blokfluiten en blokfluitbouwers


In de middeleeuwen werden de blokfluiten cilindrisch gebouwd, helaas zijn er weinig bewaard gebleven instrumenten.
Tot de vroege 17e eeuw was een blokfluit uit één enkel stuk hout vervaardigd. Hij had een overwegend cilindrische boring. 

Rond 1670 kwam als uit het niets een geheel nieuw blokfluittype op. Ze bestond uit drie delen, met beschermende  uitstulpingen bij de tappen. De kop had een cilindrische boring, het middenstuk en het voetstuk verliepen conisch. De klank was ook volledig anders dan de fluiten die op de oude manier waren gebouwd. Deze ontwikkeling liep parallel met soortgelijke ontwikkelingen bij de hobo (Anthony Rowland -Jones; Tibia 4/2004).

Bewaard gebleven zijn  vooral de grotere instrumenten. Kleine fluitjes zijn haast niet bewaard gebleven, omdat ze werden "afgespeeld". De stemming in tot de 17de eeuw ligt op a' = 440 Hz, dus net als vandaag de dag tot een halve toon hoger, daarna komen er fluiten in (veel) lagere stemmingen.

Door alle eeuwen gebruiken blokfluitbouwers het liefst zachtere houtsoorten zoals esdoorn, berk, bukshout en vruchtbomenhout. Deze houtsoorten zijn gemakkelijke te draaien en te bewerken en geven in het algemeen een warme toon. Esdoorn was en is de meest gebruikte houtsoort.

 

Blokfluitbouwers en muzikanten waren altijd mannen en begonnen als leerling in de huishouding van een meester om het werk te leren. Wanneer een leerling het goed deed, werd hij op een gegeven moment bevorderd tot "gezel", en kon hij later zijn meeser opvolgen, of voor zichzelf als meester beginnen. .

In 1397 werkt er een Nicolaus als fluitmaker in Praag (William Waterhouwe: The New langwill Index, 1993, blz. 281). In 1408 wordt een Bartolomio door de graaf van Urbino betaald voor "iiij flautj novj" (vier nieuwe fluiten). In 1420 woont in Barcelona Guillelmus d'Ager als "tornerius sive flahuterius" (houtdraaier of fluitenbouwer). De eerste afbeeldingen van fluiten zijn op schilderijen aan het hof van Aragon in Barcelona. In een document uit 1541 wordt Jean van Pitchem in Brugge als "fleutmaker" vermeld. In de stad Lyon woonde in 1542 een instrumentenbouwmeester Mathurin de la Noue, waarvan op een inventarislijst naast andere instrumenten ook 8 blokfluiten zijn vermeld.

 

Een van de oudste bouwers waar instrumenten van bewaard zijn gebleven  was Hans Rauch von Schratt, werkzaam in Schrattenbach, een klein dorp, in Beieren. Er zijn daar gegevens over een instrumentenbouwer "Hans" die in 1490 trouwde en in 1526 stierf. De bewaarde fluiten zullen dus van zoon Hans zijn. Hij maakte in 1535 onder meer kolomblokfluiten (gesloten orgelpijpprincipe). Een mooi voorbeeld is daarvan te zien in het Instrumentenmuseum in Brussel, een alt in g1. Een Tenor in c1 en een Bas in f bebinden zich in het Cité de la musique in Parijs, een sopraan in d2 in het Historischen Museum Frankfurt en er is ook nog een alt in g1 in een privéverzameling in Japan. Blokfluitbouwer Guido Klemisch heeft een set kolomblokfluiten perfekt nagebouwd. In München bevindt zich een grootbasblokfluit en in Salzburg een basset met op de ringen een gravure "Hans Rauch von Schratt" en op de fluiten een klaverblad met naar rechts wijzende steel:   

Er was in diezelfde tijd (1450 - 1550) ook nog een Casper Rauch von Schratt(enbach), waar we verder niets van weten. Naast de al genoemde fluiten zijn er uit de Rauchfamilie uit de vroege 16de eeuw vijf grootbasblokfluiten bewaard (2 in Brussel, 1 in München, 2 in Verona), 5 bassentblokfluiten (2 in Merano, 1 in Modena, 1 in Neurenberg, 1 in Parijs)  en een tenorblokfluit. Er zijn nog een paar andere blokfluiten (in Celle, Parijs en Wenen) met zo'n klaverbladmerk, die misschien ook uit de Rauchwerkplaats komen. (Adrian Brown en David Lasocki "Bockflötenbauer der Renaissance, Tibia 3/2007). De grootbasblokfluit in C van 2,6 meter lang, in het Vleeshuis in Antwerpen,  de grootste bewaard gebleven renaissanceblokfluit, de grootste blokfluit, die zonder kleppen voor toongaten drie en vier te bespelen iwordt ook wel toegeschreven aan Casper Rauch von Schratt(enbach),  

 

