Componisten

vanaf 1934

 

Richard Wernick (*Boston, Massachusetts, Verenigde Staten, 16 januari 1934) begon op zijn 11de jaar piano te spelen. Zijn muziekleraar op de Middelbare School zag zijn muzikale talenten en introduceerde Richard Wernick bij Irving Fine, compositiedocent aan de Harvard Universiteit. Richard Wernick studeerde aan Brandeis University bij Irving Fine en Harold Shapero, Hij studeerde ook bij Arthur Berger en Leonard Bernstein. Daarna studeerde hij op Tanglewood bij Ernst Toch, Aaron Copland, Boris Blacher en Seymour Lipkin. Tenslotte studeerde Richard Wernick aan het Mills College bij Leon Kirchner.

Tijdens de vijftiger en zestiger jaren van de vorige eeuw werkte Richard Wernick als theater-, film-, televisie- en danscomponist. Richard Wernick doceerde compositie aan SUNY Buffalo in 1964 en 1965, van 1965 tot 1968 aan de University of Chicago en van 1968 tot 1996 aan Universiteit van Pennsylvania.

Richard Wernick woont met zijn vrouw, fagottiste Bea Wernick buiten Philadelphia. Zijn zoon Adam Wernick is ook componist en zijn zoon Lew Wernick muzikant.

Richard Wernick componeerde

     1 opera

     10 theatermuziekwerken

     5 baletten

     2 symfonieën

     4 concerten

- vioolconcerto, 1984

- pianoconcerto, 1990

     3 andere orkestwerken

     4 werken voor harmonie-orkest of band

     4 werken voor zangstem en orkest

Kaddish Requiem, een wereldlijk requiem voor de slachtoffers van Indo-China, 1971, voor mezzosopraan, orkest en geluidsband.

Visions of Terror and Wonder voor mezzosopraan en orkest, 1976 won de Pulitzer Priis voor muziek in 1977.

     13 (series) werken voor zangstem(men) en instrument(en) of electronica

     3 werken voor koor a cappella

     3 werken voor koor met instrumentale begeleiding//

     8 strijkkwartetten

- Strijkkwartet nr. 4, 1990

     20 (series) andere kamermuziekwerken

- Duo voor cello en piano, 2002, herdenkingsmuziek voor de aanval op het World Trade Center op 11 september 2001

     3 (series) pianowerken

     8 werken voor een ander solo-instrument

     6 filmscores

- A Bowl of Cherries

 

Ton Bruynèl (Utrecht, 26 januari 1934 – Mailly (Frankrijk), 5 mei 1998) studeerde van 1952 tot 1956 piano aan het Utrechts Conservatorium bij Wolfgang Wijdeveld. Bruynèl voelde zich aangesproken door de musique concrète in Frankrijk, en richtte op het componeren van elektronische muziek.

Ton Bruynèl werd een van de eerste medewerkers van de Studio voor elektronische muziek (ST.E.M.), ondergebracht bij de Technische Hogeschool van Delft en later bij de universiteit van Utrecht. De studio ging later op op in het Instituut voor Sonologie.

In 1957 richtte Ton Bruynèl de eerste privéstudio in Nederland op. In deze studio componeerde Ton Bruynèl zijn stukken, "werken waarin elektronische en akoestische klanken versmelten". In de jaren zeventig en tachtig werkte hij aan het Utrechts Conservatorium als docent elektronische compositie.

In 1994 verhuisde Ton Bruynèl naar Mailly in Frankrijk. Daar overleed hij in 1998

Op 3 februari 2000 werd de Stichting Ton Bruynèl opgericht met als doel zijn werk te beheren en overeenkomstig zijn wens componisten te stimuleren in hun ontwikkeling op het terrein van de elektronische muziek.

Om het ontstaan van nieuwe werken te bevorderen wordt vanaf 2001 elke twee jaar de Ton Bruynèl Prijs uitgereikt. In 2012 was de winnaar John Croft met Intermedio III.

Ton Bruynel componeerde

     52 elektronische muziekwerken

- Studie, voor piano en soundtracks, 1959.

- Mobile  voor twee klanksporen, 1966.

- Non sono un uccello, video-opera voor tenor, bas, koor en soundtracks, op tekst van Bert Schierbeek, 1998;

www.tonbruynel.nl

 

Mario Davidovsky (*Médanos, dichtbij de haven Bahía Blanca, Argentinië, 4 maart 1934) studeerde vanaf zijn 7de viool en componeerde vanaf zijn 13de. Aan de Universiteit van Buenos Aires studeerde Mario Davidovsky compositie en muziektheorie bij Guillermo Graetzer, en in 1958 aan het Berkshire Music in Lenox, Massachusetts bij Milton Babbitt. Daardoor kreeg Mario Davidovsky meer interesse in elektro–akoestische muziek. Aaron Copland moedigde hem aan om naar de Verenigde Staten te emigreren en in 1960 ging Mario Davidovsky in New York City wonen. Hij werd daar benoemd als mededirecteur van het Columbia-Princeton Electronisch Muziekcentrum. In 1961 trouwde Mario Davidovsky met Ellen Blaustein. Hij doceerde muziek aan een groot aantal muziekinstituten en Universiteiten.

In 1994 werd hij muziekdocent aan de Harvard Universiteit.

Mario Davidovsky componeerde

     10 orkestwerken

     20 kamermuziekwerken

- strijkkwartet nr. 5, 2003

- Blue girl with red wagon, mei 2005, voor strijkkwartet en piano, naar aanleiding van een schilderij van de Amerikaanse schilder Robert Guinan.

     4 werken voor zangstemmen en orkest of instrumentaal ensemble

     10 elektro–akoestische werken

     3 elektronsiche werken

 

Joep Straesser (Amsterdam, 11 maart 1934 – Loenersloot, 22 september 2004) ging na het gymnasium muziekwetenschap studeren aan de Universiteit van Amsterdam van 1953 tot 1955. Daarna studeerde hij tot 1959 aan het Amsterdams Conservatorium orgel bij Anthon van der Horst en tot 1961 muziektheorie bij Jan Felderhof en Ton de Leeuw.

Joep Straesser werkte in de jaren 1953-1961 als kerkorganist. Daarna was hij docent muziektheorie tot 1962 op het Muzieklyceum van Zwolle en daarna op het Utrechts Conservatorium. In 1975 werd hij daar hoofdvakdocent compositie, tot 1989, toen hij stopte met lesgeven.

Joep Straesser componeerde

     12 orkestwerken

     1 muziektheaterwerk

     2 werken voor koor en orkest

     3 werken voor zangstem(men) (koor) en orkest

- 22 Pages voor drie mannenstemmen en orkest op teksten van John Cage, 1965

     5 (series) werken voor koor a cappella

     3 (series) werken voor koor en orgel

- O somma luce, motet voor 4– en 5stemmig gemengd koor en orgel, 1998 

     2 werken voor koor en andere instrumenten

- Intervals I voor gemengd koor, fluit, cello en harp, op tekst van Matsuo Basho, 1976

     40 kamermuziekwerken

- Roundabouts voor 4 marimba's, 1981

- Signals and echoes voor basklarinet en elf instrumenten, 1982

- Points of contact I, voor tenorblokfluit, marimba en enig slagwerk, opgedragen aan Keiko Abe en Walter van Hauwe, 1987. 14 deeltjes beelden vormen van contact uit;

     16 (series) werken voor zangstem, (koor) en piano of instrumenten

- Quattro canzoni,  2001, voor sopraan solo, gemengd koor, fluit, trombone en harp, op tekst van Isabella di Morra,

     5 (series) pianowerken

     6 orgelwerken

- Permanent wave, hommage aan Max Reger, fantasia en fuga op een origineel thema, 1985

     1 werk voor slagwerk

     3 werken voor carillon

     9 (series) werken voor een ander soloinstrument

 

Georges Moustaki (Giuseppe (Yussef) Mustacchi), (Alexandrië, Egypte, 3 mei 1934 – Nice, Frankrijk, 23 mei 2013).

Moustaki's ouders Nessem en Sarah kwamen van het eiland Korfoe in Griekenland, maar vestigden zich voor Yussefs geboorte in Alexandrië, waar ze een boekwinkel openden in een multiculturele wijk. Omdat Nessem en Sarah een speciale belangstelling hadden voor de Franse cultuur, werd Yussef op een Franse school gezet. Op deze manier kwam Yussef ook in contact met het Franse chanson.

In 1951 trok Yussef Mustacchi naar Parijs, waar hij in eerste instantie werkte als journalist en barkeeper. In deze tijd veranderde hij zijn naam in Georges Moustaki. De nieuwe voornaam was een hommage aan Georges Brassens, die Moustaki stimuleerde. De jonge Griek begon chansons te schrijven voor grootheden als Barbara en Yves Montand. Hij had korte tijd een verhouding met de veel oudere Édith Piaf, voor wie hij in 1959 de tekst van de hit "Milord" schreef.

In 1968 brak hij zelf internationaal door als zanger met "Le Métèque".

Georges Moustaki had één dochter: Pia, geboren in 1956.

Georges Moustaki overleed in Nice op 79-jarige leeftijd. Hij ligt begraven op het Cimetière du Père-Lachaise in Parijs.

Georges Moustaki componeerde

     112 chansons

- “Le Métèque", 1968, waar hij internationale bekendheid mee kreeg.  

- “La carte du tendre”, 1969

     12 filmscores

     4 TVscores

www.creatweb.com/moustaki

 

Rob du Bois (*Amsterdam, 28 mei 1934) ging na zijn opleiding aan het Vossius Gymnasium in Amsterdam ging rechten studeren aan de Gemeentelijke Universiteit in dezelfde stad. Hij begon met muzieklessen bij Chris Rabé op de Volksmuziekschool. Daarna had hij pianoles van Hans Sachs en T. Hart Nibbrig-de Graeff. Hij leerde zichzelf componeren.

