 1964, gereviseerd 1978, bondig en dramatisch.

     17 andere (series) orkestwerken

     8 werken voor harmonieorkest,

     3 cantates

     23 kamermuziekwerken

     2 koorwerken

     6 (series) liederen

     15 series pianowerken

     1 orgelwerk

     1 fimscore

 

Samuel Conlon Nancarrow (Texarkana, Arkansas, Verenigde Staten, 27 oktober 1912 – Mexico-Stad, 10 augustus 1997), ging in 1930 trompet te studeren aan het conservatorium van Cincinnati. In 1934 verhuisde hij naar Boston om compositie te studeren bij Walter Piston, Roger Sessions en Nicolas Slonimsky. Ook sloot hij zich aan bij de communistische partij van de VS.

In 1936 maakte hij als jazztrompettist een tournee door Europa, in 1937 ging hij aan Republikeinse zijde mee vechten in de Spaanse Burgeroorlog tegen Franco. In 1939 keerde Conlon Nancarrow zwaar gewond terug naar de VS.

Dankzij het boek New Musical Resources van de componist Henry Cowell, leerde hij de mogelijkheden kennen van de reproductiepiano (player piano). Omdat zijn lidmaatschap van de communistische partij hem in Amerika moeilijkheden opleverden, vertrok hij in 1940 naar Mexico, waar hij zich in 1948 definitief vestigde en in 1955 Mexicaans staatsburger werd.

In 1997 stierf Colon Nancarrow op 84-jarige leeftijd in Mexico City.

Colon Nancarrow was een ongeëvenaarde componist van werk voor reproductiepiano. Hij schreef en ponste die voor een Ampico-Bösendorfer-reproductiepiano. Nancarrows nalatenschap, zijn instrumenten en apparatuur bevinden zich in de Paul Sacher-Stiftung in Bazel. Tegenwoordig bestaan er versies van zijn muziek voor het digitale disklavier.

Pianist/componist Yvar Mikhashoff maakte bewerkingen voor blazers.

Colon Nancarrow componeerde

     2 orkestwerken

     9 kamermuziekwerken

     51 studies voor reproduktiepiano

     2 andere werken voor reproduktiepiano

     6 “gewone” pianowerken

 

Oscar Moret (Botterens, Zwitserland, 22 december 1912 – Fribourg, 18 april 2003) studeerde aan het Conservatoire de Lausanne compositie bij Aloys Fornerod, orkestdirectie bij Hans Haug, klarinet bij Jean Novi en orkestratie bij Naubert-Gaudin. In 1932 was hij medeoprichter van de fanfare Société de musique l'Albergine Le Paquier en een koor in Le Pâquier (Fribourg). Van beide verenigingen werd hij ook dirigent. Nadat hij afgestudeerd was, werd hij in 1942 ook dirigent van het koor La Lyre in Broc (Zwitserland).

In 1953 vertrok hij naar Fribourg, waar hij opvolger werd van Georges Aeby als dirigent van het harmonieorkest La Landwehr. Tijdens de feestelijkheden van 2500 jaar keizerrijk Perzië was dit harmonieorkest met Oscar Moret te gast in Teheran. Moret werd docent aan het Conservatoire de Fribourg in Fribourg en heeft talrijke HaFa-dirigenten en componisten opgeleid.

Oscar Moret componeerde

     1 werk voor orkest

     7 werken voor harmonieorkest

     6 werken voor mannenkoor

     1 werk voor gemengd koor

     1 werk voor zangstem en piano

 

Witold Lutosławski (Drozdowo, Polen, 25 januari 1913 – Warschau, 7 februari 1994) werd in een muzikaal gezin geboren. Hij was de jongste van drie broers. Zijn vader Józef Lutosławski was pianist. Omdat hij daarnaast verzetsgroepen organiseerde voor de bevrijding van de Russische bezetting van Polen werd hij in 1915 opgepakt en drie jaren later geëxecuteerd. Witolds moeder Maria Olszewskich Lutosławska had als een van de eerste vrouwen in Europa geneeskunde gestudeerd. Witold kreeg als klein jongetje les in piano en viool. Op vijfjarige leeftijd begon hij te improviseren en toen hij negen jaar jong was schreef hij zijn eerste kleine composities. Van 1932 tot 1937 studeerde hij compositie aan de Frédéric Chopin Muziekacademie in Warschau naast wiskunde.

Tijdens de overval van Hitler op Polen was leidde Lutosławski de militaire omroep. Hij werd door de Duitsers opgepakt, maar kon na acht dagen vluchten.De ondergedoken componist hield zich in leven door te werken als barpianist en muziekleraar. Met zijn vriend, componist Andrzej Panufnik trad Witold Lutosławski op als duo’in cafés. Ze organiseerden samen ook liefdadigheidsconcerten.

In 1946 trouwde Witold Lutoslawski met Danuta Bogislawka.

Lutosławski weigerde na de Tweede Wereldoorlog compositieopdrachten van het communistische regime en werd daarom verder genegeerd. Hij verdiende zijn brood met lichte muziek, werken voor hoorspelen, toneel, kinderliederen en zo.