De bouwersfamilie Schnitzer werkte in München en Neurenberg. De fluiten hebben als kenmerk een "A" voor Albrecht Schnitzer († 1525). Zijn zonen Sigmund I († 1557) en Mathes (1500-1553), die naar Neurenberg trokken,  gebruikten de "A" en dubbele "AA" ook nog, net als zijn andere zonen Hans I (omstreeks 1486 - 1565) en Arsazius († 1557), de zoon van Arsazius: Hans II (omstreeks 1530 - 1601) en de zoon van Hans I: Veit (bezig van 1540 tot 1555). Van de familie Schnitzer zijn vooral bassetfluiten bewaard gebleven (Braunschweig, 2 in Brussel, Kopenhagen, 2 in Wenen) en een trio: Grootbas, basset en tenor in Merano. (Adrian Brown en David Lasocki "Bockflötenbauer der Renaissance, Tibia 3/2007) 

 

Ganassi

n de greeptabellen van de Opera Intitulata Fontegara uit 1535, Venetië, staan in de afgebeelde fluiten drie verschillende fluitmeestertekens: "B", niemand weet noch waar dat op slaat, "A" vermoedelijk van de in München en Neurenberg werkzame familie Schnitzer (stamvader: Albrecht Schnitzer), "klaverblad"-teken, kenmerk van instrumentenbouwer Hans von Schratt.   

De kop van de eerste fluit van de greeptabel in de Opera Intitulata Fontegara (1535) is van een gotische hoofdletter "A" voorzien.
The New Langwill Index (A Dictionary of musical Wind-Instruments makers and Inventers. Ed. Tony Bingham, 11 Pond Street, London NW3 2 PN ISBN 0-946113-04-1) schrijft fluiten met de kapitaal A, al dan niet ondersteboven, toe aan instrumentenbouwfamilie Schnitzer. Ganassi-fluiten zouden dus Schnitzerfluiten kunnen zijn. Er zijn 10 fluiten met A-teken bewaard gebleven. De hoge tonen uit de Ganassitabellen zijn er meestal op te spelen.  

De fluiten waar Ganassi over schrijft zijn de basso (basset) in F, tenore (tenor) in c en sopran (diskant)  in g.
Er is één bewaard gebleven instrument, een g1-altblokfluit in het Kunsthistorisch Museum Wenen (SAM 135), dat vanwege een scheur praktisch niet meer te bespelen is, met een ongebruikelijke boring. Fred Morgan (Australië) en Bob Marvin (Amerika) hebben naar voorbeeld van deze fluit in 1975 een "Ganassifluit" gebouwd. Andere bouwers volgden.  Volgens Adrian Brown zou die in elk geval "Ganassiblokfluit" moeten heten.  Opvallend bij deze fluiten is een praktisch volledig cilindrische boring met een krachtige trechtervormige verwijding aan het ondereind. Dit in onderscheid met alle andere fluiten, ook uit die periode. De fluit krijgt daardoor een uitgesproken dominante klank, die hem geschikt maakt voor solistisch gebruik (Van Eyck), en niet zozeer als consort-instrument. (Stephan Blezinger. Bauliche Unterschiede und Ihre Auswirkungen auf die musikalische Praxis, teil II, Tibia 2/98)

IDe fluit SAM 135 komt oorspronkelijk uit het Italiaanse kasteel Catajo bij Padua, en is aan het eind van de 19e eeuw door de Habsburgers, uit angst voor acties van Italiaanse nationalisten naar Wenen overgebracht (Alec V. Loretto, FoMRHI Quarterly 91, 1998). Bij de fluit hoort een etui (SAM 171), dat voor vier fluiten gemaakt is, dus de "Ganassifluit" was onderdeel van een consort (Maggie Lyndon-Jones FoMRHI Quarterly 92, 1998). De fluit SAM 135 was vermoedelijk dus onderdeel van een blokfluitkwartet (c1, g1, g1, d2 , dus niks solistisch gebruik! (Adrian Brown: Tibia 4/2005). Op zowel foedraal als fluit (voet) is een  "hazenpootteken" (!!) te ontdekken (zie verderop bij Bassano.)

In feite is de "Ganassifluit" in de 70er jaren van de 20ste eeuw "uitgevonden", en heeft zich, vooral door het werk van Fred Morgan ontwikkelt toct een lievelingsinstrument van de moderne bloklfuitspeler, waarvoor 40 eigentijdse composities zijn geschreven. (Adrian Brown: Tibia 4/2005).

 

Bij de bewaard gebleven Renaissance-consorts vinden we drie soorten boringen: konisch, "getrapt"(gestuft?) en cilindrisch. De bekende blokfluitenbouwers (HIES, Rauch, Schnitzer)  gebruikten alle drie boringen tamelijk gelijkmatig. Met een cilindrisch geboord instrument, dat een trompetachtig voetstuk heeft, kan met aan de hand van de greeptabellen uit de Fontegara van Ganassi (1535) "tot aan de sterren spelen". Volgens Adrian Brown bestonden de meeste consorts uit instrumenten in vijf grootten, op F-c-g-d'-a' (a'= 466 Hz) gestemd. (Tibia 2/2004). Van Boaz Berney (Den Haag) leer ik dan weer, dat de meeste bewaard gebleven instrumenten ongeveer a'= 408 Hz gestemd zijn en dat maar 20% van de instrumenten hoger dan a'= 430 Hz liggen.  

