Componisten

vanaf 1830

 

Vincenzo Antonio Petrali (Crema, provincie Cremona, Italië, 22 januari 1830 – Bergamo, 24 november 1889) was de zoon van organist, pianist en Domkapelmeester van Crema Giuliano Petrali. Zijn moeder hoorde bij de familie van componist en contrabassist Giovanni Bottesini. Een behoorlijk muzikaal gezin dus. De jonge Vincenzo kon na een aantal jaren viool- en orgelles thuis op zijn 11de jaar zijn vader aan het orgel vervangen.Hij kreeg ook werk aan de kerk van het Ospedale en aan de kerk San Benedetto in Crema. De Domkapelmeester van Cremona, Stefano Pavesi, gaf hem compositieles en op zijn 15de maakte Vincenzo Petrali zijn eerste composities. In 1846 stuurde zijn vader hem naar het conservatorium van Milaan, waar hij piano studeerde bij Antonio Angelèri (1801–1880) en compositie bij Placido Mandanici. Vanaf 1847 gaf Vincenzo Petrali orgelles in Crema, onder andere aan Pietro Bossi, de vader van organist en componist Marco Bossi.

Daarna was Vincenzo Petrali vanaf 1849 organist aan de Dom van Cremona, en vanaf 1852 ook kapelmeester. In 1853 ging hij aan het werk als organist aan de kerk Santa Maria Maggiore in Bergamo. In Bergamo componeerde hij voor het theater, werkte als dirigent en bespeler van alle strijkinstrumenten in het orkest en maakte ook reizen verder Europa in. Van 1856 tot 1859 was Vincenzo Petrali Domkapelmeester in Brescia. Na een korte periode in Sicilië kwam hij in 1860 terug in Crema en werkte daar 12 jaar als Domkapelmeester en dirigent van de Banda Nazionale (Stadsblaaskapel), waarvoor hij veel populaire stukken schreef en arrangeerde. Vanaf deze tijd werkte hij ook samen met de directeur van Orgelbouwfirma Serassi in Bergamo: Giambattista Castelli. Die had een handboek: Norme generali sul modo di trattare l'organo moderno (Regels voor de goede manier om op het moderne orgel te spelen) geschreven en Vincenzo Petrali maakte daar praktische muziekstukjes bij.

In 1868 trouwde Vincenzo Petrali met Maria Ottolini, de dochter van de burgemeester van Crema. Van hun vier kinderen bleven er drie in leven. In 1872 ging Vincenzo Petrali om gezondheidsredenen naar Bergamo terug en bleef daar nog 10 jaar werken als organist aan de Santa Maria Maggiore en docent zang, piano, harmonieleer en contrapunt aan het Muzieklyceum. In 1880 werd hij ook kapelmeester van de kerk. In deze periode stierven kort achter elkaar zijn moeder, zijn zus en in 1878 zijn vrouw Maria. Dat greep hem allemaal nogal aan.

In 1882 wilden ze hem erg graag hebben als docent aan het pas opgerichte muzieklyceum Rossini in Pesaro.Tot de zomer van 1889 doceerde hij daar orgel, piano, harmonieleer en basso continuo en vanaf 1886 ook nog Banda-instrumentatie. Omdat hij veel last kreeg van een leverziekte, beëindigde hij zijn werk in Pesaro in 1889 en ging terug naar Bergamo, waar hij, 59 jaar oud, een paar maanden later overleed.

Vincenzo Petrali componeerde

     4 opera’s

     1 pantomime

     1 oratorium

     6 motetten

     een groot aantal wereldlijke werken voor koor, ook met solisten, ook met orkest

     2 orkestwerken

     14 werken voor banda (blaaskapel)

     talloze arrangementen voor banda (blaaskapel)

     3 kamermuziekwerken

     14 pianowerken

     26 (series) orgelwerken

- 71 Studi per l'organo moderno (71 oefeningen voor het moderne orgel), leerboek in drie banden. 

www.vincenzopetrali.it

 

Karl (Károly) Goldmark (Keszthely, Hongarije, 18 mei 1830 – Wenen, Oostenrijk, 2 januari 1915) was de zoon van de joodse notaris en cantor Ruben Goldmark en groeide in het gezin met twintig kinderen onder armoedige omstandigheden op.

Karl Goldmark studeerde viool aan de muziekacademie van Sopron van 1842 tot 1844. Daarna studeerde hij 18 maanden in Wenen bij Leopold Jansa, toen was zijn geld op. Later wist hij nog aan het Weense Conservatorium viool bij Joseph Böhm te studeren en harmonieleer bij Gottfried Preyer. Tijdens de Hongaarse Revolutie in 1848 werd het Conservatorium gesloten. Karl Goldmark had toch gen tijd om te studeren want hij nam actief deel aan de Hongaars vrijheidsstrijd.

In 1851 vestigde hij zich in Wenen, waar hij werkte als violist en pianoleraar. Hij speelde viool in Het Karelstheater en in Theater in der Josefstadt, en gaf onder meer les aan Jean Sibelius. Na 1860 werd Karl Goldmark altviolist in een strijkkwartet dat de strijhkkwartetten van Johannes Brahms het eerst uitvoerde. Hij werd bevriend met Johannes Brahms, en kwam ook regelmatig bij Johann Strauss over de vloer. Aan het eind van zijn leven woorde hij in Wenen aan de Josef-Gall-Gasse 5. Op het huis is een gedenksteen aangebracht.

Karl Goldmark’s neef Rubin Goldmark (1872–1936), een leerling van Antonin Dvořák, was ook componist. Karl Goldmark ligt, net als vele andere componisten, begraven op het Zentralfriedhof. Veel van zijn manuscripten zijn opgeslagen in de Nationale Széchényi Bibliotheek onder "G" catalogusnummers. In Deutschkreuz, een plaats in Oostenrijk waar Karl Goldmark van 1834 tot 1844 woonde, is zijn woonhuis in 1980 door de gemeente aangekocht en als Goldmark-Museum ingericht.

Karl Goldmark componeerde

     7 opera’s

- Die Königin von Saba (“de koningin van Sheba”), opera in vier bedrijven, libretto Hermann Salomon Mosenthal, naar aanleiding van de Bijbelteksten 1 Koningen 10-1-1Na 3 en 2 Kronieken 9:1-12, daar is dan een liefdesdrama bij gefantaseerd, 10 maart 1875, zijn veruit bekendste werk. In het tweede bedrijf zingt Assad, lievelingszoon van koning Salomo (tenor) en heel erg verliefd op de fatale koningin (mezzosopraan) de ravissante aria “Magische Töne”. Assads vertwijfelde verloofde Sulamith (sopraan) en koning Salomo zelf (bariton) hebben ook aardig wat in te brengen. Mooie orkestpartijen. 

     10 orkestwerken 

- Ouverture Sakuntala, opus 13, 1865,  mooie meeslepende opbouw

- Sinfonie nr. 1,  Ländliche Hochzeit, opus 26, 1877

     10 koorwerken, a capella of met instrumenten

     10 kamermuziekwerken

     8 (series) liederen

     5 (series) pianowerken

 

Marie-Auguste Massacrié-Durand (Parijs, Frankrijk, 18 juli 1830 – 31 mei 1909) studeerde aan het Conservatorium in Parijs orgel bij François Benoist en compositie bij Cesar Franck en Camille Saint-Saëns. Vanaf 1849 was hij organist aan de Saint-Ambroise, en daarna aan de Sainte. Genevieve, de Saint Roch en van 1862 tot 1874 aan de St. Vincent de Paul.