Na de dood van Stalin verbeterde de culturele situatie in Polen. Lutosławski werd medeoprichter van het festival Herfst van Warschau. Nadat hij een gedeelte uit John Cage's Pianoconcert (1958) op de radio had gehoord veranderde hij zijn voorheen op Béla Bartók en Igor Stravinsky georiënteerde compositiestijl.

In 1994 overleed Witold Lutoslawski aam kanker en werd gecremeerd. Zijn toegewijde vrouw Danuta overleed kort daarna.

Witold Lutosławski componeerde

     4 symfonieën

- eerste symfonie, 1941

- symfonie nr. 2, 1967

- symfonie nr. 3,1983

- symfonie nr. 4, 1992, kort voor zijn dood gecomponeerd

     9 concerten

- Celloconcert, 1970, op Poolse volksmuziek gebaseerd

- Chain II, dialoog voor viool en orkest, 1985

- Pianoconcert, 1988, opgedragen aan Krystian Zimerman, die de premièreuitvoering voor zijn rekening nam.

     16 andere orkestwerken

- Symfonische variaties, 1938

- Mala Suite (Kleine Suite), 1950 voor kamerorkest, 1951 voor symfonieorkest, briljant

- Concert voor orkest, 1954, zijn bekendste werk, één van zijn beste composities. Opening: duistere energie met paukeslagen

- Musique funèbre (Muzyka żałobna), voor strijkorkest, 1958, ter nagedachtenis aan Béla Bartók; een hartstochtelijke klacht;

- Jeux Vénitiens 1961

- Livre pour orchestre, 1968

- Mi-Parti, 1976

- Novelette,1979

     4 werken voor harmonieorkest

- Trois poèmes d'Henri Michaux, voor gemengd koor en harmonieoprkest, 1963

     10 werken of series werken voor zangstem en piano of orkest (en koor)

     13 kamermuziekwerken

- Bukoliki (Bucolica, bundel met 10 gedichten van Vergilius) voor altviool en cello, 1952, gearrangeerd in 1962.

- Strijkkwartet, 1964, geheel eigen klankwereld

- Grave, metamorphosen voor cello and piano 1981, in memoriam voor zijn goede vriend, musicoloog  Stephan Jarocinsky. Die had zich diepgaand met Debussy beziggehouden en Lutoslawski begint het werk dan ook met de eerste vier noten van Pelléas en Méllisande van Debussy; gearrangeerd voor cello en 13 strijkers in 1982. Beklemmend werk;

- Partita voor viool en piano, 1984, in 1988 georkestreerd

     4 pianowerken

- 5 Waltzes, 1925

- Holiday Diary, 1934

- Paganini-Variaties voor twee piano's,1941, een veel gespeeld paradestukje.

- Night-Piece (Notturno)

     1 filmscore

 

Friedrich Schmidtmann (Mönchengladbach, Duitsland, 2 februari 1913 – 20 mei 1991) was componist, fagottist, blokfluitist en muziekwetenschapper.

Friedrich Schmidtmann componeerde

     opera’s

     orkestwerken

     koorwerken

     kamermuziekwerken

- Sonatine voor altblokfluit solo, 1970

 

Celedonio Romero (Cienfuegos, Cuba, 2 maart 1913 – San Diego, Californië, Verenigde Staten, 8 mei 1996) werd in Cuba geboren, terwijl zijn ouders daar op zakenreis waren. Hij begon op vijfjarige leeftijd gitaar te spelen en studeerde muziektheorie, harmonieleer, compositie en contrapunt aan het Conservatorium van Málaga en daarna aan het Koninklijk Conservatorium in Madrid bij Joaquín Turina. Celedonio Romero heeft nooit een gitaarleraar gehad

Het Francoregime verbood hem concerten buiten Spanje te geven, zodat hij in de rest van de wereld onbekend bleef.

Celedonio Romero was getrouwd met Angelita, zangeres en actrice. In het geheim wist hij aan Amerikaanse visa te komen, zodat de familie zich in Zuid-Californië kon vestigen.

Samen met zijn drie zonen Celin, Pepe, and Angel begon Celedonio Romero een gitaarkwartet: De Romeros, en begon ook les te geven. Hij stierf aan longkanker op 83-jarige leeftijd. Koning Juan Carlos I onderscheidde hem met de Orde van Isabel la Católica en Paus Johannes Paulus II maakte hem "Caballero del Santo Sepulcro".