Sopraanblokfluiten in c' kwamen in die tijd niet voor. Dat is vermoedelijk een product van de vroege 17de eeuw (David Lasocki, Tibia 1/2010)  

 

Een van de oudste en bekendste familie blokfluitbouwers is de familie Bassano

De fluiten van de familie Bassano zijn gemerkt met een "hazepoot-teken" (!!) wat in werkelijkheid een zijdespinner voorstelt, die in het familiewapen van de Basano’s voorkomt. (David Lasocki; The Bassanos Makers’s Mark Revisited, The Galpuin Society Journal 46 (maart 1993): 114-119.)

(Noot: Adrian Brown, de bekende blokfluitbouwer gelooft hier niets van! De enige ontwijfelbaar geïdentifideerde renaissancefluiten zijn de van Schrattenbach, van Rafi en van Schnitzer,  en dan nog is het vaak onmogelijk vast te stellen van welke generatie van deze bouwersfamilies. Adrian Brown; Tibia-interview 1/2003.)
De Bassano’s bestonden uit een Engelse en een Venetiaanse tak, die met elkaar verwand waren.
Het aantal familieleden dat zich met de houtinstrumentenbouw bemoeide was minstens 22.

Over Jeronimo I schrijft een Venetiaanse arts, Lorenzo Marucini, in 1577: Maestro Gieronymo, il Piva genoemd, uitvinder van een nieuw houten blaasinstrument, uitmuntent houtblazer." Zijn vijf zonen

Alvise, John, Jasper, Anthony I en Baptista Bassano, werden door koning Hendrik VIII in  1539 naar Engeland gehaald als bloklfuitconsort in dienst van het koninklijke hof.
Ze hadden een zesde broer, Jacomo, die hen aanvankelijk naar Engeland begeleidde, maar snel daarna naar Venetië terugkeerde.  Het vermoeden bestaat dat Jacomo de oudste van de zes broers was. Jacomo’s dochter Orsetta huwde een instrumentenbouwer: Santo Gritti, die de Venetiaanse helft van de Bassano-handel erfde. Deze Gritti is beter bekend onder de naam Santo Bassano (uitvinder van de bassanelli (Kurtalen?, houten rietinstrumenten, voorgangers van de fagot), gestorven 3 december 1586, ongeveer 56 jaar oud. Zijn zoon was het beroemdste lid van de Bassano-familie: Giovanni Bassano, komponist en musikus aan de St. Marcus in Venetië vanaf zijn 14e jaar.
(Giulio M. Ongaro: New Documents on the Bassano Family, Early Music 20m, Nr 3 August 1992;  Alessio Rufatti: La famiglia Piva-bassano nei documenti degli archivi di bassano del Grappa; Musica e storia 6/2 1998)
In 1550 werd het blokfluitconsort van de Bassano's uitgebreid naar 6 leden. Het bleef tot 1630 in die vorm bestaan, 90 jaar lang! Latere leden waren Bassano's van de tweede en derde generatie, buitenlanders zoals William Daman, twee leden van de familie Lanier, en vanaf 1593 ook ebnkele inheemse blazers. Deze musici waren ook in staat traverso, zink, schalmei, trombone, luit en viool te spelen.
De Bassano's in Engeland met aanverwanten behoorden tot het enige professionele blokfluitconsort, dat voor de 20ste eeuw bestond.
(David Lasocki met Roger Prior: The Bassanos: Venetian Musicians en instrument makers in Engeland, 1531-1665, Aldershot 1995, Scolar Press)
Bewaard gebleven consortcomposities: vier vijfstemmige Fantasieën van Jeronimo II (1550 - 1575 ontstaan. (David Lasocki, Tibia 2002/1).
Er zijn zes blokfluiten met het bouwersmerk HIES (een grootbasblokfluit, drie basblokfluiten, twee bassetten), zeven met het teken HIER S (drie bassetten, drie tenoren en een altblokfluit) en 3 met het teken HIEROS (een grootbasblokfluit, een basblokfluit en een basset)  bewaard gebleven in Wenen, Sibiu (Roemenië, 2 bassetten, een basblokfluit en het kopstuk van een grootbasblokfluit) en Verona. Deze tekens schijnen vatiaties op de naam Hieronimus te zijn. De stamvader van de Bassano's heette Jeronimo. Zijn zonen noemden zich "de Jeronimo", en hanteerden daarom wellicht het de "HIER"s tekens.
Andere mogelijkheden zijn de Venetiaanse tak van de Bassano's: Jeronimo I, Jacomo, Santo, Of geheel andere in de buurt van Venetië woonachtige instrumentenbouwers: Hieronimo de Udie of Jehronimo Geroldi (Maggie Lyndon-Jones: Who was HIE.S/HIER.S/HIERO.S?) FoMRHI Quarterly 83, April 1996)
Wellicht zijn ook de vijf musici op het titelblad van Ganassis Opera Intitulata Fontegara (Venetië 1535) Bassano's. (Maggie Lyndon-Jones FoMRHI Quarterly 83, April 1996).

n het Museo degli instrumenti musicali in Rome bevinden zich vier blokfluiten die oorspronkelijk zijn verzameld door Benedetto Marcello, bekend door zijn 12 blokfluitsonates. Ook deze hebben een "hazepootstempel", dus van Bassano? (Maggie Lyndon-Jones; FoMRHI Quartertly 90, 1998).

