Componisten

vanaf 1928

 

Petr Eben ( Žamberk, Tsjechië, 22 januari 1928 – Praag, 24 oktober 2007) studeerde piano, cello en orgel in Český Krumlov. Hij kwam in de Tweede Wereldoorlog in kamp Buchenwald terecht omdat zijn vader een Jood was.

Na zijn vrijlating nam hij de draad van zijn pianostudie weer op: vanaf 1948 studeerde hij compositie in Praag. Vanaf 1955 was hij docent muziekgeschiedenis aan de Karel Universiteit in Praag. Hij werd hoofd van de muziekonderwijsafdeling van de Karlsuniversiteit van Praag. In 1978/1979 was hij docent compositie aan de Royal Northern College of Music in Manchester. In 1990 werd hij docent compositie aan de Kunstacademie in Praag.  Sinds 2004 wordt er in Opava een Petr Eben internationaal orgelconcours georganiseerd.

Petr Eben componeerde

     4 opera's

- Jeremiah, kerkopera, 1997

     2 balletten

“Kletby a dobrořečení” (vloek en zegen), 1983

     2 theatermuziekwerken

     4  missen

     3 oratoria

- Apologia Socratus, I967

- "Posvátná znamení" (Heilig Symbool) 1993

     1 pianoconcert, 1961

     2 orgelconcerten

- orgelconcert nr. 1, 1954

- orgelconcert nr. 2, 1984

     8 andere orkestwerken

Noční hodiny” (uren van de nacht), symfonie, 1975

     20 koorwerken, a capella, met orgel of met andere instrumenten

- Cantico delle creature, tekst Franciscus van Assisi, 1987, voor gemengd koor a capella

     26 kamermuziekwerken

     34 (series) orgelwerken,

- Hommage à Dietrich Buxtehude. Toccatafuga, 1987

     4 pianowerken

     12 (series) werken voor zangstem en piano

     kinderliederen

- Sníh (sneeuw) won de prijs als beste kinderkoorlied in Illinois.

 

Jean-Michel Damase (Bordeaux, Frankrijk, 27 januari 1928 – 21 april 2013) was de zoon van harpiste Micheline Kahn. Jean-Michel Damase studeerde piano bij Marcel Samuel-Rousseau vanaf zijn vijfde en componeerde vanaf zijn negende. Jean-Michel Damase studeerde vanaf 1940 op het conservatorium van Parijs bij Alfred Cortot, en vanaf 1943 compositie bij Henri Büsser, Marcel Dupré en Claude Delvincourt. In 1947 won hij de Grand Prix de Rome. Hij bouwde een loopbaan op als pianist en componist. Jean-Michel Damase is begraven op de begraafplaats van Valmondois.

Jean-Michel Damase componeerde

     9 opera’s

     7 balletten

     27 concerten

     12 andere series) orkestwerken

     57 kamermuziekwerken

- Trio voor trompet, trombone en piano, 1983

     85 werken voor een instrument met pianobegeleiding

     29 pianowerken

     30 harpwerken

     18 werken voor een ander solo-instrument

- Insectes, 4 stukken voor piccolo solo, 2011

     2 filmscores 

 

Bengt Hambraeus (Stockholm, Zweden, 29 juanuari 1928 – Glen Roy, Ontario, Canada, 21 september 2000) studeerde orgel bij Alf Linder, compositie bij Günther Raphaël en musicologie bij Carl-Allan Moberg. Daarna studeerde hij nog orgel bij Ernst Karl Rössler in Duitsland en bij Olivier Messiaen in Darmstadt. In 1956 promoveerde hij op een proefschrift over Middeleeuwse muzieknotatie. Van 1957 tot 1972 werkte Bengt Hambraeus  op de muziekafdeling van de Zweedse Radio, waar hij uitzending van eigentijdse muziek met kracht bevorderde.

In 1972 werd Bengt Hambraeus docent compositie aan de McGill University in Montreal in Canada, waar hij tot zijn dood bleef wonen.

Bengt Hambraeus componeerde

     1 ballet

     4 theatermuziekwerken

     13 orkestwerken

     14 koorwerken met begeleiding van instrument(en)

     34 kamermuziekwerken

     19 (series) werken voor zangstem en instrument(en)

     32 orgelwerken

     11 pianowerken

     1 werk voor klavecimbel

     10 elektronische werken

 

Sir John Manduell (Johannesburg, Zuid-Afrika, 2 maart 1928 – Benthem, North Yorkshire, Groot Brittanië, 25 oktober 2017) studeerde aan de Universiteit van Straatsburg, aan het Jesus College in Cambridge, en bij Lennox Berkeley aan de Royal Academie of Music in Londen. Van 1954 tot 1956 werkte John Manduell in Zuid-Afrika als dirigent, componist en omroepmedewerker, daarna ging hij als omroepproducent aan het werk bij de BBC in Londen. In 1961 werd hij hoofd muziek voor Midden- en OosteEngeland, in 1964 kwam hij weer bij de BBC terug. In 1968 werd John Manduell directeur muziek aan de Universiteit van Lancaster. Van 1971 tot 1996 was hij rector van het Royal Northern College of Music in Manchester. Van 1996 tot 1994 was John Manduell ook programmadirecteur van het Cheltenham Festival.

John Manduell is getrouwd met pianiste en pianodocente Renna Kellaway. Ze hebben vier kinderen.

John Manduell componeerde

     orkestwerken

     kamermuziekwerken

     werken voor een soloinstrument

- Variations on a Trio Tune, voor blokfluit solo, geschreven voor John Turner

 

Henk (Hendrikus) Cornelis van Lijnschooten (pseudoniemen: Michiel van Delft, Ted Huggens) (Den Haag, 28 maart 1928 – Hendrik-Ido-Ambacht, 1 november 2006) kreeg op de muziekschool in Den Haag viool-, saxofoon- en klarinetlessen. Daarna studeerde hij muziektheorie, compositie en directie aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag.

In 1946 werd Henk van Lijnschooten klarinettist bij de Koninklijke Militaire Kapel en in 1957 dirigent van de Marinierskapel der Koninklijke Marine. Tot 1964 maakte hij met dit orkest concertreizen door Europa en de Verenigde Staten van Amerika.

Van 1965 tot 1970 was Henk van Lijnschooten docent houtblazers aan het Rotterdams Conservatorium. Vanaf 1970 was hij docent directie harmonie- en fanfareorkesten aan het ArtEZ Conservatorium te Arnhem en aan het Utrechts Conservatorium. In 1985 werd hij onderscheiden als Ridder in de Orde van Oranje-Nassau. In 2003 werd hij met de Prijs Nederlandse Blaasmuziek onderscheiden.

Henk van Lijnschooten componeerde

     105 werken voor harmonie- en fanfareorkesten

- Treble Concerto voor bugel solo en harnonieorkest, 1978 onder pseudoniem Ted Huggens

     8 kamermuziekwerken

     3 (series) werken voor accordeon

     2 werken voor mandolineorkest

     3 filmscores

 

Henk van der Vliet (*Rotterdam 23 april 1928) kreeg vanaf tot 1942 accordeonles op de Toonkunstmuziekschool. Willem Pijper, daar in die tijd ook docent, raadde hem een muzikale vakstudie aan. Henk van der Vliet koos voor dwarsfluit en begon in 1945 zijn studie aan het Rotterdams Conservatorium. Hij had daar muziektheorieles van Jan van Dijk. Na zijn eindexamen in 1950 ging hij fluit studeren bij Johan Feltkamp in Amsterdam, werd hij muziekdocent en speelde hij in het pas opgerichte Rotterdams Kamerorkest.

In 1953 emigreerde Henk van der Vliet naar Canada waar hij fluitist was in een military band. In 1956 keerde hij terug naar Nederland. Hij gaf fluitles aan de muziekschool Bergen op Zoom, speelde weer in het Rotterdams Kamerorkest en nam ook weer les bij Johan Feltkamp. In 1961 verhuisde hij naar Noord-Brabant waar hij met zijn vrouw (piano) en de cellist Jan Wisse een trio vormde. Hij gaf tot zijn pensioen muziekles in zijn woonplaats Roosendaal.

Henk van der Vliet componeerde

     7 orkestwerken

     werken voor harmonieorkest

     werken voor koor en ensemble

     5 werken voor zangstem(men)  en piano, orgel of andere instrumenten

     6 pianowerken.

- sonate nr. 1, 2003

     2 orgelwerken

     1 werk voor viool 

 

Burt Freeman Bacharach (*Kansas City, Missouri, Verenigde Staten, 12 mei 1928) was de zoon van columnist Bert Bacharach. In 1932 verhuisde het gezin naar Queens, New York. Op instigatie van zijn moeder studeerde Burt Bacharach cello, drums en van zijn 12de piano. Op zijn 15de begon Burt Bacharach een 10mans band met highschoolvrienden. Daarna studeerde Burt Bacharach muziek aan  McGill-universiteit in Montreal en de Mannes School of Music in New York City. Daarna ook nog aan het Berkshire Music Center en de  New School for Social Research compositie bij Bohuslav Martinu, Henry Cowell en Darius Milhaud.

Van 1950 tot 1952 deed Burt Bacharach dienst in het leger als pianist en danceband arrangeur. Na zijn diensttijd werkte hij als begeleider van allerlei artiesten in nachtclubs en restaurants. Daar ontmoette hij de jonge zangeres Paula Stewart waar hij in 1953 mee trouwde en in 1958 weer van scheidde.

