Componisten

vanaf 1890

 

Cornelis “Cor” Kint (Enkhuizen, 9 januari 1890 - Hilversum, 8 juli 1944) was de zoon van postbeambte Pieter Kint in Enkhuizen. Zijn meester op de lagere school, meester Kries, ontdekte zijn muzikale talent en zorgde er voor dat hij fluit- viool en harmonieleerles kreeg van Jan Piet Roda (1865-1902). Vanaf 1899 kreeg hij privé-vioollessen bij Felice Togni in Amsterdam. Hij kreeg er ook orgel- en pianoles. Vanaf 1900 begeleidde hij de kerkdiensten in de Doopsgezinde Vermaning in Enkhuizen. Cor Kint keeg van 1901 tot 1911 piano-, orgel- en theorielessen van Reinhart Gerrit Crevecoeur, organist van de Westerkerk in Enkhuizen. Vanaf 1906 tot 1940 woonde Cor Kint in Amsterdam. Van 1909 tot 1915 speelde hij altviool in het Concertgebouworkest. Hij was een van de oprichters van het Hollandsch Strijkkwartet, waar hij van 1911 tot 1922 in meespeelde. Hij trouwde in 1921 met de Friezin Jansje Couperus, zus van bariton Otto Couperus.

Van 1923 tot zijn dood was hij leraar viool, altviool en viola d'amore aan het Amsterdamsch Conservatorium. Op het gebied van de viola d'amore was hij eind dertiger jaren een internationaal erkende autoriteit.

Cor Kint componeerde

     1 zangspel

     orkestwerken

- hymne voor viool en orkest

     2 strijkkwartetten

     1 blaaskwintet

     andere kamermuziekwerken

     liederen,

     werken voor viool

     8 orgelwerken

- Grande Sonate,

- Fantasie over Een vaste Burg 

- Fuga over B-A-C-H

- Quatre Pièces

- Prélude pastoral 

- Andante in Des,  1916

- Suite voor harmonium

www.corkint.info

 

Adalgiso Ferraris (Novara, Piemonte, Noord–Italië, 16 februari 1890 – Woolwich, Groot Brittannië, 31 december 1968) studeerde aan de Regia Accademia Filarmonica in Bologna piano en compositie bij Manfredi en Crescentino.

In 1910 reisde naar Rusland om te studeren bij Tchevnioroshy in Sint Petersburg. Hij bekostigde zijn studie door piano te spelen in hotels en nachtclubs. In 1910 werd hij pianist in een orkest wat ook voor de Koninklijke familie speelde.

In de Russische oorlog moest Adalgiso Ferraris uit Rusland weg. Via Finland reisde door Engeland terug naar Italië en nam daar dienst in het Italiaanse leger.

Na de Eerste Wereldoorlog trouwde Adalgiso Ferraris in 1920 met Adele Brunelli en ging met haar in Londen wonen. Hij speelde daar met zijn band, de Novarese Band. Hij speelde ook in het Picadilly Orkest en andere Londense orkesten.

In de Tweede Wereldoorlog ging Adalgiso Ferraris als Italiaans burger terug naar Italië en bleef daar tot het eind van de oorlog. Daarna kwam hij terug naar Engeland en liet zich naturaliseren tot Brits Staatsburger. Hij nam zijn muzikale werkzaamheden weer op en zette een muziekuitgeverij op. Tot op de dag van zijn dood componeerde hij en speelde piano op zijn geliefde antieke “Pleyel”.

Adalgiso Ferraris componeerde

     songs

- "Dark Eyes" (Ochi chyornye), 1910,

- "Souvenir d'Ukraine",

- “Gipsy Idylle”

- "The Russian Pedlar", 1932, ook een succesnummer

- "A Balalaika", tango, 1936, populair geworden door het orkest van Mantovani.

 

Jakob van Domselaer (Nijkerk, 15 april 1890 – Bergen, 5 januari 1960) was de zoon van ondernemer van Domselaar. Jakob vond zijn achternaam niet indrukwekkend genoeg en veranderde die later in van Domselaer. Hij kreeg les op orgel bij Johan Enderlé, in Amersfoort studeerde hij orgel en piano bij Martinus Petri en in Utrecht piano en compositie bij Willem Petri en Johan Wagenaar. Johan Wagenaar raadde hem aan in Berlijn les te gaan nemen. In 1911 ging Jakob van Domselaer daarvoor naar Berlijn en nam les bij de pianist Frederic Lamond.

In 1912 ontmoette Jakob van Domselaer tijdens een reis naar Parijs de Nederlandse schilder Piet Mondriaan, waarmee hij bevriend werd. Jakob van Domselaer legde zich erop toe de ideeën die Mondriaan had verwezenlijkt in de schilderkunst, ook te realiseren in de muziek. Het resultaat hiervan waren de Proeven van Stijlkunst, negen composities geschreven tussen 1913 en 1916 volgens de naar muziek vertaalde, op abstractie gerichte principes van De Stijl, de kunstbeweging die Mondriaan samen met andere kunstenaars als Theo van Doesburg en Bart van der Leck in 1917 had opgericht. In 1914 was Jacob van Domselaer in Nederland teruggekomen. Hij trouwde met Maaike Middelkoop en vestigde zich in Laren. In 1916 verhuisde hij naar Amsterdam.

In 1918 was Jacob van Domselaer uitgekeken op de ideeën van De Stijl en sloeg hij een andere weg in. Het gezin verhuisde van Laren naar het rustieke Bergen. Onder zijn leerlingen zijn de componisten Nico Schuyt en Simeon ten Holt.

Jakob van Domselaer componeerde

     3 orkestwerken

     1 werk voor zang en piano

     45 series pianowerken

- 9 proeven van stijlkunst,  1914 – 1916

 

Samuil (Samuel) Yevgenyevich Feinberg (Odessa, Oekraïne, 26 mei 1890 – Moskou, 22 oktober 1962) groeide op in Moskou. Hij ging naar het Conservatorium Moskou en studeerde daar bij Alexander Goldenweiser. Samuil Feinberg studeerde ook privé compositie bij Nikolai Zhilyayev. Nadat hij in 1911 afstudeerde, maakte hij furore als solo pianist. Samuil Feinberg was de eerste pianist die het volledige Wohltemperiertes Klavier van Johann Sebastian Bach in de USSR tijdens een concert uitvoerde.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog moest hij dienst nemen in het leger, om voor Rusland te vechten. Op een gegeven moment werd hij doodziek, en werd toen maar meteen uit het leger ontslagen. In 1922 werd hij docent aan het Conservatorium en kwam zijn pianistencarrière weer op gang.

Vanaf 1930, in het tijdperk Stalin in Rusland de baas was, werd het Samuil Feinberg, ondermeer omdat hij Jood was, verboden het land te verlaten. Daarom bleef hij buiten Rusland nogal onbekend. In 1946 ontving Samuil Feinberg de Stalin Prijs.

Samuil Feinberg trouwde nooit. Hij leefde samen met zijn broer, een kunstschilder.

Samuil Feinberg componeerde

     3 pianoconcerten

     2 vioolsonates

     12 series liederen voor zangstem en piano

     12 pianosonates, complex, psychologisch getormenteerd, dramatisch en verontrustend.

     12 andere (series) pianowerken

 

Hans Gál (Brunn am Gebirge, Oostenrijk-Hongarije, 5 augustus 1890 – Edinburgh, Schotland, 30 october 1987 werd geboren in een Joodse familie in het dorpje Brunn am Gebirge, vlak buiten Wenen. Hij kreeg les op het Nieuw Weens Conservatorium.

In 1929 werd Hans Gál directeur van het Conservatorium in Mainz. Toen de Nazi’s in 1933 Mainz bezetten, werd Hans Gál afgezet als directeur en zijn muziek verboden.

Hij was gedwongen Duitsland te verlaten en emigreerde naar Groot–Brittannië, waar hij docent werd aan de Universiteit van Edinburgh.

Hans Gál componeerde

     operas

- Der Arzt der Sobeide, opus 4, 1918,  komische opera met een voorspel en twee akten, libretto Fritz Zoref

- Die Heilige Ente, opus 15, 1921, een spel met goden en mensen, in een voorspel en drie akten, libretto K.M Levetzow en Leo Feld

- Das Lied der Nacht, opus 23, 1925, dramatische ballade in drie beelden, libretto K.M Levetzow

     8 orkestwerken

     7 concerten

- violoncelloconcert in e kleine terts, opus 67, 1944

     4 werken voor mandoline-orkest

     17 kamermuziekwerken

- Divertimento voor sopraan- , alt- en  tenorblokfluit, opus 98, 1970

     6 (series) pianowerken

     3 orgelwerken

www.hansgal.com

 

Jacques François Antoine Ibert (Parijs, 15 augustus 1890 – 5 februari 1962) kreeg zijn eerste muziekles van zijn moeder. Vanaf 1910 studeerde hij in Parijs aan het Conservatoire national supérieur de musique bij André Gédalge, Paul Vidal en Gabriel Fauré. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij als marineofficier in 1917 en 1918 in Duinkerken gelegerd.

