Componisten

vanaf 1920

 

Geoffrey Bush (Londen, Groot BrittaniŽ, 23 maart 1920 – 24 februari 1998) werd op zijn 8ste koorknaap aan de Salisbury Cathedral en studeerde onofficieel bij de componist John Ireland. Hij maakte zijn muziekstudies af aan het Lancing College en het Balliol College in Oxford. In de Tweede Wereldoorlog weigerde Geoffrey Bush als lid van het Anglicaans Pacifistisch Genootschap militaire dienst en werd hij tewerk gesteld in een opvanghostel in Wales.

Geoffrey Bush doceerde muziek aan de Universiteit van Oxford en vanaf 1952 tot het eind van zijn carriŤre aan de Universiteit van Londen. Hij stierf aan prostaatkanker. Filmregisseur Paul Bush is zijn zoon.

Geoffrey Bush componeerde

     5 opera’s,

     2 symfonieŽn

     2 concerten

     10 koorwerken met begeleiding van instrumenten

- Magnificat and Nunc dimittis, voor gemengd koor en orgel, 1976, opvallend

     kamermuziekwerken

     liederen

 

Bruno Maderna (VenetiŽ, ItaliŽ, 21 april 1920 – Darmstadt, Duitsland, 13 januari 1973) werd geboren als Bruno Grossato, zoon van de amusementsmusicus Umberto Grossato. Later nam hij de naam van zijn moeder Maderna aan. Op vierjarige leeftijd kreeg het wonderkind zijn eerste muzieklessen in Chioggia. Op 12-jarige leeftijd dirigeerde hij verschillende operaorkesten in Noord-ItaliŽ. In 1934 ging Beuno Maderna naar Verona, waar hij introk bij de familie van een zakenvrouw, Irma Manfredi, die voor een degelijke muzikale opleiding zorgde.

Bruno Maderna studeerde compositie aan het Conservatorio "Giuseppe Verdi" in Milaan bij Arrigo Pedrollo en vanaf 1937 bij Allessandro Bustini aan de Accademia Nazionale di Santa Cecilia te Rome. In 1941 studeerde hij directie bij Antonio Guarnieri aan de Accademia Musicale Chigiana in Siena. In 1942 en 1943 volgden compositiestudies bij Gian Francesco Malipiero aan de Accademia "Benedetto Marcello" in VenetiŽ. In 1943 werd Bruno Maderna opgeroepen voor militaire dienst in de Tweede Wereldoorlog. Na enige tijd liep hij over naar het antifascistische verzet van de partizanen.

Van 1947 tot 1950 was Bruno Maderna compositiedocent aan de Accademia "Benedetto Marcello" in VenetiŽ.

In 1955 stichtte hij samen met Luciano Berio de Studio di Fonologia Musicale voor elektronische muziek voor de Radio Audizioni Italiane (RAI) te Milaan.

In 1963 verhuisde hij naar Darmstadt voor directie en docentenwerk.

In 1969 werd hij vaste gastdirigent en in 1971 chefdirigent van het Orkest van de Radio Audizioni Italiane (RAI) in Milaan.

Bruno Maderna was een hartverwamend mens, de goedheid zelve. Overmatig eten, drinken en roken leidde tot een vroege dood.

Bruno Maderna componeerde

     25 orkestwerken

- Concert nr. 3, voor hobo en orkest, 1973, geschreven voor Han de Vries

     1 kamercantate

     5 opera’s

     1 ballet

     2 radiowerken

     5 werken voor zangstem en orkest of instrumenten (ook electronica)

     10 kamermuziekwerken

     1 pianowerk

     11 elektronische muziekwerken

 

Rudolf Halaczinsky (Emmagrube, Duitsland, 31 juli 1920 – Bensberg, 28 Juli 1999) was de zoon van een beambte aan de Emmamijn in Boven-SileziŽ, in het grensgebied tussen Polen en Duitsland. Op zijn achtste jaar begon Rudolf piano te spelen.

In 1934 ging het gezin in Opole (toen Duitsland, nu Polen) wonen. In 1939 begon Rudolf Halaczinsky een muziekstudie piano, directie en compositie bij Karl Marx aan de Muziekhogeschool in Graz. Vanaf 3 oktober 1940 moest hij in het Duitse leger.

Na de oorlog werd Rudolf Halaczinsky thuiscomponist, dirigent en koorrepetitor aan het Stadstheater in Augsburg. In 1946 trouwde hij met Ilse Palm. Ze kregen vijf zonen: Raimund (*1947), Matthias (*1948), Manfred (*1949), Lothar (*1952) en componist Thomas Halaczinsky (*1958).

In 1952, toen Rudolf Halaczinsky 32 jaar oud was, begon hij aan de Muziekhogeschool MŁnchen opnieuw compositie te studeren bij Karl HŲller. In 1954 trok het gezin naar Rheydt aan de Beneden Rijn, waar Rudolf Halaczinsky een aanstelling kreeg als organist en koordirigent aan de Herz-Jesu-Kirche. Hij werd ook muziekleraar aan het gymnasium daar. In 1971 werd Rudolf Halaczinsky docent compositie en harmonieleer aan de Pedagogische Hogeschool in Keulen. In 1981 kreeg hij van het kunstenaarsgilde Esslingen de Johann-Wenzel-Stamitz-Preis als erkenning voor zijn levenswerk.

Rudolf Halaczinsky was ook een gewaardeerde schilder, die talrijke malen heeft geŽxposeerd.

Rudolf Halaczinsky componeerde

     7 theatermuziekwerken

     6 missen

     6 andere werken voor (solisten), koor en orkest of instrumenten

     15 (series) orkestwerken

     7 (series) koorwerken

     22 (series) kamermuziekwerken

- Sieben kleine StŁcke, opus 85, 1996, voor altblokfluit en piano

     13 (series) liederen

     12 (series) pianowerken

     8 orgelwerken 

http://www.rudolf-halaczinsky.de

 

Charlie (Charles Christopher)'Bird' Parker (Kansas City, Verenigde Staten, 29 augustus 1920 – New York, 12 maart 1955) speelde saxofoon vanaf zijn zevende. Hij oefende als een bezetene. Zijn grote idool was Lester Young. Op zijn vijftiende besloot Charlie Parker zich volledig aan de muziek te wijden, op die leeftijd begon hij helaas ook heroÔne te gebruiken, een gewoonte die de rest van zijn leven zou tekenen.

Charlie Parker maakte gestaag carriŤre in verschillende bands, met name in de jump-bluesband van Jay McShann. In december 1939 kreeg zijn eigen stijl in Harlem, New York vorm toen hij zijn uitgebreide harmonische kennis toepaste tijdens improvisaties op het nummer "Cherokee". Vanaf 1944 vormde Charlie Parker een team met trompettist Dizzy Gillespie. Bebop brak hiermee definitief door als dŤ eigentijdse jazz-vorm.

In 1946 eindigde, tijdens een tour in CaliforniŽ, de samenwerking met Dizzy Gillespie die naar New York terugkeerde. Parker bleef in Los Angeles en huurde de veelbelovende jonge trompettist Miles Davis in. Omdat drugsdealer 'Moose the Mooche' een gevangenisstraf moest uitzitten en Parker zodoende niet aan heroÔne kon komen, stortte Charlie Parker vlak nadat hij tijdens een opnamesessie een hartverscheurend onbehaaglijke versie van 'Loverman' had gespeeld, psychisch ineen en werd opgenomen in het Camarillo State Hospital.

In januari 1947 keerde Parker terug naar New York waar hij weer incidenteel met Dizzy Gillespie optrad.

In 1949 werd 'Birdland' geopend: een jazzclub die naar Parker vernoemd is. Charlie Parker had een gedegen muziektheoretische kennis en wilde graag een brug slaan tussen klassieke en jazzmuziek. In 1949 arrangeerde Norman Granz voor Charlie Parker de mogelijkheid een album met ballads met een gemengde groep jazz- en kamermuziekmusici te maken. Deze Charlie Parker with strings opnamen worden heden ten dage als meesterwerken gezien.

Vanaf 1950 zette Charlie Parkers aftakeling door langdurig drugsgebruik in. In 1954 ondernam Charlie Parker twee zelfmoordpogingen. In 1955 overleed hij, 34 jaar oud.

Charlie Parker is een van de belangrijkste namen in de overgang van de traditionele naar de moderne jazz. Samen met Dizzy Gillespie, Thelonious Monk en Bud Powell was hij de grondlegger van de bebop.