Van 1958 tot 1961 was Burt Bacharach pianist en bandleider van Marlene Dietrich. In 1966 trouwde hij met actrice Angie Dickinson. Het huwelijk duurde tot 1980.

Burt Bacharach is ook nog getrouwd met tekstschrijfster Carole Bayer Sager, en sinds 2005 met Jane Hanson. Op 7 januari 2007 raakte bekend dat Nikki Bacharach, Burts 40-jarige dochter uit zijn huwelijk met Dickinson, zelfmoord pleegde door middel van verstikking. De jonge vrouw leed aan het syndroom van Asperger, een autismespectrumstoornis, waardoor ze haar hele leven lang vaak niet begrepen werd.

Burt Bacharach componeerde

     5 musicals en revue’s

- “Lost Horizon”, 1973, tekst Charles Jarrott.

     86 nummers met opvallende melodielijnen en licht klassiek georiënteerde stijl, waarvan 52 Top 40-hits, meest op tekst van Hal David

- “Alfie”, 1965

- “Heartlight”, 1982, tekst Neil Diamond

- "That's What Friends Are For", tekst Carole Bayer Sager, In 1982 door Rod Stewart opgenoemen voor de soundtrack van de film Night Shift, beroemd geworden in de 1985 coverversie van Dionne Warwick.

     14 filmscores

- “Butch Cassidy and the Sundance Kid”, 1969, met de hitsong"Raindrops Keep Falling on My Head", 2 oscars: beste score en beste titelsong

www.bacharachonline.com

 

Thea Musgrave (*Barton, Edinburgh, Schotland, 27 mei 1928) studeerde aan de Universiteit van Edinburgh en vier jaar in Parijs bij Nadia Boulanger. Thea Musgrave begon al jong met het componeren van opera’s. In 1958 bezocht ze het Tanglewood Festival en studeerde daar bij Aaron Copland. Van 1959 tot 1965 doceerde Thea Musgrave aan de Universiteit van Londen. In 1971 trouwde ze met de Amerikaanse violist en operadirigent Peter Mark. Ze ging in 1972 in de Verenigde Staten wonen en werd docente aan de Universiteit van Californië - Santa Barbara. Van 1987 tot 2002 gaf ze les aan het Queens College in New York City.

Thea Musgrave componeerde

     16 opera’s

     16 orkestwerken

     12 concerten

     4 werken voor harmonieorkest

     6 werken voor zangstem en orkest

     6 werken voor koor en orkest

     4 werken voor koor en instrumentaal ensemble

     17 (series) werken voor koor a cappella

     49 kamermuziekwerken

     14 series liederen voor zangstem en piano

     1 elektronisch muziekwerk

 www.theamusgrave.com

 

Tonin Harapi (*Shkroda, Albanië, 4 juni 1928 – Tirana, 30 juli 1992) was vanaf zesjarige leeftijd lid van het koor van de Fransiscaner kerk in Shkroda. In zijn kindertijd studeerde hij klarinet en piano. Van 1959-1961 studeerde compositie bij Clhulaki aan het Conservatorium van Moskou en van 1962 – 1964 bij Çesk Zadeja en Tish Daija aan het nieuwe conservatorium van Tirana. Daar doceerde hij vanaf 1964 compositie tot aan zijn dood.

Tonin Harapi componeerde

     orkestwerken

     oratoria

     cantates

     opera’s

- Zgjimi, 1976

     liederen

     pianowerken

     kamermuziek

- 4 strijkkwartetten

- 1 pianotrio

 

Tadeusz Baird (Grodzisk, Masowiecki, Polen, 26 juli 1928 – Warschau, 2 september 1981) was de zoon van uit Schotland in Polen geïmmigreerde ouders. Hij studeerde compositie, piano en musicologie aan het conservatorium van Warschau, onder meer bij Kazimierz Sikorski. Tijdens de Tweede Wereldoorlog zat hij gevangen. In 1949 vormde hij “Groep 49” met Kazimierz Sikorski en Jan Krenz. De “Groep 49” wilde communicatieve en expressieve muziek componeren volgens de sociaal-realistische staatsideologie. In 1974 werd Tadeusz Baird docent compositie aan de Muziekacademie in Warschau.

Tadeusz Baird componeerde

     1 opera

     1 cantate

     4 symfonieën

     16 andere orkestwerken

- Elegia, 1973, 8 minuten durend juweeltje

     7 werken voor zangstem(men), (koor) en orkest of ensemble

     6 kamermuziekwerken

     3 pianowerken

 

Karlheinz Stockhausen (Mödrath, Duitsland, 22 augustus 1928 – Kürten-Kettenberg, 5 december 2007) was de zoon van de onderwijzer Simon Stockhausen (1899-1945) en Gertrud Strupp (1900-1941), die uit een welgestelde boerenfamilie stamde. Er werden nog twee kinderen in het gezin geboren: Katharina (1929) en Hermann-Josef (1932). Het broertje overleed heel jong.

Toen vader Simon in 1935 een aanstelling als schoolhoofd in Altenberg kreeg,  kreeg Karlheinz  pianoles van Domorganist Franz-Josef Kloth.

Door een middenoorontsteking in 1935 beschikte hij sindsdien aan zijn rechteroor maar over 30% van het hoorvermogen.

In 1938 hertrouwde vader Simon. Met Luzia, zijn tweede vrouw, kreeg hij twee kinderen, Waltraud en Gerd. Stockhausens moeder stierf in 1942, officieel aan  leukemie, maar in feite ten gevolge van de euthanasiemaatregelen van het naziregime.

Vanaf januari 1942 verbleef Karl Heinz Stockhausen op het internaat van de LBA ("Lehrerbildungsanstalt", een lerarenopleiding) te Xanten. Karl Heinz Stockhausen speelde als hoboïst in het schoolorkest. Naarmate de oorlog vorderde was daar steeds minder tijd voor, tegen het einde van de oorlog zelfs niet meer voor het onderwijs. Zijn vader is als 46-jarige officier in het Duitse leger waarschijnlijk in 1944 in Hongarije om het leven is gekomen.

Karlheinz Stockhausen ondervond van dichtbij de verschrikkingen van de oorlog. Van 1946 tot 1947 volgde hij het Gymnasium in Bergisch-Gladbach. In 1947 werd hij aangenomen als student piano in de klas van Hans Otto Schmidt-Neuhaus van de Musikhochschule (het Conservatorium) te Keulen en ging daarna Schoolmuziek studeren. Als bijvakken volgde hij germanistiek, filosofie en muziekwetenschap aan de Universiteit van Keulen.

In 1948 ontmoette Stockhausen Doris Andreae, tijdens een bijeenkomst van een literatuurkring. Op 29 december 1951 trouwden ze in Hamburg. Ze kregen vier kinderen: Suja (1953), Christel (1956), Markus (1957) en Majella (1961).

In 1951 nam Karlheinz Stockhausen deel aan de Vakantiecursussen voor nieuwe muziek in Darmstädt en kwam daar in aanraking met de muziek van Olivier Messiaen. Er ontwikkelde zich een vriendschap met Goeyvaerts, leerling van Olivier Messiaen. Zij ontwikkelden de concepten van de seriële Muziek. In 1952 volgde Karlheinz Stockhausen cursussen bij Olivier Messiaen in Parijs in analyse en kunstvormen, en nam hij deel aan de compositieklassen van Darius Milhaud. Hij verdiepte zich in Paris in de Studio van Pierre Schaeffer ook in de mogelijkheden van elektronische muziek en Toonband-composities. In hetzelfde jaar 1952 werkte hij daar verder aan in de Keulse Studio voor Elektronische Muziek. In 1953 werd hij assistent van Herbert Eimert aan de Elektronische Muziekstudio van de Westdeutscher Rundfunk, in 1962 volgde hij Herbert Eimert als directeur daar op.

In 1961 kreeg Stockhausen een perceel grond in bezit in de omgeving van Kürten, een dorp ten oosten van Keulen. Hij liet daar een huis bouwen, dat helemaal volgens zijn specificities werd vormgegeven, en hij resideerde daar vanaf de herfst van 1965.

Op 3 April 1967 trouwde Karlheinz Stockhausen in San Francisco met Mary Bauermeister, met wie hij twee kinderen kreeg: Julika (1966) en Simon (1967). Vier van de kinderen uit zijn twee huwelijken werden professioneel muzikant.

Karlheinz Stockhausen stierf aan plotseling hartfalen, op de leeftijd van 79 jaar, in zijn huis in Kürten, Duitsland.

In 1994 werd de Stockhausen-Stiftung für Musik opgericht om het creatieve oeuvre van KarlHeinz Stockhausen veilig te stellen. Vanaf 1998 worden door de Stockhausen-Stiftung in Kürten jaarlijks Stockhausen-cursussen georganiseerd.

Karlheinz Stockhausen componeerde 370 uiteenlopende werken

     1 gigantische operacyclus van 7 opera’s, 1977-2003

- Licht.