Celedonio Romero componeerde

     88 gitaarwerken

- Suite madrileña, no. 1 para guitarra, 1986

     12 gitaarconcerten

 

Maurice Ohana (Casablanca, Marokko, 12 juni 1913 – Parijs, 13 november 1992) was de zoon van een Andalusische vader van Sefardisch-Joodse afkomst uit Gibraltar en een Andalusisch-Castiliaanse moeder. Maurice Ohana nam het Britse staatsburgerschap van zijn vader over. Tot zijn twintigste woonde Maurice Ohana in Marokko, toen verhuisde de familie naar Zuid-Frankrijk. In eerste instantie studeerde Maurice Ohana architectuur, maar uiteindelijk koos hij toch voor een muzikale carrière als pianist. Hij studeerde piano bij Lazare Lévy en contrapunt en harmonieleer bij Jean-Yves Daniel-Lesur in Parijs. In de Tweede Wereldoorlog vocht Maurice Ohana in het Britse leger in Egypte. Vanaf 1944 studeerde hij bij Alfredo Casella in Rome. In 1946 kwam Maurice Ohana weer in Parijs terug. Daar vormde hij de "Groupe Zodiaque", die zich verzette tegen musicale dogma's. In 1976 kreeg Maurice Ohana het Franse burgerschap.

Maurice Ohana maakte in zijn composities uitgebreid gebruik van microtonaliteit.

Maurice Ohana componeerde

     6 opera’s

- Syllabaire pour Phèdre ,1969

- La Celestina.

     1 ballet

     4 orkestwerken

     8 concerten

     16 kamermuziekwerken

- Sacral d’Ilx, voor hobo, hoorn en klavecimbel, 1984 

     12 werken voor koor, solisten en orkest

- Office des Oracles, 1975

- Avoaha, 1992,

     6 werken voor zangstem(men) en orkest of instrumenten

     4 (series) koorwerken voor koor a cappella

     3 gitaarwerken

- Si le jour paraît... ,1963 voor tiensnarige gitaar

- Cadran lunaire, 1982 voor tiensnarige gitaar

     6 (series) pianowerken

     5 klavecimbelwerken, één met slagwerk

     3 werken voor en ander soloinstrument

     2 filmscores

www.mauriceohana.com

 

František Domažlický (František Tausig) (Praag, Tsjechië, 13 mei 1913 – 29 October 1997) begon in de muziek als amateurviolist, trompettist, accordeonist, bandleider en componist van populaire liedjes. Later studeerde hij serieus muziek bij Šilhavého Otto.

In de Tweede Wereldoorlog werd František Domažlický eerst naar concentratiekamp Theresienstadt gestuurd en daarna naar de vernietigingskampen van Auschwitz-Birkenau en Schwarzheide. Aan het eind van de oorlog overleefde hij de beruchte dodenmars.

Na de oorlog studeerde hij aan de Academy of Performing Arts in Praag viool bij Francis Daniel en compositie bij Jaroslav Ridky en Emil Hlobil. Vanaf 1950 speelde hij de viool en altviool in verschillende orkesten in Praag.

Francis Domažlický bracht het laatste deel van zijn leven door in Blevicích (bij Zákolany), waar hij componeerde op zijn boerderij en paarden fokte.

František Domažlický componeerde

     12 orkestwerken

     16 concerten

     33 kamermuziekwerken

     2 koorwerken

     1 werk voor solist, koor en orkest

     4 (series) liederen voor zangstem en piano

 

Robert Schollum (*Wenen, Oostenrijk, 22 augustus 1913 – 30 september 1987) studeerde aan het Neue Wiener Konservatorium en de Wiener Musikakademie compositie bij Joseph Marx, muziektheorie bij Egon Lustgarten en orgel en piano bij Carl Lafite. Hij doceerde aan het Neuen Wiener Konservatorium en gaf pianoles aan het conservatorium voor volksmuziekstudie.

In 1932 sloot Robert Schollum zich aan bij de Hitlerjugend, ook bij de SA. Vanaf 1933 werkte hij als dirigent. Van 1939 tot 1945 deed hij dienst als militair bij de Duitse Wehrmacht, na een verwonding deed hij dienst als penningmeester bij het Russische front.

Na 1945 was Robert Schollum koorleider aan de Oude Dom in Linz en leidde hij daarnaast een aantal andere koren en orkesten.

In 1959 werd hij docent voor lied en oratorium aan de Weense Academie voor muziek en kunst; hij bleef dat doen tot 1983.

Robert Schollum had twee geadopteerde zoons. Hij is begraven in een eregraf op het Wiener Zentralfriedhof.

Robert Schollum componeerde

     24 (series) orkestwerken

     5 concerten

     1 werk voor kamerensemble

     6 werken voor jeugdensemble

     6 werken voor koor en orkest

     4 (series) werken voor kooor en instrumenten

     11 (series) koorwerken a cappella

     3 (series) liederen voor zangstem en orkest of instrumenten

     5 (series) liederen voor zangstem en piano

- Lieder aus dem Wunderhorn, 10 liederen voor hoge zangstem en piano, opus 12, 1936

  6. Schneckenlocken.

10. Wenn das Kind etwas nicht gern isst

     55 canons

     40 kamermuziekwerken

     13 (series) pianowerken

     3 (series) orgelwerken

     1 werken voor viool solo

 

Edward Benjamin Britten (Lowestoft, Engeland, 22 november 1913 (St Cecilia's day!) – Aldeburgh, 4 december 1976) was de zoon van een tandarts en een muzikale moeder. Hij volgde les aan Gresham's School te Holt, Norfolk. Hij was leerling piano bij Harold Samuel en leerling compositie bij Frank Bridge. Dankzij een beurs kon hij studeren aan het Royal College of Music in Londen bij John Ireland en Arthur Benjamin.