Charlie Parker maakte

     35 opnamen, of werkte daaraan mee

- Charlie Parker with Strings, studio-opnamen, 30 november 1949

- Charlie Parker with Strings, studio-opnamen,  juli 1950

 

Aleksandr Aroetjoenjan (*Jerevan, ArmeniŽ, 2 september 1920 – 28 maart 2012) stond zijn leven lang in de schaduw van ArmeniŽs bekendste componist Aram Chatsjatoerjan en in mindere mate van Alan Hovhaness. Zijn eerste opleiding (piano en compositie, vanaf 1934) kreeg hij in Jerevan. Later (1944) volgde hij studies aan het Moskou Conservatorium bij Genrikh Litinsky.

Aleksandr Aroetjoenjan componeerde

     6 orkestwerken

Sinfonietta 1966

     13 concerten

- Vioolconcert, 1988,  ter nagedachtenis aan Spitak

- trompetconcert in As groot , 1950

     1 werk voor koor en orkest

     1 werk voor brassband

     1 opera

- Sayat-Nova, 1967.

     1 musical

     4 cantates

     1 werk voor zangstem en piano

     1 koorwerk

     7 kamermuziekwerken

-  Armeense schetsen voor koperkwintet.

     6 pianowerken

     5 filmscores

 

Peter Racine Fricker (Londen, Engeland, 5 september 1920 – Santa Barbara, CaliforniŽ, Verenigde Staten, 1 februari 1990) studeerde bij R. O. Morris en Ernest Bullock aan de Royal College of Music. Na zijn diensttijd bij de Royal Air Force tijdens de Tweede Wereldoorlog studeerde hij bij MŠtyŠs Seiber. Hij werd benoemd als docent compositie aan de Royal College of Music in Londen.

In 1952 werd hij muziekdirecteur aan het Morley College. In 1964 werd Peter Fricker muziekdocent aan de Universiteit van California; in 1970 werd hij bestuurslid van de muziekafdeling. Peter Fricker was een afstammeling van de Franse toneelschrijver en dichter Jean Racine.

Peter Fricker componeerde

     5 symfonieŽn

- 1ste symfonie, 1949

     10 concerten

     18 andere orkestwerken

- Sinfonia, opus.76, voor 17 blazers, 1976

     42 kamermuziekwerken

- blaaskwintet, 1947

- 1ste strijkkwartet, 1947

- sonate voor cello en piano, 1956 

     14 koorwerken

     6 werken voor (solisten) koor en orkest

- The Vision of Judgement, opus 29, oratorium, 1958

     27 (series) werken voor zangstem en orkest of instrumenten

- elegy, 1955, voor countertenor, cello en klavecimbel

     14 (series)pianowerken

     14 orgelwerken

     1 klavecimbelwerk

 

Aleksandr Lazarevitsj Lokshin (Biejsk, West-SiberiŽ, Rusland, 19 september 1920 - Moskou, 11 juni 1987) was de zoon van de Joodse accountant Lazar Loksjin en Maria Korotkina. Hij had een oudere zuster Maria. Aleksandr Loksjin had vanaf zijn zesde jaar pianoles. Omdat zijn ouders een klein boerenbedrijf hadden, werden ze na Russische Revolutie gebrandmerkt als “kapitalisten”, werd zus Maria van de medische opleiding gestuurd, verloor het gezin huis en haard en vertrok naar de stad Novosibirsk. Aleksandr Loksjin was een begaafde leerling en werd toegelaten op een eliteschool en op de plaatselijke muziekschool. Daar kreeg hij les van Alexej Stein, die had gedoceerd aan het conservatorium van Sint Petersburg, maar naar SiberiŽ was verbannen. In 1936 ging hij naar het P. I. Tsjaikovskiconservatorium in Moskou, waar hij compositie studeerde bij Nikolaj Mjaskovski. Tijdens de Tweede Wereldoorlog heeft Aleksandr Loksjin in 1942 korte tijd in militaire dienst gezeten, maar zijn gezondheid was te slecht en hij vertrok weer naar Novosibirsk. In december 1943 kwam hij terug op het conservatorium bij Nikolaj Mjaskovski. Omdat zijn composities en muzikale belangstelling niet strookten met de bizarre eisen van de communistische politieke leiding kwam Aleksandr Loksjin op de zwarte lijst en kreeg nooit ergens een officiŽle aanstelling. Hij heeft zich in leven gehouden door het schrijven van missen, filmmuziek en radio en toneelmuziek. Ook toen het regime wat milder werd, bleef Loksjin volharden in zijn muzikale voorkeuren en nam geen opdrachten aan van officiŽle instanties.

Aleksandr Lokshin componeerde

     1 opera

     1 oratorium

     1 cantate

     11 symfonieŽn, ook met zangstemmen en/of koor.

- Symfonie nr. 5, “Shakespeare’s Sonnets”, voor bariton, strijkorkest en harp, 1969, opgedragen aan dirigent Rudolf Barshai.

     10 andere orkestwerken, vaak ook met zangstemmen

     5 kamermuziekwerken, ook met zangstem

- kwintet voor klarinet en strijkkwartet, 1955

     4 (series) werken voor zangstem en piano

     3 (series) pianowerken

- Variaties, 1953, opgedragen aan Maria Grinberg

- Prelude en thema met variaties, 1982, opgedragen aan Elena Kuschnerova. 

http://lokshin.org

 

TorbjŲrn Iwan Lundquist (Stockholm, Zweden, 30 september 1920 – Grillby, 1 juli 2000) studeerde na zijn militaire dienst vanaf 1945 aan de Universiteit van Uppsala musicologie bij Issai Dobrowen en compositie bij Dag Wirťn. Daarna studeerde hij orkestdirectie bij Otmar Suitner in Salzburg en in Wenen. In 1947 richtte hij een eigen kamerorkest op. Van 1949 tot 1956 was TorbjŲrn Lundquist dirigent van het orkest van het Slottheater Drottningholm. Na 1956 dirigeerde hij diverse orkesten in heel Europa. In 1992 werd hem de Hugo Alfvťnprijs toegekend.

TorbjŲrn Lundquist componeerde

     2 opera’s

     3 toneelmuziekwerken

     9 symfonieŽn

Symfonie nr. 1, 1956

Symfonie nr. 2 - ...voor vrijheid, 1956, gereviseerd in 1970

Symonfie nr. 3 - Sinfonie Dolorosa, 1975

Symfonie nr. 4 - Sinfonia Ecologica, 1985 

Symfonie nr. 6 - Sarek, 1988

Symfonie nr. 7 - Humanity (ter herinnering aan Dag HammarskjŲld, de secretaris-generaal van de Verenigde Naties), 1988

Symfonie nr. 9 – Survival, 1996 

     14 concerten

Landskap, voor tuba, strijkorkest en piano.1978, gereviseerd 1994, wondermooi werk

     13 andere werken voor orkest

     3 werken voor harmonieorkest

     1 cantate

     10 koorwerken

     17 kamermuziekwerken

     13 (series) liederen

     3 pianowerken

     11 accordeonwerken

     26 filmscores

 

David Warren "Dave" Brubeck (Concord, CaliforniŽ, Verenifde Staten, 6 december 1920 – Norwalk, Connecticut, 5 december 2012) studeerde aan de University of the Pacific muziek. Bij zijn afstuderen in 1942 kon Dave Brubeck nog steeds geen noten lezen. Zijn muzikale vakken deed hij verder prima, en daarom lieten de professoren hem slagen, nadat hij beloofd had nooit meer een piano aan te raken. Na de Tweede Wereldoorlog, waarin hij dienst deed als dirigent van een militair orkest studeerde Dave Brubeck compositie bij Darius Milhaud aan Mills College in Benicia (CaliforniŽ). Zijn bekendste groep was het Dave Brubeck Quartet met saxofonist Paul Desmond (1924-1977), bassist Eugene Wright en drummer Joe Morello, opgericht in 1951. Brubeck experimenteerde met ongebruikelijke maatsoorten in de jazz.

Het album Time Out van het Dave Brubeck Quartet was het eerste jazzalbum waarvan meer dan een miljoen exemplaren werden verkocht.