 

In Frankrijk werkten ook Bassano's in Lyon. Daarnaast wordt in Lyon omstreeks 1500 een Jaques Pillon als "faiseur de flustus und joueur de fluste" vermeld. Ook werden vader Michaud Rafi (Rafin, Raphin, † 1524) en zoon Claude Rafi (Lyon, 1515-1553) als "fleustier & fleusteur" aangemerkt. (Windkanal 2003/4; Tibia 4/2007)). Er zijn muziekwetenschappers die denken dat de blokfluiten op de fresco van Romanino in Trente blokfluiten van Claude Rafi zijn. Ook de in Rome bewaarde basblokfluit met het teken M. RAFI zal uit dez familie afkomstig zijn. De Accademia Filarmonica in Verona bezit een tenorblokfluit met het kenteken Cl. RAFI.

 

De muziekinstrumentenverzameling van de Accademia filarmonica di Bologna , gegrondvest door graaf Vincenzo Maria Carrati (1634-1675), bevat 65 instrumenten, waaronder 13 blokfluiten. Van deze blokfluiten zijn er twee gestempeld met C: RAFI (een tenor, een basset) en 9 met PtGRECE (4 tenoren, 3 bassetten, 2 grootbassen ), 1 met !! !! (tenor) , en een volledig anonym (tenor). Al deze blokfluiten staan vermeld in een notariële kopie van het testament van Carrati.  De blokfluiten werden voor het eerst in 1981 opgemerkt door Filadelfio Puglisi ("The 17th-Century Recorders of the Academia filarmonica of Bologna" Galpin Society Journal 34 (1981) blz. 32-43). Hij dacht dat alle blokfluiten wel eens gebouwd zouden kunnen zijn door nakomelingen van de Franse blokfluitbouwer Claude Rafi. Die zijn namelijk in Noord-Italië van het eind van de 16e tot het midden van de 17e eeuw aan het werk geweest. De Romeinse blokfluitbouwer Francesco Li Virghi veronderstelt dat P.Grece in de werkplaats van Rafi heeft gewerkt als instrumentmaker, dat het misschien wel zijn broer was.

(Marco Tiella:  Windkanal 2004-3)   

 

Er zijn negen bewaarde blokfluiten met het teken HD: twee basetten (Darmstadt, Frankfurt), 5 tenoren (Berlijn 2, Brussel 1, Frankfurt 2) en twee altblokfluiten (Frankfurt). Het zijn insrumetnen uit de 16de/17de eeuw, niet duidelijk is aan welke bouwer ze moeten worden toegeschreven (Tibia 4/2007).

 

1646 - 1705 Richard Haka. 15 blokfluiten in Nederland bewaard. Geboren in Londen (Harker?) in 1646. Vader Thomas maakte wandelstokken en kwam in 1652 als jongen met zijn familieuit Londen naar Amsterdam. Zijn vader was wandelstokkenmaker In 1676 is hij getrouwd met Grietje van den Bogaart. Woonde in de Kalverstraat, aan het Spuy  "In de vergulde Basfluyt"(!!), Singel en Keizersgracht. Maakte zowel ééndelige blokfluiten (daar zijn er drie van)  in vroegbarokke als driedelige instrumenten met uitbundig draaiwerk en een gecompliceerde inwendige vormgeving volgens de  nieuwe franse stijl. Overleden in 1705.

In 2003 is  bij opgravingen in de Amsterdamse wijk De Jordaan een eendelige sopraanblokfluit  van Richard Haka opgegraven. De fluit is van een soort palissander versterkt met ivoor. De vindplaats is niet ver van het Spui. Het is het enige  teruggevonden instrument met zo'n sterke Amsterdamconnection. Onder inventarisnummer TLDW-1 is het in het Historisch museum in Amsterdam tentoongesteld. (Tibia 3/2004) Een identieke Richard Haka fluit van ivoor was al eerder te bewonderen in de Endinburgh University Collection.