Samen met Louis Schönewerk richtte Auguste Durand in december 1869 de muziekuitgeverij Durand-Schönewerk & Cie op. De muziekuitgeverij werd in 1891 door de medewerking van zoon Jacques Durand omgedoopt tot A. Durand & son en groeide uit tot een van de grootste muziekuitgeverijen in Frankrijk.

In 2000 werd het bedrijf gekocht door BMG en ging samen met uitgeverij Salabert verder onder de huidige naam Durand-Salabert-Eschig.

Auguste Durand componeerde

     orgelwerken

- 5 werken voor harmonium,  geschreven voor de hertogin van Trévisié, een leerling van hem.

     pianowerken

- 6 walsen, opus 83, 86, 88, 90, 91, 96, omstreeks 1895

 

Joseph Callaerts (Antwerpen, België, 11 augustus 1830 – aldaar, 3 maart 1901) kreeg zijn eerste muziekopleiding als zanger in het koor van de Onze-Lieve-Vrouw-Kathedraal in Antwerpen, onder leiding was van G.J.J. Kennis en bij pianist en organist Eduard Grégoir, die zelf ook pianist en organist was. Aan het Koninklijk Conservatorium te Brussel was hij leerling van Jacques-Nicolas Lemmens. Vanaf 1850 was Joseph Callaerts organist bij de Jezuïeten in Antwerpen. In mei 1855 werd hij titularis-organist van de Antwerpse kathedraal en in 1863 stadsbeiaardier.

In 1867 werd Joseph Callaerts docent orgel en harmonie aan Benoits Antwerpse Muziekschool, die later het Koninklijk Vlaams Conservatorium werd.

Tijdens de Wereldtentoonstelling van 1885 in Antwerpen dirigeerde hij een programma met eigen werk

Joseph Callaerts componeerde

     1 opera.

     2 orkestwerken

- Concert, voor piano en groot orkest

     1 mis

     cantates

     kamermuziek

     18 orgelwerken

     koren

     liederen

 

Jan Gerard Palm (Curaçao, 2 juni 1831 - 13 december 1906) was de zoon van Cornelis Palm en Anna Elisabeth de Windt. Jan Gerard "shon Gerrie" speelde piano, orgel, luit, klarinet, fluit en mandoline. Hij gaf al op jonge leeftijd leiding aan muziekgezelschappen. Toen hij 28 was, kreeg hij een aanstelling als kapelmeester van de Stedelijke Schutterij op Curaçao. Ook was was hij organist in de synagoge Emanu-El en die van Mikvé Israel, organist bij de Verenigde Protestantse Gemeente en de Vrijmetselaarsloge Igualdad. Jan Gerard Palm was ook één van de vaste medewerkers van het internationale Spaanstalige tijdschrift Notas y Letras dat zich toelegde op de publicatie van literaire werken en bladmuziek. Het tijdschrift had als hoofdredacteur dichter-musicus Joseph Sickman Corsen, en gold als toonaangevend in Latijns-Amerika en het Caraïbische gebied.

Jan Gerard Palm trouwde in 1854 met Eleonora Christina Gijsbertha Mount, weduwe van Johan Christoffel Schuler en dochter van George Mount en Johanna Margaretha Raven. Ze kregen vijf kinderen, waarvan een dochter als jong overleed. Na het overlijden van zijn vrouw had Jan Gerard een relatie met Amalia Elodia Perez waaruit nog eens vier kinderen werden geboren.

Jan Gerard Palm was de eerste componist die klassieke Curaçaose muziek heeft geschreven. Drie van zijn kleinzonen: Jacobo Palm ("shon Coco", 1887-1982), John Palm (1885-1925) en Rudolph Palm ("shon Dodo", 1880-1950) zetten  de traditie voort die was ingezet werd door hun muziekleermeester en grootvader. Zij droegen de muzikale fakkel weer over aan jongere generaties met componisten zoals Albert Palm (1903-1958), Edgar Palm (1905-1998) en Robert Rojer (*1939).

Jan Gerard Palm componeerde 181 werken

     orkestwerken

     18 marsen  voor harmonieorkest

- Curaçao, 1863

     kamermuziekwerken

     gezangen voor de eredienst

     orgelwerken

- fantasieën

     pianowerken

- 41 walsen

El 18 de febrero, verjaardagswals voor zijn vrouw 

- 6 mazurka’s

- 7 polka’s

- 14 tumba’s  (een erotische Caribische liedjesdans)

- 15 danzas’s

www.palmstichting.nl

 

Johann Ritter von Herbeck (Wenen, Oostenrijk, 25 december 1831 – 28 oktober 1877) werd op 12–jarige leeftijd koorknaap in het Cisterciënzer klooster in Heiligenkreuz, waar hij ook piano studeerde bij Ferdinand Borschitzky. In de zomers van 1845 en 1846 ging Johann von Herbeck in Wenen compositie studeren bij Ludwig Rotter. Hij studeerde vanaf 1847 filosofie en vanaf 1950 rechten aan de Universiteit van Wenen. Muziek hield hij zelf bij en door heel hard te werken bereikte hij al snel een professioneel niveau.

In 1852 en 1853 was Johann von Herbeck dirigent bij de uitvoeringen van de kerkmuziekvereniging Josefstad. In 1858 richtte hij de Weense Zangvereniging op en in 1863 werd hij lid van de Hofkapel, vanaf 1866 als Hofkapellmeister. In 1870 dirigeerde hij de première in Wenen van de Unvollendete van Franz Schubert. Van 1871 tot 1875 was hij directeur van de de Keizerlijke Opera.

Johann von Herbeck kreeg een eregraf op de Weense Algemende Begraafplaats (“Zentralfriedhof”) Groep 32 A, Nummer 32. In 1894 Herbeckstraße in stadsdeel 18 van Wenen naar hem vernoemd.

Johann von Herbeck componeerde

     4 theatermuziekwerken

     7 missen

- Grosse Messe voor koor, orgel en orkest, met een subliem geschreven 8–stemmig Agnus Dei, indrukwekkend. Verfijning tot in de puntjes.

     27 motetten

 - Pueri Concinite, kerstmotet voor jongenskoor en solist,

     4 Symfonieën

B grote terts, 1853; C grote terts, 1857; C grote terts, 1861; d kleine ters, opus 20, met orgel 1877,

     3 andere orkestwerken

     3 strijkkwartetten

     4 andere kamermuziekwerken

     101 werken voor mannenkoor

     49 werken voor gemengd koor

     53 liederen.  

 

Alexandre Charles Lecocq (pseudoniem: Georges Stern) (Parijs, Frankrijk, 3 juni 1832 – 24 oktober 1918) was een van de vijf kinderen uit een arm gezin. Charles Lecocq was van zijn 6de jaar gehandicapt en moest gebruik maken van krukken. Vanaf zijn 16de jaar was hij al zo’n goede pianist, dat hij ook les gaf. Vanaf 1849 studeerde Charles Lecocq aan het Conservatoire national supérieur de musique in Parijs harmonieleer bij François Bazin, compositie bij Jacques Fromental Halévy en orgel bij François Benoist.

