C.Muzikale vormen

 

9. Dansvormen vanaf de 18de eeuw, in alfabetische volgorde

 

Bolero:            Bolero is een dans in ¾  maat, in Spanje uitgevonden door danser Sebastiano Carezo in 1780.

Wordt door één danser of door een paar gedanst. De dans heeft een vrij langzaam tempo, en wordt uitgevoerd op zang met begeleiding van castagnetten en gitaar.

Kenmerkend ritme:      

Een aantal componisten heeft muziek geschreven die op deze dans is gebaseerd. Het beroemdst is de Bolero van Maurice Ravel.

 

Boogie-woogie:      

snelle Amerikaanse dans uit het midden van de 20e eeuw. Wordt bijna uitsluitend op piano gespeeld met zich steeds herhalende figuren in de linkerhand en contrasterende rit­men in de melodieën van de rechterhand.

 

Bossa nova:    moderne Latijns-Amerikaanse dans van Braziliaanse oorsprong, in tweedelige maatsoort. De dans is ontwikkeld en gepopulariseerd in de jaren 1950. De naam "bossa nova" betekent "nieuwe trend". Een fusie tussen de samba en jazzmuziek. Bekende bossanovasamba's: "Áqua de beber" en Garota de Ipanema (The Girl from Ipanema), van componist Antônio Carlos Jobim, gezongen door Astrud Gilberto.

 

Cakewalk :      Amerikaans-Europese dans uit het begin van de 20e eeuw in een tweedelige maatsoort, in een marsachtig tempo, met veel syncopen.

Calypso:          volksdans uit Trinidad. De tekst heeft een satirische inslag.

 

Cancan:          Oorspronkelijk komt de dans uit Algerije. Rond 1830 kwam de Cancan in zwang in de Parijse wijk Montparnasse.

Hij werd veel in nachtclubs gebruikt als lokdans met een erotische functie. Zo ook in de Moulin Rouge. De overheid en de kerk ergerden zich in die tijd dood aan deze dans.

De Cancan is een snelle dans in 2/4 maat waarbij een aantal vrouwen in een rij naast elkaar staan en tegelijk bewegen op de maat van de muziek. Hierbij tillen zij hun rok op of tillen ze hun been zo hoog in de lucht dat hun blote benen te zien zijn. Dit laatste werd destijds als zeer aanstootgevend gezien.

Componist Jacques Offenbach heeft de beroemdste Cancan geschreven.

Chachacha:     een 20e eeuwse dans van Cubaanse oorsprong, in tweede­lige maatsoort, met sterke ritmische accenten.

De dans begint vaak rustig en heeft dan een middendeel in dubbel tempo. Zij is ontstaan uit de rumba.

 

coladeira         (uitgaan om de colá te zingen). Muziekgenre uit Kaapverdië. Een soort snellere morna. Ontstaan ongeveerd in 1930.

 

Csardas:          Hongaarse dans in tweedelige maatsoort, bestaande uit een langzame weemoedige inleiding (faska of lassan) en een vurig snel tweede deel (friska).

 

Danza:             Dans in tweekwartsmaat, die aan het begin van de 19de eeuw in het Caribisch gebied is ontstaan als variant op de Europese Country Dance of Quadrille. De Caribische danza is doorgaans opgebouwd uit twee of drie delen, elk deel bestaande uit een veelvoud van acht maten.

 

Flamenco       muziekgenre en dans, in de tweede helft van de 19de eeuw ontstaan in de regio Andalusië in Zuid-Spanje. Kenmerken: Arabisch aandoende klanken uitbundige muzikale versieringen rondom het thema, sterke ritme binnen een twaalftels-systeem.

Bij een flamenco wordt altijd gezongen door een flamencozanger(es), begeleid door een flamencogitaar.  De muziek van de flamenco wordt doorgaans niet genoteerd maar via overlevering aan de volgende generatie doorgegeven.

 

 

Foxtrot:           Amerikaanse dans uit begin van de 20e eeuw, in snelle maat. Kenmerkend is het accent op de derde tel van de maat.

Funaná:          muziek- en dansvorm uit Kaapverdië, gebaseerd op accordeonspel. Parendans, ontstaan in Santiago  in het begin van de 20ste eeuw

 

Habanera:       een matig langzame 19e eeuwse dans uit Cuba in 2-delige maat, met een weemoedig karakter.

Kenmerkend ritme:   of  

Ländler:          Oostenrijkse en Zuidduitse volksdans in ¾ of 3/8 maat. Voorloper van de wals.

 

Mambo:          Dans van Cubaanse oorsprong, in tweedelige maatsoort. Door het verleggen van accenten door enkele ritme-instrumenten, lijkt het alsof twee verschillende ritmes samengaan. De mambo is verwant aan de chachacha.

 

Morna:            muziek- en dansvorm uit Kaapverdië. Het is gebruikelijk dat er naast met instrumenten gemusiceerd ook teksten worden gezongen. Ontstond in de 18de eeuw.

 

Mazurka:         Poolse dans in ¾  of 3/8 maat in gematigd tempo. Veelal accent op de tweede of derde tel van de maat.

 

Merengue       is een dans ontstaan uit door Afrikaanse slaven meegebrachte percussie en traditionele zang, vermengd met invloeden uit Taíno- en Spaanse muziek. In de jaren dertig van de 20e echter werd de Merengue ingezet als propagandamiddel door de Dominicaanse dictator Rafael Trujillo. Er werden grote Merenguefestivals georganiseerd en de muziek was doorlopend op de radio te horen. Na zijn dood bleef de Merengue een belangrijk onderdeel van de Dominicaanse  cultuur.Het tempo ligt hoger dan dat van salsa en de basis-danspas is eenvoudiger (1,2,1,2 versus 1,2,3,(4),5,6,7,(8) in de salsa). Bij de hot merengue ligt het tempo nog hoger: die heeft wellicht het snelste ritme van alle Latijns-Amerikaanse muziekstijlen en dansen.

