Componisten

vanaf 1917

 

Anthony Burgess, (pseudoniem van John Anthony Burgess Wilson, Manchester, Engeland, 25 februari 1917 – Londen, 22 november 1993) was de zoon van Joseph and Elizabeth Wilson, een Katholiek gezin. Vanaf de publicatie van zijn roman  Time for a Tiger in 1956 gebruikte hij zijn schrijversnaam Anthony Burgess.  In 1918, toen Anthony 1 jaar oud was, overleden zijn moeder en zijn zusjes aan de Spaanse Griep. Anthony werd door zijn tante van moederskant Ann Bromley en haar twee dochters in Crumpsall grootgebracht. Zijn vader werkte overdag als boekhouder en ’s avonds als barpianist. In In 1922 hertrouwde hij met de eigenaresse van de bar Margaret Dwyer  en kwam Anthony weer bij zijn vader en zijn stiefmoeder wonen. Op zijn 14de leerde Anthony Burgess zichzelf piano spelen omdat er geen geld was voor muziekles. Hoewel hij eigenlijk aan de Victoria University of Manchester muziek wilde studeren, werd hij daarvoor afgewezen en werd hij een studie Engelse taal en lieratuur. In 1938 overleed zijn vader, in 1940 zijn stiefmoeder, zonder een erfenis achter te laten.

In 1940 moest Anthony Burgess zijn militaire dienstplicht nakomen. Hij kwam terecht bij de Geneeskundige Dienst. In 1942 werd hij bevorderd tot sergeant en stapte over naar het opleidingskorps. In hetelfde jaar 1942 trouwde Anthony Burgess met  Llewela "Lynne" Isherwood Jones, die hij op de Universiteit had leren kennen, ze studeerde daar economie. Van 1940 tot 1943 was Anthony Burgess ook dirigent van de 54ste  Division Entertainment Section, waar hij ook van allerlei voor componeerde.

In 1946 werd Anthony Burgess als sergeantmajoor uit de dienstplicht ontslagen en ging hij aan het werk als docent Engelse literatuur en theater in Birmingham.   

In 1954 ging hij bij de Britse Koloniale Dienst aan het werk als opleidingsbeambte in Brunei en Maleisië  In 1959 kwam hij, door overmatig drankgebruik, te weinig eten, het drukkende Aziatische klimaat en overwerk, ziek weer in Engeland.  In het ziekenhuis diagnistiseerden ze een niet operabele  hersenkanker en zeiden dat hij nog een jaar te leven had. Anthony Burgess gaf het lesgeven op en werd een fulltime schrijver en componist.

Zijn romans, vooral A Clockwork Orange, hadden behoorlijk succes en werden indiverse Europese talen vertaald.

Liliana Macellari, een twaalf jaar jongere Itaiaanse vertaalster, die een studie maakte over Engelse literatuur, kwam naar Engeland om met Anthony Burgess over zijn pas geschreven romans te praten. Ze ontmoetten elkaar voor het eerst in 1963 tijdens een lunch in  Chiswick en begonnen een verhouding. In 1964 kreeg Liana een zoon van Anthony Burgess: Paolo Andrea. Anthony Burgess wist de verhouding goed verborgen te houden. ook voor zijn alcoholische echtgenote. Lynne Burgess stierf op 20 maart 1968 aan levercirrose en een half jaar later trouwde Anthony Burgess met  Liana en erkende haar vier jaar oude jongen als zijn zoon. De jongen werd later beroepsmusicus, hij was  een begaafde blokfluitist en hoboïst, zijn vader heeft diverse stukken voor hem geschreven.

Van 1970 tot 1972 doceerde Anthony Burgess aan verschillende universiteiten inde Verenigde Staten. In 1976 vestigde hij zich in Monaco, waar hij in 1984 medeoprichter was van de Ierse Bibliotheek van Prinses Gracia, een centrum voor studies over de Ierse cultuur. Anthony Burgess had ook een chalet twee kilometer buiten Lugano

Anthony Burgess 22 november 1993 aan longkanker in het Sint John en Sint Elisabethziekenhuis in Londen. Zijn as is ingeurnd op de begraafplaats van Monaco, waar ook een marmenren gedenksteen is bijgeplaatst.

Anthony Burgess sprak negen talen. In zijn carrière als schrijver publiceerde hij meer dan 50 boeken in verschillende genres waaronder fictie en sciencefiction. Zijn beroemdste en beruchtste boek A Clockwork Orange werd verfilmd door Stanley Kubrick in 1971.

Hij hoopte dat de mensen hem zich zouden herinneren als een componist die ook romans schreef, maar dat is dus niet gelukt.

Anthony Burgess componeerde

·         1 operette

·         2 musicals

·         6 theatermuziekwerken

·         25 orkestwerken

·         3 werken voor koor, (solisten) en orkest

·         4 werken voor koor a capella

·         20 kamermuziekwerken

- “St Johns”–sonate voor blokfluit en piano;

sonatina voor blokfluit en piano

- Tre Pezetti voor blokfluit en piano

- Siciliano voor blokfluit en piano

·         8 (series) liederen

·         6 pianowerken

·         4 film–  en Tvscores

 

Jaurés Lamarque Pons (Salto, Uruquay, 6 mei 1917 - Montevideo, 11 juni 1982) was de tweede zoon van Enrique Lamarque en María Eulalia Pons. Vanaf zijn achtste jaar kreeg hij in Salto vioolles van Egidio Monetti. Op zijn 17de ging hij muziek studeren bij Guillermo Kolischer in Montevideo fort. Op zijn 22ste kreeg hij een betrekking als painist in Capitol Dancing, een Cabaret in de Calle Itauzaingó. Daar begon zijn loopbaan als  Orquesta Típica-pianist (orquesta tipica: een soort tango-orkest met twee bandoneons).

Vanaf 1940 was Jaurés Lamarque Pons pianist in het Café Tabarís in het Orquesta Típica van Luis Caruso.

Jaurés Lamarque Pons  componeerde

·         1 opera

·         1 theatermuziekwerk

·         6 balletten

·         9 orkestwerken

- Concerto de Verano (zomerconcert), 1975, voor fagot en orkest. Mooi werk, vermenging van lichte en klassieke muziek.

·         18 kamermuziekwerken

·         12 pianowerken

·         filmmuziek

 

Lou Harrison (Portland (Oregon), 14 mei 1917 - Lafayette (Indiana), 2 februari 2003) verhuisde, nadat hij was geslaagd op de  Burlingame High School in  Burlingame, Californië, naar San Fransisco. Daar studeerde hij bij Henry Cowell con trapunt en compositie. Daarna ging hij werken aan de  Universiteit van Californië in Los Angeles als danser en pianobegeleider at Los Angeles. Ondertussen nam hij les bij Arnold Schoenberg.

In 1943 verhuisde Lou Harrison naar New York, waar hij werkte als muziekcriticus voor de  Herald Tribune. Hij ontmoette er Charles Ives en werd er goede vrienden mee en een pelitbezorger voor zijn werk.  In 1947 kwam hij te lijden aan een ernstige depressie en ging hij terug naar California.

Harrison was vooral bekend door het gebruik van exotische (niet-westerse) instrumenten zoals de gamelan, maar ook eenvoudige conservenblikjes.

Harrison sprak veel talen vloeiend, waaronder Amerikaanse Gebarentaal, Mandarijn en Esperanto. Hij schreef zelfs stukken in Esperanto.

Lou Harrison was homosexueel, maakte diepgaand studie van de geschiedenis van homosexualiteit en zette politiek actief in voor acceptatie van homosexuelen. Lou Harrison leefde  vele jaren samen met Bill Colvig in Aptos, Californië. Hij stierf in Lafayette, In diana aan een hartaanval, terwijl hij op weg was naar een festival in Ohio, gewijd aan zijn muziek. 

Lou Harrison componeerde

·         23 kamermuziekwerken

- Concerto in Slendro, voor viool,  celesta, 2 honkytonk piano & 2 percussionisten, 1961

·         23 orkestwerken

- Concerto for Organ and Percussion, 1972

·         vocale werken

·         2 opera’s

·         9 balletten

·         17 theaterwerken

·         5 filmscores

·         werken voor gamelan en andere niet-westerse instrumenten

·         26 pianowerken

·         6 sonates voor klavecimbel

 

Isang Yun (Tongyông, Korea, 17 september 1917 – Berlijn, 3 november 1995) begon in de jaren '30 met zijn muziekstudies in Osaka, Japan (cello en muziektheorie) en Tokio (contrapunt en compositie). In de Tweede Wereldoorlog zat hij bij het anti-Japans Verzet, werd in 1943 opgepakt en in Japanse gevangenschap gemarteld. Met een studiebeurs die hij 1955 samen met de cultuurprijs van de stad Seoel kreeg, kon hij in Parijs aan het Conservatoire national supérieur de musique en in Berlijn onder andere bij Boris Blacher studeren. Zijn muzikale doorbraak kwam in 1965 met de première van zijn boeddhistisch oratorium Om mani padme hum en in 1966 met de première van Réak in Donaueschingen.

