Componisten

vanaf 1916

 

Henri Dutilleux (Angers, departement Maine-et-Loire, Frankrijk, 22 januari 1916 – Parijs, 22 mei 2013) vertrok op zesjarige leeftijd met zijn familie naar Douai. Henri Dutilleux kwam uit een artistieke familie. Zijn grootvader van vaders kant, Constant Dutilleux, was kunstschilder en zijn grootvader van moederskant, Julien Koszul, componist en musicus. Tijdens zijn  schooltijd begon hij al met studies voor piano, harmonieleer en contrapunt bij Victor Gallois aan het conservatorium te Douai. Van 1933 tot 1938 ging hij naar het Conservatoire national supérieur de musique in Parijs en vervolgde daar zijn studies bij Jean Gallon en Noël Gallon in de vakken harmonieleer en contrapunt, bij Henri Paul Busser compositie en bij Maurice Emmanuel muziekgeschiedenis.

In 1938 won hij de Prix de Rome met zijn cantate L'anneau du roi.  Terug in Parijs werd hij koordirigent van de Opéra en werd in 1944 leider van de muziekproductie van de Franse omroep ORTF, een functie die hij tot 1963 vervulde. Van 1961 tot 1970 doceerde hij compositie aan de École Normale de musique de Paris.

Henri Dutilleux was getrouwd met de pianiste Genevičven Joy (1919 – 2009), voor wie hij zijn pianosonate opus 1 schreef. Ze was zijn (kritische) muze. Hij werd tot zijn overlijden op 97-jarige leeftijd in Parijs in 2013 gezien als de grootste nog levende componist.

Henri Dutilleux componeerde

     1 ballet

- Le Loup, 1953, ballet geschreven voor het gezelschap Roland Petit

     2 symphonieën

- Symfonie nr. 1, 1951, voor 85 instrumenten; opent met een Passacaglia, 35 variaties over een viermatig jazzig basmotief. Geniaal vierdelig werk. Lyrisch tweede en swingend derde deel.

- Symfonie nr. 2,  Le double, 1959. Opdracht van de Koussevitzky Foundation voor de vijfenbeventigste verjaardag van het Boston Symfonieorkest. "Le double", omdat er een schaduworkest van 12 instrumenten in het grote orkest verstopt zit, dat echo's en tegenstemmen laat horen.

     3 concerten voor cello en viool,

- Tout un monde lointain (een volledig verre wereld), celloconcerto, 1970, gecomponeerd voor Mstislav Rostopovich; één van de belangrijkste 20e-eeuwse bijdragen aan het cellorepertoire. Elk van de vijf delen werd geďnspireerd door een citaat van Charles Baudelaire.

- L'Arbre des Songes, concert voor viool en orkest, 1985, gecomponeerd voor Isaac Stern. Structuur van een boom met grillige takken, kleurige bloemen en sierlijke bladeren.

- Sur le męme accord (Over slechts één akkoord) voor viool en orkest, 2002, geschreven voor violiste Anne-Sophie Mutter; het hele werk, in zes afwisselende secties is gebaseerd op het zesstemmige accoord, waar het werk mee opent.

     5 andere orkestwerken

- Trois tableaux symphoniques, theatermuziek naar  Les hauts de Hurlevent (“Woeste Hoogten” van Emily Bronté), 1945, een soort symfonisch gedicht, geniaal.

- Métaboles, 1964, een soort concert voor orkest in vijf adembenemende episoden

- Timbres, espace, mouvement, 1978, ondertiteld La Nuit etoilée (de sterrennacht) naar het schilderij van Vincent Van Gogh. Henri Dutilleux wilde het schilderij in muziek vertalen. Het werk is opgedragen aan Charles Münch. Schitterende klankleuren en een imposante hoeveelheid slagwerk.

- Mystčre de l'instant, 1989, suite van tien “momentopnames” over het mysterie van de tijd;

- The Shadows of Time, voor drie kinderstemmen en orkest, 1997; één van de delen van het vijfdelige werk is opgedragen aan Anne Frank en alle onschuldige kinderen, geschreven op verzoek van het Boston Symfonie-orkest ter herdenking van de Tweede Wereldoorlog. Mystiek kakarkter.

     1 werk voor harmonieorkest

     8 kamermuziekwerken

- Sonatine voor fluit en piano, 1943 

     11 werken voor zangstem(men) en piano, orgel of orkest

- Quatre mélodies, op gedichten van R. Genty, E. Borsent, A. de Noailles en A. Bellessort, 1942, voor bariton of mezzosopraan, piano of orkest

- Trois sonnets de Jean Cassou, voor bariton en piano, 1954, drie oorlogssonnetten, bedoeld als verzetsliederen.

- Correspondances, vijf liederen voor sopraan en orkest, 2003, geschreven voor sopraan Dawn Upshaw.

- Le temps l'horloge voor sopraan en orkest, 2007, drie liederen op twee gedichten van Jean Tardieu ("Le temps l'horloge" en "Le masque"), en een van Robert Desnos ("Le dernier počme") en op het prozagedicht van Charles Baudelaire "Enivrez-vous". Het werk is geschreven voor de Amerikaanse sopraan Renée Fleming, die deze zangstukken dan ook glorieus uitvoert.

     9 werken of series werken voor piano

- Sonate pour piano, 1948, opgedragen aan pianiste en echtgenote Genevičve Joy.

- Quatre figures de résonances, 1976, voor twee piano’s, een en al kleur en betovering.

