Componisten

vanaf 1835

 

José Ferrer Esteve de Fujadas (Torroella de Montgrí, Girona, Spanje, 13 maart 1835 – Barcelona, 7 maart 1916), studeerde aanvankelijk gitaar bij zijn vader, gitarist en verzamelaar van bladmuziek. José Ferrer vervolgde zijn studies bij José Brocá. In 1882 ging hij naar Parijs, waar hij docent werd aan het Rudy Instituut en aan de Académie Internationale de Musique. Hij werd er bevriend met August Zurfluh.

Later werd José Ferrer docent aan de Conservatori Superior de Música del Liceu in Barcelona.

José Ferrer componeerde

     8 werken voor 2 gitaren of gitaar en een ander instrument

     63 gitaarwerken voor gitaar solo

Charme de la nuit, nocturne, opus 20 

La Danse des Naïades, mazurka, opus 35

een gitaarmethode  

     9 pianowerken

 

Eduard “Edi” Strauss (Wenen, 15 maart 1835 – 28 december 1916) was het vijfde kind uit het gezin van Johann Strauss Sr. en Maria Anna Streim, en werd geboren op Taborstraße 17, Wenen-Leopoldstadt. Eduard Strauß (hij schreef zijn naam zelf altijd met ß) studeerde muziektheorie bei Gottfried von Preyer en harp bij Anton Zamara. Het was de bedoeling dat hij diplomaat zou worden, maar hij gaf dat plan op toen zijn broers Johann en Josef hun handen meer dan vol hadden met hun orkesten. Eduard Strauss dirigeerde voor het eerst in februari 1859, toen de Straussen met hun drie orkesten in de zalen van het Dianabad te Wenen optraden. Op 8 januari 1863 trouwde Eduard Strauss met Maria Klenkhart. Ze kregen twee zoons: Johann Strauss III en Josef Eduard Strauss. De oudste zoon, Johann Strauss III, gaf leiding aan de Strauss revival in de 20ste eeuw.

In 1870 organiseerden de gebroeders Strauss zondagmiddagconcerten in de 'Wien Musikverein'. De traditionele Nieuwjaarsconcerten die nu nog steeds op 1 januari worden gegeven zijn een gevolg hiervan. Het draaide uit op een hoogst populair en artistiek succes.

Toen Josef Strauss in 1870 stierf en Johann Strauss zich steeds meer aan het componeren wijdde, kreeg Eduard Strauss alleen de leiding van de Strausskapel, vanaf 1878 deelde hij dat met Carl Michael Ziehrer. In 1902 trok Eduard Straus zich als dirigent terug. De meeste van de werken die hij componeerde heeft hij zelf verbrand in de boiler van een meubelfabriek van één van zijn vrienden. Eduard Strauss was volgens de overlevering een hovaardig, dictatoriaal persoon die graag zijn militaire medailles droeg.

Hij is begraven op het Zentralfriedhof in Wenen in een eregraf: Groep 32 A, Nummer 42.

Eduard Strauss componeerde 318 werken

     Walsen

- "Doctrinen", opus79

     polka’s

- "Bahn Frei", opus 45,

- "Ausser Rand und Band", opus168

- "Ohne Bremse", opus. 238.

     polka-mazurka’s

     quadrilles

 

Henryk Wieniawski (Lublin, Polen,10 juli 1835 – Moskou, Rusland, 31 maart 1880) was de zoon van Regina Wolff, een getalenteerde pianiste en Tobiasz Pietruszka Wieniawski, van Joodse afkomst, maar bekeerd tot het katholicisme. Wieniawski’s speelde al opmerkelijk viool toen hij acht jaar oud was in 1843 ging hij naar het Conservatorium in Parijs. Nadat hij geslaagd was, ging Wieniawski op tournee waarbij hij veel recitals gaf. Hij werd vaak begeleid door zijn broer Józef, die piano speelde. In 1860 trouwde Henryk Wieniawski met Isabella Hampton.

Van 1860 tot 1872  onderwees hij in Sint Petersburg vele vioolstudenten, leidde hij het orkest en speelde mee in het strijkkwartet van het 'Russisch Muzikaal Genootschap'. Van 1872 tot 1874 toerde Wieniawski door de Verenigde Staten met Arthur Rubinstein. In 1875 verving hij Henri Vieuxtemps als docent viool aan het conservatorium van Brussel.

In Brussel ging Wieniawski's gezondheid sterk achteruit, en was hij vaak genoodzaakt om midden in een concert te stoppen met spelen. Hij gaf een afscheidsconcert in Odessa in april 1879. Een jaar later overleed hij aan een hartaanval in Moskou. Zijn lichaam werd bijgezet op de Powązki begraafplaats in Warschau.

Henryk Wieniawski componeerde 24 werken

     7 werken voor viool en orkest

- vioolconcert, nr. 1, in fis klein, opus 14, 1852,  extreem moeilijk

- Capriccio-Valse, opus 7, voor viool en orkest, 1854

- Thème Original Varié, opus 15, bijt de violist ook zijn tanden op stuk 

- Légende, opus 17, 1859, opgedragen aan Isabella Hampton, wat zijn schoonouders met de relatie verzoende. 

- Fantasie brillante sur ‘Faust’ de Charles Gounod, opus20, 1865

- vioolconcert, nr. 2, in d klein, opus 22, 1870,  extreem moeilijk

     16 werken voor viool en piano

- Grand Caprice Fantastique, opus 1 1847,  zijn eerste werk

- 4 mazurka’s

     1 ander kamermuziekwerk

     10 etudes voor viool solo

 

Charles Camille Saint-Saëns (Parijs, 9 oktober 1835 – Algiers, 16 december 1921) werd geboren te Parijs als enig kind van vader Jacques-Joseph Victor Saint-Saëns en moeder Clemence Collin. Zijn vader, financieel medewerker van het Ministerie van Binnenlandse Zaken, stierf vlak ná de geboorte van Camille op onverklaarbare wijze. Zijn moeder en zijn oudtante Charlotte Masson bekommerden zich over zijn opvoeding.

Zijn oudtante gaf hem zijn eerste pianolessen toen hij twee jaar was. Nog geen vier jaar oud schreef hij zijn eerste muziekstukjes. Zijn oudtante Charlotte stimuleerde Camille in zijn muzikale ontwikkeling en op zevenjarige leeftijd werd hij ingeschreven voor pianoles en orgelles. Op dat moment kon hij ook al Latijn lezen!

Met een leeftijd van dertien jaar werd hij zonder problemen aangenomen op het conservatorium van Parijs. Zijn eerste symfonie schreef hij toen hij achttien jaar was.

Vanaf zijn 30e bevond Saint-Saëns zich in de gelukkigste periode van zijn leven. Hij componeerde 12 uur per dag en wijdde zich met liefde aan het promoten van Franse muziek.

In 1861 werd hij aangesteld als leraar aan het Niedermeyers Instituut voor Kerkmuziek wat ten doel had kerkmuziek in de Franse kerken te verbeteren. In die tijd raakte hij goed bevriend met zijn leerling Gabriel Fauré.

Uit tegenzin tegen de opmars van de Duitse muziek richtte de nationalistisch ingestelde Saint-Saëns het Société Nationale de Musique op; een organisatie die zich bezig hield met het promoten van Franse muziek.

In 1875 trad Saint-Saëns in het huwelijk met de toen 19-jarige Marie Truffot. De dood van hun beide kinderen bevorderde de relatie niet. De 2,5 jaar oude André Saint-Saëns viel uit het raam van de derde verdieping van hun woning en Jean Saint-Saëns overleefde een kinderziekte niet. Deze twee enorme tegenslagen vielen binnen een 1,5 maand tijd. Camille gaf zijn vrouw de schuld van de dood van zijn zoons en op een vakantiereis in 1881 verliet hij haar. Een officiële echtscheiding was er nooit.

In 1886 componeerde hij Het Carnaval der dieren. Dit werd het bekendste werk van Saint-Saëns, maar hij heeft er zelf geen noot van gehoord. Hij vond het stuk als serieus componist niet bij zijn imago passen en hield daarom een uitvoering tegen. In 1887 werd hij voorzitter van de Société des Compositeurs. Hij blies de slapende vereniging nieuw leven in met een reeks concerten van eigentijdse Franse componisten, waaronder werk van hemzelf.

Wat Saint-Saëns kon plezieren waren zijn verre reizen. Hij ging graag naar Algerije en Egypte. Uiteindelijk had Saint-Saëns alle Europese landen, Rusland, de Verenigde Staten en Zuid-Amerika bezocht. In Uruguay componeerde hij het volkslied van dat land.

Hij stierf op 16 december 1921 te Algiers.

