B2. Ontwikkelingen en vormen vanaf ongeveer 1720

 

Rococo

een Europese stijlperiode in de kunst, dus ook in de muziek, van ruwweg 1720-1775. De naam is een samentrekking rocaille, Frans voor asymmetrisch schelpmotief, in die tijd veel gebruikt in de de toegepaste kunst, barocco, Italiaans voor barok. De stijl, die zich uit de barok ontwikkelde.

Het beteft intieme kamermuziek met uiterst verfijnde versieringsvormen. Emfindsamkeit en galante stijl maken er deel van uit (zie hieronder). Als rococo-componisten gelden on der meer: Johann Christian Bach, Carl Philipp Emanuel Bach, Louis-Claude d'Aquin, Wolfgang Amadeus Mozart en Jean-Philippe Rameau.

 

Empfindsamkeit. (Duits: ‘empfindsam’ = ‘sentimenteel, overgevoelig’)

Empfindsame stijl is een muzikale stijlrichting rond 1750 die sterk van door het gevoel ingegeven uitdrukkingselementen gebruik maakt. Componisten die de stijl toepasten waren vooral Noord- en MiddenDuitsers, zoals Carl Philipp Emanuel Bach, de grootmeester van de Empfindsame stijl.

De stijl ontstond vanuit de burgerschap, die zich bewust werd van haar opkomende positie in alle lagen van de maatschappij, ook de culturele en kunstzinnige.

Kenmerken van de Empfindsame stijl:

in kleine kring en kleine bezetting musiceren;

liever een clavichord dan een klavecimbel vanwege de intieme klank;

de melodielijnen worden spiritueel, verfijnd, expressief, gevoelvol en beweeglijk gehanteerd;

lombardische rhythmen, voorhoudingen en Seufzers in de melodie;

Eenvoudiger zinsstructuur, het Basso continuo verliest aan betekenis. ritme in de harmonie verloopt langzamer.

De empfindsame stijl ontwikkelde zich parallel aan en gedeeltelijk uit de galante stijl. Zowel de galante als de empfindsame stijl zijn uitdrukking van de muzikale rococo-periode. Samen met de Sturm und Drang vormen deze stijlen de voorbodes van de classicistische muziek, die later als Eerste Weense School bekend zou worden.

 

galante stijl

een muzikale stijlvorm uit de overgangstijd van de barok naar het classicisme tussen ongeveer 1740 en 1780.

Kenmerken van de galante stijl zijn: kleine vormen, motiefherhalingen, veel aandacht voor de melodie, minder voor de harmonie, die vooral eenvoudig moet blijven.

Sierlijkheid, bekoorlijkheid, begrijpelijkheid en natuurlijkheid van de uitgedrukte gevoelsinhoud zijn belangrijker is dan complexiteit en contrapunt, zoals die in de laat-barokke periode werd toegepast. Een en ander is het gevolg van de tijdgeest.

Componisten die óók, naast in andere stijlvormen, in de galante stijl schreven waren onder andere Couperin, Domenico Scarlatti, Telemann, Pergolesi, Giovanni Battista Sammartini en Quantz. In het bijzonder Carl Philipp Emanuel Bach verdiepte de galante stijl, en mengde deze met contrapuntische technieken.

 

classicisme

de periode in de muziekgeschiedenis van 1750 (de dood van Johann Sebastian Bach) tot 1810. Het classicisme volgt op de barok en wordt op zijn beurt gevolgd door de romantiek.

De wortels van het classicisme liggen in de empfindsame stijl en de galante stijl. Het classicisme kenmerkt zich door afnemend gebruik van contrapuntische technieken, door de opkomst van de homofone zetting, waarin een melodie voornamelijk door akkoorden wordt begeleid.

Aan de periode van het classicisme ontleent de klassieke muziek haar naam. Het classisicme omvat vooral de werken van Wolfgang Amadeus Mozart en Joseph Haydn (1e Weense School). Een van de belangrijkste vernieuwingen, afkomstig uit de Mannheimer Schule, is het integrale gebruik van tekens om de dynamiek te noteren (zoals p voor zacht en f voor luid). De piano wordt uitgevonden en ontwikkeld en maakt een de triomftocht tot op de dag van vandaag.

In de periode van het classicisme ontstaan nieuwe vormen: de sonatevorm, de symfonie; en nieuwe bezettingen: het strijkkwartet en het symfonieorkest. Het strijkkwartet (twee violen, altviool en cello) werd vooral onwikkeld door Joseph Haydn, die zich toelegde op gelijkwaardigheid van de vier stemmen.

 

Uitvinding van de piano

Omstreeks 1440 schreef en en tekende Henri Arnaut de Zwolle (Zwolle, omstreeks 1400 – Parijs, 6 september 1466) garts, astronoom, astroloog en organist in dienst van Filips de Goede een verhandeling over het ontwerp en de bouw van muziekinstrumenten, De verhandeling is opgenomen in een Latijns manuscript, nr. 7295 van de Nationale Bibliotheek in Parijs. In de verhandeling komt de oudste afbeelding van een klavecimbel voor. Ook beschrijft Arnaut de Zwolle een mogelijk functionerend mechaniek met hamertjes. Een soort piano dus  Maar daar is tot 18de eeuw verder niets mee gedaan,