+ DONNERSTAG aus LICHT, nr 48-50, opera in 3 bedrijven, een groet en een afscheid, voor 14 muzikanten: 3 solostemmen, 8 solo–instrumenten, 2 solodansers, koor, orkest en geluidsbanden, 1978-1980.
Het tweede bedrijf:

+ Nr. 48, MICHAELs REISE UM DIE ERDE voor trompet en orkest, 4 zenders, 37 microfoons, 6 x 2 luidsprekers, mengpaneel, 1978, wordt wel apart uitgevoerd

+ FREITAG aus LICHT, nr 62-64, opera in een groet, drie bedrijven en een afscheid, voor 5 muzikanten, kinderorkest, kinderkoor, 12 koorangers, 1 synthesizerspeler, 12 dansparen, electronische muziek en een klankregisseur, 1991-1994

     35 werken voor orkest

- Gruppen voor drie orkesten 1957, catalogusnummer 6, hoort bij zijn meest bekende composities, een mijlpaal in de 20ste-eeuwse muziek, een onbetwist meesterwerk;

- Carré, 1960, nr. 10, voor 4 orkesten en 4 koren met 4 dirigenten, 20 microfoons, 8 luidsprekers en mengpaneel

- Sternklang, nr. 34, 1971, Parkmuziek voor 5 groepen (21 zangers en instrumenten, 21 microfoons, 10 synthesizers, 22 luidsprekers, 5 mengpanelen, 5 klankregisseurs).

     134 werken voor ensemble ( 2 of meer spelers)

- Pole, nr. 30, 1970, voor twee spelers of zangers met twee kortegolf-ontvangers.

- Tierkreis (Zodiac), nr. 41, 1974, twaalf melodieën voor twaalf kleine speeldoosjes, speciaal gemaakt voor dit doel door de Zwitserse fabriek Jean Reuge in St. Croix. Daarna is het werk vrijgemaakt voor uitvoeringen in allerlei samenstellingen, zelfs voor orkest; één van zijn meestgespeelde werken. nr 418/9 is een zetting voor melodie en akkoordinstrument uit 1975, gereviseerd in 1981. De dierenriem delen zijn de gebruikelijke sterrenbeelden: waterman, vissen, ram, stier, tweelingen, kreeft, leeuw, maagd, weegschaal, schorpioen, boogschutter en steenbok

- Klang – Die 24 Stunden des Tages, de laatste werkencyclus, 2004-2007, werknummers 81-101. De cyclus bleef onvoltooid, de laatste drie „uren“ ontbreken. 

Nr. 85.1; het  5de  uur: HARMONIEN voor basklarinet, (1 zender, 2 x 2 Luidsprekers, mengpaneel)

     46 werken voor koor of vocale ensembles

     21 pianowerken

- MANTRA, nr. 82, 1970, voor 2 pianisten met woodblocks en antieke cimbalen en aan elektonica 2 sine-wave generators, 2 ring modulators, 2-track taperecorer, 6 microfoons, 2 x 2 luidsprekers en een soundmixer. Een sleutelwerk.

- Klavierstücke I - IV, 1954, V - X, 1955, !X en X, 1961

Klavierstuk IX, berucht om de 139 herhalingen van hetzelfde openingsakkoord

     werken voor andere instrumenten solo

- Zyklus für einen Schlagzeuger, 1959

- SOLO, nr. 19, 1965, voor melodieinstrument en elektronische terugkoppeling;

- Spiral, nr. 27, 1968 voor solist en kortegolf-ontvanger.

- Alphabet for Luik, nr. 36, 1972, 13 muzikale scenes voor solisten en duo’s, allemaal met elektro-akoestische hulpmiddelen.

- Amour, 1976, 5 stukken voor klarinet, geschreven voor zijn eigen gezin, als Kerstmuziek

1. Sei wieder fröhlich

2. Dein Engel wacht über Dir, kunnen met enige moeite ook voor blokfluit worden gearrangeerd. 

- In Freundschaft ("In vriendschap"), 1977, nr. 46, in eerste instantie voor klarinet solo, maar al gauw omgewerkt voor 13 andere instrumenten; voor fagot: nr 46 ¾; voor contrabas: nr 467/8; voor hoorn nr 4611/12; voor blokfluit, gearrangeerd door Geesche Geddert: nr 46 14/15, 1985; uiterst complex, horizontaal polyfoon, werk.

- Die 7 Lieder der Tage, nr. 57 ¾, 1986, voor melodie-instrument.

- Vibra-Elufa voor vibrafoon, 2003, nr. 280 (9¾ ex 64)

     90 werken waar een elektronisch toetsinstrument bij betrokken is

www.karlheinzstockhausen.org

 

Julian Edwin "Cannonball" Adderley (Tampa, Florida, Verenigde Staten, 13 september 1928 – Gary, Indiana, 8 augustus 1975) studeerde van 1944 tot 1948 hij aan de Hogeschool van Tallahassee (U.S. Navy School of Music) fluit, trompet, klarinet en altviool. Van 1948 tot 1950 dirigeerde hij het schoolorkest van de Dillard High School in Fort Lauderdale. Daar kreeg hij vanwege zijn enorme eetlust zijn bijnaam "kannibaal", wat later "Cannonball" werd.

In 1955 verhuisde Cannonball Adderley naar New York. Samen met zijn broer, trompettist Nat Adderley richtte hij het Cannonball Adderley Quintet op, dat de aandacht trok van Miles Davis. Cannonball Adderley voegde zich in 1957 bij het Miles Davis-sextet, rond de tijd dat John Coltrane de band verliet om bij Thelonious Monks band te gaan spelen.

Nadat Cannonball Adderley de band van Miles Davis had verlaten, gaf hij opnieuw vorm aan het Cannonball Adderley Quintet,

Het kwintet (dat later een sextet werd) speelde “souljazz”, een stijl die een brug sloeg tussen bebop en funk.

Cannonball Adderley overleed aan een hartaanval in 1975. Hij werd begraven in Tallahassee in Florida.

Hij was een van de meest toonaangevende hardbop-muzikanten.

Cannonball Adderley maakte

     54 albums als bandleider

 

Einojuhani Rautavaara (Helsinki, 9 oktober 1928 – 27 juli 2016) kreeg zijn algemene opleiding aan het Helsinki Normal Lyceum en het Turku Classical Lyceum. Aan de Sibelius-Akademie studeerde hij bij Aarre Merikanto compositie. Hij werkte er ook als assistent-bibliohekaris bij het Filharmonisch Orkest van Helsinki. Zo kwam hij in contact met Jean Sibelius, wiens werk door het orkest veel werd uitgevoerd. De jonge muziekstudent bracht de bejaarde componist soms ook met de auto van zijn moeder naar huis. Jean Sibelius  zorgde ervoor dat Einojuhani Rautavaara een beurs kreeg om in 1955 en 1956  aan de Juilliard School of Music in New York bij Vincent Persichetti, en aan het Tanglewood Music Center bij Roger Sessions en Aaron Copland te kunnen studeren. Hij studeerde in 1957 ook nog bij Wladimir Vogel in Ascona, Zwitserland en in 1958 aan de Rheinische Musikhochschule te Keulen bij Rudolf Petzold.

Van 1957 tot 1959 was hij docent aan de Sibelius-Akademie en van 1959 tot 1961 muziekarchivaris van het HelsinkiPhilharmonisch Orkest. Van 1965 tot 1966 was hij rector van het Käpylä Music Institute in Helsinki en daarna weer docent aan de Sibelius-Akademie. Ook bij de Finse overheid kreeg hij een baan als artistiek professor van 1971 t/m 1976.

In 1976 werd hij door de Sibelius-Akademie tot professor voor compositie benoemd, wat hij bleef tot 1990. Sindsdien werkte hij uitsluitend als componist. Hij overleed in een ziekenhuis in Helsinki aan de complicaties van een operatie.

Einojuhani Rautavaara componeerde

     9 opera’s

- Rasputin, 2003

     1 toneelmuziekwerk

     1 ballet

     8 symfonieën, met mooie koorstukken, die ook wel afzonderlijk worden uitgevoerd

- symfonie nr. 7, Angel of Light, 1994, geïnspireerd door de dromen en de visioenen van zijn kindertijd. En van zijn succesvolste werken

     13 concerten

- Fluitconcerto: Dances with the Winds, 1975, Alsof Debussy en Ravel vol op Stockhausen botsen. Fascinerend gevecht tussen orkest en fluit. Mooi concert.

     11 andere orkestwerken

- Cantus Arcticus, Op. 61, 1972, zijn bekendste werk. De ondertitel Concerto for Birds and Orchestra slaat op het gebruik van opnames van vogelgeluiden vlak bij de Poolcirkel in Noord Finland

- Autumn Gardens, 1999, symfonisch gedicht over vallende bladeren en de dood

- Fantasia, fantasie voor viool en orkest, 2015

     16 werken voor strijkorkest

- Canto VInto the Heart of Light, 2011

     4 werken voor harmonieorkest

     4 werken voor solisten, koor en orkest

- Balada, voor solo tenor, gemengd koor en orkest, 2014

     26 werken koor a capella of met solist (en) en/of instrumenten

- Vigilia Pythän Johannes Kastajan Muistolle (Nachtwake ter nagedachtenis aan Johannes de Doper), 1971, voor koor, solisten en orkest of orgel

- Canticum Mariae Virginis, voor koor a capella, 1978, met een tienstemmige canon, doet Gregoriaans aan

     8 kamermuziekwerken

     10 (series) liederen

- Rubáiyát, 2014, liedcyclus naar gedichten van Omar Khayyam (1048-1131) voor bariton en orkest

     14 (series) pianowerken

- Pelimannit (de vedelaars), 1952, een ode aan de volksmuziek en aan de volksmuzikanten van Ostrobothnia, West Finland, waar Rautavaara’s familie vandaan kwam

     4 werken voor orgel

     2 series werken voor gitaar

 

Ennio Morricone (*Rome, 10 november 1928) kreeg van zijn vader Mario, trompettist, zijn eerste muzieklessen. Op zijn zesde schreef Ennio Morricone al zijn eerste composities en arrangeerde hij muziek, die hij voor de radio hoorde.  Op zijn tiende ging hij trompet studeren aan het Conservatorium van de Accademia Nazionale di Santa Cecilia. Hij werd lid van Gruppo di Improvvisatione di Nuove Consonanza, een avantgardistisch componistengezelschap, dat experimenteert met improvisatie en nieuwe muziekvormen.