In het jaar 1685 verkocht Richard Haka 40 instrumenten aan de Zweedse koninklijke Marine. Daaronder waren 9 blokfluiten van bukshout: Bass, quint, taille (3), alt (2) en discant (2) Vermoedelijk waren dat een Basset, tenor, alt, Third of fourth flute en sopraan (Jan Bouterse: Journal of the American Musical Instrument Society 26, 2000)   

Zie ook de paragraaf "Bewaard gebleven (Nederlandse) blokfluiten"

 

De Rosenborg-blokfluiten   zijn twee blokfluiten in vroegbarokke stijl, vervaardigd uit de stoottand van een narwal. De fluiten zijn vóór 1673 gebouwd en ergens tussen 1673 end 1696 uit het koninklijk paleis in kopenhagen naar Slot Rosenborg overgebracht. In 1980 werden ze daar door Eva Legène (zie geschiedenis 3/ Amerika) ontdekt. Eva Legène vroeg Fred Morgan voor haar kopieën  van narwal te maken. Dat deed Fred en sindsdien gebruikt Eva deze kopieën tijdens concerten. Er zijn ook kopieën gemaakt door Ture Bergstrsøm (zie geschiedenis 3/ Scandinavië)

 

Neurenberg was een van de beroemdste centra voor blokfluitenbouw .


Hieronimus Franziskus Kinsecker (1636 - 1986) was  werkzaam als  hout- en beendraaier in  Neurenberg omstreeks 1670 - 1690. Hij is verantwoordelijk voor de bekendste instrumenten uit deze tijd: een zevendelig ensemble van steeds twee sopraan-,alt- en tenorblokfluiten en een bas uit ongeveer 1670

(c'' c'' f' f' c' c' f ). Het "Kynseker-Consort" is van pruimehout. Klank en stemming zijn van matige kwaliteit, maar de instrumenten zijn nog in goede staat en als zodanig een lonend voorbeeld voor reconstructie. Ze zijn bewaard in het Germanisches Nationalmuseum Nürnberg. Hieronimus Kynseker was de eerste bouwer van houten blaasinstrumenten die zijn volledige naam en woonplaats op zijn instrumenten stanste. Er zijn elf blokfluiten en één flageolet van hem bewaard gebleven.  

 

Voor de ontwikkeling van de blokfluitenbouw in Duitsland zijn de blokfluiten van Johann Christoph Denner (Neurenberg, 13 augustus 1655-1707) van grote betekenis geweest. Johann Christoph Denner ontwikkelde de chalumeaux, en vond de klarinet en de barokranket uit. Zijn instrumenten dragen de signatuur "J.C. Denner" in een wimpel, en ook wel de letter D. Zijn vijf jaar jongere broer Johann Carl Denner werd net als broer Johann Christoph door hun vader Heinrich Denner opgeleid tot blaasinstrumentbouwer. Johann Carl werd een specialist op het gebied van blokfluit en flageolet, maar raakte in conflict met de gezellenvakbond, omdat hij zich precies aan de regeltjes hield. Hij kon daarom niet onder zijn eigen naam inatrumenten signeren en het is onduidelijk of er instrumenten van hem bewaard gebleven zijn. Johann Christophs oudste zoon Jacob Denner (Neurenberg, 1681 - 1735) werd door zijn vader opgeleid en kreeg omstreeks 1719 het meesterrecht. Er zijn verkooplijsten uit 1710 (4 altblokfluiten. 1 tenor, 1 bas) en 1720 (3 altblokfluiten, 1 tenor, 2 bassen). Behalve blokfluiten zijn er  traverso's (6 exemplaren), pommers, hobo's, klarinetten en fagotten van hem bewaard. Zijn instrumenten dragen de wimpel I. Denner of de initialen I.D. onder een dennenboom. Van Johann Christoph Denner en Jacob Denner zijn 12 altblokfluiten, daarnaast tenor- en basblokfluiten en kleinere instrumenten bewaard gebleven. Een altblokfluit van ivoor uit de nalatenschap van Peter Harlan bevindt zich in het Burg Sternberg, een andere ivoren altblokfluit bevindt zich in het Tsjechische Muziekmuseum in Praag. Dan is er nog een ivoren altblokfluit in het Muziekinstrumentenmuseum in Berlijn en en een ivoren flageolet in de muziekinstrumentenverzameling van de Universiteit van Göttingen. (Peter Thalmeier: Tibia 2011/2). Een bekende en veel nagebouwde altblokfluit van buxus in F bevindt zich in het Germanischen Nationalmuseum in Neurenberg (Inv. Nr. MI 139)   

.

Er zijn enkele blokfluiten bewaard gebleven van Nikolaus Staub (Neurenberg, 1664-1734).

 

Van 1674-1711 leefde in Neurenberg de blokfluitbouwer Johann Benedikt Gahn. Er zijn ongeveer 18 blokfluiten van hem bewaard gebleven, meestal uit ivoor vervaardigd. Een prachitge sopraanblokfluit bevindt zich in de particuliere verzameling van Willi Burger, Zürich (was in 2002 79 jaar)

 

Er zijn veel prachtige bewaard gebleven instrumenten van beroemde blokfluitbouwers zoals Peter  Bressan (Engeland 1663-1731), Denner (Duitsland), Steenbergen en Terton (Nederland), Thomas Stanesby senior (Engeland, 1668 - 1734) en Thomas Stanesby junior (Engeland, 1692 - 1754). In het museum van Chester wordt een goed onderhouden consort prachtige Bressanfluiten bewaard.

 

Jan Steenbergen perfectioneerde na 1700 aan zijn draaibank in Amsterdam een prima altblokfluit. Een enkel exemplaar is overgebleven en veel nagebouwd.