Charles Lecocq componeerde

     33 opera’s

- Fleur-de-thé

- Les Cent vierges, opera in 3 bedrijven, 17 maart 1872, libretto Nicolaïe Clairville, Henri Chivot en Alfred Dur

- La Fille de Madame Angôt, opera in 3 bedrijven, 4 december 1872, libretto Nicolaïe Clairville Paul Siraudin en Victor Koning

     23 operettes

- Le Docteur Miracle

     2 werken voor harmonieorkest

     2 koorwerken

     3 kamermuziekwerken

     100 liederen

     60 pianowerken

 

Johan August Söderman (Stockholm, 17 juli 1832 – 10 februari 1876) kreeg piano-, hobo- en vioolles op Grundénns piano-instituut in Stockholm. Van 1847 tot 1850 studeerde hij harmonieleer en piano aan de Musikaliska akademins läroanstalt, die later de Kungliga Musikhögskolan in Stockholm werd.

In 1851 werd hij directeur van het Theatergezelschap in Stockholm. In 1856 en 1857 studeerde hij aan de Felix Mendelssohnschool voor muziek en theater, in Leipzig contrapunt bij Ernst Friedrich Richter (1808-1879).

Toen  terugkeerde naar Zweden, werd hij koorleider en later 2e dirigent van de Opera in Stockholm. Van 1871 tot 1875 werkte hij samen met Edvard Grieg voor het magazine Nordiske Musikblade.

August Söderman componeerde

     11  orkestwerken

     2 werken voor harmonieorkest

     1 kamermuziekwerk

     1 mis

     2 (series)koorwerken a cappella

     15 werken voor mannenkoor

     2 werken voor vrouwenkoor

     9 werken voor koor en orkest

     3 operettes

     15 toneelmuziekwerken

     65 liederen voor zangstem en piano of orkest

     2 pianowerken

 

Gerrit Jan van Eijken (Amersfoort, 5 mei 1832 – Dalston, Londen 22 maart 1879) kreeg eerst lessen van zijn vader Gerrit van Eijken, organist en beiaardier aan de Grote Kerk in Amersfoort. Daarna studeerde hij aan het Conservatorium van Leipzig bij Felix Mendelssohn Bartholdy en Robert Schumann, en tenslotte orgel in Dresden; in 1855 vestigde hij zich te Utrecht als organist, componist, dirigent en muziekjournalist voor het muziektijdschrift Caecilia; daarna woonde Gerrit Jan van Eijken enige jaren in Rotterdam; daarna weer in Utrecht.

In 1866 trouwde hij en in 1870 kreeg hij in Londen een dochter. De laatste jaren van zijn leven viel hij ten prooi aan alcoholisme. Hij overleed op 46jarige leeftijd in Londen. Zijn oudere broer Jan Albert van Eijken was ook componist.

Gerrit Jan van Eijken componeerde

     1 opera

     kamermuziek

- Sonate in f klein voor piano en viool, opus 5, 1852, prachtige sonate. 

     (series) liederen

- Töne der Liebe  lied-cyclus op teksten uit het Hooglied

     pianowerken

 

Jules Auguste Edouard Demersseman (Hondschote, Frans-Vlaanderen, Frankrijk, 9 januari 1833 – Parijs, 1 december 1866) werd op elfjarige leeftijd leerling van Jean-Louis Tulou aan het Conservatorium van Parijs. Op zijn twaalfde won hij de eerste prijs en snel werd hij beroemd als virtuoos fluitist, met name om zijn dubbelstaccato. Een aanstelling als docent zat er niet in, omdat hij niet op de Böhmfluit wilde spelen die toen in Frankrijk in opkomst was, maar vasthield aan de 8-kleppenfluit. Demersseman stierf net voor zijn 34e verjaardag, vermoedelijk aan tuberculose.

Jules Demersseman componeerde 130 opusnummers, waarvan van een groot aantal niet bekend is waar ze over gaan en waarvoor ze geschreven zijn. Daaronder in elk geval

     2 werken voor fluit en orkest

     1 werk voor euphonium en fanfareorkest

     1 serie werken voor twee fluiten en piano

     26 fantasieën voor fluit en piano

- 6 Fantaisies faciles voor fluit of twee fluiten en piano, opus 28

     3 Grand airs variées voor fluit en piano

     6 soli de Concert voor fluit en piano

- Concert nr. 6 in F grote terts, opus 82, 1884 uitgegeven. Dit ook als "Italiaans concert" betitelde driedelige werk is zijn bekendste compositie

     12 sonates voor fluit en piano

- Fluitsonate nr. 3,  opus 24, opgedragen aan Monsieur Auguste Coppens d'Hondschoote,  1861

13 andere (series) werken voor fluit en piano

6 Petites Pieces

     6 werken voor euphonium en piano

     6 werken voor klarinet, trombone òf saxofoon en piano. Jules Demersseman was een van de eerste Franse componisten die schreef voor de net ontwikkelde saxofoon.

     2 series werken voor fluit solo

- 50 etudes voor fluit solo, opus 4

- L'Art de phraser sur la flûte, 100 mélodies classiques et populaires, uitgegeven in 1867 

 

 

Johannes Brahms (Hamburg, 7 mei 1833 ‒ Wenen, 3 april 1897) werd geboren in een sloppenwijk van Hamburg als zoon van een freelancemuzikant en een coupeuse. Op zijn zevende jaar kreeg hij pianoles van Otto Friedrich Cossel. Toen hij tien jaar oud was, speelde hij de pianopartij in het pianokwintet opus 16 van Ludwig van Beethoven. Johannes kreeg daarop gratis les van Eduard Marxsen, de beste pianoleraar van Hamburg.

Johannes Brahms, ongeveer dertien jaar, moest, om zijn ouders te steunen in hun voortdurende strijd tegen de armoede, populaire muziek spelen in bars en bordelen(!).

In 1853 ging Johannes Brahms samen met de Hongaarse violist Eduard Reményi op tournee, waar hij in Düsseldorf Robert en Clara Schumann ontmoette. De vriendschap die zij sloten, was er een voor het leven. Brahms maakte van nabij mee dat Schumann een eind aan zijn leven wilde maken door zich in de Rijn te werpen. Schumann werd in een kliniek opgenomen en stierf in 1856. Brahms bleef zijn hele leven innig bevriend met de weduwe van Schumann.

Na Robert Schumanns dood in het sanatorium in 1856, verdeelde Brahms zijn tijd tussen Hamburg, waar hij een vrouwenkoor oprichtte en dirigeerde en Detmold aan de rand van het Teutoburgerwoud, waar hij hofmuziekleraar en dirigent was voor Prins Leopold III van het prinsdom Lippe. Een goed salaris, overweldigende natuur en veel tijd om te componeren.

In 1860 ondertekende Brahms een manifest tegen de Nieuwduitse muziek, waarvan Richard Wagner en Franz Liszt de grote figuren waren. Brahms voelde zich meer thuis in de klassieke traditie van Bach, Mozart, Haydn, Beethoven en Schubert. In 1862 verhuisde hij naar Wenen.

Na de dood van zijn moeder in 1866, een gebeurtenis die hem zeer aangreep, componeerde hij "Ein deutsches Requiem".

In 1876 voltooide hij zijn eerste symfonie, een compositiegenre waaraan hij meer dan twintig jaar had gewerkt. Deze symfonie kreeg in Wenen de bijnaam "Beethovens tiende". Hoewel Brahms het aanvankelijk wel vleiend vond om de erfgenaam van Beethoven te zijn, begon hij het later toch hinderlijk te vinden.