Behalve een muzikaal eigen geluid was het Dave Brubeck Quartet ook baanbrekend door zijn multiraciale samenstelling. Hierdoor werd het Brubeck in heel wat clubs in de Verenigde Staten niet toegestaan te spelen en vroegen Tv-zenders waar hij op zou treden om de zwarte bassist Eugene Wright buiten beeld op te stellen, iets wat Dave Brubeck altijd weigerde.

Dave Brubeck maakte 120 plaat/CD-opnames.

Dave Brubeck componeerde

     3 balletten

     1 musical

     2 oratoria

     3 cantates

     1 mis

     7 werken voor jazzcombo en orkest

     1 werk voor piano

     talloze jazznummers

- Take Five, 1959, zijn bekendste opname, een compositie van Paul Desmond in 5/4-maat.

- Unsquare Dance, 1961, zijn op ťťn na bekendste nummer, in 7/4-maat geschreven.

- Blue Rondo ŗ la Turk.

 

Arno Babadjanian (Yerevan, ArmeniŽ, 22 januari 1921 – 11 november 1983) was was de zoon van Harutyun Babadjanian uit Igdir. Toen hij vijf jaar oud was, viel zijn buitengewoon muzikaal talent al op en de componist Aram Khachaturian drong er op aan dat Arno goed muziekles zou krijgen. In 1928, op zijn zevende ging Arno Babadjanian naar het Yerevan Staats Conservatorium, waar hij studeerde bij Vardkes Talian. In 1938 vervolgde hij zijn pianostudies in Moskou bij Konstantin Igumnow en studeerde compositie bij Vissarion Shebalin. Later kwam hij terug naar Yerevan. Van 1950 tot 1956 doceerde hij piano aan het conservatorium. Hij was een briljante en veelgevraagde pianist.

Arno Babadjanian componeerde

     kamermuziekwerken

- pianotrio in fis kleine terts, een meesterwerk

     liederen

     10 (series) pianowerken

- Shest' Kartin (Plaatjes) 6 “Pictures” voor piano, karaktervol.  

 

Jeanne Marie Madeleine Demessieux (Montpellier, Frankrijk, 4 februari 1921 ‒ Parijs, 11 november 1968) was in 1933, op twaalfjarige leeftijd, al organist–titularis in de kerk Saint-Esprit (12e arrondissement van Parijs). Die positie heeft ze 29 jaar bekleed. Van 1936-1939 en van 1941-1946 studeerde ze bij Marcel Duprť, die haar als zijn beste leerling beschouwde. In 1946 gaf ze haar eerste concert in de Salle Pleyel in Parijs. Dit was de start van een internationale carriŤre als organiste (meer dan 700 concerten in Europa en de Verenigde Staten). Jeanne Demessieux had een goed geheugen. Ze kende 2500 werken, inclusief de complete orgelwerken van Bach, Franck en Liszt uit het hoofd. In 1962 werd ze organiste in de Parijse kerk La Madeleine. Daarnaast was ze professor aan het conservatoire Royal in Luik (1952-1968) en het conservatorium in Nancy (1950-1952). In 1960 ontving ze de ridderorde Chevalier de l'Ordre de la Couronne de Belgique. Van haar oeuvre zijn vooral de Six …tudes, opus 5 (1944) bekend, ondanks de zeer hoge moeilijkheidsgraad.

Jeanne Demessieux overleed aan kanker. Ze werd begraven vanuit La Madeleine, waar tijdens de uitvaartdienst het orgel niet werd bespeeld en bedekt was met een zwart laken tot aan de vloer.

Jeanne Demessieux componeerde

     10 werken of series werken voor orgel

     1 werk voor orgel en orkest

     4 pianowerken

     7 liederen voor zangstem en piano

     3 kamermuziekwerken

     1 werk voor solisten, koor en orgel

     2 koorwerken

     1 werk voor sopraan, koor en orkest

 

Astor Piazzolla (Mar del Plata, ArgentiniŽ, 11 maart 1921 – Buenos Aires, 4 juli 1992) was enig kind van Vicente Piazzolla en Asunta Mainetti. In 1925 verhuisde de familie naar New York, waar zij tot 1936 woonden.

Toen Ństor Piazzolla 8 jaar oud was gaf zijn vader hem zijn eerste bandoneon. Hij studeerde een jaar bandoneon bij Andrťs d'Aquila, met wie hij zijn eerste opname maakte, Marionette Spagnol.

In 1933 studeerde hij bij de Hongaarse pianist Bťla Wilda, In 1936 keerde Ństor Piazzolla terug naar Mar Del Plata, waar hij in een aantal tango-orkesten meespeelde. Op 17jarige leeftijd verhuisde hij naar Buenos Aires, waar hij speelde bij een aantal tweederangs tango-orkesten tot 1939, toen hij zich realiseerde dat hij eigenlijk bij het orkest AnŪbal Troilo y su Orquesta TŪpica wilde spelen, een van de grootste tango-orkesten van die tijd en Troilo was een van de beste bandoneonspelers.

Om een hoger muzikaal niveau te bereiken nam Ństor Piazzolla in 1941 les bij Alberto Ginastera. In 1943 studeerde hij piano bij Raul Spivak. In 1942 trouwde hij met Dede Wolffe. Ze kregen twee kinderen, Diana en Daniel.

In 1943 sloeg Ństor Piazzolla de klassieke weg in met Suite para Cuerdas y Arpas en in 1944 ging hij weg bij Troilo's orkest om een orkest te gaan leiden waar Francisco Fiorentino bij zat. Hij speelde twee jaar samen met Fiorentino en vormde daarna zijn eerste eigen orkest, dat na nog geen drie jaar uiteenviel. Met dit orkest volgde hij zijn creatieve impulsen en ontwikkelde hij een dynamische en harmonische toets. Deze benadering van de tango door Ństor Piazzolla was moderner en anders, en veroorzaakte de eerste controversen met de traditionele tangueros.

In 1946 componeerde hij El Desbande, wat Ństor Piazzolla als zijn eerste officiŽle tango beschouwde, en kort daarna begon hij filmmuziek te schrijven.

In 1949 stopte hij bijna helemaal met tango en componeerde een serie werken die conceptueel duidelijk anders waren dan de tango van dat moment. Dit definieerde verder zijn unieke stijl met als resultaat onder andere de stukken Para lucirse, Tanguango, PrepŠrense, Contrabajeando, Triunfal en Lo que vendrŠ.

Door een prijs die Ństor Piazzolla met de Fabien Sevitzky-wedstrijd won kon hij in 1954 in Parijs bij Nadia Boulanger studeren, die hij als de beste muziekdocente ter wereld van die tijd beschouwde. Toen hij voor Nadia  Boulanger zijn tango Triunfal voorspeelde kreeg hij de aanbeveling: "Ństor, uw klassieke stukken zijn goed geschreven, maar de ware Piazzolla is hier. Verlaat hem niet."

In 1955 keerde Ństor Piazzolla naar ArgentiniŽ terug, zette hij zijn werk met strijkorkesten voort en vormde hij een groep, de Octeto Buenos Aires. Hij combineerde 2 bandoneons, 2 violen, 2 contrabassen, 1 cello en een piano, zodat zijn werken innovatief beschouwd werden. Hij week af van de klassieke tango, de traditionele bezetting van het orquesta tŪpica en maakte kamermuziek, muziek zonder een zanger of dansers. De muziek die hij zo ontwikkelde: als concertwerk opgezet, een mengvorm van Europese kunstmuziek, Argentijnse folklore en jazz. Contrapunt en fugavormen komen voor en moderne dissonantie harmonieŽn en vanaf 1974 levert ook elektronische muziek zijn bijdrage, wordt de Tango Nuevo genoemd. De romantiek, de hartstocht, de dramatiek en de erotiek van de traditionele tango gaan daarbij nooit verloren.

Tussen 1958 en 1960 werkte hij in de Verenigde Staten, waar hij experimenteerde met Jazz-Tango. Hij schreef daar in 1959 zijn beroemde werk Adiůs Nonino ter nagedachtenis aan zijn overleden vader. Toen hij in rouw terugkeerde naar ArgentiniŽ, maakte hij de eerste van zijn beroemde kwintetten, die door New Tango werd gespeeld (met een bezetting van bandoneon, viool, contrabas, piano, en elektrische gitaar). Met dit kwintet kon Ństor Piazzolla het best zijn gevoelens van dat moment uitdrukken.

In 1966 ging Ństor Piazzolla weg bij Dede Wolff. In 1968 ging hij in zee met Amelita Baltar.

