Componisten

vanaf 1894

 

Clément Doucet (Brussel, België, 9 april 1894 – 9 september 1950). werkte na zijn muziekstudie in Parijs voor orgelbouwer Cavaillé-Coll van 1912 tot 1914 en daarna voor Wannamakers in New York. Hij werd daar goede vrienden met George Gershwin. In 1923 kwam hij in Parijs terug, waar hij met de Franse pianist Jean Wiener meer dan 15 jaar samenwerkte. Als Belgisch jazzpionier gaf Clément Doucet 2000 uitvoeringen over de hele wereld. Hij maakte ook talloze plaatopnames.

Clément Doucet “componeerde”

     Chopinata, een jazzversie van enkele werken van Chopin. 

 

Ervín Schulhoff (Praag, Tsjechoslowakije, 8 juni 1894 – Wülzburg, Duitsland, 18 augustus 1942) viel als kleine jongen al op omdat hij grote interesse had voor alles wat nieuw was en muzikaal zeer begaafd was. Antonín Dvořák zette zich ervoor in dat Ervin Schulhoff op 10-jarige leeftijd aan het Praags conservatorium in de pianoklas werd opgenomen. Op 12-jarige leeftijd ging hij in Wenen aan het Horák-Muziekinstituut bij Willy Thern studeren. Twee jaar later studeerde hij in Leipzig aan de Felix Mendelssohnschool voor muziek en theater piano bij Robert Teichmüller en compositie bij Stephan Krohl en Max Reger. Vanaf 1913 studeerde hij aan de Rheinische Musikhochschule te Keulen piano bij Lazzaro Uzielli en Carl Friedberg, contrapunt bij Franz Bölsche, instrumentatie bij Ewald Strasser en orkestdirectie en compositie bij Fritz Steinbach.

Van 1914 tot 1918, in de Eerste Wereldoorlog, was Ervin Schulhoff soldaat in het Oostenrijkse leger. Hij raakte gewond - en werd pacifist.

Na de oorlog ging hij naar Dresden, waar hij 1919 de groep "Werkstatt der Zeit" oprichtte, die bekendheid verwierf met vernieuwende concerten. Eind 1920 werd hij in Saarbrücken docent piano aan het Dornschein conservatorium. Via Berlijn kwam hij in 1923 naar Praag terug, waar hij werkte als freelance kunstenaar, pianovirtuoos, medewerker bij de Praagse omroep, en muziekcriticus van het Praagse avondblad en van het tijdschrift "Auftakt".

Zijn toetreden tot het communisme hield voor hem in dat hij vanaf 1933 niet meer in Duitsland kon optreden. Op 23 juni 1941 werd hij in Praag als Russisch staatsburger, niet als Jood, opgepakt en naar het concentratiekamp kasteel Wülzburg gedeporteerd, waar hij aan tuberculose overleed.

Ervín Schulhoff componeerde

     3 opera’s

- Flammen, opus 68, 1933. De voor Berlijn geplande première werd om politieke en racistische redenen verhinderd.

     2 balletten

- Ogelala, Ballettmysterium nach antik-mexikanischem Original, 1922, met dominante slagwerkpartij

     5 toneelmuziekwerken

     8 symfonieën

     11 andere orkestwerken

- Konzert für Klavier und kleines Orchester, opus 43, WV 66, 1923

     2 werken voor harmonieorkest

     15 kamermuziekwerken

- sonate nr. 1 voor viool, opus 7, 1913

- Divertimento voor strijkkwartet, 1914

- Strijkkwartet nr, 0, opus 25, 1918

- Bassnachtigal, drie stukken voor contrafagot, opus 38, 1922, uniek werk: een nachtegaal met het gewicht en het formaat van een walvis;

- "Fünf Stücke für Streichquartett", suite van vijf delen, 8 augustus 1924, opgedragen aan Darius Milhaud. Neoklassiek. Elke deeltje refereert aan een dans uit een ander land

1: Alla Valse Viennese

4: Alla Tango Milonga, Argentinië dus

- strijkkwartet nr. 1, 1924, wel veel doorwrochte ernst, verrassend werk; eerste en derde deel ritmische opgewonden; tweede en vierde deel superieur ingetogen

- strijksextet, opus 45, 1924, groot meesterwerk, indrukwekkend

- Concertino, voor fluit, altviool en contrabas, 1925

- Duo, 1925, voor viool en cello, mooie, veelkleurige compositie;

- Violin Sonata nr. 2, 1927

- Hot-Sonate, Jazz-Sonate voor altsaxofoon en piano, 1930, opgedragen aan de De Funk-Stunde A.G. in Berlijn

     11 werken voor zangstem(men) en piano of orkest

     24 werken of series werken voor piano solo

- Neun kleine Reigen,  opus 13, 1913

- Ostinato,  1923, zesdelig

- Suite nr. 3 voor piano, linkerhand, WV 81, 1926, 5-delige suite;

- 5 Etudes de Jazz, 1927

5. Toccata sur le Shimmy “Kitten on the Keys” de Zez Confrey, gebaseerd op de hit van Zez Confrey.

- Esquisses de Jazz (Jazz schetsen), 1927, door Leonard Evers voor strijkkwartet gearrangeerd

nr. 4: Blues

nr. 5: Charleston

- Suite dansante en jazz,  WV 98, 1931

 

Dimitri Sinovjevitsj Tjomkin (Tiomkin) (Krementsjoek, Rusland, 10 mei 1894 – Londen, 11 november 1979) was van Joodse afkomst. Hij leerde piano spelen van zijn moeder Marie Tartakovskaya, zodra hij achter de piano kon zitten. Zijn vader Zinovy Tiomkin, die niets moest hebben van Tjomkins muzikale aspiraties, was een vooraanstaand patoloog. Dimitri Tiomkin studeerde aan het Conservatorium van Sint-Petersburg piano bij Felix Blumenfeld en harmonieleer en contrapunt bij directeur Aleksandr Glazoenov. Dimitri Tiomkin verdiende behalve met pianoles geven geld bij door films van ‘live’ pianobegeleiding te voorzien.

De Oktoberrevolutie in 1917 zette alle democratische ontwikkelingen stil en alleen gevestigde instituten konden overleven. Waaronder het Peterburgse conservatorium van Aleksandr Glazoenov. Voedselschaarste en de uitbraak van cholera veroorzaakten een ramp en Tjomkin werd ingezet als ‘desinfectant’ en moest huizen, waar cholera geheerst had, met een team ontsmetten. In 1919 besloot Dimitri Tiomkin Rusland te verlaten; er was geen werk meer voor een pianoleraar die prinsessen en graven onderwees. Hij vertrok naar zijn vader in Berlijn.

In Berlijn kon Dimitri Tiomkin studeren bij Ferruccio Busoni.