In de jaren 1856 tot 1858 heeft hij geruime tijd bij het prinsdom Detmold gewerkt aan het Hoftheater. Hij dirigeerde daar het koor en soms ook het orkest. In die periode gaf hij pianolessen aan prinses Fredrike.

Hij overleed, 63 jaar oud, op 3 april 1897 aan leverkanker in Wenen. Zijn begrafenis was een grootse gebeurtenis. Op de route naar de begraafplaats waren duizenden mensen aanwezig. De stoet werd begeleid door vlaggendragers en toortsdragers. De kist werd gevolgd door zijn vele vrienden als Antonín Dvořák en Alice Barbi. Het gebouw van de Wiener Musikverein was behangen met zwarte doeken. Brahms' compositie "Fahr wohl" werd door de Singverein uitgevoerd. Brahms werd vlak bij Beethoven en Schubert begraven. Ook Hamburg, zijn geboortestad, treurde: tijdens de begrafenis hingen daar de vlaggen halfstok.

Johannes Brahms schreef

     twee serenades

- serenade no. 1 in D, opus 11, 1857, groot zesdelig werk, een van de eerste pogingen van Brahms om orkestmuziek te schrijven; een soort studiesymfonie, sluit perfekt aan Haydns symfoniën.

- Serenade nr. 2 in A grote terts, opus 16, 1859, voor kamerorkest, opgedragen aan Clara Schumann. Brahms heeft de serenade gereviseerd in 1875.

     vier symfonieën

- Symfonie nr. 1 in c kleine terts, opus 68  Johannes Brahms deed 21 jaar over het compositieproces van 1855 tot 1876, toen was de "tiende van Beethoven" (omdat criticus Hanslick enthousiast schreef "dat niemand het werk van Beethoven zo dicht benaderde") klaar voor uitvoering.

- Tweede Symfonie, “pastorale” in D grote terts, opus 73, 1877. Prachtige thematiek. Opvallend vrolijk en lieflijk. "Als was het geschreven voor een pas getrouwd paar", zei Brahms zelf. Geïnspireerd door de mooie natuur van Karinthië en een boerenfeest dat hij daar bezocht. Brahms had zich zich zijn eigen klankwereld eigen gemaakt. Diepwarm.

- Derde Symfonie, opus 90, zomer 1883, geschreven tijdens een zorgeloos verblijf in het Duitse kuuroord Wiesbaden. De omringende natuur wist Brahms treffend in zijn idyllische symfonie te vangen. Schitterend lyrisch derde deel: poco allegretto.

- Vierde Symfonie in e kleine terts, opus 90, 1885. Zijn magnum opus, samen met Ein deutsches Requiem. Triomf van de polyfonie in de Romantiek; magistrale finale: Chaconne, 30 variaties op een thema uit Bachs' cantate BWV 150. Brahms zegt hier alles mee en vat de hele westerse muziekgeschiedenis er in samen. Hoogtepunt en eindpunt van de klassiek-romantische symfoniecompositie.

     twee pianoconcerten (+ 1 arrangement)

- pianoconcert nr. 1 in d kleine terts, opus 15, 1858,  een virtuoos werk, een van de meest uitgevoerde werken van Brahms. Zwaar, titanisch, een wonderlijke mix van opstandigheid, woede en tederheid.

- pianoconcert nr. 2 in Bes grote terts, opus 83, 1881, een concertante symfonie, een grootse ervaring van schoonheid en vervoering. Warmbloedige muziek. In het ontroerende derde deel: Andante speelt de piano een pas de deux met de cello.

- pianoconcert nr. 3 in D grote terts, een arrangement van het vioolconcert opus 77, door pianist Dejan Lazic in 2010 gearrangeerd.

     vioolconcert  in D grote terts, opus 77, 1878, één van de bekendste vioolconcerten, geschreven voor en opgedragen aan de violist Joseph Joachim. Eén groot liefdeslied. Geïnspireerd en diepzinnig werk. Het eerste deel van het vioolconcert, gespeeld door Janine Jansen en het Londen Symfonie Orkest, diende als titelmuziek voor de in 2016 uitgebracht film "Publieke werken" van regisseur Joram Lürsen

     een dubbelconcert voor viool en cello, in a kleine tets, opus 102, 1882, vermaard;

     3 andere orkestwerken

- 21 Ungarische Tänze, oorspronkelijk  voor vierhandig piano, WoO 1, 1869, latere transcripties (Brahms, Antonín Dvořák, en andere componisten) voor (viool en) orkest; opwinding en levensvreugde;  Nummers 11, 14 en 16 zijn helemaal van Brahms. De melodieën van de andere dansen thema's die Brahms kende via de violist Eduard Reményi,  deels afkomstig van Reményi zelf en deels van andere componisten uit de Hongaarse folklore. De Hongaarse dansen horen tot Brahms' bekendste werken,

+ nr. 5 in g kleine terts, orkestraties Albert Parlow en Martin Schmeling

Variationen über ein Thema von Joseph Haydn, ook wel  Sint Anthony koraalvariaties, of  Haydn-variaties opus 56a, 1873. Thema met 8 variaties en Finale. De 8 variaties zijn over het „Sint Anthony koraal“, waarvan niet helemaal duidelijk is of de melodie wel echt van Haydn  is, of misschien van Pleyel. Variatie VII: Grazioso heeft verrukkelijke partijen voor houtblazers. Johannes Brahms componeerde ook een versie voor 2 piano's: opus 56b.

- Akademische Festouvertüre, opus 80, 1880 gecomponeerd al een muzikaal “dankjewel” voor de Universiteit van Breslau, die Brahms in 1879 een eredoctoraat had verleend.

- Tragische Ouvertüre, opus 81, zomer 1880, er is wat materiaal uit de tweede symfonie in  verwerkt.

     8 werken voor zangstem(men), koor en orkest

- Begräbnisgesang, opus 13, voor koor en klein orkest, libretto Michael Weisse, 1858

- "Ein deutsches Requiem" voor solisten, koor en orkest, opus 45 (1868), een oratorium over lijden en troost, met de dood van zijn moeder als inspiratiebron. Geen mis voor de doden, maar troostmuziek voor de levenden.

Voor dit gigantische muziekstuk maakte hij een keuze uit de  teksten van de vertaling van Maarten Luther van de Bijbel, in plaats van de gebruikelijke Latijnse dodenmis. Vandaar "Duits", slaat alleen op de taal.

+ Deel I, Selig sind, die da Leid tragen, tekst Mattheüs 5:4, psalm 126: 5 en 6

+ Deel III, Herr, lehre doch mich, bariton en koor, imponerend

+ Deel V. Langsam “Ihr habt nun Traurigkeit”, tekst Johannes 16: 22, Wijsheid van Jezus Sirach  51, Jesaja 66:13.

+ Deel VI, Andante voor Koor en bariton “Denn wir haben hier keine bleibende Statt”, het grootste deel, een kwart van de partituur, en het meest dramatische, met als kern de overwinning van het leven op de dood.