Toen vond klavecimbel- en spinetbouwer Bartolomeo Cristofori (Padua, 4 mei 1655 – Florence, 27 januari 1731) de piano echt uit. Hij verhuisde in 1690 naar Florence, waar hij voor Ferdinando de' Medici ging werken. Daar ontwikkelde hij tussen  1698 en 1708 klavecimbel che fà il piano e il forte (een klavecimbel dat hard en zacht kan spelen) door hamertjes op de snaren te laten slaan, inplaats van ze met plectra aan te tokkelen. Toen De' Medici in 1713 overleed, had Bartolomeo Cristofori vier van deze instrumenten gebouwd. Het “Gravecembalo col piano e forte”  werd voor het eerst in 1711 beschreven in een Italiaans tijdschrift.  Het was nog een “klavecimbel met hamertjes”. De oudste bewaard gebleven piano van Christofori dateert uit 1720. In 1726 hadden zijn instrumenten al bijna alle eigenschappen van de huidige piano. Het enige dat nog niet aanwezig was, was het stalen frame, waardoor het nog niet mogelijk was echt fortissimo te spelen. De eerste muziek, in 1732 voor piano uitgegeven waren 12 Sonate da Cimbalo di piano e forte” van componist Lodovico Giustini (1685 - 1743) . Daarna zou het nog 30 jaar duren voordat componisten meer voor piano gingen schrijven. Maar vanaf 1760 was de piano het niet meer weg te denken muziekinstrument bij uitstek.

 

Ontwikkelingen in Nederland in de 18de eeuw.

In de 18de eeuw was er aan het Nederlandse stadhoudershof een behoorlijke belangstelling voor muziek

Willem Karel Hendrik Friso, stadhouder Willem IV, trouwde op 25 maart 1734 met Anna van Hannover, dochter van de koning van Engeland en de beste klavecimbelleerling die Georg Friedrich Handel ooit gehad had. Händel, componeerde ter gelegenheid van het huwelijk zijn Serenata Il Parnasso in Festa (HWV 73) Voor de huwelijkssluiting zelf op 25 maart 1734 componeerde Händel op een tekst van Prinses Anna (naar twee psalmen), het anthem This is the day the Lord hath made (HWV 262).

Prinses Anna van Hannover vormde haar eigen hoforkest in Den Haag, waarbij ze zelf klavecimbel speleede. Haar passie voor muziek gaf ze door aan haar zoon, stadhouder Willem V. Willem V trouwde met prinses Wilhelmina van Pruisen, nicht van de zeer verdienstelijk dwarsfluit spelende vorst Frederik de Grote. Met het aantreden van Willem V in 1766 als stadhouder van de Republiek der Verenigde Nederlanden, kon Huis ten Bosch zich verheugen in een geweldige culturele en vooral muzikale bloei.
Het hoforkest beschikte over zeer goede, voornamelijk buitenlandse musici, waaronder cellist Francesco Zappa en de legendarische violist en altviolist Carl Stamitz, Het gevolg was dat menig toptalent per koets naar Den Haag toog om zijn muzikale kunnen te vertonen, onder hen een zekere Mozart en later ook ene Beethoven. 2 november 1794 vond het laatste hofconcert. Daarna trad stadhouder Willem V af en vluchtte met zijn gezin voor de Franse invasie van het leger van Napoleon naar Engeland. Einde van de hofconcertcultuur.  Er zou een nieuwe veranderde wereld beginnen.

 

Romantiek

noemen we de manier van componeren in de 19e eeuw. De componisten maken steeds grotere composities met steeds meer noten, moeilijkere ritmes en buitennissige instrumenten. Drama en emotie zijn belangrijk. Alles draait om wat mensen voelen, fantasie en de natuur. De liefde (zowel de ideale als onmogelijke) is een terugkerend thema, hang naar het nostalgisch verleden, hernieuwd enthousiasme voor de natuur, de dood en de spontane en subjectieve menselijke emoties als vreugde, verdriet, verwondering, angst, pijn en verlangen.

Melodisch komen er langere thema’s en is er aandacht voor uitgebreide chromatiek en meer en breder accelerando/ritenuto - crescendo/diminuendo

Harmonisch zijn er steeds verdergaande modulaties

Rirtmisch worden meer extreem snelle en extreem langzame tempi voorgeschreven. Rubato komt veelvuldig voor. Tempoaanduidingen als "Allegro" worden "Allegro con espressione, molto rubato e pianissimo".

Componisten zijn niet meer in dienst van de koning, de keizer of bij een kleinere hofhouding, ze moeten hun muziek zelf zien te verkopen aan de luisteraars. De muziekopleiding gebeurt niet meer aan de kerkscholen, maar aan conservatoria die worden betaald door de overheid. Musicus wordt een beroep.

Voor amateurmusici schrijven componisten (ze moeten in leven blijven) salonstukjes, de lichtere muziek. Er ontstaat verschil tussen ernstige en lichte muziek.

De Romantiek eindigt in de Eerste Wereldoorlog. Daarna keren wel romantische elementen terug in de muziek.

Romantische orkestmuziek:

Vanaf Ludwig van Beethoven (1770-1827) via Franz Schubert (1797-1828), Bruckner (1824-1896) en Gustav Mahler (1860-1911) krijgt de symfonie zijn grootste complexiteit en grootsheid.

In Frankrijk is Hector Berlioz (1803-1869) de belangrijkste vertegenwoordiger van de romantiek.

Romantische kamermuziek:

Felix Mendelssohn-Bartholdy (1809-1847), Robert Schumann (1810-1856) en Johannes Brahms (1833-1897) brachten de romantische liederen- en kamermuziekcultuur tot grote hoogten. Van de liedcultuur is Franz Schubert de grootmeester.

Romantische opera’s. In Italië:Giuseppe Verdi en Giacomo Puccini. In Duitsland: Wagner (1813-1883) die via zijn opera's ('Gesamtkunstwerken') een nieuwe muzikale wereld opent. `

Vanaf het midden van de 19e eeuw komt Rusland naar voren: Glinka, Modest Moessorgski, Nikolaj Rimski-Korsakov en Borodin brachten een Russische romantische stijl, waar Tsjaikovski (1840-1893) westerse invloeden aan toevoegde. Sergej Rachmaninov (1873-1943) was een van de laatste exponenten van de Russische romantiek.