De Zuid-Koreaanse geheime dienst arresteerde hem in 1967 en hij werd opnieuw gemarteld. Hij werd wegens landverraad aangeklaagd. In een politiek showproces werd hij in eerste instantie tot een levenslange gevangenisstraf veroordeeld. Door internationale protesten werd hij echter in 1969 vrijgelaten. In 1971 werd hij genaturaliseerd Duitser.

Van 1970 tot 1985 was hij docent en sinds 1974 als professor verbonden aan de Hochschule der Künste in Berlijn.

Na zijn overlijden in Berlijn werd hij in een ere-graf van die stad begraven.

Isang Yun componeerde meer dan 100 werken:

·         4 opera's

·         10 concerten

·         7 symfonieën

·         14 andere orkestwerken

·         2 werken voor harmonieorkest

·         1 oratorium

·         2 cantates

·         5 werken voor koor, (stemmen) en instrumenten of orkest

·         6 werken voor solozang met orkest- of  andere begeleiding

·         6 strijkkwartetten

·         17 andere kamermuziekwerken

·         2 werken voor orgel solo

·         2 werken voor piano solo

·         Balance voor harp solo (1987)

 

Dr. Francis Alan Jackson (*Malton, Yorkshire, Engeland, 2 oktober 1917) begon in 1929 met zijn muzikale opleiding als koorknaap in York Minster bij Sir Edward Bairstow. Zelf was hij organist van York Minster van1946 tot zijn officiële pensioen in 1982.

Francis Jackson componeerde

·         2 gezangen

- East Acklam,  1957

·         86 anthems

·         6 orgelsonates,

·         41 andere orgelwerken

- Diversion for Mixture,  opus 25, 1960

·         2 werken voor twee orgels

·         6 werken voor orgel en andere instrumenten

·         2 monodrama’s

- Daniel in Babylon voor spreker, koor en orgel, opus 29, 1962

- A Time of Fire,  voor spreker, solisten, koor en orgel, opus 33, 1967

·         8 orkestwerken

- overtureBrigantia, opus 38, 1971

- concerto voor orgel, strijkers, slagwerk en celesta, opus 64, 1985

·         9 liederen voor meerdere zangstemmen

·         14 liederen voor zangstem en piano of andere instrument(en)

·         8 Magnificats

·         10 missen

·         5 Te Deums

·         12 andere services

·         7 kamermuziekwerken

·         3 werken voor koor, solist en orkest of instrumenten 

 

Thelonious Sphere Monk (Rocky Mount, North Carolina, 10 oktober 1917 – Weehawken, New Jersey,  17 februari 1982) was de zoon van Thelonious en Barbara Monk. Zij hadden al een twee jaar oudere dochter: Marion, en Thelonious kreeg na drie jaar nog een broertje: Thomas. In 1922 verhuisde de familie naar 243 West 63rd Street, in Manhattan, New York City, het zwarte kwartier van Juan Hill. Toen Thelonious ongeveer tien jaar oud was, kreeg het gezin van een goede vriend een piano cadeau, en zijn oudere zus Marion kreeg pianoles. Thelonious leerde toen meteen ook piano spelen door over haar schouder mee te kijken.. Op 11-jarige leeftijd kreeg hij zelf pianolessen.

Thelonious begeleidde al snel het kerkkoor van de lokale Baptistengemeenschap, waarin zijn moeder zong en verdiende wat geld als dansmuzikant op feesten. Op 17-jarige leeftijd hield hij school voor gezien, en ondernam een tour door de Verenigde Staten met een gospelgroep, een evangelische predikant en een vrouwelijke 'wondergenezer'. Als ze zich in een stad installeerden, vond Thelonious vlug aansluiting bij de lokale jazzscene en na zijn werkdag speelde hij 's avonds dan nog op diverse jamsessies.

In Kansas City  maakte Thelonious Monk kennis met pianiste Mary Lou Williams, die onder de indruk was van zijn pianospel, en Thelonious Monk en zijn jazzcompanen in hun ontwikkeling steunde en begeleidde.

Weer thuis in New York voorzag Thelonious Monk in zijn onderhoud door gelegenheidsjobs in bars en danszalen. In zijn vrije tijd werkte hij in Minton's Playhouse, een jazzclub op 118th street in Harlem samen met drummer Kenny Clarke, pianist Bud Powell en trompettist Dizzy Gillespie.

Op en gegeven moment kregen ze een vast contract de eigenaar van de club, Henry Minton, Daarmee schiep hij de basiscondities waaruit later de Be-Bop zou ontstaan.

Monk en Clarke werden de muzikale kern van Minton's, waar ook Dizzy Gillespie, Charlie Christian, Don Byas en Art Blakey speelden. In 1939 namen ze ook altsaxofonist Charlie Parker op in Minton's Playhouse. De doorbraak van de Be-Bop was nog slechts een kwestie van tijd.

Thelonious Monk was niet in het minst geïnteresseerd in het Be-Bop-typische tempo en ging geheel zijn eigen weg.

Thelonious Monk was nooit bereid tot muzikale compromissen. Hij bleef thuis, componeerde en droeg zijn gasten zijn werk voor. Jonge musici kwamen bij hem op bezoek en leerden van hem. Veel muzikanten van de nieuwe generatie, onder hen Miles Davis en Sonny Rollins, werden vertrouwd met de gecompliceerde muziek, en konden die ook in het publiek uitvoeren.

In 1947 kregen hij een opnamecontract bij Blue Note.  Thelonious Monk trouwde dat jaar met Nellie Smith, in 1949 kregen ze een zoon, T. S. Monk, die jazzdrummer werd. Hun dochter Barbara (Boo-Boo), geboren in 1953, overleed in 1984 aan kanker.

Muzikaal succes had Thelonious Monk eigenlijk nergens. Innerlijk verbitterd, trok hij zich op een gegeven moment  terug en isoleerde zich meer en meer.

Het jaar 1951 werd het absolute dieptepunt van zijn carrière. De politie vond was heroïne tijdens een autocontrole.  Thelomious Monk moest 60 dagen zitten en verloor daardoor ook zijn cabaret card. Het verlies betekende dat Monk in geen enkele club nog mocht aantreden waar alcohol geschonken werd. Dit betekende voor een jazzmuzikant zoveel als een beroepsverbod!

In 1955 stierf Charlie Parker en de grote dagen van de Be-Bop warenn geteld. Hard Bop en Cool Jazz zijn de stijlen die zich aankondigen in de vroege jaren vijftig. Thelonious Monk kon voor de kleine maatschappij Riverside werken. Net als bij Blue Note waren de eigenaars van Riverside Records rasechte fans en zij boden Thelonious Monk een zeker bestaan en een  artistiek thuis aan. Orrin Keepnews en Billy Grauer, de directeurs van Riverside, hadden minder interesse in snel geld maken en wilden de kunstenaar Monk de mogelijkheid bieden zich te ontwikkelen op langere termijn.

Na jarenlange inzet van zijn vriendin Pannonica "Nica" de Koenigswarter, een uit de Rothschildfamilie stammende aristocrate, kon Monk begin 1957 zijn cabaretcard terugkrijgen, waardoor hij voor het eerst weer in clubs kon optreden.

Het nieuwe Thelonious Monk Quartet met saxofonist John Coltrane werd een grote triomf voor beiden en leverde grote opnames op met Coleman Hawkins en Gerry Mulligan.

Het aanhoudende succes van Thelonious Monk leidde tot een financieel gunstig contract bij  het CBS-concern.

Tot 1968 was Monk aanwezig op de meest belangrijke jazzmeetings in de U.S.A., Europa en Japan.

Eind 1968 verloor CBS langzaam maar zeker interesse in Thelonious Monk. Toen CBS aan Monk vroeg stukken van de Beatles op te nemen, hield deze het volledig voor bekeken.