Ennio Morricone componeerde de scores voor alle 8 Sergio Leone-films. Sergio Leone, een voormalig klasgenoot van Ennio Morricone, vond Morricone's muziek zo goed dat de muziek in zijn films vaak een onmiskenbare rol speelt.

De westernscores (een dertigtal in totaal) van Morricone behoren tot de bestsellers wat filmmuziek betreft. In 1 971 kreeg Ennio Morricone een eerste gouden plaat in Italië voor de verkoop van één miljoen albums en mocht hij een Targa d'Oro in ontvangst nemen voor de wereldwijde verkoop van 22 miljoen albums.

Ennio Morricone werd één van de meest gevraagde filmcomponisten. In de jaren zestig en zeventig componeerde hij jaarlijks 15 tot 25 scores.

In 2008 won hij de Honorary Academy Award, een prestigieuze prijs die enkel de componist Alex North (componist van A Clockwork Orange) eerder won. Hij droeg de Oscar op aan zijn vrouw Maria Travia waarmee hij op 13 oktober 1956 trouwde. Zij kreeg als eerste de composities van haar man te horen en beoordeelde de kwaliteit ervan. Maria Travia schreef vele songteksten voor de scores van Ennio Morricone, waaronder de Gregoriaanse teksten van The Mission. In november 2013 werd Ennio Morricone 85 jaar oud. Hij verstopte zich voor de buitenwereld, want hij houdt niet van verjaardagen. Ennio Morricone "de grootste filmcomponist aller tijden" noemen is niet overdreven. Zijn zoon Andrea Morricone is ook componist.

Ennio Morricone componeerde

     1 opera,

     10 concerto's

     kamermuziek.

     500 filmscores (!!)

- Il federale, 1961, zijn eerste filmscore

- For a Few Dollars More, 1965

- The Good, The Bad & The Ugly, 1966, regie Sergio Leone (een oud-klasgenoot van Morricone), de song "The Ecstasy Of Gold" wordt door metalgroep Metallica al jaren gebruikt als introtune. Daarmee zijn het ongeveer de bekendste noten van Ennio Morricone geworden.  

- Once Upon a Time in the West (1968), zijn bekendste en meest verkochte score (10 miljoen exemplaren). Album met 13 nummers:

nr. 7. Man with a harmonica, blijf maar een onberoerd onder die melancholische klanken

- Le Clan des Siciliens, regie Henri Verneuil, 1969, volgens kenners de beste muziek die Ennio Morricone ooit heeft gemaakt. Het hoofmotief bestaat uit vier tonen en daar heeft hij het thema op gebaseerd. Alleen aan die passage heeft hij een maand lang gewerkt.

- Days of Heaven, 1978, regie Terrence Malick, de eerste keer dat de muziek van  Ennio Morricone voor een Oscar werd genomineerd.

- Once Upon a Time in America, 1984

- The Mission (1986),

Gabriel’s Oboe is het hoofdthema van de film, een onvergetelijke beroemde hobomelodie, inmiddels uitgevoerd door tientallen solisten en orkesten en van tekst voorzien door Sarah Brightman: "Nella Fantasia”.

- The Untouchables, 1987

- Gli occhiali d'oro (de gouden bril), 1987,  regie Giuliano Montaldo, voor het eerst dat Ennio Morriconein zijn eigen land, Italië een prijs voor de filmmuziek kreeg.

- Cinema Paradiso, 1988, met medewerking van zijn zoon  Andrea Morricone, won een BAFTA Award;

- Bugsy, 1991

- Wolf, 1994

- Malèna, 2001

- Fateless, 2005 

- Baaria, 2009

- Capone Rising, 2012

- The hateful Eight, regie Quentin Tarantino, 2015

     honderden televisiescores

     100 popsongs

- Here's to You, 1971 voor Joan Baez, werd een hit.

www.enniomorricone.it

 

 

Jerrold Lewis "Jerry" Bock (New Haven, Connectut, Verenigde Staten, 23 november 1928 – Mount Kisco, New York, 3 november 2010) groeide op in Flushing, Queens, New York. Jerry Bock studeerde als kind al jong piano. Hij volgde de Universiteit van Wisconsin–Madison, waar hij al de musical Big As Life schreef, die al meteen succes had.

Jerry Bock componeerde

     12 musicals

- Fiorello!, 1959, libretto Sheldon Harnick. Tony Award voor Beste Musical en Pulitzer Prize voorr Drama

- Fiddler on the Roof ("Anatevka"), 1964, libretto Sheldon Harnick, naar de Jiddische verhalen van Sholem Aleichem, 1905. Tony Award voor Beste Componist en Librettist.

Bekendste song uit de musical: "If I Were a Rich Man", werd een grote hit.

     televisierevues

 

Maurice Pirenne (Tilburg, 29 november 1928 – 's-Hertogenbosch, 14 maart 2008) studeerde filosofie en theologie aan het grootseminarie te Haaren. Tegelijkertijd studeerde hij orgel bij Piet Hörmann, organist van de Sint-Janskathedraal in 's-Hertogenbosch en compositie aan het conservatorium van Tilburg. Na zijn priesterwijding in 1952 kreeg hij van mgr. Mutsaerts toestemming om zijn muzikale talent verder te ontwikkelen op het gebied van Gregoriaans, kerkorgel, compositie en musicologie aan het Pontificio Istituto di Musica Sacra te Rome, voor welke onderdelen hij cum laude slaagde.

Van 1959 tot eind 1993 was Maurice Pirenne docent aan het Brabants Conservatorium en het Nederlands Instituut voor kerkmuziek te Utrecht, aanvankelijk in de vakken Gregoriaans en theorie, na enige jaren hoofdvak orgel. Van 1969 tot 1980 doceerde hij ook orgel aan het Arnhems Conservatorium.

Van 1965 tot 1991 was Maurice Pirenne rector cantus van de Schola Cantorum van de Sint-Janskathedraal te 's-Hertogenbosch. In 1991 werd hij benoemd tot organist van de Sint-Jan. Op 1 februari 2008 werd deze functie overgedragen aan Véronique van den Engh.

Voor zijn verdiensten op muzikaal en cultureel gebied ontving Maurice Pirenne op 27 november 1998 de Albert Swaneprijs. In 2001 ontving hij de dr. Rijnsdorpprijs als waardering voor zijn gehele muzikale oeuvre. De stad 's-Hertogenbosch eerde Maurice Pirenne met de Jeroen Boschpenning in oktober 2007.

Maurice Pirenne is begraven op be graafplaats Orthen in 's-Hertogenbosch.

Maurice Pirenne componeerde

     93 koorwerken

- De creatione Mundi, voor drie- tot achtstemmig vrouwenkoor en orgel, 1997

     5 kamermuziekwerken

     6 orgelwerken

- Metanoia, 1985, voor Nel van den Oort

 

 

Gaziza Zhubanova (Aktyubinsk, Kazachstan, 2 december 1928 – Alma-Ata, 13 december 1993) was de dochter van Akhmet Zhubanov, een universitair geschoolde muzikant, dirigent van het Kazachstaans Sumphonie Orkest.

In 1945 ging Gaziza Zhubanova studeren bij Gnesis en Ludwig Streicher aan het Gnesin Music College in Moskou. Daarna studeerde ze bij Yuri Shaporin, aan het conservatorium van Moskou, waar ze in 1954 afstudeerde.

In 1954 nam Gaziza Zhubanova deel aan de Zevende voltallige bijeenkomst van de Kazachstaanste Componistenvereniging . Van 1962 tot 1968 was  Gaziza Zhubanova voorzitter van de Kazachstaanste Componistenvereniging. Ze doceerde compositie aan het Conservatorium in Alma-Ata en was daar van 1975 tot 1987 directeur van.

Gaziza Zhubanova componeerde

     4 opera’s

- Enlik-Kebek, 1975

- Dvadtsat′ vosem, 1981

- Kurmangazï, gewijd aan een beroemd Kazachstaans instrumentaal genre,  de küi, 1987.

     4 balletten

     30 toneelmuziekwerken

     symphonische gedichten

     3 symphonieën

     concerten

- pianoconcert, prachtig werk waarin ook de Kazachstaanse volksmuziek een rol speelt.

- celloconcert

·         2 oratoria

- Pesnya Tat′yanï

     3 cantates

     liederen

     kamermuziek

     filmscores

http://sites.google.com/site/gazizazhubanova/home/engl-1

 

Hatto Ständer (Witten/Ruhr, Duitsland, 14 januari 1929 – Dortmund, 10 augustus 2000) begeleidde als negenjarige al kerkdiensten. 13 jaar oud werd hij leerling aan het Muziekgymnasium in Frankfurt/Main, waar hij uitgebreid les kreeg van Kurt Thomas. Daarna studeerde Hatto Ständer piano en compositie aan de Folkwanghogeschool in Essen en de Muziekhogeschool in Freiburg. Aan de Muziekhogeschool in Dortmund doceerde Hatto Ständer van 1960 tot 1992 orgel, koordirectie, Gregoriaans en compositie. In 1971 werd hij directeur Kerkmuziek en leider van de de afdeling voor katholieke kerkmuziek.