Late romantici als Camille Saint-Saëns (Danse Macabre, Carnaval des Animaux), Bruckner (9e symfonie, 1896) en Gustav Mahler (9e en 10e symfonie, 1909-1911) geven nieuwe richtingen aan. De romantiek leeft tot ver in de 20e eeuw voort in componisten als Richard Strauss, Jean Sibelius en Carl Nielsen.

 

De Biedermeier-periode

in de Duits/Oostenrijkse (kunst)geschiedenis is van 1815 (het Congres van Wenen) tot het revolutiejaar 1848, een periode van burgerlijke reactie en politieke restauratie. Het begrip “Biedermeier” is afkomstig uit twee gedichten van Joseph Victor von Scheffel, gepubliceerd in 1848 in de Münchener Fliegenden Blättern: “Biedermanns Abendgemütlichkeit” en “Bummelmaiers Klage” De jurist en auteur Ludwig Eichrodt en de arts Adolf Kußmaul distilleerden daar de fictieve Gottlieb Biedermaier uit, onder wiens naam ze vanaf 1855 in de Fliegenden Blättern parodiërende gedichten schreven. Bovendien had de dichter Ludwig Pfau al in 1847 een gedicht mit de titel “Herr Biedermeier” geschreven waarin hij burgerlijkheid en dubbelmoraal aan de kaak stelt.

In de muziekgeschiedenis gebruiken de musicologen bij muziek uit deze periode liever de term “vroegromantiek”.

In Biedermeierperiode verschenen er talloze in muziekuitgaven voor het maken van huismuziek: arrangementen van opera’s en symfonieën die thuis op de piano door amateurs konden worden gespeeld. De bekendste componist uit de “vroegromantiek” was Franz Schubert. In de pianoliteratuur is Robert Schumann toonaangevend.

Typische Biedermeiercomponisten waren Ludwig Berger, Christian Heinrich Rinck en Leopold Schefer, daar luistert dus niemand meer naar. Ook heel populair in de Biedermeiertijd: Walsen, ontstaan uit de Ländler. Er loopt een regelrecht lijntje van Biedermeier naar Johann Strauss.

 

Cecilianisme,

de naam is afgeleid van Santa Cecilia, beschermheilige van de muzikanten, meestal op oude schilderijen met een orgeltje afgebeeld. Het Cecilianisme is een negentiende-eeuwse Rooms-Katholieke  beweging, vooral in Duitsland, die zich keerde tegen de toenemende verwereldlijking van de katholieke kerkmuziek in de periode 1750-1850, met name onder invloed van de opera. Misstanden waren volgens de kerkelijke aanhangers:

Verdwijnen van het Gregoriaans, muziek domineerde de tekst, teveel instrumentale muziek in de kerk, die ook nog eens aansloot bij opera en symfonie.
Het cecilianisme vond, dat er teruggegrepen moest worden op de muziek uit de voorgaande tijden, met name op de muziek van Palestrina en die van de Nederlandse componisten uit de Renaissance. Er moest een zuivere en heilige kerkmuziek komen die niets te maken had met de wereldse muziek. Geen sentimentele aria's meer, ook geen grote indrukwekkende orkesten Religieuze muziek moest ten dienste staan van de liturgie; als kenmerken van ‘de ware muziek’ golden verstaanbaarheid en eenvoud in ritme, vorm en polyfonie; het Gregoriaans als muzikale en ideële inspiratiebron werd voorwerp van uitvoerig onderzoek. In 1868 werd de Allgemeine Deutscher Cäcilienverein opgericht. Anton Bruckner toonde zijn sympathie. De vereniging kreeg in Nederland steun van de componist Alphons Diepenbrock. Er kwam in Nederland een  Sint Gregorius-vereniging

Deze verenigingen bestaan nog steeds, maar van de hervormingen is niet veel terecht gekomen.

Maar goed ook. Wat moeten we zonder kerkmuzikale vernieuwers als Monteverdi en Bach

 

Verisme

is de term die gebruikt wordt om de opera’s van bijvoorbeeld Pietro Mascagni, Ruggiero Leoncavallo en Giacomo Puccini, te kenmerken. Deze componisten gaven het literaire naturalisme van schrijvers als Émile Zola en Henrik Ibsen een plaats binnen de opera.

In een veristische opera gaat het over het leven van "gewone" mensen, in tegenstelling tot eerdere opera's, die historische of mythologische onderwerpen behandelden. Absolute, complete liefde tegenover extreem lijden zijn vaak terugkerende thema's in veristische opera's, die zich kenmerken door heftige dramatiek en een overvloed aan emotie.

De muziek vormt in de veristische opera één geheel en is niet zoals bij de nummeropera, gemakkelijk in aparte scènes is onder te verdelen.

Veristische opera’s zijn tussen 1875 en 1900 gecomponeerd. Belangrijke voorlopers van het verisme/naturalisme waren opera's als La traviata (1853) van Giuseppe Verdi en Carmen (1875) van Georges Bizet. De eerste échte veristische opera is Cavalleria Rusticana (1890) van Pietro Mascagni.

 

Impressionisme

werd als term in eerste instantie gebruikt om er de schilderkunst van een groep Franse schilders (Monet, Renoir, Cézanne, Degas) vana 1874 mee aan te duiden. De term werd van daaruit ook voor de vooral Franse muzikale stroming gebruikt, waar Claude Debussy een exponent van was.

Impressionistische muziek is sfeertekenend. Waar in de romantiek nog meer de individueel ervaren emotie en persoonlijkheid voorop stonden, maken impressionistische componisten de sfeer belangrijker dan de emotie

Ook de invloed van oosterse muziek werd groter, vanwege toenemende kennis over Arabische Indiase Chinese en Hindoestaanse muziek.