 

In het magazijn (waarom daar?, vraag je je af) van het kasteelmuseum in Quedlinburg (Duitsland?) bevinden zich 5 eendelige renaissance blokfluiten in een foedraal, waar er duidelijk 7 ingezeten hebben  (g d' d' g' g' niet aanwezig: c' c') De blokfluiten gemerkt met het merkteken van Johann (Hans?) Schell (1660-1732). Vermoedelijk zijn ze gemaakt door een voorganger van Schell, die het merkteken heeft doorverkocht. Rüdiger Herrmann (Tibia 3/2003) houdt het op circa 1600. Wel uit Neurenberg, natuurlijk.

 

Wie de dure blokfluiten uit Neurenberg niet kon betalen, ging naar minder beroemde bouwers: Walch (Brechtesgaden),  Scherer (Butzbach), Schlegel (Basel). Verschillende waardevolle blokfluiten van Christian Schlegel  zijn in het Muziekmuseum van Basel bewaard, waaronder een barokke dubbelblokfluit. en twee basblokfluiten in G.

 

In Brechtesgaden in de buurt van Neurenberg werkte de familie Walch: Augustin Walch (*28-02-1668), Andreas Walch (*20-11-1672).  Uit de tweede helft van de 18de eeuw is een akkoordfluit van L(orenz?) Walch bewaard gebleven.

En er werden omstreeks 1720 blokfluiten gebouwd door Peter Eggl (*1687) en N. (Nikoalus?) Fische, bewaard in het Germanisches Nationalmuseum Nürnberg.  

 

 

 

In Butzbach (Hessen) werkte de familie Scherer: Johannes Scherer I (1664-1722), die het vak vermoedelijk in Parijs had geleerd, Johannes Scherer II (een bericht uit 1711) en zijn zoon Georg Henrich Scherer (1703 - 1778)

 

In Frankrijk werkte  De familie Hotteterre:

Loys de Haulteterre (†  1628, getrouwd met Jehanne Gabriel) , houtdraaier uit La Couture-Boussey in Normandië, was beroemd om zijn bukshoutplantages. Bukshout werd door veel blaasinstrumentenbouwers gebruikt.     
Zijn oudste zoon Jean Hotteterre (*ca 1610, getrouwd met Marguerite Delalande)   vestigde zich in 1636 in Parijs († 1691) Hij was een bekende flageoletspeler en verbeterde de Musette. Hij begon een instrumentenmakerij (merk: "HOTTETERRE" en anker), waarin zijn oudste zoon  Jean II in 1654 als gelijkberechtigde partner werd opgenomen.

In 1651 werd Jean I lid van de hautbois et musettes de Poitou, de koninklijke stoeterij, die bestond uit schalmeien en doedelzakken. Jean II kreeg een aanstelling bij de hautbois et violons du roy, het kamerorkest van koning Lodewijk XIV.

Jean I’s tweede zoon: Martin (1635-1712, getrouwd met Marie Crespy ) erfde vanaf 1659 van zijn vader het lidmaatschap van de houtboys en musettes de Poitou, en nadat zijn broer Jean II vermoord was (!!), erfde hij ook het lidmaatschap van de hautbois et violons. Daarnaast  werd hij een beroemde instrumentenbouwer. Hij specialiseerde zich op blokfluiten en traverso’s.

Zijn zoon Jacques Martin Hotteterre le Romain (zie componisten) gaf de instrumentenbouw in 1720 op en trok zich in feite in 1728 uit de zaak terug.

Omstreeks 1660 bevond zich ook Nicolas 1653-1727, neef van Jean I in Parijs. Hij begon daar ook een werkplaats (merk "N" en een zesstralige ster) , waar hij zoveel werk kreeg, dat hij zijn vader (heette ook al Nicolas, om het eenvoudig te houden) en een paar broers er bij haalde.  

Onder die broers was ook een Louis Hotteterre (1647-1716) die in Parijs vlakbij de andere werkplaatsen een derde werkplaats begon (merk: "L" en fleur-de lys: een gestileerde lelie)De Hotteterres hadden op een gegeven moment twee werkplaatsen, die op Louis I  en Nicolas I (merk "N" en een zesstralige ster) teruggingen.

De derde zoon van Louis I:  Jacques Hotteterre heeft in 1675 als musicus aan het Engelse hof gewerkt. Hij was waarschijnlijk degene die Franse houtblaasinstrumenten in Engeland invoerde.

De Hotteterres hadden vanuit Parijs een toonaangevende invloed op de technische ontwikkeling van de bouw van verschillende houtblaasinstrumenten. Hun voorstellen bij de overgang van schalmei naar hobo, van dulciaan naar fagot, van eendeligheid naar meerdeligheid bij traverso’s en blokfluiten en het gaan toepassen van een omgekeerd konische binnenboring werd door bouwers in Duitsland en Engeland dankbaar overgenomen. Ongeveer 20 instrumenten van de familie Hotteterre: alt- tenor- en basblokfluiten, traverso's en hobo's zijn bewaard gebleven. Ze zijn meestal van bukshout of esdoorn, maar ook al van harde houtsoorten als ebbenhout en grenadil, met ivoren ringen en kunstig draaiwerk versierd.  Alle instrumenten zijn driedelig, met een brede, konische binnenboring. Dat leidt tot een boventoonarme klank, maar wel warm, licht en rond, karakteristiek voor de barokke blokfluit. (Peter Holtslag Tibia 2/2006). Het tot op de dag van vandaag veel gebruikte type van de "barokblokfluit" gaat op de types van de familie Hotteterre terug.

