C. Muzikale vormen

 

   8. Dansvormen uit de 17de en 18de eeuw èn andere vormen,

die eerst een eigen leven leidden, en daarna onderdelen van Suites werden, of andersom: die eerst onderdelen van een suite waren, en later een eigen leven gingen leiden,

in alfabetische volgorde

 

Air                   (= Versje). Engelse en Franse vorm het Italiaanse woord aria. In de 16de eeuw werden (ernstige) liederen met begeleiding in Frankrijk en Engeland air genoemd. Gezongen onderdelen van balletten, zoals die vaak aan het Franse hof werden uitgevoerd heetten vanaf 1570 air de cour (“hofversje”).

Gaandeweg werden in Engeland instrumentale stukjes ook air genoemd. In de 17de en 18de eeuw zien we deze “versjes” veel opduiken als onderdeel van een suite. Telemann en andere Duitse componisten schrijven suites (partita’s), waarbij na de ouverture elke deeltje air (aria) heet.

Het beroemdste air is het tweede deel uit de derde orkestsuite van Johann Sebastian Bach.

Allemande:     (Duitse dans). In tweedelige maatsoort in een matig tempo, met veel zestienden figuren. Kenmerkend is

een opmaat van drie zestienden (soms drie achtsten). Het begip Allemande duikt in 1521 voor het eerst op in een danstraktaat van de Engelse drukker Robert Coplande. De Allemande komt vaak voor in de combinatie Allemande - Courante en is vaak het openingsdeel van een Suite

Hotteterre heeft in zijn suites prachtige Allemandes geschreven, Bach ook, en Quantz schreef een hele mooie solo-allemande.

Anglaise:         (Engelse dans), twee­delige maatsoort, met opgewekt karakter.

Badinage:       (Badinerie):Vrolijk, schertsend onderdeel van een suite in tweedelige maat.

Bourrée:          Oud-Franse volksdans in 2-delige maatsoort. Het tempo is vrij snel.

Canario:          snelle dans in 3/8 of 6/8 maat. Verwant aan de gigue, maar dan sneller. Opwindend en uitdagend.

Corrente:         Italiaanse dans uit de 16e, 17e en begin 18e eeuw in drie­delige maatsoort, in een snel tempo.

Courante:        zelfde dans als de vorige, maar dan in Frankrijk. De Courante komt vaak voor in de combinatie Allemande - Courante 

Ecossaise:       dans van Schotse oorsprong. Een snelle en levendige dans in 2/4 maat.

Gavotte:          matig snelle sierlijke dans uit Frankrijk afkomstig. Zij staat in een 2-delige maat en heeft een strak ritme.

Kenmerkend is de losse opmaat van twee kwartnoten.

 

Gigue:             virtuoze snelle dans van Schotse oorsprong. Ze heet daar vanaf de vijftiende eeuw Jigg, maar wordt voor het eerst beschreven in 1676 . In Italië is de naam Giga, dus dat geeft te denken. Zij staat genoteerd in 3/8, 6/8, 9/8 of 12/8 maat. Karakteristoek zijn de gepunteerde ritmes. Johann Sebastian Bach schrijft in zijn clavecimbelsuites mooei gigues in fugavorm.

 

Intrada:           (Entrada) feestelijke of plechtige inleiding van een danssuite, ballet, enzovoort. Oorspronkelijk voor blaasinstrumenten.

Loure:              Franse langzame dans ¾ of 6/8 maat, met een slepend karakter. Een langzame gigue, als het ware.

Veel voorkomende ritmische figuur is:

 

Mars:               Een hele oude “vorm”, altijd in een tweedelige maatsoort, altijd in principe gecomponeerd met de vooropgezette bedoeling, dat erbij gelopen wordt. In de Middeleeuwen waren er al marsen. Vanaf de 17de eeuw kunnen gestileerde marsen onderdeel van een suite vormen. Vanaf 1750 krijgt de mars dan een driedelige ABA vorm, waarbij het middendeel in een afwijkende toonsoort staat, en een ander, zangeriger karakter heeft dan de hoekdelen. Vanuit die mars ontstaan allerlei verwante marsvormen: treurmars, bruiloftsmars, triomfmars, dodenmars.