De muziek wordt intiemer, geen grote bezettingen met bombastische geluidsorkanen, maar subtiele klankvelden, die fijntjes en subtiel worden vormgegeven. Er bestaat een voorkeur voor kleinere vormen en bezettingen. Bij het componeren wordt gebruik gemaakt van pentatoniek) en octotoniek, de harmonie wordt vrijer, en het 'zwevende' ritme (minder duidelijk waar de 'tel' zit) wordt prominenter.

In het late impressionisme verschijnen invloeden van de uit Amerika overgewaaide vroege jazz-cultuur.

Componisten: Erik Satie (voorloper van impressionisme) Claude Debussy, Gabriel Fauré (eerst laatromantisch, later impressionistisch), Maurice Ravel (ook voorloper van expressionisme genoemd) André Caplet, Henri Duparc, Florent Schmitt.

 

Pentatoniek

is componeren met gebruikmaking van de pentatonische toonladder, een toonreeks bestaande uit vijf tonen. Bijvoorbeeld C-D-E-G-A(-c) of A-c-d-e-g

Veel culturen en muziekstromingen gebruiken pentatoniek, vooral Chinese muziek, Keltisch-Ierse en Schotse muziek, Indiaanse muziek en blues staan er om bekend. Ook klassieke muziek kan pentatonisch zijn, of pentatonische elementen bevatten, zoals Morgenstimmung van Edvard Grieg. Ook veel kinderliedjes zijn gebaseerd op pentatoniek.

 

Neoclassicisme

een stroming in de klassieke muziek uit de 20e eeuw die teruggaat tot de voorbeelden van de componisten van de klassieke periode (Joseph Haydn en Wolfgang Amadeus Mozart) en de barokmuziek (Giovanni Battista Pergolesi en Johann Sebastian Bach).

De componisten grepen in reactie op de laatromantische muziek en op de impressionistische muziek, terug op de oude vormschema's. Daarnaast maakten zij gebruik van de verworvenheden van hun eigen tijd. "neo" (= Grieks "nieuw") impliceert een samengaan van klassieke met nieuwe elementen.

Er is vrijwel geen 20ste eeuwse componist die uitsluitend neoklassieke werken op zijn naam heeft, met als enige uitzondering misschien Jean Françaix.

 

Expressionisme

een stroming in de Europese kunst van de 20e eeuw, waarbij de kunstenaar zijn gevoelens en ervaringen uitdrukt door een bepaalde vervorming van de werkelijkheid.

De gevoelswaarde, het onderbewuste, dat de kunstenaar ervaart naar aanleiding van het onderwerp, voert de boventoon. De band met de werkelijkheid vervaagt, soms valt die helemaal weg. Hierdoor krijgen onvoorstelbaar nieuwe vormen hun kans. Het expressionisme kent maar één wet: dat er geen wetten zijn, en dat die dan ook niet mogen worden opgelegd.

In de muziek is Arnold Schönberg een voorbeeld van een expressionistische componist. Zijn muziek is mathematisch opgebouwd vanuit het idee van de twaalftoonstechniek (dodecafonie). Dit houdt in dat alle twaalf tonen van de chromatische toonladder moeten zijn gepasseerd, voordat de tonen weer gebruikt mogen worden. Dat leidt tot extreme vormen van regelgeving in een als regelloos bedoelde omgeving. Geen wonder dat deze muziek tot op de dag van vandaag niet erg is aangeslagen

 

Dodecafonie (Grieks: dodeka = twaalf en fonè = stem, geluid, toon) of

twaalftoonstechniek ("twaalftoonsmuziek")

is een compositiemethode, ontwikkeld door Arnold Schönberg. Vöórdat Arnold Schönberg iets over twaalftoonstechniek had gepubliceerd waren er al publicaties van Josef Matthias Hauer. Zijn muziek draait steeds om twaalftoonsreeksen en het gebruik van “tropen”. Een trope bestaat uit twee complementaire hexachorden waarbinnen geen vastgelegde toonvolgorde bestaat.

Bij een twaaltoonscompositie mag geen toon belangrijker zijn dan de andere, alle dienen in principe even vaak voor te komen in een compositie. Deze 'democratie' in de muziek geeft de luisteraar een onbestemd gevoel: er is geen tonica, geen leidtoon, geen dominant, waar moet dat heen?

De dodecafonie is een soort muzikale ideologie, die ook wel atonaliteit wordt genoemd .

In de twaalftoontechniek maak je gebruik van een rij, waarin elk van de 12 tonen eenmaal voorkomt. Deze rij wordt de normreeks genoemd. Omdat een enkele rij onvoldoende variatie mogelijk maakte, gebruik je daarnaast de "inverse" (horizontale spiegeling van de intervallen), de retrograde (omgekeerde reeks) en de inverse retrograde van de rij, elk in alle transposities. Dat leverde 4 x 12 = 48 rijen als basismateriaal op.

Vöórdat Arnold Schönberg iets over twaalftoonstechniek had gepubliceerd waren er al publicaties van Josef Matthias Hauer. Zijn muziek draait steeds om twaalftoonsreeksen en het gebruik van “tropen”. Een trope bestaat uit twee complementaire hexachorden waarbinnen geen vastgelegde toonvolgorde bestaat.

Na de Tweede Wereldoorlog werd op de dodecafonische werken van met name Anton Webern voortgebouwd. In de series werden ook waarden gecodeerd voor de dynamiek, de toonduur en de toonkleur

Dat in series componeren heet

serialisme.