Hatto Ständer componeerde

     5 werken voor koor a cappella

     9 werken voor koor en orgel (en gemeentezang)

     1 Duitse mis voor twee zangstemmen en orgel

     2 (series) werken voor zangstem en orgel of piano

     5 (series) orgelwerken

     7 (series) pianowerken

- Kleine Klaviersonaten und Klavierstücke,  1941-1944

- fantasie in f kleine terts, 1942

     5 kamermuziekwerken

 

Jan Baptist Segers (*Mechelen, januari 1929) studeerde aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium Antwerpen en behaalde eerste prijzen voor solfège en klarinet, aan het Koninklijk Conservatorium Luik, een eerste prijs harmonieleer en aan het Koninklijke Muziek-Conservatorium te Brussel, eerste prijzen voor saxofoon, contrapunt en fuga.

In 1960 werd hij directeur van de stedelijke muziek-academie in Willebroek en dirigent van de Koninklijke Fanfare Concordia, Tisselt en bleef in deze functie tot 1980.

In 1980 werd hij diensthoofd bij de BRT.

Jan Segers componeerde

     3 orkestwerken

     17 werken voor harmonie- of fanafarorkest

- Flashes for Band, 1990

     4 kamermuziekwerken

 

Siegrid Ernst (*Ludwigshafen am Rhein, Duitsland, 3 maart 1929) kwam uit een muzikale familie. Ze studeerde vanaf haar zevende al piano, viool en muziektheorie. Vanaf 1948 studeerde ze muziekpedagogiek bij Else Rehberg en compositie bij Gerhard Frommel in Heidelberg, piano bij August Leopolder in Frankfurt am Main en bij Richard Hauser in Wenen. Na haar afstuderen bouwde ze een carrière op als concertpianiste in binnen- en buitenland. Ze was docent piano en compositie aan de Hochschule für Musik und Darstellende Kunst in Heidelberg en Mannheim en aan de Hogeschool voor de Kunst in Bremen. In 1957 trouwde ze met pianist Konrad Meister (1930-2003), jarenlang haar duopartner. Na de geboore van haar kinderen in 1961 en 1963 hield ze de pianocarrière voor gezien en wijde zich uitsluitend aan componeren, lesgeven en organiseren.

Siegrid Ernst is medewerker van GEDOK (Gemeinschaft Deutscher und Oesterreichischer Künstlerinnenvereine aller Kunstgattungen) en medeoprichtster van de Internationale vakvereniging FRAU UND MUSIK, waaran zij 15 jaar voorzitter was. In 1980 was ze betrokken bij het ontstaan van het International Congress on Woman in Music in New York.

In 1989 kreeg Siegrid Ernst een eredoctoraat van de Interamerican University of Humanistic Studies in Florida,

Pianist Rudolf Meister, Rector van de Muziekhogeschool Mannheim, is haar zoon.

Siegrid Ernst woont (2016) in Bremen.

Siegrid Ernst componeerde

     1 kinderopera

     1 theatermuziekwerk

     1 oratorium

     6 orkestwerken

     7 kamermuziekwerken

- Sextett voor houtblazers, 1965, in 2012 omgewerkt voor fluit, klarinet en fagot onder de titel “Für Drei”

     1 werk voor koor en orgel

     11 (series) liederen voor (zang)stem en piano en/of andere instrumenten

     1 (serie)  werken voor kinderen

     4 pianowerken (ook met elektronica)

     2 werken voor een ander soloinstrument

 

Robert Muczynski (Chicago, Verenigde Staten, 19 maart 1929 – Tucson, Ariozona, 25 mei 2010) was de zoon van Pools-Slowaakse immigranten. Hij studeerde ná de Tweede Wereldoorlog tot 1952 piano bij Walter Knupfer en compositie bij Alexander Tcherepnin aan de DePaul Universiteit. Op zijn 29ste maakte hij zijn debuut in Carnegie Hall met een programma van eigen pianocomposities.

Later doceerde hij zelf aan de DePaul University in Chicago, het Loras College in Dubuque, Iowa en de Roosevelt Universiteit in Chicago. Tenslotte vestigde hij zich in Tucson in the 1960er jaren. Daar werd hij tot zijn pensioen docent compositie aan de Universiteit van Arizona.

Robert Muczynski componeerde 50 werken

     12 orkestwerken

     16 kamermuziekwerken

- Sonata voor fluit en piano, opus 14, 1961, briljant stuk

     3 koowerken

     17 (series) pianowerken

     6 (series) werken voor een ander solo-instrument

     9 filmscores

 

Edison Vasiljevitsj Denisov (Tomsk, Rusland, 6 april 1929 – Parijs, Frankrijk, 24 november 1996) was de zoon van een ingenieur en een arts in Siberië. Zijn vader, die grote bewondering voor de Amerikaanse natuurkundige had, noemde hem Edison. In 1946 en 1947 had hij pianoles op de muziekschool van Tomsk. Van 1947 tot 1951 studeerde hij wiskunde aan de Staatsuniversiteit van Tomsk, en besloot na het behalen van zijn diploma componist te worden. Zoiets komt vaker voor. Edison Denisov ging daarvoor naar het conservatorium van Moskou, waar hij compositie studeerde bij Wissarion Schebalin en piano bij Nikolai Peiko. Nadat hij was afgestudeerd gaf hij jarenlang aan het conservatorium van Moskou instrumentatieles. Hij werd echter steeds van alle kanten tegengewerkt omdat hij te avantgardistisch en te “westers” componeerde en doceerde.

Vana 1968 tot 1970 werkte Edison Denisov aan de experimentele studio voor elektronische muziek in Moskou. Na het ineenstorten van de Sovjet-Unie werd het voor hem allemaal wat makkelijker en werd hij breed gewaardeerd.

In 1992 kreeg hij eindelijk een echt professoraat aan het conservatorium van Moskou.

In 1990 en 1991 werkte Edison Denisov aan de IRCAM in Parijs.

Tegen het einde van zijn leven, in 1994, zwaar gehandicapt door een verkeersongeluk, emigreerde Edison Denisov naar Frankrijk, waar hij in een Parijse kliniek behandeld werd en in 1996 overleed.

Denisov hoorde bij de twintigste-eeuwse componisten die ook het klavecimbel bij hun composities betrokken.

Edison Denisov componeerde

     3 opera’s

     2 oratoria

     1 requiem

     8 andere werken voor solisten, koor en instrumenten

     13 concerten

     20 andere orkestwerken

     56 kamermuziekwerken

- sonate voor altsaxofoon en piano, 1970, voor Jean-Marie Londeix

     20 series liederen

     9 (series) pianowerken

     13 werken voor een ander solo- instrument

 

André George Previn (geboren: Andreas Ludwig Priwin) (*Berlijn, 6 april 1929) studeerde, voordat zijn familie in 1937 naar Parijs verhuisde, al aan het Koninklijk Conservatorium van Berlijn. Vanaf 1937 studeerde André Previn aan het conservatorium van Parijs. In 1941 vluchtte de Joodse familie in 1941 voor de nazi's naar de Verenigde Staten. Sweet Lorraine van Art Tatum inspireerde Previn om zich meer in de jazzmuziek te verdiepen. Op dertienjarige leeftijd startte Previn zijn carrière met radio-opnamen onder andere met Hoagy Carmichael. Op zijn vijftiende gaf hij een jazzconcert in de Philharmoniker concertzaal van Los Angeles. Zijn toenmalige impresario Laguna begon een opnamestudio, waarvoor André Previn in 1945/46 zijn eerste grammofoonplaatopnamen maakte, onder andere met de jazzmuzikanten Willie Smith en Red Callender. Ook een eigen compositie van Previn, Sunset in Blue, werd daar opgenomen. Hij wordt gerekend tot de beste jazzmuzikanten van Amerika en speelde samen zowel met Ray Brown, Dizzy Gillespie en Billie Holiday. Voor het trioalbum My Fair Lady met Shelly Manne en Leroy Vinnegar ontving hij in 1956 de eerste gouden plaat in de geschiedenis van de jazz.

Andre Previn is vijf keer getrouwd geweest. Eerst met Betty Bennett, daarna met Dory Langdon, vervolgens van 1970 tot 1979 met Mia Farrow. Samen met haar heeft hij dochter Soon-Yi geadopteerd, die nu met regisseur Woody Allen is getrouwd. Na zijn vierde huwelijk met Heather Sneddon, dat eindigde in 2002, trouwde Previn de Duitse violiste Anne-Sophie Mutter. Hij schreef een vioolconcert voor haar. Zij scheidden in 2006.

André Previn componeerde

     2 opera’s

- A Streetcar Named Desire, 1997, libretto Philip Littell, gebaseerd op het toneelstuk van Tennessee Williams. Hoofdrol Blanche Dubois (sopraan)

     4 toneelmuziekwerken

     11 concerten

- Vioolconcerto "Anne-Sophie" , 2002, geschreven voor Anne-Sophie Mutter.