Rob du Bois werkte als jurist gespecialiseerd in auteursrecht. Als zodanig was hij hoofd van de juridische afdeling van BUMA (Bureau voor MuziekAuteursrecht).

Rob du Bois componeerde

     16 orkestwerken

- Concerto pour Hrisanide voor piano en orkest, 1971.

     werken voor fanfare-orkest

     65 kamermuziekwerken

- Spiel un Zwischenspiel voor altblokfluit en piano, 1962

- Pastorale II, voor altblokfluit, fluit en gitaar, 1963

- Heliotroop, voor solo-insrument en willekeurig aantal begeleiders, 1967

- Adagio cantabile, voor tenorblokfluit en piano, 1979

- Family ghosts,  voor blokfluittrio, 1991

     10 (series)werken voor zangstem (en instrumenten)

     19 werken voor soloinstrument

- muziek, voor altblokfluit solo, 1961

- Pastorale VII, voor altblokfluit solo, 1966

- Songs of Innocence, voor contrabasblokfluit, 1974

- Spellbound, voor contrabasblokfluit, 1976

     14 pianowerken

     1 klavecimbelwerk

     2 werken voor slagwerk

 

Sir Harrison Paul Birtwistle (*Accrington, Lancashire, Engeland, 15 juli 1934) kreeg van zijn moeder een klarinet toen hij 7 jaar was. Zijn moeder zorgde er ook voor dat hij les kreeg van de plaatselijke dirigent van het harmoniekorps. Al snel speelde hij in de plaatselijke military-style band.

Vanaf 1952 studeerde Harrison Birtwistle aan het Royal Manchester College of Music in Manchester klarinet. In 1955 stapte hij over naar de Royal Academy of Music. Daarna ging hij aan het werk als docent. Vanaf 1965 wijdde hij zich aan compositie.

In 1975 werd Harrison Birtwistle muziekdirecteur van het Royal National Theatre in London, hij bleef dat tot 1983. Hij werd in 1988 geridderd als Companion of Honour.

De kunstenaar Adam Birtwistle is zijn zoon.

Harrison Birtwistle componeerde

     7 opera’s

     6 theaterwerken

     16 orkestwerken

- Panic, 1995, voor altsaxofoon, jazz drumstel en orkest; de paniek komt van de bosgod-op-bokkepoten Pan, die op een snerpende altsaxofoon de dierenwereld tot angst en extase beweegt;

- Concerto voor viool en orkest, 2010

     26 ensemblewerken

- Silbury Air, voor kamerensemble,1977, opgedragen aan de herinnering aan Serge and Natalie Koussevitzsky

- Secret Theater, 1984, voor kamerensemble, opgedragen aan Sheila Birtwistle

     25 kamermuziekwerken

- 9 Movements,voor strijkkwartet, 1991–1996

- Tree of Strings, voor strijkkwartet, 2008, ijzeren logica, niet echt mooi;

     40 vocale werken met of zonder instrumenten

     1 elektronische muziekwerk

     1 filmscore

 

Roger Reynolds (*Detroit, Michigan, Verenigde Staten, 18 juli 1934) is de zoon van een architect. Hij had al jong pianoles van Kenneth Aiken, en speelde op hoog niveau concerten toen hij de Middelbare School achter de rug had. Hij geloofde daar zelf niet echt in en ging toen natuurkunde studeren aan de Universiteit van Michigan. Hij kreeg een baan als ingenieur in de wapenindustrie in Los Angeles. Dat was ook niet echt het einde en daarom ging Roger Reynolds toch maar weer piano studeren aan de universiteit van Ann Arbor. Componist Ross Lee Finney haalde hem over om er bij hem ook compositie bij te gaan studeren. Toen Finney hem niets meer kon leren vertrok Roger Reynolds naar Keulen. Hij kreeg werk in het West-Duitse Radio elektronische muziekcentrum in Keulen. Samen met zijn vrouw, fluitiste Karen, trok hij daaarna concert gevend door de wereld: Parijs, Rome en Tokio; zijn dochter Erika werd geboren in Japan, waar hij ook een levenslange vriendschap opbouwde met Toru Takemitsu.

In 1969 kwam Roger Reynolds terug in de Verenigde Staten en werd docent aan de Universiteit van Californië in San Diego. Met zijn nieuwe collega’s richtte Roger Reynolds het Center for Research in Computing and the Arts op, waarvan hij in 1971 directeur werd. Roger Reynolds schreef 3 boeken over muziektheorie.

Roger Reynolds woont momenteel met Karen, na meer dan 50 jaar huwelijk, in Del Mar, California, waar hij over de Stille Oceaan uit kan kijken.

Roger Reynolds componeerde

     3 symfonieën

     10 concerten, waarvan 7 met electronica

     17 andere orkestwerken, waarvan 7 met electronica

     23 kamermuziekwerken, waarvan 11 met electronica

     16 vocale werken met instrumentale begeleiding, waarvan 12 met electronica

     3 werken voor koor a cappella met electronica

     6 pianowerken

     18 andere werken voor een solo-instrument, waarvan 5 met electronica

     12 elektronische werken

www.rogerreynolds.com

 

James Tenney (Silver City, New Mexico, Verenigde Staten, 10 augustus 1934 – Valencia, Californië, 24 augustus 2006) groeide in Arizona en Colorado op en kreeg daar zijn eerste piano– en compositielessen. Hij studeerde daarna in New York, Vermont en Illinois, onder ander op de Juilliard School of Music en het Bennington College piano bij Eduard Steuermann en compositie bij Edgard Varèse en John Cage. James Tenney was een pionier op het gebied van elektronische – en computermuziek. In de 1960er jaren werkte hij in de laboratoria van telefoonmaatschappij Bell aan programma’s voor computergestuurde klanksyntheses en composities.

Hij was medeoprichter en van 1963 tot 1970 leider van het Tone Roads Chamber Ensemble in New York City, dat met elektro–acoustische muziek experimenteerde.

De laatste tijd was hij Professor aan de York Universiteit in Toronto en woonde hij in Valencia, Californië. Daar overleed hij, 72 jaar oud, aan longkanker.

James Tenney componeerde

     4 theaterwerken

     25 orkestwerken of werken voor groot ensemble

     4 werken voor zangstem en instrument(en)

     3 koorwerken, ook met elektronica

     46 (series) kamermuziekwerken, ook met elektronica

     13 (series) pianowerken, ook met elektronica

     16 werken voor een ander soloinstrument, ook met elektronica

     1 filmscore

     17 elektronische werken

 

Sir Peter Maxwell Davies (*Salford, Greater Manchester, Engeland, 8 september 1934 – Orkney eilanden, 14 maart 2016), de zoon van Thomas en Hilda Davies, begon op 8-jarige leeftijd met pianolessen. Daarnaast leerde hij zichzelf componeren door muziektheorieboeken en alle muziek die hij te pakken kreeg grondig te analyseren. Aan de Leigh Boys Grammar School, specialiseerde hij zich verder in muziek. Daarna studeerde hij aan de Universiteit van Manchester en het Royal Manchester College of Music. Samen met Alexander Goehr, Harrison Birtwistle, John Ogdon en Elgar Howarth vormde Peter Maxwell Davies de New Music Manchester Group.

Maxwell Davies kreeg bekendheid als componist en er werden werken van hem op verschillende festivals voor nieuwe muziek uitgevoerd. In 1959 kreeg hij een aanstelling als muzikaal directeur aan de Cirencester Grammer School.

Vanaf 1962 studeerde Maxwell Davies verder de Princeton Universiteit bij Earl Kim, Roger Sessions en Milton Babbit. Daarnaast focuste hij zich volledig op het componeren. In 1966 werd Davies huiscomponist en leraar van de Universiteit van Adelaide, Australië.

In 1967 vormden Harrison Birtwistle en Maxwell Davies samen de groep The Pierrot Players, qua bezetting en repertoire beïnvloed door Arnold Schönbergs werk Pierrot Lunaire. In 1968 ging de opera Taverner voor het eerst in première door deze groep.

In 1974 vestigde Maxwell Davies zich definitief in Rackwick, op het eiland Hoy in Orkney-eilanden. Deze plek beïnvloedt zijn muziek In 1979 kreeg Maxwell Davies de positie van artistiek directeur aan de Dartington Summer School aangeboden. In 1980 richtte hij een zomercursus op in Hoy (Orkney) voor jonge componisten. In 1985 werd hij componist in residence van het Scottish Chamber Orchestra. Later accepteerde hij een plek als componist-dirigent van het BBC Philharmonic Orchestra en het Royal Philharmonic Orchestra.

In 1996 richtte hij de site MaxOpus op, een van de eerste sites waarop je klassieke muziek kon downloaden.

In 1981 werd Maxwell Davies Commandeur in de Orde van het Britse Rijk (CBE) en in 1987 werd hij geridderd.

In 1997 werd hij directeur van The Society for the Promotion of New Music.

In 2004 werd hij voor 10 jaar aangesteld als Master of the Queen’s Music. Daarnaast heeft hij meerdere eredoctoraten van verschillende universiteiten. Maxwell Davies overleed in 2016 in zijn huis in Orkney aan leukemie.

Maxwell Davies componeerde 335 werken

     opera’s

- Taverner, 1962, over het leven van Renaissance-componist John Taverner,

- The Martyrdom of St. Magnus, 1976.

- The Lighthouse, 1979, een van zijn meest populaire opera’s.

- Lullabye for Lucy, 1981

- An Orkney Wedding, 1984

     balletten

     10 symfonieën

- symphonie nr. 1, opus 71, 1976

- symfonie nr. 3, opus 119, 1984, liefde voor de zee, gecombineerd met het bouwen van grote klankformaties

- symfonie nr. 9, opus 315, 2012, voor het diamanten huwelijk van Koningin Elisabeth

     andere orkestwerken

- Prolation, 1958

- Worldes Blis, 1969, gebaseerd op een 13e eeuwse monodie.

- Cross Lane Fair voor Northumbrian pipes (door de ellebogen aangeblazen doedelzakken) en orkest, opus 167, 1994.