De hoogtijdagen van het serialisme waren van 1947 tot 1968,

Seriële componisten zijn:Olivier Messiaen, Karel Goeyvaerts, Karlheinz Stockhausen, Hans Werner Henze, Pierre Boulez, Milton Babbitt en Luigi Nono.

grafische notatie

Vanaf de 20e eeuw gebruiken sommige componisten ook andere notatievormen dan het gebruikelijke notenschrift: vierkanten, ruiten, driehoekjes, punten, cirkels, allerlei lijnen, enzovoort . Er ontstaat een voorstelling die je moet vertalen in muziek, dit heet dan grafische notatie.

 

Elektronische muziek

muziek die gemaakt wordt met elektronische muziekinstrumenten of met electronische apparatuur zoals synthesizers, samplers, computers en drummachines. Een apart elektronisch instrument is de theremin, ontworpen door de Russische Léon Theremin (1896-1993). In de allereerste werken met elektronische muziek werd gebruik gemaakt van opgenomen geluiden, die elektronisch aangepast werden. Deze musique concrète werd in 1948 door de Franse componist Pierre Schaeffer in 1948 in Parijs ontwikkeld.

Een nieuwe start voor de modern elektronische compositie was de uitvinding van het bandopnameapparaat 1948 . De eerste muziek voor magneetband in de Verenigde Staten werd door Louis en Bebe Baron gemaakt in 1950.

In 1951 werd in Duitsland door de Nordwestdeutschen Rundfunk besloten tot de inrichting van een studio voor elektronische muziek. De Studio für elektronische Musik in Keulen was wereldwijd de eerste in zijn soort.

In Nederland was het Philips Natuurkundig Laboratorium in Eindhoven de bakermat voor de elektronische muziek. In het NatLab experimenteerden Dick Raaijmakers en Tom Dissevelt op verzoek van hun baas Roelof Vermeulen, hoofd van de Acoustische Afdeling van NatLab, met zelf ontwikkelde elektronische apparatuur, om hun eerste elektronische composities met eindeloos geduld via tapemontages in elkaar te zetten.

Componist Henk Badings werd door het Natlab uitgenodigd om zijn kennis van muziek in te brengen in de verdere ontwikkeling van elektronisch voortgebrachte muziek. In 1956 maakte hij voor het Holland Festival een elektronische score voor de ballet-productie Kain en Abel .

In New York City werd in 1959 door Vladimir Ussachevsky en Otto Luening het Columbia-Princeton Electronic Music Center opgericht (nu het Computer Music Center). Zij werkten als sinds begin jaren 50 met bewerkingen op magneetbanden, en bouwden daar nu met de hulp van ingenieur Peter Mauzey een studio. Het werd het middelpunt voor Amerikaanse elektronische muziek tot rond 1980. Robert Moog ontwikkelde diverse componenten, wat zou leiden tot de Moog-synthesizer.

De elektronische muziek en de mogelijkheden ervan, vooral door sythesizers werden overgenomen en uitgewerkt door de popcultuur en de filmmuziek.

In 1983 werd de MIDI (Musical Istrumdents Digital Interface) gestandaardiseerd door de producenten. Het MIDI-protocol zorgt ervoor dat computers, synthesizers, effectprocessors en andere apparaten in staat zijn om met elkaar te communiceren. MIDI wordt vandaag de dag zowel in de klassieke hedendaagse muziek als in populaire muziekprodukties gebruikt.

 

Musique Concrète

Franse muziekstroming in de 20ste eeuw, waarbij gebruik wordt gemaakt van alledaagse geluiden die met behulp van elektronica worden verwerkt tot composities en geluidscollages.

Het begrip Musique Concrète werd bedacht door Pierre Schaeffer in 1949. Hij doelde hiermee op ruis- en toonstructuren, die elektronisch nabewerkt en via luidsprekers worden weergegeven. In tegenstelling tot de elektronische muziek zijn de gebruikte materialen geen synthetische, maar 'realistische' geluiden uit de technische en natuurlijke omgeving zoals muziekinstrumenten of geluiden uit de natuur. Verdere methoden zijn in principe hetzelfde als de methoden die bij elektronische muziek gebruikt worden. Het opgenomen materiaal wordt elektronisch bewerkt door middel van knippen, plakken, transformatie en deformatie.

Helmut Lachenmann noemt zijn muziek Musique concrète instrumental: alles, tonen, ritme, rust, versterkt of niet, de volgorde, gewoon aanspelen of bijzondere (soms zelf uitgevonden) technieken moet aangegeven worden; alles is even belangrijk.

Door alles aan te geven zijn afwijkingen eigenlijk niet meer mogelijk, alleen de akoestiek en sfeer bij uitvoering blijven nog als variabele over.

 

Minimal Music of minimalisme

een muziekstijl die begint in de 60–er jaren van de twintigste eeuw. Het ontstond in de New York Downtown scene en werd in het begin gezien als een experimentele muziekvorm: de New York Hypnotic School. Het woord minimalisme werd voor het het eerst in 1968 voor muziek gebruikt door door Michael Nyman in een recensie van het stuk The Great Digest van Cornelius Cardewwer. Het concept Minimalisme werd al eerdeR in de schilder en beeldhouwkunt toegepast. Duidelijke kenmerken van minimal music: consonante harmoniek, gestage ritmiek, subtiele, kleine, nauwelijks merkbare veranderingen, voortdurende terugkeer van muzikale zinnen, loopjes en motieven.

Minimal Music werd een van de meest populaire muziekstijlen in de late twintigste eeuw

De prominenste componisten van Minimal Music zijn John Adams, Louis Andriessen, Philip Glass, Steve Reich, Terry Riley en La Monte Young. Maar ook, Karel GoeyvaertsMichael NymanGavin BryarsSteve MartlandHenryk GóreckiArvo Pärt en John Tavener hebben minimalistische trekjes in hun muziek.

In Nederland maakt Simeon ten Holt, met onder andere Canto Ostinato, minimalistische muziek. Van de CD werden 15.000 exemplaren verkocht: een unicum voor een Nederlandse componist van serieuze muziek.