Camille Saint-Saëns componeerde

     4 oratoria

- Oratorio de Noël, opus 12, 1858, op 1ste Kerstdag uitgevoerd. Voor strijkers, harop, orgel, solisten en koor. De Latijnse teksten zijn afkomtig uit de voorgeschreven schriftlezingen voor de vieringen van Kerst.

- Le Déluge (De Zondvloed), oratorium in drie delen met een prelude, opus 45, 1875, libretto "poème biblique" van Louis Gallet, gebaseerd op het Bijbelverhaal van Noach en de Zondvloed. Te weinig uitgevoerd meesterwerk; CD Württembergische Philharmonie Reutlingen ARS Produktion ARS 38127

     13 opera’s

- Samson et Dalila, libretto Ferdinand Lemaire,  gebaseerd op het Bijbelverhaal (Richteren 16: 4-31) 2 december 1877. Van de instrumentale Danse Bachanale, een orgiastisch door slagwerk aangedreven stukje, dat aan de vernietiging van de Dagontempel door Simson voorafgaat, uit de derde akte, zijn nogal wat arrangementen, vooral voor piano en orgel gemaakt.

- Henry VIII,  opera in vier bedrijven, 1883, libretto Léonce Détroyat en Armand Silvestre, gebaseerd op El cisma en Inglaterra door Pedro Calderón de la Barca. De handelingen betreffen de periode in Hendrijk VIII zijn leven wanneer hij zijn vrouw Catherine of Aragon (mooie dramatische rol) wil inruilen voor  Anne Boleyn, en daar geen toestemming van de kerk voor krijgt. Voor dit werk verdiepte Saint-Saëns zich in oude Engelse muziek (William Byrd)  en verwerkte dat ook in de opera.

     1 ballet

     4 theatermuziekwerken

- Parysatis, 1902, muziek bij het toneelstuk van Jane Dieulafoy;

De Vocalise Le Rossignol et la Rose is een uittreksel/samenvatting van deze muziek. een voorbeeld van een perfect samengesteld recital

     5 symfonieën

- symfonie in A grote terts, R 159, omstreeks 1850, toen hij 15 jaar was

- symfonie nr.1 in Es grote terts, opus 2, 1853

- symfonie nr. 2 in a kleine terts, R 55, 1859       

- symfonie nr. 3 in c kleine terts, opus 78, “de Orgelsymfonie . Het orgel speelt mee in het tweede en vierde deel van de symfonie. Het tweede deel begint met een expressieve openingsmelodie in het orkest, het orgel sluit met het thema het lyrische deel af. Het jubelende hoofdthema van de finale maestoso, dook eind van de jaren zeventig van de vorige eeuw in de popmuziek op onder de titel "If I had words."  

     3 symfonische gedichten

- Le Rouet d'Omphale (Omphale's Spinnewiel), opus. 31, symfonisch gedicht 1871.

- Danse macabre, 1875, naar het lied met pianobegeleiding uit 1872.

     5 pianoconcerten

- pianoconcerto nr. 2 in g kleine terts, opus 22, 1868, Saint-Saëns' populairste pianoconcert, opgedragen aan Madame A. de Villers geboren de Haber.

- pianoconcerto nr. 4 in c kleine terts, opus 44, qua structuur Camille Saint-Saëns’ innovatiefste pianoconcert. Opgedragen aan Anton Door, pianodocent aan het Conservatorium in Wenen. Inventief werk, een hoogtepunt uit zijn oeuvre.

- pianoconcert nr. 5 in F grote  terts, opus 103, de Egyptische, 1896, gecomponeerd in tempelstad Luxor, zijn meest exotische werk met invloeden van Javaanse, Spaanse en Middenoost muziek. Het werk is de voorstelling van een zeereis. Meesterwerk.

     3 vioolconcerten

- vioolconcerto nr. 2 in C grote terts, opus 58, 1858, eigenlijk zijn eerste vioolconcert, Paganini-achtige acrobatiek;

- vioolconcert nr. 3 in b kleine terts, opus 61, 1880, opgedragen aan Pablo de Sarasate die solist was op de première. Prachtig melodieus en gepassioneerd. Hoogtepunt uit Saint-Saëns’ oeuvre.  Spannende opening met een tremolofiguur van de strijkers in het eerste deel; onroerend middendeel.

     2 celloconcerten

- concerto voor cello nr. 1 in a kleine terts, opus 33, 1872; veel stemmingswisselingen;

- celloconcerto nr. 2 in d kleine terts, opus 119, 1902, gecomponeerd voor de Duitse cellist Joseph Hollmann, tweedelig, het eind van het eerste deel staat als een gebed op zichzelf.

     24 andere concerten of solowerken met orkest

- Introduction et Rondo Capriccioso in a kleine terts, opus 28, 1863, voor viool en orkest, geschreven voor de virtuose violist Pablo de Sarasate. Eén van Saint-Saëns' populairste composities; huiveringwekkend werk vol met triolenkettingen, syncopen en onspeelbare arpeggio's;

- Romance en Des grote terts, opus 37, 1871, voor fluit (of viool) en orkest

- Wedding Cake, Caprice-Valse in As grote terts voor piano en strijkorkest, opus 76, 1885, muzikale bruidstaart voor het tweede huwelijk van pianiste Caroline Montigny-Rémaury (1843–1913)

- Havanaise (habanero) in E grote terts, opus 83, 1887, voor viool en orkest

- Africa in g kleine terts, opus 89, R 204, 1891, voor piano en orkest

- La muse et le poète in e kleine terts voor viool, cello en orkest, opus 132, 1910, elementen van een symfonische gedicht en een verfijnde dialoog; fraai werk;

- Morceau de concert in G grote terts, voor harp en orkest, opus 154, 1918

- Suite, opus 16b, 1919, voor cello en orkest, een bewerking van de suite voor cello en piano, opus 16, 1862

- Cyprès et Lauriers, opus 156, voor orgel en orkest, 1919, om de overwinning van de geallieerden in de Eerste Wereldoorlog te vieren, opgedragen aan de president van Frankrijk, Raymond Poincaré.

     7 andere orkestwerken

- Phaéton in C grote terts , opus 39, R 170, 1873

- Danse macabre (dodendans), symfonisch gedicht, opus 40, 1875, over het lied van Henri Cazalis (1840-1909), dat Camille Saint Saëns al in 1872 had getoonzet voor zangstem en orgel.

- La jota aragonese in a grote terts, opus 64, 1880;

- Le Carnaval des Animaux - Grande Fantaisie Zoölogique ("Het Carnaval der Dieren"), 1886, een 14-delige compositie voor ensemble of klein orkest.

Saint-Saëns beeldt in de compositie een aantal dieren uit. De karakteristieke eigenschappen van de dieren worden beetje spottend maar zeer treffend weergegeven. Saint-Saëns schreef het werk als verjaardagscadeau voor cellist Charles Lebouc en puur en alleen voor het plezier van zichzelf en zijn vrienden. Tijdens zijn leven werd het stuk slechts één keer voorgedragen binnen de privésfeer. Saint-Saëns stond publicatie van het werk niet toe. Hij vond het niet passend voor een serieuze componist. Het werk bleef bijna 30 jaar liggen en werd pas in 1922 voor het eerst uitgegeven, waarrna het zijn populairste werk werd. Het werk is geschreven voor 1 piccolo, 1 fluit, 2 klarinetten (in B en in C), 1 glasharmonica, 1 xylofoon, 2 piano's, violen 1 en 2, altviolen, cello's en contrabassen.

Le cygne (de zwaan), het dertiende, éénnalaatste deeltje voor solocello en twee piano’s is buitengewoon populair geworden en wordt vaak apart uitgevoerd.

     5 weken voor harmonieorkest

- Orient et Occident, 1869, zijn bekendste compositie voor harmonieorkest, waarin Saint Saëns het Verre Oosten verklankt met allerlei tot clché verworden middelen, zoals pentatonische toonladders

     21 religieuze werken voor koor, (solozangers en instrumenten)

     40 werken voor koor, a cappella of met instrumenten

- Ave Maria, opus 145, 1914 voor gemengd koor a cappella

     2 pianotrio’s

- pianotrio nr.1 in F grote terts, opus 18,1863, opgedragen aan Alfred Lamarche, diepte, ondanks erudiete lichtheid

- pianotrio nr. 2 in e kleine terts voor piano, viool en cello, opus 92, 1892

     2 strijkkwartetten

- strijkkwartet nr. 1 in e kleine terts, opus 112, 1899       

     7 sonates

- vioolsonate nr. 1in d klein, opus 75, 1885, opgedragen aan Martin-Pierre-Joseph Marsick (1847-1924), een briljant en relativerend werk

- sonate voor hobo en piano in d kleine terts, opus 166, 1921, landerig;

- sonate voor klarinet en piano in Es grote terts, opus 167, 1921, wervelende klarinetpassages   

- fagotsonate in G grote terts, opus 168, 1921, opgedragen aan Clément-Léon Letellier; melodieus en schalks;

- Sonata voor cello en piano nr. 2 in F grote terts, opus 123, 1905 

- Sonata voor cello en piano nr. 3 in D grote terts, opus postuum, niet afgemaakt

     11 andere kamermuziekwerken

- Pianokwintet  in a kleine terts, opus 14 voor piano, 2 violen, altviool en cello, 1855

- Pianokwartet in Bes grote terts, opus 41, voor piano, viool, altviool en cello, 1875

- Allegro appassionato in b kleine terts voor cello en piano, opus 43, 1875

- Romance in E grote terts, opus 67, 1885, voor hoorn (of cello) en piano, ook georkestreerd.