- 10 Strathclyde Concerten, 1987-1998, voor het Scottisch Chamber Orchestra, fijnmazige orkestraties, virtuoze solistenpartijen;

× Strathclyde Concerto nr. 3, 1989 voor hoor, trompet en orkest

× Strathclyde Concerto nr. 4, 1990 voor klarinet en orkest

 - Mavis in Las Vegas.1997, concertstuk geschreen naar aanleiding van het feit dat een hotel in Las Vegas de componist als “Mavis” had geregistreerd.

     concerten

     balletten

     werken voor zangstem(men) en orkest

- Revelation and Fall, 1966, op teksten van de dichter Trakl

- Ecce Manus tradentis, 1969, over het verraad van Judas

- Missa super l’homme armé, 1971

     koorwerken

- Hymn to the Spirit of Fire, 2008

     kamermuziek.

- Trompet Sonata, 1955

- 10 strijkkwartetten, in opdracht van Naxos, 2002.

- Tecum Principum,  voor Marimba en fluit, opus 251, 2004, voor het huwelijk van Geraint Daniel (marimba) en Victoria Bodger (fluit)

     werken voor piano solo

- Vijf kleine stukken voor piano, 1956

- Farewell to Stromness, 1980

     filmscores,

www.maxopus.com

 

Srul Irving Glick, CM (Toronto, Ontario, 8 september 1934 – 7 april 17 2002) stamde uit een Joodse familie. Zijn vader was een Russische Chazan (voorzanger in de synagoge). In 1924 emigreerde hij naar Canada en zong daar in de synagoge van Toronto. Op zijn 11de jaar ging Srul Glick in het koor van zijn vader zingen en kreeg hij pianoles. Hij studeerde aan het Royal Conservatory of Music in Toronto en daarna vijf jaar compositie aan de Universiteit van Toronto bij John Weinzweig. Daarna studeerde hij in Parijs in Frankrijk bij Darius Milhaud, Louis Saguer en Max Deutsch. Srul Glick doceerde muziektheorie en compositie aan het Royal Conservatory of Music van 1963 tot 1969 en aan de York University in 1985 en 1986.

Vanaf 1962 tot 1986 werkte Srul Glick als programmamaker klassieke muziek voor de Canadese Radio Omroep. Vanaf 1969 Was hij dirigent van de Beth Tikvah Synagoge in Toronto, waar hij regelmatig voor componeerde. Srul Glick was getrouwd met Sara Wunch.

Srul Glick componeerde

     14 orkestwerken

     6 concerten

     36 kamermuziekwerken

     28 (series) koorwerken a capella of met instrument(en)

     14 (series) liederen voor zangstem(men) en instrument(en)

     192 religieuze synagogale werken

 

Leonard Cohen (*Montreal, Canada, 21 september 1934 – Los Angeles, Verenigde Staten, 7 november 2016) werd geboren in een Joods middenklassengezin in Montreal. Als tiener leerde hij gitaar spelen en formeerde een country/folkgroep: the Buckskin Boys. Hij studeerde letteren aan de McGill-Universiteit.

Hij woonde een tijdje op het Griekse eiland Hydra, waar hij de Noorse Marianne Ihlen ontmoette, voor wie hij veel liedjes schreef: So Long, Marianne en vele andere. Zij was zijn muze en zijn minnares.

In 1967 verhuisde Leonard Cohen naar de Verenigde Staten. In 1996 trok hij zich terug in een Boeddhistisch klooster. Toen hij terug kwam, had zijn manager de inhoud van zijn pensioenfonds, 5 miljoen dollar, verdonkeremaand. Het noopte hem om op 70-jarige leeftijd zij  loopbaan weer op te pakken. Op 12 juli 2008 gaf Cohen voor het eerst in 15 jaar een concert in Nederland in het Amsterdamse Westerpark. Leonard Cohen is in 2008 opgenomen in de Rock and Roll Hall of Fame.

Op initiatief van Omrop Fryslân zijn de bekendste nummers van Leonard Cohen ook vertaald in het Fries. 'Cohen yn it Frysk' is op een speciale cd uitgebracht.

Leonard Cohen had een zoon en een dochter met zijn ex-partner Suzanne Elrod. Hij is nooit getrouwd geweest. Zijn zoon Adam produceerde zijn laatste studioalbum You want it darker.

Leonard Cohen maakte 14 studio-albums:

- Songs of Leonhard Cohen, 27 december 1967

1. Suzanne, in het Nederlands vertaald door Rob Chrispijn en vertolkt door Herman van Veen.

5. Sisters of Mercy

5. So long, Marianne.

8. Stories of the Street

- Songs from a room, 1969,

Bird on the Wire

- New Skin for the Old Ceremony, zijn vierde studio-album, 11 augustus 1974, met een georkestreerd geluid van violen, mandolines, banjo’s, gitaren, slagwerk en andere instrumenten

kant 1

2. Chelsea Hotel #2, over zijn affaire met Janis Joplin, klassieker

- Various Positions, 1984

kant 1

1. Dance Me tTo the End of Love

kant 2

1. Hallelujah, inmiddels uitgevoerd door 200 artiesten in verschillende talen op 5 miljoen CD’s. Eén van de meest uitgevoerde songs uit de Amerikaanse muziekgeschiedenis. De single haalde in 2010 de platina status.

- I'm your man, 2 februari 1988

1. First We Take Manhattan

4. Everybody Knows,

8. The Tower of Song

- Old ideas, januari 2012

2. Amen

4. Darkness

- You want it darker, 21 september 2016, 14de en laatste studio-album

1. You want it darker, muziek Patrick Leonhard

2. Leaving the table, afscheidslied van het leven, muziek Leonhard Cohen

http://leonardcohenfiles.com

 

William James Mathias CBE (Whitland, Carmanthenshire, Groot Brittannië, 1 november 1934 – St Asaph, Denbighshire, noord Wales, 29 juli 1992) was het enige kind van James Hughes Mathias, schooldirecteur en Marian Evans, pianolerares en organiste. William Mathias, wonderkind, begon met piano te spelen toen hij drie jaar was en te componeren op zijn vijfde.

William Mathias studeerde vanaf 1952 Frans, Engels en filosofie aan het University College of Wales in Aberystwyth. Hij zong daar in het Universiteitskoor en componeerde daar ook voor. In 1956 ging hij naar de Royal Academy of Music in Londen. Daar studeerde hij compositie bij Lennox Berkeley en piano bij Peter Kati. 17 september 1959 trouwde hij met zangeres Margaret Yvonne Collins. Hun dochter, Rhiannon is fluitiste. Van 1970 tot 1988 was hij professor muziek en hoofd van de muziekafdeling aan de Universiteit van Wales in Bangor.

Hij werkte ook als dirigent en pianist. In 1972 richtte hij het North Wales International Music Festival in St Asaph op, en leidde het tot zijn dood in 1992.

William Mathias is begraven bij de St Asaph Cathedral, in St Asaph, Denbighshire, Noord Wales.

William Mathias componeerde in elk geval

     1 opera

- The Servants, 1980

     1 theatermuziekwerk

     3 symfonieën

     10 concerten

     14 andere orkestwerken

- Sinfonietta – Dance Suite, 1966

- klarinetconcerto, opus 68, 1975, verrassend concerto, aangrijpende, bijna mysterieuze momenten in het tweede deel: Lento expressivo

     1 werk voor brassband

     60 werken voor koor (en orgel of orkest)

- Let the people praise Thee, O God, juli 1981, geschreven voor de koninklijke bruiloft van de Prins en Prinses van Wales

     16 kamermuziekwerken

     13 liederen

     4 werken voor piano

     3 werken voor harp

     17 werken voor orgel

- Processional,  opus. 96, 1964, feestelijk

 

Alfred Garrijevitsj Schnittke (Engels, Duitsland, 24 november 1934 – Hamburg, 3 augustus 1998) was de zoon van een uit Frankfurt am Main afkomstige Duits-Joodse vader en een Volga-Duitse moeder. Hij werd geboren in Engels, de toenmalige hoofdstad van de Volga Duitse Republiek. In 1946 begon zijn muzikale opleiding in Wenen, waar zijn vader als journalist en vertaler werkzaam was. In 1948 ging hij naar het Conservatorium van Moskou.

Van overheidswege werd het Schnittke steeds moeilijk gemaakt. Hoewel de Sovjetoverheid in de jaren zestig en zeventig minder streng was jegens kunstenaars dan onder Stalin het geval was geweest, werden als "avant-gardistisch" of "westers" geboekstaafde werken toch met argwaan bekeken. Uitvoeringen van Schnittkes werk werden daarom dikwijls gedwarsboomd, en in de praktijk was Schnittke gedwongen met het schrijven van filmmuziek in zijn levensonderhoud te voorzien. In 1990 vestigde Schnittke zich met zijn familie in Hamburg. Alfred Schnittke was onder het communisme niet godsdienstig opgevoed. Een Bijbellezende grootmoeder bracht hem wel het gevoel voor iets hogers bij. In 1982 liet hij zich in Wenen katholiek dopen. Kort voor zijn dood werd hij opgenomen in de orthodoxe kerk.

Vanaf 1985 worstelde Alfred Schnittke met een zeer zwakke gezondheid; hij overleefde drie zware hartinfarcten en was meermalen klinisch dood. Niettemin bleef zijn productiviteit tot zijn dood in 1998 groot.

Alfred Schnittke componeerde

     3 opera’s

- Life with an Idiot, opera in twee bedrijven, libretto Viktor Yerofeye (1991)

     16 theatermuziekwerken

     3 balletten

     1 oratorium

- Nagasaki, 1958, gecomponeerd als commentaar op de atoombommen aan het eind van de Tweede wereldoorlog; vijf delen op Russische en Japanse teksten.

     9 symfonieën

- 3de Symfonie, 1981, Schnittke maakte bij het componeren veelvuldig gebruik van de initialen van grote componisten, die hij af en toe ook citeert; het B-A-C-H monogram domineert het laatste, vierde deel. Bizar polytonaal werk om het liefst “live” mee te maken. Heksenketel volstijlen en citaten.