Thelonious Monk werkte maar door, het was zijn leven , hij kon niet anders, maar hij was wat minder  succesvol. In 1971 en '72 ging hij op een All Star Tournee door Europa en speelde daar onder de noemer Giants of Jazz tezamen met Dizzy Gillespie en andere oude bekenden van Minton's.

In de herfst van 1971 ontstonden in Londen de laatste opnames van Thelonious Monk als bandleider. Tussen 1973 en 1976 trad Monk nog uiterst zelden op en hij gaf zijn laatste concert op 30 juni 1976.

Thelonious Monk stierf op 17 februari 1982 ten gevolge van een hersenaandoening. Tot op de dag van vandaag wordt Thelonious Monk door muziekliefhebbers uit alle richtingen beschouwd als een onvergelijkbaar  muzikaal genie. 

In 1986 werd door de familie Monk en Maria Fisher het Thelonious Monk Institute of Jazz opgericht, met als doel jonge jazzstudenten over de hele wereld te helpen in hun ontwikkeling. Thelonious Monk werd in 2009 opgenomen in de North Carolina Music Hall of Fame.  

Thelonious Monk maakte

·         37 albums 

Thelonious Monk componeerde

·         82 jazznummers

- Ask Me Now-First 23 juli 1951, één van Monk’s mooiste ballads. Jon Hendricks maakte er een tkest op onder de titel “How I Wish”.  

www.monkzone.com

 

Albert de Klerk (Haarlem, 4 oktober 1917 - Amsterdam, 1 december 1998) was een zoon van de uit Vlaanderen afkomstige Haarlemse musicus Jos de Klerk (1885 - 1969) die in 1914, op de vlucht voor de Eerste Wereldoorlog, vanuit Antwerpen naar Nederland gekomen was.

De Klerk studeerde aan het Amsterdamsch Conservatorium, bij  Anthon van der Horst, Cornelis de Wolf en Hendrik Andriessen. Vanaf zijn zestiende jaar tot aan zijn dood was De Klerk organist op het Adema-orgel van de Sint Josephkerk in Haarlem.

Van 1965 tot 1985 was hij hoofdleraar orgel aan het Amsterdamsch Conservatorium, later het Sweelinck Conservatorium.

Hij was gehuwd met Lies Swarte en had twee kinderen.

Albert de Klerk componeerde

·         orkestwerken,

·         3 orgelconcerten

·         vocale muziek, kerkmuziek

·         beiaardmuziek.

·         koorwerken

·         missen

·         40 orgelwerken

- Prelude en fuga (1940)

- Tres Meditationes Sacræ (1995)

·         kamermuziekwerken

 

John Birks "Dizzy" Gillespie" (Cheraw, Zuid Caroline, Verenigde Staten,  21 oktober 1917 – Englewood, New Jersey, 6 januari 1993) was de jongste van negen kinderen van James and Lottie Gillespie. James Gillespie was een plaatselijke bandleider, de kinderen kregen gemakkelijk beschikking over een instrument. Dizzy Gillespie begon op zijn 4de jaar met pianospelen. Zijn vader overleed, toen hij pas 10 jaar oud was. Op zijn 12de leerde hij zichzelf trombone en trompet spelen. Zijn idool was Roy Eldridge. Hij kreeg twee jaar muziekles op het  Laurinburg Institute in Laurinburg, Noord Carolina, voordat het gezin in 1935 naar Philadelphia verhuisde.

In Philadelphia speelde Dizzy Gillespie achtereenvolgens in het Frank Fairfax Orchestra  en de orkesten van Edgar Hayes en Teddy Hill, waarbij vanaf 1937 Roy Eldridge  al eerste trompet verving. In 1939 ging Dizzy Gillespie meespelen in het Cab Calloway-orkest

9 mei 1940 trouwde Dizzy Gillespy met zangeres Lorraine Willis

In  1943 trad Dizzy Gillespie toe tot de band van Earl Hines, waarin Charlie Parker saxofoonspeelde. Het was het begin van de bebop en moderne jazz. Daarna ging hij meewerken aan Billy Eckstine's big band.  

In 1945 begon Dizzy Gillespie zijn eigen kleine ensembles te leiden om de nieuwe bebop-muziek te spelen. Hij leidde zijn eigen bigband van 1946 tot 1950. Dizzy Gillespie leidde in het jazzcentrum van New York: 52nd Street talloze jonge muzikanten op in de nieuwe jazzstijl, waaronder Miles Davis en Max Roach.

Door een ongelukje op het verjaardagsfeest van Lorraine Willis op 6 januari 1953.kwam een knik in zijn trompet. Hierdoor veranderde de klank van de trompet, en dat beviel Gillespie. Vanaf die tijd werd een trompet waarvan de beker in een hoek van 45 graden stond zijn handelsmerk. Gillespies speelwijze met bolle wangen, was ook ongebruikelijk is voor een trompettist.

Tijdens de 1964 presidentsverkiezingen in de Verenigde Staten stelde Dizzy Gillespie zich onafhankelijk candidaat. Hij wilde het Witte huis omdopen in "The Blues House  en een regering samenstellen van jazzmuzikanten. In 1970 ging Dizzy Gillespie over tot het Bahá'í geloof.

Dizzy Gillespie vierde zijn vijfenzeventigste verjaardag nog met optredens in New York, maar niet veel later werd kanker vastgesteld bij hem. De leidinggevende theoreticus van de bebop-muziek, trompetvirtuoos, leraar en visionair jazzmuzikant overleed in 1993 aan pancreaskanker. Dizzy Gillespie werd begraven op de Flushing Begraafplaats, Queens, New York Hij liet zijn weduwe Lorraine Willis Gillespie, een dochter, zangeres Jeanie Bryson en een kleinzoon Radji Birks Bryson-Barrett achter.

Dizzy Gillespie maakte

·         86 jazzalbums met

·         jazzklassiekers

- Manteca, 

- A Night in Tunisia,1942, voor de Earl Hines band gecomponerd

- Birk’s Works

- Con Alma.                                                                  Standbeeld in zijn thuisstad Cheraw

 

Willem Strietman (Amsterdam, 1 januari 1918 – Amstelveen, 1 februari 2001) won in 1937 een prijs bij de VARA-competitie “Amateurs zetten hu  beste beentje voor” met Een suite, voor orkest Dat leverde  hem een toelage op om piano, muziektheorie en musicologie te gaan studeren bij Hendrik Andriessen. Daarna studeerde hij aan het Conservatorium van Amsterdam muziektheorie en musicologie bij K. Bernet Kempers en Ernest W. Mulder.

Na zijn studie werkte hij aan het Conservatorium van Amsterdamvan 1945 tot 1952. Van 1952 tot 1983 werkte Willem Strietman bij de muziekafdeling van de Algemene Vereniging Radio Omroep. Hij was ook docent bij de Leidse Onderwijsinstellingen (LOI).

Willem Strietman componeerde

·         6 orkestwerken

Méditation symphonique - A la recherche du chant perdu, voor sopraansaxofoon en kamerorkest. 2000 

·         3 werken voor harmonieorkest

·         3 liederencycli voor zangstem(men), (koor) en orkest

·         1 serie koorwerken a capella

twaalfdelige cyclus, koorcantate voor gemengd koor a capella, 1978  Immortellen - Dicht en ondicht uit de negentiende eeuw in de vorm van een moraliserende

·         6 kamermuziekwerken

·         orkestraties

Szymanowski: Mythes, opus 30 voor viool en piano

Toldrá:  6 canciones castellanas 

 

Gara Garayev (Qara Qarayev, Kara Karayev) (Bakoe, Azerbeidzjan, 5 februari 1918 – Moskou 13 mei 1982), zijn vader was kinderarts en zijn moeder musicus. Zijn jongere broer  Mursal, een veelbelovend chirurg, overleed op jonge leeftijd.

Op zijn achtste ging  Gara Garayev  studeren aan het Azerbeidzjaanse Staatsconservatorium,  tegenwoordig de Muziekacademie van Bakoe, piano bij Georgi Sharoyev, compositie bij Leonid Rudolf en Azerbeidzjaanse volksmujziek bij Uzeyir Hajibeyov. Daarna studeerde hij bij Dmitri Sjostakovitsj aan het Conservatorium van Moskou. In 1948 volgde Gara Garayev  Uzeyir Hajibeyov op als hoofd van de Componistenunie en het staatsconservatorium. kregen. Leerlingen van hem waren daarbij Niyazi, Arif Malikov, Khayyam Mirzazade ,Ismayil Hajibeyov en zijn eigen zoon Farai Garayev.