In 1970 keerde hij terug naar Parijs de groep Conjunto 9 vormde, waarmee hij voornamelijk in Buenos Aires en in ItaliŽ optrad. Deze groep was Ństor Piazzolla's droom. Ństor Piazzolla had altijd al zo'n kamermuziekgroep gewild om zijn gecompliceerde muziek mee uit te voeren.

In 1973, na een periode waarin hij uitzonderlijk veel werken had geschreven, kreeg hij een hartaanval waardoor hij het wat rustiger aan moest doen. Datzelfde jaar verhuisde hij naar ItaliŽ, waar in vijf jaar een serie opnames maakte. In deze jaren vormde Ństor Piazzolla de groep Conjunto Electrůnico, een octet dat bestond uit een bandoneůn, elektrische piano en/of akoestische piano, orgel, gitaar, elektrische basgitaar, drums, synthesizer en een viool. Deze groep had niets te maken met de vorige groepen, en velen vonden dat hij meer jazz-rock dan tango speelde, maar Ństor Piazzolla zei dat het zijn muziek was, en dat die meer verwant was met de tango dan met jazz-rock.

In 1974 ging Piazzolla weg van Amelita Baltar. In 1976 ontmoette hij zijn laatste vrouw, Laura Escalada. Tot 1990 werkte hij uitsluitend met zijn kwintet, en daarna werkte hij met een sextet, zijn laatste gezelschap. Er zijn veel live-opnames van de concerten uit die populaire periode, voornamelijk op cd.

In 1986 ontving hij een Cesar-prijs voor de filmmuziek bij El exilio de Gardel. In 1988, enkele maanden na het opnemen van wat zijn laatste opname met het kwintet (La Camorra) zou zijn, onderging Ństor Piazzolla een viervoudige bypass-operatie. Spoedig daarna,  in 1989, vormde hij zijn laatste groep: het Nieuwe Tango Sextet dat uit twee bandoneons, piano, elektrische gitaar, bas en cello bestond. Tegen het einde van 1989 verliet Ństor Piazzolla zijn groep en ging solo spelen met strijkkwartetten en symfonische orkesten. Op 4 augustus 1990 kreeg hij in Parijs een beroerte. Na bijna twee jaar lijden aan de gevolgen van dit insult stierf hij op 4 juli 1992 op 71-jarige leeftijd in Buenos Aires.

Ństor Piazzolla componeerde meer dan 1000 werken

     1 tango opera

- MarŪa de Buenos Aires,  tango opera, libretto Horacio Ferrer 1968, voor drie vocalisten en tangoensemble,  gesitueerd rond de dood van een prostituee in Buenos Aires, ArgentiniŽ. Er is een orkestsuite uit gedistilleerd. Vijftien muziekle nummers waaronder

nr. 6  Fuga y misterio

     werken voor harmonie-orkest

     werken voor tango-orkest/ensemble

- Bando, in Parijs, 1955

- Adiůs nonino, (vaarwel grootvader), 1959, door Piazolla gecomponeerd nadat zijn vader was overleden. Bij het huwelijk van Prinses MŠxima en Prins Willem-Alexander op 2 februari 2002 werd het door bandoneonist Carel Kraayenhof gespeeld, waardoor het lied in Nederland overbekend werd.

- Muerta del Šngel, 1962, hoogtepunt van de toneelmuziek bij "Tango del Šngel", toneelstuk van Alberto Rodriguez MuŮoz.

- Buenos Aires, 1963

- Revirado, 1963, onverwoestbaar;

- Cuatro Estaciones PorteŮas, (de vier jaargetijden van Buenos Aires), een set van vier tangocomposities: Verano PorteŮo (Buenos Aires zomer,  1965) OtoŮo PorteŮo (herfst) Autumn,1969) Primavera PorteŮa (lente, met mooi contrapunt, 1970) Invierno PorteŮo ( winter, 1970). In 2009 heeft de Russische componist  Leonid Desyatnikov al deze werken gearrangeerd voor viool en strijkorkest met ingesloten citaten uit “de vier jaargetijden” van Vivaldi. Marijn van Prooijen heeft het in 2013 geÔnstrumenteerd voor een orkest met bassist Rick Stotijn. Er zijn ook allerlei andere transcripties van.

- Balada para un loco, 1969

- Michelangelo '70, 1969

- Chiquilin de bachin (The little Beggar Boy), 1969

- Tangata "Silfo y Ondina", 1969, driedelige Tangosuite: Fugata – Soledad - Final

- Libertango, 1974

- Concierto para Quinteto, 1971

- Aconcagua, Concierto voor bandoneon en orkest, 1979

- Milonga sin palabras, 1979, voor bandoneon en  piano

- Trisestas de un double a, 1984, De Doble a is de stradivarius onder de bandoneons

- Histoire du Tango, vierdelige suite met daarin onder meer: cafť 1930, 1985

- Hommage a Liege: Concierto in drie delen voor Bandoneon, gitaar en orkest, 1985

- Obliviůn, 1982

- Soledad, 1989

- Tango apasionado, 1990

- Tangazo: Variaciones sobre Buenos Aires, voor orkest, 1992

- Fuga y misterio, 1992

     werken voor harmonie-orkest

- Tango nr. 1

- Chiquilin de Bachin

     kamermuziek

- Le Grand Tango, voor cello en piano, 1982, geschreven voor  cellist Mstislav Rostropovich,

- Four for Tango, 1987, voor strijkkwartet, gecomponeerd voor het Kronoskwartet,

- Five Tango Sensations, voor bandoneůn & strijkkwartet, 1989, gecomponeerd voor het Kronoskwartet,

     liederen

- Balada para un loco, 1969

- Los pŠjaros perdidos, 1973, Mario Trejo

- Milonga del Angel,1993

     64 filmscores

- Enrico IV  (Henry IV), 1984, regie Marco Bellocchio,  gebaseerd op het toneelstuk van  Luigi Pirandello uit 1921 onder dezelfde naam: het verwarrende verhaal over een man die van zijn paard valt en dan denkt dat hij iemand anders is, wordt in de muziek meesterlijk uitvergroot.

www.piazzolla.org

 

Jan NovŠk (NovŠ ŘŪše, MoraviŽ, nu TsjechiŽ, 8 april 1921 – Neu Ulm, Beieren, Duitsland, 11 November 1984) was als kind al heel handig met viool en piano. Hij studeerde vanaf 1940 aan het conservatorium in Brno compositie bij Vilťm Petrželka, piano bij František Schšfer en directie bij B. Liška. Tijdens de tweede Wereldoorlog moest hij in Duitsland twee jaar dwangarbeid verrichten. Daarna studeerde Jan NovŠk in 1946 aan het conservatorium in Brno af, om zijn studie voort te zetten aan de Kunstacademie in Praag bij Pavel Bořkovec en aan de JanŠček-Academie in Brno, weer bij Vilťm Petrželka. Met een stipendium kon hij in 1947 in de Verenigde Staten aan het Berkshire Muziek Centrum in Tanglewood bij Aaron Copland studeren en in 1948 in New York bij Bohuslav Martinů. Daarna kwam Jan NovŠk in Brno terug, waar hij in 1949 trouwde met pianiste Eliška (Elissa) HanouskovŠ. Samen vormden ze een pianoduo. Ze kregen twee dochters. Clara NovakovŠ werd een bekende fluitiste in Parijs. Dora NovŠl-Wimington werkte als pianodocente aan de Muziekhogeschool in MŁnchen.

Door zijn liberale houding raakte Jan NovŠk in conflict met het communistische bewind. Daarom vertrok hij in 1968 uit TsjechiŽ om met zijn gezin via Denemarken in 1970 in Rovereto in ItaliŽ te gaan wonen. Hij werd daar pianoleraar aan de muziekschool en richtte een koor op: „Voces Latinae“, dat zich vooral wijdde aan wereldlijke Latijnse koorliteratuur.

In 1977 ging Jan NovŠk met zijn familie in Neu-Ulm wonen. Hij kreeg een leeropdracht aan de muziekhogeschool in Stuttgart

In TsjechiŽ werd Jan NovŠk in 1989 postuum gerehabiliteerd en konden zijn werken er weer uitgevoerd worden.