- Caprice sur des airs danois et russes, opus 79, 1887, voor fluit, hobo, klarinet en piano

- Havanaise, voor viool en piano (of orkest), opus 83, 1887, een kort, bondig virtuoos werk

- Fantaisie pour harpe in a klein, opus 95, 1893

- Barcarolle in F grote terts, opus 108, voor viool, cello, harmonium en piano, 1897

- La muse et le poète in e kleine terts, voor viool, cello en piano (of orkest), opus 132, 1910

- Elégie nr. 1, opus 143, voor viool en piano, 1915 

- Elégie nr. 2, opus 160, voor viool en piano, 1920 

     125  (series)  liederen voor zangstem en piano

- Mélodies persanes, opus 26, 1870, 6 liederen op teksten van Armand Renaud (1836–1895)  voor zangstem en piano.

6. Tournoiement (Songe d'opium), waarin een opium droom wordt beschreven

- Violons dans le soir, 1907, voor zangstem, viool en piano, tekst Comtesse de Noailles

     26  (series) religieuze werken voor zangstem(men) en orgel

- Danse macabre, 1872, op tekst van Henri Cazalis

     19 koorwerken a cappella of met begeleiding

- Deux chœurs, opus 68, 1882, voor gemengd koor, piano ad libitum   

     75 (series) pianowerken

- Gavotte in c kleine terts, opus 23, 1871

- Danse Macabre, arrngement van het symfonisch gedicht voor 2 piano's, 1875

     16 (series) orgelwerken

- Fantaisie in Es grote terts, 1857

- Élévation, ou communion,  opus 13, 1865 voor orgel of harmonium

- 3 Rhapsodies sur des cantiques bretons, opus 7, 1866 georkestreerd in 1891 als “Rhapsodie bretonne”, Op. 7b

- Fantaisie pour orgue-Aeolian, 1906, geschreven op verzoek van de The Aeolian Organ & Music Company in New York, die in 1893 een gemechaniseerd orgel dat op papierrollen werkte had ontwikkeld. In 1988 heeft Rollin Smith,  het werk gereconstrueerd en uitgegeven voor orgel. Bij een uitvoering is medewerking van een set orkestbellen met speler nodig.

- Sept improvisations, opus 150, 1917, introverte, diepzinnige eerste improviatie

- Fantaisie No. 3 in C grote terts, opus 157, 1919       

     2 (series) werken voor of met harmonium

- Six Duos voor harmonium en piano, opus 8, 1858

     filmuziek

- L'Assassinat du duc de Guise, 1908, een Franse historische film, geregisseerd door Charles le Bargy en André Calmettes. Camille Saint Saëns schreef deze eerste filmmuziek ooit op 73-jarige leeftijd.

 

Clément Philibert Léo Delibes (Saint-Germain-du-Val bij La Flèche, 21 februari 1836 ‒ Parijs, 16 januari 1891) was zoon van een postbode. Toen zijn vader in 1847 stierf, verhuisde zijn moeder, de dochter van een zanger van de Komische-Opera, naar Parijs. Zijn muzikale interesse werd gestimuleerd door zijn moeder en zijn oom Édouard Baptiste Delibes, een organist en zangleraar aan het conservatorium van Parijs. Dat jaar begon hij op 11-jarige leeftijd zijn studie aan het Conservatoire national supérieur de musique van Parijs. Hij studeerde orgel bij François Benoist en compositieleer bij Adolphe Adam.

 Adolphe Adam bezorgde  hem de positie van adjunct-repetitor bij het Théâtre Lyrique te Parijs.

In 1871 trad hij in het huwelijk met Léontine Estelle Denain. In 1880 werd hij aangesteld als professor compositieleer aan het Conservatoire national supérieur de musique van Parijs, Delibes overleed op 55-jarige leeftijd. Hij werd begraven op het Cimetière de Montmartre te Parijs.

Léo Delibes componeerde

     15 opera’s 

- Lakmé (1883). Het "Air de clochette" (de klokjesaria) waarin Lakmé bijna bezeten zingt over een legendarisch klokje in de wouden, is een bravourestuk voor de coloratuursopranen.

Bekende duetten  uit deze opera zijn de "Bloemenaria" (of "bloemenduet"), een barcarolle en “D'où viens-tu ? Que veut-tu" (Van waar kom je? Wat wil je?)

- Kassya (1891) Na Delibes overlijden door door Jules Massenet voltooid.

     8 operettes

- Deux sous de charbon, 1856

     2 toneelmuziekwerken

     4 balletten

- La Source (1866). Een oosters thema, een erg populair onderwerp op dat ogenblik.

- Coppélia, ou la fille aux yeux d'email ("het meisje met glazuren ogen"), 1870 naar het verhaal van E.T.A. Hoffmann.  Dit ballet maakte Léo Delibes beroemd. Coppélia is een pop, gemaakt door dr. Coppelius, eigenaar van een speelgoedwinkel in een Silezisch stadje. Dr. Coppélius wil zijn pop graag to leven wekken. De eerste choréografie was van Arthur Saint-Léon. Hij stopte in het ballet een Oostenrijks-Hongaarse volksdans: de csárdás. Het was voor het eerst dat een choreograaf een nationale dans in een klassiek ballet opnam. Arthur Saint-Léon kreeg veel navolgers.

- Sylvia ,1876 speelt zich in Griekenland af. Tsjaikovski vond Sylvia beter dan zijn eigen Zwanenmeer. Hij beschouwde Delibes ook als een betere componist dan Johannes Brahms, die hij omschreef als "een talentloze bastaard". Een zeer bekend wijsje uit dit ballet is het "Divertissiment - Pizzicato".

     5 religieuze werken

- Alger, cantate, geschreven voor Napoleon III

     21 koorwerken

     33 liederen voor zangstem(men) en piano, in 1894 in twee delen uitgegeven

- Premièr volume (17 liederen)

+ nr. 13 Arriette Le Rossignol voor mezzosopraan en piano

     pianowerken

 

Mili Aleksejevitsj Balakirev (Nizjni Novgorod, Rusland, 2 januari 1837 – Sint-Petersburg, 29 mei 1910) werd geboren in een arme boekhoudersfamilie. Hij kreeg zijn eerste pianolessen kreeg hij op zijn vierde jaar van zijn moeder. Na zijn moeders overlijden kwam hij op 12-jarige leeftijd terecht op het Alexandrovsky Instituut. Daar gaven Alexander Oelibitsjev, schrijver van een biografie van Mozart, en pianist Karl Eisrach Mili Balakirev een gedegen muzikale opvoeding. In 1853 ging Mili Balakirev naar de Universiteit van Kazan en studerde daar Wiskunde. Afgestudeerd in 1955 ging hij naar Sint-Petersburg en maakte daar kennis met Michail Glinka. Met César Cui en anderen richtte Mili Bakalirev in 1862 de Vrije School voor Muziek op.

In 1869 werd Mili Balakirev leider van de hofkapel en dirigent van de keizerlijke muziekvereniging. Mili Balakirev was de initiatiefnemer van Het Machtige Hoopje. Mili Balakirev trouwde nooit en had geen kinderen.

Mili Alexejevitsj Balakirev overleed op 29 mei 1910 en werd begraven op de Tichvin-begraafplaats bij het Alexander Nevski Klooster in Sint-Petersburg.

Mili Balakirev componeerde

     2 theatermuziekstukken

     2 symfonieën

     2 symfonische gedichten

     4 ouvertures

     7 andere orkestwerken

     19 koorwerken

     4 kamermuziekwerken

     liederen

     50 pianowerken

- Islamej, Mili Balakirevs’ bekendste pianocompositie, met technisch immense moeilijkheden;

 

Félix-Alexandre-Amédée Guilmant (Boulogne-sur-Mer, 12 maart 1837 – Meudon, 29 maart 1911) bleek op vrij jonge leeftijd al heel begaafd. Hij was 12 jaar toen hij al vlot orgel speelde. Geen wonder, want zijn vader Jean-Baptiste Guilmant was organist van de kerk van San Nicolas. Vanaf 1860 studeerde Alexandre Guilmant in Brussel bij Jacques-Nicolas Lemmens samen met Charles–Marie Widor en Eugène Gigout. Na afronding van zijn studie werd hij organist in Boulogne-sur-Mer. 