Na al enige muziek te hebben geschreven voor documentaires kwam zijn doorbraak door de uitvoering van Variations on a theme of Frank Bridge, dat zijn première kreeg op het Salzburg Festival in 1937. Door de daaropvolgende composities, met name Sinfonia da Requiem en Serenade, werd hem de leidende rol in Britse klassieke muziek toegedicht. Van 1939 tot 1942 woonde Britten in de Verenigde Staten. In 1945 volgde de première van zijn tweede opera Peter Grimes, dat leidde tot de erkenning als dramaturg.

Britten schreef veel werken voor zijn partner, de tenor Peter Pears. Hij was atheïst. Vanaf  1947 woonden ze in het pittoreske Aldeburgh, een kleine plaats met weidse landschappen en uitzicht op zee. 

Hij richtte in 1948 het Aldeburgh Festival op in zijn woonplaats. In drie weken tijd werden met 100 musici 40 voorstellingen gegeven. Het festival ontwikkelt zich van kerkzaaltjes en buurthuizen tot de Snape Hall, een omgebouwd historisch brouwerijterrein, waar koningin Elisabeth het festival zelf kwam openen. Benjamin Britten verwierf in 1976 de titel 'baron'.

Het "Red House", de verbouwde boerderij waar Benjamin Britten van 1957 tot zijn dood in 1976 woonde, is nu een vrij toegankelijk Brittenmuseum. In 1979 maakte Tony Palmer een filmprotret van Benjamin Britten: A time there was.... te krijgen bij www.newartsint.com

Benjamin Britten componeerde

     13 opera’s

- Peter Grimes, opera in 3 aktes, opus 33, libretto Montagu Slater naar George Crabbes The Borough, 1945. Met drie karikaturale nichtjes

- The Rape of& Lucretia, opus 37, kameropera in twee acten, 12 juli 1946, libretto Ronald Duncan, gebaseerd op het toneelstuk Le Viol de Lucrèce van André Obey's. De opera is geschreven voor & Kathleen Ferrier, die bij de première de titelrol zong. De geschiedenis van de getrouwde Lucretia, die verkracht wordt door de Etruskische prins Tarquinius Superbus, een opschepper, een macho die geen tegenspraak duldt. Intieme opera.

- Albert Herring, opus 39, kameropera in drie bedrijven, 1947, komische opera, libretto Eric Crozier, gebaseerd op Guy de Maupassant's novelle& Le Rosier de Madame Husson, overgezet in een Engelse situatie. De opera gaat over het leven in een Brits dorpje rond 1900. Het dorp kan geen meisje vinden dat geschikt is voor de rol van meikoningin en daarom is moederkindje Albert Herring de klos. Dat leidt tot pesterijen.

- The Little Sweep, opus 45, opera& voor kinderen in drie scenes, libretto& Eric Crozier. 1949. De opera, met het verhaal over Sam, de kleine schoorsteenveger,& is het tweede deel van het theaterstuk “Let's Make an Opera!”. Het eerste deel is een toneelstuk, waarin amateurs proberen een opera vorm te geven. Zowel volwassenen als kinderen hebben rollen. Het is een mooie kennismaking voor kinderen met het fenomeen “Opera”.

- Billy Bud, opera in 2 aktes, opus 50, libretto E.M Forster en Eric Crozier, 1951. Captain Vere (tenor) van het marineschip HMS Indomitable kijkt terug op een drama van een aantal jaren geleden met matroos Billy Bud (bariton). In het verhaal lopen nogal wat andere zeelui rond, zoals Squeak (tenor), de scheepskorporaal.

- The Turn of the Screw, kameropera in 2 acten, 14 September 1954, libretto Myfanwy Piper, gebaseerd op de novelle The Turn of the Screw& van Henry James. Elk van de 16 scènes wordt voorafgegaan door een variatie op het twaalftonig “Screwthema”. Elke variatiegeeft een "draai van de schroef" weer. Een spookverhaal met een gouvernante (sopraan) die op de kinderen Miles (alt) en Flora (sopraan) moet passen, die belaagt worden& door de geesten van de voormalige gouvernante Jessel (sopraan) en voormalige huisknecht Peter Quint (tenor). Mevrouw Grose, de huishoudster (sopraan) heeft ook een belangrijke rol.

- Noye's Fludde, & opus 59, 1957, opera in één bedrijf, voor een gemengd gezelschap van beroepsmusici en amateurs, waarbij naast strijkers, twee piano's, orgel, jachthoorns, handklokken, allerlei percussie-instrumenten, ook een solo-altblokfluit en een Ripienogroep, bestaande uit tenminste 12 sopraanblokfluiten en 12 altblokfluiten wordt voorgeschreven. Dit is best een indrukwekkend werk, dat voor het eerst in 1958 in de Orford Church bij Aldeburgh werd uitgevoerd, en daar in 1961 op een plaat& gezet (later overgenomen op CD). Tussen 1996 en 2001 is het stuk 95 keer in het Verenigd Koninkrijk opgevoerd, 42 keer in de Verenigde Staten en 33 keer in Europa (4 keer in Duitsland).