- Rinaldo, cantate voor tenor, mannenkoor en orkest; tekst  Johann Wolfgang von Goethe, naar aanleiding van het verhaal Gerusalemme Liberata van Torquato Tasso, 1868

- Altrapsodie, opus 53, voor alt, mannenkoor en orkest, geschreven als huwelijkscadeau voor de dochter van Robert en Clara Schumann, op tekst van Goethe's Harzreise im Winter, 1869

- Schicksalslied, opus 54, voor koor en orkest, 1871, tekst Hyperions Schicksalslied van Friedrich Hölderlin. Johannes Brahms heeft er drie jaar aan gewerkt, een van zijn  beste koorwerken, buitengewoon spannend;

- Triumphlied, opus 55, 1872, voor bariton, koor en orkest, gecomponeerd naar aanleiding van de Duitse overwinning in de oorlog met Frankrijk, 1870, opgedragen aan de Duitse Keizer Willem I, de tekst is de ondergang van Babel uit het bijbelboek Openbaring. Een evenement van de eerst orde, dat nauwelijks wordt uitgevoerd.

- Nänie (Latijn: nenia, begrafenislied), opus 82, 1881, op het gelijknamige gedicht van Friedrich Schiller, een klaagzang over de onvermijdelijkheid van de dood. Vanwege de moeilijkheidsgraad één van de minst uitgevoerde werken van Brahms.

- Gesang der Parzen opus 89, voor gemengd koor en orkest, op teksten uits Iphigenie auf Tauri van Wolfgang von Goethe, 1882

     30 (series) koorwerken

- Missa Canonica, voor 4 tot 6 stemmen, opus posthuum 17 en 18, 1856, een juweel van expressie.

- Vier Gesänge, opus 17, 1860, voor vrouwenkoor, twee (natuur)hoorns en harp, Brahms op zijn mooist.

- Psalm 13, opus 27, 1859, voor driestemmig vrouwenkoor en orgel

- Twee Motetten voor gemengd koor, opus. 29, 1860

2. Schaffe in mir, Gott

- 2 motetten opus 74

2. O Heiland, reiß die Himmel auf (1864)

1. Warum ist das Licht gegeben den Mühseligen (1877), met een het slot het prachtige Lutherkoraal "Mit Fried und Freud";

- Liebeslieder-Walzer opus 52, 18 liederen voor koor en piano vierhandig. Teksten uit  Polydora von Georg Friedrich Daumer, I868

- 7 Lieder, opus 62, 1874, voor gemengd koor a cappella

3. Waldesnacht, tekst Paul Heyse

- Drie kwartetten voor gemengd koor, opus 64, 1874

- Neue Liebeslieder opus 65, 15 liederen voor koor en piano vierhandig.  Teksten uit  Polydora von Georg Friedrich Daumer, 1874

- Vier kwartetten voor gemengd koor, opus 92, 1889

3. Abendlied

- Fünf Gesänge, opus 104, voor gemengd koor a cappella 1888

1.  Nachtwache I

2.  Nachtwache II

4. Verlorene Jugend, voor 5 stemmen (SATBB) tekst Josef Wenzig (1807–1876), in d kleine terts.

5. Im Herbst (In de herfst, tekst Klaus Groth) in c kleine terts

- Fest- und Gedenksprüche voor gemengd koor, opus 109, 1888

- Drie Motetten voor gemengd koor, opus. 110, 1888

1. Ich aber bin elend. Andante con moto ed espressivo, in G grote terts, tekst Maarten Luther, Bijbeltekst, prachtig motet, voor dubbelkoor.

2. Ach, arme Welt, du trügest mich. Con moto, in f kleine terts, voor vierstemmig koor.

3. Wenn wir in höchsten Nöten sein, dubbelkorig

- Zes kwartetten voor gemengd koor en piano, opus 112, 1891

1. Sehnsucht

2. Nächtens

     2 strijksextetten

- Strijksextet nr. 1 in Bes grote terts, opus 18, 1860; Brahms maakte er zelf een versie van voor quatre-mains piano en bewerkte het tweede deel “Andante, ma moderato" ter gelegenheid van de 41ste verjaardag van Clara Schumann voor piano solo. De muziek van het sextet werd gebruikt als soundtrack in de film "Les Amants" uit 1958 en in  de film Star Trek: The Next Generation 

- Strijksextet nr. 2 in G grote terts, opus 36, 1865. In het eerste deel. maat 162-168 verwijst Johannes Brahms met de notenvolgorde a-g-a-d-h-e naar zijn toenmalige verloofde Agathe von Siebold. De Zweedse componist Kurt Atterberg arrangeerde in 1939 het sextet voor Strijkorkest.

     2 strijkkwintetten

- strijkkwintet nr. 1 in F grote terts, opus 88, 1882 in het kuuroor Bad Ischl, Noord-Oostenrijk, voor strijkkwartet met tweede altviool. Brahms leverde het bij zijn uitgever in met de woorden: “Het beste dat ik ooit geschreven heb.”

- strijkkwintet nr. 2 in G grote terts, opus 111, 1890. Bijnaam “Prater Quintet”, voor strijkkwartet met tweede altviool. Brahms bedoelde het als zijn laatste compositie.

     3 strijkkwartetten,

- strijkkwartet nr. 1 in c kleine terts, opus 51 nr. 1, 1873, Brahms had er 9 jaar aan gewerkt, stormachtig en hartstochtelijk.

- strijkkwartet nr. 2 in a kleine terts opus 51 nr. 2, 1873, beide strijkkwartetten opus 51 werden samen gepubliceerd en opgedragen aan Brahms vriend, de arts Theodor Billroth. Weense gratie en Hongaarse vurigheid gaan hand in hand, op een schitterende manier vermengt Brahms de klassieke vorm met de Hongaarse volksmuziek en het romantische idioom.

- strijkwartet nr. 3 in Bes grote terts, opus 67, zomer 1857, opgedragen aan amateurcellist   professor Theodor Wilhelm Engelmann, wiens gast Brahms waa geweest bij een bezoek aan Utrecht. Een zonnig en opgewekt werk.

     8 sonates voor viool, cello en klarinet; elke sonate is een wereld op zich;

- 1ste  vioolsonate in G groot, opus 78, 1879, een verhulde groet aan Clara Schumann (“Regenlied” in de aanvang van het laatste deel; het ritme van de regen speelt een rol)

- 2de vioolsonate  in A groot, opus 100, 1886, “Meistersinger” vanwege het openingsmotief. Vredig en vrolijk beeld van het Zwitserse landschap

- 3de vioolsonate in d klein, opus 108, 1888, opgedragen aan pianist Hans von Bülow; een symfonisch concept; gepassioneerd en vurig, vol nostalgie; zonnig en optimistisch;

- cellosonata nr. 1 in e kleine terts, opus  38, 1865, opgedragen aan Josef Gänsbacher, zangleraar en amateurcellist. De sonate is “een hommage aan Johann Sebastian Bach, het hoofdthema van het eerste deel en het fugathema van het laatste deel van de driedelige sonate zijn gebaseerd op respectievelijk Contrapunctus 4 en Contrapuntus 13 van de Kunst der Fuge.

- cellosonata nr. 2 in F grote terts, opus 99, 1886, geschreven voor en  opgedragen aan Robert Hausmann, die de eerste sonate gepopulariseerd had door hem overal op concerten in Europa te spelen. Na de première noemde een criticus Brahms "de grootste charlatan van negentiende eeuw". Hoe mensen zich kunnen vergissen.

- klarinetsonate nr. 1 in f kleine terts, opus 120/1; 1894, opgedragen aan Richard Mühlfeld;

- klarinetsonate nr. 2 in Es grote terts, opus 120/2; de laatste kamermuziek die Brahms schreef, een groot meesterstuk in het klarinetrepertoire, ook geschreven voor Richard Mühlfeld; jugendstil, alles is sierlijk en rond.