     1 werk voor cello solo

- Trois strophes sur le nom de Sacher (Drie coupletten over de naam Sacher) voor cello solo, 1976–1982

     5 filmscores

- La Fille du diable, regie  Henri Decoin, 1945

 

László Weiner (Szombathely, Oostenrijk-Hongarije, 9 april 1916 – Lukov, Slowakije, 25 juli 1944) begon al jong thuis muziek te studeren. László Weiner studeerde hij piano en directie aan de Muziekacademie in Boedapest, en van 1934 tot 1940 compositie bij Zoltán Kodály.

László Weiner trouwde in 1942 met zangeres Vera Rózsa.

In februari 1943 werd László Weiner als Jood door de Nazi’s gedeporteerd naar het Lukov dwangarbeidskamp in Slowakije, waar hij later werd vermoord.Zoltán Kodály heeft zijn uitertste best gedaan László Weiner en zijn collega Jenő Deutsch te redden, maar tevergeefs.

László Weiner componeerde

     2 orkestwerken

     4 kamermuziekwerken

     3 liederen

 

Alberto Evaristo Ginastera (Buenos Aires, Argentinië, 11 april 1916 – Genčve, Zwitserland, 25 juni 1983), zoon van Catalaanse en Italiaanse emigranten ging  op 12-jarige leeftijd ging hij naar het Conservatorio de Música y Arte Escénico "Alberto Williams in Buenos Aires en daarna naar het Conservatorio Nacional Superior de Música "Carlos López Buchardo" ook in Buenos Aires, waar hij 1938 zijn diploma behaalde met onderscheiding. In deze periode was hij al een opkomende ster.

In zijn eerste werken verwerkt hij de Argentijnse folklore (Panambí, Danzas Argentinas en Estancia). Zijn voorkeur voor folklore verandert in de loop der jaren. In de Variaciones Concertantes heeft hij de folk-traditie geabsorbeerd zonder deze in de muziek aan te halen. Moderne technieken worden verweven met nationale invloed. In de late werken vanaf 1958 hoor je het neo-expressionisme naar voren komen (Bomarzo, Popul Vuh para orquesta, 2e celloconcert).

Alberto Ginastera omponeerde

     3 opera’s

- Don Rodrigo, opus 31.opera in 3 aktes en 9 scčnes, 24 juli 1964, libretto  Alejandro Rodríguez Álvarez. De opera speelt in de 8ste eeuw. Koning Rodrigo verliest Spanje aan de Moiren. De grote aria van Rodrigo (tenor) uit het derde bedrijf "Seńor del Perdón"  klinkt als een klok en zorgde in 1996 voor een doorbraak van de tenor Placido Domingo.

- Bomarzo, opera in twee bedrijven, verdeeld over een een prelude en 15 scenes, opus 34, 19 mei 1967, libretto van Manuel Mujica Laínez, gebaseerd op zijn roman uit 1962 over de 16de eeuwse Italiaanse excentriekeling Pier Francesco Orsini, In de opera gebruikt de componsit twaalftoonstechniek en kwarttonen.

     2 balletten

     19 werken voor orkest

- Danzas de "Estancia" opus 8a, 1943

1.The Land Workers

2.Wheat Dance

3.The Cattle Men

4. Final Dance (Malambo)

- Variaciones concertantes, opus 23, 1953

- Harp Concerto,1965

- Concerto para Cuerdas (concert voor strijkorkest), opus 33, 1965, sterke ritmiek, briljant, de pampa’s zijn erin te horen;

     2 werken voor harmonieorkest

     10 vocale werken met orkest of instrument(en)

- Cinco canciones populares argentinas, 1943, voor zang en piano, opus 10

2. Triste, ingetogen cantilene

4. Arrorró, in heel Latijns-Amerika populair wiegeliedje

- Milena,  cantate voor sopraan en orkest, opus 37, 1971, gecomponeerd op getormenteerde liefdesbrieven die Kafka schreef aan de onbereikbare Tsjechische schone, maar getrouwde, Milena Jesenkĺ, een meesterwerk. Indringende portretten van een even poëtische als dolende ziel. Alle wanhoop klinkt tegelijk even beklemmend als oorstrelend mooi.

     Hieremiae Prophetae Lamentationes voor gemengd koor, opus 14, 1946, een meesterwerk voor koor, dat bestaat uit drie delen: O vos omnes, Ego vir videns en Recordare, Domine

     9 kamermuziekwerken

- Strijkkwartet nr. 1, opus 20, 1948, energiek en meeslepend, betekende een doorbraak voor de componist.

     12 (series) werken voor piano

- Danzas Argentinas, opus 2, cyclus van drie dansen, 1937

- Drie stukken, opus 6, 1940

- Suite de danzas criollas, opus15, 1946, gereviseerd in 1956

- Piano Sonata nr.1, opus 22, 1952

     2 (series) werken voor orgel

     1 werk voor gitaar

- Sonata voor gitaar, opus 47, geschreven voor de gitarist Carlos Barbosa-Lima, 1976, gereviseerd in 1981.

 

David (Dave) Mann (David Freedman) (Philadelphia, Pennsylvania, Verenigde Staten, 3 oktober, 1916 – New York, 1 maart 2002) speelde al op het gehoor piano toen hij vier jaar oud was en speelde rond Philadelphia overal piano vanaf zijn dertiende. David Freedman bezocht het Curtis Institute of Music, waar hij vrienden werd met Leonard Bernstein.

In 1939 verhuisde David Mann naar New York, waar hij bij Decca Records sessiemuzikant werd. Hij speelde in Charley Spivak's orchestra tot 1941, werkte met de Jimmy Dorsey band, en het ArtieShaw's orchestra. Ondertussen componeerde hij in zijn kantoor in het Brill Building, een centrum van muiziekindustrie op Broadway.

Tijdens de Tweede wereldoorlog diende David Mann in het Amerikaanse leger. Na zijn ontslag uit het leger in 1945 werd hij 8 maanden lang de persoonlijke pianist van President Truman.