In 1870 werd Alexandre Guilmant benoemd als opvolger van Alexis Chauvet als organist op het Cavaillé-Coll orgel in de Saint-Trinité kerk in  Parijs. Hij zou er nooit meer weg gaan. Alexandre Guilmant ontwikkelde zich tot een beroemde organist die overal in Europ en Amerika concerten gaf. In 1896 werd hij docent aan het Parijse Conservatoire national supérieur de musique, van bijvoorbeeld Joseph Bonnet, Marcel Dupré, Henri Mulet en René Vierne. Louis Vierne was jarenlang zijn assistent.

In 1900 werd Alexandre Guilmant tweede organist aan de Notre Dame.

Alexandre Guilmant componeerde

     5 werken voor orgel en orkest

- 2 symfonieën

     1 cantate

     9 werken of series werken voor koor en orgel

     1 werk voor koor en orkest

     2 werken voor zangstem(men) en orgel

     3 werken of series werken  voor koor (en/of solozangers)

     9 kamermuziekwerken

     33 werken of series werken voor orgel

- 8 sonates, populaire orgelmuziek

+ Sonate nr. 1 pour orgue, 1875, opgedragen aan koning Leopold II van België, in 1879 herschreven als symfonie nr. 1 voor orgel en orkest; het heroïsche openingsdeel van de driedelige sonate (Introduction - Largo e maestoso- et Allegro) dendert als een waterval uit het orgel.

+ Sonate nr. 5 pour orgue in c kleine terts, 1894, opgedragen "à mon cher ami Clarence Eddy".

Het derde deel van de vijfdelige sonate: Scherzo, wordt nogal eens afzonderlijk uitgevoerd.

+ Sonate nr. 4 pour orgue ou harmonium in d kleine terts, 1894, opgedragen "à mon ami Emile Bernard".

+ Sonate nr. 8 pour orgue (Deuxième symphonie); A grote terts, opus 91, 1906

- 18 boeken pièces dans differents styles pour orgue. 5 CD box: Herman van Vliet, Festivo 6961532

+ March upon Handel's 'Lift Up Your Heads', opus 15 (boek 1) nr. 2, 1861

+ Marche funèbre et chant séraphique - Fantaisie pour l'orgue in c klein/groot, opus 17 (boek 3) nr. 3, 1865, geschreven ter herinnering aan zijn moeder.

+ Grand Choeur - Alla Händel in D grote terts, 1866, opus 18 (boek 4), nr. 1, opgedragen aan  Monsieur J. Merklin

+ Deuxième méditation in fis kleine terts, 1866, opus 20 (boek 6), nr. 2 opgedragen aan  Monsieur Maurin

+ Lamentation in d kleine terts, 1875, opus 45 (boek 12) nr. 1, ter herinnering aan zijn vriend l'Abbé Henri Gros, op 31-jarige leeftijd bij het bombardement op Parijs op 27 december 1870 omgekomen.

+ Boek 16, opus 72, 1889,

1.  Fugue in F grote terts, opgedragen aan zijn leerling Monsieur Carl G. Schmidt, organist in  Brooklyn (Amerika)

2. Pastorale in A grote terts, bewerking voor orgel van opus 26 voor harmonium èn piano, 1870

+ Marche d'Ariane, 1889, opus 72,  (boek 16), bewerking van het laatste deel van de Symfonie-cantate “Ariane", opus 53 (1879)

+ Marche élégiaque in c kleine terts, 1887, opus 74, (boek 17), nr. 1 opgedragen “aan mijn lieve zoon Maurice Aliamet”; gedurfde harmonieën die soms wrang langs elkaar heen strijken.

     21 werken of series werken voor harmonium

- Pastorale in A grote terts, opus 26,  1870 voor harmonium èn piano, opgedragen aan Monsieur Louis Roger
- Prière et berceuse, opus 27, 1870, à Madame la Baronne Philippe de Bourgoing, een bekend werk
- 12 boeken l’Organiste Pratique pour Harmonium

+ Cantabile in F grote terts, opus 41 (boek 2) nr. 4, 1874, met nauwkeurige harmoniumregistratie

+ Grand choeur triomphale in A grote terts, opus 47 (boek 4) nr. 2, 1876

+ Scherzo Symphonique, opus 55 (boek 8) nr. 2, een van zijn beroemdste werken, 1878

     2 pianowerken

www.guilmant.nl

 

Władysław Żeleński (Grodkowice, Polen, 6 juli 1837 – Krakau, 23 januari 1921), zoon van Wladyslaw en Camilla Russockich, begon al jong piano te spelen. Wladyslaw studeerde in Krakau bij Franciszek Mirecki, in Praag bij Josef Krejčí en in Parijs bij Napoléon-Henri Reber. Van 1872 tot 1881 was hij docent muziektheorie aan de  Muziekacademie Warschau. Daarna leidde hij de op 7 februari 1888 opgerichtte Muziekacademie Krakau. Władysław Żeleński was de vader van natuurkundige en auteur Tadeusz Boy-Żeleński.

Władysław Żeleński componeerde

     4 opera’s

     8 orkestwerken

     3 missen

     motetten

     10 kamermuziekwerken

- pianokwartet in c kleine terts, opus 61

     4 pianowerken

     orgelwerken

     100 liederen

 

Hans Sommer (Brunswijk, Duitsland, 20 juli 1837 – 26 April 1922) was de zoon van Otto Gustav Zincken, ook Sommer genoemd (28 maart 1809; † 9 januari 1840). Zijn vader overleed toen hij drie jaar was. Hij groeide in de familie op van zijn stiefvader, de fabrikant Peter Wilhelm Friedrich Voigtländer (1812–1878), in Wenen en Brunswijk. Zijn moeder was Nanny  Langenheim. Zijn stiefvader verzette zich tegen een muziekstudie, dus het werd wis- en natuurkunde aan de universiteit van Göttingen. Ondertussen studeerde hij compositie bij  Julius Otto Grimm in Göttingen en bij Adolf Bernhard Marx in Berlijn. In 1858 promoveerde Hans Sommer in wiskunde en vanaf 1859 was hij wiskundedocent aan het  Collegium Carolinum in Brunswijk. Vanaf 1875 tot 1881 was hij directeur Polytechniek aan de Technische Hogeschool. Hij heeft onder zijn volledige naam “Zin(c)ken genannt Sommer“ enkele baanbrekende artikelen en boeken over optische apparatuur gepubliceerd. 

Al tijdens zijn studie richtte Hans Sommer de Verein für Konzertmusik (1863–1870) in Brunswijk op, die concerten organiseerde met bijvoorbeeld Joseph Joachim, Clara Schumann, Ferdinand Hiller en Hans von Bülow, en waarvoor hij zelf ook opera’s componeerde. Wel onder pseudoniem: E. T. Neckniz“ („E. T.“ voor Été = zomer in het Frans, „Neckniz“ =  „Zincken“ maar dan achterstevoren).  In 1884 had Hans Sommer kort compositieles van Franz Liszt. In 1885 trouwde hij met de dochter van Hofoperazanger Carl Hill (1831–1893): Antonie Thurow, en vestigde zich als componist in Berlijn. In 1888 verhuisde hij naar Weimar, waar hij vriendschap sloot met Richard Strauss. In 1898 keerde hij naar Brunswijk terug. Antonie stierf daar in 1904. Hans Sommer had twee zonen.

Van 1903 tot 1911 was Hans Sommer bestuurslid van de Allgemeinen Deutschen Musikvereins (ADMV). In Nederland was hij vanaf 1895 lid van de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst  en vanaf 1899 lid van de Société de l'histoire de la musique dans les Pays-Bas. Kort voor zijn dood in 1922 werd hij opgenomen in de Akademie der Künste zu Berlin.

Hans Sommer componeerde

     10 opera’s, vaak gebaseerd op sprookjes

- Der Nachtwächter, 1865,

- Der Vetter aus Bremen, 1865,

- Loreley, 1891,

- Saint Foix, 1894

- Der Meermann at Weimar, 1896

- Augustin,1898

- Münchhausen, 1896–1898

- Rübezahl und der Sackpfeifer von Neisse, 1904,

- Riquet mit dem Schopf, 1907

- Der Waldschratt, 1912

     theatermuziekwerken

muziek bij Das Schloss der Herzen van Hans von Wolzogen, 1891

     39 (series) liederen

- liedcyclus Der Rattenfänger von Hameln,

- liedcyclus Der wilde Jäger

- liedcyclus Sapphos Gesänge; opus 6,voor zangstem en orkest, 1884, teksten: de Roemeense koningin Elisabeth zur Wied, (onder pseudoniem: Carmen Sylva)  CD Elisabeth Kulman, mezzosopraan; Bo Skovhus, bariton, Bamberger Symphoniker olv Sebastian Weigle; Tudor 7178

- Einundzwanzig Lieder (teksten J. W. Goethe), 1919–1922, 20 liederen werden georkestreerd.