Dimitri Tiomkin pakte het leraarschap weer op en al gauw was hij in trek als leraar voor de kinderen van de rijke ex-Russen. Hij ontmoette de excentrieke pianist Michael Kariton en beiden besloten als een duo naar Parijs te gaan. Op een aanbod van de Amerikaanse impresario Morris Gest, die ze in Parijs ontmoetten besloten Tjomkin en Kariton voor een theatertour naar de Verenigde Staten te gaan.

Dimitri Tiomkin arriveerde in New York in 1925. Hij ging niet meer uit Amerika weg In 1927 trouwde Dimitri Tiomkin met ballerina en choreografe Albertina Rasch.

Dimitri Tiomkin maakte kennis met de Amerikaanse populaire muziek kreeg die muziekstijl onder de knie.

In 1929 produceerde Albertina balletnummers voor films van MGM (Metro-Goldwyn-Mayer) en Tjomkin componeerde hier muziek bij. Het was het begin van een grote filmcomponistencarrière.

Dimitri Tjomkins leven kwam tot stilstand door het overlijden van zijn vrouw in 1967. Tot overmaat van ramp werd hij op weg naar zijn huis, na de begrafenis, overvallen. Hij verkocht alles wat hij in Hollywood had en vertrok naar Londen. In 1972 hertrouwde hij met Olivia Cynthia Patch en hij overleed in Londen in 1979.

Dimitri Tiomkin componeerde

     120 filmscores

- Strangers on a Train, 1951, regie Alfred Hitchcock

- I Confess, 1953,  regie Alfred Hitchcock

- Dial M for Murder, 1954, regie Alfred Hitchcock.

- The Old Man and the Sea, 1958, Oscar voor de muziek;

- The Guns of Navarone, 1961

     5 TVscores

     40 popsongs

- ‘Do not forsake me, o my darlin’’, 1952. Oscar voor ‘best song’ in dat jaar.

- ‘Thee I Love’ 1956

- ‘Marry Me’,

- ‘Lead her like a pigeon’,

- 'The mockingbird in the willow tree’,

- ‘Coax me a little’

- ‘Indiana holiday’.

www.dimitritiomkin.com

 

Bernard Wagenaar (Arnhem, 18 juli 1894 – York, Maine, 19 mei 1971) studeerde aan de Universiteit Utrecht viool bij Gerard Veerman, piano bij Lucie Veerman Bekker en composition bij zijn vader Johan Wagenaar.

In 1920 verhuisde Bernard Wagenaar naar de Verenigde Staten, waar hij Amerikaans staatsburger werd in 1927. Van 1921 tot 1923 was hij violist bij het New York Philharmonic Orchestra. Van 1925 tot 1968 doceerde hij Juilliard School waar hij onder andere Bernard Herrmann en Robert Ward onder zijn leerlingen telde.

Hij werd geridderd als officier in de Orde van Oranje-Nassau.

Bernard Wagenaarcomponeerde

     4 symfonieën

     12 andere orkestwerken

     5 (series) liederen voor zangstem of koor en instrumenten of orkest

     12 kamermuziekwerken

 

Willem Frederik Johannes Pijper (Zeist, 8 september 1894 – Leidschendam, 19 maart 1947) deed in 1915 examen muziektheorie aan de Toonkunst-muziekschool in Utrecht (het latere Utrechts Conservatorium) en had compositieles van Johan Wagenaar. Hij begon als muziekcriticus bij het Utrechts Dagblad. Tegelijkertijd was hij leraar compositie aan het Amsterdams Muzieklyceum. In 1925 werd Pijper benoemd tot hoofddocent instrumentatie aan het Amsterdams Conservatorium. In 1926 richtte hij het tijdschrift De Muziek op, samen met Paul F. Sanders. Van 1930 tot zijn dood was hij directeur van het Rotterdams Conservatorium. Tot zijn leerlingen behoren Henk Badings, Bertus van Lier, Henriëtte Bosmans, Oscar van Hemel, Guillaume Landré, Hans Henkemans, Kees van Baaren en Rudolf Escher. Naast noten schreef Willem Pijper, om in leven te kunnen blijven veel kritieken, recensies en essays van een behoorlijk literair niveau.

Willem Pijper overleed in 1947 op 52-jarige leeftijd in Leidschendam. Op de Kop van Zuid in Rotterdam staat een bronzen beeld van Pijper, gemaakt door Willem Verbon.

In zijn werken gebruikte hij polytonaliteit en polyritmiek. Als compositiemethode hanteerde hij de door hemzelf bedachte kiemceltechniek, waarbij allerlei motieven zich afzetten tegen een klankcentrum dat grotendeels onveranderlijk blijft.

Willem Pijper componeerde

     2 opera’s

- Halewijn

- Merlijn (onvoltooid).

     5 theatermuziekwerken

     3 symphonieën

     4 concerten

     2 andere orkestwerken

- Zes Adagio's, 1940, maçonnieke muziek waarvan het manuscript zich bevindt in het Cultureel Maçonniek Centrum 'Prins Frederik' in Den Haag.

     1 werk toneelmuziek

     8 koorwerken

- Deux Ballades de Paul Fort, 1921, voor vrouwenkoor en piano, 1934 georkestreerd

+ La fille morte dans ses amours,

+ Le marchand de sable,

     5 (series) liederen voor stem en instrumenten

     13 liederen of series liederen voor stem en piano

- Huit Noels de Frankrijk, 1919

+ "Noël pour l'amour de Marie", opmerkelijk

     21 kamermuziekwerken

5  strijkkwartetten

     8 pianowerken

www.willempijper.nl

 

Peter Warlock, pseudoniem van Philip Arnold Heseltine (Londen, 10 oktober 1894 – 17 december 1930) bracht een groot deel van zijn jeugd door in Wales. Nadat hij op jonge leeftijd zijn vader verloor, hertrouwde zijn moeder met een Welshman: Walter Buckley Jones. Het gezin vestigde zich in Abermule, bij Newtown, Montgomeryshire. Muzikaal ontwikkelde hij zich als autodidact door partituren van door hem bewonderde componisten te bestuderen. Frederick Delius was zijn grootste voorbeeld, maar hij raakte ook in de ban van de werken van Roger Quilter en de naar Engeland verhuisde Nederlandse componist Bernard van Dieren.

In 1925 verhuisde Peter Warlock naar Eynsford, waar hij met collega-componist Ernest John Moeran in één huis woonde. Het leven met  Ernest John Moeran was chaotisch en met veel drank besproeid. Meer dan eens werd Warlock van de straat geplukt door de politie omdat hij naakt (en dronken) op zijn motor reed.

In 1929 werd dit anders. Peter Warlock trouwde met Minnie Lucy Channing, bijgenaamd "Puma". Het echtpaar kreeg een zoon, Nigel.

Peter Warlock stierf op 36-jarige leeftijd aan de gevolgen van een gasvergiftiging. Of het hier om zelfmoord of een ongeluk ging, is nooit opgehelderd. Er is zelfs een theorie dat Bernard Van Dieren Warlock heeft vermoord. Bewijs hiervoor ontbreekt.

