B1. Ontwikkelingen en vormen vanaf ongeveer 1550

 

Ontwikkelingen

 

Rond 1600 ontstaat een compleet nieuwe manier van componeren. De lange lijnen en het contrapunt van de Renaissance maken plaats voor het zingend spreken, het recitar cantando van de Barok.

Er komt een ander manier van muziek maken. Dde polyfonie van de laatrenaissance was steeds complexer geworden. Er ontstonden werken zoals het veertigstemmige motet Spem in Alium van Thomas Tallis. Hemelse, geweldige muziek, maar door al die zelfstandig door elkaar krioelende partijenonverstaanbaar en moeilijk invoelbaar. Italië raakte geïnteresseerd in de kunst en cultuur van het oude Griekenland. Een nieuwe muziekvorm ontstond: Le nuove musiche.

Verschuivingen vinden plaats van polyfonie naar monodie, eern melodie met accoordbegeleiding. De muziek moet op een zo intensief mogelijke manier de woorden en beschreven emoties tot uitdrukking brengen. Er ontstaat een strrom van nieuwe vocale composities: canzonette, madrigalen, aria's en cantates.

De eerste opera’s worden gecomponeerd, en de vernieuwingen die zij muzikaal in zich dragen worden al vrijd snel in de kerkmuziek overgenomen. Orattoria ontstaan.

Virtuoze spelers ontwikkelen zich zelfstandig en gaan schrijven voor hun eigen instrument. Er worden nieuwe vormen gezocht voor instrumentaal muciseren: fantasia en canzone.

In Venetië ontstaat het eerste blazersensemble.

 

Instrumentontwikkelingen.

Het meest oorspronkelijke instrument voor de begeleiding van zangers in het Germaanse was de harp. Luiten waren er nog niet. Uit de tiende eeuw kennen we een op een luit lijkend instrument met een lange hals, dat in veel opzichten overeenkomt met de citole, een instrument in Spanje en Italië in de twaalfde eeuw. In de dertiende eeuw werd de quintem populair, ook een luitachtig instrument dat met een plectrum werd bespeeld. De luit is sowieso afkomstig uit de Spaanse Islamcultuur, vanaf 3000 voor Christus werden er in Mesopotamië als luiten gebruikt.

 

In de Noordelijke Europese werd er in de twaalfde eeuw op een crwth gestreken, in de Zuidelijke op de vedel en de rebec. In de dertiende eeuw was de vedel hèt begeleidingsinstrument voor zangers. Daaruit ontwikkelde zich op den duur de gamba's en de violen.

De eerste keer dat de "vyollon" in een geschreven bron voorkomt is in 1523. Aan het einde van de vijftiende eeuw werd de viool, die zich ontwikkelde uit de vedel en de viola da gamba, ook al bij kerkdiensten als instrument gebruikt, wat meehielp aan de snel groeiende populariteit inde 16de eeuw. de renaissance viool werd vanaf 1500 populair aan het hof van Savoye, van daaruit in Frankrijk omstreeks 1550. In de tweede helft van de 16de eeuw verbreidde het instrument zich naar Duitsland, de Nederlanden, om omstreeks 1600 in Engeland te arriveren.

 

De nieuwe muziekvormen die in de 17de eeuw een hoge vlucht nemen, ontwikkelen zich per Europees land ietwat verschillend.

Dat heeft ook te maken met de godsdienstverschillen die in de 15de eeuw zijn ontstaan: Italië en Frankrijk Rooms-katholiek; Duitsland Luthers; Engeland Anglicaans.

Maar zelfs in het land dat in eerste instantie de leidende rol in de muzikale ontwikkelingen van de Franco-Nederlandse componisten overnam: Italië, waren nogal verschillende stromingen:

 

De Venetiaanse School bestond uit de groep componisten die in de periode van omstreeks 1550 tot 1610 in Venetië werkzaam waren. De eerste componist uit deze school was de Vlaming Adriaan Willaert, nog een duidelijke Franco-Nederlandse-schoolcomponist. Hij ontwikkelde als Maestro di capella in de San Marcobasiliek de meerkorigheid.

Na de dood van Paus Pius IV en de plundering van Rome (1527) nam de culturele betekenis van Rome af en werden andere Italiaanse steden, waaronder Venetië, belangrijker. De grote San Marcobasiliek in Venetië eiste een geheel andere manier van componeren dan de polyfone stijl van de Franco-Vlaamse School. Bovendien eiste het concilie van Trente een goede verstaanbaarheid van de muziek, ook een belemmering voor de polyfone stijl was.

De Republiek Venetië had een open blik op de Levant en was een broedplaats voor vernieuwende muziek. De muziekdrukkunst nam er een hoge vlucht.