 In 1919 won hij met zijn cantate Le poète et la fée de Prix de Rome, waardoor hij drie jaar in de Villa Medici in Rome kon verblijven.

In 1937 werd hij directeur van de Académie de France in de Villa Medici in Rome, waar hij met uitzondering van de jaren in de Tweede Wereldoorlog tot 1960 verbleef. In 1955/56 leidde hij de Parijse opera en de Opéra Comique.

Tot zijn leerlingen behoorde De Belgische componist Jean Louël.

Jacques Ibert componeerde

     6 opera’s

     1 operette

- L'Aiglon  operette (drame musical) in vijf bedrijven, gecomponeerd samen met Arthur Honneger. Honegger componeerde Acte II, III, and IV, Ibert Acte I en V, libretto Henri Cain,  gebaseerd op Edmond Rostand’s loneelstuk L'Aiglon uit 1900. Het verhaal gaat over Napoleon II (l’Aiglon, “de Arend”, travestierol voor sopraan), zoon van Napoleon I en zijn tweede vrouw, keizerin Marie Louise,  11 maart 1937.

     6 balletten

     10 toneelmuziekwerken

     25 orkestwerken

- La ballade de la Geôle de Reading, symfonisch gedicht naar Oscar Wilde, 1920

- Persée et Andromède,  1921, orkestfantasie

- Escales, 1922, muzikale reisherinneringen aan de verschillende havens aan de Middellandse Zee.

- Divertissement naar de muziek voor het theaterstuk Un chapeau de paille d'Italie van Eugène Labiche, 1930. De Parade hieruit  vormde de melodie van "Daar komen de Jantjes". Uitbundig en humoristisch.

- Paris - d’après "Donogoo" de Jules Romain,  suite symphonique, 1932, weerspiegelt humoristisch indrukken van Parijs van de Metro tot het Bois de Boulogne

     2 werken voor harmonie-orkest

     1 cantate

     21 kamermuziekwerken

- Albumblatt voor trompet en piano, 1899

- Trois pièces brèves voor blaaskwintet, 1930

- Cinq pièces en trio voor hobo, klarinet en fagot, 1935; pure romantiek

- Trio voor viool, cello en harp, 1944

     4 werken voor zangstem en orkest of instrumenten

- Deux Stéles Orientées, 1925, voor sopraan en fluit

- Quatre Chansons de "Don Quichotte", 1932, voor bas en orkest

     6 werken voor harp

     11 (series) werken voor piano

- Le vent dans les ruines, Champagne, 1915, over de kathedraal van Reims, die in september 1914 in brand werd geschoten door de Duitse artillerie.

     3 werken voor orgel

     3 werken voor gitaar

     16 filmscores

www.jacquesibert.fr

 

André Devaere (Kortrijk, België, 28 augustus 1890 – Calais, Frankrijk, 14 november 1914) was de zoon van Octaaf Devaere (1865-1941), organist aan de Sint-Maartenskerk te Kortrijk. André kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn vader. In 1901 werd André Devaere leerling aan het Sint-Amandscollege in Kortrijk. Hij begeleidde daar ook de misvieringen in de kapel op het orgel. Vanaf 1904 studeerde André Devaere piano aan het conservatorium van Brussel bij Arthur De Greef (1862-1940).

Hij bouwde al snel een reputatie op als virtuoos pianist en studeerde ondertussen verder aan het Brusselse conservatorium, zowel piano bij Paul Gilson (1865-1942), als contrapunt bij Edgar Tinel (1854-1912) en harmonieleer. Naast het geven van talloze pianoconcerten begon André Devaere nu ook te componeren.

Devaeres laatste concerten hadden plaats in februari en mei 1914, vanwege de Eerste Wereldoorlog werd het culturele leven in Begië stopgezet. In augustus 1914 werd André Devaere ingelijfd bij het 27ste linieregiment. Op 10 november werd hij nabij St.-Joris-aan-de-IJzer dodelijk in de longen getroffen. Hij werd overgebracht naar het Pensionat Sophie Berthelot te Calais, waar hij in de vroege uren van 14 november aan zijn verwondingen overleed. André Devaere werd begraven in het militair kerkhof van het Cimetiére du Nord te Calais. Zijn graf kan nog altijd bezocht worden. Hij was 24 jaar oud.

In de Kortrijkse stadschouwburg hangt een een bas-reliëf van André Devaere, zittend aan het klavier, te zijner gedachtenis. De stad Kortrijk eerde hem in 1949 ook met de André Devaerelaan. Zijn originele composities bevinden zich in de Koninklijke Bibliotheek Albert I te Brussel.

André Devaere componeerde

     6 liederen

     3 pianowerken

     4 orgelwerken

     transcripties

www.andredevaere.net

 

Ivor Bertie Gurney (Gloucester, 28 augustus 1890 – Londen, 26 december 1937) was de tweede van vier kinderen van David Gurney, een kleermaker en zijn vrouw Florence, een naaister. Ivor Gurney zong van 1900 tot 1906 als koorknaap in de Gloucester Cathedral, waar hij les kreeg van Dr. Herbert Brewer en zijn collega-componist Herbert Howells ontmoette, die levenslang zijn vriend zou blijven.

Ivor Gurney begon te componeren op 14-jarige leeftijd, toen hij studeerde op het Royal College of Music bij Charles Villiers Stanford. Ivor Gurney's studies werden onderbroken door de Eerste Wereldoorlog, waarbij hij werd ingedeeld als soldaat in het Gloucestershire Regiment in february 1915. Aan het front begon hij serieus gedichten te schrijven. In 1917 werd hij in zijn schouder geschoten en vergast, zodat hij terecht kwam in het Edinburgh War Hospital. Daar werd hij verliefd op een oorlogsverpleegster, Annie Nelson Drummond, de relatie hield geen stand. Mee door invloed van het gifgas bleef hij de rest van zijn leven psychisch instabiel.

Hij studeerde korte tijd bij Ralph Vaughan Williams nadat hij terug was op het Royal College of Music, maar hij maakte zijn studie niet af. De laatste 15 jaar van zijn leven bracht Ivor Gurney in psychiatrische ziekenhuizen door.

Ivor Gurney stierf aan tuberculose kort voor de ochtend op 26 December 1937, op de leeftijd van 47 jaar. Hij werd begraven in Twigworth, bij Gloucester. Een gedenkteken voor Gurney werd opgericht in 2009 bij Ypres.

Ivor Gurney componeerde

     330 liederen waarvan 90 werden gepubliceerd

- By A Bierside 

- Five Elizabethan Songs (The Elizas)

- nr. 4 Sleep, tekst John Fletcher

     13 werken voor piano solo

     2 kamermuziekwerken

     3 orkestwerken

- War Elegy (1920)

- A Gloucestershire Rhapsody (1919–1921).

 

Frank Théodore Martin (Eaux-Vives bij Genève, 15 september 1890 - Naarden, 21 november 1974) was de belangrijkste Zwitserse componist van de 20e eeuw. Hij volgde in Genève lessen in piano en compositie bij Joseph Lauber.

In de jaren twintig ontwikkelde zich zijn eigen muzikale taal tijdens langdurige verblijven in Zürich, Rome en Parijs. In 1926 richtte hij de Société de Musique de Chambre de Genève op, waarvan hij de leiding had als pianist en klavecinist. Vooral dat laatste was uitzonderlijk in die tijd. Hij heeft het klavecimbel in diverse composities gebruikt, o.a. in de Petite Symphonie Concertante, een van zijn bekendste werken.

In de jaren dertig was hij docent improvisatie en muziektheorie aan het Institut Jacques-Dalcroze en hij onderwees tevens kamermuziek aan het conservatorium van Genève. Daarnaast was hij van 1933 tot 1940 artistiek leider van het Technicum Moderne de Musique en president van de Schweizer Musik-Union van 1942 tot 1946.

In 1946 verhuisde Frank Martin naar Nederland, waar hij aanvankelijk in Amsterdam en vanaf 1956 in Naarden woonde. Hoewel hij tientallen jaren in Nederland woonde, had hij weinig contact met het Nederlandse muziekleven. In de jaren 1950 - 1957 was hij ook professor in compositie aan de Staatliche Hochschule für Musik in Keulen. Hij overleed op 21 november 1974.

Door zijn tweede vrouw, Maria Martin-Boeke, is op 10 maart 1979 in Lausanne (Zwitserland) de Société Frank Martin opgericht om de muzikale nalatenschap te beheren. Het voormalige woonhuis van Frank Martin in Naarden is thans als museum voor bezoekers op afspraak toegankelijk.