 

Postminimalisme

een term die wordt gebruikt om de muziek aan te duiden die gecomponeerd werd ná de Minimal Music periode. De componisten gebruiken vaak dezelfde uitgangspunten als bij Minimal Music: diatonische ladders, tonale muziek, onveranderd ritme, maar mengen dat met invloeden uit wereldmuziek en popmuziek. Vanuit het postminimalisme ontwikkelde zich de muziekstijl totalisme. En postminimalistische componiste is bijvoorbeeld Julia Wolfe.

 

Totalisme

een muziekstijl die opgang deed in de 1980-er en 1990-er jaren, als antwoord op het minimalisme; dus een soort postminimalisme, maar dan door een jongere generatie geboren in de 50-er jaren van de twintigste eeuw. Totalisme slaat op pogingen ritmische structuren te verbinden met complexe muzikale achtergronden. Omdat de frequentieverhouding van een secunde 9:8 is, is er reden om in een werk met secundes een 9-delig ritme (9/8 maat bijvoorbeeld) tegen een gepunteerd 8 –delig ritme (8/8 maat bijvoorbeeld) te laten lopen. Voorbeelden van werken in een totalistisch idioom:

Michael Gordon: Thou Shalt!/Thou Shalt Not!, Acid Rain, Four Kings Fight Five, Van Gogh Video Opera, Trance

 

Groepen en scholen

Mannheimer School.

Zo wordt de bloeiperiode van de muziek in de Duitse stad Mannheim in de 18de eeuw aangegeven.

Keurvorst Karel Theodoor, die vanaf 1743 in Mannheim resideerde, was een uitgesproken muziekliefhebber en trok veel vooraanstaande musici en componisten aan, vaak uit Bohemen afkomstig. De spil van de groep was Johann Stamitz (1717-1757). Andere bekende namen waren František Xaver Richter (1709-1789), Ignaz Holzbauer (1711-1783), Anton Fils (1733-1760), Christian Cannabich (1731-1798) en Carl Stamitz (1745-1801). De Mannheimer Hofkapel gold in deze tijd als het beste orkest in Europa.

Er ontwikkelde zich in Mannheim een eigen muziekstijl, op de snede tussen barok en klassiek, die zich snel over heel Europa verbreidde. Deze stijl was de voorloper van het Weense classicisme, en oefende invloed uit op Johann Christian Bach, Haydn en Mozart.

In 1778 verplaatste de keurvorst zijn residentie naar München, waarmee er een einde kwam aan de bloeiperiode in Mannheim.

Kenmerken van de “Mannheimer Schule”:

- onafhankelijker behandeling van de houtblazers,

- introductie van de klarinet in het orkest,

- uitwerking van de sonatevorm in de symfonie,

- eenheid in streekvoering,

- gelijkmatige overgangen in dynamiek in het orkest (daarvoor waren abrupte overgangen tussen piano en forte gemeengoed,

- de Mannheimer Rakete, een snelle crescendo-uitbraak over stijgende noten.

- de Mannheimer Seufzer.

 

Eerste Weense School:

De componisten Wolfgang Amadeus Mozart, Joseph Haydn en Ludwig van Beethoven. Soms wordt ook Franz Schubert tot de Eerste Weense School gerekend.

Deze componisten werkten samen en er bestonden nauwelijks onderlinge leerling-pupilverhoudingen, alleen heeft Beethoven een tijdlang lessen gevolgd bij Haydn, dus de naam “school” is wellicht wat overdreven. De term 'Weense School' werd voor het eerst gebruikt in 1834 door de musicoloog Raphael Georg Kiesewetter.

 

Franse Romantische Orgelschool

ontwikkelde zich in de periode van de Romatische Muziek door dat er technische vernieuwingen aan de orgels werden toegevoegd, die een verhoogde expressivitiet mogelijk maakten. Dé Franse orgelbouwer die daar een belangrijk aandeel in had was Aristide Cavaillé-Coll. Hij verfijnde het zwelwerk door een speciaal pedaal toe te passen waarmee de organist de zwelkasten kon bedienen. En hij ontwikkelde een ingenieus pneumatisch systeem voor het vijfmanualige orgel in de Saint-Sulpice in Parijs. Deze vernieuwingen leidden ertoe dat een organist een naadloos crescendo kon maken van pianissimo helemaal naar fortissimo, iets wat op een orgel nooit eerder mogelijk was geweest. Componisten konden nu symfonische muziek voor een orgel gaan schrijven..

César Franck, Charles-Marie Widor, en Félix-Alexandre Guilmant waren orgelcomponisten die de nieuwe mogelijkheden van Cavaillé-Coll's in hun werken toepasten.

Een typisch voorbeeld van de Romantische Franse orgelmuziek was de orgelsymfonie, voor het eerst te voorschijn gekomen in César Franck's Grand pièce symphonique en verfijnd in de tien orgelsymfonieën van Widor en de zes van Louis Vierne. De invloed van de deze componisten werkt tot de dag van gisteren en vandaag door in de werken van componisten als Olivier Messiaen en Naji Hakim.

 

Het Machtige Hoopje,

ook wel De Vijf of Groep van vijf bestond rond 1870 uit vijf belangrijke Russische componisten: Mili Balakirev (1837-1910), initiatiefnemer, Alexander Borodin (1833-1887), César Cui (1835-1918), Modest Moessorgski (1839-1881) en Nikolaj Rimski-Korsakov (1844-1908).