De componisten gingen experimenteren met de ruimte van de San Marcobasiliek en stelden meerdere koren en groepen instrumentalisten op verschillende plaatsen in de kerk op. Hierdoor ontstond de voor de Venetiaanse muziek kenmerkende meerkorigheid met cori spezzati verspreid opgestelde koren). Voor het eerst in de geschiedenis van de westerse muziek gingen nu ook dynamiek (geluidsterkte) en klankkleur een rol spelen in de compositie (Sonata pian e forte van Giovanni Gabrieli). De Venetiaanse School een belangrijke rol bij de emancipatie van de instrumentale muziek, die zich tot die tijd nauwelijks van de vocale muziek onderscheidde.

Andrea en Giovanni Gabrieli (oom en neef) ontwikkelden ook de concertato-stijl (afgeleid van “concertare”, wedijveren of samenspelen), waarbij groepen instrumenten of stemmen in afwisseling een melodie delen, bijna altijd boven een basso continuo, wat prima paste bij de meerkorigheid. Al snel werd de concertatostijl populair in heel Europa, ook al omdat het composities met een extreem dramatisch karakter mogelijk maakte.

De Venetiaanse School had een grote invloed op de ontwikkeling van de barokmuziek in geheel Europa. Vooral uit Duitsland kwamen veel componisten naar Venetië om hier les te nemen. De bekendste hiervan is Heinrich Schütz, in wiens werk de invloed van de Venetiaanse dubbelkorigheid duidelijk hoorbaar is.

Componistenvan de Venetiaanse School waren

Cypriano de Rore,

Claudio Merulo,

Andrea Gabrieli,

Giovanni Gabrieli

Claudio Monteverdi.

Prima pratica (eerste werkwijze) of stile antico (oude stijl) werd gebruikt door de aanhangers van de nieuwe concertante barokstijl, de seconda pratica (tweede werkwijze) of stile moderno, om de voortzetting van de polyfone Franco-Nederlandse muziek te karakteriseren zoals die door bijvoorbeeld de Romeinse School werd gepraktiseerd. De term prima pratica werd voor het eerst gebruikt in de muziekstijldiscussie tussen Giovanni Artusi en Claudio Monteverdi (1601 – 1607)

De seconda pratica, de stile moderno gaf boven en naast de polyfonie de voorkeur aan de monodie: een enkele vocale melodische lijn, met een instrumentale (basso continuo) begeleiding. De term monodie word met name gebruikt voor de Italiaanse liederen van 1600 tot 1640. De term op zich is 20ste-eeuws: in geen enkel 17de eeuws hoofd kwam het op hun madrigalen, motetten, canzones of concerto’s “monodie” te noemen. Schoolvoorbeeld van Monodie: De liedcollectie Le nuove musiche (de nieuwe muziek) van Giulio Caccini (Florence, 1601). Claudio Monteverdi is hèt boegbeeld van de seconda praticA

In Noord-Italië ontwikkelt  zich de Stile rappresentativo, een zangstijl in de vroege Italiaanse opera aan het eind van de 16de eeuw, waarbij de tekst meer expressief dan spraak gebracht wordt  maar nog niet echt als een aria. Een dramatische recitatiefstijl van de vroege barok waarbij melodieën vrij bewegen boven een fundament van eenvoudige accoorden

Voorbeelden:  Euridice van Peri (1600) en L'Arianna van Monteverdi  (1608).

De Romeinse School bestond uit een groep componisten die vanaf het midden van de 16de eeuw tot in de 17de eeuw in Rome werkten. De Romeinse school ontwikkelde de polyfonie van de Franco-Vlaamse of Nederlandse school verder door en uit. Geen wonder: veel Franco-Nederlandse componisten : Josquin, Obrecht en Arcadelt leefden en werkten in Italië. Het zwaartepunt in de muziek van de Romeinse School lag op meerstemmige vocale muziek, die melodisch, harmonisch en ritmisch vloeiend verliep: oratoria, cantates, serenata's, kamer- en orkestmuziek.

Veel van de componisten hadden een rechtstreekse relatie met het Vaticaan en het koor van de Sixtijnse Kapel. De Sixtijnse kapel was voltooid door Paus Sixtus IV (1471 - 1484), vandaar de naam. Sixtus IV formeerde naast de bestaande cappella papale, een nieuw privékoor: de cappella sistina, met 12 mannen en 12 jongens. Zijn opvolgers Julius II (1503 - 1513) en Paulus III (1534 - 1549) voltooiden de kooropbouw. Vooral Paus Paulus III, afkomstig uit de familie Farnese was een kunstzinnig man.Hij gaf Michelangelo opdracht om de Sixtijnse kapel te decoreren en de S, int Pieterkerk te herbouwen en was heel toegenegen aan zijn kapelmeesters Jacob Arcadelt en  Giovanni Pierluigi da Palestrina; Dat gold niet voor de opvolgers, vooral Paulus IV (1555 - 1559) was een zuurpruim die terugwilde naar sober en ouderwets. 