- Death in Venice& opera& in twee bedrijven, gebaseerd op de roman Death in Venice door Thomas Mann, libretto Mary Myfanwy Piper, 16 juni 1973. Hoofdpersoon is de beroemde schrijver Aschenbach (tenor), die op reis gaat naar Venetië. Daar ontmoet hij de mooie Poolse jongeman Tadzio, die alleen zonder tekst danst. Een belangrijke plek is ingeruimd voor de stem van Apollo (countertenor).& De opera smeult vervaarlijk; er is een orkestsuite uit gearrangeerd door Steuart Bedford, kort na Brittens dood. Een intellectuele literatuuropera.

     2 balletten

     3 parabels

     8 andere theaterwerken

- A Midsummer Night’s Dream, op tekst van William Shakespeare

     17 werken voor orkest

- Simple Symphony, opus 4, voor strijkorkest, 1934, opgedragen aan Audrey Alston (Mrs Lincolne Sutton), Britten's vioollerares in zijn kinderjaren; kan ook uitgevoerd worden door strijkkwartet

- Variations on a Theme of Frank Bridge, opus 10, voor strijkorkest, 1937, het eerste werk dat voor internationale belangstelling voor Britten zorgde. Allerlei compositietechnieken zijn toegepast en allerlei parodieën op vormen en stijlen.

- Sinfonia da Requiem, opus 20, 1940, toen Benjamin Britten 26 Jaar was. Het was een van de werken, besteld bij verschillende componisten door de Japanse regering om de 2600ste verjaardag van het Japanse keizerrijk te vieren. Uiteindelijk werd het niet aanvaard vanwege de Latijnse titels met Christelijke impact van de drie verschillende delen.

- The Young Person's Guide to the Orchestra, 1946, zijn bekendste werk, een reeks orkestvariaties op een rondo van Henry Purcell. Het is het eerste muziekstuk dat specifiek als educatief middel is gecomponeerd. Benjamin Britten schreef op het hoofdthema veriaties die elk bepaalde kenmerken van verschillende orkestinstrumenten belichten.

- Vier “Sea Interludes”, opus 33a, en Passacaglia , opus 33b, uit de opera Peter Grimes, 1945

- Suite over Enelse volksliedjes, er was eens..., voor kamerorkest, 1966, gereviseerd in 1974

- Lachrymae, overdenking op een lied Dowland voor altviool en strijkorkest, 1976, opus 48a, naar  If My Complaints Could Passions Move van John Dowland, bewerking van het werk voor altviool en piano, opus 48 uit 1950.

     9 concerten

- Dubbelconcert voor viool, altviool en orkest, 1932,

- Piano Concerto, opus 13, 1938 revisie 1945, energiek bravourespel, broeierige walsjes en kekke marsmuziek, het enige Britse pianoconcert van statuur.

- Vioolconcert opus 15, 1939, revisie 1958, één van de mooiste vioolconcerten die er zijn. Bloedmooi.

- Symfonie voor cello en orkest, (Cellosymfonie) opus 68, 1963, geschreven voor Mstislav Rostropovitsj.

- Scottish Ballad voor twee piano’s en orkest, opus 26, 1941

- "Movements for a Clarinet Concerto" nooit voltooid klarinetconcert, 1943, alleen het eerste deel is uitgecomponeerd, Colin Matthews  voegde twee delen toe, waarvan schetsen van Britten uit 1940 teruggevonden waren. Het concert is voor het eerst in 2008 uitgevoerd. Brittens beste muzikale eigenschappen spatten er van af.

- Elegy for Orchestra, 1958, voor viool en orkest, arrangement van het Adagio uit het vioolconcert in d kleine terts,  WoO 23  van Robert Schumann

     13 werken voor zangstem(men), (koor) en instrumenten

- Les Illuminations (De verbeeldingen), opus 18, 1940, liedcyclus van tien filosofische reflecties op gedichten van Arthur Rimbaud voor sopraan of tenor en strijkorkest, geschreven in 1872 en 1873 en opgenomen in zijn bundel Les Illuminations.

- Serenade voor tenor, hoorn en strijkorkest, opus 31, 1943, liedcyclus van zes gedichten van Britse dichters, met als onderwerp “nacht”. De hoorn speelt een hoofdrol.

- Spring Symphony, voor sopraan, alt, tenor, (jongens)koor en orkest, 1949, op willekeurige teksten met als onderwerp: Lente; de symfonie is geschreven op verzoek van Serge Koussevitzky en het Boston Symphony Orchestra.