     18 andere kamermuziekwerken

- F-A-E Sonata, vierdelig werk voor viool en piano, ontstaan door samenwerking van Robert Schumann, Johannes Brahms, en  Schumann's leerling Albert Dietrich, oktober 1853. Het idee was van Robert Schumann en bedoeld als cadeautje voor de violist Joseph Joachim, die als persoonlijk motto had  "Frei aber einsam" ("vrij maar alleen") De delen van de compositie zijn alle vier gebaseerd op de noten F-A-E, als een muzikaal cryptogram. Het eerste deel is van Albert Dietrich, de delen 2 en 4 zijn van  Robert Schumann en deel 3: Scherzo is van  Johannes Brahms.

- Strijksextet nr. 1 in Bes grote terts, opus 18, 1860,  voor twee violen, twee altviolen en 2 celli

- pianokwintet in f kleine terts, opus 34, voor piano en strijkkwartet, 1864, opgedragen aan Hare Koninklijke Hoogheid prinses Anne von Hessen und bei Rhein. Brahms maakte een transcriptie voor twee piano’s: opus 34 bis.

- klarinetkwintet in b klein,  opus 115, 1891, voor klarinet en strijkkwartet, geschreven voor en in overleg met de klarinettist Richard Mühlfeld; hèt hoogtepunt van Brahms kamermuziek; enorme drive en zinderende schoonheid.

- pianokwartet nr. 1 in g klein, opus 25, voor piano, viool, altviool en cello, 1861. Het meesterwerk was in het bezit van Clara Schumann, die ook de pianiste was bij de eerste uitvoering in 1861 in Hamburg. Het kwartet is prachtig georkestreerd door Arnold Schönberg; en daarna toegepast in het ballet Brahms–Schoenberg kwartet van George Balanchine; een aangrijpend werkje; deel 4, Rondo alla Zingarese: Presto, is nogal bekend.

- pianokwartet nr. 3 in c kleine terts, opus 60, voor piano, viool, altviool en cello, 1875.Brahms had er 20 jaar aan gewerkt. "Zet maar een geicht met een pistool daarop geriocht op de voorpgina" schreef hij in 1875 aan de uitgever. Zwaarmoedig werk.

- pianotrio nr. 1 in B grote terts, opus 8, 1854,  voor piano, viool en cello, geïnspireerd door de romantische verhalen van E.T.A Hoffmann, door Brahms grondig herzien in 1889; in de laatste volgroeide versie wordt het doorgaans uitgevoerd. Een ijzersterk en vitaal werk, dat behoort tot zijn mooiste kamermuziekwerken.

- trio voor hoorn, viool en piano in Es grote terts, "hoorntrio", opus 40 (1865), prachtige samenklank van viool en hoorn.

- pianotrio nr. 2 in C grote terts , opus 87, 1882,  voor piano, viool en cello

- pianotrio nr. 3 in c kleine terts,  opus 101,voor piano, viool en cello, zomer 1886.

- klarinettrio in a klein, opus 114, voor piano, klarinet en cello, 1891 geschreven voor de klarinettist Richard Mühlfeld;

- Scherzo in c-klein, WoO posthuum 2, 1853, voor viool en piano Brahms’ bijdrage aan de F.A.E.-sonate, een gezamenlijke compositie van Johannes Brahms, Albert Dietrich en Robert Schumann voor hun vriend, de violist Joseph Joachim. F.A.E staat voor Frei aber Einsam, Joachim’s lijfspreuk. De compositiedelen zijn  allemaal gebaseerd op de muzikale noten F, A en E, als een muzikaal cryptogram. Het Scherzo van Brahms, het derde deel, is muzikaal het interessantst en wordt vaak apart uitgevoerd.

     62 (series) werken voor zangstem(men) en piano

- Liedcyclus opus 32, 9 liederen, 1864

- Vijftien Romances uit  Tieck's Liebesgeschichte der schönen Magelone ("Magelone-Lieder") opus 33, 1861–1869

- vier liederen voor zangstem en piano, opus 46

nr. 4. An die Nachtigall

- Vijf liederen, opus 49

nr.4 Wiegenlied, "Guten Abend, gute Nacht", ook als speeldoosje voor baby's op de markt gebracht.

- acht liederen voor zangstem en piano, opus 58 

nr. 5 Schwermut

- acht liederen voor zangstem en piano, opus 59, 1873 

nr. 4. Nachklang

nr. 8 Dein blaues Auge

- negen liederen voor zangstem en piano ("Lieder und Gesänge"), opus 63 

nr. 7 Heimweh I

nr. 8 Heimweh II

nr. 9 Heimweh III

- 9 Gesänge, opus 69;

nr. 3 Abschied

- vijf  liederen voor zangstem en piano, opus 72

nr. 1 Alte Liebe

nr. 2 Sommerfäden

nr. 3 O kühler Wald

nr. 4 Verzagen

- 6 Lieder,opus 85, 1882

nr. 4 Mädchenlied

- zes  liederen voor lage zangstem en piano, opus 86

nr. 6 Todessehnen

- vijf liederen voor zangstem en piano, opus 94

- Vier Lieder, opus 96, 1884

- Fünf Lieder, opus 105, 1886, voor mezzosopraan of alt en piano

nr. 2 Immer leiser wird mein Schlummer, in cis kleine en Des grote terts. Tekst Hermann Lingg (1820–1905). Prachtige lage tonen

- Vier ernste Gesänge, opus 121, cyclus van vier liederen voor bas en piano, tekst: Bijbelwoorden, 1896, opgedragen aan Max Klinger; Vier ernste Gesänge zijn georkestreerd door  Detlev Glanert en Günter Raphael.

nr. 3 O tod, wie bitter bist du

- 5  Ophelia Lieder, WoOposth. 22, 1873, uit Shakespeare’s Hamlet, in een Duitse vertaling van Schlegel en Tieck, geschreven voor de actrice Olga Precheisen.

- 49 Duitse volksliederen,  WoO 33, voor zangstem en piano

nr 6. Da unten im Tale

     21 (series) pianowerken

- Scherzo in Es klein, opus 4, 1851, Brahms’ eerste officiële werk

- Piano Sonata nr. 1 in C groot, opus 1, 1853

Piano Sonata nr. 2 in fis klein, opus 2, 1853, in feite geschreven vóór opus 1.

- Piano Sonata nr. 3 in f kleine terts, opus 5, 1853, opgedragen aan gravin Ida von Hohenthal. Magistrale monumentale sonate waarin Brahms het vijfde-symfonie-van-Beethoven-motief op verschillende manieren verwerkt;

- Ballades, opus 10, 1854, opgedragen aan zijn vriend Julius Otto Grimm. 4 lyrische stukjes; "een jongeman die nadenkt over een onzekere toekomt". Liederen zonder woorden. 

- Thema met variaties in d kleine terts, opus 18b, 1860, opgedragen aan Clara Schumann. Gebaseerd op het langzame tweede deel Andante uit het strijksextet opus 18.

- Twee series variaties, opus 21,

nr. 1. Elf variaties op een eigen thema in D grote terts, 1857, uitstekend werk, ten onrechte zelden uitgevoerd.

- Variaties op een thema van Robert Schumann, voor piano vierhandig, opus 23, 1861

- Variaties en Fuga over een Thema van Handel, opus 24, september 1861. Een serie van 25 variaties en een afsluitende fuga, alles gebaseerd op een aria in het derde deel van George Frideric Handel’s klavecimbelsuite nr. 1 in Bes grote terts, HWV 434; opgedragen aan Clara Schumann, de weduwe van Robert Schumann, op haar 42ste verjaardag, 13 september 1861.