De kerkmuzikale eisen van de Contrareformatie, die op het Concilie van Trente (1545 – 1563) waren geformuleerd:

- verstaanbaarheid van de tekst;

- het gebruik van wereldlijke melodieën als bron voor (parodie)missen en motetten werd ontmoedigd, 

werden door de Romeinse school in de praktijk omgezet.

Componisten van de Romeinse school waren onder meer:

- Giovanni Pierluigi da Palestrina; de “Palestrina-stijl” toppunt van de ontwikkeling van honderd jaar Franco-Nederlandse polyfonie, was in de Romeinse school breed vertegenwoordigd.

- Tomás Luis de Victoria

- Gregorio Allegri.

Er was een behoorlijke wisselwerking tussen de componisten van de Romeinse school en andere componisten in Rome, zoals madrigaalcomponist Luca Marenzio, van wiens in die tijd buitengewoon populaire madrigalen de Romeinse school expressieve technieken zoals woorschildering overnam voor gebruik in een liturgische zetting. 

Met de componisten

Giovanni Francesco Anerio;

Emilio de' Cavalieri

was de Romeinse school de geboorteplaats van het oratorium.

Cavalieri's Rappresentatione di Anima et di Corpo was de eerste gedrukte partituur die becijferde bas gebruikte, dus zo conservatief was de school nu ook weer niet.

In het begin van de 18de eeuw leefde in Rome de cultuurhongerige schatrijke maecenas kardinaal Pietro Ottoboni (Venetië, 2 juli 1667 - Rome, 29 februari 1740). Zijn pallazzo was één groot cultureel en muzikaal centrum. Alle grote componisten en musici uit zijn tijd: Handel, Vivaldi, Corelli, Locatelli enzovoort kwamen er over de vloer en er werden de meest prachtige concerten, cantates, opera's en oratoria uitgevoerd. Andere mecenassen waren: koningin Christina van Zweden, koningin Maria Casimira van Polen, Prins Francesco Maria Ruspoli en de kardinaal Benedetto Pamphili.

 

De Napelse School.

In het begin van de 16de eeuw was Napels een door de Spanjaarde geregeerd koninkrijkje. De Spanjaarden deden hun best ook sociaal iets moois van Napels te maken. De vele “wees”-kinderen, vaak ook door Spanjaarden verwekte “onechte”bastaardkinderen werden ondergebracht in vier door monniken gerunde “bewaarhuizen”, in het Italiaans: conservatoria:

Santa Maria di Loreto, gebouwd in 1537 door onderkoning don Pedro de Toledo. het eerste goed functionerende muziekconservatorim, waar Domenico Cimarosa nog les heeft gehad.  

Sant'Onofrio a Capuana dateert van 1578 en telt als leerlingen Niccoló Jommelli, Giovanni Paisiello, Niccoló Piccinni, en Antonio Sacchini en I Poveri di Gesù Cristo

Het Conservatorio della Pietà dei Turchini werd gebouwd in 1583. Hier werden tientallen bekend geworden componisten opgeleid.

Het Conservatorio dei Poveri di Gesù Cristo werd in 1589 opgericht door Marcello Fossataro, een Fransicaner monnik. Het telde onder zijn leerlingen Francesco Durante Gaetano Greco Nicola Porpora, and Giovanni Battista Pergolesi

De laatste in de reeks conservatoria is het Conservatorio San Pietro a Majella, nog steeds in Napels te vinden en bewaarplaats van duizenden manuscripten van componisten die leefden en werkten in Napels, zoals Allessandro Scarlatti en Francesco Mancini.

De componisten uit de 17de en 18de eeuw die afkomstig waren van een conservatorium in Napels worden wel gerekend tot de Napelse School. Hun muziek wijkt niet veel af van die van de Venetiaanse of de Romeinse school. Er werd meer aan instrumentale en wereldlijke muziek gedaan dan in Rome.

 

Opkomst van het ballet

Dansmeester Domenico da Piacenza (1400 – 1470) was de eerste was die de term ballo gebruikte in plaats van danza (dans) voor zijn baletti die later bekend werd als zijn Ballets. De echte eerste balletopvoering was die van violist, componist en choreograaf Balthasar de Beaujoyeulx door het Ballet Comique de la Reine in 1581 voor het hof van Catharina de Medici in Parijs.