Frank Martin componeerde

     3 opera’s

- Der Sturm, opus 3, 1952, naar Shakespeare’s The Tempest

     2 balletten

     5 oratoria

- Le Vin herbé (De toverdrank), 1940, wereldlijk oratorium voor 12 vocale stemmen, zeven strijkers en piano, op tekst van "Le Roman de Tristan et Iseut" in de vertaling en bewerking van Joseph Bédier (rond 1900), waarin de legende van Tristan en Isolde wordt herveteld. Meesterlijke bespiegeling over de liefde en transcedente vormen van erotiek. Een meeslepende 20ste-eeuwse kruising tussen Richard Wagner en Claude Debussy.

- Golgotha, passie oratorium, gebaseerd op Bijbleteksten en teksten van Augustinus, voor 5 solisten, gemengde koren, orgel en orkest, 1948

     3 cantates

     3 symfonieën

     15 concerten

- Ballade voor altsaxofoon, strijkorkest, slagwerk en piano, 1938

- Ballade voor trombone, slagwerk, strijkorkest, en piano, 1941, later zelf omgeschreven naar tenorsaxofoon

- Ballade voor fluit, strijkorkest, en piano, 1941

- Celloconcert, 1966

     3 ouvertures

     11 andere orkestwerken

- Drie dansen voor hobo, harp, strijkkwintet en strijkorkest, 1970

     4 werken voor harmonie-orkest

     1 mis

- Messe, voor dubbelkoor, 1926

     3 werken voor koor

- Songs of Ariel,  1950 vijf liederen voor koor a cappella, gebaseerd op The Tempest van Shakespeare

     7 bundels voor zangstem en ensemble/orkest

- Quatre Sonnes à Cassandre, voor mezzosopraan, fluit, altviool en cello, 1921

- Die Weise von Liebe und Tod des Cornets Christoph Rilke, 1942, voor alt en klein orkest, tekst: Rainer Maria Rilke

- Trois chants de Noël, voor sopraan, fluit en piano, 1947

- Triptyque de Marie, voor sopraan, soloviool en orkest, 1968, geschreven voor de sopraan Irmgard Seefried en haar echtgenoot, de violist Wolfgang Schneiderhahn.

1. Ave Maria

2. Magnificat

3. Stabat Mater, een schrijnende klacht.

     1 pianokwintet

     1 strijkkwintet

     4 strijkkwartetten

- strijkkwartet nr. 2

     2 trio’s

- Trio sur des mélodies polulaires irlandaises, voor viool, cello en piano, 1925; superwerk met mysterieuze en jazzy fragmenten

- Pièce brève, voor hobo, dwarsfluit en harp, 1957

     6 werken voor solo-instrument en piano

- Ballade, voor saxofoon en piano, 1938, Frank Martin maakte er ook een bewerking voor fluit en piano van, die is pas in 2008 teruggevonden.

- Ballade,  voor fluit en piano, 1939

- Petite Complainte (kleine klacht) voor hobo en piano, 1941

- Ballade, voor cello en piano, 1949

     5 werken voor  en mèt orgel

- sonata da chiesa voor viola d'amore (of hobo of fluit) en orgel, 1938, door dirigent Victor Desarzens in 1958 bewerkt voor fluit en strijkorkest

     5 werken of series werken voor piano solo

     Quatre pièces brèves (vier kleine stukken) voor gitaar, 1933.

 

Bohuslav Jan Martinů (Polička, Tsjechië, 8 december 1890 – Liestal (Zwitserland), 28 augustus 1959) werd geboren in het plaatsje Polička als zoon van Ferdinand en Karolina Martinů. Op zevenjarige leeftijd kreeg hij zijn eerste vioollessen van de lokale kleermaker, Josef Černovský. In 1906 werd Martinů toegelaten op het Praagse Conservatorium, dat hij nooit afmaakte, hij werd weggestuurd wegens “laksheid”. In 1914 slaagde hij met vlag en wimpel voor het staatsexamen. .

In 1923 vertrok hij naar Parijs om te studeren bij Albert Roussel.

In 1931 trouwde hij met Charlotte Quennehen. Eind jaren dertig bloeide er een vriendschap op (en volgens sommigen meer dan dat) met de componiste Vítězslava Kaprálová. Aan het begin van de Tweede Wereldoorlog besloten Bohuslav Martinů en zijn vrouw naar de Verenigde Staten te emigreren, waar zij zich vestigden in New York. De koude oorlog weerhield hen ervan om terug te keren naar Tsjechië. In 1952 werd Martinů Amerikaans staatsburger.

In 1957 vestigden Bohuslav Martinů en zijn vrouw zich in het plaatsje Schönenberg, vlak bij Bazel.

Bohuslav Martinů's werk werd gecatalogiseerd door de Belgische musicoloog Harry Halbreich en draagt daardoor een H-nummer.

Bohuslav Martinů componeerde 400 werken:

     15 opera’s

- Špalíček, ballet in drie bedrijven, 1932, H. 214. ondertitel "Ballet met volksspelen, klederdracht en sprookjes - Ballet-revue". Er zijn twee orkestsuites uit afgeleid.

- Hry o Marii, H 236, 1935, opera in 4 aktes, waarin onder meer Mariken van Nieumeghen  is verwerkt.

- Julietta, (Snář  [dr oomboek]); H 253, 1937, opera in 3 aktes; libretto Martinů  zelf, naar Georges Neveux: Julietta ou La Clé des songes

- The Marriage, 1952, H 341, opera in 1 akte,  libretto Martinů  zelf, naar Nikolaj Vasiljevitsj Gogol.

- Mirandolina, 1954, H 346 opera in 3 aktes, libretto Martinů  zelf  naar de Venetiaanse komedieschrijver Carlo Goldoni; kleurrijke opera vol vaart en dynamiek met een prachtig uitgebreid orkestcoloriet.

- Ariane (Ariadna), H 370, opera in één akte, 1958, een eerbetoon aan de mezzosopraan Maria Callas, Griekse Passie (Řecké Pašije), 1959, H 372, opera in 4 aktes,  op een zelfgeschreven libretto, gebaseerd op een roman van de Griekse schrijver Nikos Kazantzakis.

     15 balletten

- La Revue de Cuisine (Kuchyňská revue), jazzballet in één acte voor sextet: basklarinet, fagot, trompet, cello, viool en piano,  H 161, 1927

     6 symphonieën

- symfonie nr. 1, H 289, 1942, Verenigde Staten, een groot succes;

- symfonie nr. 6, (Symfonische fantasieën) H 343 , 1953

     7 pianoconcerten

     5 vioolconcerten

- vioolconcert nr. 2, H 293, 1943, New York, geschreven voor violist Mischa Elman

     2 celloconcerten

- Cello Concerto nr. 1 in D, H. 196, 1930, gereviseerd in 1939 en 1955. De laatste derde versie heeft een fantasierijke orkestratie met brutale trompetten, een jazzy klarinet en feestelijk slagwerk.

     3 andere soloconcerten

- Rhapsody Concerto, voor altviool en orkest, H 337, 1952, lyrisch, diepzinnig, tweedelig concert

- Concerto voor hobo en klein orkest, H 353, 1955, geschreven voor de in Tsjechië geboren Australische hoboïst Jiří Tancibudek.

     8 concerten voor meerdere instrumenten en orkest

- Concerto voor twee piano’s en orkest, H 292, 1943

     13 andere werken voor orkest

- Jazzová Svita (Jazz Suite) voor kamerorkest, H 172, 1928

- Suite No. 1, afgeleid uit het ballet Špalíček, H 214A, 1932, 9-delige suite,

- Suite No. 2, afgeleid uit het ballet Špalíček H 214B, 7-delige suite, begint met “de dans van de duivels”, hemel en hel liggen hier dicht bij elkaar.

     2 nonetten (1925; 1959)

     1 oktet

     3 diverse septetten

     4 diverse sextetten

     3 pianokwintetten

     2 andere kwintetten

     12 strijkkwartetten

     3 andere kwartetten

     15 trio’s

- 4 pianotrio’s (viool, cello, piano)

+ pianotrio nr. 1, H 193, 1930

+ Bergerettes, vijf stukken voor pianotrio, H 275, 1939

+ pianotrio nr. 2 in d kleine terts, H 327, 1950

+ pianotrio nr. 3 in C grote terts, H 332, 1951, een meesterwerk, dat zich kan meten met Ravel, Beethoven en Haydn.