     4 orkestwerken

     8 kamermuziekwerken

     koorwerken

www.hans-sommer.de

 

Théodore Dubois (Rosnay, Marne, Frankrijk, 24 augustus 1837 – Parijs, 11 juni 1924) studeerde aanvankelijk bij Louis Fanart, koormeester van de kathedraal van Reims, en daarna aan het Conservatorium Parijs bij Ambroise Thomas. Vanaf 1868 was Théodore Dubois werkzaam als koordirigent aan de Kerk van de Madeleine in Parijs. In 1871 nam hij het werk van César Franck over aan de Basiliek van de Sainte Clotilde. Negen jaar late volgde hij Camille Saint-Saëns op, als organist aan La Madeleine. In het jaar 1871 werd hij benoemd tot professor harmonieleer aan het Conservatoire de Paris, en van 1896 tot 1905 tot directeur. Tot zijn leerlingen behoorden Paul Dukas en Florent Schmitt.

Dubois werd in 1905 gedwongen af te treden als directeur van het Conservatoire, omdat hij geweigerd had de Prix de Rome toe te kennen aan Maurice Ravel. Gabriel Fauré nam het directeurschap over.

Toen Dubois een vioolsonate opdroeg aan de beroemde violist Eugène Ysaÿe, trachtte Vincent d'Indy hem ertoe te bewegen dit gebaar van de "macabere componist" Dubois niet aan te nemen. Ysaÿe trok zich daar niets van aan en heeft de sonate wel degelijk uitgevoerd.

Théodore Dubois componeerde

     9 opera's,

- La guzla de l'émir, opéra comique in één bedrijf, 1873

- Aben-Hamet, opéra in 4 bedrijven, 1884

- Xavièr, idylle dramatique in drie bedrijven, 1895

     2 balletten

     5 oratoria,

- Les sept paroles du Christ, 1867, zijn bekendste werk

     12 missen,

- Messe pontificale, voor solisten, koor en orkest, 1895. 

     71 motetten

     9 cantates

     7 koorwerken

     22 orkestwerken,

- Ouverture de Frithiof, 1879/1894, symphonisch gedicht, geïnspireerd op Scandinavische legendes

- Concerto pour piano nr. 2, in F grote terts, 1897

- Fantaisie voor harp en orkest, 1903, opgedragen aan Alphonse Hasselmans

- Symfonie nr 2, 1912

     44 kamermuziekwerken

- Pianokwartet in a kleine terts, 1907

- Dixtuor, voor vijf strijkers en vijf blazers, 1909, juweeltje van samenklanken

     88 orgelwerken

- Twaalf werken voor orgel of pedaalpiano (1889):

3. Toccata in G grote terts

9. Marche des Rois Mages in E grote terts

- Twaalfnieuwe  werken voor orgel of pedaalpiano (1893) :

12. Marche Triomphale in Es grote terts

- Zeven kleine werkjes voor orgel (1898)

6. Marche-Sortie (1900).

     110 (series) liederen

     94 pianowerken

 

Charles Émile Waldteufel (eigenlijk: Charles Emile Lévy) (Straatsburg, Elzas, Frankrijk, 9 december 1837 – Parijs, 12 februari 1915) was de zoon van orkestleider Lazare Lévy (*Bischheim, Elzas, 30 januari 1801 – 1884), die het pseudoniem Louis Waldteufel (“Louis Bosgeest”) gebruikte, en pianiste en zanglerares Flora Neubauer. Zijn eerste muzieklessen kreeg Émile Lévy van zijn ouders, vooral van zijn moeder. In 1842 vertrokken zijn ouders met hem naar Parijs. Zijn broer Isaac (1832-1884), die als Léon Waldteufel bekend werd, studeerde daar al viool aan het Parijse conservatorium. Charles Émile kreeg les van Joseph Heyberger. Van 1853 tot 1857 studeerde Charles Émile aan het Conservatoire national supérieur de musique, samen met Georges Bizet en Jules Massenet piano.

Na zijn studies werkte hij bij een pianobouwer, gaf pianoles en speelde bij soirées. Hij speelde ook bij het Waldteufel-orkest van zijn vader, het populairste orkest in Parijs.

In 1865 werd hij hofpianist van de keizerin Eugénie de Montijo, gravin van Teba, de echtgenote van Napoleon III.

In oktober 1874 speelde hij bij een feest, waar de Prins van Wales, de toekomstige Edward VII van het Verenigd Koninkrijk, aanwezig was. De Prins was enthousiast over de Manolo-wals van Émile Waldteufel en beloofde hem meer bekendheid in Engeland. Het gevolg was een contract met de Londense uitgeverij Hopwood & Crew. Een eigenaar van deze uitgeverij was Charles Coote, dirigent en directeur van de Coote & Tinney’s Band, het voornaamste dansorkest van Londen. Zo kwam het, dat de muziek van Waldteufel bij staatsbanketten van Koningin Victoria in het Buckingham Palace gespeeld werd. Emile Waldteufel dirigeerde met een stok inplaats van met de toen gebruikelijke vioolstrijkstok. Hij zette daarmee een trend in.

Émile Waldteufel maakte in 1885 concertreizen naar Londen en in 1889 naar Berlijn. Hij trouwde metde zangeres Célestine Dufau. Ze kregen twee zonen.

Émile Waldteufel componeerde 250 werken

     180 walsen

- "Les Patineurs", opus 183, (“Schaatsenrijderswals”), 1882, opgedragen aan Ernest Coqueilin, een van de beroemdste walsen in de wereld.

- España, opus. 236, 1886, een bewerking van España, een rapsodie uit 1883 von Emmanuel Chabrier

     polkas

     mazurkas

     galops

     gavottes

     marsen

     kamermuziekwerken

     pianowerken

     liederen

 

Max Bruch (Keulen, 6 januari 1838 – Berlijn, 2 oktober 1920) kreeg zijn eerste muziekonderwijs van zijn moeder. Later studeerde hij bij Ferdinand Hiller en Carl Reinecke.

In 1858 bracht werd zijn operette Scherz, List und Rache, naar een tekst van Goethe, in Keulen voor het eerst uitgevoerd. Max Bruch verbleef twee jaar in München en daarna werkte hij van 1865 tot 1867 als dirigent in Koblenz. In deze tijd componeerde hij het beroemde Concert voor viool en orkest in g, opus 26, dat alle violisten ondertussen wel op hun repertoire hebben staan.

Bruch kreeg drie eredoctoraten, wat wel weergeeft, hoe populair hij was. Een bekend werk van hem is ook Kol Nidrei, een reeks variaties voor cello en orkest naar een Joods gebed. Bruch overleed in Berlijn op 82-jarige leeftijd.

Tijdens het nationaalsocialisme werd hij vanwege zijn Kol Nidrei als Jood beschouwd (wat hij in het geheel niet was, een voorbeeld van de gekte van de nazi's), verdween hij uit de programmaboekjes en werden zijn werken in de Duitstalige gebieden geheel vergeten.

Max Bruch schreef

     4 opera's

     7 orkestwerken

     16 concerten,

- vioolconcert nr. 1 in g klein, opus 26, 1866, Bruchs beroemdste compositie en één van de populairste vioolconcerten in het repertoire. Een "meesterlijk" werk. Zangerig Adagio en energiek eerste thema in de Finale.

- Vioolconcerto nr. 2 in d kleine terts, opus 44, 1878, opgedragen aan Pablo de Sarasate. Begint met een schitterend Adagio. Eindigt met spetterend vuurwerk: Allegro molto, de finale.

- Romance voor viool en orkest in kleine terts, opus 42, 1874

- Schotse Fantasie in Es grote terts, opus 46 voor viool en orkest, 1880, opgedragen aan de virtuose violist Pablo de Sarasate. Een vierdelige fantasie over Schotse volksmelodieën en gebaseerd op verhalen van Sir Walter Scott.

- Kol nidrei, concertstuk voor cello en orkest in d  klein, opus 47, 1881

- Adagio appassionato voor viool en orkest in cis kleine terts, opus 57, 1891

- vioolconcerto nr. 3 in d kleine terts, opus 58, 1891, opgedragen aan zijn vriend, violist Joseph Joachim,

- In Memoriam, Adagio, opus 65, voor viool en orkest, 1893, soms hartverscheurend

- Serenade in a kleine terts, opus 75 voor viool en orkest,1899

- Konzertstück voor viool en orkest in fis kleine terts, opus 84, 1903, Bruchs'"vierde vioolconcert"

- Romanze in F groot voor altviool en orkest, opus 85, 1912

- Concerto voor klarinet, altviool en orkest in e kleine terts, opus 88, 1911, gecomponeerd voor zijn zoon, klarinettist Max Felix Bruch, die de klarinetpartij speelde bij de première in 1912, heel mooi gecomponeerd.