Klassiek ballet ontstond in Frankrijk, waar Koning Lodewijk XIV veel feesten gaf en een liefhebber van dansen was. In 1661 werd de eerste balletacademie opgericht door Koning Lodewijk XIV.

Kenmerkend voor klassiek ballet is het dansen op spitzen, balletschoenen met verharde neuzen, geïntroduceerd door Marie Taglioni (1833-1891). In het modern ballet wordt er ook vaak gedanst op ander schoeisel of op blote voeten.

 

Otwikkeling sonates met basso continuo

In de 16de eeuw werd de viool uitontwikkeld, en werd al gauw hèt solo-instrument voor instrumentale muziek, inplaats van de discantgamba. De cornetto werd ook als instrumentaal solo-instrument populair.

De eerste composities voor twee violen en basso continuo waren korte sinfonia's van Salomone Rossi (1570 tot omstreeks 1630), in 1607 in Venetië uitgegeven.

De eerste ensemblesonates met basso continuo ontstonden in Napels, het centrum van Lombardije. Daar publiceerde organist Giovanni Paolo Cima (omstreeks 1570 tot omstreeks 1622) in 1610 zijn Concerti ecclesiastici: vocale religieuze muziek, met daaraan toegevoegd instrumentale solo-, trio- en kwartetsonaten voor violen of cornetto's en basso continuo, bedoeld voor kerkelijk gebruik. Ze werden ontwikkeld vanuit de ensemblecanzone.

 

De Franse orgelschool

vormde zich in de eerste helft van de 17de eeuw. Hij ontwikkelde zich van de strikt polyfone muziek van Jean Titelouze (rond 1563 – 1633) naar een unieke, rijk versierde stijlvorm met zijn eigen karateristieke vormen die volledig gebruik maakten van de mogelijkheden van het klassieke Franse orgel. Exponenten van de Franse orgelschool waren Louis Couperin (rond 1626 – 1661) die experimenteerde met structuur, registratie en melodische lijnen, en zo de traditionele polyfone vormen verruimde en Guillaume-Gabriel Nivers (1632 – 1714), die de verschillende vormen en stijlen vastlegde.

Barokmuziek

was de opvolger van de Renaissancemuziek. De stile antico maakte plaats voor de stile moderno of nuove musiche. De barokperiode in de muziek loopt van. 1600 (de opkomst van de monodie, onder andere door Monteverdi) tot 1750, het sterfjaar van Johann Sebastian Bach.

Kenmerken barokmuziek:

- monodie op basis van basso continuotechniek

- Affectenleer als leidraad voor de muzikale expressie

- Harmonisch contrapunt

- nieuwe vormen: Opera,concerto grosso en suite,

- Adellijke dansvormen, waaronder allemande, bourrée, gavotte, menuet en sarabande

- Veel pracht, praal en versieringen in de muziek

- Polyfonie

 

de liturgische muziek in de Anglicaanse kerk

van de Engelsen begon in het begin van de 17de eeuw in de Anglicaanse kerk behoorlijk af te wijken van die op het continent van Europa.

In de Anglicaanse diensten (Morning Prayers, vergelijkbaar met de lauden; Evensongs, vergelijkbaar met de vespers) werden

Anthems (afgeleid van antinfona = antifoon) – composities voor koren, met of zonder solopartij, en

Verse Anthems – in de verschillende delen wordt gealterneerd tussen het volledige koor en solisten, alles ondersteund en verenigd door een onafhankelijke orgelbegeleiding gezongen.

Alle Engelse componisten schreven anthems:  William Byrd en Thomas Tallis in de zestiende eeuw al anthems en in hun voetspoor bijvoorbeeld Orlando Gibbons, William Boyce, Maurice Greene, Samuel Wesley, Charles Villiers Stanford, Edward Elgar, Ralph Vaughan Williams, Herbert Howells, John Ireland, en Bob Chilcott.

Voor feestelijke gelegenheden componeerden componisten anthems voor grote bezettingen, zoals de Coronation Anthems en Chandos Anthems van Georg Friedrich Händel. Ook Henry Purcell schreef in opdracht van het Engelse hof anthems voor grote bezetting, bijvoorbeeld de Funeral Anthems for Queen Mary.

Een Engelse kerdienst heet een service. Op een gegeven moment componeerden componisten

services, een samenstel van motetten die tijdens een bepaalde kerkdienst in samenhang moesten worden uitgevoerd.

 

Ontwikkelingen in Engeland in de 17de en 18de eeuw.