- sonata voor fluit, viool en, piano H 254, 1937

     35 andere kamermuziekwerken

- Sonatina voor twee violen en piano, H. 198, 1930, Boheems temperament

- cellosonata nr. 1, H 277, 1939, voor viool en piano

- cellosonata nr. 2, H 286, 1941

- Drie madrigalen (Duet nr. 1) voor viool en altviool, H 313, 1947

- Duet nr. 2 voor viool en altviool, H 331, 1950

- cellosonata nr. 3, H 340, 1952

- Altvioolsonate voor altviool en piano, 1955, H 355

     7 (series) werken voor piano solo

     5 werken voor klavecimbel

     1 werk voor orgel

 

Carlos Gardel (Toulouse, Frankrijk, 11 december 1890 - Medellín, Colombia, 24 juni 1935) wordt ook aangeduid als "El zorzal criollo (de creoolse nachtegaal)","Carlitos", "De koning van de Tango" en ironisch als "El Mudo" (de doofstomme).

Gardel werd geboren in Toulouse als Charles Romuald Gardès als onwettig kind van Paul Jean Lasserre, een mecanicien en ingenieur, en Berthe Gardès (1865-1943), die hem aanvankelijk naar Venezuela zou hebben gebracht (waarna zij zelf terugkeerde naar Frankrijk omdat ze geen afzet kon vinden voor haar zelfgemaakte hoeden) en in 1893 naar Argentinië, toen Gardel 27 maanden oud was.

Carlos Gardel begon zijn carrière in cafés en op private feesten, en zong samen met Francisco Martino en later in een trio met Martino en José Razzano. Gardel schiep de tango-canción in 1917 (het tango-lied) door zijn weergave van Pascual Contursi en Samuel Castriota's Mi Noche Triste. De plaat behaalde een oplage van 100.000 stuks en was in heel Latijns-Amerika een hit.

Gardel stierf in1935 door een vliegtuigongeluk in Medellín, Colombia. Gardels lichaam is begraven in La Chacarita Cemetery in Buenos Aires. In 2003 is in Abasto, een buurt in Buenos Aires, in het voormalige woonhuis van Gardel en zijn moeder, een museum geopend.

Gardel wordt wereldwijd nog steeds vereerd. Een populair gezegde in Latijns-Amerika, dat als getuigenis van zijn voortdurende populariteit wordt gebruikt, is dat "Gardel elke dag beter zingt". Tussen de vingers van het levensgrote beeld van Gardel in smoking, doet bijna dagelijks een bewonderaar wel een brandende sigaret. Een andere veelgebezigde uitspraak die stelt dat Veinte años no es nada (twintig jaar is niets), stamt uit zijn lied Volver.

Carlos Gardel componeerde

     honderden tango’s

- Mi Buenos Aires querido

- Cuesta abajo

- Amores de estudiante

- Soledad

- Volver

- Por una cabeza. In de film Scent of a woman wordt deze tango gebruikt, als Al Pacino zich van een verbitterde Vietnamveteraan ontwikkeld tot een fantastische tangodanser. Meeslepende tango.

- El día que me quieras

     10 filmscores

 

Karl Christian Hoyer (9 januari 1891- 12 juni 1936) studeerde aan het conservatorium bij Leipzig bij Max Reger en Karl Straube. Vanaf 1926 was hij organist van de Leipziger Nikolaikirche, nadat hij al organist in Tallinn en vanaf 1912 in Chemnitz was geweest.  In 1926 werd Karl Hoyer ook leraar orgelspel en theorie aan het Conservatorium Leipzig

Karl Hoyer componeerde

     1 werk voor orgel en strijkorkest

     kamermuziek

     vocale muziek

- Wie schön leucht'uns der Morgenstern, kanzone voor sopraan, fluit, viool en altviool, opus 50

     orgelwerken

- Introduktion, Variationen und Fuge über 'Jerusalem, du hochgebaute Stadt' opus 3, 1913, monumentaal.

 

 

Marinus de Jong (Oosterhout, 14 januari 1891 - Ekeren, België 13 juli 1984) was het vijfde van twaalf kinderen uit een arm arbeidersgezin in het Noordbrabantse Oosterhout. Hij. Hij bleek al jong behoorlijk muzikaal en vanaf zijn vijftiende studeerde Marinus de Jong aan het Koninklijk Vlaams Conservatorium piano bij Emile Bosquet en contrapunt bij Lodewijk Mortelmans. Om wat geld te verdienen, gaf hij zelf muziekles en speelde hij altviool in diverse orkesten en ensembles.

Na het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog keerde hij terug naar Oosterhout, waar hij verbleef in het Benedictijner klooster. Marinus de Jong componeerde er en studeerde er orgel

Kort na november 1919 ging Marinus de Jong weer naar België, om daar niet meer uit te vertrekken. Hij trouwde met Johanna Corthals en vestigde zich met haar in Kapellebos. In 1926 kreeg hij de Belgische nationaliteit.

In 1926 werd Marinus de Jong ook docent aan het Lemmensinstituut in Mechelen. In 1932 werd hij leraar piano en contrapunt aan het Antwerpse conservatorium.

In Oosterhout is een straat naar hem genoemd.

Marinus de Jong schreef een zesdelige Theoretische en Praktische Harmonieleer.

Marinus de Jong componeerde

     3 opera’s

- De lelijke meisjes van Bagdad opus 135, 1964

     4 symfonieën

- symfonie nr. 3, opus 171, 1976

     24 concerten

     18 andere orkestwerken

     6 werken voorfanfare of harmonie-orkest

     1 oratorium.

- Hiawada’s Lied, opus 37, 1947, voor solisten, gemengd koor en orkest,  naar het Indiaanse epos van de Amerikaanse dichter Henry Wadsworth Longfellow in de Vlaamse herdichting van Guido Gezelle.

     10 missen

- Missa Ave Maria, opus 1, 1915

     8 andere werken voor solozanger(s), koor en orgel of orkest

     36 koorwerken met orgel, piano(’s), andere instrumenten of orkest

     30 liederen voor (zang)stem en orkest of instrumenten

     30 koorwerken a cappella

- Vier Congolese volksliederen, 1940

     32 kamermuziekwerken

     102 (series) liederen voor zangstem(men) en piano of orgel

     1 serie liederen voor zangstem en gitaar

     50 (series) pianowerken

     18 (series) orgelwerken

- Prelude en Tripelfuga, opus 2, 1917, fascinerend werk;

 

Georges Elbert Migot (Parijs, 27 februari 1891 – Levallois-Perret, 5 januari 1976) werd in een protestantse artsenfamilie geboren; zijn eerste pianoles kreeg hij op zevenjarige leeftijd van zijn moeder. Al snel begon hij te componeren en toen hij 15 jaar was, werd het eerste kleine werk onder de titel Noël a cappella pour quatre voix gepubliceerd. Vanaf 1909 studeerde hij aan het Conservatoire national supérieur de musique harmonie bij Jules Bouval, contrapunt bij André Gédalge compositie bij Charles-Marie Widor en Alexandre Guilmant, orgel bij Louis Vierne, orkestratie bij Vincent d'Indy  en musicologie bij Maurice Emmanuel in Parijs.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog diende hij in het Franse leger en raakte zwaar gewond in de buurt van Longuyon. Een jaar lang moest hij op krukken lopen.

Vanaf 1937 doceerde hij aan La Schola Cantorum in Parijs. Verder produceerde hij uitzendingen van de omroepmaatschappij Radio-Cité van 1937 tot 1939. Van 1949 tot 1961 was hij conservator van het instrumentenmuseum van het Conservatoire national supérieur de musique in Parijs.

Georges Migot was ook een begaafde kunstschilder, dichter en auteur over muziekonderwerpen.

Georges Migot componeerde

     13 symfonieën

     8 concerten

     7 andere orkestwerken

     3 werken voor harmonie-orkest

     4 oratoria

     5 andere religieuze werken

     4 opera’s

     1 ballet

     1 toneelmziekwerk

     1 cantate

     2 koorwerken

     9 (series) liederen en werken voor zangstem en instrument(en)

- Reposoir grave, noble et pur, voor sopraan, fluit en harp, 1933

     30 kamermuziekwerken

     1 orgelwerk

     1 harpwerk

 

Federico Moreno Torroba (Madrid, 3 maart 1891 - 12 september 1982) kreeg zijn eerste muziekonderwijs van zijn vader José Moreno Ballestro en daarna van Conrado del Campo. Federico Moreno Torroba introduceerde als dirigent van verscheidene operagezelschappen de zarzuela bij het internationale publiek.