Heden ten dage is een mars vooral een muzikaal, ceremonieel genre dat in militaire kringen wordt gebruikt om de cadans aan te geven en het morele peil hoog te houden. Elk legeronderdeel heeft zijn eigen blaaskapel.

 

Menuet:           Franse sierlijke dans, in een rustige 3-delige maat. Het menuet staat meestal in een driedelige vorm: na het eerste menuet volgt een tweede, "trio" of "alternatief" geheten, waarna het eerste menuet wordt herhaald. Het eerste menuet zou in 1653 door Lodewijk XIV met één van zijn maitressen gedanst zijn. Het eerste geschreven menuet is van de componist Jean-Baptiste Lully, "Menuet de  Thébains", 1664

 

Musette:          Franse dans in een vrij rustig tempo in een 3-delige maat. Vroeger vaak begeleid door een doedelzak. (Een luxe doedelzak in Frankrijk heette een musette). Karakteristiek aan de musette zijn daarom de (aangehouden) bourdontonen.

 

Passepied:      Franse rondedans in een snelle 3-delige maat.

 

Polonaise:       (Italiaans: polacca; Pools: Polonez). Een rustige dans uit Polen in 3-delige maat. Komt in de 17de  eeuw in de kunstmuziek terecht. Onder andere in Suites van Bach en Telemann.  Als dans zeer geliefd in de 18e en 19e eeuw, waar een bal er vaak mee werd geopend.

Kenmerkend ritme:  

In Nederland groeide het begrip "polonaise" uit tot een volksgebeuren bij bruiloften en carnaval. Bij de polonaise danst (host) iedereen in een rij achter elkaar, met ten minste één hand op de schouder van degene voor hem in die rij. De mogelijke vrije hand mag geplaatst worden op een plek naar keuze. Gedurende de dans kan de wandelrichting naar believen worden omgekeerd.

Rigaudon:       een Franse dans in een matig snelle 2-delige maat, vertoont vrij veel overeenkomst met de Bourrée.

Sarabande:     een dans van Mexicaanse oorsprong (de term "çaraunanda" duikt daar voor het eerst in 1569 op) met een langzaam en statig karakter. In 1539 wordt door schrijver Fernando Guzmán Mexia in Panama melding gemaakt van een dans die zarabanda heet. Door Spaanse kolonisten wordt de dans vanuit Mexico meegenomen naar Europa.  Omstreeks 1600 kwam de dans vanuit Spanje naar Frankrijk, alwaar de dans van lieverlede zijn plechtig en statig karakter kreeg. De dans is geschreven in een driedeligemaatsoort, meestal een 3/2 maat, met een licht beklemtoonde tweede tel.  

De muzikale zetting van de dans is meestal homofoon.

De sarabande is in Spanje een tijdlang verboden geweest aan het adellijk hof, daar de dans door het langzame geschuifel als licht erotisch gezien werd. Dit stond haaks tegenover de in zwang zijnde, eerdere snelle dansvormen die afstandelijkheid en neutraliteit uitstraalden.

De sarabande werd een vast onderdeel van de barokke suite, en komt daarin meestal direct achter de courante. Bach en Handel hebben een aantal prachtige sarabandes geschreven. Ook de melodie van de beroemde folia is een sarabande.

Kenmerkend ritme:  

 

Siciliano:        rustig wiegende dans in 6/8 of  12/8 maat, afkomstig uit Italie.

Kenmerkend ritme: 

Tambourin:     levendige oud-Franse dans in 2/4 maat.

Tarantella:      snelle Napolitaanse dans in 3/8 of 6/8 maat. De naam komt van het volksgeloof dat je van een giftige tarantellabeet alleen kon genezen  door wild te dansen. De kracht van het opzwepende ritme is belangrijk. Veel gebruik van castagnetten en tamboerijnen