Waar in de rest van Europa het muziekleven door de kerk en de adel werd bes tuurd, ontstond in Londen een publieke, commerciële en democratische. Londen werd de bakermat van de muziekpraktijk zoals we die tegenwoordig overal in Europa kennen. Oorzaak was het protectoraat van Cromwell (1653 - 1658) waardoor aan het adellijke muziekmonopolie in Engeland een einde was gekomen. In de Restauratieperiode daarna moesten de Engelse componisten om rond te komen zelf concerten organiseren, die voor iedereen toegankelijk waren tegen een bescheien entreegeld. Rond 1750 was het concert in Londen een echt muziekevenement. Er ontstonden ook veel amateurensembles, die dan op den duur ook professionele musici engageerden. Na 1750 zorgden deze "societies"  voor tien tot twaalf concertgelegenheden per week.

 

Vormen

 

Litanie

is een smeekgebed in het Latijn, waarbij een solistische voorzanger de voorzinnen geeft en het koor met stereotiepe nazinnen (de refreinen) antwoordt.

Een bijzondere litanie is de litaniae lauretanae, waarvan Mozart er twee componeerde. Dit is de meest verbreide vorm van de litanieën voor de Maagd Maria en deze litanie is verbonden met het bedevaartsoord Loreto bij Ascona in Italië, de Santa Casa de Loreto.

 

 Vespers

het liturgischeavondgebed is het belangrijkste uur gebed van de acht getijden. De verspers wordt van oudsher in de Rooms-katholieke kerk van 17-18 uur gebeden. Vespers komt van het Latijn vespera dat avond betekent (de vernederlandste Latijnse term “vespers” is dus enkelvoud!). De basis van de vespers is de dankzegging voor wat God die dag gegeven heeft en voor wat men in zijn naam heeft mogen doen. De kern van de verspers wordt gevormd door vijf psalmen:

1. Dixit Dominus (Psalm 110; De Heer spreekt tot mijn heer),

2. Confitebor tibi Domine (Psalm 111; Ik wil de Heer loven met heel mijn hart),

3. Beatus vir (Psalm 112; Machtig zijn de werken van de Heer),

4. Laudate pueri Dominum (Psalm 113; Loof, dienaars van de Heer) en het

5. Laudate Dominum omnes gentes (Psalm 117; Loof de Heer, alle volken)

De psalmen wordt vaak voorafgegaan door een Inleiding:

Deus in adjutorium

en afgesloten met een hymne met met de lofzang van Maria,

het Magnificat

In kloosters wordt de vespers dagelijks gevierd, voor de gehele parochie alleen bij kerkelijke feestdagen.

In de Lutherse liturgie zijn alleen de Christusvespers op kerstavond overgenomen.

In de twintigste eeuw is in enkele evangelisch Lutherse kerken het ochtendgebed (Metten), daggebed (Lauden) en vespers heringevoerd. Beurtzang en het Onze Vader vormen het hoofdbestanddeel.

De psalmen en hymnen van de vespers hebben vele componisten geïnspireerd, onder wie bijvoorbeeld Marc-Antoine Charpentier, en Anton Bruckner.

Er zijn maar enkele componisten die de gehele vespercyclus hebben uitgekomponeerd:

Claudio Monteverdi : de Mariaverspers; Wolfgang Amadeus Mozart: de KV. 339 Vesperae solemnes de confessore KV. 339 en Sergei Rachmaninoff: de Vespermis.

 

Oratorium.

Een oratorium is een omvangrijk vocaalwerk met geestelijke inhoud, voor orkest, zangsolisten en koor, waarbij een verteller, meestal een tenor, het verhaal in recitatieven vertelt. In tegenstelling tot een opera heeft een oratorium geen decor en speciale kostuums en wordt er in een oratorium niet geacteerd. Het oratorium is in het midden van de 17de eeuw ontstaan in Rome. De eerste oratoria werden geschreven voor het “oratorio” (=gebedszaal) van de Chiesa Nuovo (= nieuwe kerk) in Rome.

Net als een opera begint een oratorium met een instrumentale ouverture. Daarna volgen aria’s, gezongen door verschillende solisten, koren, en recitatieven, waarin het verhaal wordt verteld of toegelicht.

Het bekendste oratorium is de "Messiah" van Händel, met het beroemde Halleluja koor.

 

Intermedio,

of intermezzo was in de Italiaanse Renaissance en toneeluitvoering of toneelspektakel met muziek en vaak dans; muziek en dans werden uitgevoerd tussen de bedrijven van een toneelwerk, dat speciaal was gemaakt om een bijzonder gelegenheid als bijvoorbeeld een huwelijk aan een Italiaans hoven in bijvoorbeeld Florence of Ferrara luister bij te zetten.