David Mann componeerde

     66 songs

- "There! I've Said It Again", 1945,

- "Somebody Bad Stole de Wedding Bell'', 1954

- "In the Wee Small Hours of the Morning", 1955, beroemd geworden door de opname van Frank Sinatra, 500 keer gecoverd door andere artiesten;

     filmscores

- Seal Island 1949

- Water Birds (Disney, 1952)

- The Living Desert, (Disney, 1953)

 

Pierre Sancan (Mazamet, Frankrijk, 24 oktober 1916 – Parijs 20 oktober 2008) begon zijn studies in Meknes in Marocco, waar hij ook een kampioen basketballer was, en aan aan het conservatorium van Toulouse in Frankrijk en zette die voort aan het Conservatoire de Paris. Hij studeerde daar piano bij Yves Nat, compositie bij Henri Busser, harmonieleer, contrapunt bij Noël Gallon en Jean Estyle en orkestdirectie bij Charles Münch en Roger Désormičre . In 1943 won hij de Prix de Rome zodat hij in 1946 en 1947 met een stipendium een jaar in de Villa Medici in Rome kon studeren.

Pierrre Sancan verdiepte zich ook behoorlijk in de veranderingen in pianobouw en de fysiologie en lichaamsbelasting van de pianist.

Van 1956 tos 1985 was hij pianodocent aan het Conservatoire in Parijs, waar hij veel bekend geworden pianisten onder zijn hoede had.

Tegen 1990 begon bij Pierrre Sancan de ziekte van Alzheimer en trok hij zich uit het openbare leven terug.

Pierrre Sancan componeerde

     1 opera

     3 balletten,

     orkestwerken

     3 kamermuziekwerken

- Sonatine voor fluit en piano, 1946

     liederen

     pianowerken

     filmscores

 

Anthony Burgess (pseudoniem van John Anthony Burgess Wilson) (Manchester, Engeland, 25 februari 1917 – Londen, 22 november 1993) was de zoon van Joseph and Elizabeth Wilson, een Katholiek gezin. Vanaf de publicatie van zijn roman Time for a Tiger in 1956 gebruikte hij zijn schrijversnaam Anthony Burgess. In 1918, toen Anthony 1 jaar oud was, overleden zijn moeder en zijn zusjes aan de Spaanse Griep. Anthony werd door zijn tante van moederskant Ann Bromley en haar twee dochters in Crumpsall grootgebracht. Zijn vader werkte overdag als boekhouder en ’s avonds als barpianist. In 1922 hertrouwde hij met de eigenaresse van de bar Margaret Dwyer en kwam Anthony weer bij zijn vader en zijn stiefmoeder wonen. Op zijn 14de leerde Anthony Burgess zichzelf piano spelen omdat er geen geld was voor muziekles. Hoewel hij eigenlijk aan de Victoria University of Manchester muziek wilde studeren, werd hij daarvoor afgewezen en werd het een studie Engelse taal en literatuur. In 1938 overleed zijn vader, in 1940 zijn stiefmoeder, zonder een erfenis achter te laten.

In 1940 moest Anthony Burgess zijn militaire dienstplicht nakomen. Hij kwam terecht bij de Geneeskundige Dienst. In 1942 werd hij bevorderd tot sergeant en stapte over naar het opleidingskorps. In hetzelfde jaar 1942 trouwde Anthony Burgess met Llewela "Lynne" Isherwood Jones, die hij op de Universiteit had leren kennen, ze studeerde daar economie. Van 1940 tot 1943 was Anthony Burgess ook dirigent van de 54ste Division Entertainment Section, waar hij ook van allerlei voor componeerde.

In 1946 werd Anthony Burgess als sergeantmajoor uit de dienstplicht ontslagen en ging hij aan het werk als docent Engelse literatuur en theater in Birmingham.

In 1954 ging hij bij de Britse Koloniale Dienst aan het werk als opleidingsbeambte in Brunei en Maleisië In 1959 kwam hij, door overmatig drankgebruik, te weinig eten, het drukkende Aziatische klimaat en overwerk, ziek weer in Engeland. In het ziekenhuis diagnosticeerden ze een niet operabele hersenkanker en zeiden dat hij nog een jaar te leven had. Anthony Burgess gaf het lesgeven op en werd een fulltime schrijver en componist.

Zijn romans, vooral A Clockwork Orange, hadden behoorlijk succes en werden indiverse Europese talen vertaald.

Liliana Macellari, een twaalf jaar jongere Itaiaanse vertaalster, die een studie maakte over Engelse literatuur, kwam naar Engeland om met Anthony Burgess over zijn pas geschreven romans te praten. Ze ontmoetten elkaar voor het eerst in 1963 tijdens een lunch in Chiswick en begonnen een verhouding. In 1964 kreeg Liana een zoon van Anthony Burgess: Paolo Andrea. Anthony Burgess wist de verhouding goed verborgen te houden, ook voor zijn alcoholische echtgenote. Lynne Burgess stierf op 20 maart 1968 aan levercirrose en een half jaar later trouwde Anthony Burgess met Liana en erkende haar vier jaar oude jongen als zijn zoon. De jongen werd later beroepsmusicus, hij was een begaafde blokfluitist en hoboďst, zijn vader heeft diverse stukken voor hem geschreven.

Van 1970 tot 1972 doceerde Anthony Burgess aan verschillende universiteiten inde Verenigde Staten. In 1976 vestigde hij zich in Monaco, waar hij in 1984 medeoprichter was van de Ierse Bibliotheek van Prinses Gracia, een centrum voor studies over de Ierse cultuur. Anthony Burgess had ook een chalet twee kilometer buiten Lugano

Anthony Burgess overleed op 22 november 1993 aan longkanker in het Sint John en Sint Elisabethziekenhuis in Londen. Zijn as is ingeurnd op de begraafplaats van Monaco, waar ook een marmeren gedenksteen is bijgeplaatst.