De familie Hotteterre ontwikkelde een traverso waar goed op te spelen was. Op den duur zou dit instrument met zijn grotere dynamische mogelijkheden de blokfluit geheel verdringen.
Een bijzonderheid van de Hotteterreblokfluiten is hun duidelijk gebogen bek. De Hotteterres vervaardigden complete blokfluitconsorts.

Alle teruggevonden blokfluiten van franse herkomst uit de jaren 1640-1690 zijn in een van de drie Hotteterrewerkplaatsen gebouwd. Het betreft 18 instrumenten. (N.S. Landers Recorder Home Page": Original Recorders, Makers & Collections, 2004)

Bij de 18 bewaard gebleven Hotteterrefluiten bevinden zich 3 bassets. 
(Tula Giannini: Jacques Hotteterre le Romain and his Father Martin: Re-Examination Based on Recently Found Documents, Early Music 21, nr. 3 (augustus 1993).

Er zijn nogal wat livrets (libretto's) teruggevonden van balletten van Lully.  

In het livret van  L'amour malade, 17 januari 1657 staan tien "hautboys" vermeld, waaronder "Les Sieurs Obterre le père, Obterre fils aisné et Obterre le cadet (Vader Jean, zoon Jean, Martin).

 (Anthony Rowland-Jones: Tibia 4/2004)

Lully schrijft in zijn ballet Royal d'Alcidante in 1659 een Ritournelle de flustes a 4. Parties voor een blokfluitconsort van 4 verschillende grootten. 

 

In Milaan werkte de instrumRentenbouwer Giovanni Maria Anciutti  (1674 - 1744). Van hem zijn 12 blokfluiten, 5 dubbelblokfluiten, 15 hobo's, een contrafagot en een basdwarsfluit bewaard.

In Engeland werkten in de 17de en 18de eeuwde blokfluitbouwers Thomas Garrett (Londen), de Meester van Bradbury (Stapleford), Thomas Stanesby Senior en Thomas Stanesby Junior

John Just Schuchart (Duitsland 1695 – Londen, 1759)  schijnt omstreeks 1720 van  Duitsland naar Engeland verhuisd te zijn. Tot zijn dood in 1759 had hij in Londen zijn eigen  werkplaats voor het bouwen van blaasinstrumenten . Er zijn verscheidene fluiten van hem bewaard gebleven . Of van zijn zoon Charles (omstreeks 1720 – 1765) want hun instrumenten  (blokfluiten, hobo’s, klarinetten enfagotten) zijn niet van elkaar te onderscheiden.

 

 

B. Reich, Duitsland (?), begin 18e eeuw, sopraanblokfluit in  het Muziekinstrumentenmuseum van Brussel en instrumenten in de muziekinstrumentenmusea van Berlijn en Leipzig. De weinige Reich instrumenten die er nog zijn getuigen van uitstekend vakmanschap.

 

 

 

Naamgeving van fluiten

In de 18e eeuw worden de blokfluiten in Engeland benoemd in relatie tot hun afstand naar de altblokfluit in F. Een sopraanblokfluit in Engeland Fifth flute genoemd, omdat de C de vijfde toon bóven de F is, een sopraanblokfluit in D, veel gebruikt voor werken in kruistoonaarden, heette een Sixth flute, en een sopraanblokfluit in Bes, makkelijk voor gebruik in moltoonaarden een Fourth Flute

In het Gemeentemuseum in Den Haag ligt een Third Flute, een altblokfluit in A, van de Nedrlandse bouwer  Robert Wijne (1698-1774). Veel gebruik werd in de 18de eeuw (en ook nu nweer) gemaakt van de Voice Flute, een tenorblokfluit in D, waarop de alle traversomuziek in de originele toonaard kon en kan spelen. Van Peter  Bressan (Engeland 1663-1731) zijn wel tien Voice flutes bewaard gebleven,  >

in Duitsland  werd in de 18de eeuw de sopraanfluit Quartflöte, in Nederland Quartfluit genoemd. Daar telden ze de andere kant op.

 

 

Instrumenten uit de verzameling van Frans Brüggen.

Van links naar rechts:

1. "fourth flute" (tenor in Bes) van Thomas Stanesby junior

2. tenor in C van Hotteterre

3. "Voice Flute" van Peter Bressan

4. altblokfluit in G van Johann Benedikt Gahn

5. sopraanblokfluit in C van Robert Wayne

6. "sixth flute" van Thomas Stanesby junior

7. sopranino in F van Hallet

(foto uitgeverij Mollenhauer)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

         1.          2.         3.        4.        5.     6.      7.       