Peter Warlock componeerde

     69 liederen of verzamelingen liederen

     20 koorweken

     3 werken voor strijkorkest

- Capriol Suite, een onder amateurs geliefd werk, ook bewerkt voor blokfluitensemble.

- Serenade, opgedragen aan Delius.

     4 liederen of series liederen voor zangstem, (instrumenten) en strijkkwartet

- The Curlew (teksten W.B. Yeats), voor tenor, fluit, althobo en strijkkwartet, 1920-22, zijn meesterwerk, beklemmend-romantisch;

     5 werken voor piano

 

Ernest John Moeran (Heston, West Londen, 31 december 1894 – Kenmare, 1 december 1950) was de zoon van de in Ierland geboren Anglicaans geestelijke Joseph William Wright Moeran en Ada Esther Whall. Als kind verhuisde Ernest John Moeran als kind naar Bacton in Norfolk, het graafschap waar zijn moeder vandaan kwam, en waar zijn vader werk kreeg. Ernest John Moeran leerde al jong piano en viool spelen. Tijdens zijn middelbare schooltijd in Uppingham, graafschap Rutland kreeg hij muziekles van de directeur Robert Sterndale Bennett en componeerde hij al. Aansluitend studeerde hij vanaf 1913 piano en compositie aan het Royal College of Music in Londen bij Charles Villiers Stanford.

Tijdens de Eerste Wereldoorlog kwam Ernest John Moeran bij het zesde motorrijders bataljon van het Norfolk Regiment en werd hij naar Frankrijk uitgezonden. In 1917 kreeg hij granaatscherven in zijn schedel, waarvan slechts een deel kon worden verwijderd. Hij zou de rest van zijn leven last van de verwonding houden. Terug in Engeland was hij korte tijd muziekleraar aan de Middelbare School in Uppingham. In 1920 hervatte hij zijn compositiestudies aan het Royal College bij John Ireland.

Al tijdens zijn studie was hij begonnen met het verzamelen van volksliedjes. Hij ging er, na het behalen van zijn diploma, mee verder. In 1921 ontmoette hij in Stalham (Norfolk) de oude Bob Miller, die een schat aan liederen kende, die Ernest John Moeran allemaal opschreef. Miller bracht hem naar andere zangers van traditionele muziek, zoals Harry Cox en hij noteerde hij in pubs de liederen die daar regelmatig gezongen werden. Hij bouwde zo een verzameling van meer dan tweehonderd verschillende melodieën uit Norfolk en andere delen van de Britse eilanden op, waaruit hij tot zijn dood inspiratie zou putten.

In 1925 vestigde Ernest John Moeran zich in Eynsford, in het graafschap Kent. Hij deelde een huis met componist en schrijver Philip Heseltine (pseudoniem Peter Warlock) en schilder Hal Collins. Het was onregelmatige leven met forse drankgebruik waar Ernest John Moeran een levenslang alcoholprobleem aan overhield.

Na de dood van Peter Warlock versoberde Moerans stijl en oriënteerde hij zich meer op Ierland, het geboorteland van zijn vader.

In 1943 ontmoette hij de celliste Peers Coetmore, met wie hij in 1945 trouwde. Het werd een niet echt gelukkig huwelijk, ook al door Ernest John Moerans alcoholverslaving. Uiteindelijk emigreerde Peers definitief naar Australië. Een officiële scheiding werd het nooit en ze bleven elkaar brieven schrijven. In de loop van 1950 vestigde Ernest John Moeran zich in Kenmare.

Tijdens een wandeling op de pier in Kenmare viel hij en verdronk. Onderzoek wees uit dat hij al was overleden voordat hij in het water lag, dus misschien had hij een hersenbloeding. Hij werd in Kenmare begraven.

Ernest John Moeran componeerde in elk geval

     3 concerten

     10 andere (series) orkestwerken

     5 series koorwerken, ook met orkestbegeleiding

- Blue Eyed Spring,  voor koor a capella, met vocale solisten  R63, 1931

     9 kamermuziekwerken

     1 liedcyclus

     12 (series) pianowerken 

www.moeran.net

 

Alexander Voormolen (Rotterdam, 3 maart 1895 - Leidschendam, 12 november 1980) was de zoon van de Rotterdamse hoofdcommissaris Willem Voormolen. Alexander Voormolen studeerde piano bij Willem en Marinus Petri en compositie bij Johan Wagenaar aan de Toonkunst Muziekschool in Utrecht. Willem Pijper en Jacob van Domselaer studeerden daar toen ook. Vanaf 1915 studeerde hij op uitnodiging van dirigent Rhené Baton, die een ouverture van hem in Den Haag had gedirigeerd, in Parijs bij Albert Roussel en maakte hij kennis maakte met Maurice Ravel en Frederick Delius.

In 1919 kwam Alexander Voormolen terug naar Nederland, waar hij ging wonen in Veere. In 1923 vestigde hij zich in Den Haag. Om in zijn onderhoud te kunnen voorzien werd hij muziekrecensent bij de Nieuwe Rotterdamsche Courant. Van 1938 tot 1955 was hij bibliothecaris van het Koninklijk Conservatorium in Den Haag.

Tijdens de Duitse bezetting behoorde Alexander Voormolen tot de meest uitgevoerde Nederlandse componisten. Hij kreeg meer compositieopdrachten dan de meeste van zijn collega's. Evenals onder meer Henk Badings en Willem Pijper ontving hij in 1941 een Staatsprijs voor Muziek. In 1944 kreeg hij een Rijkssubsidie die hem in staat stelde zijn baan als bibliothecaris bij Rijksconservatorium (In bezettingstijd de naam van het Koninklijk Conservatorium) op te zeggen en zich volledig te concentreren op het componeren. De na de bevrijding ingestelde 'Ereraad voor de muziek' veroordeelde Alexander Voormolen tot drie jaar uitsluiting van het muziekleven.

In 1961 ontving hij de Johan Wagenaarprijs voor zijn hele oeuvre. In 1976 ontving hij de Penning van de Rotte van de gemeente Rotterdam. In 1978 kreeg hij het erelidmaatschap van de Haagsche Kunstkring aangeboden.

Alexander Voormolen componeerde

     1 ballet

     30 orkestwerken

- Kleine Haage suite,  voor klein orkest, 1939. Elke deel van de zevendelige suite gaat gepaard met een stukje tekst, dat over de Haagse ooievaar gaat.

- concert voor 2 hobo’s en orkest, 1932

- hoboconcert, 1938. De canzone,  het eerste deel van het concert werd gebruikt als herkenningsmelodie van de Televisieserie “De kleine zielen” naar de roman van Louis Couperus. De andere muziek uit beide hoboconcerten werd ook voor de serie gebruikt.