Intermedii waren belangrijke voorgangers van de opera, vergelijkbaar met de masques in Engeland.

De uitvoerigste documentatie rond intermedii komt van huwelijken in de familie De Medici, met name het huwelijksfeest van Ferdinando de Medici en Christine de Lorraine in 1589. 6 componisten schreven toen 7 intermedii op teksten van gerennomeerde dichters: de La Pellegrina intermedii.

Intermedii werden geschreven vanaf het eind van de 15de eeuw tot het begin van de 17de, waarna de opera de muziekvorm overnam.

 

Opera (meervoud vanopus).

Een opera is een toneelwerk, van begin tot eind gezongen, voor solozang, koor en orkest. De muziek is zeker zo belangrijk als de tekst. Zang, instrumentale muziek, dichtkunst, acteerkunst, decorkunst, vaak ook danskunst, vormen de wezenlijke bestanddelen van deze kunstvorm.

Opera's behandelen vaak tragische tot zeer tragische thema's. Er bestaan ook komische opera's (Mozart, Rossini). In een opera wordt altijd alle tekst op muziek gezet. Bij opera worden de liederen aria’s genoemd. Tussen de aria's in wordt er recitatief gebruikt: zingend spreken. In veel opera’s zingt ook een operakoor mee.

De oorsprong van de opera ligt in Florence. Eind 16de eeuw wilde in Florence de Camerata Fiorentina, een groep musici, dichters, muzikale amateurs, humanisten en geleerden het klassieke drama zoals het in Griekse Oudheid bestond, nieuw leven in blazen. De groep kwam onder bescherming van graaf Bardi van 1573 tot 1587 regelmatig bij elkaar om over wetenschap, kunt en cultuur te discussiëren. Wat betreft drama en muziek was hun grote idool Aristoteles, die in de vierde eeuw voor Christus over toneel en muziek schreef alsof deze twee kunsten dezelfde waren. Volgens Aristoteles was drama de imitatie van het leven, dat verlevendigd werd met zowel versiering als melodie. De Florentijnse enthousiastelingen veronderstelden op basis daarvan, dat het klassieke drama volledig gezongen moest zijn geweest, waarbij het spreekritme uitgangspunt was. Zo ontstond het recitar cantando, het zingend spreken: de recitatieven 

Er waren al “podium”voorstellingen die tekst en muziek combineerden:

liturgische drama’s, die na de kerkdienst werden opgevoerd,

de intermedia, tussenstukken tussen toneelaktes in

de madrigaalkomedies. De eerste opera kwam niet zomaar uit de lucht vallen.

De eerste componist die een opera componeerde, was Jacopo Peri (1561 - 1633): in 1598 zette hij het Grieks mythologische drama Dafne met tekstschrijver Ottavio Rinuccini om in een volledig gezongen theaterstuk: de eerste opera was een feit. Het werk is verloren gegaan. Jacopo Peri’s werk Euridice (1600) dat erop volgde, is de eerste bewaard gebleven opera.

De eerste italiaanse opera’s werden benoemd als:

Dram(m)a per musica, de nadruk lag op het drama: de tekst

Favola in musica (1607)

Opera [in musica]

De eerste opera’s bestaan voornamelijk uit 'recitatieven': de zangstem spreekt op muziektekst, met instrumentale begeleiding (tokkel- of toetsinstrument). (recitare = 'vertellen') , de muziek zelf is meer bijzaak: eenvoudig, sober. De eerste opera’s klinken niet direct erg boeiend. Het theaterspektakel is dat vaak wel, opera’s moeten gezien worden.

Langzaamaan kreeg de in de opera de muziek de overhand. Componisten wisselde de spraakzang van de recitatieven af met versjes: aria’s. Die afwisseling komen voor het eert tegen bij Claudio Monteverdi in 1608: L'Orfeo  De verhalen werden ontleend aan de Griekse mythologie, aan de geschiedenis van beroemde historische figuren of aan de literatuur. In eerste instantie was er in de Italiaanse opera afwisseling van ernst en ironie, later kwam er een splitsing: opera seria: serieus; opera buffa: kluchtig.

Francesco Cavalli schreef de eerste opera’s voor het Franse hof, dat chauvinistisch als de Fransen zijn, besloot dat er een eigen Franse stijl moest worden ontwikkeld. En dat gebeurde ook, door de Italiaanse componist Jean-Baptiste Lully, hofcomponist van Lodewijk de 14de . In de Franse opera’s kwam een afwisseling van zang en dans, want de Fransen waren enorme liefhebbers van ballet. Die Franse opera's wordt dan ook vaak opera-ballet genoemd.

operavormen :

Opera seria, Italiaanse operavorm met ernstig karakter, heroïsche of mythologische thema's. Aria's verbonden door recitatieven. Libretto's in het Italiaans.