 

Er is nogal wat onenigheid over de stemming van altblokfluiten.

Er zijn vijftien bewaard gebleven altblokfluiten van Duitse blokfluitbouwers (vooral van Gahn en Oberlender uit Neurenberg) met een lengte van 43 - 45 cm (A= 466 of hoger)

Twee altblokfluiten van Rippert (Parijs) zijn 46 cm lang

De stemming in de 17e eeuw was ca. a'=460 Hz.
Terwijl Praetorius (1618) C-,D-, en ook F-,G-fluiten uitvoerig beschrijft, heeft zich in de 2e helft van de 17e eeuw duidelijk de C/F-stemming gevestigd, wel in de hoge stemming natuurlijk, wat nogal eens tot misvattingen heeft geleid, dat het hier om D/G-fluiten zou gaan.
In de loop van de 17e eeuw zakt de stemtoon op a'=430 Hz (Italië), 392 Hz (Frankrijk), 410 Hz (Duitsland/de Nederlanden), 405 Hz (Engeland). In de grond van de zaak heeft elke stad of elke regio zijn eigen stemming, afhangend van de aldaar gebruikte lengtemaat (de voet). Instrumenten van 415Hz zijn er nergens nooit geweest!
Op instrumentkundige gronden moet geconcludeerd wordend dat de spaarzame originalliteratuur voor blokfluit uit de 17e eeuw voor F- en C-fluiten is geschreven. Dat geldt ook veer de meeste werken uit de hoogbarok.
Alle in Duitsland gebouwde d'-fluiten (Denner, Schell, Oberländer) en ook de Franse (Rippert), moeten gezien worden als c'-fluiten in koortoon.
(G.M.Klemisch: Zum artikel Karel van Steenhoven, Tibia 2/98)

 

Akkoordblokfluiten

Twee of meer op de een of andere manier aan elkaar verbonden fluiten, daarvan is al vanaf 480 voor Christus (jonge Aulos-bepeler uit de Tombe van de Tuffatore (grafkelder van de duiker) in Paestum, Zuid Italië, sprake.

 

In encyclopedieën en traktaten uit de 17de tot de 19de eeuwe is sprake van Flauto doppio, Flûte double of Flageolet à plusieurs tuiaux.

 

Een beroemde afbeelding van een losstaand fluitenpaar is het detail uit een fresco van Simone Martini uit ongeveer 1330 in de kapel van Sint Maarten in de onderbasiliek van de heilige Franciscus in Assisi.

 

 

 

 

In de oudste bewaard gebleven opera: Euridice (1600) van Jacopo Peri, moet een optreden van de herder Thyrsis  begeleid worden door een Zinfonia su un triflauto.

 

Muziekwetenschapper Athanasius Kircher vermeldt in zijn Musurgia Universalis (1650) de Armonia di flauti, die zou bestaan uit een aanblaaspijp en vier bourdonpijpen.

In Bologna is zo'n instrument, gebouwd door Manfredo Settala bewaard in het Museo Internazionale e bibliotheca della musica.

 

 

 

 

 

In de Enyclopédie van Diderot en d'Alembert en de daarbij behorende illustraties, wordt in deel 5, Planche VIII een Flute d'áccord getekend en beschreven:

Ook op de prent Der Pfeiffenmacher (de fluitenbouwer; 1698) van Johann Christoph Weigel wordt duidelijk een accoordfluit afgebeeld.

Er zijn twee ivoren akkoordfluiten bewaard van Giovanni Maria Anciutti (circa 1720) , en houten akkoordfluiten van Veyrat,I.P. Lebrun, Christian Schlegel, Robert Wyne, Friedrich lehner, Ulrich Ammann, en uit de werkplaatsen van Scherer en Walch. Van de Nederlandse blokfluitbouwer Michiel Parent ("Inventeur der dubbelde Fluyt") zijn vier akkoordfluiten bewaard gebleven.

Hoewel de akkoordblokfuit dus een veelgevraagd en veelgemaakt instrument moet zijn geweest is er geen enkel muziekstuk voor akkoordblokfluit bekend. (Nik Tarasov: Akkordflöten, Windkanal 2008 -4)

Sommigen menen dat de echo-fluit die Johann Sebastian Bach voot zijn 4de Brandenburgse Concert voorschrijft een akkoordfluit moet zijn geweest. Concerto Köln (fluitiste Cordula Breuer) heeft een echofluit laten bouwen door  fluitenbouwer Andreas Schöni voor  hun opname van het 4de Brandenburgse concert:

Een akkoordfluit heeft echter in principe niets met echo's van doen, dus hoe zinvol dit is?

 

In het begin van de 19de eeuw zijn een aantal tripleflageolets gebouwd, waar driestemmig op gespeeld kan worden. In verzamelingen en musea zijn er nog 12  terug te vinden.

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Zie voor blokfluitbouwers en blokfluitbouw in de 18de en 19de eeuw ook het hoofdstuk "De blokfluit ná de barok"