- Concerto voor twee piano's en orkest in as kleine terts, opus 88a,1912, vierdelig.

     19 koorwerken

- koorballade Schön Ellen, opus 24, 1867, de meest uitgevoerde koormuziek in de 19de eeuw.

     18 (series) kamermuziekwerken

- pianotrio in c klein, opus 5, 1858;

- strijkkwartet nr. 1 in c kleine terts, opus 9, 1859

- pianokwintet in g kleine terts. opus postuum, 1886

- Zweedse dansen, opus 63, voor viool en piano, 1892, 14 stukken in 2 boeken, ook in versies voor orkest en voor twee piano's

- 8 stukken voor pianotrio: altviool, piano en klarinet, opus 83, 1910, ten onrechte weinig bekend

- strijkkwintet in a kleine terts, opus postuum, 1918;

- strijkkwintet in Es grote terts, opus postuum, 1918;

- octet voor strijkers in Bes grote terts, opus postuum, 1920, ongecompliceerd romantisch, krachtige lyriek

 

Heinrich Donatien Wilhelm Schulz-Beuthen (Beuthen, nu Polen, 19 juni 1838 – Dresden, 12 maart 1915 heette oorspronkelijk alleen Schulz, maar voegde de naam van zijn geboorteplaats er zelf achter om zich te onderscheiden van de andere Schulzen. Heinrich Schulz-Beuthen studeerde scheikunde aan de Universiteit van  Breslau, maar wilde toch liever verder met muziek. Van 1862 tot 1865 studeerde hij bij Ignaz Moscheles en Carl Reinecke aan het Conservatorium Leipzig, waar Edvard Grieg en Johan Svendsen collegastudenten van hem waren. Hij nam ook nog privélessen bij Karl Riedel.

Van 1866 tot 1880 was hij compositieleraar in Zürich. Van 1881 tot zijn dood op 12 maart 1915 woonde hij weer in Dresden, waar hij zijn lespraktijken ook weer oppakte. Zijn laatste jaren bracht hij door in een tehuis.

Heinrich Schulz-Beuthen componeerde

     5 opera’s

- Der Zauberschlaf, naar een stuk van Mathilde Wesendonck, gecombineerd met de sprookjes van Sneeuwwitje en Assepoester, het eerste voorbeeld van een “sprookjesopera”, 1879;

     10 symphonieën;

     1 pianoconcert

     theatermuziek

     symfonische gedichten

- Die Toteninsel, 1890,  naar aanleiding van het schilderij van Arnold Böcklin

     1 requiem

     kamermuziekwerken

     koorwerken

     talloze liederen

     pianowerken

 

Philip Paul Bliss (Clearfield County, Pennsylvanië, Verenigde Staten, 9 juli 1838 – 29 december 1876) was de zoon van Mr. Isaac Bliss, een gelovige Methodist en een muziekliefhebber, die zijn gezin leerde elke dag te bidden.

In 1844 verhuisde het gezin naar Kinsman, om in 1847 in Pennsylvanië in Crawford County terug te komen, een jaar later verhuisden ze naar Tioga County. Philip Bliss leerde lezen van zijn moeder uit de Bijbel.

Op zijn 10de hoorde Philip Bliss voor het eerst een piano, terwijl hij groente aan het verkopen was om het gezinsinkomen te ondersteunen. Op zijn 11de verliet Philip Bliss het gezin, werkte als houthakker en in zaagmolens en ging ondertussen onregelmatig naar school om wat bij te leren.

In 1856, 18 jaar oud, werd hij schoolmeester in Hartsville, New York, en tijdens de zomermaanden werkte hij op een boerderij.

Vanaf 1857 had Philip Bliss zangles van muziekleraar John Griffin Townber die zijn talent meteen herkende en hem drie jaar lang muziekles gaf aan zijn muziekschool in in Towanda, Pennsylvanië, In 1858 ontmoette Philip Bliss in Rome, Pennsylvanië, Lucy J. Young. Hij trouwde met haar op 1 juni 1859 en stapte vanwege haar over op naar de Presbyterian Church.

22 jaar oud, werd Philip Bliss rondreizend muziekleraar en zanger. In de daaropvolgende jaren ontwikkelde hij zich tot componist van Gospelsongs en hymns en koordirigent. Daarnaast werd hij vanaf 1874 evangelist.

Op 29 december 1876 reisde Philip Bliss met zijn vrouw Lucy met de Pacific Express trein naar Ashtabula, Ohio. Toen de trein een geschraagde brug overstak, bezweek de brug en alle rijtuigen verdwenen in het ravijn eronder. Philip Bliss onsnapte aan de wrakstukken, maar de rijtuigen vlogen in brand en Philip Bliss ging er naar terug om Lucy te bevrijden. Beiden kwamen in de vlammen om. Van hun lichamen werd niets teruggevonden. 92 van de 160 passagiers van dit “Ashtabula River Railroad Disaster” waren omgekomen. Twee zoons van Philip Bliss, George en Philip Paul, toen vier en één jaar oud, overleefden hun ouders.

Een monument voor Philipp Bliss werd opgericht in Rome, Pennsylvanië.

Philip Bliss schreef

     zeven boeken met evangelische en opwekkingsliederen, die tot de dag van vandaag in de Amerikaanse en Duitse kerken gezongen worden.  

- "Pull For The Shore" werd in de reddingboten bij de ramp van de Titanic in 1912 gezongen door de overlevenden

- Almost Persuaded

- Hallelujah, What a Saviour!

- Let the Lower Lights Be Burning

- Wonderful Words of Life

- It  Is Well with My Soul, tekst van Horatio Spafford

- Whosoever Heareth, 1870,

- Sing Them over again to me, 1874,

- Will You Meet Me at the Fountain, 1874,

- At the feet of Jesus, 1876,

 

Alexandre César Léopold (Georges) Bizet (Parijs, 25 oktober 1838 – Bougival, 3 juni 1875) werd geboren in Parijs als Alexandre-César-Léopold Bizet, maar werd Georges gedoopt in de kerk Notre-Dame-de-Lorette. Zijn vader Adolphe Armand Bizet, was zanger, behaalde veel succes en werd uiteindelijk zangleraar. Hij heeft ook enkele werken gecomponeerd, onder andere een strijkkwartet. Zijn moeder Marie Louise Léopoldine Joséphine Delsarte was een pianiste.

Als muzikaal wonderkind studeerde Bizet vanaf zijn negende jaar aan het Conservatoire national supérieur de musique van Parijs waar hij vele competities won. Hij was leerling van Antoine François Marmontel (piano), François Benoist (orgel), Pierre Joseph Guillaume Zimmermann en Charles Gounod (contrapunt) en Jacques François Fromental Halévy (compositie). In 1857, negentien jaar oud, won hij de Prix de Rome voor de eenakter Le Docteur Miracle. Daardoor kon hij enkele jaren in Italië te studeren.

Een tijd lang was hij muziekcriticus onder het pseudoniem Gaston de Betzi voor La Revue Nationale et Etrangère, een maandelijks muziekmagazine.

In 1869 trouwde hij met hij Geneviève Halévy, de dochter van zijn compositieleraar, met wie hij al een kind had.

Kort nadat  de opera Carmen in première was gegaan, overleed hij op 36-jarige leeftijd aan een hartaanval. Hij werd begraven op de begraafplaats Père-Lachaise in Parijs.

Georges Bizet componeerde

     19 opera’s

- Les pêcheurs de perles (1863), vooral bekend om het duet van visser Nadir (tenor) en dorpshoofd Zurka (bariton): Au Fond Du Temple Saint, maar de opera is een parelketting van aria's en duetten. Ook prachtige koren. Het verhaal speelt zich af in Sri Lanka: De twee jeugdvrienden Nadir en Zurka zijn verliefd op priesteres Leila (sopraan). Zij kiest voor Nadir en verbreekt daarmee haar gelofte als priesteres. Het stel dreigt te worden gedood, maar Zurka overwint zijn jaloezie en bevrijdt ze. Hogepriester Nourabad (bas) speelt ook een belangrijke rol  Bekende aria's: “À cette voix...Je crois entendre encore” (tenor Nadir, tegen het einde van de eerste akte); "Me voilà seule dans la nuit...Comme autrefois" (cavatina van Leila, begin tweede akte); "De mon amie, fleur endormie" (direct ná de cavatina, hartvescheurend duet tussen Nadir en Leila);

- La jolie fille de Perth (de eerlijke meid van Perth), opera in vier bedrijven, libretto Jules-Henri Vernoy de Saint-Georges en Jules Adenis, naar de roman van Sir Walter Scott, 26 december 1867. In de tweede acte zingt de verliefde smid Henri Smith (tenor) een droevige serenade: ‘A la voix d'un amant fidèle

- Carmen, (1875). Opéra comique, een bewerking van een novelle met dezelfde titel van Prosper Mérimée (1803-1870) over een dramatische liefdesgeschiedenis van een in een sigarettenfabriek werkende Spaanse zigeunerin, een vrouw die doet wat zij wil. Al meteen in het begin zingt Carmen de beroemde Habanera "L'amour est un oiseaux rebelle". De aria is uitgegroeid tot een van de bekendste uit het hele operarepertoire. De mannelijke hoofdrol is voor Don José, die redeloos geobsedeerd is door Carmen, wat beiden tot de ondergang zal voeren. De jonge Micaëla, José's "vriendin" heeft een krachtige bijrol. In de eerste acte zingt ze, om José bij Carmen weg te houden: "Je dis que rien ne m'epovante".