Traditioneel wordt de Merengue gespeeld met een tambora, een güira en een accordeon. Tegenwoordig worden ook conga's bongo's keyboard timbales basgitaren en diverse blaasinstrumenten gebruikt.

Paso-doble:     snelle Spaanse dans in tweedelige maatsoort.

Polka:              een snelle dans in 2/4 maat, van Boheemse oor­sprong.

Kenmerkend ritme: 

Quickstep:       een moderne, uit Engeland afkomstige dans in 2-delige maat. Een snel soort foxtrot.

Ragtime:         een instrumentale dans (voornamelijk voor piano),in een marsachtig ritme, in 2/4 maat met veel syncopen. Een voorloper van de jazzmuziek, de bloeitijd lag zo’n beetje tussen 1899 en 1914. “Amerika’s klassieke muziek”, vooral op piano gespeeld.  

 

Rumba:           een matig snelle dans in 2-delige maat, met veel syncopen, afkomstig uit Cuba. Eigenschap van deze moderne dans is het vaak samen­gaan van twee verschillende ritmen.

 

Samba:           Braziliaanse dans met syncoperende ritmes tegen een strak basisritme, in tweedelige maatsoort. Voorloper van de bossa nova.

Slowfox:         een rustige foxtrot, zo genoemd ter onderscheiding van de quickstep.

 

Son:                Cubaanse muziek, oorspronkelijk uit het oosten van Cuba. De son ontstond in de tweede helft van de 19e eeuw uit een combinatie de Spaanse canción (liederen) en gitaar en Afrikaanse ritmes en percussie-instrumenten uit Bantoe (Congo) en Arará.

De son en bijbehorende dans kwam vanuit oostelijk Cuba in de Cubaanse hoofdstad Havana terecht rond 1909, met soldaten uit oostelijk Cuba die naar Havana gingen, en werd er al snel populair.

Rond 1920 werd son beïnvloed door andere Cubaanse muziekstijlen, zoals de Afro-Cubaanse rumba, ontstaan rond Havana en Matanzas, waardoor het karakteristieke “clave” ritme (3-2 of 2-3) in de son terechtkwam.

De son met traditionele instrumenten en sextet of septet-bezetting verdween in de jaren 30, toen jazz en uitgebreidere big bands populair werden in Havana .

Son beïnvloedde de salsa-muziek onder de Latino-bevolking in de Verenigde Staten.

 

Tango:             langzame, van oorsprong Argentijnse dans in zeer strakke 2/4  of 4/4  maat. Vaak staat de tango in een mineurtoonsoort.

Flamenco uit Spanje, Italiaanse melodieën, Cubaanse Habanera , Afro-Amerikaanse candombé en de liederen van de gaucho’s, de Argentijnse cowboys, smolten in de voorsteden samen tot sensuele tangodansmuziek. Tangoliederen gingen over ongelukkige liefdesavonturen en de uitzichtloosheid van het bestaan, de tango is van oudsher doortrokken van verdriet, weemoed en verlangen.

De eerste tangodansorkestjes bestonden uit gitaar, viool en fluit, maar tegen het einde van de negentiende eeuw deed de bandoneon zijn intrede. Deze knoppenaccordeon werd in 1860 in Duitsland uitgevonden om de gemeentezang in kerken zonder orgel te begeleiden. De Argentijnen maakten het instrument onsterfelijk in hun tango’s. De beroemdste tangocomponist was Astor Piazolla. De bandoneonist Carel Kraayenhof bracht prinses Maxima bij haar huwelijk tot tranen met Piazolla’s compositie "Adiós Nonino" ("Vaarwel vadertje").

Veel voorkomend ritme is:

De componist Astor Piazolla ontwikkelde vanaf 1955 de Tango Nuevo, als concertwerk opgezet, een mengvorm van Europese kunstmuziek, Argentijnse folklore en jazz. Contrapunt en fugavormen komen voor en moderne dissonantie harmonieën. Vanaf 1974 levert ook elektronische muziek zijn bijdrage. En daarbij gaan de romantiek, de hartstocht, de dramatiek en de erotiek van de traditionele tango nooit verloren.

Wals:               Een tamelijk snelle sierlijke dans in ¾ maat. Ontstaan uit de volksmuziek uit Zuid-Duitsland (Ländler). Wals betekent draaien, dus er wordt bij het dansen wat afgedraaid.

De bekendste soorten zijn:

Weense wals: virtuoze, wervelende wals. Kenmerkend is het minieme vooruitnemen van de tweede tel van de maat in de begeleiding (Wiener Nachschlag) en het veelvuldig voorko­men van hemiolen.

de eerste echte Weense walsmelodie dateert dan uit 1770, "Ach du lieber Augustin" (Nederland: “Daar wordt aan de deur geklopt..”)

Engelse wals: onstaan in 1921 uit de Boston, die in Engeland al in 1874 uit de Verenigde Staten was ingevoerd. Het is een wals in een langzamer tempo, met een sentimenteel karakter.

De bekendste componist van Weense walsen is Johann Straus jr. Zijn bekendste wals is “An der schönen blauen Donau". Andere bekende walsen zijn de “bloemenwals” van Tsjaikowsky, “Valse Triste” van Jean Sibelius en de “tweede wals” van DImitri Sjostakovitsj.

Wil je walsen in de praktijk zien uitvoeren, dan moet je op Nieuwjaarsdag om 1 uur ’s middags de TV aanzetten. Dan zie je de Wiener Philharmoniker allerlei walsen uitvoeren. Dat doen ze al sinds 1952.