Frederico Moreno Torroba componeerde

     2 opera’s

- La Virgen de Mayo (1925)

- El Poeta (1980)

     85 zarzuela’s

- La marchenera (1928)

- Luisa Fernanda (1932)

- La Chulapona (1934)

     9 balletten

     9 gitaarconcerten

‒ Concierto en flamenco, 1962, geschreven voor de Spaanse flamencogitarist Sabicas

‒ Diálogos entre guitarra y orquesta, 1977, kleurrijk;

     1 pianoconcert

     24 andere orkestwerken

     2 werken voor gitaarkwartet

     5 werken voor gitaarensemble

     13 (series) koorwerken

     1 werk voor zangstem en orkest

     20 (series) liederen voor zangstem en piano

     61 (series) gitaarwerken

- Sonatina, 1924

- Nocturno, 1926;

- Suite castellana, 1926, geschreven voor Andres Segovia

     12 pianowerken

 

Sergej Sergejevitsj Prokofjev (Prokofiev, Sontsovka, Rusland 23 april 1891 – Moskou, 5 maart 1953)  werd geboren op een landgoed in het huidige Oekraïne. Hij begon met pianospelen op zijn vierde en twee jaar later moest zijn moeder een voorraad muziekpapier op de vleugel leggen om de eerste muziekstukjes van Serjozja te noteren. Familie en vrienden kregen als gewaardeerd verjaardagscadeau composities. Op zijn 9de kreeg hij theorieles van Reinhold Glière. Voor zijn toelatingsexamen in 1903 aan het Konservatorija im. N.V. Rimskogo-Korsakova in Sint-Petersburg nam hij een paar dikke mappen met eigen composities mee. Hij studeerde er bij Nikolaj Rimski-Korsakov en Anatoli Ljadov. 7 maart 1914 gaf Serge Prokofiev zijn eerste concert buiten Rusland: Rome in Italië. Hij verbaasde zich erover dat niemand zijn tweede pianoconcert, dat hij zelf uitvoerde, modern of progressief vond. In 1918 week hij uit naar de Verenigde Staten, in 1920 vertrok hij vandaar naar Parijs. In 1923 trouwde Prokofiev met de Spaanse zangers Carolina Codina (1897–1989), die optrad onder de naam Lina Llubera. Er wordt dan ook het meest over Lina gesproken, als het over haar gaat.

Zijn concertreizen brachten hem in 1927 voor het eerst naar de Sovjet-Unie, waar hij in 1936 definitief terugkeerde met zijn vrouw Lina en zijn twee zoons. Hij paste zich aan de wensen van de Communistische partij aan en schreef de muziek, waar in Rusland vraag naar was. In 1941 leidde een relatie met de 25–jarige schrijfster en librettiste Mira Mendelson (1915–1968) tot een scheiding met Lina, die verder nooit officieel bekrachtigd werd. Officieel bleef Lina zijn vrouw en was na zijn dood ook veranwoordelijk voor de nalatenschap.

Sergej Prokofjev overleed in maart 1953,  op dezelfde dag als Stalin. Hij is begraven op het op de Novodevichy begraafplaats in Moskou. Zijn zonen, architect Sviatoslav (1924–2010), en beeldend kunstenaar Oleg (1928–1998), hebben een groot deel van hun leven besteed aan het aanprijzen van het leven en het werk van hun vader.

Prokofjev is één van de belangrijkste Russische componisten van de 20e eeuw.  Veel van zijn werken doen hem kennen als een humorist, ofschoon hij in latere jaren ook ernstige paden bewandelde.

Sergej Prokofjev componeerde 138 werken:

     14 opera’s

- Igrok (De speler), opus 24, opera in 4 bedrijven, libreto van de componist, 1917, gereviseerd 1928

- l'Amour des trois oranges (de liefde van drie sinaasappels), opus 33, 1919, satirische opera op een Frans libretto, vertaling van het originele Russische libretto naar het Italiaanse toneelstuk L'amore delle tre melarance van Carlo Gozzi. Het bekendste stukje uit de opera is de "March", gebruikt in de CBS – hoorspelserie The FBI in Peace and War die werd uitgezonden van 1944-58. Prokofiev gebruikte de "March" zelf in de 2de acte van zijn ballet Cinderella (opus 87). Briljante opera.

- Semyon Kotko, opus 81, opera in vijf bedrijven, libretto Sergei Prokofiev en Valentin Katayev gebaseerd op Katayev’s roman uit 1937 “Ik, arbeiderszoon”, 23 juni 1940. Sergej Prokofjev distilleerde later uit de opera een orkestsuite, opus 81a.

- Oorlog en Vrede, & opus 91, 1943, gereviseerd 1952, naar het magistrale epos van Leo Tolstoi, libretto Mira Mendelson-Prokofieva.

     9 balletten

- "Ala i Lolli", opus 20, 1915, geschreven op een scenario van de Russische dichter Sergey Gorodetsky. Het ballet was geschreven in opdracht van choreograaf Sergei Diaghilev, maar die verwierp de partituur al voordat die klaar was, waarop Prokovjef de muziek omwerkte in een concertsuite: de Scytische Suite.

- Chout ("The Tale of the Buffoon"), opus 21, geschreven voor Sergei Diaghilev. Gebaseerd op een volksvertelling van Alexander Afanasyev, 1921.Sergej Profofjiev maakte in 1924 een twaalfdelige orkestsuite, die meer wordt uitgevoerd dan het ballet zelf.

- The Prodigal Son (de Verloren Zoon), opus 46, ballet geschreven voor Diaghilev's Ballets Russes, choreografie George Balanchine, 1929; libretto, gebaseerd op de gelijkenis uit het Evangelie van Lukas, van Boris Kochno,

- Romeo en Julia, opus 64, 1935, ballet gebaseerd op William Shakespears toneelstuk Romeo and Juliet. Een van de meest populaire balletten aller tijden, een geniaal werk, een sprankelend ballet. Van fluisterzoete liefkozingen tot hartverscheurende orkestexplosies, hoort bij het best wat Prokofjev ooit schreef. Prokofiev heeft er drie orkestsuites uit afgeleid en een pianowerk.

- Cinderella opus 87, scenario Nikolai Volkov. Een van Prokovjevs meest populaire en melodieuze composities, 1944. Een van de mooiste balletcomposities ooit. Prokofiev leidde er drie orkestsuites uit af en drie suites voor piano

     3 cantates

- Alexander Nevsky,  1939, cantate voor mezzosopraan, koor en orkest, afgeleid uit de filmscore van de gelijknamige film uit 1938.

     1 oratorium

     7 symfonieën

- Symfonie nr. 1 in D grote terts, “Klassieke Symfonie”  opus 25. Even mooi als humoristisch.

- Symfonie nr. 2 in d kleine terts, opus 40, 1925, complex werk, waavan Prokofjev zelf zei dat noch het publiek, noch hijzelf er iets van zou kunnen begrijpen. Onbekend, één van de minst uitgevoerde werken van Prokofjev.

- Symfonie nr. 3 in c kleine terts, opus 44, 1928. De muziek is afgeleid van zijn opera Ognenny Angel (“De Vuurengel”), opus 37 uit 1927, die tijdens Prokofiev’s leven nooit werd uitgevoerd, terwijl hij er 8 jaar aan had gewerkt. Heftig.

- Symphony No. 4, opus 47/112 werd geschreven in 1929 (opus 47) en grondig gereviseerd in 1947 (opus 112). Het werk is afgeleid van Prokofiev's ballet L’enfant Prodigue (de verloren zoon; gebaseerd op het Bijbelverhaal), opus 46, uit 1929. De versie van 1947 is bij de meeste dirigenten favoriet.

- Symfonie nr. 5 in Bes grote terts, opus 100 , na De Klassieke, zijn meest bekende, 1945: Ode aan het einde van de oorlog. "Ik verkondig de lof van de vrije en gelukkige mens, zijn sterkte, zijn generositeit en de puurheid van zijn ziel”. IJzersterk einde. Hymnisch.

- Symfonie nr. 6 in es kleine terts, opus 111, 1947, geschreven als klaaglied over de tragedies van de Tweede Wereldoorlog, de donkere tweelingbroer van symfonie nr. 5.

- Symphony No. 7 in cis kleine terts, opus 131, 1952, begon als deel van een radioprogramma voor kinderen en wordt daarom ook wel de "kindersymfonie" genoemd. Om in aanmerking te komen voor de Stalinprijs, waar hij in zijn armoedige toestand op dat moment behoorlijk belang bij had, plakte Prokofjev ná de première nog een vrolijke coda aan het laatste, vierde deel: Vivace. Voor hij stierf gaf Prokofjev aan dat hij een uitvoering zònder de coda op prijs stelde. Zo wordt het werk dan ook meestal uitgevoerd.

     23 suites voor orkest

- Scythische Suite, opus 20, 1915, oorspronkelijk geschrevene voor het ballet Ala i Lolli, dat over de Scythen gaat. De partituur werd geschreven op de woorden van de Russische dichter Sergej Gorodets. Omdat het ballet nooit werd uitgevoerd, zette Prokofjev het om in een orkestsuite

- Suite No. 1 uit Romeo en Julia, opus 64bis, 1936

- Suite No. 2 uit Romeo en Julia, opus 64ter, 1936

nr. 1 "Montagues and Capulets" of "Dance of the Knights"; groots opgezet, tientallen keren "gecoverd" door popbands, als TV- en filmmuziek en bij openingen van tentoonstelling enzovoort.