     3 operettes

     toneelmuziek bij Alphonse Daudet's toneelstuk  L'Arlésienne, 1872, 27 nummers voor zangstem, koor en klein orkest.

     5 orkestsuites

- L'Arlésienne Suite Nr. 1, 1872, de toneelmuziek bij L‘ Arlésienne, gearrangeerd voor vol orkest in vier delen.

- L'Arlésienne Suite nr. 2, 1879, vier jaar ná Bizets’dood naar aanleiding van originele Bizetthema’s gearrangeerd door Ernest Guiraud.

3. Menuet, betoverend intiem

4. Farandole, spetterend

- Carmen Suite nr. 1, 1874 èn

- Carmen Suite nr. 2, 1887, 2 zesdelige suites, afgeleid uit de opera “Carmen”, beiden gearrangeerd door Ernest Guiraud, naar Bizet’s orkestratie van de originele operapartituur.

     2 ouvertures voor orkest

     Marche funèbre in b klein voor orkest

     3 symfonieën

1ste Symfonie in C, 1855

     24 liederen voor zangstem en piano

     2 cantates

     1 Te Deum

     Ave Maria, voor sopraan, cello en orgel

     17 (series) werken voor piano solo

- Jeux d'enfants ("kinderspelen") opus 22, een set van 12 miniaturen, 1871; de vijf populairste stukjes zijn later georkestreerd als petite suite;

3. La poupée (de pop), favoriet toegiftstukje;

     Duo in c klein voor cello en fagot (1874)

 

Berthold Tours (Rotterdam, 17 december 1838 – Londen, 11 maart 1897) kreeg vioolonderwijs van zijn vader, Barthélemy Tours (1797-1864), organist van de Sint Laurens in Rotterdam en compositieles van Johannes Verhulst. In Brussel studeerde hij bij Léonard en François-Joseph Fétis compositie en hij voltooide zijn studies vanaf 1857 in Leipzig.

In 1859 kreeg Berthold Tours in Leipzig een aanbieding van Nicolaus Borissovitsj Galitzin om naar Rusland te komen als tweede violist bij een strijkkwartet, dat de vorst wilde engageren. Berthold Tours reisde naar Petersburg, maakte daar kwartetten en moest met zijn collega's ook muziek maken in de naburige kastelen. Later lukte het Berthold Tours om in Petersburg tweede koordirecteur van de Keizerlijke Opera te worden. In 1861 ontving hij het verzoek van Galitzin om te Londen, waar de vorst concerten gaf in Covent Garden, de partituren te helpen lezen.

Nadat Galitzin was overleden kreeg Berthold Tours een plaats als violist in het orkest van Costa en (door bemiddeling van mevrouw Sainton Dolby); in 1878 kreeg hij de betrekking van muzikaal adviseur van de uitgevers-firma Novello & Co. Zijn taak was de composities te beoordelen, die voor uitgave waren ingezonden en allerlei werken te arrangeren voor piano met zang of met strijkinstrumenten.

Berthold Tours zuster was leerlinge en later echtgenote van Woldemar Bargiel.

Berthold Tours componeerde

     10 services

- Service in F groot, 1887, hoort bij zijn beste werk

     18 anthems

- God hath appointed a day, voor Pasen, 1878.

     125 liederen

- Forget-me-not (petite fleur!! 1868)

L’alouette (1869

     koorwerken

- Regenboog

- Zoekt u een lief in de zomertijd.

     2 werken voor harmonieorkest

     kamermuziek

     8 pianowerken voor 4 handen

     12 orgelwerken

- Menuetto, 1885

     Studies voor viool altviool

 

John Knowles Paine (Portland, Maine, Verenigde Staten, 9 januari 1839 – 25 april 1906) werd geboren in een muzikaal gezin. Zijn grootvader, instrumentbouwer, bouwde het eerste pijporgel in de staat Maine. Zijn vader was muziekdocent, runde een muziekwinkel, publiceerde bladmuziek en was dirigent vand e plaatselijke harmonie. Zijn ooms waren ook allemaal in de muziek bezig. In the 1850-er jaren kreeg John Knowles Paine piano-, orgel-, harmonieleer- en contrapuntles van Hermann Kotzschmar. Hij componeerde in 1855 op zijn 16de zijn eerste compositie: een strijkkwartet.

In 1857 werd John Knowles Paine benoemd als organist van Portland's Haydn Society. Op een concertreis van drie jaar door Europa zag John Knowles Paine kans orgel te studeren bij Carl August Haupt en orkestratie bij Friedrich Wilhelm Wieprecht in Berlijn. In 1861 kwam hij terug in de VS en ging in Boston wonen. Daar werd hij benoemd tot de de eerste Universiteitsorganist en koorleider van de Harvard Universiteit.

Daarnaast werd hij ook docent aan de The New England Conservatory of Music. John Knowles Paine richtte de American Guild of Organists op en werkte ook als muziekuitgever.

In 1889 maakte John Knowles Paine de eerste muziekopname op een wasrol bij Theo Wangemann, assistent van Thomas Edison, die experimenteerde met de net uitgevonden fonograaf.

John Knowles Paine componeerde

     2 opera’s

     2 theatermuziekwerken

     7 orkestwerken

     9 werken voor koor en orkest

     8 koorwerken voor koor a cappella (meest mannenkoor)

- mis in D kleine terts, opus 10

- St. Peter, oratorium, opus 20

     5 kamermuziekwerken

     10 (series) liederen) voor zangstem en piano

     18 orgelwerken

- Concert Variations upon Old Hundred, omstreeks 1861

     15 (series) pianowerken

 

Otto Dienel (* Tiefenfurt, nu Parowa in Polen, toen Beneden-Silezië, 11 januari 1839 – Berlin-Steglitz 10 maart 1905) studeerde aan de Kunstacademie in Berlijn en was organist aan de Mariakerk aan de Alexanderplatz in Berlijn.

Otto Dienel was docent, onder meer van Thomaskantor Karl Straube. Hij was vele jaren organist van de Berlijner Dom.

Otto Dienel was getrouwd met Johanna Dienel. Zijn graf is te vinden op de begraafplaats Berlin-Zehlendorf.

Otto Dienel componeerde

     24 (series) orgelwerken

- Scherzando opus 37

 

Joseph Gabriel Rheinberger (Vaduz, Liechtenstein, 17 maart 1839 – München, 25 november 1901) was de zoon van de kassier van Alois II, Vorst van Liechtenstein, Johann Peter Rheinberger en Maria Elisabeth Carigiet. Joseph Rheinberger werd op zijn zevende jaar organist van de Parijse kerk in Vaduz. Zijn eerste compositie werd uitgevoerd toen hij acht was. Vanaf 1851 volgde hij onder andere onderwijs bij Franz Lachner aan het conservatorium van München. In 1859 werd hij daar zelf docent piano en en in 1960 ook docent compositie, contrapunt en muziekgeschiedenis.

In 1867 trouwde Rheinberger met een voormalige leerlinge: de dichteres Franziska von Hoffnaaß.

In 1877 werd Joseph Rheinberger hofdirigent voor kerkmuziek bij koning Lodewijk II van Beieren.

Hij werd begraven op het Alter Südfriedhof in München.