     8 andere orkestrale werken

- Gogol Suite (Suite uit theatermuziek bij 'The Census List', Gogol-pastiche van de toneelregisseur Joeri Ljoebimov, 1978, bijtend satirisch;

     4 vioolconcerten

     4 pianoconcerten

- Concert voor piano en orkest, 1960

- Kammerkonzert, voor piano en kamerorkest, 1964

- Concert voor piano en strijkers, 1979, veelgespeeld; woest en meeslepend;

     2 celloconcerten

- Concert nr. 2 voor cello en orkest, 1990; opgedragen aan Mstislav Rostropovitsj, groots, eindigt met een passacaille als een Bach-echo van verre; onvergetelijke muziek

     4 andere concerten

     6 concerti grossi

- Concerto Grosso nr. 1 voor 2 violen, geprepareerde piano, klavecimbel en 21 strijkers, 1977

     8 werken voor koor

- Stemmen uit de natuur, 1972, voor tien vrouwenstemmen en vibrafoon; tekstloze vocalise;

- Requiem,1975

- Drei geistliche Gesänge, 1983, gebaseerd op eenvoudige gebeden uit de orthodoxe kerk:

Nr. 1. Bogoroditse devo, raduysya, Blagodotnaya Marie (gegroet Maria, vol van genade)

Nr. 2. Gospodi, Gospodi Iisuse (Heer Jezus)

Nr. 3. Otche nash (Onze Vader)

een Ave Maria, een Onze Vader en een gebed om genade;

- Concerto voor gemengd koor, 1985, gebaseerd op de tiende-eeuwse gebedsteksten uit het Boek der Klaagzangen van Gregor von Narek (Grigor Narekatsi), een Armeense heilige; elementen van oude polyfonie worden gemengd met de laatromantische Russische stijl; gecomponeerd voor dirigent Valery Polyansky en het Russisch Staats Symfonisch cappella.

- Boetepsalmen, 1987, gebaseerd op 16de-eeuwse mystieke Russische teksten van monniken, ontroerend in verheven schoonheid,

     25 kamermuziekwerken

- Sonata nr. 2 voor viool en piano "Quasi una Sonata", 1968, in 1987 georkestreerd

- Suite im alten Stil, voor viool en piano of klavecimbel, 1972, elke noot is raak.

- pianokwintet, opus 108, 1976; in memoriam aan de moeder van de componist, één van zijn meest gespeelde werken;

- Sonata nr. 1 voor cello en piano, 1978, reisgids langs duistere paden en troostrijke pleisterplaatsen;

- strijktrio, 1985, ook gearrangeerd als pianotrio, 1992, deelt een thema met het celloconcert nr. 1 van 1986; de melodie van Happy Birthday (voor de 100ste geboortedag van Alban Berg) is getransformeerd in een klaagzang. Melancholische en heftige muziek

- pianokwartet in a klein, 1988; het eerste deel (Nicht zu schnell) is van Gustav Mahler (1876); van het tweede deel (Allegro) heeft Mahler 24 maten geschreven; Schnittke heeft het "afgemaakt"; het is een echt Schnittkewerk geworden.

     4 werken voor piano solo

- vijf aforismen voor piano, 1990, dynamisch;

     66 filmscores

 

Alan Ridout (West Wickham, Londen, Engeland, 9 december 1934 – Caen, Frankrijk, 19 maart 1996) studeerde vanaf zijn 15de een jaar aan de Guildhall School of Music en vanaf zijn 16de vier jaar aan het Royal College of Music in Londen bij Herbert Howells en Gordon Jacob. Daarna had hij nog les van Michael Tippett, Peter Fricker en in Nederland in 1957 en 1958 bij Henk Badings.

Alan Ridout doceerde aan het Royal College of Music, de Universiteiten van Birgmingham, Cambridge en Londen en de King’s School in Canterbury. Hij presenteerde ook radioprogramma’s. Alan Ridout leefde het grootste deel van zijn leven in Canterbury.

Alan Ridout componeerde 900 werken, waaronder

     6 opera’s

     6 kinderopera’s

     4 balletten

     23 orkestwerken

     talloze  koorwerken

     talloze  werken voor (zang)stem en instrument(en)

Soliloquy,  voor countertenor, blokfluit, cello en klavecimbel

- Ferdinand de Stier, naar aanleiding van de Disney animatiefilm, voor spreekstem en viool, ook in Nederlandse bewerking van Bas Treub.  

     6 strijkkwartetten

     32 andere kamermuziekwerken

- Serenata Notturno voor fluit en klarinet, omstreeks 1995 

     24 (series) orgelwerken

     10 (series) pianowerken

     8 werken voor een ander solo–instrument

     elektronische werken

Psalm for Sine Wave Generators, opgedragen aan Henk Badings, één van de eerste elektronische werken, gecomponeerd door een Britse componist

 

Gordon Peter Getty (*San Francisco, Verenigde Staten, 20 december 1934) is het vierde kind van olietycoon J. Paul Getty. Zijn moeder, Ann Rork, was zijn vaders derde vrouw. Toen zijn vader stierf in 1976, kreeg Gordon het beheer over Gettys 2 milliard dollar vermogen, zodat hij nummer 212 werd op de lijst van rijkste Amerikanen.

Gordon Getty studeerde op het San Francisco Conservatory of Music theorie bij Sol Joseph. Aanvankelijk wilde hij operazanger worden, maar op den duur besloot hij het toch maar bij componist te houden. Hij trouwde met Ann Gilbert in Las Vegas, Nevada, op Kerstdag 1964. Gordon Getty had een 14 jaar lange romantische verhouding met een vrouw uit Los Angeles: Cynthia Beck, bij wie hij drie kinderen verwekte.

Gordon Getty oefent een aantal beroepen uit, waaronder die van componist.

Gordon Getty componeerde

     3 opera’s

- Plump Jack,1987, gebaseerd op Shakespeare’s Fallstaff

     1 cantate

- Joan and the Bells, cantate, 1998

     4 orkestwerken

     14 koorwerken 

- The Little Match Girl,  voor gemengd koor en orkest, naar het sprookje van Andersen

- A prayer for my daughter,  voor gemengd koor en orkest

     1 serie kamermuziekwerken

     7 (series) liederen

- The White Election, 1981, 32 liederen op teksten van Emily Dickinson

- Poor Peter, cyclus van drie liederen op eigen tekst voor hoge stem en piano of orkest.

     6 pianowerken

www.gordongetty.com

 

İlhan Baran (*Artvin, Turkije, 1934) studeerde contrabas en compositie bij Ahmed Adnan Saygun aan het Hacettepe Universiteit Staats Conservatorium in Ankara. Nadat hij daar in 1960 was afgestudeerd, vervolgde hij zijn studies in Frankrijk aan de École Normale de Musique de Paris bij Henri Dutilleux en Maurice Ohana. Nadat hij terug was in Turkije werd hij compositiedocent aan het Ankara Staats Conservatorium van 1964 tot 2000.

İlhan Baran componeerde

     1 orkestwerk

     7 kamermuziekwerken

- Dönüşümler (Transformations), pianotrio voor viool cello and piano, 1975, inleidende Fantasie en acht “transformaties” schitterend gepassioneerd;

     3 koorwerken

     7 pianowerken

 

Hans-Günther Allers (*Hamburg, Duitsland, 17 januari 1935) studeerde aanvankelijk muziek in Trossingen en daarna piano en compositie aan de muziekhogeschool Hamburg bij Hans Poser, Ernst-Gernot Klußmann en Walter Girnatis. Hans-Günther Allers woont in Burghaslach.

Hans-Günther Allers componeerde

     10 orkestwerken

     62 kamermuziekwerken

- Metamorphosen  opus 90, over een thema van Paganini (Capriccio 24) voor vier dwarsfluiten

     5 (series) pianowerken voor 4 handen

     10 pianowerken voor twee handen 

 

Conrad Stephen Susa (Springdale, Pennsylvanië, Verenigde Staten, 26 april 1935 – 21 november 2013) studeerde aan het Carnegie Institute of Technology en aan de Juilliard School bij William Bergsma, Vincent Persichetti en Peter Schickele.

Van 1959 tot 1994 werkte Conrad Susa als componist voor het Old Globe Theater in San Diego, Californië. Vanaf 1988 tot zijn dood doceerde hij compositie aan het San Francisco Conservatory of Music.

Conrad Susa componeerde

     5 opera’s

- The Dangerous Liaisons, opera in twee bedrijven en acht scenes, libretto Philip Littell, gebaseerd op de roman Les Liaisons dangereuses van Pierre Choderlos de Laclos,10 september 1994. Belangrijke rol voor Madame le Tourvel (sopraan)

     200 theatermuziekwerken

     13 koorwerken met piano, orgel of andere instrument(en)

     4 werken voor orgel of orgel met andere instrumenten

 

Bojidar Dimov (* Lom aan de Donau, Bulgarije, 31 januari 1935 – Keulen, Duitsland, 19 juni 2003 in) studeerde aan de Staats Muziekhogeschool van Sofia bij Mara Petkova piano en bij Weselin Stojanow compositie en aan de hogeschool voor muziek en uitvoerende kunsten in Wenen bij Hanns Jelinek, Karl Schiske en Erwin Ratz. Vanaf 1968 woonde Bojidar Dimov in Keulen. Van 1969 tot 1972 was hij medelid van de Gruppe 8 Köln. In 1970 richtte hij het ensemble voor moderne muziek Trial and Error op. Vanaf 1972 doceerde Bojidar Dimov aan de Rheinische Muziekschool in Keulen, vanaf 1996 aan de Robert Schumann Hogeschool in Düsseldorf.