“Het Machtige Hoopje zette” zich in voor nationalistische muziek. Behalve Balakirev, die nog enig muzikaal onderricht genoten had, had geen van deze componisten een muzikale achtergrond; Cui, Moessorgski en Rimski-Korsakov waren militairen en Borodin was chemicus. Ze begonnen met zelfonderricht; dit hield in dat 'we al het werk van de grote componisten doorspeelden en elk werk in technisch en creatief opzicht volledig aan onze kritiek en analyse onderwierpen.' (C.A. Cui, Izbrannje stat'i).

In hun werk richtten de componisten zich op de Russische volksmuziek, die aantrekkelijk was door de toegankelijkheid en uitstekend aansloot bij het opkomende nationalistische denken. Vooral Balakirev verwerkte veel melodieën van volkswijsjes in zijn werk.

De benaming van de groep ontstond in 1867, toen een concert plaats vond onder leiding van Balakirev, dat door de criticus Vladimir Stassov werd gerecenseerd met de woorden:

"God geve, dat onze Slavische gasten dit concert nooit vergeten. God geve, dat zij voor altijd in hun herinnering bewaren, over hoeveel poëzie, gevoel, talent en vakmanschap het kleine, doch machtige hoopje der Russische componisten beschikt.

De naam Het Machtige Hoopje is dus afkomstig van de muziekrecensent Stassov.

 

Generazione dell’80

was een groep Italiaanse componisten, rond 1880 geboren, die na de muziek van Giuseppe Verdi en Giacomo Puccini nieuwe wegen zochten om de Italiaanse muziek te ontwikkelen. Zij componeerden meer orkestmuziek dan elke generatie voor hen.

De nieuwe wegen werden gezocht in een hang naar Neoclassicisme, een verduidelijking van de muzikale taal en een verlangen naar vroegere muziekontwikkelingen (bijvoorbeeld Bach, de Byzantijnse of de Renaissance-muziek).

Tot de Generazione dell’80 behoorden de componisten:

Franco Alfano, 1875 – 1954

Ermanno Wolf-Ferrari, 1876 – 1948

Vincenzo Tommasini, 1878 – 1950

Ottorino Respighi, 1879 – 1936

Ildebrando Pizzetti, 1880 – 1968

Gian Francesco Malipiero, 1882 – 1973

Alfredo Casella, 1883 – 1947

Riccardo Zandonai, 1883 – 1944

Mario Castelnuovo-Tedesco (1895 – 1968) wordt soms ook nog tot deze groep gerekend.

 

De 'Frankfurt Group”:

vijf Engelse componisten die hadden gestudeerd aan Dr. Hoch’s Conservatorium in Frankfurt am Main in de 1890-er jaren: Cyril Scott (1879-1970), Percy Grainger, Roger Quilter, Norman O'Neill en Balfour Gardiner. Het vijftal zette zich af tegen het Britse establishment dat zich had verenigd in het handhaven en verdedigen van de bestaande muzikale tradities.

 

De Apachen of “Société des Apaches

was een groep Franse muzici, schrijvers en artisten, gevormd omstreeks 1900.

De naam refereert aan een Indiaanse indianenstam, maar had in Frankrijk de bijbetekenis van 'hooligans'. De eerste melodie van Borodins’ 2de Symphony was hun thema en ze ontmoetten elkaar elke zaterdag, òf in het huis van Sordes òf bij Klingsor

Ravel droeg de delen van zijn pianowerk Miroirs op aan leden van de Apaches.

Leden van de groep waren

Edouard Benedictus, schilder en componist

M.D. Calvocoressi, schrijver en muziekcriticus

Maurice Delage, componist

Manuel de Falla, componist

Léon-Paul Fargue, dichter

Lucien Garban, uitgever

Désiré-Emile Inghelbrecht, dirigent

Pierre Haour

Gomez de Riquet (een virtueel lid)

Tristan Klingsor, dichter en schilder

Maurice Ravel, componist en pianist

Florent Schmitt, componist

Paul Sordes, schilder

Igor Stravinsky, componist

Ricardo Viñes, pianist

Emile Vuillermoz, muziekcriticus

 

Tweede Weense School:

de groep componisten rond Arnold Schoenberg en zijn studenten Alban Berg en Anton Webern.

Berg en Webern volgden vanaf 1904 lessen bij Schoenberg (toen nog: Schönberg), die zelf vrijwel autodidact was en nog in een laat-romantische stijl schreef. De twaalftoonstechniek, die de werken van de componisten van de Tweede Weense School karakteriseert, werd pas vanaf de jaren twintig ontwikkeld.

In de jaren dertig viel de Tweede Weense School uiteen door de emigratie van Schoenberg (eerst naar Frankrijk, toen naar de Verenigde Staten) onder invloed van de machtsgreep van de nazi's (1933), en door de dood van Berg (1935).

De Tweede Weense School heeft de componisten van de naoorlogse avant-garde sterk beïnvloed, maar heeft nooit een groot publiek weten te bereiken: het werk van deze componisten geldt daar tot op heden als "modern". Het vioolconcert uit 1935, ”Dem Andenken eines Engels” van Alban Berg is wel een werk dat elke muziekliefhebber een keer gehoord zou moeten hebben.

 

Jong Polen (Młoda Polska), een nationalistische groep componisten, musici en kunstenaars in Polen, opgericht door de componisten Ludomir Rozycki en Grzegorz Fitelberg in 1905. 'Jong Polen' hield op te bestaan in 1918, dus erg lang heeft de beweging niet geduurd.

De groep zette zich af tegen al te modernistische stromingen, maar ook tegen de traditionele vastgeroeste ouderwetse romantische kunst en cultuur, en volgde min of meer de neo-romantiek (zoals te vinden in het werk van componisten als Richard Strauss). Tot de groep behoorden de componisten Ludomir RozyckiMieczysław KarłowiczKarol Szymanowski en Grzegorz Fitelberg.