Opera buffa, Italiaanse, lichtere operavorm, met eigentijdse thematiek en vaak komische kanten.

Opera semiseria - Italiaanse operavorm met elementen van de opera seria en de opera buffa.

Tragédie-Lyrique , Franse operavorm uit de 17e en 18e eeuw, gebaseerd op mythologische onderwerpen

Ballet-opera, Franse combinatie van opera en ballet, met name 17e en 18e-eeuwse composities.

Opéra comique, 18e-eeuwse Franse operavorm. In de 19e eeuw: gesproken dialoogvorm (geen recitatieven), .

Pasticcio, is een Italiaans operagenre, dat letterlijk pastei betekent. Deze typische 18e-eeuwse operavorm, is samengesteld uit aria's, ensembles en instrumentale stukken, afkomstig van de zarzuela.

Singspiel , een Duits opera-genre dat in de late achttiende en in het begin van de negentiende eeuw populair was.

Grand opéra, groots opgezette opera, met veel heroïek en nadruk op costumering, decor en enscenering.

Kameropera, kleinschalige operavorm, voor klein orkest en slechts een klein aantal zangers.

Kinderopera, operagenre, dat in enscenering en opvoering afgestemd is op de belevingswereld van kinderen.

verschillende bestaande opera's, gecomponeerd door een of meerdere componisten.

Radio-opera, is een operagenre dat vanaf 1920 met de opkomst van de radio, speciaal hiervoor gecomponeerd werd.

Rockopera, Moderne opera op rockmuziek, vergelijkbaar met de musical.

 

Concerto

In eerste instatie waren concerto’s altijd vocaal-instrumentaal: concertos ecclesiasticos, sacras cantiones, sacros concentus of motettas.

Een schrijver als Michael Praetorius (Syntagma Musicum,1615) maakt daar geen verschil tussen. In 1600 geeft Gabriele Fattorini Sacri concerti a due voci uit.

 Via Adriano Banchieri’s Concerti ecclesiastici, 8 stemmige motetten voor dubbelkoor, met een begeleidende stem voor orgel, 1595, Lodovico da Viadana's Cento concerti ecclesiastici opus 12, 1602, Johann Hermann Schein: concerti sacrae, Opella nova I, 1618 en Heinrich Schütz: Symphoniae sacrae, 1629; komen we dan uit bij de Cantates van Ditriech Buxtehude en Johann Sebastian Bach.

Het concerto groeide al vrij snel uit tot een volledig instrumentaal werk, in eerste instantie concerti da chiesa, met eenzelfde vormschema als de sonate da chiesa; Giuseppe Torelli gebruikt voor zijn 12 concerti da camera, voor 2 violen en basso continuo, opus 2 (1686), de eerste keer de term concerto da camera. Het betreft hier dan nog gewoon triosonates, de term "sonate" en concerto" wordt een tijdje door elkaar gebruikt. Op den duur ontwikkelt het concerto zich onder handen van Arcangelo Corelli, Francesco Geminiani, Antonio Vivaldi en tijdgenoten tot een orkestwerk, met één of meer solisten, die zich als zodanig kunnen profileren

soorten concerto's:

concerto grosso voor (strijk)orkest en een concertino van 1 tot 4 solisten. Voorbeeld: Brandenburgse Concerten van Johann Sebastian Bach.

concertina, een korter werk voor een kleiner orkest.

soloconcerto, gespecificeerd naar instrument: celloconcerto, fluitconcerto, klarinetconcerto, orgelconcerto, vioolconcerto enz.

dubbel- of tripelconcerto voor twee of drie instrumenten met orkest.

concertante symfonie, een variant waarbij een symfonie ook sterke solistische partijen bevat.

 

grand motet

is in Frankrijk een religieuze compositie op een Latijnse tekst voor solisten, koor en groot orkest (vijfstemmige strijkersbezetting, en blazers die de buitenstemmen versterkten). Het grand motet is de belangrijkste religieuze muziekvorm uit de Franse barokmuziek van de 17e en 18e eeuw.

Vaak wordt de tekst van een Psalm gebruikt bijvoorbeeld: Super flumina Babylonis (psalm 137, Aan de rivieren van Babel);

Confitebor tibi Domine, in toto corde meo (psalm 111, Ik wil de Heer loven met heel mijn hart)

Miserere mei, Deus (psalm 51, Wees mij genadig, God, in uw trouw).

Ook lofzangen werden getoonzet als grand motet, zoals het Te Deum.