- Suite nr. 1 uit het ballet Cinderella, opus 107, 1944

- Suite nr. 3 uit Romeo en Julia, opus 101, 1946

     11 concerten

- pianoconcerto nr. 1 in Des grote terts, opus 10, 1912. Een eendelig concert.

- pianoconcerto nr. 2 in g kleine terts, opus 16,  1913, geschreven ter herinnering aan Maximilian Schmidthof, een vriend van Prokofjev aan het Conservatorium in Sint Petersburg, die zelfmoord had gepleegd. De première liep uit op een schandaal. De recensies waren verschrikkelijk, in onze tijd onbegrijpelijk. Toen Prokoviev het werk in Rome uitvoerde op 7 maar 1914 vond niemand het "modern"of "progressief". De originele orkestpartituur is bij een brand na de Russische Revolutie verloren gegaan. Prokofjev reconstrueerde en reviseerde het concert in 1923.

- vioolconcerto nr. 1 in D groot, opus 9, 1917, gemene hoge posities op de g-snaar. "een zonovergoten landschap, waar een frisse geur van de natuur doorheen waait" (David Oistrach)

- pianoconcerto nr. 3 in C grote terts, opus 26, 1921; het bekendste concerto van Sergei Prokofjev. Spits, speels, altijd weer verrassend; mengeling van lyrische lijnen en een dartelend staccato.

- pianoconcerto nr. 4 in Bes grote terts, opus 53, 1931, voor de linkerhand, in opdracht van de éénarmige pianist Paul Wittgenstein. Die begreep het werk niet en voerde het daarom nooit uit.

- pianoconcerto nr. 5 in G grote terts, opus 55, 1932

- vioolconcerto nr. 2 in g kleine terts, opus 63, 1935, adembenemende opening, verbluffende virtuositeit, mooie melancholie en luisterrijke lyriek.

- Sinfonia Concertante in e kleine terts, opus 125 voor cello en orkest, 1952, opgedragen aan  Mstislav Rostropovich, een gereviseerde versie van zijn celloconcerto opus 58, 1938.

     2 concerten en 1 concertino voor violoncello en orkest

     18 andere orkestwerken

- Dromen voor orkest, 1910

- Ouverture over Hebreeuwse thema's in c-klein, opus 34, 1919,  voor klarinet, strijkkwintet en piano, Melancholiek.

     14 werken voor koor en/of zang- of spreekstem(men) en orkest

Peter en de wolf, voor spreekstem en orkest, opus 67, 1936

     5 marsen en 1 ode voor harmonieorkest

     2 strijkkwartetten

- 1e strijkkwartet, 1930, besteld door  Elizabeth Sprague Coolidge tijdens een tournee van de componist door de V.S. Een “Beethoven” met eigenzinnige humor en sarcasme.

- 2de strijkkwartet, 1941

     6 sonates

- sonata voor twee violen in C grote terts, opus 56, 1932, prachtig breekbare poëzie.

- vioolsonata nr. 1 in f kleine terts, opus 80, 1938-1947, een van de donkerste en broeierigste werken van de componist. Het eerste en derde deel van de vierdelige sonate werden uitgevoerd op Prokofjevs begrafenis door Oistrach en Samuil Feinberg. Eén van de beste kamermuziekwerken uit de twintigste eeuw.

- vioolsonata nr. 2 in D grote terts, Op. 94 bis, 1943, gebaseerd op de fluitsonate in D grote terts, opus, Op. 94, 1942 gearrangeerd voor zijn goede vriend David Oistrakh, die zo onder de indruk was van de fluitsonate, dat hij Prokofjev vroeg om een arrangement voor viool. In tegenstelling tot sonate 1 overwegend optimistisch.

- Sonate voor viool solo, opus 115, 1947, kan naar believen door viool solo of door meerdere violen unisono worden gespeeld. Dat idee kreeg Prokovjef toen hij bij een finale-examen aan het conservatorium in Moskou vijf finalisten unisono de 3de partita voor viool BWV 1006 van Bach hoorde spelen. Klinkt als een vioolconcert met orkest inbegrepen.

- Cello Sonata in C grote terts, opus 119, 1949, geschreven voor Mstislav Rostropovich, romantisch werk met prachtige kleuren en sprookjesachtige melodieën. Geschreven in een moeilijke tijd: zijn vrouw was gevangen genomen, hijzelf was bij Stalin in ongenade gevallen, zijn werk was in de ban gedaan. Zijn muzikale vrienden hielpen hem door de nachtmerrie heen. Luchthartigheid en galgenhumor.

- Sonata voor fluit en piano, opus 94, 1943, in het tweede deel “Scherzo” voert een nachtegaal een gesprek met een merel of een roodborstje.

     6 andere kamermuziekwerken

- vijf melodieën voor viool en piano, opus  35bis, 1925, oorspronkelijk voor sopraan en piano (1920), korte karaktervolle stukken, ook georkestreerd voor viool en orkest door Profofjev zelf en door Rodion Shchedrin.

- Ouverture over Hebreeuwse Thema’s, opus 34, 1919, voor klarinet, strijkkwartet en piano, geschreven tijdens een reis door de Verenigde Staten. Sergei Prokovjev werd gedwongen er in 1930 een orkestversie van te maken: opus 34a ("I don’t understand what sort of obtuse people could have found it necessary to reorchestrate it"), maar die wordt veel minder vaak uitgevoerd dan de originele kamermuziekversie.

     6 werken voor koren

     19 liederen of liedbundels

- vijf liederen zonder woorden, voor sopraan en piano, opus 35, 1920, geschreven voor de sopraan Nina Koshetz

     27 werken of series werken voor piano solo

- Vier Etudes voor piano, opus 2, 1909, rebels, provocerend en veeleisend voor de uitvoerende

- Vier stukken voor piano, opus 4, 1908, toen Prokofjev nog op het constervatorium van Sint Petersburg studeerde.

4. Suggestion Diabolique, het bekendste deel van de vier, een grote donderwolk van lage noten;

- pianosonata nr. 2 in d kleine terts,  opus 14, 1912, opgedragen aan zijn vriend en studiegenoot aan het St. Petersburg Conservatorium, Maximilian Schmidthof, die in 913 zelfmoord pleegde.

- Toccata in D kleine terts, opus 11,1912, buitengewoon lastig werk, populair bij virtuoze pianisten. Prokofjev zelf heeft het nooit goed kunnen spelen.

- Sarcasms – vijf pianostukken, opus 17, 1914

- 20 Visions Fugitives, opus 22, 1917,  korte pianostukjes, twintig muzikale haiku's, frappant geniale stukjes, die schitteren door intimiteit, filigrain en humor. 

- pianosonata nr. 3 in a kleine terts, opus 28, 1917, gecomponeerd naar schetsen uit 1907, vandaar de bijnaam “uit de oude schetsboeken”, bewegelijk en expansief.

- pianosonata nr. 5 in C grote terts, opus 38, 1923, gereviseerd in 1953 als opus 135

- Pensées opus 62, 1934, drie deeltjes;

- Muziek voor Kinderen, twaalf makkelijke stukken voor piano, opus 65, 1935.

- Ten Pieces voor piano, opus 75, 1937, afgeleid uit het ballet Romeo en Julia

- pianosonate nr. 6 in A grote terts, opus 82, 1940, de eerste van de drie Oorlogssonates die Prokofjev schreef; pianosonates die tijdens de Tweede Wereldoorlog werden geschreven.

- pianosonata nr. 7 in Bes grote terts, opus 83 ("Stalingrad"), is de tweede van de drie Oorlogssonates, 1942; deze sonates bevatten de meest dissonante muziek door Prokofjev voor de piano gecomponeerd. Werd daarmee wel zijn beroemdste sonate.

- pianosonata nr. 8 in Bes grote terts, opus 84, 1944, de derde van de drie Oorlogssonates.

- pianosonata nr. 9 in C grote terts, opus 103, 1947, opgedragen aan Sviatoslav Richter, speelsheid en nostalgie gaan hand in hand.

     8 filmscores

- Alexander Nevsky,  1 december 1938, regie  Sergei Eisenstein's,  de meteksten zijn van de dichter Vladimir Lugovskoy. In 1939 werkte Prokofiev de 27 filmscore cues om tot een zevendelige cantate, die tot op de dag van vandaag repertoire houdt.  

- Iwan de verschrikkelijke, regie Sergei Eisenstein, deel 1 1944, deel 2 1945, opus 116. Het zou een trilogie moeten worden, maar daar is het niet van gekomen. De filmscore is in een concertversie omgezet door Christopher Palmer in 1990.