Anthony Burgess sprak negen talen. In zijn carričre als schrijver publiceerde hij meer dan 50 boeken in verschillende genres waaronder fictie en sciencefiction. Zijn beroemdste en beruchtste boek A Clockwork Orange werd verfilmd door Stanley Kubrick in 1971.

Hij hoopte dat de mensen hem zich zouden herinneren als een componist die ook romans schreef, maar dat is dus niet gelukt.

Anthony Burgess componeerde

     1 operette

     2 musicals

     6 theatermuziekwerken

     25 orkestwerken

     3 werken voor koor, (solisten) en orkest

     4 werken voor koor a cappella

     20 kamermuziekwerken

- “St Johns”–sonate voor blokfluit en piano;

sonatina voor blokfluit en piano

- Tre Pezetti voor blokfluit en piano

- Siciliano voor blokfluit en piano

     8 (series) liederen

     6 pianowerken

     4 film–  en Tvscores

 

Dinu Lipatti (Boekarest, Roemenië, 19 maart 1917 – Genčve, Zwitserland, 2 december 1950) was de zoon van een pianiste en een amateurviolist. Het was een welgesteld gezin. Dinu Lipatti begon als als kleuter pianio te spelen, gaf op zijn 4de jaar al een optreden en componeerde toen ook al.

Hij studeerde aan het Conservatorium van Boekarest en kreeg thuis veel privélessen omdat hij vanwege zijn zwakke gezondheid niet naar een normale school kon gaan. Op zijn 17e trok hij uit Boekarest weg. In 1934 studeerde hij in Parijs bij Nadia Boulanger en Paul Dukas.

Lipatti keerde in 1939 naar Roemenië terug en overleefde de Tweede Wereldoorlog. Hij ontvluchtte zijn vaderland tegen het einde van de oorlog met zijn verloofde Madeleine Cantacuzene (met wie hij later getrouwd is), via Scandinavië naar Zwitserland. Van 1944 tot 1949 was hij hoofdleraar piano aan het Conservatorium van Genčve.

Na de oorlog had hij veel piano-optredens in heel Europa.

In de laatste zes jaren van zijn leven leed Lipatti aan de ziekte van Hodgkin. Hij bleef volop actief en zijn spel leed er nooit onder. Lipatti bezweek ten slotte en stierf een pijnlijke dood in Genčve op 2 december 1950. Hij werd 33 jaar.

Dinu Lipatti componeerde

     5 orkestwerken

     5 kamermuziekwerken

     4 liederen voor zangstem en piano

     4 (series) pianowerken

- Piano Sonatina voor de lindkerhand, 1941

- Nocturne

     arrangementen voor piano

 

Jaurés Lamarque Pons (Salto, Uruguay, 6 mei 1917 – Montevideo, 11 juni 1982) was de tweede zoon van Enrique Lamarque en María Eulalia Pons. Vanaf zijn achtste jaar kreeg hij in Salto vioolles van Egidio Monetti. Op zijn 17de ging hij muziek studeren bij Guillermo Kolischer in Montevideo. Op zijn 22ste kreeg hij een betrekking als painist in Capitol Dancing, een Cabaret in de Calle Itauzaingó. Daar begon zijn loopbaan als Orquesta Típica-pianist (orquesta tipica: een soort tango-orkest met twee bandoneons).

Vanaf 1940 was Jaurés Lamarque Pons pianist in het Café Tabarís in het Orquesta Típica van Luis Caruso.

Jaurés Lamarque Pons componeerde

     1 opera

     1 theatermuziekwerk

     6 balletten

     9 orkestwerken

- Concerto de Verano (zomerconcert), 1975, voor fagot en orkest. Mooi werk, vermenging van lichte en klassieke muziek.

     18 kamermuziekwerken

     12 pianowerken

     filmmuziek

 

Lou Harrison (Portland, Oregon, Verenigde Staten, 14 mei 1917 – Lafayette, Indiana, 2 februari 2003) verhuisde, nadat hij was geslaagd op de Burlingame High School in Burlingame, Californië, naar San Fransisco. Daar studeerde hij bij Henry Cowell contrapunt en compositie. Daarna ging hij werken aan de Universiteit van Californië in Los Angeles als danser en pianobegeleider. Ondertussen nam hij les bij Arnold Schoenberg.

In 1943 verhuisde Lou Harrison naar New York, waar hij werkte als muziekcriticus voor de Herald Tribune. Hij ontmoette er Charles Ives en werd er goede vrienden mee en een pleitbezorger voor zijn werk. In 1947 kwam hij te lijden aan een ernstige depressie en ging hij terug naar California.

Harrison was vooral bekend door het gebruik van exotische (niet-westerse) instrumenten zoals de gamelan, maar ook eenvoudige conservenblikjes.

Harrison sprak veel talen vloeiend, waaronder Amerikaanse Gebarentaal, Mandarijn en Esperanto. Hij schreef zelfs stukken in Esperanto.

Lou Harrison was homoseksueel, maakte diepgaand studie van de geschiedenis van homoseksualiteit en zette politiek actief in voor acceptatie van homoseksuelen. Lou Harrison leefde vele jaren samen met Bill Colvig in Aptos, Californië. Hij stierf in Lafayette, Indiana aan een hartaanval, terwijl hij op weg was naar een festival in Ohio, gewijd aan zijn muziek.