Bojidar Dimov componeerde

     2 opera’s

     2 orkestwerken

     23 kamermuziekwerken

- Reflexe I, 1997, voor fluit en piano

- Reflexe II, 2002, voor fluit en piano

     1 koorwerk

     12 werken voor zangstem(men) en instrumenten

     12 pianowerken

 

Otto Josef Matthäus Zykan (Wenen, 29 april 1935 – Sachsendorf, 25 mei 2006) was de zoon van Otto Zykan, gitaardocent aan het concervatorium. Otto M. Zykan kreeg vanaf 1940 pianoles van zijn oma, een begaafde pianiste. Na de Tweede Wereldoorlog zong hij een tijdje bij de Wiener Sängerknaben. Hij studeerde aan de Muziekhogeschool Wenen piano bij Bruno Seidlhofer en Josef Dichler en nog drie andere pianodocenten en compositie bij Karl Schiske. Al gauw werd hij bekend als Schönbergspecialist op de piano. Otto M. Zykan leefde samen met Irene Suchy. In 1965 richtte hij met Kurt Schwertsik en Heinz Karl Gruber het MOB art & tone ART Ensemble op waarmee hij tot 2005 Salonkonzerte schreef en presenteerde met, zoals in alles hij deed, een ironische achtergrond. Otto M. Zykan overleed in de buurt van zijn huis tijdens een fietstocht. Hij werd op de begraafplaats Reinprechtspölla bijgezet.

Otto M. Zykan heeft zich altijd stevig verzet tegen commerciële vermarkting van zijn werk. Zonder zijn toezicht mocht er nergens een werk van hem uitgevoerd worden. Daardoor zijn er nogal wat delen van zijn composities verloren gegaan of verminkt.

Otto M. Zykan componeerde

     11 opera’s en theatermuziekwerken

- Singers Nähmaschine, 1966, Opera-ode, zijn beste , waar ook een filmopname van is gemaakt.

- Die Staatsoperette, 1977, een operettepersiflage over de periode tussen de eerste Wereldoorlog en de februariburgeroorslog in1934, aangezet door het Austro-fascisme, een Oostenrijkse nazivariant waar de Rooms-katholieke kerk en Mussolini een kwalijke rol in speelden,

Het theater werk werd gefilmd door Franz Novotny en uitgezonden voor de televisie, dat leidde tot een mediarel. Otto M. Zykan werd met een kerkban geëxcommuniceerd en er kwamen parlementsdebatten. De film mocht nooit meer uitgezonden worden. Ze is pas in 2016 weer een keer vertoond, en de theateruitvoering vond ook pas voor het eerst in 2016 plaats.  

     werken met videoperformance

     1 ballet

     2 orkestwerken

     14 kamermuziekwerken

- Pars pro toto,  1983, voor blokfluitsextet

     6 (series) pianowerken

     12 vocale werken, ook met orkest of instrumenten, ook met spraak

     4 filmscores

     TVreclames

 

Nigel Henry Cockburn Butterley, AM (*Australië, 13 mei 1935) leerde piano spelen op zijn vijfde. Hij studeerde op het Sydney Conservatorium of Music piano bij Shadforth Hooper en Frank Warbrick en compositie bij Noel Nickson en Raymond Hanson en daarna een jaar bij Priaulx Rainier in Londen.

Terug in Australië ging hij aan het werk als componist.

Hij doceerde aan het Newcastle Conservatorium van 1973 tot 1991, en daarna aan het Sydney Conservatorium. Hij maakte ook radioporgramma’s voor ABC Classic FM.

Op 10 juni 1991 werd Nigel Butterley geridderd als lid van de Order of Australia (AM), voor zijn muzikale verdiensten.

Nigel Butterley componeerde

     1 opera

     13 orkestwerken

     12 koorwerken

     18 kamermuziekwerken

- The White-throated Warbler, 1965, voor sopraanblokfluit (of fluit of piccolo) en harp (of piano)

     11 werken voor zangstem(men) en intrument(en)

     76 pianowerken

     3 radiowerken 

www.nigelbutterley.info

 

Peter Ane Schat (Utrecht, 5 juni 1935 – Amsterdam, 3 februari 2003) werd geboren aan de Abstederdijk in Utrecht. De christelijke bakkerszoon studeerde aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag piano bij Kees van Baaren. Daarna in Londen bij Matyas Seiber, en in Bazel bij Pierre Boulez.

Vanaf 1974 tot 1983 was Peter Schat leraar compositie aan het Koninklijk Conservatorium te Den Haag. In de laatste jaren van zijn docentschap ontwikkelde hij de Toonklok. Volgens de basis van dit principe en systeem dient de samenklank en opeenvolging van tonen gedicteerd te worden door muzikale wetten en niet door ‘administratieve manipulatie’, zoals zich voordoet in het serialisme. Vanuit die basis ontwikkelde hij in 1982 een compositiesysteem, dat op drieklanken was gebaseerd. Hierin staan de muzikale relaties tussen tonen op een niet-hiërarchische basis centraal. Een nieuwsoortig ‘chromatische tonaliteit’ was het resultaat. Hiermee was de breuk met de geschiedenis hersteld volgens Schat.

Peter Schat leefde jarenlang samen met de actrice Marina Schapers, die overleed op 26 juli 1981 in Griekenland. Schapers, Schat en hun zoontje Bastiaan waren er op vakantie met Schapers' vriendin Kitty Courbois en haar kind. Deze gebeurtenis was inspiratiebron voor het boek Lucifer van de schrijfster Connie Palmen.

Peter Schat overleed in 2003 aan kanker.

Peter Schat was een van de oprichters van de Amsterdamse Studio voor Elektro-Instrumentale Muziek (STEIM).

Peter Schat componeerde

     5 opera’s

- Labyrint, opus 15, 1964, een soort opera, libretto: Lodewijk de Boer naar De Paradijsvogel van Louis Paul Boon

- Reconstructie, 1969, een moraliteit, samen met de componisten Louis Andriessen, Reinbert de Leeuw, Misha Mengelberg en Jan van Vlijmen voor solisten, 3 gemengde koren en met elektrische instrumenten uitgebreid orkest. Libretto Hugo Claus en Harry Mulisch. Verhaal over de held Che Guevara en de “imperialistische” Verenigde Staten, onderdrukkers van Zuid-Amerika.

     15 orkestwerken

- ETUDES voor piano en orkest, opus 39, 1992, onderschat werk

- De Hemel, opus 37, 1990, 12 symfonische variaties voor orkest, opgedragen aan de martelaars voor democratie op het Plein van de Hemelse Vrede.

     13 werken voor (groot) ensemble

- To You, theaterproduktie voor sopraan, 4 pianos, 2 orgels, 6 gitaren, 3 basgitaren 6 grote bromtollen, 1972, alle instrumenten elektrisch. Tekst een gedicht van Adrian Mitchell. Uitgecomponeerde muzikale gekte.

     10 kamermuziekwerken, ook met zangstemmen

- Canto General, opus 24, voor mezzosopraan, viool en piano, 1974, tekst Pablo Neruda, geschreven voor Lucia Kerstens, Vera Beths en Reinbert de Leeuw

- Kind en Kraai, voor hoge sopraan en piano, op een serie van 11 gedichten van Harry Mulisch, monodrama

     4 koorwerken

     3 pianowerken

- Anathema, opus 19, 1969

     2 orgelwerken

     1 werk voor carillon

     3 werken voor een ander instrument solo

www.peterschat.nl

 

József Sári (*Lenti, Hongarije, 23 juni 1935) studeerde van 1954 tot 1962 aan de Franz-Liszt-Musikakademie in Boedapest compositie bij Endre Szervánszky en muziekpedagogiek en directie bij Zoltán Vásárhelyi.

József Sári was leraar aan een muziekschool, pianobegeleider en dirirgent. Van 1971 tot 1984 woonde hij als componist in Duitsland.

Sinds 1984 was József Sári docent muziektheorie aan de Franz Liszt Musikhochschule, hij ging daar in 1997 met pensioen. Hij geeft daar nog leiding aan het  college „20ste eeuwse muziek“.

Zijn jongere broer is de componist László Sáry.

József Sári componeerde

     opera’s

     orkestmuziek

     kamermuziek

- zes concertstukken voor dwarsfluit

 

Terry Riley (*Colfax, Californië, Verenigde Staten, 24 juni 1935) studeerde aan het Shasta College, de San Francisco State University, het conservatorium van San Francisco en tenslotte aan de UC Berkeley compositie bij Seymour Shifrin en Robert Erickson. Hij maakte daar kennis met La Monte Young, met wie hij een levenslange vriendschap en samenwerking ontwikkelde.

In 1965 verhuisde Terry Riley naar New York en ging daar aan het werk in La Monte Young’s Theater of Eternal Music. In 1970 maakte Terry Riley kennis met Pandit Pran Nath (1918-1996), een expert op het gebied van Indiase klassieke zang. Samen met Pran Nath ondernam Terry Riley vele reizen naar India voor studie en om hem te begeleiden op tabla tambura of met zang.

In 1971 kreeg Terry Riley een aanstelling als docent Indiase klassieke muziek aan het Mills College in Californië. In 2007 ontving hij een Honorary Doctorate Degree in Music van de Chapman Universiteit. Terry Riley is getrouwd met Anne Riley met wie hij een dochter en twee zoons heeft. Zijn zoon Gyan Riley is gitarist.

Terry Riley componeerde

     10 orkestwerken

- Jade Palace, 1991, voor groot orkest

     19 werken voor strijkkwartet en strijktrio, soms met andere instrumenten of angstemmen, 13 geschreven voor het Kronos kwartet;

- strijkkwartet, 1960

- Sunrise of the Planetary Dream Collector, 1980, voor strijkkwartet, in de dorische toonaard

- G Song,  1980, voor strijkkwartet

- Cadenza on the Night Plain,  1983, voor strijkkwartet

- Salome Dances for Peace voor strijkkwartet, 1985-86 – cyclus van 5 kwartetten

- The Sands 1990, voor strijkkwartet en orkest
- Sun Rings,  2001, voor strijkkwartet, koor en vooraf opgenomen achtergrond track

- One Earth, One People, One Love,  2015, voor strijkkwartet, uit het lange Sun Rings uit 2001

     3 (series) werken voor saxofoonkwartet

     16 andere kamermuziekwerken .