     6 andere orkestwerken

     17 jazzmuziekwerken

     18 kamermuziekwerken

- sonata nr. 2 Vineyard voor viool en piano, 1994

- sonate voor fagot en piano, 1997

- sonata nr. 3 (gepubliceerd als "nr. 2") voor viool en piano, 2011

- nonet, voor twee strijkkwartetten en contrabas, 2014, opgedragen aan Anne-Sophie Mutter

     22 filmscores

www.andre-previn.com

 

Jacques Romain Georges Brel (Schaarbeek (Brussel), 8 april 1929 – Bobigny (Parijs), 9 oktober 1978) was de kleinzoon van Jean-Augustin Brel, vanaf 1833 burgemeester van het Vlaamse Zandvoorde en de zoon van Romain Brel (6 februari 1883 - 8 januari 1964). Zijn vader vertrok voor een handelsfirma in 1911 naar Congo. Op 3 december 1921 trouwde hij in Brussel met Elisabeth Van Adorp (14 februari 1896 - 7 maart 1964). Nadat ze definitief uit Congo waren teruggekomen, vestigden ze zich in de buitenwijk Schaarbeek, waar in 1929 Jacques werd geboren. Romain werd vennoot in de Brusselse kartonfabriek die in 1921 door zijn zwager Armand Vanneste was opgericht. Het bedrijf werd omgedoopt in Vanneste & Brel.

Jacques' moeder, door hem steevast Mouky genoemd, was erg gelovig. Ze hield van acteren en zingen en schreef af en toe liedjes. Aanvankelijk leek het erop dat Jacques zijn vader zou opvolgen als fabrieksdirecteur. Na het verlaten van de middelbare school werkte hij vier jaar lang bij de kartonfabriek Vanneste & Brel. Bij de humanistisch-Katholieke jeugdbeweging Franche Cordée legde hij zich ondertussen toe op zang en toneelspel. Hij ontmoette er ook Thérèse Michielsen ('Miche') met wie hij op 1 juni 1950 trouwde. Ze kregen drie dochters: Chantal (1951-1999), France (1953) en Isabelle (1958).

Ondertussen schreef Jacques Brel liedjes en gedichten. Hij trad op radioprogramma’s, gaf optredens en maakte in 1953 een 78-toerenplaat met de brave liedjes La Foire en Il y a. In 1954 vertrok Jacques Brel naar Parijs. Zijn liedjes sloegen daar niet aan. Jef Claessen van Omroep Limburg haalt Brel naar Hasselt en laat hem in diverse uitzendingen live zingen. Zijn Vlaamse entree is gemaakt.

In 1956 beleefde Brel zijn doorbraak met het succesvolle plaatje Quand on n'a que l'amour. Brel was vanaf dat moment erkend artiest. Vanaf 1958 leidden Miche en Jacques gescheiden levens maar de relatie werd nooit definitief verbroken. Jacques bleef kostwinner en speelde incidenteel de rol van huisvader. Dat hij er vele minnaressen op nahield, was een publiek geheim.

In de periode tot 1967 leidde Brel een hectisch bestaan waarin het niveau van zijn liedjes en optredens onveranderd hoog bleef.

Naast een intens tourschema van gemiddeld 300 optredens per jaar hield Brel er al die jaren een intens drink- en rookschema op na. Zijn nachtrust bestond uit hazenslaapjes en hij verloor tijdens een optreden in een klein uur ruim een halve kilo aan lichaamsgewicht. Het wekte geen verbazing dat hij op 16 mei 1967 zijn laatste concert gaf en ging het rustig aan doen.

In zijn geval betekende dat: Don Quichot spelen in een door hem zelf geregisseerde musical (l'Homme de la Mancha) en een filmcarrière beginnen.

Hij behaalde zijn vlieg- en zeilbrevet en bevoer samen met minnares Maddly Bamy per zeiljacht Askoy II de Atlantische en Stille Oceaan. Uiteindelijk belandde het paar op het eiland Hiva Oa, onderdeel van de Marquesaseilanden in de Stille Oceaan.

Toen bij Brel in 1974 longkanker werd geconstateerd, vestigde hij zich definitief op Hiva Oa. Met het vliegtuigje 'Jojo' (genoemd naar zijn kort tevoren overleden vriend) verleende hij hand-en-spandiensten aan de lokale bevolking.

Een snel verslechterende gezondheidstoestand dwong hem de laatste drie maanden van zijn leven in Frankrijk door te brengen. Hij stierf in een ziekenhuisbed in Bobigny (bij Parijs) aan een longembolie en werd begraven op Hiva Oa.

Zijn dochter France richtte in 1981 de Fondation Jacques Brel op, die sindsdien waakt over zijn artistieke nalatenschap.

Al in 1962 had Miche Brel de muziekuitgeverij Editions Pouchenel in het leven geroepen om Brels werk uit te geven. In 2006 fuseerden beide tot Editions Jacques Brel.

René Seghers publiceerde in 2003 ”Jacques Brel - leven en liefde”, hèt standaardwerk over Jacques Brel.

Jacques Brel componeerde

     200  liedjes (en een paar “grotere” muziekwerken)

- Ne me quitte pas (Laat me niet alleen / If you go away), 1959

- Les Flamandes, 1959

- Marieke, 1961

- Le moribond (Seasons in the sun), 1961

- Le Plat Pays (Mijn vlakke land), 1962

- Bruxelles (Brussel/Liesbeth List), 1963

- Amsterdam, 1964

- La chanson des vieux amants (Liefde van later), 1967

- La cathédrale, woorden en muziek Jacques Brel, 1977

- Voir un ami pleurer (Een vriend zien huilen), 1977

- Avec élégance woorden Jacques Brel, muziek Jacques Brel en François Rauber, 1981

- L'amour est mort, woorden Jacques Brel, muziek Jacques Brel en Gérard Jouannest, 1981

- Sans exigences, woorden Jacques Brel, muziek Jacques Brel en François Rauber, 1981

www.jacquesbrel.be

 

Harry Bannink (Enschede, 10 april 1929 – Bosch en Duin, 19 oktober 1999) begon zijn muzikale carrière in een dansorkestje, aan het eind van de Tweede Wereldoorlog. In het theater begon Harry Bannink in 1958, met het componeren van het lustrumspel "Het staat u vrij" van het Delftsch Studenten Corps (waaraan ook werd meegewerkt door Luc Lutz en Alexander Pola). Het eerste liedje van Annie M.G. Schmidt dat hij toonzette was Hoezepoes.

Op 19 oktober 1999 overleed Bannink op 70-jarige leeftijd aan een hartstilstand.

Harry Bannink werd begraven op de Nieuwe Algemene Begraafplaats aan de Woudenbergseweg in Zeist.

In zijn geboorteplaats Enschede zijn een theater en een basisschool naar hem vernoemd. Op het Oosterdokseiland in Amsterdam een straat naar Harry Bannink vernoemd.

Harry Bannink componeerde

     3000 liedjes voor

     9 radioprogramma’s

     37 televisieprogramma’s

- Ja zuster, nee zuster, 1966 -1968 (58 liedjes)

- Farce Majeure, 1966 - 1986

- 't Schaep met de 5 pooten, 1969 - 1970

- "De Stratemakeropzeeshow" 1972 - 1974

- De Film van Ome Willem 1973 - 1989

- "J.J. De Bom voorheen De Kindervriend", 1978 - 1981

- Het Klokhuis, 1988 – 1999

     8 musicals

- Heerlijk duurt het langst, 1965, tekst Annie M.G. Schmidt

- Foxtrot, 1977, tekst Annie M.G. Schmidt. Annie M.G. Schmidt kreeg het idee voor het stuk door een partij struisveren waar regisseur Paddy Stone mee aan kwam zetten.

In 2001/2002 is er een nieuwe versie van Foxtrot gemaakt, waarbij de muziek werd aangepast door Henny Vrienten.

Het verhaal speelt in de jaren 30 in een soort artiestenpension in de grote stad. Josien, een meisje uit de provincie, komt er min of meer toevallig terecht en wordt er verliefd op homoseksuele artiest Jules. Tot overmaat van ramp wordt ze ook nog zwanger van een onbekende man. Ze laat abortus plegen, doet een zelfmoordpoging, maar alles komt toch op zijn pootjes terecht.

     18 cabaretprogramma’s

     6 theatershows

     20 andere theaterprogramma’s

 

Peter Joshua Sculthorpe (Launceston, Tasmanië, Australië, 29 april 1929 – Sydney, 8 augustus 2014) was de zoon van literatuurliefhebster Edna en visser en natuurliefhebber Joshua Sculthorpe. Peter Sculthorpe begon te componeren en piano te spelen op zijn zevende en besloot op zijn 14de zijn leven aan de muziek te gaan wijden. Hij kreeg zijn basisopleiding aan de Launceston Church Grammar School en leerde zichzelf in zijn tienerjaren componeren aan de hand van “Studies in Counterpoint” van Ernest Krenek. Daarna studeerde hij van 1946 tot 1950 aan de Universiteit van Melbourne. Terug in Tasmanië kon hij als componist geen droog brood verdienen, dus begon hij met zijn broer Roger maar een jacht-, wapen- en visgereihandel in Launceston. Ondertussen vielen zijn composities toch op en kon hij met een beurs studeren aan het Wadham College in Oxford bij Egon Wellesz. In 1963 werd hij docent compositie aan de Universiteit van Sydney. In 1966 en 1967 studeerde hij nog aan de Yale-universiteit in New Haven, Connecticut in de Verenigde Staten.

Hij keeg een eredoctoraat aan vijf andere universiteiten in Australië.