Lou Harrison componeerde

     23 kamermuziekwerken

- Concerto in Slendro, voor viool,  celesta, 2 honkytonk piano & 2 percussionisten, 1961

     23 orkestwerken

- Concerto for Organ and Percussion, 1972

     vocale werken

     2 opera’s

     9 balletten

     17 theaterwerken

     5 filmscores

     werken voor gamelan en andere niet-westerse instrumenten

     26 pianowerken

     6 sonates voor klavecimbel

 

Isang Yun (Tongyông, Korea, 17 september 1917 – Berlijn, 3 november 1995) begon in de jaren '30 met zijn muziekstudies in Osaka, Japan (cello en muziektheorie) en Tokio (contrapunt en compositie). In de Tweede Wereldoorlog zat hij bij het anti-Japans Verzet, werd in 1943 opgepakt en in Japanse gevangenschap gemarteld. Met een studiebeurs die hij 1955 samen met de cultuurprijs van de stad Seoel kreeg, kon hij in Parijs aan het Conservatoire national supérieur de musique en in Berlijn onder andere bij Boris Blacher studeren. Zijn muzikale doorbraak kwam in 1965 met de premičre van zijn boeddhistisch oratorium Om mani padme hum en in 1966 met de premičre van Réak in Donaueschingen.

De Zuid-Koreaanse geheime dienst arresteerde hem in 1967 en hij werd opnieuw gemarteld. Hij werd wegens landverraad aangeklaagd. In een politiek showproces werd hij in eerste instantie tot een levenslange gevangenisstraf veroordeeld. Door internationale protesten werd hij echter in 1969 vrijgelaten. In 1971 werd hij genaturaliseerd Duitser.

Van 1970 tot 1985 was hij docent en sinds 1974 als professor verbonden aan de Hochschule der Künste in Berlijn.

Na zijn overlijden in Berlijn werd hij in een ere-graf van die stad begraven.

Isang Yun componeerde meer dan 100 werken:

     4 opera's

     10 concerten

     7 symfonieën

     14 andere orkestwerken

     2 werken voor harmonieorkest

     1 oratorium

     2 cantates

     5 werken voor koor, (stemmen) en instrumenten of orkest

     6 werken voor solozang met orkest- of  andere begeleiding

     6 strijkkwartetten

     48 andere kamermuziekwerken

     2 werken voor orgel solo

     3 werken voor piano solo

     13 werken voor een ander instrument solo

- Monolog voor fagot solo, 1984

- Balance voor harp solo, 1987

- Chinesische Bilder. Vier stukken voor fluit of blokfluit solo, 1993

2. Der Eremit am Wasser

3. Der Affenspieler

 

Dr. Francis Alan Jackson (*Malton, Yorkshire, Engeland, 2 oktober 1917) begon in 1929 met zijn muzikale opleiding als koorknaap in York Minster bij Sir Edward Bairstow. Zelf was hij organist van York Minster van1946 tot zijn officiële pensioen in 1982.

Francis Jackson componeerde

     2 monodrama’s

- Daniel in Babylon, voor spreker, koor en orgel, opus 29, 1962

- A Time of Fire, voor spreker, solisten, koor en orgel, opus 33, 1967

     8 Magnificats

     10 missen

     5 Te Deums

     12 andere services

     86 anthems

     8 orkestwerken

- overtureBrigantia, opus 38, 1971

- concerto voor orgel, strijkers, slagwerk en celesta, opus 64, 1985

     3 werken voor koor, solist en orkest of instrumenten 

     7 kamermuziekwerken

     6 werken voor orgel en andere instrumenten

     2 gezangen

- East Acklam,  1957

     9 liederen voor meerdere zangstemmen

     14 liederen voor zangstem en piano of andere instrument(en)

     6 orgelsonates,

     41 andere orgelwerken

- Diversion for Mixture,  opus 25, 1960

     2 werken voor twee orgels

 

Violeta del Carmen Parra Sandoval (San Carlos, Chili, 4 oktober 1917 – La Reina bij Santiago, 5 februari 1967), was de dochter van een muziekleraar en een moeder die op de boerderij werkte, maar ook veel zong en gitaar speelde. De familie Parra is in Chili een bekende familie. Toen Violeta Parra twee jaar oud was, verhuisde het gezin naar Santiago, twee jaar later naar Lautaro en in 1927 naar Chilián. Met haar zus Hilda en en haar broers Eduardo en Roberto samen begon Violeta Parra in Chilián met zingen en gitaar spelen en al snel met het componeren van traditionele Chileense muziek.

Nadat haar vader in 1929 overleed, kwam de familie in moeilijke omstandigheden en moesten alle kinderen meehelpen om een maaltijd op tafel te kunnen krijgen. Niettemin stond haar oudste broer Nicanor erop dat Violeta in 1932 in Santiago aan de Normaalschool ging studeren. Later kwam de rest van het gezin ook in Santiago wonen. De Parra’s speelden en zongen in Santiago in nachtclubs bolero’s, ranchera’s, Mexicaanse corrico’s en ander muziek.

In 1934 ontmoette Violeta Parra Luis Cereceda, een treinmachinist, met wie ze in 1938 trouwde. Ze kregen twee kinderen: Isabel en Angel. Violeta Parra werd als “Violeta de Mayo” een bekende zangeres. In 1952 werd een tweede dochter geboren en in datzelfde jaar begon Violeta Parra, ook onder druk van haar broer Nicanor met het verzamelen en ordenen van authentieke Chileense volksmuziek over heel Chili. Ze ging ook zelf componeren volgens de traditionele volkmuziekvormen. Zo legde Violeta Parra de basis voor La Nueva Canción Chilena (Het nieuwe Chileense lied), dat zijn basis had in de Chileense volksmuziek. Ze blies de Chileense muziek nieuw leven in.