     12 werken voor zangstem en orkest

     1 werken voor koor en orkest

     7 werken voor koor a capella

     12 kamermuziekwerken

     34 (series) werken voor zangstem en piano

     14 (series) pianowerken

     1 klavecimbelwerk

 

Mario Castelnuovo-Tedesco (Florence, Italië 3 april 1895 – Beverly Hills, 16 maart 1968) kwam uit een familie van vooraanstaande bankiers die in Florence woonden sinds de verdrijving van de joden uit Spanje in 1492. Mario Castelnuovo-Tedesco kreeg zijn eerste pianolessen van zijn moeder en schreef als negenjarige zijn eerste composities. Hij studeerde piano aan het Conservatorium van Florence bij Edgardo Del Valle de Paz (1861-1920) en daarna nam bij Ildebrando Pizzetti. Mario Castelnuovo-Tedesco studeerde af in compositie in 1918.

In 1932 ontmoette Mario Castelnuovo-Tedesco de Spaanse gitarist Andrés Segovia op het festival van de International Society of Contemporary Music in 1932 inVenetië Hij inspireerde Castelnuovo-Tedesco tot zijn eerste gitaarconcert, een van zijn eerste composities voor gitaar. Bijna honderd zouden volgen.

In 1933 ontvouwde de Italiaanse fascistische regering een nieuw kunstbeleid voor politieke propaganda en verbreiding van racistische ideeën. Castelnuovo-Tedesco's muziek werd geweerd van de radio en uitvoeringen van zijn werk werden geschrapt. De rassenwetten maakten het Mario Castelnuovo-Tedesco noodzakelijk Italië te verlaten. Arturo Toscanini, de voormalige dirigent van La Scala die Italië al in 1933 verlaten had hielp hem in 1939 bij zijn immigratie in de Verenigde Staten.

Mario Castelnuovo-Tedesco kwam in Hollywood terecht, waar hij bij Metro-Goldwyn-Mayer als componist van filmmuziek aan het werk kon.

Mario Castelnuovo-Tedesco componeerde

     6 opera’s

     7 toneelmuziekwerken

     4 balletten

     8 ouvertures

     19 concerten

- Vioolconcerto nr. 2, opus. 66, I Profeti (de profeten), geschreven voor Jascha Heifetz, opvallend knap georkestreeerd; gebouwd op Joodse thema’s; uitermate onderhoudend.

     3 andere orkestwerken

     5 oratoria

     40 kamermuziekwerken

     24 koorwerken met instrumentale begeleiding

     16 koorwerken a cappella

     6 werken voor zangstem(men) en orkest

     65  (series) werken voor (zang)stem en piano of gitaar

- Platero y Yo, opus 190, voor gitaar en verteller, 1960, illustratie bij de gelijknamige gedichten van de Andalusische dichter Juan Ramon Jiminez.

     4 (series) orgelwerken

     100 gitaarwerken

- Sonata Hommage à Boccherini, opus 77, 1934

     100 pianowerken

     1 harpwerk

     6 andere werken voor een instrument solo

     200 filmscores

 

Edward Elzear "Zez" Confrey (Peru, Illinois, Verenigde Staten, 3 april 1895 – Lakewood, New Jersey, 22 november 1971) was het jongste kind van Thomas en Margaret Confrey. Met het idee om concertpianist te worden ging hij naar het Chicago Musical College en studeerde hij bij privédocenten. Later koos hij toch liever voor componeren, daartoe bemoedigd door zijn oudere broer, organist James J. Confrey. Omstreeks 1916 was Zez Confrey kaderpianist bij Tin Pan Alley uitgeverij Witmarks in Chicago.

Na de Eerste Wereldoorlog werd hij pianist en arrangeur voor de Pianorollen Maatschappij QRS. Hij werkte ook voor de AMPICO Maatschappij die pianorollen maakten voor hun pianolamechanieken, die in verschillende pianomerken werden geïnstalleerd. Hij ontwikkelde een nieuwe pianostijl, gebouwd op de ragtime: de novelty piano. Klassieke pianotechniek werd hierin gekoppeld aan syncopische ritmiek en levendige melodietjes.

Na de twintiger jaren componeerde Zez Confrey veel voor jazz bands. Na de tweede Wereldoorlog ging hij met pensioen en componeerde bij gelegenheid af en toe nog wat tot 1959. Hij overleed na jaenlang aan de Ziekte van Parkinson te hebben geleden. Hij heeft behoorlijk wat pianorollen, muziekpublicaties en plaatopnames nagelaten.

Zez Confrey componeerde

     miniopera’s

     songs

     100 pianowerken

- Kitten on the Keys, 1921, geïnspireerd door een verblijf bij zijn oma, waar hij een kat over de piano hoorde lopen. Werd een hit. Ervin Schulhoff baseerde er zijn “Toccata” op, het vijfde deel van zijn “Etudes de jazz” uit 1927. 

- Dizzy Fingers, 1923, ook een ragtimesucces

 

Eduard Toldrà Soler (Vilanova i la Geltrú, Catalonië, Spanje, 7 april 1895 – Barcelona, 31 mei 1962) was de zoon van muzikant Francesc Toldrà i Carbonell. Op zijn 7de jaar speelde Eduard Toldrà al in het openbaar viool met zijn vader. Toen hij tien jaar was, verhuisde de familie naar Barcelona. Daar studeerde Eduard Toldrà aan Conservatori superior de música del Liceu  en vervolgens aan viool bij Rafael Gálvez, solfège bij Lluís Millet, en harmonieleer bij Antoni Nicolau. Ondertussen speelde hij in Barcelona ook al in theaterorkesten. In 1923 werd Eduard Toldrà viooldocent aan de l’Escuela Municipal de Música de Barcelone. Eduard Toldrà speelde een belangrijke rol in de ontwikkeling van de cultuur in Barcelona. In 1944 richtte hij het Barcelona Symfonie Orkest op, verbonden aan de Concertzaal in Barcelona: het Palau de la Música Catalana. Onder de studenten van Eduard Toldrà bevonden zich Antoni Ros-Marbà en Xavier Montsalvatge.

Eduard Toldrà componeerde

     3 theatermuziekwerken

     4 orkestwerken

     30 werken voor Cobla: Sardana-dansorkest

     10 kamermuziekwerken

- Seis Sonetos voor viool en piano

1. Soneti de la Rosada

     71 liederen

- Seis canciones Castellanas, voor zangstem en piano, 1941

     pianowerken

 

Kurt Roger (Auschwitz, Galicië, nu Polen 3 mei 1895 – Wenen, 4 augustus 1966) was de zoon van Weense ouders. Hij studeerde in Wenen compositie bij Karl Weigl, Arnold Schönberg en muziekwetenschap bij Guido Adler. In 1921 promoveerde hij tot doctor in de filosofie. Van 1923 tot 1938 was hij docent aan het Weense conservatorium. Na de annexatie van Oostenrijk in 1938 door het Duitse nazibewind, moest hij vanwege zijn Joodse achtergrond vluchten. Via Londen kwam hij in de Verenigde Staten terecht. In New York, waar Kurt Roger van 1939 tot 1953 woonde en andere Amerikaanse steden gaf hij muziekcolleges. In 1945 kreeg hij het Amerikaans staatsburgerschap. In 1953 verhuisde Kurt Roger naar Washington.