- Sonate voor twee piano's in f kleine terts, opus 34b, bewerking (eerdere vorm) van het pianokwintet opus 34

- Variaties op een thema van Paganini, voor piano solo, opus 35, 1863

- Zestien walsen, opus 39, voor vier handen, opgedragen aan Eduard Hanslick. Johannes Brahms heeft ze ook gearrangeerd voor piano solo, in twee versies: een lastige en een gemakkelijke.

Wals nr. 15 in As grote terts is als “Wiegelied” een eigen leven gaan leiden

- 21 Ungarische Tänze voor vierhandig piano, WoO 1, 1869, in vier boeken uitgegeven, latere transcripties van de eerste tien door Brahms zelf voor piano solo en trancripties van alle dansen (Brahms, Antonín Dvořák, en andere componisten) voor orkest.

+ Hongaarse dans nr. 1 in g kleine terts, door Brahms zelf georkestreerd

+ Hongaarse dans nr. 5 in fis kleine terts, door Martin Schmeling georkestreerd in g klein, de meest populaire dans, gebaseerd op de csárdás  "Bártfai emlék" van Béla Kéler, waarvan Brahms ten onrechte dacht dat het een originele Hongaarse melodie was

- Variationen über ein Thema von Joseph Haydn, ook wel  Sint Anthony koraalvariaties, of  Haydn-variaties voor twee piano's, opus 56b, 1873. Variaties over  het „Sint Anthony koraal“, waarvan niet helemaal duidelijk is of de melodie wel echt van Haydn  is, of misschien van Pleyel. Brahms componeerde daarna een versie v oor orkest: opus 56a, die het meest wordt uitgevoerd..

- Acht Klavierstücke opus 76, 1878

- Rhapsodieën opus 79, 1879 opgedragen aan Elisabeth von Herzogenberg.

nr. 1 in b kleine terts, Agitato. Stormachtig

nr. 2 in g kleine terts. Molto passionato, ma non-troppo allegro 

- Zeven Fantasia’s, opus 116, 1892

- Drie Intermezzi, opus 117, 1892

- Sechs Klavierstücke opus 118, 1893, opgedragen aan Clara Schumann.

2. Intermezzo. Andante teneramente in A grote terts

3. Ballade in g kleine terts. Allegro energico;

- Vier Klavierstücke opus 119, 1893, 4 karakterstukken, zijn laatste compositie voor piano solo

IV. Rhapsodie in Es grote terts

     5 (series) orgelwerken

- Preludium en fuga in g kleine terts, WoO 10 

 

Aleksandr Porfirjevitsj Borodin (Sint-Petersburg, 12 november 1833 – 27 februari 1887) werd geboren in Sint Petersburg als buitenechtelijke zoon van de Georgische edelman Luka Gedevanishvili en zijn minnares, de Russsische, 25 jaar oude Evdokia Konstantinovna Antonova. Geheel volgens de gebruiken van die tijd werd hij bij zijn geboorte ingeschreven als zoon van een ander, van de adellijke bediende, Porfiry Ionovitsj Borodin.

Behalve in pianospel bekwaamde hij zich in de geneeskunde en vervolgens in de chemie. Hij begon in 1862 compositielessen te nemen bij Mili Balakirev, toentertijd hoogleraar in de chemie, en trouwde in 1863 met de jonge pianiste Ekaterina Protopopova bij wie hij drie dochters kreeg.

Borodin overleed op 27 februari 1887 tijdens een bal aan een hartaanval en werd begraven op de Tichvin-begraafplaats van het Alexander Nevski-klooster in Sint-Petersburg.

Aleksandr Borodin componeerde

     4 opera’s

- Prins Igor, opera met proloog en 4 bedrijven, libretto V.V. Stasov, 1887,  niet afgemaakt, gecompleteerd en gedeeltelijk georkestreerd door Rimsky-Korsakov en Glazunov. Borodins voornaamste werk met de "Polowetzers Dansen", het sluitstuk van de tweede akte die in een tekstloze orkestversie  vaak net als de Ouverture als een zelfstandig stuk worden uitgevoerd.

     In de musical

- Kismet, 1953, gebaseerd op het toneelstuk Kismet uit 1911 van Edward Knoblock, gebruikten Robert Wright en George Forrest muziek uit 9 verschillende werken van Alexander Borodin. Tony Award voor beste musical in 1954.

     4 orkestwerken

- symfonisch gedichtin de steppen van Centraal-Azië”, 1880

     15 kamermuziekwerken

- Sonata in b kleine terts voor cello en piano, 1860, gebaseerd op de fuga uit de vioolsonate nr. 1 in g kleine terts, BWV 1001 van Johann Sebastian Bach. Het werk was lang vergeten, maar in 1982 gereconstrueerd door Mikhail Goldstein.

- Strijksextet in d kleine terts, 1861, alleen twee delen zijn bewaard gebleven

- Pianokwintet in c kleine terts, 1862, voor strijkkwartet en piano

- Strijkkwartet nr. 2 in D grote terts, 1881, prachtig fraai werk, parel binnen de Russische kamermuziek.

     22 liederen en koorwerken

     11 pianowerken

 

Julius Reubke (Hausneindorf, 23 maart 1834 - Pillnitz, 3 juni 1858) was de oudste zoon van orgel- en pianobouwer Adolf Reubke (1805-1875). Julius Reubke kreeg les van Hermann Bönicke (1821-1879) in Quedlinburg, en daarna aan het conservatorium Berlijn piano van Theodor Kullak en compositie van in Adolf Bernhard Marx.

In 1855 heeft Julius Reubke op aanbeveling van Hans von Bülow nog lessen piano en compositie gehad van Franz Liszt. Hij mocht ook in het huis van Franz Liszt in Altenburg wonen. Daar heeft hij zijn composities geschreven. Hij overleed in een kuuroord in Pilnitz aan een verergerende tuberculose, maar 24 jaar oud. Franz Liszt schreef nog een sympathieke brief aan zijn vader.

Van zijn vijf broers nam Emil (1836-1884) het bedrijf van zijn vader over; zijn broer Otto (1842-1913), ook pianist, organist en componist werd vanaf 1892 directeur van de Universiteit van Halle. Hij had ook twee zusters, Meta en Alma.

Julius Reubke componeerde

     3 pianowerken

- pianosonata in Bes kleine terts

     2 orgelwerken

- sonate „Der 94. Psalm“, in c kleine terts, gebaseerd op de tekst van psalm 94, 1857, opgedragen aan  professor Carl Riedel, een groot symfonisch gedicht, hoort bij het standaardrepertoire van concertorganisten. Een hoogtepunt uit het Romantische orgelrepertoire.

 

Albert Ernst Anton Becker (Quedlinburg 13 juni 1834 – Berlijn, 10 januari 1899) studeerde in Quedlinburg bij Hermann Bönicke en daarna van 1853 tot 1856 bij Siegfried Dehn im Berlijn compositie. In 1854 kwam hij bij de Zangersacademie in Berlijn.

Hij was docent compositie aan de kunstacademie Berlijn.  Zijn beroemdste leerling was Jean Sibelius.  In 1889 kreeg Albert Becker de leiding van het Koninklijke Domkoor, in 1892 werd hij werkzaam bij de Pruisische Koninklijke Kunstacademie.