 

Arthur Vincent Lourié (Propojsk, nu: Slawharad, Gouvernement Mogiljow, Rusland, 14 mei 1891 - Princeton, Verenigde Staten, 12 oktober 1966) heette oorspronkelijk Naoem Israilevitsj Loerja, maar nam de artiestennaam Arthur Vincent Lourié aan als blijk van hulde voor Arthur Schopenhauer en Vincent van Gogh. Arthur Lourié kwam uit een welgesteld Joods gezin. Nog vrij jong bekeerde hij zich tot het katholicisme om te kunnen trouwen met een Poolse vrouw . Van 1909 tot 1913 studeerde hij aan het Conservatorium van Sint-Petersburg piano bij Maria Barinova en compositie bij Aleksandr Glazoenov. Nadat hij het conservatorium zonder een afsluitend diploma had verlaten, sloot Arthur Lourié zich aan bij de kunstenaarskring van de futuristen, een beweging die in Italië was ontstaan uit de kubistische schilders, en die in de Eerste Wereldoorlog uit elkaar viel.

Na de Russische Revolutie van 1917 werkte Arthur Lourié op de muziekafdeling van het volkscommissariaat van onderwijs. Hij verloor zijn functie toen de machtsverhoudingen verschoven. Als kunstenaar was hij niet bestand tegen de intriges in een dergelijke positie.

In deze periode deelde hij een huis met de Russische artiest Sergej Soedejkin en diens vrouw, danseres Vera Soedejkina, beter bekend als Vera de Bosset, later de vrouw van Igor Stravinsky.

In augustus 1922 kwam Arthur Lourié na een dienstreis naar Berlijn, waar hij Ferruccio Busoni bezocht en met hem bevriend raakte, niet meer terug. In Rusland werd zijn werk in de ban gedaan. Na een kort verblijf in Wiesbaden reisde hij in 1924 verder naar Parijs.

Toen de Duitsers in 1941 Parijs bezetten, vluchtte Arthur Lourié met de steun van Serge Koussevitzky naar de Verenigde Staten, waar hij zich vestigde zich in New York City.

Arthur Lourié was behalve componist ook een getalenteerd auteur en kunstschilder.

Arthur Lourié componeerde

     1 opera

De Moor van Peter de Grote, 1961, naar het gelijknamige verhaal van Alexandr Poesjkin

     4 balletten

     1 toneelmuziekwerk

     11 orkestwerken

     3 werken voor harmonie-orkest

     9 motetten

     4 cantates

     4 (series) koorwerken

     34 (series) liederen zangstem en instrument(en)

Little Gidding, voor tenor en instrumenten, tekst T.S. Eliot

     15 kamermuziekwerken

     26 (series) pianowerken

Vijf fragiele preludes, opus 1, 1910

Deux poèmes, opus 8, 1912

Quatre poèmes, opus 10, 1912

Waanzin - Synthèses, opus 16

Formes en l'air (Vormen in de lucht) - naar Pablo Picasso, 3 stukken, 1915

Dnevnoj uzor (Dagplan), 1915, 5 stukken

www.lourie.ch

 

Richard Tauber, geboren als Richard Denemy (Linz, Oostenrijk, 16 mei 1891- Londen, Engeland, 8 januari 1948) was het onwettige kind van sopraanzangers (soubrette) Elisabeth (weduwe van Karl Seyfferth) en acteur Anton Richard Tauber. 12 jaar oud trok Richard Denemy naar zijn vader in Wiesbaden en ging daar naar het gymnasium en daarna naar het Hoch’schen Konservatorium in Frankfurt am Main, waar hij piano, compositie en direktie studeerde.  Op aanraden van docenten legde Richard Denemy zich vanaf 1911 toe op zingen in Freiburg im Bresgau bij Carl Beines. In 1913, toen hij al als operazanger was gedebuteerd, werd hij door zijn vader geadopteerd en veranderde zijn naam in „Denemy-Tauber“, maar noemde zich uitsluitend „Tauber“. Eind 1913 kreeg Richard Tauber aan de Opera in Dresden een aanstelling als als koninklijke hofoperazanger.

Tussen 1922 en 1925 maakte Richard Tauber naam als geniale Mozartvertolker.

In 1926 trouwde Richard Tauber met de Hamburgse Soubrette Carlotta Vanconti. In 1928 volgde alweer en scheiding.

In 1933 werd Richard Tauber in Berlijn voor Hotel Kempinski door een SA-bende met de woorden „Judenlümmel, raus aus Deutschland“ in elkaar geslagen. In deze tijd leefde hij samen met zangeres Mary Losseff, een relatie die eindigde door haar drankproblematiek.

In 1936 trouwde Richard Tauber met de Britse actrice Diana Napier. In 1938 emigreerde Richard Tauber naar Engeland om de nazi’s te ontlopen. In 1940 werd hem het Britse staatsburgerschap verleend.

Eind 1947 stierf Richard Tauber, 56 jaar oud, aan longkanker. Hij werd begraven op de Londense Brompton begraafplaats. Een gedenksteen bevindt zich op de begraafplaats in Bad Ischl.

Richard Tauber componeerde

     3 operettes

- Der singende Traum, 1934, de aria “Du bist die Welt für mich” daaruit is zijn bekendste compositie;

     liederen

     1 filmscore

 

Cole Porter (Peru, Indiana, Verenigde Staten, 9 juni 1891 – Santa Monica, Californië, 15 oktober 1964) speelde al vanaf jonge leeftijd piano, en studeerde aan de Universiteit van Yale. Daarna studeerde hij muziek in Parijs. Zijn liedjes en musicals brachten hem al snel succes.

Hij ontmoette Linda Lee Thomas in Parijs in 1918. Zij was een beeldschone, rijke, gescheiden vrouw die een aantal jaren ouder was dan hij. Ze werd ooit de mooiste vrouw ter wereld genoemd. Ze trouwden in 1919.  Porter was homoseksueel, een feit waarvan Linda Lee op de hoogte was. Zij tolereerde zijn affaires met mannen. Aan het begin van de jaren dertig  gingen Cole Porter en zijn vrouw (enige tijd) uit elkaar. Zij bleven echter getrouwd en hun "gelukkige" huwelijk duurde tot Linda Lee overleed in 1954.

Door een ongeluk met een paard werden in 1937 zijn benen verbrijzeld waardoor hij vrijwel geheel kreupel werd, maar hij bleef componeren.

De Porters verhuisden van Parijs naar Venetië, van daar naar New York en uiteindelijk naar Hollywood, waar Cole Porter voor MGM de muziek voor veel films schreef. Het openbaar worden van de homoseksuele relaties naast zijn huwelijk en de achteruitgang van de kwaliteit van zijn werk veroorzaakten zijn vertrek uit Hollywood.

In 1958 moest zijn rechterbeen geamputeerd worden. Daarna verloor hij zijn levenslust en zijn creativiteit. Cole Porter overleed in 1964 en ligt begraven tussen zijn vader Sam Porter en zijn vrouw Linda in zijn geboorteplaats

In 2004 is er een speelfilm over het leven van Cole Porter uitgebracht: "De-Lovely"

Cole Porter componeerde

     21 musicals

- Fifty Million Frenchmen,  script Herbert Fields, 1929. De titel refereert aan de muziekhit uit 1927 "Fifty Million Frenchmen Can't Be Wrong" van Willie Raskin, Billy Rose en Fred Fisher.

The Tale of an Oyster, 1 van de 8 nummers uit de tweede acte.

- Gay Divorce (vrolijke scheiding) naar een boek van Dwight Taylor, bewerkt door Kenneth Webb en Samuel Hoffenstein. 1932, met Fred Astaire in zijn laatste Broadwayshow. In 1934 omgewerkt tot een musicalfilm. De song hit "Night and Day" komt eruit.

- Anything Goes, 1934, naar het boek van Guy Bolton en P.G. Wodehouse, behoorlijk gereviseerd door Howard Lindsay en Russel Crouse. Met de songs "Anything Goes", "You're the Top", en "I Get a Kick Out of You" De musical werd twee keer verfilmd.

- Babes in Arms, 1937 liedjes Lorenz Hart, libretto Rodgers èn Hart.

Hèt succesnummer uit de musical is "My Funny Valentine", op 1300 albums opgenomen door meer dan 600 artiesten.

- Kiss Me Kate, 1948, gebaseerd op William Shakespeares blijspel The Taming of the Shrew (de getemde feeks); het grootste musicalsucces van Cole Porter: 1.077 voorstellingen op Broadway;

     58 songs

- Love for Sale, 1930, een door merg en been gaand lied over de betaalde "liefde" (Do, do that voodoo that you do so well, prachtig binnenrijm)

- Night and Day, (uit "Gay Divorce", 1932)

- I Get a Kick Out of You, 1934, in de musical  Anything goes

- Let's Do It (Let's Fall in Love),

- I Love Paris,

- Begin the Beguine, 1935, gecomponeerd tijdens een cruise over de Stille Oceaan.

- Anything goes, 1934, uit de gelijknamige musical.