- In C, 1964, voor een willekeurig aantal (in 2006 een keer 126!) andere spelers van willekeurige instrumenten, zijn bekendste werk, het eerste minimalistische werk ooit, de oerknal van de minimal music, synthese tussen klassieke muziek en jazz. De 53 muzikale frasen kunnen door de musici a l'improviste worden gekozen, dus elke uitvoering is uniek.

- Las Puertas – voor gitaar en piano

     4 koorwerken

     24 liederen

- Turning, 1990

     18 (series) gitaarwerken voor één of meer gitaren, soms ook met andere instrumenten

     15 (series) pianowerken

- Keyboard Studies 1 & 2, 1965

- Ebony Horns, gearrangeerd van het vierde deel van The Sands, 1990

- Mongolian Winds, afgeleid van The Gift, het derde strijkkwartet uit de cyclus Salome Dances, 1996

- Simply M, 2008

- The shape of flames, 2008.

     5 orgelwerken

     gitaarwerken

- Piedad, geschreven voor zijn zoon Gyan Riley

     8 werken met tape

http://terryriley.net

 

Giya Kancheli (Qantsjeli, Gia Kantsjeli) (*Tbilisi, Georgië, 10 augustus 1935) was de zoon van een arts. Gia Kantsjeli was van jongs af aan wel steeds bezig met muziek, maar pas in zijn twintiger jaren besloot hij van muziek zijn beroep te maken. Hij studeerde aan de Tbilisi-universiteit geologie tot 1958 en daarna compositie bij  Iona Tuskia aan het Tbilisi-conservatorium van 1959 tot 1963. Van 1971 tot 1978 was hij daar ook docent compositie. In zijn vroege composities heeft de volksmuziek uit Georgië een grote invloed  Gia Kantsjeli van 1984 tot 1989 voorzitter van de Georgische componistenbond. Hij ontving in 1976 de Staatsprijs van de Sovjet-Unie voor zijn 4e symfonie.

Vanaf 1991 woonde hij twee jaar in Berlijn, vanaf 1995 in Antwerpen in België..

Gia Kantsjeli is getrouwd en heeft twee kinderen.

Giya Kancheli componeerde

     3 opera's

     40 theatermuziekwerken

     1 requiem voor twee jongenssopranen, jongenskoor en orkest

     7 symfonieën

     21 concerten

- V & V, voor viool, strijkers en tape

- A Little Daneliade, 2000, voor viool en orkest

- Lonesome, 2002, voor viool en orkest

- Twilight, 2004, voor twee violen en kamerorkest

- Ex Contrario, 2006,  voor viool strijkers, piano en performance CD, 30 minuten pure klankmagie.

- Brücken zu Bach (bruggen naar Bach), 2010, voor viool en orkest

     13 andere orkestwerken

     11 kamermuziekwerken

- " Rag-Gidon-Time" voor viool en piano, 1995, opgedragen aan Gidon Kremer.

- "Time ... And Again" voor viool en piano, 1996, opgedragen aan Gidon Kremer en Oleg Maisenberg.

- Chiaroscuro, voor strijkkwartet, 2011, kent ondertussen ook versies voor viool, voor altviool of voor een combinatie daarvan met strijkorkest. Chiaroscuro is de contrastrijke schildertechniek van bijvoorbeeld Rembrandt, zo schildert Giya Kancheli met muziek.

- 18 miniaturen voor viool en piano, 2016, gebaseerd op eerder geschreven werk

     4 werken voor koor en orkest of ensemble

     3 werken voor zangstem en orkest

     5 werken voor zangstem en instrument(en)

     8 muziekwerken voor instrumenten en/of orkest en tape

     1 werk voor cello solo

     33 pianominiaturen, bewerkt uit zijn film en theatermuziekwerken

- When Almonds Blossomed, hoofdthema uit de gelijknamige film

     60 filmscores

- When Almonds Blossomed, 1972, regie Lana Gogoberidze

 

 

Otto Ketting (Amsterdam, 3 september 1935  ̶  Den Haag, 12 december 2012) begon zijn muzikale loopbaan als trompettist in de schoolband van het Barlaeus Gymnasium. in Amsterdam. Aansluitend studeerde hij trompet aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag en kreeg hij lessen in compositie van zijn vader, Piet Ketting. Van 1954 tot 1961 was hij trompettist in het Residentie Orkest. Otto Ketting studeerde aan het Koninklijk Conservatorium te Den Haag en later bij Karl Amadeus Hartmann in München.

Van 1967 tot 1971 gaf hij les als hoofdleraar instrumentatie en compositie aan het Rotterdams Conservatorium, daarna stapte hij over naar het Koninklijk Conservatorium in Den Haag, waar hij tot 1974 bleef en dezelfde functie vervulde als in Rotterdam. In de jaren daarna legde hij zich meer toe op dirigeren en publiceren.

Hij was getrouwd met een dochter van Willem van Otterloo.

Otto Ketting wordt gezien als de grondlegger van de Rotterdamse School.

Otto Ketting componeerde

     2 opera’s

- Ithaka, libretto, Kees Hin en de componist naar Konstantínos Kaváfis, 26 september 1986,

     2 balletten

     1 theaterwerk

     6 symphonieën

- 3e Symfonie, 1990, schitterend

- Kamersymfonie, 2010, één lange weemoedige monoloog; subtiele variaties in een donker spectrum

- Symfonie nr. 6, 2012, een lange aanloop tot een briljante explosie.

     26 andere werken voor orkest of groot ensemble

- Trajecten, 2008

     9 werken voor harmonie-orkest

- Time Machine, voor zes houtblazers, tien koperblazers en slagwerk, 1972, Kees van Baaren Prijs 1973, gecomponeerd voor het Nederlands Blazersensemble, met meer dan 150 uitvoeringen en binnen- en buitenland een blijvertje

     5 (series) werken voor zangstem(men) en orkest of groot ensemble

- The Curious Music that I Hear, voor sopraan en ensemble, 2006,  liedcyclus van 6 gedichten op teksten van Robert Louis Stevenson

     23 kamermuziekwerken

     1 Concerto voor orgel

     4 pianowerken

     5 filmscores

- Bert Haanstra: Dokter Pulder zaait papavers

- Erik van Zuylen: De Anna

 

Arvo Pärt (*Paide, Estland 11 september 1935) zijn ouders scheidden toen hij drie jaar was. Hij ging met zijn moeder in Rakvere wonen, een wat naargeestig stadje in het noorden van Estland, vlakbij de Russische grens. Hij kreeg zijn eerste muzieklessen op piano en hobo, toen hij zeven jaar oud was. Hij volgde een opleiding aan het conservatorium in Tallinn vanaf 1957, waar hij les kreeg in compositie van Heino Eller en waar hij in 1963 ook afstudeerde. Arvo Pärt groeide op in de periode dat zijn land onder de ijzeren duim zat van de Sovjet-Unie. Zijn hele jeugd heeft hij oorlog en onderdrukking meegemaakt. Alles wat Ests was, werd ontkend en verboden, alle wegen leidden alleen naar Rusland.

In 1968 componeerde  Arvo Pärt een pacifistisch Credo, dat begon met de woorden: "Ik geloof in Jezus Christus." Het veroorzaakte een enorme rel In Russisch Estland. Arvo Pärt belandde in een crisis, wist niet of hij nog wel componist was en trok zich vijf maanden terug in een klooster. Daar bekeerde hij zich tot de Russisch-orthodoxe Kerk en bestudeerde hij de Vlaamse polyfonisten zoals Josquin Des Prez, Guillaume de Machault, Jacob Obrecht en Johannes Ockeghem.

In 1971 maakte hij zijn rentree met Symfonie nr. 3, waarbij de polyfonische structuur kan worden herleid tot de Nederlandse componisten en die elementen van middeleeuwse zowel als van Barokmuziek in zich draagt.

Na deze periode sloeg Pärt een andere weg in. In 1972 trouwde hij met Nora, een Joodse vrouw. Hij begon muziek te maken die hij zelf tintinnabular noemt, (uit het Latijn tintinabuli, kleine bellen) muziek die klinkt als het geluid van bellen of klokken. Deze muziek wordt gekenmerkt door simpele harmonieën, vaak ook door enkele noten of drieklanken die volgens de componist als bellen klinken. Het eerste stuk waarin hij van deze techniek gebruik maakt is Für Alina, een pianowerk uit 1976. Estland was vanaf 1944 tot en met 1991 bezet door Rusland, en de muziek van Arvo Pärt werd door de staat verketterd en hij werd belemmerd in zijn werk en zijn vrijheid. De Sovjet-Unie wilde van de Joden af, en daarom kregen Arvo Pärt en zijn Joodse vrouw een uitreisvisum om naar Israël te emigreren. Op 18 januari 1980 stapten ze met hun twee kinderen in de trein. Ze werden in Wenen met open armen ontvangen en kregen een Oostenrijks paspoort. In 1981 verruilde Arvo Pärt de Oostenrijkse hoofdstad voor West-Berlijn, waar hij momenteel nog steeds woont. In 2003 ontving hij de Contemporary Music Award. In 2008 ontving hij de Deense Léonie Sonning-prijs.

Arvo Pärt wordt wel eens een van de leden van het God Squad genoemd, een benaming voor een groep christelijk minimalistische 20ste eeuwse componisten. Behalve Arvo Pärt ook John Tavener en Henryk Górecki.

Arvo Pärt is een verklaard tegenstander van Vladimir Putin. Hij heeft verboden dat zijn werk in Rusland wordt uitgevoerd en heeft alle werken die hij in 2006 en 2007 geschreven heeft, opgedragen aan de in 2006 vermoorde journaliste Anna Politkovskaja. De Russische regisseur Andrey Zvyagintsev maakt veel gebruik van de muziek van Arvo Pärt.