Gara Garayev  leed aan een hartziekte, die er voor zorgde dat hij zijn eigen zestigjarig jubileum in Moskou niet kon bijwonen. Hij werd daarbij wel benoemd als Held van de Socialistische Arbeid. De laatste vijf jaar leefde hij teruggetrokken in Moskou. Op 64-jarige leeftijd stierf hij is Moskou, zijn lichaam werd overgevlogen naar Bakoe om bijgezet te worden op de nationale begraafplaats.

Gara Garayev  componeerde  110 werken

·         2 opera's,

·         2 balletten,

- Zeven Schoonheden

- De weg van  de donder

·         21 theatermuziekwerken

·         vier  symfonieën

·         andere orkestwerken

- zeven schoonheden, Suite voor orkest

- drie miniaturen voor kamerorkest, heel charmant;

·         werken voor harmonieorkest en band

·         2 cantates

·         3 andere werken voor solisten, koor en orkest

·         2 koorwerken

·         20 filmscores,

·         4 kamermuziekwerken

·         3 (series) pianowerken

·         7 liederen

 

Bernd-Alois Zimmermann, (Bliesheim, (Erftstadt), 20 maart 1918 – Königsdorf, (Frechen, 10 augustus 1970), groeide op in een landbouwgebied van de Vooreifel met een katholieke omgeving. Zijn vader was ambtenaar bij de Deutsche Reichsbahn. Vanaf 1929 ging hij op de kloosterschool en het pensionaat Klooster Steinfeld in een deelgemeente van Kall. Hier kreeg hij muziekonderwijs. Toen de privéscholen in 1936 door de Nazi's gesloten werden, ging hij naar een staats-rooms-katholiek gymnasium in Keulen.

Bernd-Alois Zimmermann studeerde in 1937 en 1938 germanistiek en filosofie aan de hoge school voor opleiding in Bonn. Vervolgens studeerde hij schoolmuziek aan de Rheinische Musikhochschule te Keulen en tegelijkertijd aan de Universiteit van Keulen. In 1940 werd hij opgeroepen voor de dienst in het Duitse leger, vocht in Polen, Frankrijk en Rusland, maar in 1942 werd hij oneervol ontslagen als gevolg van een zware huidziekte. In de herfst van 1942 studeerde hij verder in de compositieklas van Philipp Jarnach en Lehmacher aan de Rheinische Musikhochschule.

Sinds 1946 werkte hij als freelance-componist voor verschillende omroepmaatschappijen. Van 1948 tot 1950 studeerde hij tijdens de Kranichsteiner Ferienkurse für Neue Musik of Darmstädter Ferienkurse für Neue Musik bij René Leibowitz en Wolfgang Fortner. Van 1950 tot 1952 was hij lector muziektheorie aan het musicologisch instituut van de Universiteit van Keulen.

In 1958 werd hij opvolger van Frank Martin als docent compositie aan de Rheinische Musikhochschule te Keulen.

Aan het eind van de jaren '60 namen de depressies toe en voerden tot een psychische crises. Deze crises werden verergend door een niet te verhelpen oogziekte. Zimmermann pleegde zelfmoord vijf dagen na het voltooien van de partituur voor Ich wandte mich und sah alles Unrecht, das geschah unter der Sonne,  een "Ecclesiastische actie" voor twee sprekers, bas solo en orkest. Een tweede opera Medea bleef daardoor onvoltooid.

Bernd-Alois Zimmermann componeerde

·         17 orkestwerken

- Nobody knows de trouble I see, concert voor trompet en orkest, 1954, een schitterend werk.

- Stille und Umkehr, orkestschetsen, 1970

·         1 werk voor harmonieorkest

·         3 cantates

·         1 opera

·         1 radio-opera

·         1 ballet

·         1 serie liederen

·         7 pianowerken

·         2 elektronische muziekwerken

 

Jan van Dijk (*Oostzaan, 4 juni 1918) had van 1927 tot1935 pianoles en van 1930 tot 1935 ook vioolles. Vanaf  1935 kreeg hij pianoles bij Emile Eberle aan de Muziekschool Toonkunst van Rotterdam en ging ook (weer) componeren. Van 1936 tot 1941 studeerde Jan van Dijk aan het conservatorium in Rotterdam piano bij Jan Callenbach, (alt)viool bij Johan Warnars en compositie/directie bij Willem Pijper. Daarnaast kreeg hij nog privéles orgel bij Ferdinand Timmermans). Na 1941 nam  Jan van Dijk privélessen bij Pijper.

Van 1942 tot 1944 doceerde Jan van Dijk pianolessen aan muziekschool Toonkunst te Rotterdam, van 1946 tot1962 aan het Rotterdams Conservatorium harmonieleer, contrapunt, muziek theorie en compositie. Van 1955 tot 1983 doceerde Jan van Dijk aan het Brabants Conservatorium in Tilburg theorie, compositie, orkestratie; en van 1962 tot 1977 aan het Conservatorium in Den Haag theorie, analyse en algemene theoretische vorming.

Jan van Dijk was ook muziekrecensent van het Algemeen Handelsblad.

Jan van Dijk kreeg 5 prijzen voor zijn composities en werd ere burger van de stad Gouda.

Bij uitgeverij de Steensplinter in Gouda verscheen een biografie: 'Stille ontmoeting met Jan van Dijk', samengesteld door Jan den Ouden. De Stichting Jan van Dijk-Muziekwerken werd opgericht met als doel het inventariseren, catalogiseren, (doen) bewaren en beheren van de muziekwerken en geschriften van Jan van Dijk. De meer dan duizend manuscripten worden bewaard bij het Nederlands Muziek Instituut in Den Haag.

Jan van Dijk componeerde 700 werken

·         2 opera’s

·         8 declamatoria

·         1 ballet

·         3 andere theatermuziekwerken

·         22 werken voor piano en orkest

·         16 werken voor orgel en andere instrumenten of orkest

·         46 werken voor een ander solo-instrument en orkest

·         215andere  orkestwerken

·         21 werken voor harmonie-orkest

·         6 werken voor koor en instrumenten

·         9 series werken voor zangstem en instrumenten

·         27 (series) liederen voor zangstem en piano

·         17 (series) werken voor zangstem en orkest

·         46 werken voor koor en orkest

·         2 werken voor zangstemmen

·         43 (series) werken voor koor a capella  

·         212 (series) kamermuziekwerken

- Solo de concours voor klarinet, opus 424, 1966

- La petite guerre, opus 904, 1966, voor dwarsfluit, klarinet, hoorn en fagot, 7-delige suite.

- Sonatine voor klarinet, opus 768, 1988

- Trois Preludes pour clarinette seule, opus 1063,  2005

·         312  (series) pianowerken

·         58 (series) pianowerken voor vier of meer handen 

·         43 orgelwerken

·         21 beiaardwerken

·         6  31toons(fokker)muziekwerken

·         140 bewerkingen en orkestraties

·         4 TV- en filmscores

www.janvandijk.net

 

Raymond Gallois-Montbrun (Saigon, 15 augustus 1918 – Parijs, 13 augustus 1994) studeerde viool bij Firmin Touche, compositie bij Büsser en muziektheorie bij  Gallon aan het Conservatoire de Paris.

In 1957 werd Raymond Gallois-Montbrun directeur van het conservatorium van Versailles, van 1962 tot 1983 van het Conservatoire de Paris.

Raymond Gallois-Montbrun componeerde

·         25 kamermuziekwerken

·         1 cantate

·         6 concerten

- vioolconcert, 1949

·         8 orkestwerken

- symphonie japonaise, 1960

·         12 études-caprices de concert voor viool solo

·         6 pianowerken of series pianowerken

·         2 opera’s

·         2 werken voor zangstem en piano

 

 Leonard Bernstein  (Lawrence, Verenigde Staten, 25 augustus 1918 – New York, 14 oktober 1990) studeerde aan de Harvard-universiteit en aan het Curtis Institute of Music te Philadelphia. Bernstein maakte verschillende musicals in de jaren veertig. Internationaal brak hij door met zijn musical West Side Story.  Jarenlang presenteerde hij op televisie een buitengewoon goed informatief educatief programma over klassieke muziek. Van 1958 tot 1969 was hij eerste dirigent en artistiek leider van de New York Philharmonic. Met dit orkest nam hij alle symfonieën van Gustav Mahler op.

Bernstein was vele jaren de icoon van de klassieke muziek in Amerika: als eerste musicus was hij volledig gelijkwaardig aan Europese topmusici, die bovendien niet enkel de kwaliteiten van uitvoerend musicus en componist bezat, maar ook grenzen tussen klassieke muziek en andere muziekgenres overschreed en als weinig anderen mensen voor muziek enthousiast wist te maken.