Kurt Roger was getrouwd met de Noord-Ierse altvioliste Joy Forster. In het cursusjaar 1964-1965 was hij mede daardoor als gasthoogleraar verbonden aan de Queen's University in Belfast.

Kurt Roger overleed onverwacht tijdens een bezoek aan Wenen. Hij kreeg een eregraf op de centrale begraafplaats in Wenen. Sinds 1990 bestaat er bij de Gesellschaft der Musikfreunde Wien een Kurt Roger Archiv.

Kurt Roger componeerde 116 werken:

     1 opera

     4 concerten

     7 andere orkestwerken

     26 kamermuziekwerken

- Irisch Sonata (Ierse sonate) voor altviool en piano, opus 37, 1939

     2 koorwerken

     13 (series) liederen voor zangstem en piano

     3 pianowerken

     1 orgelwerk

- Gothic Passacaglia, 1936

 

Gordon Percival Septimus Jacob CBE (Londen, Engeland, 5 juli 1895 – Saffron Walden, 8 juni 1984) was de op drie na jongste van 10 kinderen in een ambtenarengezin. Toen hij 19 jaar was werd hij opgeroepen om dienst te doen bij de Veldartillerie in de Eerste Wereldoorlog. Door de grillen van de oorlog kwam hij als infanterist in de frontlinie terecht. In 1917 werd hij krijgsgevangen gemaakt, hij was één van de 60 manschappen van het 800 man tellend bataljon dat overleefde.

In krijgsgevangenschap stelde hij een kamporkest samen van alle beschikbare instrumenten die er maar te vinden waren.

Na zijn vrijlating, studeerde hij een jaar journalistiek, maar hield daar mee op om compositie, muziektheorie en directie te gaan studeren aan het Royal College of Music.

Hij werd in 1924 docent compositie, instrumentatie, orkestratie en muziektheorie aan het Royal College of Music tot zijn pensioen in 1966. Onder zijn leerlingen waren Malcolm Arnold, John Bevan Baker, Frank Bury, Ruth Gipps, Imogen Holst, Cyril Smith, Philip Cannon, Pamela Harrison en Robert Turner.

Gordon Jacob trouwde in 1924 met Sydney Gray, die stierf in 1958. In 1959 trouwde hij met haar nicht Margaret Gray, die 42 jaar jonger was dan hij. Ze kregen twee kinderen.

In 1968 werd Gordon Jacob tot Commander of the British Empire benoemd.

Gordon Jacob componeerde 400 werken, waaronder

     1 ballet

- Uncle Remus, 1934

     theatermuziekwerken

     36 orkestwerken

     35 werken voor harmonieorkest

     tientallen kamermuziekwerken

- Suite voor altblokfluit en strijkers, 1957

- Old Wine in New Bottles voor fluit, hobo, klarinet, fagot, hoorn en trompet, 1958

- Variaties voor altblokfluit en klavecimbel of piano, 1963

- Sonata voor altblokfluit en piano, 1966, opgedragen aan Anthony Pringsheim

- Consort of Recorders, A Jacobean Suite, 1973, voor blokfluitkwartet, geschreven voor de familie Dolmetsch. Vijf delen": I. Fanfare and March, II. Nocturne, III. Panpipes, V. Chorale, IV. Bells

- An Encore For Michala, duettino voor blokfluit en stem, voor één uitvoerder, 1983, opgedragen aan Michala Petri.

- Trifles (suite), voor altblokfluit, viool, cello en klavecimbel, 1983 opgedragen aan Carl Dolmetsch

- Sonatina voor altblokfluit en klavecimbel, 1984, opgedragen aan Michala Petri

     5 vocale werken

     filmscores

     orkestarrangementen

     werken voor band

www.gordonjacob.org

 

Carl Orff (München, 10 juli 1895 – 29 maart 1982) studeerde vanaf zijn vijfde jaar piano, cello en orgel. Op deze jonge leeftijd schreef hij ook zijn eerste compositie. Hij studeerde aan de Staatliche Akademie der Tonkunst in München om daarna als componist vooral te werken aan muziek voor piano en zang. Hiernaast was hij werkzaam als muziekpedagoog; in 1924 stichtte hij met Dorothee Günther, de Güntherschule. Hiervoor schiep hij het naar hem genoemde Orff-Schulwerk.

Voor de Olympische Spelen van Berlijn (1936) schreef hij "Kinderreigen", voor de Olympische Spelen van München (1972) schreef hij "Gruß der Jugend". Met Gunild Keetman publiceerde hij vijf bundels muziek uit "Musik für Kinder". Kinderen moesten zichzelf door muziek leren kennen. Zijn werk werd later ook in de Heilpedagogiek gebruikt.

Carl Orff trouwde 4 keer. Met zijn enige kind, Godela, in 1921 uit zijn eerste huwelijk geboren, wilde hij later geen contact. Carl Orff werd begraven in de barokke kerk van het bendictijner klooster van Andechs, ten zuiden van München.

In Nederland behoorde de Delftse musicus en muziekpedagoog Pierre van Hauwe tot de grootste promotors van het Orff-Schulwerk. Zijn muziekmethode "Spelen met Muziek" combineert de uitgangspunten van het Orff-Schulwerk met de muziekmethode van de Hongaar Zoltán Kodály.

Carl Orff componeerde

     7 opera’s

     2 theaterwerken

     een paasspel

     een kerstspel

     een eindtijdspel

     Trionfi, theaterwerken

- Carmina Burana, 1935, een scenische cantate voor solisten en klein ensemble, in 1937 omgeschreven voor  sopraan, tenor, bariton, groot koor en orkest, met een uitgebreide sectie bijzondere slaginstrumenten. Het werd verreweg zijn bekendste werk. Dat de nazi's het ook erg mooi vonden, en dat Carl Orff weinig afstand van hen heeft genomen, deed geen afbreuk aan de populariteit. De proloog, het magistrale koorwerk Fortuna Imperatix Mundi, is ook het slotkoor, waardoor een cyclische vorm ontstaat. De 24 teksten uit de dertiende eeuw werden tweehonderd jaar geleden teruggevonden in de abdij van Benediktbeuren. Ze gaan over het lot, de wijn, vrouwen en de liefde. De vijfentwintig delen hebben teksten in Germaans, Latijn en Middel Hoog Duits  over het lot, de wijn, vrouwen en de liefde. Orff vond er een muzikale taal voor die de middeleeuwen met vandaag verbindt.

Indeling:

Proloog: Fortuna Imperatrix Mundi (Fortuna, Heerseres van de Wereld)

1. "O Fortuna", vaak gebruikt voor reclames en films.