Arvo Pärt componeerde

     19 orkestwerken

- Necrolog, opus 5, 1960, zijn eerste orkestrale compositie is gebaseerd op de twaalftoontechniek van Arnold Schönberg, en dit bezorgde hem veel kritiek van het conservatieve Sovjetregime. Genadeloos soort dodecafonie, imposant, prachtig geïnstrumenteerd.

- Perpetuum mobile voor orkest, opus 10, 1963, veel gespeeld.

- Collage über B-A-C-H, 1964 voor strijkers, hobo, klavecimbel en piano, in 1994 onder de titel Concerto piccolo über B-A-C-H gereviseerd voor trompet, strijkers, klavecimbel en piano

- Symfonie nr. 2, 1966, met krakend papier en piepend kinderspeelgoed

- Symfonie nr. 3, 1971, de vocale muziek van Dufay schemert door, radicale breuk met eerdere composities, geen verlammende avant-garde meer, terugkeer naar de oude wereld van de modaliteit.

- Wenn Bach Bienen gezüchtet hätte ... voor piano, blaaskwintet, strijkorkest en slagwerk, 1976, geheel gebaseerd op het thema B-A-C-H.

- Tabula rasa voor twee violen, strijkorkest en geprepareerde piano, 1977

- Cantus in Memoriam Benjamin Britten, een korte canon in a kleine terts, 1977, voor strijkorkest en klokkenspel. Populair werk, veel gebruikt als achtergrondmuziek in film- en Tv-documentaires.

- Orient & Occident voor strijkorkest, 2000

- Symphonie nr. 4, "Los Angeles", 2008, geschreven voor de Los Angeles Philharmonie, opgedragen aan oliebaron en idealist Mikhael Khodorkovsky, die vanaf 2003 in Rusland gevangen zit.

- Sequentia, voor slagwerk en strijkorkest, 2015, opgedragen aan Robert Wilson

     10 concerten

- Darf ich ... voor viool, klokkenspel en strijkorkest 1995, gereviseerd in 1999

     46 vocale werken

- Solfeggio voor koor, 1964/1996, zeer academisch atonaal, een onaangenaam werk;

- Credo voor koor, orkest en piano solo, 1968, adembenemend stuk muziek, hij schreeuwt er zijn wanhoop, pijn en frustratie in uit, angstaanjagende passages, serene stiltes, schurende dissonanten, jubelende violen, spreekkoren en engelengezang, alles gebaseerd op de eerste prelude uit Bachs’Wohltemperiertes Klavier, BWV 846. Een meesterwerk. Werd na de première dan ook meteen verboden nog eens uit te voeren.

- Summa voor SATB koor a cappella, 1977, er zijn ook bewerkingen voor instrumentale ensembles

- De profundis (Uit de diepte),1980, zetting van Psalm 130 in Latijn voor vierstemmig mannenkoor, slagwerk en orgel.

- Passio Domini nostri Jesu Christi secundum Johannem voor SATB vocaal ensemble, SATB koor, instrumentaal kwartet en orgel, 1982

- Wallfahrtslied voor tenor of bariton en strijkkwartet of strijkorkest, 1984/2000

- Stabat Mater, 1985, voor drie zangers: sopraan, alt en tenor en drie strijkers: viool, altviool, cello; gecomponeerd in Pärts tintinnabuli stijl: arpeggio’s van grote en kleine drieklanken worden gecombineerd met stijgende en dalende diatonische ladders.

- Te Deum voor koor, strijkorkest en tape, 1985/1992, diepe ernst.

- Magnificat, 1989, voor sopraan solo en gemengd koor, op de Latijnse tekst, in tintinnabuli stijl;

- Miserere voor solisten, koor, orgel, ensemble met slagwerk.1989, gereviseerd in 1992. De tekst bestaat uit twee traditionele liturgische liederen: het Miserere en het Dies Irae.

- Beatus Petronius, voor twee koren, 8 blazers, buisklokken en strijkorkest, 1990, ter gelegenheid van het 600-jarig bestaan van de Basiliek San Petronio in Bologna.

- Berliner Messe, voor SATB solisten en orgel, 1990, later gereviseerd voor koor en strijkers. Het werk gebruikt tintinnabuli techniek en volgt tezelfdertijd de standaard miszetting. De delen zijn Kyrie; Gloria; "Erster Alleluiavers"; "Zweiter Alleluiavers"; Veni Sancte Spiritus; Credo; Sanctus en Agnus Dei. De mis was bedoeld voor Pinksteren, maar kan ook met kerst gebruikt worden

- The Beatitudes, 1991, voor gemengd koor en orgel, zeer de moeite waard

- 7 Magnificat-Antiphonen voor gemengd koor a cappella, 1991, de "O-antifonen", magistraal werk.

- Litany. gebeden van Sint Johannes Chrysostomus voor elk uur van de dag en de nacht, 1996, voor solistenkwartet, gemengd koor en orkest. Monumentaal

- I am the true wine, 1996, motet voor SATB koor a cappella

- Dopo la Vittoria voor koor a cappella, 1996, vocale verklanking van een artikel uit een Muzieklexicon over de geschiedenis van het Te Deum.

- Cantate Domino canticum novum voor koor of solozangers en orgel, 1996

- Kanon Pokajanen (Boetepsalmen) voor SATB koor a cappella, 1997, een Grieks-orthodox gezang geschreven door Sint Andreas van Creta in ongeveer 700, ongeveer in 800 vertaald in het Slavisch. De tekst wordt in kerk-slavisch gezongen, de gebruikelijke taal in de Russisch orthodoxe kerken. Gecomponeerd ter gelegenheid van het negenhonderdjarig bestaan van de kathedraal te Norwich.

- The woman with the Alabaster Box, 1997, voor SATB koor a cappella;

- Triodion voor koor a cappella 1998, tekst anoniem, een traditional uit het orthodoxe gebedsboek

- Como cierva sedienta, psalm 42 en 43 in het Spaans, voor sopraan of vrouwenkoor en orkest, 1998, gereviseerd in 2002, dramatisch werk;

- Cantiques des degrés voor koor en orkest, 1999/2002

- Which was the Son of...., 2000, geslachtsregister uit Lucas, voor SATB koor a cappella

- Nunc Dimittis voor koor a cappella, 2001

- Salve Regina voor koor en orgel, 2001

-Twee wiegeliederen, voor vrouwenkoor en strijkorkest, 2002, simpel, teer en breekbaar

+ Kuss-kuss, kallike, Ests Wiegelied, ook voor vrouwenstem, vier altviolen en 4 cello’s, 2009

+ Kerstwiegelied, ook voor vrouwenstem, vier altviolen en 4 cello’s, 2009

- Cecilia, vergine romana, 2002 voor gemengd koor en orkest; het martelaarschap van de patroonheilige van de muziek is door Arvo Pärt opvallend romantisch getoonzet.

- Most Holy Mother of God voor vier stemmen a capella, 2003, om stil van te worden.

- Da pacem Domine (Geef vrede, Heer) voor vier stemmen, 2004, gecomponeerd voor Jordi Savall voor een vredesconcert in Barcelona, naar aanleiding van de terroristische treinaanslag in dat jaar. In Spanje wordt het werk elk jaar uitgevoerd om de slachtoffers van de ramp te herdenken. De tekst is en 7de–eeuws lied, gebaseerd op de Bijbelteksten 2 Koningen 20:19, 2 Kronieken 20:12 en 15 en Psalmen 72:6 en 7. Arvo Pärt schreef later ook versies voor koor en en strijkorkest en een louter instrumentale versie voor strijkkwartet of strijkorkest.

- L’Abbé Agaton voor sopraan, 4 altviolen en 4 celli, 2004, over een middeleeuwse heilige die zich het lot van leprozen aantrok.

- Morning Star, voor koor a cappella, 2007

- Sei gelobt, du Baum, 2007, voor bariton, viool, quinterne (Oudfranse, vijfsnarige gitaar) en contrabas

- The Deer’s Cry, voor koor a cappella, geschreven voor Louth Contemporary Music Society, Ierland, 2008

- Alleluia-Tropus voor kamerkoor en 8 celli, 2008. Russische tekst. Voor 6 december.

- Adam's Lament voor gemengd koor en strijkorkest, 2009, de smartelijke klacht van de man die uit het paradijs verbannen is. Tekst van de oosters-orthodoxe monnik Staretz Silouan (1866-1938).

- Virgencita, 2013, voor gemengd koor a capella

     13 kamermuziekwerken

- Fratres, voor kamerensemble, 1977, bewerkt voor 7 verschillende kamermuziekzettingen, ontzagwekkend;

- Spiegel im spiegel,  voor viool (of cello) en piano, 1978, wordt ook wel op orgel gespeeld.

- Passacaglia,  voor viool en piano, 2003

- Missa Brevis, voor cello-octet, 2010

     4 orgelwerken

- Trivium, 1976

- Pari Intervallo, 1976/1981, voor verschillende kamermuziekbezettingen herschreven

- Annum per annum, 1980, instrumentale mis, bestaat uit de delen K, G, C, S, A, coda, het uitschakelen van de windvoorziening valt op

- Mein Weg hat Gipfel und Wellentäler, 1989, minimalistisch, in 2000 herschreven voor   14 strijkers en slagwerk

     8 (series) pianowerken

- 2 Sonatinen, opus1, 1958/1959)

- Partita,opus 2, 1959, opgedragen aan pianist Bruno Lukk

- Diagramme, opus 11, 1964; avantgardistisch

- Für Alina, 1976, opgedragen aan een 18-jarige dochter van een bevriende familie, die net een studie in Londen begonnen was; het eerste werk in zijn tintinnabuli stijl, essentieel werk;

- Hymn to a Great City, voor twee piano’s, 1984/2000, voor verschillende kamermuziekbezettingen herschreven

www.arvopart.ee

 

Jan van Vlijmen (Rotterdam, 11 oktober 1935 – Réveillon, Frankrijk, 24 december 2004) studeerde orgel en piano aan het Utrechts Conservatorium; daarnaast studeerde hij compositie bij Kees van Baaren. Na zijn afstuderen was hij van 1961-1965 directeur van de Muziekschool van Amersfoort  en doceerde hij van 1965 tot 1968 muziektheorie aan het Utrechts Conservatorium. In 1967 werd hij adjunct-directeur en - na de dood van Kees van Baaren in 1970 - directeur van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag. In 1997 vestigde Jan van Vlijmen zich in Normandië in Frankrijk. Hij overleed daar aan leukemie.