In 1977 werd hij officier in de Orde van het Verenigd Koninkrijk en in 1990 officier in de Orde van Australië.

Hij overleed in het Wolper Jewish Hospital in Sydney op 85-jarige leeftijd na een langdurige ziekte.

Peter Sculthorpe componeerde 350 werken, waarbij in elk geval

     2 opera’s

     1 ballet

     5 concerten

     33 andere orkestwerken

     2 werken voor harmonie–orkest

     1 requiem

     11 andere werken met koor, (solisten), (en orkest of instrumenten)

     18 strijkkwartetten

- Strijkkwartet nr. 12 “From Ubirr”, met didjeridu ad libitum, 1994

     5 andere kamermuziekwerken

     14 (series) liederen voor zangstem en piano of andere instrumenten

     10 (series) pianowerken

     1 orgelwerk

     2 gitaarwerken

     3 filmscores 

 

Hans Stadlmair (*Neuhofen an der Krems, Oostenrijk, 3 mei 1929) studeerde van 1946 tot 1952 aan de Weense muziekacademie bij Clemens Krauss en Alfred Uhl, en van 1952 tot 1956 in Stuttgart bij Johann Nepomuk David. Van 1956 tot 1995 was hij dirigent van het Münchener Kammerorchester, waar hij meer dan 4000 concerten mee gaf.

Hans Stadlmair componeerde

     16 concertwerken

- Concerto sereno voor blokfluit en strijkorkest, 2003

     kamermuziekwerken

- Sonata pastorale, 1996, voor blokfluit en piano

- Intermezzi, 1997, voor drie blokfluiten in wisselende bezettingen

     werken voor altviool solo

     werken voor andere instrumenten solo

 

Meindert Willem Kramer (Urk, 6 juli 1929 – 1 januari 2008) voelde zich al jong aangetrokken door de muziek. Orgelles kreeg hij van Wim ter Burg (iedere week met de boot naar Enkhuizen) en Jac. Broer. Op 11-jarige leeftijd was hij vaste organist in de Gereformeerde Bethelkerk op Urk. In 1955 volgde hij vader Louwe Kramer op als dirigent van het Christelijk Urker Visserskoor Crescendo. Dat is hij daarna 45 jaar gebleven.

Meindert Kramer componeerde

     45 koraalzettingen voor koor

- Psalm 42

 

Henri Pousseur (Malmedy, België, 23 juni 1929 – Brussel, 6 maart 2009) kreeg in Malmedy muziekles van Herman Barg en Eugène Micha. Van 1947 tot 1952 studeerde hij aan de Muziekacademies van Luik en Brussel. Hij maakte daar deel uit van de groep “Variations”, die een grote bewondering had voor hun docent: organist, componist en musicoloog Pierre Froidebise (1914-1962). Henri Pousseur ontdekte zo het serialisme en de dodecafonische muziek. Tijdens zijn militaire dienst in 1952-1953 op Malines had hij nauw contact met componist en schrijver André Souris. In 1951 ontmoette hij Pierre Boulez en in 1953 Karlheinz Stockhausen. In 1954 ging Henri Pousseur aan de slag bij de studio voor elektronische muziek van Keulen. In dat jaar trouwde hij ook met Théa Schoonbrood. Het echtpaar kreeg vier kinderen: Isabelle (1957), Denis (1958), Marianne (1961), en Hélène (1965) In 1958 richtte Henri Pousseur de studio van Brussel op. Hij werkte sindsdien samen met de Franse schrijver Michel Butor als librettist.

In 1957 gaf hij les in Darmstadt en daarna in Keulen, Bazel en Buffalo (New York). In 1970 keerde hij terug naar België en werd docent compositie en directeur van het Koninklijk Conservatorium Luik. Samen met Pierre Bartholomée stichtte hij in Luik ook het Centre de recherches et de formation musicales de Wallonie, in 2010 omgedoopt in Centre Henri Pousseur. In de jaren 80 vroeg Maurice Fleuret hem om de leiding te nemen van het Institut de pédagogie musicale van Parijs, onderdeel van het IRCAM. In 1988 ging hij met pensioen. Hij overleed aan een longontsteking.

Henri Pousseur schreef een groot aantal artikelen en tien boeken over muziek.

Henri Pousseur componeerde

     8 theatermuziekwerken

     18 orkestwerken

     22 werken voor (groot) ensemble

     120 werken voor koor a capella of met instrument(en)

     56 kamermuziekwerken (ook met zangstem(men))

     15 pianowerken

     28 werken voor een ander solo-instrument

- Mnémosyne, monodie voor stem of solo-instrument of koor unisono, 1968, tekst Friedrich Hölderlin, opgedragen aan Karlheinz Stockhausen voor zijn 40ste verjaardag

     20 elektroakoestische werken 

www.henripousseur.net

 

Alexis Sigismund Weissenberg (Sofia, Bulgarije, 26 juli 1929 – Lugano, Zwitserland, 8 januari 2012), enig kind in een Joods gezin, had een muzikale moeder die met haar familieleden kamermuziek maakte. Alexis Weissenberg kreeg vanaf zijn vierde levensjaar pianoles van zijn moeder. De lessen werden als snel overgenomen door Pancho Vladigerov, die Alexis ook compositielessen gaf. Al op tienjarige leeftijd gaf Alexis Weissenberg zijn eerste publieke uitvoering. In 1941 werden door de oorlog en het toenemende antisemitisme de leefomstandigheden in Bulgarije zo lastig dat Alexis Weissenberg met zijn moeder richting Turkse grens vluchtte, in Turkije woonde een broer van zijn moeder. Met weinig bagage, een accordeon en valse identiteitsbewijzen trokken ze naar de grens. Hun vervalste papieren werden ontdekt bij een grenscontrole door de Duitsers. Alexis Weissenberg en zijn moeder werden gepakt en belandde in een klein Duits kamp. Een kampwachter ondekte dat Alexis Weissenberg een accordeon bij zich had en liet hem daarop elke dag Schubert spelen. Dat ontroerde hem zo, dat hij deportatie naar Polen tegenhield en zorgde voor vervoer naar Turkije, zodat ze in Istanboel terecht konden komen. Eenmaal in het bezit van de goede papieren reisden ze door na Haïfa in Palestina, waar familie van zijn moeder woonde. Na verhuizing naar Jeruzalem pakte Alexis Weissenberg zijn pianostudie weer op aan de Jeruzalemse Muziekacademie bij professor Schröder. Hij was ondertussen 14 jaar geworden en werd al gauw een veelgevraagd pianist. In 1946 ging Alexis Weissenberg naar de Verenigde Staten, waar hij studeerde bij Wanda Landowska, Artur Schnabel en Olga Samaroff aan de Juilliard School in New York..

Tussen 1956 en 1966 zag hij na veel optredens af van openbare optredens om te kunnen studeren en lesgeven. Hij hervatte zijn optredens in 1966.

Alexis Weissenberg was getrouwd en had twee dochters: Maria Weissenberg de Reparaz en Cristina Weissenberg de Reparaz. Cristina trouwde met Gregorio Marañón y Bertrán de Lis, Markies van Marañón, en woont in de buurt van Madrid.

Hoewel hij door naturalisatie Fransman was geworden, woonde Alexis Weissenberg de laatste periode van zijn leven in Zwitserland, waar hij op 82-jarige leeftijd stierf.

Alexis Weissenberg componeerde

     1 musical

- „Nostalgie“ 1986, een surrealistische Jazz-musical

     2 series pianowerken

- "Sonate en état du jazz", 1982, een meesterwerk

 

Bill Evans (Plainfield (New Jersey, Verenigde Staten, 16 augustus 1929 – New York City, 15 september 1980) had een amateurpianiste als moeder, die hem vanaf zijn zesde jaar zelf les gaf. Vanaf zijn 12de speelde hij ook voortreffelijk dwarsfluit en viool. In 1950 studeerde hij als klassiek pianist af aan het Louisiana Colleget. Aan het Mannes College of Music in New York volgde hij daarna nog compositielessen. Hij speelde net zo gemakkelijk Beethovens pianoconcerten in de concertzaal als Boogie Woogie in New Jersey clubs.

In 1958 ging hij meewerken aan het Miles Davis-sextet met Miles Davis, John Coltrane, Cannonball Adderley, Paul Chambers en Jimmy Cobb. In 1959 maken ze de wereldberoemde mooiste jazzopname ooit: Kind Of Blue. Voor een groot stuk bepaalde Bill Evans de kleur en het concept van deze plaat, onder meer met zijn compositie Blue In Green.

In 1959 vormde Bill Evans zijn bekendste trio met op bas Scott LaFaro en op drums Paul Motian. Portrait in Jazz (1959), Explorations (1961), Sunday at the Village Vanguard (1961) en Waltz for Debby (1961). Daarnaast werkte Bill Evans in zijn piano-opnames met overdubbing, een techniek waar Lennie Tristano al mee begonnen was, maar die hij vervolmaakte.

In de vijftiger jaren raakte Bill Evans, net als veel andere jazzmusici, verslaafd aan drugs.  Zij vriend Gene Lees typeerde Evans strijd tegen drugsverslaving als “de langste zelfmoordpoging in de geschiedenis”. Bill Evans hield het leven nog vol tot september 1980, toen hij overleed aan levercirrose, gecombineerd met bronchitis.

Zijn zoon Evan Evans (*13 september 1975), een wonderkind, ontwikkelde een carrière in het schrijven van filmscores.