Jan NovŠk componeerde

     1 opera

     2 balletten

     4 theatermuziekwerken

     15 orkestwerken

     4 cantates

     17 koorwerken a cappella

     5 werken voor koor en orkest of instrumenten

     17 werken voor zangstem, (koor) en orkest of instrument(en)

     30 kamermuziekwerken

- Sonatina voor fluit en piano, 1976

- Sonata Gemella voor twee fluiten, 1978

- Sonata super “Hoson zes…” voor viool of fluit en piano, 1981, opgedragen aan zijn vriend, de violist JiřŪ Trnka; titel ontleend aan een oud Grieks drinklied.

- Aeolia voor twee fluiten en piano, 1983, wind- en stormfantasie

- Marsyas voor piccolo en piano, 1983

     14 (series) pianowerken

     5 werken voor piano vierhandig

     3 klavecimbelwerken

     2 orgelwerken

     4 werken voor een ander solo-instrument

     14 filmscores

www.jannovak.eu

 

George David Weiss (Manhattan, New York City, Verenigde Staten, 9 april 1921 – 23 augustus 2010) kwam uit een Joodse familie. Het was de bedoeling dat hij advocaat of accountant zou worden, maar zijn liefde voor de muziek leidde hem naar de Juilliard School of Music, waar hij leerde componeren en arrangeren. Tijdens de Tweede Wereldoorlog leidde hij een militaire kapel. Na de oorlog werd hij  arrangeur van de big bands  van Stan Kenton, Vincent Lopez, en Johnny Richards.

In de 1940er, 1950er en 1960er jaren was hij een populaire songschrijver, meest op teksten van Bennie Benjamin. George David Weiss was jarenlang voorzitter van de songschrijvers vakbond in de Verenigde Staten. In 1984 werd hij in de Songwriters Hall of Fame opgenomen. George David Weiss was drie keer getrouwd en had twee zonen en een dochter.

George David Weiss componeerde, vaak samen met anderen,

     3 Broadwaymusicals

     songs

- "Mr. Wonderful", 1955

- "Can't Help Falling in Love", 1961 voor Elvis Presley

- "That Sunday, That Summer", 1963

- "Stay With Me", 1966

- "What a Wonderful World", 1968, tekst Bob Thiele, beroemd geworden in de versie van  Louis Armstrong

     4 filmscores

 

Laci Boldemann (Helsinki, Finland, 24 april 1921 – MŁnchen, Duitsland, 18 augustus 1969) studeerde aan de Royal Academy of Music in Londen van 1937 tot 1939, directie (bij Henry Wood) en piano. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog in 1939 vervolgde hij zijn studies in Stockholm bij Gunnar de Frumerie.

In 1941 werd Laci Boldeman gedwongen dienst te nemen in de Duitse leger en te vechten in Rusland, Polen en ItaliŽ. In ItaliŽ deserteerde hij en sloot hij zich aan bij de partisanen in de Abruzzen. Na twee jaar gevangenkamp in de USA kwam Laci Boldemann via Frankrijk en Duitsland weer in Zweden terug. Daar werd hij lid van de Zweedse Componisten Vereniging, waar hij van 1963 tot 1969 secretaris-penningmeester van was.

Laci Boldemann componeerde

     1 opera,

     50 liederen

     3 werken voor zangstem(men met orkest 

     3 orkestwerken

     2 concerten

- vioolconcert (1959)

     2 kamermuziekwerken

- strijkkwartet

     werken voor piano solo

 

Edvard Mik'aeli Mirzoyan (Gori, GeorgiŽ, 12 mei 1921 – Yerevan, ArmeniŽ, 5 oktober 2012) was de zoon van componist Michail Mirsojan. In 1924 verhuisde het gezin naar ArmeniŽ. Hij studeerde tot 1941 compositie bij Wardkes Taljan aan het Komitas Staatsconservatorium in Yerevan. Daarna studeerde hij aan het Armeense cultuurhuis in Moskou. Hij doceerde compositie aan het Komitas Staatsconservatorium en was president van de het Vredesgenootschap van ArmeniŽ. Edvard Mirzoyan was atheÔst. Hij is begraven op het Komitas Pantheon in Yerevan.

Edvard Mirzoyan componeerde tenminste

     8 orkestwerken

- Symfonie voor strijkers en pauken, 1962

- Introduction en Perpetuum Mobile, voor viool en orkest, 1957, indrukwekkend

     4 kamermuziekwerken

     4 werken voor koor, solisten en orkest

     (series)pianowerken

- Album voor mijn kleindochter, 1984.

     4 filmscores

 

Hans Schneider (Rottenmann, Stiermarken, Oostenrijk, 16 juli 1921 – Trostberg, Oberbayern, Duitsland, 1 april 2011) studeerde accordeon en trompet aan de Universitšt fŁr Musik und darstellende Kunst te Graz bij Hermann von Schmeidel en Ludwig Kelbetz. Door het begin van de Tweede Wereldoorlog werd deze studie onderbroken. Na de oorlog speelde hij in verschillende orkesten en bereisde als accordeon-solist veelal landen in Centraal-Europa.

Na het succes van zijn wals FrŁhling auf der Alm (Lente op de bergweide) richtte hij zich op de blaasmuziek. In 1957 werd hij muziekleraar en later directeur aan de Volkshogeschool in Trostberg en was medeoprichter van de Stadtkapelle Trostberg. In Trostberg stichtte hij ook een eigen muziekuitgeverij onder de naam Alztal-Musikverlag.

Hans Schneider componeerde

     werken voor harmonie-orkest

- Weckruf im Olympischen Dorf,  voor de Olympische Spelen in Berlijn, 1936

- FrŁhling auf der Alm (Lente op de bergweide), wals, 1953, een groot succes

     accordeonwerken

     wals

     pianowerken

     1 koorwerk

 

Karel Husa (*Praag, TsjechiŽ, 7 augustus 1921 – Apex, North Carolina, Verenigde Staten, 14 december 2016) leerde al jong viool en piano spelen. Hij studeerde vanaf 1941 aan het Praags StŠtnŪ conservatorium bij Jaroslav RŪdkż en orkest-directie bij Method Doležil en Pavel Dědeček. Daarna studeerde hij in Parijs aan het Conservatoire national supťrieur de musique en de …cole Normale de musique de Paris bij Arthur Honegger en Nadia Boulanger compositie, en bij Andrť Cluytens, EugŤne Bigot en Jean Fournet orkestdirectie.

In 1954 werd hij hoogleraar compositie en muziektheorie aan het Department of Music van de Cornell University in Ithaca (New York). Hij bleef daar tot 1992. Ook doceerde hij compositie aan het Ithaca College - School of Music in Ithaca.

Karel Husa componeerde

     3 balletten

     21 (series) orkestwerken

     12 concerten

celloconcerto, 1993

     17 werken voor harmonie- of fanfareorkest

- Music for Prague 1968 voor harmonieorkest

     25 kamermuziekwerken

- 1ste strijkkwartet, 1949

- 3ste strijkkwartet, 1969

     1 orgelwerk

     5 pianowerken

8 Tjechische duetten voor piano vier-handig

3. Chanson mélancolique

6. Kleines Scherzo

     4 koorwerken a cappella

     5 werken voor zangstem, of/en koor en instrumenten

 

Ariel RamŪrez (Santa Fe, New Mexico, Verenigde Staten, 4 september 1921 – Buenos Aires, ArgentiniŽ 18 februari 2010) had een grote voorliefde voor de eigen Argentijnse muziek. Toen in de zestiger jaren het verbod op een mis in de volkstaal werd opgeheven, componeerde RamŪrez zijn in de westerse wereld bekendste werk, de "Misa Criolla"; hierin gebruikt hij de ritmes van de indianen en van de criollos (creolen), de nakomelingen van de diverse immigranten.

Ariel RamŪrez componeerde

     werken voor piano solo

     liederen

- Mujeres argentinas (1969) is een verzameling liederen over Argentijnse vrouwen.

- Alfonsina y el Mar, het lied over dichteres Alfonsina Storni is wereldberoemd geworden. Onthult ook het meesterschap van Ramirez

- La hermanita perdida, een lied over de Falklandeilanden, op tekst van Atahualpa Yupanqui

- Cantata Sudamericana , 1972, cyclus van 8 liederen op teksten van Fťlix Luna

3. Antiguo dueŮo de las flechas

     missen

- Misa criolla. zijn bekendste werk, 1963, vijfdelig, Spaanstalige tekst van Felix Luna,op ritmen van muziek uit de Andes. Naast "gewone"muziekinstrumenten worden ook charango (kleine gitaar), quena (Indiaanse fluit) en bombo (Argentijnse trom) gebruikt. "Criollos" zijn "halfbloeden", het mengvolk van Europeanen, Afrikanen en de oorspronkelijke bewoners van Zuid-Amerika.