Leonard Bernstein  componeerde

·         3 opera’s

·         1 operette.

- Candide, gebaseerd op de novelle van Voltaire, 1956, populair werk; de concertversie van de Ouverture, waar de operette mee begint wordt vaak zelfstandig uitgevoerd. Hoofdpersoon is Candide (tenor), onwettige neef van Baron Thunder-ten-Tronck; Candide woont op het klasteel van de baron en is verliefd op de dochter van de barones: Cunegonde (sopraan). De aria  van Cunegonde midden in de eerste akte: "Glitter and Be Gay", is een favoriet showstuk geworden voor veel sopranen.

·         4 musicals

- West Side Story, musical, libretto Arthur Laurents en Stephen Sondheim (liedteksten), 1957, zeer succesvol, in 1961 werd er een film van gemaakt.

Eerste bedrijf

nr. 5. “Maria”, gezongen door (Romeo) Tony;

nr. 6. de "balkonscene "Tonight", weergaloos mooi;  duet van (Julia) Maria  en Tony,;

nr. 7. "America", gezongen door de "Shark girls" ;

nr. 9. "One Hand, one heart" duet van Maria  en Tony,;

Tweede bedrijf

nr. 3d. zang en dans  “Somewhere”

·         3  balletten

- Fancy Free, 1944,  choreografie Jerome Robbins,

·         2 theatermuziekwerken

- MASS, 1971 theaterwerk voor zangers, acteurs en dansers, koren en orkekst

·         3 symphonieën, waaronder

- Symfonie nr. 1, "Jeremiah", voor mezzosopraan en orkest met de delen:

1. Prophecy; 2. Profanation; 3. Lamentation (met Hebreewse tekst);

·         11 andere werken voor symfonieorkest;

- Fancy Free and Three Dance Variations from "Fancy Free,", 1946

- Serenade (naar Plato's "Symposium") voor viool solo, strijkers en slagwerk, 1954.

- Divertimento, 8-delige orkestsuite, 1980

·         17 bewerkingen voor harmonieorkest;

·         21 werken voor gemengd koor en orkest;

- Chichester Psalms, voor jongenssopraan, solo zangkwartet, koor en orkest, 1965, de componist maakte ook een orkestreductie voor orgel, harp en slagwerk. Teksten Psalm 108,  Psalm 100, Psalm 23, Psalm 131, Psalm 133

- MASS, 1971, voor gemengd koor, tenor, fluit en piano; omgewerkt naar theatermuziekwerk

·         2 werken voor jazzensemble,

- Prelude, Fugue and Riffs, voor klarinet solo en jazz-ensemble, 1949

·         1 cantate: White House Cantata, cantate voor sopraan, mezzosopraan, tenor, bariton, bas,

·         10 werken voor koor;

·         20 (series) kamermuziekwerken

- Pianotrio voor piano, viool en cello, 1937, geschreven toen Leonard Bernstein op de Harvard University les had van Walter Piston. Verschillende melodieën uit het pianotrio heeft Bernstein later opnieuw gebruikt.

·         30 (series) songs voor zangstem en piano

·         16 (series) pianowerken

www.leonardbernstein.com

 

Jozef Matthieu “Matty” Niël, (*Maastricht 23 oktober 1918 – Sittard, 7 mei 1989) studeerde na zijn gymnasiumopleiding in Maastricht  aan het Koninklijk Conservatorium in  Luik piano bij  Louis Closson  en orgel bij Charles Hens. In Amsterdam studeede hij daarna piano bij  Alexander Borovski  en compositie bij Henk Badings. In 1941 trok Matty Niël naar Wenen, en werd leerling van Anton Webern.

In 1944 was hij enkele maanden in Parijs, waar hij les had van Messiaen en Daniel-Lesur. Terug in Maastricht werkte hij van 1946 tot 1953 bij de Regionale Omroep Zuid (Maastricht), daarna als leraar aan de muziekschool in Sittard en het Muzieklyceum in Heerlen en van 1964 tot 1978 aan het Maastrichtse conservatorium. Ondertusen werkte hij als pianist en dirigent.

Na 1978 trok hij zich terug, verbleef enkele jaren in het buitenland en wijdde zich uitsluitend aan componeren.

In 1991 werd een Stichting Matty Niël opgericht.

Matty Niël componeerde

·         1 opera

·         1 operafragment

·         24 orkestwerken

·         3 missen

·         3 cantates

·         4 werken voor zangstem(men) en orkest

·         21 (series) koorwerken

·         12 werken voor kamerorkest

·         34 (series) kamermuziekwerken

·         34 (series) liederen voor zangstem en piano

·         13 (series) pianowerken

·         6 (series) orgelwerken  

www.matty-niel.nl

 

Jürg Baur (Düsseldorf, Duitsland, 11 november 1918 - 31 januari 2010) was het enige kinbd van Maria Schulte en Ernst Baur, directeur van een gymnasium. een  kreeg op achtjarige leeftijd zijn eerste pianolessen van Adelheid Kroeber en later orgelles van Albert Thate.

Aan de Muziekhogeschool in Keulen studeerde Jürg Baur vanaf herfst 1937 piano bij Karl Hermann Pillney, orgel bij Michael Schneider en compositie bij Philipp Jarnach.

In 1939 moest Jürg Baur in militaire dienst.

In 1944 trouwde hij met Hilde Wolfstieg en raakte in Russische krijgsgevangenschap. Na zijn vrijlating in 1946 pakte hij de muziekstudie weer op.

In 1946 werd hij ook docent muziektheorie aan het  Robert-Schumann-Conservatorium  in  Düsseldorf.: Van 1952 tot 1966 was Jürg Baur cantor aan de Pauluskerk in Düsseldorf-Unterrath.

In 1965 werde Jürg Baur directeur van het Robert-Schumann-Conservatorium

Van 1971 tot zijn pensioen in 1990 was hij docent compositie aan de Muziekhogeschool Keulen.

Jürg Baur componeerde

·         1 opera

- Der Roman mit dem Kontrabass, libretto  Michael Leinert naar de gelijknamige novelle van Anton Tschechow.

·         34 orkestwerken

·         50 kamermuziekwerken

- Incontri  voor fluit en piano, 1960

- Mutazioni, voor fluit solo, 1961

- Pezzi uccelli voor klarinet solo, 1964

- tre studi per quattro voor blokfluitkwartet, 1971

- ricordi (herinneringen)  voor blokfluittrio, 1983

·         7 pianowerken

·         16 (series) orgelwerken

·         4 werken voor klavecimbel

·         2 werken voor accordeon

·         6 (series) liederen voor zangstem en piano (1 + fluit)

·         3 (series) liederen voor zangstem en strijkkwartet

·         13 koorwerken a capella

·         3 koorwerken voor koor met orkest of instrumenten

 

Piet Post (Amsterdam, 8 april 1919 – Leeuwarden, 15 december 1979) was als jongen zó geboeid door kerkorgelmuziek, dat zijn ouders besloten een harmonium aan te schaffen en hem les te laten geven. Vanaf 1939 studeerde hij aan het aan het conservatorium Amsterdam orgel bij Anton van der Horst en Jacob Bijster.

Tijdens de oorlog werd Piet Post organist in Amstelveen en trok de gereformeerde kerk in Weesp hem aan als cantor-organist. Na de oorlog werkt hij korte tijd vanaf 1948 voor de NCRV waarna hij in 1949 als organist in dienst treedt van de Onze Lieve Vrouwekerk in Breda. In datzelfde jaar wordt hij aangenomen als organist van de Grote of Jacobijnerkerk in Leeuwarden als opvolger van George Stam. Hij blijft daar werken als organist, dirigent,  docent en adviseur bij orgelbouw, tot zijn overlijden in 1979.

Piet Post componeerde 236 werken:

·         orgelwerken

- Zes Valeriusliederen, 1979

·         koorwerken

·         kamermuziekwerk.

·         liederen

·         werken voor instrumenten solo

·         carillonwerken

·         strijkorkestwerken

 

Pete Seeger (Patterson, New York, 3 mei 1919 - Beacon, New York, 27 januari 2014) was de zoon van Charles Louis Seeger, muziekleraar en musicoloog aan de University of California in Berkeley, en Constance de Clyver, concertvioliste en docente aan de Julliard School. Toen Pete Seeger 7 jaar oud was, scheidden zijn ouders. Zijn vader hield de verantwoordelijkheid voor de drie kinderen. In 932 hertrouwde Charles Seeeger met zijn compositieleerling en assistent Ruth Crawford Seeger, die een belangrijke 20ste eeuwse componiste zou worden. Charles en Ruth kregen nog vier kinderen, die allemaal volkszangers werden, hun moeder Ruth had een diepgaande interesse in de volksmuziek.