Er volgden recitals op universiteiten, artikelen in toonaangevende tijdschriften. Ze leerde ook guitarrón spelen, een traditioneel Chileens gitaarachtig instrument met 25 snaren.

In juli 1955 werd Violeta Parra ook in Europa uitgenodigd, waar ze optrad in verschillende hoofdsteden. In 1956 kwam ze terug naar Chili, waar ze verder ging met optredens, concerten en lezingen, een autobiografie schreef en een standaardwerk over Chileense volksmuziek: "Cantos Foklóricos Chilean”. Ondertussen was ze, ook al omdat ze een tijd aan bed gekluisterd was door een stevige hepatitis A, begonnen met schilderen, keramier– en textielkunstwerken. In 1960 ontmoette ze de Zwitserse fluitist Gilbert Favre, waar ze een relatie mee begon en in 1962 in Zwitserland mee ging samenwonen. Ze verdeelde haar tijd tussen Zwitserland, waar ze dus bij haar vriend woonde en Frankrijk, waar ze veel succes had met haar werk. In April 1964 was er een expositie van haar “arperillas” (speciale Zuidamerikaanse textielkunstwerken), olieverfschilderijen en draadsculpturen in het Louvre, de eerste solo-expositie van een Latijns-Amerikaanse kunstenaar ooit.

In juni 1965 kwamen Violeta Parra en Gilbert Favre weer terug in Zuid-Amerika.

Violetta Parra ging in Chili weer op haar karakteristieke manier aan het werk. Gilbert Favre bouwde een bestaan op in Bolivia, trouwde en verbrak de relatie met Violetta.

Zij kon daar niet tegen. In 1966 na de opname van haar laatste album Las Últimas Composiciones, maakte ze een eind aan haar leven door zich door het hoofd te schieten.

In 2011 werd er een film over haar leven gemaakt: Violeta se fue a los cielos (Violeta ging naar de hemel) door Andrés Wood. De film is gebaseerd op een biografie van Angel Parra, Violeta’s zoon.

La Nueva Canción Chilena werd in de jaren 60 en vroege jaren 70 de muzikale stem van de sociaal-politieke beweging in Chili, waarvan de invloed tot ver buiten Chili reikte. Ook Violeta Parra's zoon Ángel Parra en dochter Isabel Parra vertegenwoordigen deze stroming, en hun kinderen gaan er ook weer mee verder.

Violeta Parra maakte 11 albums

Violeta Parra componeerde

     277 liederen

- Gracias a la Vida que me ha dado tanto (Bedankt voor het leven dat me zo veel heeft gegeven), haar bekendste lied, vertolkt door vele andere zangers.

     enkele filmscores

 

Thelonious Sphere Monk (Rocky Mount, North Carolina, Verenigde Staten, 10 oktober 1917 – Weehawken, New Jersey, 17 februari 1982) was de zoon van Thelonious en Barbara Monk. Zij hadden al een twee jaar oudere dochter: Marion, en Thelonious kreeg na drie jaar nog een broertje: Thomas. In 1922 verhuisde de familie naar 243 West 63rd Street, in Manhattan, New York City, het zwarte kwartier van Juan Hill. Toen Thelonious ongeveer tien jaar oud was, kreeg het gezin van een goede vriend een piano cadeau, en zijn oudere zus Marion kreeg pianoles. Thelonious leerde toen meteen ook piano spelen door over haar schouder mee te kijken. Op 11-jarige leeftijd kreeg hij zelf pianolessen.

Thelonious begeleidde al snel het kerkkoor van de lokale Baptistengemeenschap, waarin zijn moeder zong en verdiende wat geld als dansmuzikant op feesten. Op 17-jarige leeftijd hield hij school voor gezien, en ondernam een tour door de Verenigde Staten met een gospelgroep, een evangelische predikant en een vrouwelijke 'wondergenezer'. Als ze zich in een stad installeerden, vond Thelonious vlug aansluiting bij de lokale jazzscene en na zijn werkdag speelde hij 's avonds dan nog op diverse jamsessies.

In Kansas City maakte Thelonious Monk kennis met pianiste Mary Lou Williams, die onder de indruk was van zijn pianospel, en Thelonious Monk en zijn jazzcompanen in hun ontwikkeling steunde en begeleidde.

Weer thuis in New York voorzag Thelonious Monk in zijn onderhoud door gelegenheidsjobs in bars en danszalen. In zijn vrije tijd werkte hij in Minton's Playhouse, een jazzclub op 118th street in Harlem samen met drummer Kenny Clarke, pianist Bud Powell en trompettist Dizzy Gillespie.

Op en gegeven moment kregen ze een vast contract van de eigenaar van de club, Henry Minton. Daarmee schiep hij de basiscondities waaruit later de Be-Bop zou ontstaan.

Thelonious Monk en Kenny Clarke werden de muzikale kern van Minton's, waar ook Dizzy Gillespie, Charlie Christian, Don Byas en Art Blakey speelden. In 1939 namen ze ook altsaxofonist Charlie Parker op in Minton's Playhouse. De doorbraak van de Be-Bop was nog slechts een kwestie van tijd.

Thelonious Monk was niet in het minst geďnteresseerd in het Be-Bop-typische tempo en ging geheel zijn eigen weg.

Thelonious Monk was nooit bereid tot muzikale compromissen. Hij bleef thuis, componeerde en droeg zijn gasten zijn werk voor. Jonge musici kwamen bij hem op bezoek en leerden van hem. Veel muzikanten van de nieuwe generatie, onder hen Miles Davis en Sonny Rollins, werden vertrouwd met de gecompliceerde muziek, en konden die ook in het publiek uitvoeren.