- Misa por la Paz y la Justicia, (mis voor vrede en gerechtigheid), 1981, klacht tegen de onderdrukking, zijn beste werk. Tiendelige mis met veel inventieve en goed geschreven koorpassages. De mis begint indrukwekkend met huilende moeders om hun verdwenen kinderen en eindigt met een folkloristische bewerking van psalm 150, waarbij je niet stil kunt bijven zitten. 

     Cantates

- Kerstcantate Navidad Nuestra, 1972, tekst Felix Luna.

www.arielramirez.com

 

Malcolm Henry Arnold (Northampton, Engeland, 21 oktober 1921 – Norfolk, 23 september 2006) studeerde aan het Royal College of Music in Londen. Daarna ging hij aan het werk bij het London Philharmonic Orchestra als trompettist. In 1942 werd hij daar eerste trompettist. In 1945 werd hij tweede trompettist bij het BBC Symphony Orchestra. In 1946 keerde hij terug bij de Philharmonic als directeur. Hij legde zich later volledig toe op componeren.

In 1970 kreeg hij een eredoctoraat in de Muziek aan de universiteit van Exeter.

Malcolm Arnold componeerde

     2 opera’s

     1 musical

     7 balletten

- The three musketeers, 2006, Malcolm Arnold overleed op de dag van de premiere

     9 symfonieŽn

     20 concerto’s

     70 andere orkestwerken

     37 werken voor harmonie- en fanfareorkest of -ensemble

- koperkwintet nr.1, opus 73, 1961
koperkwintet nr.2, opus 132, 1987

     22(series) pianowerken

     52 (series) kamermuziekwerken

- blaaskwintet, opus 2, 1942, mooi werk

- kwintet, opus 7, 1944

- Sonatina voor blokfluit en piano, opus 41, 1953

     11 vocale werken

     132 filmscores

- The Bridge on the River Kwai, in 1958 een Oscar voor de muziek.

http://malcolmarnold.co.uk

 

Arne DÝrumsgaard (Fredrikstad, Noorwegen, 7 december 1921 – Marzio, ItaliŽ, 13 maart 2006) was de zoon van twee docenten. Hij studeerde piano bij Bugge Jens Olsen in Fredrikstad en Ivar Johnsen in Oslo, harmonie en contrapunt bij Karl Andersen en orkestratie bij Bjarne Brustad. In 1942 trouwde hij met de pianiste Tora ōwre, ze kregen twee kinderen. In 1950 verliet hij, ontevreden over zijn behandeling door de Noorse regering, Noorwegen en ging in Parijs wonen, waar hij werkte als pianobegeleider en zanger. Arne DÝrumsgaard vertaalde daarnaast oude Chinese, Koreaanse en Japanse poŽzie in het Noors, het werden 252 delen. In 1968 verhuisde Arne DÝrumsgaard naar Marzio in Varese in Noord-ItaliŽ. In 1971 trouwde hij met de dichteres en schilderes Nella Valenza. In 1982 kreeg hij een eredorctoraat in de literatuur in Tapei. In 1994 werd hij geridderd in de Orde van Sint Olav. Arne DÝrumsgaard was verzamelaar. In 2001 schonk hij aan het museum Bjergsted di Stavanger 70.000 grammofoonplaten, 10.000 banden, 5000 video- en muziekcassettes en 5000 muziekboeken

Arne DÝrumsgaard componeerde

     100 liederen

     pianowerken

     filmscores

 

Norbert Moret (MťniŤres, Zwitserland, 20 november 1921 – Fribourg, 17 November 1998) studeerde in Parijs van 1948 – 1950 bij Arthur Honegger, Olivier Messiaen en Leibowitz en in Wenen (1950-1951) bij Furtwšngler en Clemens Kraus.

Norbert Moret componeerde 36 werken:

     1 opera

     15 werken voor orkest

- En RÍve, concert voor viool en kamerorkest, 1988

     3 werken voor zangstem, koor en instrumenten

     6 werken voor zangstem en instrumenten of orkest

     1 werk voor koor

     4 kamermuziekwerken

     2 werken voor zangstem en piano

     1 werk voor orgel

     1 werk voor klavecimbel

     1 werk voor piano

     1 werk voor cello

 

Yehezkel Braun (Breslau, Duitsland, 18 januari 1922 – Tel Aviv, 27 augustus 2014) verhuisde op zijn tweede jaar met zijn ouders naar het mandaatgebied Palestina. Daar groeide hij op met Joodse volksmuziek en muziek uit het Midden-Oosten, die zijn latere composities beÔnvloedden.

Yehezkel Braun studeerde aan de IsraŽl Muziekacademie bij Alexander Boskovitch en aan de Universiteit van Tel Aviv. In 1975 studeerde hij Gregoriaans bij Dom Jean Claire in het Benedictijner Klooster van Solesmes in Frankrijk. Yehezkel Braun doceerde aan de Universiteit van Tel Aviv.

Op de Muziekafdeling van de Nationale IsraŽlische Bibliotheek is een catalogus van zijn werken aangemaakt.

Yehezkel Braun componeerde

     18 theatermuziekwerken

     1 oratorium

     19 orkestwerken

     35 (series) werken voor koor en instrument(en) of orkest

     17 werken voor koor a capella

     60 kamermuziekwerken

- muziek voor tokkelinstrumenten voor mandoline, gitaar en klavecimbel,  2002

- Partita voor gitaar solo (eerbetoon aan Girolamo Frescobaldi)

Preludio, Toccata, Aria, Corrente e Ciaccona

- Sonata voor mandoline en gitaar, 2004

     21 (series) liederen voor zangstem en piano of andere instrumenten

     4 pianowerken

     20 arrangementen

 

Dr. Bernard Smilde (Heerenveen, 23 januari 1922 – Leeuwarden, 30 augustus 2014) leerde van zijn moeder, Grietje Smilde-Puma, de notennamen en het notenschrift toen hij zeven jaar was. Tot zijn twaalfde jaar kreeg hij harmoniumles, muziektheorie en harmonieleer van Reinhard Teule. In 1942 kreeg hij orgelles van Rients Beintema en in 1945 compositieles bij George Stam. Van 1961 tot 1964 studeerde hij aan het Stedelijk Muzieklyceum Groningen bij C.J. von Gleich en Fr. van Eeden.

In 1986 promoveerde hij aan de Theologische faculteit van de Rijksuniversiteit Groningen tot doctor in de Theologie met als referent voor de muziekwetenschappelijke kant dr. J. van Biezen.

Bernard Smilde was docent kerkmuziek aan het Muzieklyceum Groningen van 1963-1965 en docent muziekgeschiedenis, kerkmuziek (hymnologie, liturgie, gregoriaans) aan de Muziekpedagogische Akademie te Leeuwarden van 1965-1983.

Bernard Smilde componeerde

     30 koorwerkjes a cappella

- 63 melodieŽn voor kinderbijbelliederen in Sjonge bij de Bibel

     23 melodieŽn voor kerkliederen

- 5 voor het Liedboek voor de Kerken,

- 1 voor Tussentijds,

- 12 voor Tuskentiden 

- 1 voor een Duits en Hongaars kerkelijk Liedboek.

     Toneelmuziek bij Fedde Schurers historisch drama Bonifatius

     5 oratoria:

- It bliid Boadskip (1994),

- Mozes (1993),

- It liet fan Betlehem (1998),

- Ruth (2001)

- It Ljocht fan ‘e wr‚ld (2005)

     20 cantates

- Memoriam Facimus,

- De Brulloft te Kana,

- De 12-jierrige Jezus yn ‘e timpel,

- In hert dat suver is,

- Psalm 130

     55 sololiederen voor zangstem met piano-, orgel- of orkestbegeleiding

 

Elmer Bernstein (New York City, Verenigde Staten, 4 april 1922 – Santa Barbara, CliforniŽ, 18 augustus 2004) was de zoon van Selma Feinstein, 1901-1991, uit OekraÔne en Edward Bernstein, 1896-1968, uit Oostenrijk-Hongarije. Tijdens zijn kinderjaren ontwikkelde Elmer Bernstein zich als danser en acteur en won hij verschillende prijzen voor zijn kunstschilderwerk. Hij ging in Manhattan naar de Walden School en kreeg daar pianoles van Henriette Michelson. Elmer Bernstein studeerde compositie bij Aaron Copland, Roger Sessions en Stefan Wolpe. Van 1939 tot 1950 werkte hij naast het componeren als concertpianist. In 1996 werd Elmer Bernstein geŽerd met een ster op de Hollywood Boulevard. In 1999 kreeg hij een eredoctoraat in muziek aan het Five Towns College in New York. Vanaf de 90-er jaren van de vorige eeuw woonde Elmer Bernstein in Hope Ranch in Santa Barbara, Hij overleed aan kanker. Elmer Bernstein was getrouwd met Eve en had twee zoons en twee dochters. Op het moment van zijn overlijden had hij vijf kleinkinderen.