Bill Evans componeerde

     jazz-standards

- Waltz for Debby, 1961

- Turn Out the Stars,

- Very Early,

- Funkallero

www.billevanswebpages.com

 

Erik Lotichius (Helmond, 24 september 1929 – Helchteren, 18 november 2015) studeerde piano, compositie en muziektheorie aan het Sweelinck Conservatorium in Amsterdam. Hier werd hij later ook benoemd tot docent voor de vakken analyse, solfège contrapunt en arrangement.
Hij richtte trio Metamorfose op voor mezzosopraan, altsax en piano, waarin hij zelf speelde. Hiervoor schreef hij talloze songs in min of meer Amerikaanse stijl; van licht tot zwaar. Hij schreef ook liederen op teksten van Bertold Brecht, daartoe geïnspireerd door Kurt Weill en Hanns Eisler. Niet beïnvloed door het atonale en de avant garde van toen ontving hij wel veel nieuwe impulsen van de Minimal Music: Adams, Young en vooral Philip Glass.

Erik Lotichius componeerde

     1 musical,

     koormuziek,

     twee oratoria,

- Requiem voor Vincent van Gogh, 1991, voor koor, solisten en instrumentaal ensemble (hobo, althobo, trompet, hoorn, klokken, 2 piano’s en contrabas).

     8 kamer-opera's

     1 kinderopera

     3 symfonieën,

     2 pianoconcerten,

- Piano Concerto, nr. 1 met invloeden van Brubeck, Ravel en Rachmaninov

     1 vioolconcert,

     andere orkestwerken

- symfonietta for strings

- Variations and Finale on "Mood Indigo"

- Ragtime

     kamermuziek

- 7 strijkkwartetten,

- 24 preludes en fuga’s voor strijkkwartet

     pianomuziek

     liederen

     chansons

     songs

- Four songs on native American Poetry voor mezzo-sopraan en orkest.

Nr. 4 "I like my body", erotische rumba

www.eriklotichius.be

 

Kenneth Leighton (Wakefield, Engeland, 2 oktober 1929 – Edinburgh, 24 augustus 1988) begon als koorknaap in de Wakefield Cathedral; hij zong daar van 1937 tot 1942. In 1946 haalde hij een diploma uitvoerend pianist aan de Royal Academy of Music (LRAM). In 1947 begon hij een studie muziek. Zijn eerste composities voltooide hij terwijl hij nog met zijn hoofd in de boeken zat. In 1950 rondde hij zijn studie klassieken af, in 1951 gevolgd door de muziek. Hij kon met een beurs verder studeren bij de Italiaanse avant-gardecomponist Goffredo Petrassi.

Vanaf 1956 was Kenneth Leighton docent muziek aan de Universiteit van Edinburgh. In 1970 werd hij daar benoemd tot professor muziek. Hij bleef er lesgeven tot zijn dood in 1988. Zijn leerling Nigel Osborne volgde hem op.

Kenneth Leighton componeerde 100 werken, de meeste geschreven voor (kerk-)koren:

     17 werken of series werken voor piano solo

     4 werken voor twee piano’s of piano vierhandig

     1 werk voor klavecimbel

     14 werken voor orgel

     1 werk voor viool en orgel

     1 werk voor zangstem en orgel

     10 werken voor zangstem(men), koor en instrumenten

     30 werken voor zangstem(men), koor en orgel

- Crucifixus pro nobis, opus 38, cantate voor tenor of sopraan solo, koor en orgel, 1961; De slothymne van  het vierdelige werk Drop, drop, slow tears”,  een prachtige anthem, wordt vaak apart uitgevoerd.  

     12 koorwerken

     3 symphonieën

     11  concerten

     12 andere orkestwerken

     21 kamermuziekwerken

     2  cantates

     3 liedbundels voor zangstem en piano

     2 opera’s

     6 theatermuziekwerken

 

Paulinho Nogueira (Campinas, Brazilië, 8 oktober 1929 – São Paulo, 2 augustus 2003) was een Braziliaanse gitarist, componist en zanger. Hij heeft zich volledig als autodidact ontwikkeld. Hij bouwde de craviola, een akoestische gitaar met 12 snaren.

Hij maakte 27 solo-albums.

Paulinho Nogueira componeerde

     songs

- Girl , 1970,  top 1 op de hitlijsten van Brazilië

     werken voor gitaar solo

     werken voor meerdere gitaren

 

George Crumb (*Charleston, Verenigde Staten, 24 oktober 1929) begon al op jong met componeren. In 1950 haalde hij zijn bachelor aan het Mason College of Music in Charleston. Na zijn masterstudie aan de Universiteit van Illinois te Urbana-Champaign studeerde hij een jaar in Berlijn (1954-55). Daarna keerde hij terug naar de Verenigde Staten waar hij in 1959 zijn doctoraal-graad in compositie kreeg aan de Universiteit van Michigan.

Vanaf 1965 doceerde hij  meer dan derig jaar aan de Universiteit van Pennsylvania. Na zijn pensioen in 1997 bleef hij componeren.

Ook Crumbs zoon David is componist. Zijn dochter Ann is actrice en zangeres.

George Crumb componeerde

     4 orkestwerken

     1 werk voor sopraan, stemmen en orkest

     20 (series) liederen

- Ancient Voices of Children, 1970, liederencyclus voor twee zangers, een klein ensemble en speelgoedpiano op teksten van  de Spaanse dichter Federico García Lorca.

- vier boeken met madrigalen 1965 - 1969

     20 kamermuziekwerken

- Black Angels, 1970, voor elektrisch strijkkwartet, gecomponeerd naar aanleiding van de Vietnamoorlog, vol heftige kleurschakeringen.

- Vox Balaenae ("stem van de walvis"), 1971, voor fluit, cello en piano. De spelers dragen maskers.

     12 (series) pianowerken

- Makrokosmos, een serie van vier boeken met composities voor piano, 1972 – 1979.

Makrokosmos III: Music for a Summer Evening, een vijfdelige suite voor twee geprepareerde piano’s en twee slagwerkers, 1974;

www.georgecrumb.net

 

Theo Bruins (Arnhem, 25 november 1929 – Haarlem, 8 januari, 1993) kreeg zijn eerste pianolessen van zijn moeder. Vanaf 1946 studeerde hij piano bij Jaap Spaanderman aan het Amsterdams Muzieklyceum. In 1947 speelde hij met het Utrechts Stedelijk Orkest onder leiding van Willem van Otterloo en het jaar daarop debuteerde hij bij het Concertgebouworkest. Vanaf 1948 studeerde hij in Parijs piano bij Yves Nat en vanaf 1951 in Den Haag compositie bij Kees van Baaren. Theo Bruins concerteerde veel met moderne werken, die soms ook speciaal voor hem werden geschreven. Ook maakte hij concertreizen naar onder andere Indonesië, Mexico, Canada, de Verenigde Staten en Zuid-Amerika. In 1959 kreeg hij de Harriet Cohen Beethovenmedaille voor een recital in Londen. Theo Bruins doceerde aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. Theo Bruins was getrouwd met de klaveciniste Liesbeth Hoppen.

Theo Bruins componeerde moeizaam

     1 pianoconcert

     1 kamermuziekwerk

     4 (series) pianowerken

     1 klavecimbelwerk  

 

Siegfried Strohbach (*Schirgiswalde, Oberlausitz, Duitsland, 27 november 1929) trad als driejarige in zijn geboortestadje met zijn trekharmonica al als wonderkind op. Vanaf zijn vijfde jaar kreeg hij pianoles. Van 1939 tot 1945 studeerde hij piano en compositie aan het Musische Gymnasium in Frankfurt am Main, een Kunsthogeschool onder leiding van Kurt Thomas, na de Tweede Wereldoorlog opgeheven.

Na de oorlog studeerde Siegfried Strohbach nog privé compositie en directie bij Kurt Thomas en piano bij August Leopolder. Van 1947 tot 1949 werkte hij als koorrepetitor aan het stadstheater van Frankfurt.

In 1949 verhuisde hij naar Hannover en studeerde zang bij Gümmer. Van 1951 tot 1953 was Siegfried Strohbach theaterdirigent aan Niedersächsischen Staatstheater in Hannover. In 1953 richtte hij het „Propsteichor Hannover“, en het „Collegium Cantorum Hannover“ op. Van 1953 tot 1966 was hij muziekdocent aan de St.-Ursula-School in Hannover. Van 1966 tot zijn pensioen in 1994 was hij compositiedocent aan de Hogeschool voor muziek en theater in Hannover.

Siegfried Strohbach componeerde

     1 kameropera

     40 theatermuziekwerken

     Cantates

     Koorwerken in alle groottes en vormen

     orkestwerken

     kamermuziekwerken

     liederen

     volksliedzettingen

     orgelwerken 

 

Margaret Rizza (*Engeland, 1929) studeerde aan het Royal College of Music in Londen en aan de National School of Opera in Londen en rondde haar opleiding af in Siena en Rome in Italië. Ze zong 25 jaar overal onder de naam Margaret Lensky.

Margaret Rizza doceerde zang aan de Guildhall School of Music and Drama in London van 1977 tot 1994.

Vanaf 1997 componeert Margaret Rizza koormuziek.

Margaret Rizza componeerde

     15 koorwerken, a cappella of met begeleiding van orgel of instrumenten

- Ave Generosa,  2007 op verziek van Harry Christphers en het koor The Sixteen.

- O speculum columbe, 2011.

www.margaretrizza.com