 

Groupe des Six (groep van zes) of Les Six

waren jonge Franse componisten in de jaren 1920. Zij wilden nieuwe Franse muziek maken, ontdaan van het impressionisme van Claude Debussy en het romanticisme v an Duitsers zoals Richard Wagner en Richard Strauss. De muziek van de groep wordt gekenmerkt door speelsheid en simpelheid, en vertoont een mengsel van invloeden van Stravinski, Satie en populaire muziek, zoals jazz en samba. Elke componist in het gezelschap had daarbij zijn eigen voorkeur; het was geen homogene groep. Het motto van de groep was L'art pour l'art: ze componeerden muziek zonder extrinsieke doelstellingen, maar om de muziek zelf.

De leden van Les Six waren: Georges Auric (1899-1983); Louis Durey (1888-1979), Arthur Honegger (1892-1955, een Zwitser;) Darius Milhaud (1892-1974); Francis Poulenc (1899-1963); Germaine Tailleferre - (1892-1983) (de enige vrouw in de groep)

Milhaud, Auric, Tailleferre, Honegger en Poulenc leverden in 1921 elk een eigen bijdrage aan een circus-achtige potpourri voor Jean Cocteaus absurdistische ballet Les mariés de la Tour Eiffel, over een bruidspaar en een struisvogel. De muziekuitgave L'Album des six met pianostukken uit hetzelfde jaar is het enige muziekproject geweest waarin alle zes componisten van de groep vertegenwoordigd zijn.

 

Grupo de los Cuatro (“Groep van vier”)

was een groep van vier jonge Mexicaanse componisten, die in 1935 besloten samen te werken om hun moderne klassieke muziek te promoten.

De jonge compositiestudenten Daniel Ayala, Salvador Contreras, José Pablo Moncayo en Blas Galindo was leerlingen vanCarlos Chávez aan het Mexicaans Conservatorium vormden de groep in 1935 om het belang en het resultaat van het compositieonderwijs aan het Conservatorium aan te tonen. Ze organiseerden een concert met hun eigen werken en de krant die daar een recensie over schreef, verwees naar hen al de "Grupo de los Cuatro", en toen hielden ze dien naam voor een aantal volgende concerten maar aan.

 

Jeune France

werd opgericht in 1936 door André Jolivet samen met de componisten Olivier Messiaen, Jean-Yves Daniel-Lesur, Pierre Schaeffer and Yves Baudrier, die zich verzette tegen de "verdorring van het muziekleven" door het neoclassisisme en de Nieuwe Zakelijkheid. Ze probeerden een meer mensvriendelijke en minder abstracte vorm van compositie te creëren. Maar het moest wel serieus blijven en niet zo frivool als de muziek van Satie of Poulenc.

 

De Haagse School 

is een muzikale stroming uit de tweede helft van de 20e eeuw. De eerste vertegenwoordigers waren docent aan het Koninklijk Conservatorium in Den Haag verbonden. Stichters: Kees van Baaren en zijn studenten Jan van Vlijmen, Louis Andriessen Gilius van Bergeijk en Dick Raaijmakers. Ook hun studenten: Richard Ayres Diderik Wagenaar Ron FordMartijn Padding en Peter Adriaansz maken deel uit van de Haagse School.

Een belangrijk kenmerk van de muziek van de Haagse School is de stuwende ritmische kracht. Gertjan Schoonhoven in Elsevier (9 februari 2013): “compromisloze componisten die hun kleine publiek niet in de watten, maar op de pijnbank leggen”.

 

De Rotterdamse School

is een muzikale stroming uit de tweede helft van de 20e eeuw rond Otto Ketting, van 1967 tot 1971 hoofdvakdocent compositie aan het Rotterdams Conservatorium en voortgezet door zijn opvolgers Klaas de Vries en Peter-Jan Wagemans.

Kenmerkend is nadruk op expressie met gebruik van een breed scala aan compositiestijlen.

 

De Notenkrakers

was de naam van de in de 60-er jaren van de 20ste eeuw jongste generatie Nederlandse musici en componisten. Onder de naam de Notenkrakers verstoorde deze generatie op 17 november 1969 een concert van het Concertgebouworkest. Deze Notenkrakersactie werd de springplank voor een levendige hedendaagse muziekpraktijk en een aantal ensembles, waar het huidige Asko|Schönberg uit is voortgekomen. Bij de notenkrakergeneratie hoorden Peter Schat, Louis Andriessen, Micha Mengelberg, Reinbert de Leeuw en Jan van Vlijmen. Zij omarmden de “abstracte” muziek van Schönberg tot Stockhausen. Inmiddels gaan de rebellen van destijds hand in hand met de jongere generatie. Gelukkig maar, want wat mij betreft leveren de wiskundige trucjes van het ondergeschikt maken van van melodie en klankstructuur weinig moois op. Een soort scrabble: als alle woorden op hun plaats vallen is de puzzel opgelost maar heb je nog steeds geen zin van betekenis.

 

Nieuwe Complexiteit

ontstond vanaf 1975. De componisten van deze stroming proberen in hun werk een complex veelgelaagd samenspel van evolutionaire processen met het gelijktijdig optreden van elke dimense van het muzikale materiaal vorm te geven. De muziek is dan ook van een tot dan toe ongehoorde complexiteit; vaak atonaal, hoog abstract en dissonant met onvaste tekstfragmenten en mocrotonaliteit. Dus of je daar nu blij mee moet zijn…

De Brits/Australische musicoloog Richard Toop scheef in 1988 een artikel: "Four Facets of the New Complexity", en van daaruit is de naam voor de school vastgelegd, hoewel die in de praktijk wellicht door anderen eerder gebruikt werd.

Componisten van de Nieuwe Complexiteit zijn onder meer Brian Ferneyhough en Michael Finnissy, en op een weer wat andere manier Klaus K. Hübler.