I – Primo vere (in de lente)

Uf dem anger (in de wei)

II – In Taberna (in de kroeg)

III – Cour d'amours (de Liefdestuin)

16. Dies, nox et omnia (Dag, nacht en alles (is tegen mij) voor bariton, die met zijn kopstem moet schakelen

Epiloog:

25. "O Fortuna" (herhaling)

- Catulli Carmina, 1943

- Trionfo di Afrodite, 1953

     3 vertoningen van Griekse treurspelen

     het Orff Schulwerk

- Gassenhauer nach Hans Neusiedler (1536) is een heel populair werkje

 

Ernesto Lecuona y Casado (Guanabacoa, Havana, Cuba, 6 augustus 1895 – Santa Cruz de Tenerife, Canarische eilanden, 29 november 1963) begon al jong piano te studeren bij zijn zus Ernestina Lecuona, ook een bekende componiste. Later studeerde Ernesto Lecuona aan het Peyrellade Conservatoire bij Antonio Saavedra en Joaquin Nin. Lecuona slaagde aan het Nationale Conservatorium van Havana met een gouden medaille voor interpretatie toen hij 16 jaar was.

In 1960, diep ongelukkig met het nieuwe bewind van Castro, verhuisde Lecuona naar Tampa. Zijn laatste jaren sleet hij in de Verenigde Staten. Hij overleed in Santa Cruz de Tenerife op de leeftijd van 68 jaar en is begraven op de Gate of Heaven Cemetery in Hawthorne, New York; met de instructie dat zijn gebeente naar Cuba moet worden overgebracht als het huidige regime was beëindigd.

Ernesto’s nicht Margarita Lecuona was ook een begaafde muzikante en componiste.

Ernesto Lecuona componeerde meer dan 600 werken:

     406 liederen

- Siboney Canto Siboney),

- Malagueña, vermoedelijk zijn beroemdste compositie

- The Breeze And I (Andalucía)

- Always in my heart (Siempre en mi Corazon), in 1942 genomineerd voor een Oscar voor het beste lied; verloor nipt van “White Christmas”

     50 theatermuziekwerken zoals zarzuela’s

     1 opera

     5 balletten

     11 filmscores

     37 orkestwerken

- Rhapsodia Negra

     176 werken voor piano solo

www.lecuona.com

 

Paul Hindemith (Hanau, Duitsland, 16 november 1895 – Frankfurt am Main, 28 december 1963) studeerde viool  bij Adolf Rebner, en directie en compositie bij Arnold Mendelssohn en Bernhard Sekles aan het Dr. Hoch’s Konservatorium van Frankfurt. Van 1915 tot 1923 dirigeerde hij het operaorkest van Frankfurt. Van 1921 tot 1929 was hij altviolist in het Amar Quartet, dat hij zelf had opgericht en dat zich actief inzette voor eigentijdse muziek. In 1927 werd hij benoemd tot leraar compositie aan de Hochschule der Künste van Berlijn en vervolgens in 1938 in Zwitserland, waar hij naartoe gevlucht was voor het opkomende nazisme, ook al omdat zijn vrouw Joods was.

Paul Hindemith vertrok van Zwitserland in 1935 naar Turkije en van daaruit in 1940 naar de Verenigde Staten, waar hij les gaf aan de Universiteit van Yale, als leraar compositie, van 1940 tot 1953. Hij verkreeg in 1948 de Amerikaanse nationaliteit. Later keerde hij terug naar Europa. Hij vestigde zich in Zwitserland en gaf er van 1951 tot 1953 les aan de universiteit van Zürich. Hindemith was een beroemd altviolist. Voor dit instrument componeerde hij een concert, Der Schwanendreher, en verschillende andere werken.

Paul Hindemith componeerde meer dan honderd werken in alle denkbare genres.

     12 opera’s

- Sancta Susanna opera in één bedrijf, libretto August Stramm, 1921. Omstreden eenakter, onderzoek naar de relatie tussen celibaat en lust in het Christendom met alle uitwasen daarvan.  

- Tuttifäntchen (Kerstsprookjes met zingen en dansen) in 3 scenes, op libretto van Hedwig  Michel (1892–1982) en Franziska Becker (1874–1942), 1922, een vermakelijk kindersprookje gelardeerd met grappige muziek, soms knotsgek. Tuttifäntchen  is een tot leven gekomen pop die over buitengewone gaven beschikt: in een mum van tijd weet hij alle poppen van een poppenmakerij actief te maken en natuurlijk wordt hij verliefd. De ideale familievoorstelling in de Kersttijd voor jong en oud.  

- Mathis der Mahler, een indrukwekkende opera in zeven tableaus op eigen libretto, 28 mei 1938. In de opera staat de schilder Matthias Grünewald (bariton) centraal tegen de achtergrond van de Reformatie en de Boerenoorlog. Hindemith werd door de schilderingen van het altaar van Isenheim geïnspireerd. Andere belangrijke rollen voor Riedinger (bas), een rijke Lutherse burger van Mainz en zijn dochter Ursula (sopraan).

     5 balletten

- Nobilissima Visione, gebaseerd op het leven van Sint Franciscus

     6 toneelmuziekwerken

     20 concerten

- pianomuziek met orkest voor de linkerhand, opus 29, 1923, geschreven voor Paul Wittgenstein, die het in een la wegstopte en nooit speelde. Het kwam pas in 2002 weer tevoorschijn.  

- Kammermusik nr. 2 voor piano en orkest, opus 36 nr. 1, 1924

- Vioolconcert, 1939, première 1940 concertgebouw Amsterdam, waar de “entartete” Hindemith niet bij kon zijn.

- pianoconcert, 1945, geschreven voor Jesús Maria Sanromá

- Concerto voor orgel en orkest, 1963

     19  andere orkestwerken

- Kammermusik, een serie van 8 composities, geschreven tussen 1921 en 1930

Kleine Kammermusik, opus 24 nr. 2, 1922 voor blaaskwintet

Kammermusik nr. 5, opus 36 nr. 4, 1925, voor altviool en orkest

Kammermusik nr. 7 opus 46 nr. 2 voor orgel en kamerorkest, 1930

- Konzertmusik voor altviool en groot kamerorkest, opus 48, 1930, opgedragen aan Darius Milhaud.

- Konzertmusik voor koperblazers en strijkorkest, opus 50, 1930, gecomponeerd voor de 50ste verjaardag van het Boston Symphony Orchestra op verzoek van de dirigent Serge Koussevitzky,  het laatste werk dat Hindemith voorzag van een opusnummer . Martiaal werk.

- Symfonie Mathis der Mahler, 1934, gebaseerd op thema's uit en een soort voorstudie van de gelijknamige opera, lucide en knap vormgegeven. Elk van de drie delen is gerelateerd aan een drieluik, geschilderd door Matthias Grünewald (Matthis, de schilder) als altaarstuk voor het Sint Anthonieklooster in Isenheim. Het middendeel Grablegung, maakt bijzonder veel indruk. Wondermooie symfonie.