Elmer Bernstein componeerde

     2 Broadway musicals, 

- How Now, Dow Jones, tekst  Carolyn Leigh, 1967

- Merlin, tekst Don Black, 1983.

     1 ballet

     3 orkestsuites

     3 andere okestwerken

     2 liederencycli

     kamermuziekwerken

     pianowerken

     200 film- en TVscores. Hij had 14 Oscarnominaties

- The Magnificent Seven,

- The Ten Commandments, 1956

- The Geat Escape,

- To Kill a Mockingbird,

- Thoroughly Modern Millie, 1967, kreeg een oscar voor de muziek

- Ghostbusters,

- The Black Cauldron,

- Airplane!,

- The Rookies.

- °Three Amigos!, regie John Landis, 1986

www.elmerbernstein.com

 

Pierre Petit (Poitiers, Frankrijk 21 april 1922 – 1 juli 2000) was de zoon van een hogeschooldocent. Pierre Petit studeerde literatuur en muziek aan het Lycťe Louis-le-Grand en literatuur aan de Sorbonne. Daarna studeerde hij vanaf 1942 aan het Parijse Conservatorium muziekanalyse bij Georges Dandelot, harmonieleer bij Nadia Boulanger, contrapunt bij NoŽl Gallon en compositie bij Henri Busser. In 1946 won hij de Grand Prix de Rome met de lyrische scene “Le jeu de l'amour et du hasard".

Vanaf 1951 doceerde Pierre Petit maatschappijleer aan het Conservatoire de Paris en de …cole polytechnique. In 1960 ging hij aan het werk voor de Franse Radio en televisie, aanvankelijk als hoofd lichte muziek, vanaf 1965 als muzikaal directeur.

In 1963 werd hij aangestled als directeur van de …cole normale de musique de Paris, waar hij samen werkte met muzikanten als Nadia Boulanger, Georges Dandelot, Alfred Desenclos, Norbert Dufourcq en Marguerite Roesgen-Champion. Hij bleef dat 35 jaar doen, onder zijn studenten was onder meer Roger Bellon,

Pierre Petit was drie keer getrouwd: met zangeres Christiane Castelli, ze hadden drie kinderen, in 1958 trouwde hij met violiste Marie-Claude Theuveny, met wie hij twee kinderen kreeg. Uiteindelijk trouwde hij in 1974 nog met Liliane Fiaux.

Pierre Petit schreef een aantal muziekhistorische werken.

Pierre Petit componeerde

     2 opera’s

     1 operette

     3 balletten

     6 orkestwerken

     2 kamermuziekwerken

- Suite fŁr vier Celli, 1942

- Concerto pour quatre violoncelle, 1951

     3 (series) liederen

     4 (series) pianowerken

     3 werken voor een ander solo-instrument

 

Kazimierz Serocki (Torķn, Polen, 2 mei 1922 – Warschau, 9 januari 1981) was de zoon van Franciszek Serocki and Bronisława Stefaniak, die een meubelhandel hadden. Vanaf zijn vierde jaar had Kazimierz Serocki pianoles van Maria Drzewiecka. Kazimierz Serocki studeerde compositie en piano bij Zygmunt Lisicki en Stanisław Szpinalski aan de staatshogeschool voor muziek in Łůdź. Omdat de studie daar onderbroken werd door de oorlogsjaren, studeerde hij daar af in 1946. Daarna studeerde Kazimierz Serocki in Parijs compositie bij Nadia Boulanger en piano bij Lazare Lťvy.

Samen met Tadeusz Baird en Jan Krenz vormde Kazimierz Serocki Groep 49.

Kazimierz Serocki was getrouwd met Zofia Adamowska.

Kazimierz Serocki componeerde

     16 theatermuziekwerken

     19 orkestwerken

- Concerto alla cadenza per flauto a becco e orchestra, 1974, uitvoeringspraktisch zo veeleisend dat het nauwelijks voor elkaar te krijgen is.

     9 kamermuziekwerken

- Improvisationen voor blokfluitkwartet, 1959

- Continuum, sextet for slagwerkers, 1966

- Impromptu Fantasque voor zes blokfluiten, drie of zes mandolines, drie of zes gitaren, twee slagwerkers (15 instrumenten) en piano, 1973

- Arrangements, voor 1 tot 4 blokfluiten, 1975; 17 segmenten die nooit allemaal in een keer worden uitgevoerd; 

     6 (series) werken voor koor a cappella

     7 (series) werken voor zangstem(men), (koor) en piano of orkest

     14 pianowerken

- Krasnoludki (de dwergen), 1953, in 1975 voor diverse instrumentaalensembles omgeschreven

     21 filmscores

www.serocki.polmic.pl

Uroš Krek (Ljubljana, SoveniŽ,  21 mei 1922 – Jesenice, 3 mei 2008)  studeerde aan de Muziekacademie in Ljubljana bij Lucijan Marija Škerjanc. Hij werkte jarenlang als muziekproducent en hoofd samenstelling muziek voor Radiotelevizija Slovenija. Van 1968 tot 1982 doceerde Uroš Krek compositie en muziektheorie aan de Muziekacademie in Ljubljana en was medewerker aan het Instituut voor Ethnomusicologie.

Uroš Krek componeerde

     theatermuziekwerken

     13 orkestwerken

     koorwerken

     9 kamermuziekwerken

     (series) werken voor zangstem en orkest of instrumenten

     pianowerken

     orgelwerken

     werken voor een ander instrument solo

     filmscores

 

Iannis Xenakis (Brăila (RoemeniŽ), 29 mei 1922 – Parijs, 4 februari 2001) vertrok als zoon van Griekse ouders - Clearchos Xenakis en Photini Pavlou behoorden in RoemeniŽ tot de Griekse diaspora - op 11-jarige leeftijd met zijn familie naar het Griekse eiland SpetsaÔ, waar hij naar een Engels-Griekse privťschool ging. Hij studeerde van 1940 tot 1947 voor ingenieur en architect in Athene. Hij studeerde als architect af op gewapend beton. Is wellicht in de kracht en de energie van zijn muziek terug te horen.

Tijdens de Tweede Wereldoorlog maakte hij deel uit van het verzet tegen de Duitse bezetting. In 1945 werd hij in het gezicht verwond, gearresteerd en ter dood veroordeeld.

In 1947 emigreerde hij naar Frankrijk waar hij tot zijn dood woonde. In 1965 kreeg hij - met steun van Georges Pompidou - de Franse nationaliteit.

Na zich als autodidact in compositie ontwikkeld te hebben, ging hij onder andere studeren bij Arthur Honegger aan de Ecole Normale de Musique, Darius Milhaud en Olivier Messiaen.

In Parijs maakte hij kennis met de befaamde architect Le Corbusier. Als medewerker op het ontwerpbureau van Le Corbusier ontwierp hij gebouwen in Nantes en Marseille, het convent van La Tourette, het congrescentrum in Chandigarh en het stadion van Bagdad. Ook was hij betrokken bij het Philips-Paviljoen op de Wereldtentoonstelling van 1958 in Brussel: hij ontwierp de "hyperbolische lineaturen", terwijl hij tegelijkertijd zijn eerste compositie Metastasis voor eenenzestig instrumenten schreef.

Aan de Parijse …cole pratique des hautes ťtudes stichtte en leidde hij een interdisciplinaire werkgroep, de …quipe de Mathťmatique et d’Automatique Musicales (EMAMu). Vanaf 1972 doceerde hij ook aan de Sorbonne. Met Pierre Boulez stichtte hij het IRCAM te Parijs, maar hij trok zich later daaruit terug. De eerste computer waarmee Xenakis componeerde was de IBM 7090.