Pete Seeger wilde aanvankelijk journalist worden, maar toen hij in 1936 in de ban kwam van de vijfsnarige banjo, veranderde hij zijn plannen. In 1938 kreeg hij een baan bij de Archives of American Folk Music in New York. Daar deed hij allerlei volksmuziekonderzoek

Op 3 maart 1940 ontmoette hij Woody Guthrie op een avond georganiseerd ter ondersteuning van de arme boerenknechten in Californië, Samen met Guthrie richtte hij de Almanac Singers op, een steeds wisselende groep muzikanten die in hun werk linkse en pacifistische ideeën uitdroegen. De moderne folkmuziek was ontstaan.

De pacifistische groep was in en ná de Tweede Wereldoorlog zo populair, dat ze door de regering als gevaarlijk werden beschouwd en de FBI hen steeds meer in de gaten ging houden.

In 1943 trouwde Pete Seeger met Toshi-Aline Ōta, ze bleven tot haar dood op 9 juli 2013 getrouwd. Hun eerste kind, Peter Ōta Seeger, geboren in 1944 stierf na zes maanden, daarna kregen ze noig drie kinderen en vijf kleinkinderen.

In 1947 vormde Pete Seeger samen met Lee Hayes Fred Hellerman en Ronnie Gilbert 'The Weavers'. Samen met Hayes had Seeger daarvoor al het grote succesnummer If I had a hammer geschreven.

Tijdens de Koude Oorlog werden "The Weavers" op allerlei manieren gedwarsboomd en geboycot. Seeger besloot meer tijd vrij te maken voor zijn familie, begon een solocarrière en trad nog zelden met The Weavers op. In 1955, in de periode van het Mccarthyisme, werd Seeger aangeklaagd wegens 'on-Amerikaanse' activiteiten. Hij werd veroordeeld tot een jaar gevangenisstraf, maar door een vormfout al na vier dagen vrijgelaten.

Eind jaren vijftig, begin jaren zestig kwam een heropleving van de folkmuziek op gang. Pete Seeger was daarin een centrale figuur met hits als Where have all the flowers gone en We shall overcome.

Op 18 januari 2009 trad Seeger op tijdens het inauguratieconcert van Barack Obama in Washington. Hij zong er op 89-jarige leeftijd This land is your land, een nummer geschreven door zijn vriend Woody Guthrie.

Pete Seeger  bleef een betrokken actievoerder.  Op 24 oktober 2011 liep hij, 92 jaar oud, aan het hoofd van een door zijn kleinzoon georganiseerde protestmars van de beweging Occupy Wall Street, die hij afsloot met het zingen van We shall overcome, samen met Arlo Guthrie.

Pete Seeger maakte

·         52 studio-albums

·         23 compilatie-albums

·         10 live-albums

·         5 singles

·         143 songs

- We shall overcome, 1948, afgeleid van een oude gospel “ I'll Overcome Someday", van de Afrikaans-Amerikaanse componist Charles Albert Tindley. Het lied werd in eerste instantie gepubliceerd als "We Will Overcome"

- If I had a hammer,  1949, tekst Lee Hays

- Where have all the flowers gone, 1955, tekst Pete Seeger 

http://peteseeger.net

 

Earle Harry Hagen (Chicago, Illinois 9 juli 1919 — Rancho Mirage, 26  mei 2008) leerde op de junior high school trombone spelen. 16 jaar oud speelde hij in de bands van Tommy Dorsey, Benny Goodman and Ray Noble. Om geld te verdienen gaf hij vanaf de 30–er jaren trombonelessen.

In de jaren ‘40 en ’50 werkte hij in de  20th Century Fox-studio’s aan filmmuziek.   in 1955 gign hij ook voor de televisie werken. Hij gaf ook veel lessen in het produceren van fimscores. Een van zijn leerlingen was  Harvey Cohen

Earle Harry Hagen was 59 jaar getrouwd met Elouise "Lou" Sidwell, een bigbandzangeres, tot haar dood in 2002. Ze hadden twee zoons:  James and Deane Hagen. Earle Harry trouwde zijn tweede vrouw, Laura, in 2005. 

Earle Harry Hagen werd begraven op het Desert Memorial Parkin Cathedral City, California. Hij is opgenomen in de Television Academy Hall of Fame in 2011.

Earle Harry Hagen componeerde

·         jazzstandards

- Harlem Nocturne,1939, als eerbetoon aan  Duke Ellington en Johnny Hodges,  later gebruikt als thema voor de televisieserie Mickey Spillane's Mike Hammer.

·         30 filmscores

- Call Me Madam,

- Gentlemen Prefer Blondes

-  Carousel.

·         62 televisiescores

- Mickey Spillane's Mike Hammer, 1947

- I Spy, 1968

 

Galina Ivanovna Ustvolskaya, (ook Oestvolskaja of Oustvolskaia, (Sint Petersburg, 17 juni 1919 – 22 december 2006)

studeerde van 1937 tot 1947 compositie aan het Conservatorium Rimsky Korsakov in Leningrad, zoals Sint-Petersburg in die tijd heette, bij Dmitri Sjostakovitsj. Later werd ze zelf docent aan het Conservatorium Rimsky Korsakov van Leningrad.

Galina Oestvolskaja was een eigenzinnig componist. Kenmerkend zijn ongebruikelijke combinaties van instrumenten, en zeer luide, massieve repetitieve klankclusters. Ze kreeg van musicoloog Elmer Schönberger daarom de bijnaam "de vrouw met de hamer".

Tot aan de val van de Sovjet-Unie werd haar muziek nauwelijks uitgevoerd. Na de val staat haar muziek in het Westen regelmatig op het programma.

Josée Voormans, documentairemaakster voor de VPRO, maakte kort voor Oestvolskaja’s dood de documentaire "Schreeuw in het heelal" over haar Tweede symfonie.

Galina Ustvolskaya componeerde

·         5 symfonieën

- Symfonie nr. 2 "Ware, eeuwige Zaligheid", 1979

- Symfonie nr. 3 "Jezus, Messias, redt ons", 1983

·         1 concert

·         4 andere orkestwerken

·         9 kamermuziekwerken

- Trio voor klarinet, viool en piano, 1949;

- Sonate voor viool en piano,  1952

- Duet voor viool en piano, 1964

- Composition nr. 1 Dona Nobis Pacem, voor piccolo, tuba en piano, 1971;

- Composition nr. 2 Dies Irae, voor 8 contrabassen, piano en houtblok, 1973

·         7 (series) pianowerken

- Sonate nr. 5, 1986

·         1 werk voor zangstem en orkest

 

Gordon Young (McPherson, Kansas, Verenigde Staten, 15 oktober  1919 –  St Claire Shores, Michigan, 2 oktober, 1998)  studeerde achtereenvolgens muziek aan het Southwestern College, Winfield, Kansas en  orgel bij John Weaver, Alexander McCurdy en Joseph Bonnet aan het Curtis Institute of Music in Philadelphia. Gordon Young begon zijn carrière als radio-organist in Tilsa. Daarna werkte hij als muziekcriticus en columnist voor kranten in Philadelphia en Kansas City, gaf orgellesaan de Wayne State University en was organist en koordirigent aan de First Presbyterian Church in Detroit.

Gordon Young componeerde 800 werken, waaronder

·         anthems

- Now Sing We Joyfully unto God,

·         orgelwerken

- Prelude in Classic Style

- Cathedral Suite, veelgespeelde zesdelige suite

 

Dick Kattenburg (Amsterdam, 11 november 1919 - Auschwitz, eind september 1944) was van Joodse afkomst, zoon van de directeur van Hollandia-Kattenburg, een textielfabriek. Hij groeide op in Naarden en bezocht de HBS in Bussum. Dick en zijn broer Tom kregen van jongs af aan een gedegen muzikale opleiding. Tom Kattenburg werd concertpianist. Dick Kattenburg studeerde muziektheorie en viool aan het Collège Musical Belge in Antwerpen, onder meer bij Hugo Godron en later in Den Haag, waar hij in 1941 slaagde voor het Staatsexamen. Dick Kattenburg  dook datzelfde jaar onder in Utrecht, later in Amsterdam. Op 5 mei 1944 werd hij opgepakt tijdens een razzia. Hij kwam terecht in Kamp Westerbork en ging niet veel later naar Auschwitz. Daar werd hij tussen 22 mei en 30 september 1944 vermoord.