- Der Schwanendreher, 1935 voor altviool en klein orkest; elk deel is gebaseerd op een middeleeuws Duits volkslied;

- Trauermusik, suite voor altviool en strijkorkest, 21 januari 1936, ter herinnering aan Koning George V van het United Kingdom, die de voorgaande nacht was overleden; schitterend werk met koraalachtige melodieën.

- Balletsuite Nobilissima Visione, 1938

- Symfonische Metamorfosen op thema's van Carl Maria von Weber, 1943, allercharnantst, speels en vindingrijk variatiewerk;

- Symfonie "Die Harmonie der Welt", 1951

     2 series werken voor harmonieorkest

     12 werken voor zangstem(men), (koor) (en instrumenten)

- Des Todes Tod, opus 23a, drie liederen, tekst Eduard Reinacher, voor vrouwenstem , 2 altviolen en 2 celli, 1922

- Die junge Magd, opus 23b, zes liederen, tekst Georg Trakl, voor alt, fluit, klarinet en strijkkwartet, 1922

- Mis voor gemengd koor,1963

     7 strijkkwartetten

- strijkkwartet nr. 1 in C grote terts, opus 2, 1915, op zijn 19de gecomponeerd, ongekend romatisch

- strijkkwartet nr. 2 in f kleine terts, opus 10, 1918

- strijkkwartet nr. 3 in C grote terts, opus 16, 1920

- strijkkwartet nr. 4, opus 22, 1921, ambachtelijk contrapunt en Bach–achtige passages

- strijkkwartet nr. 5, opus 32, 1923

- strijkkwartet nr. 6 in Es grote terts, 1943

- strijkkwartet nr. 7 in Es grote terts, 1945

     6 vioolsonates

- Sonata voor viool solo, opus 11, nr. 6, 1917

- vioolsonate in Es, opus 11, nr 1, 1918

- vioolsonate in D, opus 11, nr 2, 1918

- Sonata voor viool solo, opus 31, nr. 1, 1924

- Sonata voor viool solo, opus 31, nr. 2 'Es ist so schönes Wetter draussen...', 1924

- vioolsonate in E grote terts, 1935, adembenemend mooi.

- vioolsonate in C ,1939

     7 altvioolsonates

- altvioolsonata, opus 11 nr. 4, 1919, kamermuziekhoogtepunt;

- sonata voor altviool solo, opus 11 nr. 5, 1919

- altvioolsonata voor altviool en piano, 1939

     14 andere kamermuziekwerken

- Kleine Sonate voor Viola d'amore en Piano, opus 25, nr. 2, 1922

- kwintet voor klarinet en strijkkwartet, opus 30, 1923, gereviseerd in 1954, motorische agitatie, panische hectiek.

- Plöner Musiktag, Trio für Blockflöten, 1932, door Paul Hindemith in Plön uitgevoerd met zijn leerlingen Harald Genzmer en Oskar Sala in 1932 op blokfluiten in d - a - stemming, zoals toen gebruikelijke was.

- trompetsonate, 1939, derde deel: Trauermusik, met het koraal "Alle Menschen Müssen sterben" wordt nogal eens apart uitgevoerd.

- althoornsonate, 1943, ook te bespelen door Franse hoorn of altsaxofoon, opvallend.

- Contrabassonata, 1949

     15 werken voor piano solo

- Suite "1922", opus. 26, 1922, grappige suite, ironische, brutale muziek; 

- Ludus Tonalis ("Toonspel"), contrapunt-, tonale en technische etudes, 1942. Het werk gebruikt alle 24 grote en kleine tertstoonladders, begint met een driedelig preludium in C, dat lijkt op Johann Sebastian Bach's toccatas, en eindigt met een Postludium dat een exacte dubbelomkering (naar boven wordt naar beneden, naar voren wordt naar achteren) is van het Preludium. Daartussen staan twaalf driestemmigige fuga’s, gescheiden door 11 interludia. Een twintigste-eeuws equivalent van Bachs “Wohltemperiertes Klavier”. Eén van de belangrijkste pianowerken van de 20ste eeuw. De interludia zijn door Joachim Dorfmüller omgeschreven naar orgel.

     4 (series) orgelwerken

- Zwei Stücke, 1918

- Erste Sonate für Orgel, 1937

- Zweite Sonate für Orgel, 1937

- Sonate für Orgel nach alten Volksliedern, 1940

     6 (series) werken voor cello (en piano), Hindemiths jongere broer was een verdienstelijk cellist;

- 3 Stücke, opus 8 voor cello en piano, 1917

- Cello Sonata, opus 11 nr. 3, 1919

- Solosonata voor cello, opus 25, nr.3, 1923

- Cello Sonata, 1948, heeft een indrukwekkend laatste deel: een grootse Passacaglia

     3 (series) werken voor fluit

- Acht stukken voor fluit solo, 1927

     3 werken voor hoorn

     10 andere solowerken voor diverse instrumenten

www.hindemith.info

 

Johann Nepomuk David (Eferding, Boven-Oostenrijk, 30 november 1895 – Stuttgart, Duitsland, 22 december 1977) was van 1906 tot 1909 koorknaap en het Augustiner Kloosterkoor Sankt Florian en volgde van 1909 tot 1912 het Gymnasium van het Benediktijner Klooster Kremsmünster. Van 1912 tot 1915 studeerde hij aan de Bisschoppelijke docentenopleiding Linz. Van 1915 tot 1920 was hij Volksschooldocent in Peterskirchen en van 1920 tot 1924 Volksschooldocent in Waizenkirchen.

Daarna studeerde hij van 1921 tot 1922 aan de Musiekacademie en aan de Universiteit in Wenen bij Joseph Marx en Guido Adler. Johann Nepomuk David had ook persoonijk contact met Josef Matthias Hauer en Arnold Schönberg. Vanaf 1926 leidde Johann Nepomuk David het door hem gevormde Bachkoor in Linz. Vanaf 1930 was hij organist aan de Evangelische Christuskerk in Wels. In november 1934 gaf hij deze posten op om docent compositie en muziektheorie en koorleider te worden aan het Regionaal Conservatorium in Leipzig. In 1942 werd hij er directeur.

Na de zware bombardementen op Leipzig op 3 en 4 december 1943 leidde Johann Nepomuk David de evacuering van de Muziekhogeschool naar Crimmitschau in Saksen, waar hij onder de moeilijkste omstandigheden tot augustus 1944 de studiemogelijkheden in stand kon houden. Opname in een lijst van belangrijke componisten verhinderde dat hij aan het front als soldaat kon worden ingezet.

Van 1945 tot 1947 was Johann Nepomuk David docent compositie, dirigent van de cantorij en bestuurslid van het Mozarteum in Salzburg. Van 1948 tot 1963 was hij docent muziektheorie en contrapunt aan de Staatshogeschool voor Muziek en Uitvoerende Kunsten in Stuttgart.

Johann Nepomuk David werd in eerste instantie begraven op de Praagbegrafplaats in Stuttgart, maar kreeg in 1978 een eregraf op de centrale begraafplaats in Wenen (Groep 32 C, nummer 43).