- Five Canticles, een serie van vijf cantates geschreven op verschillende momenten

Canticle I "My beloved is mine and I am his" opus 40, 1947, herinnering aan Dick Sheppard, voormalig vicaris van St Martin-in-the-Fields, tekst gedichten van Francis Quarles, gebaseerd op het Hooglied, voor hoge zangstem en piano

Canticle II "Abraham and Isaac" opus 51, 1952 voor twee zangstemmen en piano

Canticle III Still falls the rain, opus 55, voor zangstem, hoorn en piano, 1954 ter herinnering aan de Australische pianist Noel Mewton-Wood. De tekst is gebaseerd op het gedicht "The Canticle of the Rose" van Edith Sitwell

Canticle IV "The Journey of the Magi", opus 86, 1971 voor drie zangstemmen, gebaseerd op het gelijknamige gedicht van T. S. Eliot

Canticle V "The Death of Saint Narcissus", opus 89, 1974 ter herinnering aan William Plomer,  voor zangstem en piano.

- War Requiem,1962; Britten, overtuigd pacifist, verweeft in dit meesterwerk de Latijnse requiemteksten op ingenieuze wijze met vijf gedichten van Wilfred Owen, een van de Britse frontsoldaten uit de Eerste Wereldoorlog, over de zinloosheid van de oorlog en de hypocrisie van de kerk. De kathedraal van Coventry (midden Engeland) was bij een bombardement in 1940 zwaar beschadigd. Benjamin Britten schreef zijn requiem voor de hernieuwde inwijding van de gerenoveerde kerk in 1962. Daarna werd en wordt het werk veel gespeeld bij herdenkingsgelegenheden. Benjamin britten hechtte aan verschillende nationaliteiten voor de solisten. Bij de première waren dat een Russische sopraan, een Britse tenor en een Duitse bariton. De requiem-episodes zijn voor sopraan, gemengd koor, jongenskoor en symfonieorkest; de Owen-passages door tenor, bariton en klein instrumentaal ensemble; de sopraanpartij is van een bovenaardse schoonheid, je moet er wel een hele goede sopraan voor hebben.

     9 strijkkwartetten of werken voor strijkkwartet

- Drie Divertimenti, 1933, gereviseerd in 1936: March, Waltz, Burlesque

- strijkkwartet nr. 1 in D grote terts, opus 25, 1941, vol jeugdige gretigheid met referenties aan de Weense Klassieken.

- strijkkwartet nr. 2 in C grote terts, opus 36, 1945

- strijkkwartet nr. 3 in G grote terts, opus 94, 1975

     13 andere kamermuziekwerken

- Phantasy kwintet in f kleine terts voor twee violen, twee altviolen en cello, 25 februari 1932, meesterwerkje, pas postuum in 1983 gepubliceerd.

- Phantasy kwartet voor hobo en strijktrio, opus 2, 1932, schreef Britten op 19-jarige leeftijd; prachtige tekeningen en spanningsopbouw.

- Temporal Variations, voor hobo en piano, 1936

- Alpine Suite voor twee sopraanblokfluiten en een altblokfluit, opgedragen aan zijn vriendin Mary Potter, 1955, zesdelige suite: deel 3. "Nursely slopes"

- Scherzo voor blokfluitkwartet, 1954.

- Cello Sonata in C grote terts, opus 65, 1961, eerste deel "dialogo".

- Nocturnal after John Dowland, opus 70, 1963, voor gitaar, geschreven voor Julian Bream, een lang en bijzonder verhaal

- Lachrymae, overdenking op een lied Dowland voor altviool en piano, 1950, opus 48, naar  If My Complaints Could Passions Move van John Dowland, in 1976 gearrangeerd voor altviool en strijkorkest., opus 48a

     18 koorwerken

- Friday Afternoons, opus 7, liedcyclus van 12 liederen voor kinderstemmen en piano, 1935, geschreven voor de leerlingen  van de Clive House School in Prestatyn, waar zijn broer schoolhoofd was.

- Hymn to St Cecilia, opus 27, 1942, op de tekst "Anthem for St. Cecilia’s Day  van W. H. Auden (for Benjamin Britten)". Benjamin Britten was geboren op St. Cecilia’s dag, de patroonheilige van alle musici, dus hij moest daar wel wat aan doen.

- A Ceremony of Carols, opus 28, 1942, voor driestemmig vrouwen/kinderkoor, solostemmen en harp. Geschreven voor Kerst, 11 delen, met tekst uit The English Galaxy of Shorter Poems, van Gerald Bullett; in Middeleeuws Engels. Er is ook een arrangement voor gemengd koor en harp of piano. Benjamin Britten reisde in 1942 met de boot van de Verenigde Staten naar Engeland en verveelde zich behoorlijk. Tijdens een tussenstop in Nova Scota kocht hij het boekje met Middel-Engelse teksten en begon het meteen op muziek te zetten.