- One of Those Things

- Too Darn Hot,

- In the Still of the Night,

- Easy to Love,

- You're the Top,

- It's De-lovely,

- I've Got You Under My Skin,

- Ev'ry time we say goodbye, 1944

- So in Love,(Kiss me Kate)

- Wunderbar,  (Kiss me Kate)

- Let's Misbehave

- You're Sensational, (High Society)

- True love,(High Society)

- Don't Fence Me In.

     8 film- en TVscores

- Born to Dance, 1936 musicalfilm met Eleanor Powell en James Stewart, een Metro-Goldwyn-Mayer onder regie van Roy Del Ruth. Hitsong "I've Got You Under My Skin”

- High Society, 1956 (jazzmusicalfilm, met Bring Crosby, Grace kelly, Frank Sinatra en Louis Armstrong)

www.coleporter.org

 

Sir Arthur Edward Drummond Bliss (Barnes, Londen, Engeland, 2 augustus 1891 – 27 maart 1975) was de oudste van drie zonen van zakenman Francis Edward Bliss uit Massachusetts en zijn tweede vrouw Agnes Kennard, geboren Davis (1858–1895). Na de vroege dood van hun moeder in 1895 werden de jongens opgevoed door hun vader die hij liefde voor de kunst bijbracht. Vanaf zijn schooljaren componeerde Arthur Bliss. Arthur Bliss studeerde klassieke talen aan het Pembroke College in Cambridge en daarnaast muziek bij Charles Wood. In 1913 studeerde hij af in klassieke talen en muziek, en studeerde daarna nog aan het Royal College of Music bij Charles Villiers Stanford, Ralph Vaughan Williams en Gustav Holst. In 1914 nam hij dienst bij het leger, en vocht in Frankrijk als officier bij de Royal Fusiliers tot 1917 en daarna bij de Grenadier Guards tot het einde van de Eerste Wereldoorlog Hij was twee keer zwaargewond en overleefde een gasvergiftiging. Zijn jongere broer Kennard kwam om in de oorlog, dat raakte Arthur Bliss diep. In 1918 ging hij over naar het Rooms Katholicisme.

In 1921 werd Arthur Bliss compositiedocent aan het Royal College of Music, maar hield daar al in 1922 mee op om alleen nog maar te componeren. In 1923 besloot Arthur Bliss’ vader, die was hertrouwd, terug te gaan naar de Verenigde Staten. Hij ging met zijn vrouw wonen in Californië. Arthur Bliss ging daar ook heen en bleef er een paar jaar, terwijl hij werkte als dirigent, voorlichter, pianist en muziekcriticus. Hij ontmoette er Gertrude "Trudy" Hoffmann (1904–2008), en ze trouwden in 1925. Ze kregen twee dochters. Al gauw na het huwelijk vertrokken Arthur Bliss en zijn vrouw weer naar Engeland. In juni 1939 was het gezin van Arthur Bliss in de Verenigde Staten voor vakantie toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak. In eerste instantie bleef Arthus Bliss in Amerika, waar hij doceerde aan de Universiteit van Californië in Berkeley. Maar in 1941 voelde hij zich toch gedwongen om terug te keren naar Engeland om te zien of hij daar in de oorlog nog wat kon betekenen. Hij liet zijn vrouw en kinderen in Californië achter. In Engeland werd Arthur Bliss in 1941 muzikaal directeur van de B.B.C. In 1944 kwam zijn gezin terug uit de Verenigde staten en nam hij ontslag. Hij werd in 1950 geridderd en volgde in 1953 Arnold Bax op als Master of the Queen's Music.

Bliss’s werken zijn gecatalogiseerd door Lewis Foreman en hebben een "F" nummer

Arthur Bliss componeerde

     3 opera’s

     10 balletten

     3 theatermuziekwerken

     22 orkestwerken

- Hymn to Apollo,  F 116, 1926, gereviseerd in 1965

     5 concerten

     36 werken voor harmonie- of fanfareorkest

     9 vocaal/orkestrale werken

- Morning Heroes, F 32, koorsymfonie voor verteller, koor en orkest, 22 oktober 1930, herdenkingswerk aan de Eerste Wereldoorlog, waarin Arthur Bliss ook had moeten meevechten: "To the Memory of my brother Francis Kennard Bliss and all other Comrades killed in battle". Teksten uit de Ilias van Homerus, gedichten van Wilfred Owen, Robert Nichols en Walt Whitman. Soort requiem.

     17 kamermuziekwerken

- Pianokwartet in a kleine terts, 1915 F18, nostalgische, bijna vredig werk in barre tijden  van oorlog;

     21 koorwerken

     14 werken voor zangstem(men) en ensemble

     21 (series) werken voor zangstem(men) en piano

     18 (series) pianowerken

     1 orgelwerk

     9 filmscores

     2 radioscores

     3 televisiescores

 

Adolf Georg Wilhelm Busch (Siegen, Westfalen, Duitsland, 8 augustus 1891 – Guilford, Vermont, Verenigde Staten, 9 juni 1952) was de zoon van strijkinstrumentenbouwer Wilhelm Busch. Adolf Busch studeerde aan het Conservatorium in Keulen viool bij Willy Hess en Bram Eldering en compositie bij Fritz Steinbach. Vanaf 1908 studeerde hij compositie bij Hugo Grüters in Bonn.

In 1912 werd Adolf Busch concertmeester in Wenen. In 1914 werd hij muziekdocent in München, en in 1918 aan de Muziekhogeschool in Berlijn. Daar vormde Adolf Busch het Busch Quartet. Een van de leden was Rudolf Serkin, die ook al op 18-jarige leeftijd Adolf Busch's duopartner werd en in 1935 trouwde met Busch’s dochter Irene. Met Rudolf Serkin vormde Adolf Busch ook de Busch Chamber Players, een voorloper van moderne kamerorkesten.

In 1927, toen de ster van Adolf Hitler begon te reizen, besloot Adolf Busch, ondanks dat hij geen Jood was en erg populair, dat hij niet met een goed geweten in Duitsland kon blijven, en emigreerde naar Basel in Zwitserland. Daar was hij onder meer leraar van Yehudi Menuhin. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog emigreerde Adolf Busch naar de Verenigde Staten, waar hij zich vestigde in Vermont. Daar richtte hij, weer met Rudolf Serkin de Marlboro Music School en Festival op.

Adolf Busch was de broer van dirigent Fritz Busch, de cellist Hermann Busch, de pianist Heinrich Busch en de acteur Willi Busch. Hij was de grootvader van pianist Peter Serkin.

Adolf Busch componeerde

     orkestwerken

- vioolconcert in a kleine terts, opus 20, 1922

- concerto voor orkest, 1929

     concerten

- vioolconcert in a kleine terts, opus 20, 1922

     13 kamermuziekwerken

- Suite in a kleine terts voor altviool solo, opus 16a

- kwintet voor Saxofoon and Strijkkwartet in Es grote terts. opus 36

- strijksextet in G grote terts, opus 40,

     4 orgelwerken

     3 series liederen voor sopraan en piano

 

Marcel Georges Lucien Grandjany  (Parijs, Frankrijk, 3 september 1891 – New York, Verenigde Staten, 24 februari 1975) werd geboren in een muzikantenfamilie. Na de dood van zijn moeder woonde hij bij zijn tante en kreeg van zijn nicht Juliette piano- en solfègeles. Marcel Grandjany begon als negenjarige harp te studeren bij Henriette Renié. Hij mocht tegelijk aan het Conservatoire de Paris in de piano- en solfègeklas beginnen. Vanaf 1902 studeerde hij er harp bij Alphonse Hasselmans.

Op zijn zeventiende trad hij op met het Concerts Lamoureux Orchestra, en ging solo-optredens geven. Hij ging aan het werk als harpleraar in Parijs er richtte er een privéschool op.

Ns de Eerste Wereldoorlog leerde Marcel Grandjany de zangeres Georgette Boulanger kennen, waarmee hij in 1919 trouwde. In 1930 kregen ze een zoon: Bernard.

Van 1921 tot 1926 was hij hoofddocent harp aan de Amerikaanse Fontainebleau Zomerschool. In 1926 emigreerde Marcel Grandjany, vanwege het Nationaal Socialisme in Europa naar de Verenigde Staten, waar hij in 1938 hoofdleraar werd aan de Harpafdeling van de Julliard School. Hij gaf daar les tot zijn dood in 1975, met een tussenpauze in de 40-er jaren, toen hij les gaf aan het Conservatoire de musique van Québec. Hij gaf daarnaast les op de Manhattan muziekschool van 1956 tot 1967.

Marcel Grandjany componeerde

     3 orkestwerken met harp

- Aria in klassieke stijl voor harp en orgel (of orkest), opus 19

     32 (series) werken voor harp solo

     1 werk voor zangstem en harp

     9 transcripties voor harp