Johann Nepomuk David componeerde

     11 symfonieën

Symfonie nr. 1 in a kleine terts, werk 18, 1937, neoklassiek werk met strakke vormbeheersing

Symfonie nr. 6, werk 46,  1954, gereviseerd in 1966)

     7 concerten

     12 andere orkestwerken

     3 missen

     1 requiem

     1 oratorium

     26 religieuze zang- en koorwerken a cappella of met een instrumentale begeleiding

- Ich stürbe gern aus Minne. Gottesminnelieder op teksten van Mechthild von Magdeburg (een 13de eeuwse dichteres) voor vrouwenstem, fluit (altdwarsfluit), altviool en gamba of orgel, 1927, in 1942 gereviseerd voor sopraan en orgel

     12 (series) wereldlijke koorwerken doorgaans a cappella

     12 (series) kamermuziekwerken

- Trio voor fluit, viool en altviool, opus 30, 1948

- Solosonaten opus 31, nr. 1-5, 1942–1944

+ Sonate für Flöte allein, opus 31 nr. 1

     50 koraalwerken voor orgel

     22 andere orgelwerken

www.johann-nepomuk-david.org

 

Henriëtte Hilda Bosmans (Amsterdam, 6 december 1895 – 2 juli 1952) was de dochter van cellogenie Henri Bosmans en pianiste Sara Benedicts. In hun chique pand aan de Amsterdamse weteringschans kwamen vaak kopstukken uit de muziekwereld over de vloer, zoals violist Joseph Joachim. Henriëttes vader overleed toen ze één jaar oud was. Haar moeder gaf haar pianoles en vanaf haar zeventiende trad ze geregeld op in het Concertgebouw.

Vanaf 1914 nam ze compositieles en van 1921 tot 1922 orkestratieles van Cornelis Dopper.  Ze schreef vooral kamermuziek en na haar studie bij Cornelis Dopper ook orkestmuziek; vaak met een solerende rol voor de cello. Van 1927 tot 1930  ging ze bij bij Willem Pijper in de leer.

Van 1922 tot 1929 was Henriëtte Bosmans de (geheime, vrouwenliefde kon niet echt bestaan) partner van de negen jaar jongere celliste Frieda Belinfante, aan wie de haar tweede cellokonzert opdroeg. Met Frieda Belinfante en de fluitist Johan Feltkamp vormde ze het Amsterdamsch Trio.

In 1934 verloofde ze zich met violist Francis Koene, met wie ze al vaak samen gespeeld had. Toen deze het jaar daarop overleed, viel Henriëtte Bosmans in een emotioneel gat ("ik ben een beetje doodgegaan toen") en componeerde ze jarenlang niets meer.

In 1941 werd haar door de bezetter het optreden verboden, omdat ze half-joods was. Na de bevrijding in 1945 componeerde en musiceerde ze weer, schreef ze voor verscheidene dagbladen en onderhield ze een correspondentie met collega Benjamin Britten. Vanaf 1950 tot het einde van haar leven had ze een verhouding met de Franse zangeres Noémie Perugia. Henriëtte  Bosmans werd in 1951 geridderd in de Orde van Oranje-Nassau, en stierf het jaar daarop aan maagkanker. Ze werd begraven op de Amsterdamse begraafplaats Zorgvlied. Uitspraak van Henriëtte Bosmans: "zonder muziek is leven onnodig."

Sinds 1994 bestaat de Henriette Bosmansprijs, een aanmoedigingsprijs voor nieuwe composities. De prijs wordt uitgereikt door het Genootschap van Nederlandse Componisten (Geneco) tijdens de Nederlandse Muziekdagen. Vanaf 2003 wordt de prijs toegekend na een compositieconcours.

Henriëtte Bosmans componeerde

     orkestwerken

- 2 celloconcerten

- Poème voor cello en orkest, 1923, veel fluitwerk in het orkest.

- concertino voor piano en orkest, 1928. Harmonieus concerto met interessante klankwisselingen.

     3 kamermuziekwerken

- sonate voor cello en piano, 1919, fijne muziek om naar te luisteren.

- Trois Impressions pour violoncelle avec accompagnement de piano,  192?, opgedragen aan Gerard Hekking.

- strijkkwartet, 1927, verrassend goed en oorspronkelijk.

     41 liederen voor zangstem en piano

- Daar komen de Canadezen, 1945, voor sopraan en piano, tekst Fedde Schurer.  Gemaakt voor de bevrijding, gezongen door Jo Vincent.

- Dit eiland, 1947, voor sopraan en piano, tekst Adriaan Roland Holst

     6 werken voor piano

 

Paul Höffer (Barmen, Duitsland, 21 december 1895 – Berlijn, 31 augustus 1949) kreeg zijn eerste muzieklessen (piano, orgel en muziektheorie) van zijn vader. Daarna studeerde Paul Höffer aan de Muziekhogeschool in Keulen piano bij Walter Georgii, compositie bij Franz Bölsche, en directie bij Herman Abendroth. Na de Eerste Wereldoorlog, waarin niet gestudeerd kon worden, ging Paul Höffer in 1920 met zijn studies verder aan de muziekhogeschool van Berlijn bij Franz Schreker. Vanaf 1923 doceerde hij daar zelf piano en vanaf 1930 ook compositie en muziektheorie.

Hoewel hij in 1935 door het Nazistisch cultuurgezelschap op de lijst van „Musik-Bolschewisten“ gezet werd en als „atonale Komponist“ werd gezien, werd zijn werk door Goebbels en Hitler zodanig gewaardeerd, dat hij min of meer bescherming genood en gevrijwaard werd van militaire inzet in het leger. Van 1942 tot 1944 hield hij zich door de politieke druk stil op de achtergrond om te overleven.

In 1945 was Paul Höffer medeoprichter van het Internationale Muziekinstituut in Berlijn. In 1948 werd hij directeur van de Muziekhogeschool Berlijn, dat duurde maar kort, in 1949 overleed hij. In het voormalige Olympiastadion Charlottenburg-Wilmersdorf in Berlijn bevindt zich een gedenksteen voor Paul Höffer.

Paul Höffer componeerde

     2 opera’s

- Der falsche Waldemar, 1934, door de nazi’s fel bekritiseerd en consequent voor uitvoering verboden

     1 theatermuziekwerk

     1 ballet

     4 oratoria

- Der reiche Tag, in de nazitijd veelvuldig uitgevoerd

- Mysterium der Liebe, 1944 in opdracht van de door Heinrich Goebbels ingestelde Reichsstelle für Musikbearbeitungen

     7 cantates

- Olympischer Schwur, 1936, uitgevoerd tijdens de Olympische Spelen in Berlijn;

     30 koorwerken

     30 (series) orkestwerken

     24 (series) kamermuziekwerken

- suite voor altblokfluit en piano, 1947

- sonate voor cello en piano, tweede deel: Un poco Allegro

     12 (series) pianowerken

     2 orgelwerken

     6 hoorspelscores voor de radio