1. "Procession" ("Hodie Christus natus est", Gregoriaans antifoon bij het Magnificat tijdens de Tweede Vespers van Kerst)

6. "This little Babe" (tekst Robert Southwell, 1595) een tweestemmige bumperklevercanon

8. "In Freezing Winter Night" (tekst: Southwell), venijnige harmonieën

10.  "Deo Gracias" tekst begin 15de eeuw; hoogtepunt

- Rejoice in the Lamb, opus 30, 1943, feestcantate voor 4 solisten, koor en orgel, gebaseerd op het gedicht Jubilate Agno van Christopher Smart (1722-1771).

- Festival Te Deum, opus 32, Te Deumzetting uit het Book of Common Prayer voor alt, koor en orgel, 1944, gecomponeerd om het honderdjarig bestaan van de Sint Marcuskerk in Swindon te vieren.

     25 (series) liederen

- On this Island, voor hoge stem en piano, opus 11, tekst Wystan H. Auden, 1937

- Cabaret Songs, 1937, vier liederen op teksten van Wystan H. Auden, geschreven voor de Engelse zangeres Hedli Anderson

2. Funeral Blues, onheilszwanger lied.

- Les Illuminations, opus 18, 1940, 10 liederen voor zang en strijkers op teksten van Arthur Rimbaud. Drie liederen werden wel door Benjamin Britten gecomponeerd, maar niet opgenomen. Ze worden de laatste jaren vaak in een orkestratie van C.Matthews uitgevoerd. 

- Seven Sonnets of Michelangelo voor tenor en piano, opus 22, 1940

- Serenade, voor tenor, hoorn en strijkers, opus 31, liederencyclus van zes gedichten van Engelse dichters (Blake, Jonson, Cotton en Terryson) over het onderwerp “nacht”; 1943; opgedragen aan zijn partner, tenor Peter Pears; de “proloog” en de “epiloog” zijn voor hoorn solo; het werk is standaardrepertoire zowel voor tenorzangers als hoornblazers; qua dramatiek en expressie is het een soort opera; de eerste hoornist die het uitvoerde was Dennis Brain, een legendarische "Paganini van de hoorn"; de eerste maten zijn voor elke hoornist  een verzoeking.

deel 2. "Pastoral", setting van The Evening Quatrains van Charles Cotton (1630–1687).

- Now Sleeps the Crimson Petal, 1943, voor tenor, hoorn en strijkers, een afgekeurd deel uit de Serenade opus 31, maar niet minder mooi, met een prachtig duet tussen hoorn en tenor. Pas ná Brittens dood gepubliceerd en wordt altijd apart van de Serenade uitgevoerd.

- The Holy Sonnets of John Donne ; 9 sonetten van de Engelse priester/dichter John Donne (1572-1631), gezet voor tenor and piano, 1945

- Canticle I "My beloved is mine and I am his" opus 40, 1947 tekst uit "A Divine Rapture" van Francis Quarles, gebaseerd op het Hooglied uit de Bijbel. De eerste van 5 Canticles, die Britten tussen 1947 en 1974 componeerde

- A Charm of Lullabies, liedcyclus van vijf liederen, opus 41, voor mezzo-sopraan en piano, 1947

nr. 2 The Highland balou (tekst: Burns); met Schots accent te zingen;

- Winter Words, opus 52, liedcyclus voor tenor en piano, 1954, 8 gedichten van Thomas Hardy, fraaibleke muziek

nr. 5. The Choirmaster's Burial (or The Tenor Man’s Story), adembenemend

nr. 8. Before Life and After

- Canticle III: Still falls the rain: The raids 1940. Night and dawn, opus.55, 1954, voor zanger (tenor), hoorn en piano, gebaseerd op een gedicht van Edith Sitwell, in 1941 gepubliceerd en geïnspireerd door de verschrikkelijke bombardementen op Londen.

- Songs from the Chinese voor sopraan of tenor en gitaar, opus 58, 1957, karaktervol gitaarspel.

nr. 5. Depression (tekst Po Chu-i)

- Nocturne, opus 60, 1958, 8-delige liederencyclus voor tenor, 7 verplichte instrumenten (fluit, Engelse hoorn, klarinet, fagot, harp, Franse hoorn en slagwerk) en strijkers.  Opgedragen aan Alma Mahler.

1. "On a Poet’s Lips I Slept" van Shelley: “ Prometheus Unbound”, begeleiding strijkers

3. "Encinctured with a twine of leaves" uit The Wanderings of Cain, van Samuel Taylor Coleridge, met harp, zoet maar ook een beetje eng

4. "Midnight Bell” uit Blurt, Master Constable van Thomas Middleton, met Franse hoorn, griezelig hoorspel

6. "The Kind Ghosts", tekst Wilfred Owen, met Engelse hoorn, verhaal van een slapende dame en dode jongens, ev en poëtisch als spookachtig

7 . "Sleep and Poetry", van Keats, begeleiding strijkers, fluit en klarinet

- Sechs Hölderlin-Fragmente, opus 61, voor tenor en piano, 1958

nr. 3. Socrates und Alcibiades

- Who are these Children?, opus. 84, voor tenor en piano (woorden William Soutar), 1969

- 8 boeken Folksong Arrangements van de Britse Eilanden en Frankrijk voor zangstem en piano, gitaar  of harp

Folksongs deel 1

- "The bonny Earl o'Moray"

- "Early One Morning", arrangement van een Engels volkslied uit 1787, heel populair bij de toenmalige dienstmeisjes.