Het orkest opent het grand motet met een symphonie (een breed uitgewerkte instrumentale inleiding), begeleidt de solisten en vult hier en daar met een instrumentaal ritornel de vocale gedeelten aan. Belangrijke componisten van grands motets zijn Jean-Baptiste Lully, Marc-Antoine Charpentier, Henry Dumont (of Du Mont) en Michel-Richard Delalande.

Er is mogelijk geen ander klassiek muziekwerk dat zo algemeen door iedere Europeaan wordt gekend, zonder dat die zich waarschijnlijk realiseert dat het om een fragment uit een grand motet gaat, als de prelude van het Te Deum van Charpentier, de muziek die aan het begin van Eurovisieuitzendingen wordt gespeeld. Delalande ontwikkelde in het motet de nieuwe doorwerkingsmogelijheden van het tonale systeem: sequenzen maakten het mogelijk melodische motieven en wendingen in veelvoud te herhalen en zo met een minimum aan thematisch materiaal de muziek vorm te geven. Ontdekkingen op dit gebied van Corelli en Vivaldi werden zo in de motetcompositie toegepast.

 

petit motet,

hiervoor worden vaak teksten worden gebruikt uit de specifiek katholieke Maria-verering: Regina coeli. Petit motets werden gecomponeerd voor één, twee of hooguit drie stemmen en basso continuo en werden veel gebruikt in de kloosterpraktijk. Henry Dumont heeft het Petit motet met zijn Cantica Sacra van 1652 in feite geïntroduceerd, als opvulling tijdens de misvieringen van de koning. Ongeveer 1700 werd het Petit motet op instigatie van Pilipp II van Orléans en zijn musici (Bernier, Campra, Morin) omgevormd in een soort kerkcantate met aria's en recitatieven volgens de Italiaanse stijl. Omdat het maar korte stukjes waren, die weinig instrumentalisten en zangers vroegen, waren de Petit motets heel geschikt voor dorpskerken, kloosters, verspers, processies of concerten in de privésfeer (Concert Spirituel). Doordat ze vaak van een Grand motet waren afgeleid, werden ze nooit erg populair bij het grote publiek.

 

Leçons de Ténèbres 

In Frankrijk ontwikkelde zich een unieke vorm van de toonzetting van de klaagliederen: de Leçons de Ténèbres. De Leçons de Ténèbres hadden een liturgische functie, maar werden ook aan het hof van Lodewijk XIV uitgevoerd. Ze werden gezongen in het nachtofficie van de woensdag, donderdag en vrijdag van de Goede Week: De Tenebrae = duisternis, Latijn Leçons de Ténèbres worden gekenmerkt door een hoog melismatische ( vocale lijn en het frequente gebruik van de tonus lamentationum, een Middeleeuws Gregoriaans gezang voor de Klaagliederen, dat als melodische basis diende.

Een cyclus van Leçons de Ténèbres bestaat uit negen leçons, drie voor elke dag. Elke lamentatie begint met een letter uit het Hebreeuwse alfabeth: Aleph, Beth, Ghimel enzovoort, en eindigt met een oproep tot bekering: Jerusalem, Jerusalem, convertere ad Dominum Deum tuum (Jerusalem, Jerusalem, keert terug tot uw God de Heer). Leçons de Ténèbres worden gekenmerkt door zeer lange vocale lijnen, vooral op de Hebreeuwse letter, en het frequente gebruik van de tonus lamentationum, een Middeleeuws Gregoriaans gezang voor de Klaagliederen, dat als melodische basis diende. De Franse componisten gebruiken ook declamatorische technieken, afkomstig uit het Romeinse oratorium zoals die van Giacomo Carissimi.

Leçons de Ténèbres bleven in opzet tussen 1660 en 1735 in gebruik. De vorm is een synthese tussen de Italiaanse monodie uit het begin van de 17e eeuw en de Franse air de cour met zijn melismatische doubles, de versierde parafrases van de melodieën.

Guillaume Bouzignac schreef een eerste aanzet: de Prima Lamentationum Jeremiae Prophetae à 3 voix, in een nog wat behoudende Renaissancestijl. Michel Lambert schreef in 1662 en 1663 twee complete cycli, de eerste Lamentaties op een echte barokke manier. Marc-Antoine Charpentier schreef 54 Leçons de Ténèbres en responsoria, Sébastien de Brossard negen Leçons de Ténèbres van voor één stem en basso continuo (1721), François Couperin drie Leçons de Ténèbres voor Mercredi Saint voor één en twee stemmen en basso continuo (tussen 1713 en 1717), Delalande drie Leçons de Ténèbres, Nicolas Bernier negen Leçons de Ténèbres