Joseph Rheinberger componeerde meer dan tweehonderd werken:

     1 opera

     7 toneelmuziekwerken

     12 (series) orkestwerken

     15 missen

     3 requiems

     1 Stabat Mater

     23 motetten

     12 Mariahymnen

     50 religieuze (series) liederen voor koor of zangstemmen, vaak met begeleiding

- Drei geistliche Gesänge voor gemengd koor, opus 069, 1855-1864

3. Bleib bei uns (Abendlied) 1855

     28 (series) kamermuziekwerken

- Sechs Stücke für Violine und Orgel, opus 150

4. Pastorale

     52 wereldlijke (series) koorwerken (meest a cappella; soms met piano, orkest of instrumenten)

- Die Nacht,  Opus 056, 1871 Tekst Joseph von Eichendorff voor sopraan, alt, tenor. bas, strijkers en piano

     36 (series) orgelwerken

- 2 orgelconcerten

- 20 orgelsonates, best interessante werken

Ø  hiervan is vooral de Cantilene uit sonate nr. 11 in d klein, opus 148 beroemd geworden

- 22 trios

- 12 meditations

- 24 fughetta’s

- 36 solostukken

     44 (series) pianowerken

www.rheinberger.li

 

Modest Petrovitsj Moessorgski (Karevo, 21 maart 1839 – Sint-Petersburg, 28 maart 1881) was de zoon van een verarmd grootgrondbezitter. Hij werd opgeleid als officier, maar was meer geboeid door de muziek. Hij componeerde voor piano, waarna zijn werken (postuum) door anderen, onder wie Maurice Ravel en Nikolaj Rimski-Korsakov, werden georkestreerd. Als lid van Het Machtige Hoopje zette hij zich in voor een nationale Russische muziek.

Na enkele voorspoedige jaren, met als hoogtepunt het schrijven van zijn opera Boris Godoenov, raakte zijn leven in verval. Modest Moessorgski was gedwongen een betrekking te vervullen, leefde eenzaam en gaf zich meer en meer over aan alcohol. Dit was de oorzaak van zijn dood op 42-jarige leeftijd. Hij overleed arm in een ziekenhuis in Sint-Petersburg. De schilder Ilja Repin schilderde het beroemde portret van de componist enkele dagen voor diens dood, toen hij al in het ziekenhuis verbleef. Modest Moessorgski werd begraven op de Tichvin-begraafplaats bij het Alexander Nevski-klooster.

Modest Moessorgski componeerde

     6 opera’s

- Boris Godunov , 1873; libretto gebaseerd op het toneelstuk "Boris Godunov" (1826) van Pushkin en "De geschiedenis van het Russische keizerrijk" (1829) van Karamzin.

Er komen wel 20 rollen in voor, waaronder de Basbariton Varlaam, een  vagebond.De opera is in eerste instantie georkestreerd door Nikolaj Rimski-Korsakov, te gerieflijk en te licht. Later deed Dmitri Sjostakovitsj dat bevredigend over.

- Chovansjtsjina (De zaak Chovansky, in 2014 in Birmingham: Chovanskygate), nationaal muziekdrama in vijf bedrijven, 1872 – 1880, libretto van de componist, op basis van historische bronnen. Chavanski was in het laat zeventiende-eeuwse Rusland een tegenstander van tsaar Peter de Grote. Aan het eind van de opera is iedereen dood of verbannnen en heet Tsaar Peter de macht gegrepen. Bij het overlijden van Moessorgsky in 1881 was de opera nog niet voltooid en uitgevoerd. De opera is voltooid, herzien en in partituur gebracht door Nikolaj Rimski-Korsakov in 1882. In 1959 maakte Dmitri Sjostakovitsj een nieuwe revisie, deze laatste wordt gewoonlijk gebruikt bij uitvoeringen. Belangrijke rol voor het koor.

     5 orkeststukken

- Nacht op de Kale Berg, dat een heksendans verbeeldt tijdens de zomerzonnewende op de berg Triglav; bewerkt door Nikolaj Rimski-Korsakov;

     4 werken voor koor en orkest

     35 pianowerken

- Scherzo in cis kleine terts, 1858

- kinderspel, 1860

- pianocyclus Schilderijen van een tentoonstelling, 1874 een aantal korte stukken naar schilderijen van Viktor Hartmann (1834–1873), later georkestreerd door verschillende componisten, In 1886 door Nikolaj Rimski-Korsakov,dat was geen succes en in 1922 heel mooi door Maurice Ravel (met een prachtige inzet van een altsax; zeldzaam vindingrijk georkestreerd); dirigent /arrangeur Leopold Stokowski (1882 - 1977) heeft er ook een bonte en beeldende orkestratie van gemaakt. Het werk heeft een steeds terugkerend promenadethema. Daartussen snelle speelse en sfeervolle donkere delen: 2. Gnomus, 4. Il vecchio castello,  7.Bydlo, 9. Ballet van kuikens in de dop, met een climax in het slotdeel: 16. de poort van Kiev. Oskar Gottlieb Blärr arrangeerde in 1976 een bewerking voor orgel.

- In het dorp (Quasi Fantasia), 1880

     75 (series) liederen; CD met alle liederen: Sergei Leiferkus en Serryon Skigin, Brilliant Classics 5 02842 1949284, 2014).

- Detskaya (kinderkamer, liedcyclus van 9 liederen 1868 - 187, eigen poëzieteksten, over een kind dat niet weet hoe het moet bidden, de zegen over al zijn familieleden afratelt en dan alsnog op zijn donder krijgt van het kindermeisje.

- Liederen en dansen van de dood, cyclus van 4 liederen voor zangstem (doorgaans bas of bas-bariton) en piano, 1875 - 1877, gedichten van Arseny Golenishchev-Kutuzov, Deze songcyclus is Moessorgsky’s meesterwerk in het genre.

3. Trepak; een dronken landman komt buiten in de sneeuw in een blizzard. Terwijl hij doodvriest, droomt hij over zomerweiden.

 

(Edvard) Sydney Smith (Dorchester, Dorset, Engeland, 14 juli 1839 – Londen, 3 maart 1889) groeide op in een muzikantenfamilie. Zijn vader was muziekschooldirecteur. Sydney Smith studeerde in Leipzig piano bij Ignaz Moscheles en Plaidy, cello bij Grützmacher en compositie bij Reitz. In 1858 kwam hij in Engeland terug, waar hij tot zijn dood in Londen bleef wonen

Sydney Smith componeerde

     400 pianowerken, ook onder de namen “Paul Beaumont” en “Victor Delacour”

- Tarantelle Brillante,  opus 8, wordt ook wel op orgel uitgevoerd;

- La Harpe Eolienne, opus 11,

- Lily of the Valley, opus 14,

- Le Jet d’Eau, opus 17

- Gaîeté de Coeur, opus 24,

- The Fairy Queen, opus 42,

- I Puritani,  opus 85,

     6 liederen

 

Friedrich Gernsheim (Worms, Rheinland-Pfalz, Duitsland, 17 juli 1839 – Berlijn, 10 september 1916) was van Joodse afkomst; zijn vader was arts, zijn moeder pianiste. Zijn muzikale opleiding kreeg hij eerst van zijn moeder en daarna van Louis Liebe. In verband met de opstanden nabij Worms vluchtte het gezin naar Mainz, waar Friedrich Gernsheim verder pianolessen kreeg; later ook in Frankfurt am Main. Daarna studeerde hij aan het Conservatorium van Leipzig muziektheorie (Ignaz Moscheles), piano en viool. Van 1855 tot 1860 was hij in Parijs.

In 1861 werd Friedrich Gernsheim dirigent in Saarbrücken, vanaf 1865 was hij docent aan het conservatorium van Keulen. In 1874 kreeg hij een aanstelling als dirigent aan de Maatschappij tot Bevordering der Toonkunst in Rotterdam. Hij promootte daar Johannes Brahms met uitvoeringen van diens werken. Zijn eerste drie symfonieën beleefden in Rotterdam hun première

1 Mei 1877 huwde Friedrich Gernsheim in Worms met Helene Herrnsheim (1851 – 1927). Ze kregen twee dochters. In 1890 werd hij docent aan het Stern’sche Konservatorium in Berlijn.

Zijn graf bevindt zich op de Joodse Begraafplaats Weißensee in Berlijn.

Friedrich Gernsheim componeerde

     4 symfonieën

- Symfonie nr. 1, opus 32, 1875, première in Rotterdam, inventiviteit, passie, kleurenpracht, harmonierijkdom;

- Symfonie nr. 2 in Es grote terts,  opus 46, première in Rotterdam, 16 maart 1882. Het tweede deel van de vierdelige symfonie is een Rossiniaans speelse Tarantella

- Symfonie nr. 3, opus 54, 1888, première in Rotterdam; de tragische lotgevallen van het Joodse volk worden hierin verbeeld.

- Symfonie nr. 4 in Bes grote terts,  opus 62, 1895. Speels en melodieus. De vierdelige symfonie eindigt met een indrukwekkend Allegro con spirito a giocosso

     5 concerten

     2 andere orkestwerken

     23 kamermuziekwerken

- vioolsonate nr. 1 in c kleine terts, opus 4, 1864

- vioolsonate nr. 2 in C grote terts, opus 50, 1885

- vioolsonate nr. 3 in F grote terts, opus 64, 1898

- vioolsonate nr. 4 in G, opus 85;

     1 pianowerk

     1 orgelwerk

     4 koorwerken (met orkest)