Zijn broer Tom overleefde de oorlog, maar kwam in 1948 in Israël om het leven.

Lang werd gedacht dat er slecht één compositie van hem bewaard gebleven was. In 2004 nam de dochter van Dick Kattenburgs zuster Daisy, Joyce Bergman-van Hessen, de nalatenschap van haar moeder door en ontdekte een stapel manuscripten met een schat aan muziek van Dick Kattenburg. 

Dick Kattenburg  componeerde 30 werken Kattenburg heeft ongeveer dertig composities

·         2 orkestwerken.

·         4 kamermuziekwerken

- Tapdance (1936), voor piano quatre-mains en tapdanser of slagwerk.
Sonate, 1937 voor fluit en pianr. geschreven voor fluitiste Ima van Esso, die ook in Auschwitz terecht kwam, het kamp overleefde en het manuscript altijd bewaarde.

- “Roemeense liederen”,1940 – 1944, in feite Palestijnse liederen met een zionistisch karakter, maar dat wilde hij in de oorlog verbloemen.

·         pianowerken

- De Blues (1940) voor piano quatremains, geschreven voor de vijftigste verjaardag van zijn moeder.  

 

Cláudio Franco de Sá Santoro (Manaus, Brazilië, 23 november 1919 – Brasília, 27 maart 1989) begon al jong piano en viol te studeren. Van het Gouvernement van de Amazonas kreeg hij de gelegenheid om aan het Conservatorium van Rio de Janeiro te gaan studeren. Hij was daar leerling van Hans-Joachim Koellreutter en studeerde ook in parijs bij Nadia Boulanger. 18 jaar oud gaf hij al vioolles op het conservatorium.

Van 1970 tot 1978 was Claudio Santoro docent directive en compositie aan Heidelberg-Mannheim's Staats Muziekhogeschool in Duitsland..

Claudio Santoro stierf in Brasília in maart 1989 terwijl hij de repetitie van een concert ter herinnering aan de tweehonderdste verjaardag van de franse Revolutie aan het dirigeren was. 

Claudio Santoro componeerde

·         15 symfonieën

·         3 pianoconcerten

·         43 (series) pianowerken

- Toccata,  1954, revisie 1984, opgedragen aan Arnaldo Estrella

·         22 werken voor een ander solo-instrument

·         35 duo’s

·         12 trio’s

·         7 strijkkwartetten

·         7 andere kwartetten

·         6 ensemblewerken

·         59 orkestwerken

·         28 concerten

·         38 werken voor zangstem en piano

·         2 werken voor zangstem en een ander instrument

·         6 werken voor zangstem en orkest

·         11 koorwerken

·         9 werken voor zangstem(men), koor en orkest

·         3 opera’s

·         19 elektro-akoestische werken

·         6 balletten

·         7 filmscores

·         kinderliederen

·         300 radioscores

·         1 theatermuziekwerk

 

Gideon Klein (Přerov, Moravië,  6 december 1919 – Fürstengrube, omstreeks januari 1945) werd in eenMoravische Joodse familie geboren. Gideon Klein studeerde piano bij Růžena Kurzová en Vilém Kurz, en compositie bij Alois Hába (in 1939–1940). Hij werd in 1940 gedwongen zijn studies opte geven omdat de Nazi’s na de beszetting van Tsjecho-Slowakije in  1939 alle hogere opleidingen sloten. Omdat composities en muziekuitvoeringen van en door Joden verboden waren, trad Gideon Klein onder schuilnamen als pianist op. In 1940 kon hij aan de Royal Academy of Music in London gaan studeren , maar anti-Joodse wetgeving verhinderde zijn emigratie.
In december 1941 werd hij door de Nazis gedeporteerd naar het Terezín concentratiekamp, waar hij met Leoš Janáček's leerling Pavel Haas, Hans Krása, en Schoenberg's leerling Viktor Ullmann een van de betere componisten van het kamp werd.. Gideon Klein trad er als solo-pianist op en nam deel aan kamermuziekuitvoeringen.

In oktober 1944 werd Gideon Klein gedeporteerd naar Auschwitz en vrijwel meteen daarna naar Fürstengrube. In kamp Fürstengrube werd Gideon Klein in januari 1945 onder onduidelijke omstandigheden geliquideerd.

Gideon Klein componeerde

·         10 kamermuziekwerken

- trio voor viool, altviool en cello, 1944, huiveringwekkend

·         1 pianowerk

·         3 koorwerken

·         6 werken voor zangstem en piano of instrumenten

 

Mieczysław Weinberg, (Moisey Vainberg, Moisey Samuilovich Vaynberg)  (Warschau, Polen, 8 december 1919 – Moskou, 26 februari 1996) was  de zoon van de Joodse Shmuel Weinberg en Sara Kotlitskaya. Door het ‘Joodse vraagstuk’ in Rusland werd hij ook bekend onder de namen Wainberg, Vaynberg, etc. In 1939 ontstond de verwarring toen hij naar Rusland vluchtte en een douaneambtenaar de namen van de familieleden bewust verkeerd in de douanedocumenten veranderende om de Joodse associaties eruit te halen.

Zijn familie kwam oorspronkelijk uit Bessarabië. Daar werden familieleden tijdens de Kishinyov pogrom in 1903 vermoord. Zij emigreerden daarna naar Warschau. Mieczysław Weinbergs vader Shmuel werd daar musicus in het Joodse Weinberg leerde zichzelf piano spelen, kon alles direct van blad spelen en speelde vanaf zijn tiende in de groep van zijn vader

Mieczysław Weinberg studeerde piano bij Józef Turczyński op de Frédéric Chopin Muziek Akademie van Warschau.

Tijdens de Duitse invasie in Polen in 1939 vluchtte hij naar Rusland. Zijn ouders en zuster bleven in Polen waar zij in 1942 werden vermoord. In Minsk studeerde Mieczysław Weinberg, die van een grenswacht de naam "Moisy" had gekregen en daarmee door het leven ging, bij Vasily Zolotaryov, een voormalige student van Nikolaj Rimski-Korsakov en Mili Balakirev.

Toen de Duitsers Rusland binnenvielen, vluchtte Mieczysław Weinberg naar Tasjkent. Daar werkte hij bij de opera en ontmoette daar de directeur van Het Joods Theater in Moskou, Solomon Mikhoels. Hij trouwde met diens dochter Natalja Vovsi Mikhoels

Onder de indruk van Mieczysław Weinbergs eerste symfonie regelde Dmitri Sjostakovitsj in 1943 dat Weinberg naar Moskou kon komen. Daar bleef hij tot het einde van zijn leven.

Na de Tweede Wereldoorlog laaide het antisemitisme in Rusland hevig op. In januari 1948 werd Mieczysław Weinbergs’schoonvader door de geheime politie op straat  in opdracht van Stalin vermoord en vele Joden met een culturele achtergrond werden gearresteerd en later doodgeschoten. Vele componisten bleven, onopgehelderd, buiten schot. Vaak dreigde arrestatie en net als Sjostakovitsj had Weinberg altijd een koffertje klaarstaan om bij een eventuele arrestatie nog iets te kunnen meenemen.

6 febuari 1953 werd Mieczysław Weinberg gearresteerd met de aanklacht dat hij een Joodse republiek in de Krim op wilde richten. Hij kwam in een eenpersoonscel in de Loebjanka-gevangenis terecht.

Waarschijnlijk is Mieczysław Weinberg de dood ontsnapt omdat Jozef Stalin op 5 maart 1953 overleed en de autoriteiten geen tijd meer hadden zich in zijn, en onnoemelijk veel andere, zaak te verdiepen. En omdat Sjostakovisj zich voor zijhn vrijlating had ingespannen.

In 1968 ontmoette Mieczysław Weinberg Olga, medestudente van zijn dochter Victoria en scheidde van Natalja. In 1980 werd hij uitgeroepen tot "Voilkartiest van de Russische Republiek" en in 1990 kreeg hij de Staatsprijs van de Sovjet-Unie. Olga heeft hem tot zijn dood in een armetierig flatje in Moskou, waar hij doodarm leefde, verpleegd. Hij bleef tot het laatste moment doorcomponeren.   