Zijn laatste werk voor de Olympische Spelen te Athene met de titel Prometheus kon hij niet voltooien.

Iannis Xenakis componeerde

     38 orkestwerken

     1 werk voor harmonieorkest

     6 werken of series werken voor piano solo

     1 werk voor orgel

- Gmeeoorh, 1974

     15 werken voor koor

- Nuits, voor gemengd koor of 12 stemmen, 1968; bedoeld als een aanklacht tegen onderdrukking; snoeiharde atonale erupties

     9 werken voor stem(men) (koor) en orkest of instrumenten

- Zyia, voor sopraan, mannenkoor, dwarsfluit en piano, 1952, ook in een versie voor sopraan, fluit en piano

     36 kamermuziekwerken

- Dhipli zyia voor viool en cello, 1951

- Eonta voor piano, 2 trompetten en 3 tenortrombones, 1964
- Nomos alpha voor cello, 1966

- Linaia-Agon, voor hoorn, trombone and tuba, 1972

- Kottos voor cello, 1977

- Tetras, voor strijkkwartet, 1983

- Epicycle voor cello en ensemble, 1989

     6 werken voor percussie

- Psappha (archaÔsche vorm van Sappho, de Griekse dichteres van Lesbos in de 6de eeuw voor Christus),1975, voor slagwerksolist met drie groepen houten (of huiden) en drie groepen metalen slagwerk. Indrukwekkend werk, geschreven in opdracht van het Engels Bach Festival en opgedragen aan slagwerker Sylvio Gualda.

- PlťÔades, voor 6 slagwerkers , 1979. Achteeenvolgens klinken den vier boeddhistische elementen: wind, water, aarde en vuur;  

- Rebonds voor slagwerker solo, 1989, geschreven voor slagwerker Sylvio Gualda, adembenemend virtuoos.

     12 elektronische muziekwerken

     1 werk voor traditionele Japanse instrumenten

     1 opera

 

Gilberto Mendes (Santos, BraziliŽ, 13 oktober 1922 – 1 januari 2016) ging van vanaf zijn 18de jaar tot 1949 naar het Conservatorium van Santos, waar hij studeerde bij Savino De Benedictis en Antonieta Rudge. Daarna studeerde hij compositie bij ClŠudio Santoro in 1954 en bij George Olivier Toni van 1958-1960. Daarna studeerde hij nog in Darmstadt bij Pierre BoulezHenri Pousseur en Karlheinz Stockhausen. Tussen 1945 en 1963 was Gilberto Mendes lid van de Braziliaanse Commnunistische Partij, wat in zijn composities ook sporen heeft nagelaten. In 1962 werd hij de oprichter, artistiek directeur en programmasamensteller van het jaarlijkse Festival Music Nova de Santos, het oudste festival voor eigentijdse muziek in heel Amerika. Gilberto Mendes doceerde aan de Universiteit van Wisconsin–Madison en de Universiteit van Texas, en daarna aan de Universiteit van S„o Paulo tot 2012.

Gilberto Mendes componeerde in elk geval

     1 opera

     12 theatermuziekwerken met multimedia

     4 orkestwerken 

     12 kamermuziekwerken

     9 vocale werken

     8 pianowerken

- Warum Blues, 2001

     3 (series) werken voor een ander solo-instrument

     filmscores

 

Luiz (Luis) Floriano BonfŠ (Rio de Janeiro, BraziliŽ, 17 oktober 1922 – 12 januari 2001) leerde zichzelf als kind gitaar spelen. Vanaf zijn twaalfde kreeg hij les van de Uruguayaanse klassieke gitarist IsaŪs SŠvio. Hoewel BonfŠ deze wekelijks lessen eigenlijk niet kon betalen, besloot SŠvio hem vanwege diens bijzondere passie en talent met betrekking tot het gitaarspel gratis les te geven.

Luiz BonfŠ overleed in Rio de Janeiro op 12 januari 2001 aan prostaatkanker. Hij werd 78 jaar oud.

Luiz BonfŠ produceerde

     25 albums

     2 filmscores

- Orfeu Negro (Black Orpheus), waarin

- Manh„ de Carnaval (carnavalsmorgen, zijn beroemdste compositie, een bossa nova, die zich tot jazzstandard heeft ontwikkeld,

 

Jurgis Gaižauskas (Karužalanis, Ukmergė, Litouwen, 25 oktober 1922 – Vilnius, 24 mei 2009) ging naar de basisschool en het gymnasium in Telšiai. Van Albinas Jasenauską, organist van de kathedraal van Telšia kreeg hij les in piano en muziektheorie. In 1939 had hij vioolles van Povilas Matiuko in Šiauliai en van 1940 tot 1943 studeerde hij aan het Juozas-Gruodis-Conservatorium in Kaunas viool bij Vlad Motiekaitis, piano bij Vladas Jakubėnas en George Karnavičius, en theoretische vakken bij Jakubėnas. Tijdens de Tweede Wereldoorlog sloten de Duitsers in 1943 het conservatorium en toen was het afgelopen met de studie. Jurgis Gaižauskas kreeg in de rest van de oorlogsjaren wel de mogelijkheid viool te spelen in diverse orkesten. In 1945 hervatte hij zijn vioolstudies aan het conservatorium van Kaunas bij Nee Hajosą en Kazys Matiuko, vanaf 1949 aan het Staatsconservatorium in Vilnius. Daar studeerde hij van 1950 tot 1953 bij Anthony Račiūnas ook nog compositie.

Van 1953 tot 1997 doceerde Jurgis Gaižauskas muziektheorie en compositie aan het Juozas-Tallat-Kelpša Conservatorium in Vilnius. In dezelfde periode dirigeerde hij vele binnen- en buitenlandse orkesten.

Jurgis Gaižauskas componeerde 1000 werken

     3 opera's,

- “Buratino”, (“Pinocchio”) kinderopera, zijn grootste succes

     3 operettes,

     theatermuziekwerken

     7 symfonieŽn,

     5 concerten

     3 ouvertures,

     9 orkestsuites,

     2 symfonische gedichten,

     cantates,

     koorwerken

     5 strijkkwartetten,

     9 vioolsonates,

- Sonate nr.II

     6 andere sonates

     andere kamermuziekwerken

     liederen,

     radioscores

 

Edvard Baghdasaryan (Yerevan, ArmeniŽ, 14 november 1922 – 5 november 1987) studeerde aan het Yerevan Staatsconservatorium piano bij Georgi Sarajev en compositie bij Felix Yeghiazaryan. Daaran studeerde hij nog in Moskou. Edvard Baghdarsaryan doceerde compositie aan de Romanos Melikian Muziekschool in Stepanakert en later aan het Conservatorium.

Edvard Baghdasaryan componeerde

     theatermuziekwerken

     balletten

     orkestwerken

     kamermuziekwerken

- Nocturne in A grote terts voor viool en piano, elegant en mooi.

     pianowerken

     koorwerken

     filmscores

 

Ilja HurnŪk (Poruba, SileziŽ, nķ Ostrava, TsjechiŽ, 25 november 1922 – Praag, 7 september 2013) publiceerde op 11–jarige leeftijd al zijn eerste composities. In 1938 moest zijn gezin het Sudetenland na annexatie door Duitsland ontvluchten en kwam  Ilja HurnŪk  in Praag terecht. Hij studeerde  op het Conservatorium van Praag piano bij Vilťm Kurz en compositie bij  VŪtězslav NovŠk. Daarna studeerde hij nog aan de Praagse Kunstacademie piano bij Ilona ŠtěpŠnovŠ-KurzovŠ, de dochter van Vilťm Kurz. Vanaf 1970 doceert hij aan het Conservatorium van Praag en van 1974 tot 1979 aan de Kunstacademie van Bratislava.  Ilja HurnŪk schreef ook libretto’s, verhalen en een autobiografie.

Zijn zoon LukŠš HurnŪk is ook componist.

Ilja HurnŪk componeerde

     5 opera’s

     2 balletten

     1 mis

     1 oratorium

     2 cantates

     13 andere werken met koor, (solisten), (en instrumenten)

     10 concerten

     12 andere orkestwerken

     30 kamermuziekwerken

Tombeau de KŲchel voor fluit en harp, omstreeks 2008

     9 (series) werken voor zangstem(men) en instrument(en)

     22 (series) pianowerken

     3 orgelwerken 

www.hurnik.cz