C. Muzikale vormen

 

    2.  Variatievormen

Twee of drie keer achter elkaar hetzelfde melodietje in hetzelfde ritme, wordt een beetje vervelend. Dus dan gaat de componist, om het spannend te houden, melodie, ritme of harmonie wat veranderen.

Door een aaneenschakeling van variaties ontstaat een variatievorm.

Er zijn een aantal aparte variatievormen:

 

Chaconne:      of ciacona (Italiaans) was oorspronkelijk een Spaanse boerendans, die werd gespeeld met luit en vihuela, waarbij een steeds herhaald thema van steeds nieuwe tegenstemmen werd voorzien.
Via Italië werd deze dans in heel Europa populair en kwam uiteindelijk in de kunstmuziek terecht. Daar werd het een contrapuntische basso ostinato compositie in rustige 3/4 maat met een ernstig karakter. Tegen de vrijwel onveranderlijke basso ostinato van hoogstens 8 maten wordt in de andere stemmen een groot aantal variaties gespeeld.

 

Lamento-bas:  ostinato dat met kleine secundes afdaalt naar de  dominant en dit klagende motief (lamento = klagend) alsmaar herhaalt.

 

 Folia:               Een van de oudste en een meest gebruikte variatievormen met een ostinate bas.

De folia is van oorsprong een levendige volksdans uit Portugal. Vanaf omstreeks 1450 komt de volksdans daar in hofkringen voor. Wat voor effect de opzwepende folia op de dansers kon hebben, blijkt uit het Franse woord ‘folie’, dat ‘dwaas’, "leeghoofd" of "gekte" betekent.

In de vroege zeventiende eeuw kwam de folia tot grote bloei in Spanje, meestal begeleid door zang, een vijfsnarige gitaar en ‘sonajas’ (metalen platen bevestigd aan een houten ring). In hofkringen werd de folia populair in een deftigere versie.

In 1670 begon de folia aan een tweede leven, toen de Italiaan Francesco Corbetta de gitaar aan het hof van Lodewijk XIV introduceerde. Italiaanse, Franse en Engelse componisten pasten het harmonische schema aan en schreven daar uitgebreide instrumentale variaties over, die niets meer met het dansen te maken hadden. ("Les folies d’Espagne", 31 uiteenlopende variaties van gambavirtuoos Marin Marais,1701).

De folia wordt dan een passacaglia, die door meer dan 150 componisten wordt gebruikt in hun werk. Voor de blokfluitist zijn het bekendst de variaties van Arcangelo Corelli (opus 5 nr. 12; 1700) en die van Antonio Vivaldi (opus 1 nr. 12; 1705).

De folia staat in de toonaard d kleine terts; het basis akkoordenschema beslaat 16 maten; één akkoord per maat, behalve maat 15.

De melodie heeft de vorm en het karakter van een langzame Sarabande in ¾-maat.

De foliamelodie heeft ook de Scandinavische volksmuziek beïnvloed. De helft van de oude Zweedse versjes zijn gebaseerd op de folia.

Overzicht van honderden follia's: www.folia.tk

 

Ground:          Engelse naam en manier van werken met basso ostinato. De "grond" van de compositie is het voortdurend herhaalde fundament. De bekendste variaties (die heten in Engeland dan: divisions) op een ground zijn die over Greensleeves.

 

Ostinato:         is een basmelodie in een compositie, die de hele tijd een en dezelfde melodie herhaalt. De term is afkomstig uit het Italiaans en betekent: koppig (Nederlands: obstinaat). Boven de ostinate bas wordt de melodie steeds gevarieerd. Ostinato wordt veel in de muziekwereld gebruikt en werkt sterk bepalend op het karakter van een stuk. Ostinato technieken stammen van oorsprong uit de volksmuziek, maar worden sinds de barok ook in de klassieke muziek gebruikt. Het bekendste ostinato is de “Canon” van Pachelbel. Een driestemmige canon boven een 48 keer herhaald ostinato.

 

Passacaglia:   of passacaille (Frans) is een soort van chaconne in langzame ¾ maat met basso ostinato van vier of acht maten. Verschil met de chaconne is vooral de opmaat waarmee een passacaille begint. Bovendien staat een passacaille doorgaans in een kleine terts toonaard. Chaconnes beginnen op de maat en staan in grote terts. Oorspronkelijk was het een langzame dans. Passacaglia is volgens sommigen afkomstig van het Spaanse "pasar una calle" = een straat oversteken en volgens anderen  van het Italiaanse "passo di gallo" = tred van een haan. De vorm werd vooral populair als orgelcompositie. De passacaglia in c klein van Bach voor orgel werd het beroemdst. Maar ook Handel en Hotteterrre schreven hele mooie passacailles.