Hij is de grootvader van komponist Günter Raphael.

Albert Becker componeerde

     3 symfoniën

     andere orkestwerken

     missen

mis in Bes kleine terts, zijn beste werk

     oratoria

     cantates

     kamermuziekwerken

- pianokwartet in d kleine terts, opus 19

- pianosonata in f kleine terts, opus 40

- pianokwintet  in Es, opus 49

     liederen

     orgelwerken

- Präludium und Fuge in a kleine terts, opus 21

     koorwerken

 

Petrus Leonardus Leopoldus (Peter) Benoit (Harelbeke, Vlaanderen, België 17 augustus 1834 - Antwerpen, 8 maart 1901) kreeg zijn eerste muzieklessen van zijn vader en studeerde daarna piano en orgel bij Pieter Carlier, koster en organist in Desselgem. Vanaf 1851 studeerde Peter Benoit aan het Koninklijk Conservatorium in Brussel piano, harmonieleer, contrapunt en compositie bij directeur François-Joseph Fétis en vanaf 1854 orkestratie en orkestdirectie bij Karel Lodewijk Hanssens, directeur van de Muntschouwburg. Peter Benoit kreeg een Prix de Rome voor zijn cantate Le Meurtre d'Abel. Van 1858 tot 1862 reisde Peter Benoit door Duitsland, gaf daar concerten en schreef ondertussen een boek over de Vlaamse muziek en haar toekomst.

In 1862 ging hij in Parijs wonen en werd daar dirigent van het Théâtre des Bouffes Parisiens, waar Jacques Offenbach de leiding van had. In 1863 nam hij daar weer ontslag en vestigde hij zich te Brussel (Sint-Joost-ten-Node). In 1867 werd hij directeur van de Vlaamse muziekschool, later het Koninklijk Vlaams Muziekconservatorium in Antwerpen. In 1890 stichtte hij het Nederlands Lyrisch Toneel dat in 1893 overging in de Vlaamse Opera. Peter Benoit heeft een opvallend praalgraf op de Antwerpse begraafplaats Schoonselhof.

De muziekacademie in zijn geboortestad Harelbeke werd naar hem genoemd. In Harelbeke is ook een Peter Benoitmuseum Bovendien werd er een bier en vier straatnamen in Vlaamse steen naar Peter Benoit vernoemd.

Lodewijk Mortelmans en Jan Blockx, zijn opvolger als directeur van het conservatorium, waren leerlingen van Peter Benoit.

Peter Benoit heeft zich altijd sterk gemaakt voor een goede samenwerking met Nederland, en een vernederlandsing van het Vlaamse muziekonderwijs.

Peter Benoit componeerde

     9 opera’s

     4 muziektheaterwerken

     6 oratoria

     5 orkestwerken

     5 werken voor harmonieorkest

     4 missen

- Mis voor tenor, koor en orkest, "Hoogmis", 1860. Golvende melodieën, ronkende harmonieën en machtige koorpassages.

     1 requiem, 1863, de Brahms van de lage landen, met alles wat een Romantische dodenmis moet hebben, meesterwerk uit de Vlaamse muziek.

     6 andere (series) religieuze werken

     6 cantates

     5 (series) kamermuziekwerken

     7 koorwerken a cappella

     4 (series) werken voor zangstem(men) en instrument(en)

- Mijn moederspraak, 1889, zijn beroemdste lied

     talloze pianowerken 

 

Amilcare Ponchielli (Paderno bij Cremona, Italië, 31 augustus 1834 – Milaan, 16 januari 1886) werd op negenjarige leeftijd al toegelaten aan het Conservatorio "Giuseppe Verdi" in Milaan, en schreef zijn eerste symfonie toen hij tien was. In 1854 studeerde Amilcare Ponchielli met succes af en werd hij aansluitend organist aan de St. Hilarius-kerk in Cremona en Maestro sostituto (tweede kapelmeester) aan het Teatro della Concordia.

Van 1861 tot 1874 was Amilcare Ponchielli dirigent van de Banda della Guardia Nazionale in Piacenza. Hij had daar de opdracht maandelijks twee eigen composities voor het harmonieorkest te schrijven. Dat deed hij gewetensvol en muzikaal.

Later werd hij domkapelmeester in Bergamo. Hij trouwde op 26 juni 1874 met Teresa Brambilla, zangeres van de hoofdrol van Lucia in zijn opera “I Promessi Sposi” in het Teatro Del Verme in Milaan.

In 1880 werd Amilcare Ponchielli tot compositiedocent aan het conservatorium van Milaan benoemd. Tot zijn leerlingen behoorden Giacomo Puccini en Pietro Mascagni. Amilcare Ponchielli overleed aan een longontsteking en werd bijgezet op de Monumentale Begraafplaats in Milaan.

Amilcare Ponchielli componeerde

     10 opera’s

- La Gioconda,  libretto Arrigo Boito, gebaseerd op het toneelstuk  “Angelo, tyran de Padoue” (1835) van Victor Hugo. Een meeslepende mix van onmogelijke liefde, jaloezie, schijndood, moord en zelfmoord. Loodzware titelrol voor zangeres Gioconda (sopraan). Een belangrijk rol is weggelegd voor bariton Barnaba, spion van de inquisitie.  De opera had groot en blijvend succes. De allegorische balletscène uit de 4e akte, de "Dans der uren", kreeg wensconcert-populariteit en wordt vaak apart uitgevoerd. De Dans-der-uren-muziek werd gebruikt in de Walt Disneyfilm “Fantasia” (1940) en verscheidene andere populaire produkties.

     4 balletten

- Le due gemelle, 1873

     10 orkestwerken

- Il Convegno (De ontmoeting), Divertimento voor twee klarinetten en orkest opus.76, PP.141, 1857, kostelijk en hoogst viruoos,voor allerlei andere bezettingen gearrangeerd  

     200 werken voor harmonieorkest

- Concerto per Flicornobasso(euphonium), 1872,

- 15 variaties over het Napolitaanse lied "Carnevale di Venezia",

     13 werken voor solist(en), (koor) en orkest

     4 werken voor koor en piano

     8 kamermuziekwerken

     25 werken voor zangstem(men) en piano

     12 (series) pianowerken voor twee of vier handen

 

Tekla Bądarzewska-Baranowska (Warschau, 1834 – 29 september 1861) was een amateur, zonder speciaal muzikaal onderricht. Ze trouwde met Jan  Baranowski. In de negen jaar van hun huwelijk kregen ze vijf kinderen. Tekla Bądarzewska stierf op 27-jarige leeftijd. Haar graf op de Powązki begraafplaats heeft een standbeeld van een jonge vrouw met een rol bladmuziek met de titel La prière d'une vierge. Een van haar dochters: Bronisława, werkte in het Warschaus’ Muziekinstituut in 1875. Een krater op Venus is naar haar vernoemd.

Tekla Bądarzewska schreef

     35 pianowerkjes

- Modlitwa dziewicy opus. 4 ("Gebed van een meisje"). Bob Wills arrangeerde het in de Western swing stijl en schreef er een tekst bij. Hij nam het op als "Maiden's Prayer", het werd een standard. Anton Tsjechov laat in zijn toneelstuk Drie Zusters in het vierde bedrijf Het gebed van een maagd klinken. In de opera Rise and Fall of the City of Mahagonny, 1930 van Kurt Weill en Bertolt Brecht, is scene 9 in het eerste bedrijf er (satirische) op gebaseerd