Jan van Vlijmen componeerde 45 werken, waaronder

     4 opera’s (ook samen met anderen)

- Axel, opera in drie bedrijven, libretto Harry Mulisch,10 juni 1977, gecomponeerd met Reinbert de Leeuw.

     11 orkestwerken

- Omaggio a Gesualdo,voor viool en groot orkest, 1971, Matthijs Vermeulenprijs 1972

     2 werken voor harmonie-orkest

     2 werken voor zangstem en orkest

     2 werken voor koor  en orkest

     13 kamermuziekwerken

     1 serie liederen voor zangstem en piano

 

La Monte Young (*Bern, Idaho, Verenigde Staten, 14 oktober 1935) was het oudste kind van het Mormoonse echtpaar Dennis en Evelyn Young. Hij werd geboren in een blokhut. Het gezin verhuisde van Idaho naar Los Angeles, waar La Monte Young in het schoolorkest meespeelde, en daarna naar Utah, waar vader Dennis hielp op een boerderij van La Monte’s oudoom Thornton Young. “Uncle Thornt” was bandleider in Los Angeles geweest en gaf La Monte Young verder muziekles. In de zomer van 1950 verhuisde het gezin naar Los Angeles. La Monte Young studeerde van 1951 tot 1954 bij William Green klarinet, saxofoon en compositie aan de Universiteit van Californië in Los Angeles (UCLA), en compositie bij Clyde Sorensen. Van 1958 tot 1960 studeerde hij bij Seymore Shifrin compositie en twaalftoonstechniek bij Leonhard Stein aan de Universiteit van Californië in Berkeley.

In 1959 nam hij deel aan een workshop in Darmstadt (Darmstädter Ferienkurse) onder leiding van Karlheinz Stockhausen en leerde daar het werk van John Cage kennen. Hij werd ook beïnvloed door de klassieke Indische muziek en de Japanse Gagaku-muziek. In deze tijd ontstonden vele composities die nu tot de minimal music gerekend worden. In 1960 vestigde zich in New York, waar hij al snel een reputatie opbouwde als enfant terrible van de avant-garde. Hij sloot zich aan bij de Fluxus kunststroming van George Maciunas, waar ook Yoko Ono, en de Nederlandse Willem de Ridder deel van uitmaakten, en waar hij mee samenwerkte. La Monte Young vormde het muziekcollectief Theatre of Eternal Music om zijn werken te kunnen laten uitvoeren. Eén van de leden van het collectief was kalligraaf en lichtkunstenaar Marian Zazeela. Iedereen in de groep gebruikte drugs zoals Cannabis, LSD en peyote (van een cactusplant). La Monte Young en Marian Zazeela trouwden in 1963 en werkten sindsdien gezamenlijk aan vele audiovisuele producties met een onmiskenbaar psychedelische inslag. Zijn composities, die vaak als een soort korte haiku genoteerd werden, zijn bedoeld om een bijzondere ervaring zoals een droom of een trance op te roepen. Samen met zijn vrouw werkte hij aan semipermanente installaties die Dreamhouses genoemd werden. Een van de doelstellingen van La Monte Young is te komen tot een nooit eindigend concert, waar voortdurend muziek klinkt en waar bezoekers en muzikanten kunnen komen en gaan zoals het hen past.

Interesse in Aziatische klassieke muziek leidde ertoe dat La Monte Young vanaf 1970 ging studeren bij Pandit Pran Nath. In 2002 vormden La Monte Young en Marian Zazeela het Just Alap Raga Ensemble. Tradities uit de Westerse en Hindoestaanse klassieke muziek werden gemengd met de compositorische benadering van La Monte Young zelf.

Niet alleen de werken van La Monte Young zijn van lange duur, maar ze hebben vaak ook bijzonder lange titels zoals: The Tortoise Recalling the Drone of the Holy Numbers as they were Revealed in the Dreams of the Whirlwind and the Obsidian Gong, Illuminated by the Sawmill, the Green Sawtooth Ocelot and the High-Tension Line Stepdown Transformer.

La Monte Young is naast Philip Glass, Steve Reich en Terry Riley een van de belangrijkste componisten van de minimal music in de Verenigde Staten.

La Monte Young componeerde

     22 Installaties en elektronische werken, veel met Marian Zazeela,

- "Ornamental Lightyears Tracery", werd van 1966 tot 1970 in stand gehouden

     82 diverse (series) werken voor één of meer instrumenten

- Compositions 1960, 15, soms onuitvoerbare, werken, 1960  

+ Composition 1960 #7, bestaat uit slechts twee noten B en Fis, een zuivere kwint,  met de aanwijzing dat zij lang aangehouden moesten worden

- The Well-Tuned Piano,  zich uitbreidende serie van 60 composities van 1964 tot 1973 en 1981 tot heden.  Op mathematische wijze gecomponeerde pure samenklanken, die over lange tijdsduur gespeeld worden. Een uitvoering duurt minimaal zes uur.

 

Folke Alvar Harald Reinhold Rabe (Stockholm, Zweden, 28 oktober 1935) studeerde van 1957 tot 1964 aan de Kungliga Musikhögskolan te Stockholm bij Valdemar Söderholm, Bo Wallner, Karl-Birger Blomdahl, Ingvar Lidholm, György Ligeti en Witold Lutosławski.

Van 1980 tot 2000 werkte Folke Rabe voor de Zweedse radio-omroep in verschillende functies.

Folke Rabe componeerde

     6 orkestwerken

     2 werken voor harmonieorkest

     8 (series) koorwerken

     4 (series) werken voor zangstem en instrument(en)

     9 kamermuziekwerken

- Tintomara,1992, voor trompet en trombone

     2 (series) pianowerken

     1 orgelwerk

     3 filmscores

     1 muziekdramatisch radiowerk

     9 elektronische werken.  

www.folkerabe.se

 

Helmut Friedrich Lachenmann (Stuttgart, 27 november 1935) werd geboren in een muzikaal domineesgezin. Als 11-jarige begon hij als zangknaap in een plaatselijk kerkkoor. Hij had een goed gevoel voor muziek en begon al als tiener te componeren, toen hij les had op het plaatselijk gymnasium. Later ging Helmut Lachenmann aan de Stuttgarter Musikhochschule compositie studeren bij Johann Nepomuk David en piano bij Jürgen Uhde.

In 1957 maakte hij tijdens de Darmstadt vakantiecursus kennis met Karlheinz Stockhausen en Luigi Nono. Vanaf 1958 ging Helmut Lachenmann bij Luigi Nono in Venetië studeren als Luigi Nonos eerste privéstudent..

Terug in Duitsland trad Helmut Lachenmann als pianist op, ook van zijn eigen werk. Hij ging in Keulen samenwerken met Karlheinz Stockhausen (Plus-Minus) en werkte enige tijd in Gent bij de IPEM-studio.

Vanaf 1966 werd Helmut Lachenmann docent aan de Muziekhogeschool in Stuttgart. Vanaf 1981 tot 1999 was hij er professor compositie. Leerlingen van hem zijn Mark Andre, Alvaro Carlevaro, Clemens Gadenstätter, Harald Muenz, Manuel Hidalgo, Juliane Klein, Wolfram Schurig, Juan María Solare en Stefan Streich.

Helmut Lachenmann is getrouwd met de pianiste Yukiko Sugawara.

Helmut Lachenmann beschouwt zichzelf als een Don Quichotte in de moderne klassieke muziek. Zijn muziekstijl gaat in tegen elke modebeweging binnen de muziek.

Helmut Lachenmann componeerde

     1 theatermuziekwerk

     20 werken voor orkest of groot ensemble

     5 werken voor ensemble

     10 kamermuziekwerken

     2 werken voor koor en orkest

     2 werken voor zangstem en orkest of instrumenten

     2 werken voor veel zangstemmen en percussie

     7 (series) pianowerken

- Wiegenmusik, 1963; kietelende muziek

     1 werk voor percussie

     4 werken voor een ander soloinstrument

 

Peter Heidrich (*Dresden, Duitsland 1935) is violist, komponist en docent. Sinds 1993 is hij docent viool aan de Staatlichen Hochschule für Musik und Theater in Hamburg.

Peter Heidrich componeerde

     "Happy Birthday" Variaties, 1994 voor orgel, arrangement voor strijkorkest

 

Laurens van Rooyen (*Utrecht, 1935) was de oudste van zes kinderen in een kruideniersgezin. Toen hij zeven jaar werd kocht zijn vader een piano voor hem. Vanaf die tijd was hij er niet meer van acher weg te krijgen. Na het gymnasium studeerde hij aan het Utrechts conservatorium waar hij Herman van Veen ontmoette.

Samen met Herman van Veen richtte hij het bedrijf in 1968 Harlekijn-Holland BV op. Laurens van Rooyen componeerde liedjes voor de cabaretier en begeleidde hem tijdens diverse optredens.

Eind 1973 trok de pianist samen met zangeres Liselore Gerritsen en gitarist Harry Sacksioni door het land met het programma Een Klein Concert.

Laurens van Rooyen gingt daarna concerterend, plaatopnemend en componerend door het leven.

Laurens van Rooyen maakte 45 Cd’s

Laurens van Rooyen componeerde

     7 grote programma’s orkestmuziek, ook met koor en solisten

     10 flimscores

- Rembrandt, regie Jos Stelling

- Eline Vere,

- Een vrouw als Eva

- Affair Play

- Brandende Liefde

- Serengeti-Symfonie. 

www.laurensvanrooyen.com