In 1947 kregen hij een opnamecontract bij Blue Note. Thelonious Monk trouwde dat jaar met Nellie Smith, in 1949 kregen ze een zoon, T. S. Monk, die jazzdrummer werd. Hun dochter Barbara (Boo-Boo), geboren in 1953, overleed in 1984 aan kanker.

Muzikaal succes had Thelonious Monk eigenlijk nergens. Innerlijk verbitterd, trok hij zich op een gegeven moment terug en isoleerde zich meer en meer.

Het jaar 1951 werd het absolute dieptepunt van zijn carričre. De politie vond wat heroďne tijdens een autocontrole. Thelomious Monk moest 60 dagen zitten en verloor daardoor ook zijn cabaret card. Het verlies betekende dat Monk in geen enkele club nog mocht aantreden waar alcohol geschonken werd. Dit betekende voor een jazzmuzikant zoveel als een beroepsverbod!

In 1955 stierf Charlie Parker en de grote dagen van de Be-Bop warenn geteld. Hard Bop en Cool Jazz zijn de stijlen die zich aankondigen in de vroege jaren vijftig. Thelonious Monk kon voor de kleine maatschappij Riverside werken. Net als bij Blue Note waren de eigenaars van Riverside Records rasechte fans en zij boden Thelonious Monk een zeker bestaan en een artistiek thuis aan. Orrin Keepnews en Billy Grauer, de directeurs van Riverside, hadden minder interesse in snel geld maken en wilden de kunstenaar Monk de mogelijkheid bieden zich te ontwikkelen op langere termijn.

Na jarenlange inzet van zijn vriendin Pannonica "Nica" de Koenigswarter, een uit de Rothschildfamilie stammende aristocrate, kon Monk begin 1957 zijn cabaretcard terugkrijgen, waardoor hij voor het eerst weer in clubs kon optreden.

Het nieuwe Thelonious Monk Quartet met saxofonist John Coltrane werd een grote triomf voor beiden en leverde grote opnames op met Coleman Hawkins en Gerry Mulligan.

Het aanhoudende succes van Thelonious Monk leidde tot een financieel gunstig contract bij het CBS-concern.

Tot 1968 was Monk aanwezig op de meest belangrijke jazzmeetings in de U.S.A., Europa en Japan.

Eind 1968 verloor CBS langzaam maar zeker interesse in Thelonious Monk. Toen CBS aan Monk vroeg stukken van de Beatles op te nemen, hield deze het volledig voor bekeken.

Thelonious Monk werkte maar door, het was zijn leven , hij kon niet anders, maar hij was wat minder succesvol. In 1971 en '72 ging hij op een All Star Tournee door Europa en speelde daar onder de noemer Giants of Jazz tezamen met Dizzy Gillespie en andere oude bekenden van Minton's.

In de herfst van 1971 ontstonden in Londen de laatste opnames van Thelonious Monk als bandleider. Tussen 1973 en 1976 trad Monk nog uiterst zelden op en hij gaf zijn laatste concert op 30 juni 1976.

Thelonious Monk stierf op 17 februari 1982 ten gevolge van een hersenaandoening. Tot op de dag van vandaag wordt Thelonious Monk door muziekliefhebbers uit alle richtingen beschouwd als een onvergelijkbaar muzikaal genie.

In 1986 werd door de familie Monk en Maria Fisher het Thelonious Monk Institute of Jazz opgericht, met als doel jonge jazzstudenten over de hele wereld te helpen in hun ontwikkeling. Thelonious Monk werd in 2009 opgenomen in de North Carolina Music Hall of Fame.

Thelonious Monk maakte

     37 albums 

Thelonious Monk componeerde

     82 jazznummers

- Ask Me Now-First, 23 juli 1951, één van Monk’s mooiste ballads. Jon Hendricks maakte er een tekst op onder de titel “How I Wish”.

- Blue Monk,  22 september 1954 voor het eerst opgenomen, daarna nog talloze malen in andere uitvoeringen

- Round Midnigh, de meest opgenomen song van Thelonious Monk. De eerste opname is van het Cootie Williams’s Orchestra  in 1944. Bernie Hanighen voegde zangtekst toe en Dizzy Gillespie voegde een introductie en cadens toe, die zo populair werd, dat Thelonious Monk dat bij zijn eigen opname 21 november 1947 aanhield.

www.monkzone.com

 

Albert de Klerk (Haarlem, 4 oktober 1917 – Amsterdam, 1 december 1998) was een zoon van de uit Vlaanderen afkomstige Haarlemse musicus Jos de Klerk (1885 - 1969) die in 1914, op de vlucht voor de Eerste Wereldoorlog, vanuit Antwerpen naar Nederland gekomen was.

De Klerk studeerde aan het Amsterdamsch Conservatorium, bij Anthon van der Horst, Cornelis de Wolf en Hendrik Andriessen. Vanaf zijn zestiende jaar tot aan zijn dood was De Klerk organist op het Adema-orgel van de Sint Josephkerk in Haarlem.

Van 1965 tot 1985 was hij hoofdleraar orgel aan het Amsterdamsch Conservatorium, later het Sweelinck Conservatorium.

Hij was gehuwd met Lies Swarte en had twee kinderen.