Mieczysław Weinberg componeerde

·         7 opera’s

- Passazhirska,  1968, over vernietigingskamp Auschwitz; een meesterwerk

·         1 operette

·         theater- en circusmuziekwerken

·         3 balletten

- The Golden Key, opus 55, ballet in zes scenes naar Aleksej Tolstoj, 1955; uit het ballet heeft Weinberg in 1964 4 orkestsuites samengesteld.

·         26 symfonieën

- symfonie nr. 4 in a kleine terts, opus 61, 1957, gereviseerd in 1961. Laat je niet gauw los.

- symfonie nr. 8, "Flowers of Poland" , opus 83: liederencyclus op teksten van de Poolse dichter  Julian Tuwim voor tenor, gemengd koor en orkest, 1964, ingehouden en  verfijnde dramatiek; de teksten behandelen de geschiedenis van Polen.

- symfonie nr. 10 in a kleine terts, opus 98, 1968,

- symfonie nr. 12, opus 114, 1976, een in memoriam voor Dmitri Sjostakovistj, die in dat jaar overleed. Even hartverscheurend als intrigerend; virtuoos balancerend tussen Sjostakovistj en Mahler; even modern als licht conservatief.

- symfonie nr.18, Oorlog – er is geen wreder woord, opus 138, 1986, koorsymfonie op teksten van Russische dichters; vormt met symfonie nr. 17 en 19 de trilogie op de drempel van de oorlog. Begint en eindigt met een Adagio, de laatste keer met een pianissimo door koor gezongen gedicht van Richard Whitehouse. Zeer indrukwekkend.

- symfonie nr.19, “Heldere Mei”, opus 142, 1986, stevig, massief brok muziek; wat monotoon.

- Symfonie nr 21, opus 152, “Kaddish” (= gebed voor de doden),1991. Weinbergs’ laatste symfonie voor groot orkest, opgedragen aan de slachtoffers van het ghetto van Warschau. Referenties aan Chopin en klezmermuziek. De Eerste ballade van Chopin, die zo'n grote rol speelt in de film "De pianist"van Roman Polanski.  wordt een paar keer hartbrekend geciteerd. In hert Scherzo klinkt een dolgedraaide klezmer op een joodse bruiloft. Troosteloze, tot op bot uitgebeende muziek. Huiveringwekkend. CD Toccata Classics TOCC 0193;

·         7 concerten

- Concertino voor viool en strijkorkest, opus 42, 1948. Klein meesterwerkje, in 2009 herontdekt. Grote lyrische rijkdom in het eerste deel.

- Concerto voor cello en orkest in d kleine terts, 1948, opus 43

- Rhapsody op Moldavische thema’s, opus 47, nr. 3, voor viool en orkest, 1949

- Concerto voor viool en orkest in g kleine terts, 1959, opus 67, geschreven voor de legendarische violist Leonid Kogan, prachtig langzaam derde deel Adagio, waarin de joodse ziel zijn diepste smarten uitdrukt; onvoorstelbaar spannend werk;

- Concerto voor fluit en strijkorkest, opus 75, 1961

- Concerto voor trompet en orkest in Bes grote terts, opus 94, 1967, schimmig en speels, vol verrassende vondsten. Het concert is driedelig:

1. etudes

2. episodes

3. fanfares, atonaal, improvisaties en free jazz 

·         10 andere orkestwerken

- Poolse melodieën voor orkest, opus 47 nr. 2, 1949, charmante danssuite

- "De Vaandels van de Vrede", opus 143, symfonisch gedicht, 1986; bevat nogal wat patriottische liederen;

·         Requiem

·         4 cantates

·         17 strijkkwartetten

- Strijkkwartet nr. 2, opus 3, 1940

- Strijkkwartet nr. 12, opus 103, 1970, veel scherp dissonerende muziek, in het slotdeel wordt in een onbestemd doolhof een mysterieuze klankwereld gecreëerd; het tweede deel heeft een droevige sierlijkheid

- Strijkkwartet nr. 17, opus 146, 1987

·         15 andere kamermuziekwerken

- Drie stukken voor viool en piano,  1934

- Sonata voor viool en piano nr. 1, opus 12, 1943; andante met tastbaar Joodse invloeden; pakkend

- Sonata voor viool en piano nr. 2, opus 15, 1944, relatief traditioneel met structuren als sonatevorm en fuga in een tonaal schema.

- kwintet voor piano en strijkers, opus 18, 1944

- Pianotrio, opus 24, 1945,

- Sonate voor klarinet en piano, opus 28, 1945

- Twaalf miniaturen voor dwarsfluit en piano,  opus 29 , 1946

- Sonata voor viool en piano nr. 3, opus 37, 1947

- Sonata voor viool en piano nr. 4, opus 39, 1947; mooi Adagio;

- Sonatina voor viool en piano in D grote terts, opus 46, 1949

- Sonata voor viool en piano nr. 5 in g kleine terts, opus 53, 1953, opgedragen aan Sjostakovitsj, veel monothematiek, cyclische opzet; klinkt soms zeer wrang en heeft in zijn meest lyrische passages een schurende weemoed.

- Sonata nr. 1 voor viool solo, opus 82, 1964

- Sonata nr. 2 voor viool solo, opus 95, 1967,  zeven korte deeltjes, die uitmunten in contrast en speelsheid

- sonata nr. 3 voor viool solo, opus 126, 1979, boeiend, oor Weinberg opgedragen aan zijn vader;

- Sonata voor viool en piano nr. 6, opus 136bis, 1982, grandioze sonate, opgedragen aan (de harinnering aan) zijn moeder. 

   CD: Linus Roth en José Gallardo; Channel Classics CC 72567

·         6 pianosonates

- pianosonate nr. 4 in b kleine terts, opus 56, 1955

·         andere pianowerken

- sonatine, opus 49, 1951

- partita, opus 54,  1954

·         14 werken voor een ander solo-instrument

- Sonata voor contrabas solo, opus 108, 1971

- sonate voor fagot solo, opus 133

·         2000 liederen

·         60 fimscores

"De Kraanvogels die voorbijvliegen"

Sir David Valentine Willcocks,  (*Newquay, 30 december 1919) is studeerde aan het Royal College of Music en aan King's College in Cambridge vooral orgel. Na de Tweede Wereldoorlog werd hij organist in de kathedraal van Salisbury. Vervolgens dirigeerde hij het koor van de kathedraal van Worcester, om in 1957 organist, hoogleraar en dirigent te worden aan zijn eigen King's College.

Hij was dirigent van het Britse Bachkoor tot 1998 en directeur van het Royal College of Music (tot 1984). In 1977 werd hij geridderd.

David Willcocks componeerde

·         arrangementen van traditionele Britse Christmas Carols,

- 5 Carols for Choirs anthologieën (1961–1987),

·         motetten

- Magnificat,2000, geschreven voor koor van de Sint-Janskathedraal te 's-Hertogenbosch, de Schola Cantorum,

- Nunc dimittis. 2000, geschreven voor koor van de Sint-Janskathedraal te 's-Hertogenbosch, de Schola Cantorum,

 

Nico Hermans (Maastricht 1919 – 11 augustus 1988 studeerde aan het Maastrichts Muzieklyceum en aan het Koninklijk Conservatorium te Kopenhagen compositie en directie bij Finn Höffding en Poul Schierbeck en cello bij Paulus Bache.

Nico Hermans was cellist in het Utrechts Stedelijk Orkest en tweede dirigent van het Maastrichts Stedelijk Orkest. Daarnaast was hij vele jaren dirigent van het Nationaal Jeugdorkest, het Amsterdams symfonieorkest 'Con Brio', het landelijk FASO symfonieorkest (FASO: Federatie Amateur Symfonie Orkesten) en de Capella Majellana te Utrecht.

Nico Hermans componeerde

·         orkestwerken

- Ouverture joyeuse,

- 1e Symfonie, (Sinfonia breve),

- 2e Symfonie (Weekend symfonie),

- Festival ouverture,

- Miniaturen voor groot orkest,

- Harpconcert

- Klarinetconcert

·         kamermuziekwerken

- Ballet pour les petits pieds voor blazersensemble

- Divertimento piccolo voor hobo, klarinet en fagot;

- Serenade voor hobo, viool, altviool en cello;

- Quatre impressions voor tenorsaxofoon en piano

- Impressieflitsen voor vier fluiten

·         liederen

- La flûte de jade, twee liederen voor alt, fluit en harp,

- Deux nocturnes voor mezzosopraan met fluit en piano (of strijkorkest)

·         pianowerken

- Sonatine pour les petites mains (Sonatine voor de kleine handjes).