     7 (series) pianowerken

- Vijf Walsen, 1923–1925, herzien in 1969

- Holiday Diary,1934

- Nachtstuk (Notturno), 1963

     2 werken voor 2  piano’s

     1 werk voor orgel

     4 werken voor cello solo, gecomponeerd voor Rostropovitsj, lastig werk;  dansante ritmen, verkaapte meerstemmigheid, rijkdom aan emoties.

- cellosuite nr. 1, 1964, 9-delige suite:

1. Canto primo: Sostenuto e largamente

2. Fuga: Andante moderato

3. Lamento: Lento rubato

4. Canto secondo: Sostenuto

5. Serenata: Allegretto pizzicato

6. Marcia: Alla marcia moderato

7. Canto terzo: Sostenuto

8. Bordone: Moderato quasi recitativo

9. Moto perpetuo e Canto quarto: Presto

- cellosuite nr. 2, 1967

- cellosuite nr. 3, 1972

- Tema "Sacher" voor cello solo, 1976

     5 werken voor een ander soloinstrument

- Six Metamorphoses after Ovid, opus 49 programmamuziek voor hobo solo, 1951, geïnspireerd door de Metamorfosen van Ovidius, opgedragen aan hoboïste Joy Boughton, dochter van zijn vriend en collegacomponist  Rutland Boughton.

- Nocturnal naar John Dowland, opus 70, 1963, voor gitaar, geschreven voor gitarist Julian Bream. het 8-delige werk is eens van de meest invloedrijke stukken die in de twintigste eeuw voor gitaar geschreven werden.

- Suite voor harp, opus 83, 1969

     1 filmscore

 

Morton Gould (Richmond Hill, Long Island, Verenigde Staten, 10 december 1913 – Orlando, Florida, 21 februari 1996) was een wonderkind. Zijn eerste compositie werd gepubliceerd toen hij zes jaar was. Morton Gould studeerde aan het Institute of Musical Art (de voorganger van de Juilliard School of Music) bij Joseph Westside en aan de New York University piano bij Abby Whiteside en compositie bij Vincent Jones.

Morton Gould werkte bij de NBC-radio-omroep en was een veelgevraagd pianist en dirigent. In 1995 won hij de Pulitzer-prijs voor zijn werk Stringmusic.

Morton Gould componeerde

     4 theaterprodukties

- Billion Dollar Baby,

- Arms and the Girl,

     4  balletten

- Interplay,1943, typisch Amerikaanse, makkelijke in het gehoor liggende muziek, in wezen melancholisch.

- Fall River Legend

- I'm Old Fashioned.

     101 orkestwerken

     24 concerten

     64 werken voor harmonie–orkest

     18 kamermuziekwerken

     23 pianowerken

     15 koorwerken

     10 werken voor koor en orkest of ensemble

     1 werk voor zangstem en instrumenten 

     3 filmscores

- Delightfulle Dangerous,

- Cinerama Holiday,

- Windjammer,

     televisiescores

- Holocaust

 

Hans Henkemans (Den Haag, 23 december 1913 - Nieuwegein, 29 december 1995) studeerde van 1926 tot 1931 piano en compositie bij Bernhard van den Sigtenhorst Meyer en van 1933 tot 1938 bij Willem Pijper. Daarnaast studeerde Hans Henkemans vanaf 1931 geneeskunde aan de Universiteit van Utrecht.

Tijdens de Duitse bezetting weigerde Hans Henkemans zich aan te melden bij de Kultuurkamer. In september 1946 trad Hans Henkemans toe tot de Ereraad die zich boog over het oorlogsverleden van Nederlandse musici.

Vrij snel na de oorlog staakte hij zijn activiteiten als arts en wijdde zich geheel aan de muziek. In de jaren 60 was hij docent compositie en instrumentatie aan het Noord-Nederlands Conservatorium te Groningen.; aan het Muzieklyceum te Amsterdam gaf hij pianolessen.

Zijn verslechterende gezondheid dwong Hans beëindigen. Vanaf die tijd concentreerde hij zich op het componeren en zijn psychiatrische praktijk.

In 1981 promoveerde Hans Henkemans op 67-jarige leeftijd in de psychiatrie met het proefschrift Aspecten van de sublimatie, haar stoornissen en de therapie hiervan.

Hans Henkemans componeerde

     1 opera

     15 orkestwerken

- Concerto voor viool en orkest, 1950

- Partita voor orkest, 1960

     1 cantate

     2 werken voor koor en orkest

     5 (series) werken voor zangstem en orkest

     3  (series) werken voor (zang)stem en piano

     9 kamermuziekwerken

     3 pianowerken

     1 werk voor beiaard

     orkestratie van de 12 préludes van Claude Debussy