Albert de Klerk componeerde

     orkestwerken,

     3 orgelconcerten

     vocale muziek, kerkmuziek

     beiaardmuziek.

     koorwerken

     missen

     40 orgelwerken

- Prelude en fuga (1940)

- Tres Meditationes Sacrć (1995)

     kamermuziekwerken

 

Hans Wolfgang Poser (Tannenbergsthal, Vogtland, Duitland, 8 oktober 1917 – Hamburg 1 oktober 1970), noemde zichzelf ook wel Wolfgang Tannenberg. Hans Poser ging van 1929 tot 1937 naar het internaat van de die Deutsche Oberschule in Auerbach.en was daar al flink bezig met muziektheorie en compositie. In 1937 ging hij in het Duitse leger, waar hij het tot luchtmacht officier bracht. Bij een verkenningsvlucht boven Londen, eind september 1940 werd hij neergeschoten en raakte in Britse krijgsgevangenschap. Van 1941 tot het einde van de oorlog werd hij in een krijgsgevangenkamp in Gravenhurst in Canada opgesloten, omdat de Britten niet wilden dat de Duitsers bij een eventuele invasie de krijgsgevangenen konden bevrijden. In die gevangenschapsperiode hield Hans Poser zich intensief met muziek bezig. Door bemiddeling van de YMCA (Young Men's Christian Association) en het Rode Kruis konden de krijgsgevangen aan muziekinstrumenten komen. Hans Poser leidde een kamporkest met 44 instrumentalisten. Het werkte ook met kleinere muziekensembles. Hij bracht zichzelf het componeren van muziek voor de diverse muziekgroepen onder meer bij door schriftelijk briefcontact met de naar Amerika geëmigreerde Duitse componisten Paul Hindemith en Hermann Grabner.

Na de oorlog kwam hij eind 1946 in Duitsland terug en vestigde zich daar in Hamburg. Daar studeerde hij alsnog aan stedelijke school voor Muziek en Theater bij Ernst Gernot Klussmann en Wilhelm Brückner-Rüggeberg. In 1962 werd hij zelf docent aan de Hogeschool voor Muziek in Hamburg. Vanaf 1968 had hij de leiding van de afdeling Compositie en Muziektheorie. Hans Poser was getrouwd en had vijf kinderen.

Hans Poser componeerde

     2 televisie-opera’s

     cantates

     7 orkestwerken

     13 (series) koorwerken a capella of mt orkest of met instrument(en)

     15 (series) kamermuziekwerken

- Rendsburger Tänze opus 42 voor strijk- of blokfluitkwartet

- Wandsbeker Tänze opus 49, 7 stukken voor  strijk- of blokfluitkwartet

     3 series kinderliederen

     20 canons

     10 (series) pianowerken

 

John Birks "Dizzy" Gillespie"& (Cheraw, Zuid Caroline, Verenigde Staten, 21 oktober 1917 – Englewood, New Jersey, 6 januari 1993) was de jongste van negen kinderen van James en Lottie Gillespie. James Gillespie was een plaatselijke bandleider, de kinderen kregen gemakkelijk beschikking over een instrument. Dizzy Gillespie begon op zijn 4de jaar met pianospelen. Zijn vader overleed, toen hij pas 10 jaar oud was. Op zijn 12de leerde hij zichzelf trombone en trompet spelen. Zijn idool was Roy Eldridge. Hij kreeg twee jaar muziekles op het Laurinburg Institute in Laurinburg, Noord Carolina, voordat het gezin in 1935 naar Philadelphia verhuisde.

In Philadelphia speelde Dizzy Gillespie achtereenvolgens in het Frank Fairfax Orchestra en de orkesten van Edgar Hayes en Teddy Hill, waarbij hij vanaf 1937 Roy Eldridge als eerste trompettist verving. In 1939 ging Dizzy Gillespie meespelen in het Cab Calloway-orkest.

9 mei 1940 trouwde Dizzy Gillespy met zangeres Lorraine Willis

In 1943 trad Dizzy Gillespie toe tot de band van Earl Hines, waarin Charlie Parker saxofoon speelde. Het was het begin van de bebop en moderne jazz. Daarna ging hij meewerken aan Billy Eckstine's big band.

In 1945 begon Dizzy Gillespie zijn eigen kleine ensembles te leiden om de nieuwe bebop-muziek te spelen. Hij leidde zijn eigen bigband van 1946 tot 1950. Dizzy Gillespie leidde in het jazzcentrum van New York: 52nd Street talloze jonge muzikanten op in de nieuwe jazzstijl, waaronder Miles Davis en Max Roach.

Door een ongelukje op het verjaardagsfeest van Lorraine Willis op 6 januari 1953 kwam een knik in zijn trompet. Hierdoor veranderde de klank van de trompet, en dat beviel Gillespie. Vanaf die tijd werd een trompet waarvan de beker in een hoek van 45 graden stond zijn handelsmerk. Gillespies speelwijze met bolle wangen, wat ook ongebruikelijk is voor een trompettist.

Tijdens de 1964 presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten stelde Dizzy Gillespie zich onafhankelijk candidaat. Hij wilde het Witte huis omdopen in "The Blues House" en een regering samenstellen van jazzmuzikanten. In 1970 ging Dizzy Gillespie over tot het Bahá'í geloof.

Dizzy Gillespie vierde zijn vijfenzeventigste verjaardag nog met optredens in New York, maar niet veel later werd kanker vastgesteld bij hem. De leidinggevende theoreticus van de bebop-muziek, trompetvirtuoos, leraar en visionair jazzmuzikant overleed in 1993 aan pancreaskanker. Dizzy Gillespie werd begraven op de Flushing Begraafplaats, Queens, New York Hij liet zijn weduwe Lorraine Willis Gillespie, een dochter, zangeres Jeanie Bryson en een kleinzoon Radji Birks Bryson-Barrett achter.

Dizzy Gillespie maakte

     86 jazzalbums met

     jazzklassiekers

- Manteca, 

- A Night in Tunisia,1942, voor de Earl Hines band gecomponerd

- Birk’s Works

- Con Alma.                                                                  Standbeeld in zijn thuisstad Cheraw